34 241 Goedkeuring van het op 4 maart 2015 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de integratie van de beveiliging van het luchtruim tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen (renegades) (Trb. 2015, 36 en Trb. 2015, 97)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State).

Inleiding

Internationale samenwerking is van groot belang voor de krijgsmacht. Het kabinet heeft dit meermaals naar voren gebracht, onder meer in de nota In het belang van Nederland van de Minister van Defensie van 17 september 2013 (Kamerstukken II 2013/14, 33 763, nr. 1). Door middel van internationale samenwerking kunnen landen capaciteiten opbouwen waartoe zij afzonderlijk niet (meer) in staat zijn. Bij reeds bestaande capaciteiten kan samenwerking zorgen voor doelmatigheidsvoordelen. Naast operationele duurzaamheid en financiële duurzaamheid behoort internationale samenwerking tot de drie uitgangspunten van het defensiebeleid in de komende jaren.

Met het oog op doelmatigheidsvoordelen wil Nederland gaan samenwerken met België en Luxemburg bij de bewaking van het nationale luchtruim tegen (civiele) luchtvaartuigen waarvan een terroristische dreiging uitgaat (Renegade). Het onderhavige verdrag biedt hiervoor het juridisch raamwerk.

Voor de luchtruimbewaking heeft zowel België, als Nederland permanent twee jachtvliegtuigen paraat die met een korte waarschuwingstijd inzetbaar zijn, de zogenoemde Quick Reaction Alert (QRA). De luchtruimbewakingstaak kent twee aspecten. De QRA-taak in NAVO-kader heeft betrekking op het onderkennen en eventueel onderscheppen van vijandige of ongeïdentificeerde militaire luchtvaartuigen. Deze taak wordt uitgevoerd op basis van het NAVO-verdrag en berust in Nederland op de grondwettelijke taak van de bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Het onderhavige verdrag heeft hierop geen betrekking. Daarnaast kunnen de jachtvliegtuigen worden ingezet voor de beveiliging van het nationale luchtruim tegen Renegade toestellen, waarop het verdrag wel betrekking heeft.

Luchtruimbewaking

De beveiliging van het nationale luchtruim tegen Renegade toestellen betreft voor Nederland een vorm van nationale militaire bijstand die berust op artikel 58 van de Politiewet 2012. Op 5 december 2005 hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de desbetreffende regeling toegelicht in een brief aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2005/2006, 29 754, nr. 60):

Per 1 mei 2005 is de Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme1 in werking getreden. Hierin is een aantal bestaande procedureafspraken tussen de ministeries van Defensie en Justitie over militaire bijstandsverlening bij de bestrijding van terroristische dreigingen vanuit de lucht vastgelegd.

De bestrijding van luchtvaartterrorisme is een nationale verantwoordelijkheid. In Nederland is de Minister van Justitie2 aangewezen als de bevoegde nationale autoriteit. Zowel de NAVO, het «Air Operations and Control Station» van de Koninklijke Luchtmacht (AOCS NM) als de Minister van Justitie kan een civiel vliegtuig aanmerken als een terroristische dreiging vanuit de lucht. Het AOCS NM is, onder verantwoordelijkheid van de Minister van Defensie, bevoegd tot het geven van een opdracht aan twee bewapende F-16’s, de zogeheten Quick Reaction Alert (QRA) om het civiele vliegtuig te benaderen voor verificatie van en informatie over dit vliegtuig. Vanaf het moment dat een civiel vliegtuig is aangemerkt als een terroristische dreiging vanuit de lucht, is de Minister van Justitie bevoegd aanwijzingen te geven aan de QRA. Op dat moment vindt inzet van de QRA plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.

Samenwerking met België en Luxemburg

België, Luxemburg en Nederland hebben reeds enkele jaren geleden de mogelijke voordelen onderkend van samenwerking op het gebied van wederzijdse luchtruimbewaking met betrekking tot Renegade toestellen. De ministers van Defensie van de drie landen hebben op 18 april 2012 in een gezamenlijke verklaring een haalbaarheidsstudie aangekondigd (Kamerstukken II 2011/12, 33 279, nr. 3). Op 23 oktober 2013 hebben de ministers van Defensie van België en Nederland een Letter of Intent getekend inzake de opstelling van een gezamenlijk verdrag (Kamerstukken II 2013/14, 763, nr. 11). Inmiddels heeft Luxemburg besloten eveneens partij te willen worden bij dit verdrag.

De beoogde samenwerking houdt in dat België en Nederland bij toerbeurt en in gelijke mate jachtvliegcapaciteit leveren voor de luchtruimbewaking van de drie landen. Indien jachtvliegtuigen moeten optreden tegen een civiel luchtvaartuig waarvan een terroristische dreiging uitgaat, geeft de nationale autoriteit van het land in wiens luchtruim de dreiging zich voordoet hiertoe opdracht (National Government Authority; NGA). De te nemen maatregelen lopen uiteen van het visueel of elektronisch identificeren van het betrokken luchtvaartuig tot, in het uiterste geval, de toepassing van dodelijk geweld. Luxemburg heeft het gebruik van dodelijk geweld boven het eigen grondgebied uitgesloten. Voor zowel Nederland, als België, vormt het verdrag, eenmaal in werking getreden, de rechtsbasis voor de inzet van geconsigneerde jachtvliegtuigen in het gemeenschappelijke interessegebied dat bestaat uit het nationale luchtruim van de aangesloten landen. Belgische jachtvliegtuigen die in het Nederlandse luchtruim een Renegade toestel volgen, handelen in opdracht van de Minister van Veiligheid en Justitie en handelen in overeenstemming met de Nederlandse ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en met de Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme.

De doelmatigheidsvoordelen van de samenwerking zijn evident. Omdat de luchtbewakingstaak bij toerbeurt wordt uitgevoerd met België, zal het niet langer noodzakelijk zijn om permanent twee jachtvliegtuigen paraat te hebben. Het betrokken personeel, zowel vliegers als ondersteunend personeel, kan doelmatiger worden ingezet. Dit is des te meer van belang na de vervanging van de F-16 door de F-35 waarvan er 37 worden aangeschaft. Zoals uiteengezet in de D-brief van 15 december 2014 (Kamerstukken II 2014/15, 26 488, nr. 369) stationeert Defensie hiervan 32 toestellen in Nederland en de overige vijf in de Verenigde Staten voor opleiding en testen. Deze 32 toestellen bieden voldoende oefenuren om 29 vliegers inzetgereed (combat ready) te maken en houden. Voor de permanente vervulling van de QRA-taak zijn, zonder de samenwerking met België, bij toerbeurt 24 vliegers nodig en zijn dus nog vijf vliegers beschikbaar voor missies. Met de samenwerking met België zijn er twintig vliegers nodig voor de QRA-taak en zijn er negen beschikbaar voor missies, waardoor in een inzetgebied meer vluchten per toestel per dag mogelijk zijn.

Luxemburg beschikt niet over jachtvliegtuigen. België vervult van oudsher reeds de militaire QRA-taak in NAVO-kader voor dit land. Het feit dat Luxemburg partij wordt bij het onderhavige verdrag, betekent dat nu in het luchtruim van dit land de mogelijkheid wordt gecreëerd in opdracht van de Luxemburgse autoriteiten op te treden tegen een Renegade toestel. Dit draagt bij aan de veiligheid van de omringende landen. Voor België en Nederland betekent dit geen extra last van betekenis. Voor de paraatheid van de jachtvliegtuigen maakt de deelneming van Luxemburg geen verschil.

Het verdrag bepaalt dat de samenwerking wordt uitgevoerd met jachtvliegtuigen. Het type jachtvliegtuig is daarvoor niet van belang, zolang het toestel maar in staat is de taken uit te voeren die in het verdrag zijn omschreven.

Samenwerking met Frankrijk

België en Frankrijk hebben in 2005 een overeenkomst gesloten over samenwerking bij de luchtruimbewaking. Deze overeenkomst houdt in dat jachtvliegtuigen die een Renegade toestel begeleiden, dit zullen blijven doen tot in het luchtruim van het partnerland, totdat jachtvliegtuigen van het partnerland deze taak in het eigen luchtruim hebben overgenomen. Dit moet voorkomen dat een reeds onderschept Renegade toestel na het overschrijden van een landsgrens onbegeleid verder vliegt als de jachtvliegtuigen van het partnerland nog niet ter plaatse zouden zijn. Het gebruik van geweld in het luchtruim van het partnerland is hierbij uitdrukkelijk uitgesloten.

De Belgisch-Franse overeenkomst is relevant voor het verdrag tussen België, Luxemburg en Nederland, omdat België als gevolg van dit verdrag de overeenkomst met Frankrijk niet langer volledig kan nakomen. Als Nederland de beurt heeft om jachtvliegtuigen te leveren, heeft België immers geen jachtvliegtuigen beschikbaar om een Renegade toestel tot over de Franse grens te begeleiden totdat Franse jachtvliegtuigen deze taak hebben overgenomen. Nederland is bereid in voorkomend geval deze taak voor België te vervullen. Daarvoor is wel een verdragsrechtelijke basis nodig. De besprekingen hierover zijn inmiddels begonnen en naar verwachting kunnen deze binnen afzienbare tijd met succes worden voltooid.

Soevereiniteit

Het verdrag heeft aspecten die raken aan de Nederlandse soevereiniteit. In de reactie op rapport nr. 78 van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft het kabinet per brief van 11 mei 2012 uiteengezet dat het besluit om militairen in te zetten een nationale politieke verantwoordelijkheid blijft (Kamerstukken II 2011.12, 33 279, nr. 2). Tegelijkertijd beklemtoonde het kabinet dat defensiesamenwerking en soevereiniteit geen tegenpolen zijn. Soevereiniteit in engere zin behelst de onafhankelijkheid van een staat in de internationale rechtsorde. In de moderne lezing heeft soevereiniteit evenzeer betrekking op effectief statelijk gezag binnen de landsgrenzen en de internationale bevordering van veiligheid en andere belangen. Het kabinet beschouwt daarom handelingsvermogen als een wezenlijk onderdeel van ons soevereiniteitsbegrip.

Bij de samenwerking bij de luchtruimbewaking is het vraagstuk van soevereiniteit in engere zin vooral relevant bij de inzet van een Nederlands jachtvliegtuig in opdracht van de Belgische of Luxemburgse autoriteiten in hun luchtruim. In geval van een Renegade kan de Nederlandse vlieger van hen rechtstreeks een inzetopdracht krijgen zonder tussenkomst van een Nederlandse autoriteit, waarbij zoals gezegd in het geval van Luxemburg de toepassing van dodelijk geweld is uitgesloten. Bij de inzet van Nederlandse eenheden tijdens internationale operaties is het van oudsher dagelijkse praktijk dat Nederlandse troepen opdrachten uitvoeren in opdracht of onder bevel van een internationale commandant. Een verschil is echter dat bij internationale operaties de Nederlandse red card holder ter plaatse als vertegenwoordiger van de Commandant der Strijdkrachten de opdracht kan tegenhouden. Deze mogelijkheid bestaat niet bij de opdracht van de Belgische of Luxemburgse autoriteiten aan de Nederlandse vlieger om op te treden tegen een Renegade luchtvaartuig, aangezien het gaat om een noodsituatie en het zeer geringe tijdsbestek waarin beslissingen moeten worden genomen, geen ruimte laat voor een dergelijke voorziening.

De inzet van het Nederlandse jachtvliegtuig is echter onderworpen aan nauw omschreven regels en procedures waarvan de basis is vastgelegd in het verdrag en specifieke details zullen worden geregeld in de daaronder liggende regelingen, zogeheten «technical arrangements», waaronder de Rules of Engagement. Er bestaat dan ook volstrekte duidelijkheid over de voorwaarden waaronder en manier waarop een Nederlands jachtvliegtuig ten behoeve van de gezamenlijke luchtruimbewaking kan worden ingezet. Het verlies van soevereiniteit in engere zin is daarom beperkt. Hier tegenover staat dat het handelingsvermogen van Nederland wordt vergroot door de grotere beschikbaarheid van jachtvliegcapaciteit voor internationale operaties.

Bij de eventuele inzet van een Belgisch jachtvliegtuig in het Nederlandse luchtruim is het vraagstuk van soevereiniteit – althans voor Nederland – minder relevant. In een dergelijk geval berust de zeggenschap over de inzet altijd bij de Nederlandse Minister van Veiligheid en Justitie.

Financiën

België, Luxemburg en Nederland werken in beginsel samen met gesloten beurzen. België en Nederland nemen zelf de kosten van de inzet van hun jachtvliegtuigen voor hun rekening. De uitgaven voor Nederland vallen zoals voorheen onder beleidsartikel 4 (Taakuitvoering luchtstrijdkrachten) van de begroting van het Ministerie van Defensie. De drie verdragspartijen zullen in technical arrangements nadere afspraken maken over onderlinge ondersteuning en de kostenverdeling daarvan. Investeringen met het oog op de onderlinge samenwerking zijn momenteel niet voorzien.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelen I, II en III

Artikel I bevat definities van de gebruikte termen. Een van de definities betreft het gemeenschappelijk interessegebied (Common Area of Interest, CAoI), het toepassingsgebied van het verdrag dat bestaat uit het nationale luchtruim van België, Luxemburg en het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden. Tevens bepaalt dit artikel wie de nationale autoriteiten zijn die uitvoering geven aan het verdrag. Voor Nederland is dat de Minister van Veiligheid en Justitie.

In artikel II is omschreven wat de doelstelling is van dit verdrag. Het verdrag biedt een juridisch raamwerk voor de integratie van de luchtruimbewaking (air security) met betrekking tot de dreiging die uitgaat van Renegade toestellen.

Artikel III omschrijft de reikwijdte van het verdrag. Het artikel is ruim geformuleerd om te zorgen dat er geen middelen worden uitgesloten die van belang kunnen zijn bij het bereiken van de beoogde integratie van de luchtruimbewaking zoals omschreven in artikel II. Voorwaarde is wel dat deze middelen direct, dan wel indirect een bijdrage leveren aan de algemene luchtvaartveiligheidsmaatregelen (zoals omschreven in artikel I, negende lid) en/of de actieve luchtvaartveiligheidsmaatregelen (zoals omschreven in artikel I, tiende lid) die nodig zijn voor een geïntegreerde luchtruimbeveiliging in het gemeenschappelijke interessegebied (zoals omschreven in artikel I, eerste lid). Buiten dit gemeenschappelijke interessegebied heeft dit verdrag geen toepassing.

Artikel IV

In artikel IV is vastgelegd dat partijen onderling informatie zullen uitwisselen die noodzakelijk is voor een duidelijk beeld van de actuele veiligheidssituatie in het luchtruim binnen het gemeenschappelijk interessegebied. Informatie-uitwisseling met het oog op een zo accuraat en actueel mogelijk beeld van de veiligheidssituatie is van groot belang voor de bevoegde nationale autoriteiten (NGA) van de verdragspartijen om hun taken en bevoegdheden onder dit verdrag te kunnen uitvoeren, in het bijzonder ten aanzien van de uitvoering van de aan hun toebedeelde beslissingsmacht hoe de geconsigneerde jachtvliegtuigen moeten worden ingezet binnen hun nationale luchtruim.

Artikel V

Artikel V is de kern van het verdrag en bevat de bepalingen die van belang zijn voor de wijze waarop de geïntegreerde luchtruimbewaking moet worden uitgevoerd. In het eerste lid van artikel V wordt benadrukt dat alle partijen een rol hebben in het monitoren van bewegingen in het luchtruim binnen het gemeenschappelijk interessegebied. Dit wordt uitgevoerd door de militaire luchtverkeersleiding in België en Nederland die deze informatie delen met de bevoegde autoriteiten onder dit verdrag, zodat de nationale autoriteiten van de betrokken landen op tijd de juiste maatregelen kunnen nemen tegen civiele luchtvaartdreigingen. In hetzelfde artikellid is bepaald dat België en Nederland voor Luxemburg het gemeenschappelijk interessegebied monitoren en met geconsigneerde jachtvliegtuigen beschermen in lijn met de afspraken zoals neergelegd in dit verdrag en onderliggende technical arrangements (zie Artikel XI). De achtergrond daarvan is dat Luxemburg zelf niet beschikt over een militaire luchtverkeersleiding en jachtvliegtuigen.

Zoals uiteengezet in de inleiding vervullen de geconsigneerde vliegtuigen een dubbelrol. Die dubbelrol houdt in dat zij primair worden ingezet onder gezag van de NAVO ten behoeve van de NAVO QRA-taak die is gericht op militaire luchtdreigingen. Indien blijkt dat de dreiging een niet-militair karakter heeft, kunnen zij tegen deze dreiging worden ingezet door onder nationaal gezag te opereren. Aangezien de NAVO QRA-taak niet relevant is voor het onderhavige verdrag, wordt deze dubbelrol noch in artikel V, noch elders in het verdrag expliciet vermeld.

Om de controle over de geconsigneerde jachtvliegtuigen over te dragen van de zendstaat aan de NAVO en vice versa is een Transfer Of Authority (TOA) dan wel een Re Transfer Of Authority (RTOA) nodig. In het geval van een geïdentificeerde niet-militaire luchtdreiging in het gemeenschappelijke interessegebied zal eerst RTOA door de NAVO aan de zendstaat moeten plaatshebben, voordat de zendstaat in staat is om onder nationaal gezag daartegen op te treden (als de niet-militaire luchtdreiging zich in of nabij het eigen luchtruim bevindt). Voor de gevallen waarin de niet-militaire luchtdreiging zich voordoet in of nabij het luchtruim van een andere verdragspartij dan de zendstaat is in het derde lid van artikel V bepaald dat de zendstaat (na RTOA door de NAVO) TOA effectueert en Tactical Control (TACON) over de geconsigneerde jachtvliegtuigen overdraagt aan de nationale autoriteit (NGA) van die verdragspartij. Deze partij wordt in het verdrag aangeduid als de ontvangende staat.

In het tweede lid van artikel V is vastgelegd dat de geconsigneerde jachtvliegtuigen van België en Nederland bij toerbeurt de luchtbewaking in het gemeenschappelijk interessegebied zullen uitvoeren. Om het mogelijk te maken dat geconsigneerde jachtvliegtuigen onder bevel van een voor hen buitenlandse nationale autoriteit (NGA) kunnen optreden in het luchtruim van de andere verdragspartij(en), bepaalt het derde lid van artikel V dat wanneer een niet-militaire luchtdreiging zich voordoet in of nabij het luchtruim van de ontvangende staat, de zendstaat (het land waartoe de geconsigneerde jachtvliegtuigen behoren) een Transfer of Authority doet en de tactische controle over deze vliegtuigen (TACON) overdraagt aan de ontvangende staat.

Kenmerkend voor dit verdrag is dat het voor zendstaten de juridische basis creëert om geweld, zo nodig tot en met dodelijk geweld (behalve in het geval van Luxemburg) te gebruiken in het luchtruim van ontvangende staten. Het vierde lid van artikel V omschrijft aan welke voorwaarden moet zijn voldaan alvorens geweldstoepassing in het luchtruim van de ontvangende staat is toegestaan. De eerste voorwaarde is dat het geconsigneerde jachtvliegtuig onder tactische controle moet zijn gesteld van de nationale autoriteit (NGA) van de ontvangende staat. De tweede voorwaarde is dat het geconsigneerde jachtvliegtuig van de nationale autoriteit van de ontvangende staat toestemming moet hebben ontvangen om geweld te gebruiken in dat gedeelte van het gemeenschappelijke interessegebied dat tot het nationale luchtruim van de ontvangende staat behoort. Op verzoek van Luxemburg is de uitzondering gemaakt dat dodelijk geweld niet zal worden aangewend in het luchtruim van dit land. Nader uitgewerkte regelingen omtrent het toepassen van geweld kunnen worden vervat in technical arrangements onder dit verdrag (zie Artikel XI).

Ten slotte is in het vijfde lid van artikel V bepaald dat de bepalingen van het op 19 juni 1951 te Londen tot stand gekomen Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten(Trb. 1951, 114) (NAVO Statusverdrag), van toepassing zijn op alle aspecten van de samenwerking omschreven in dit verdrag, tenzij in dit verdrag uitdrukkelijk van die bepalingen wordt afgeweken. Dit houdt onder meer in dat de zendstaat voorrang van rechtsmacht geniet over het eigen personeel indien dit personeel in de rechtmatige uitoefening van de dienst een (mogelijk) strafbaar feit begaat in het luchtruim of op het grondgebied van de ontvangende staat. In artikel IX, tweede lid (vorderingen van derde partijen) wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om van de bepalingen van het NAVO Statusverdrag af te wijken.

Artikel VI

In artikel VI is bepaald dat de partijen bij dit verdrag elkaar ondersteuning verlenen bij de implementatie en uitvoering van dit verdrag, voor zover de gevraagde ondersteuning ligt binnen het bereik van de middelen en mogelijkheden van die partijen. Bedoeld worden die vormen van ondersteuning die noodzakelijk zijn om de geïntegreerde luchtruimbewaking goed te laten functioneren. Zo kan men denken aan technische ondersteuning (onderhoud van jachtvliegtuigen), maar ook aan ondersteuning op het gebied van verbindingen (integratie of koppeling van communicatiesystemen) en training van personeel. De verschillende vormen van ondersteuning, alsmede de voorwaarden waaronder die ondersteuning wordt geboden, zullen worden beschreven in technical arrangements. De vormen van ondersteuning worden niet in detail vastgelegd. Een limitatieve opsomming in dit verdrag zou de flexibiliteit beperken en onvoldoende ruimte bieden aan innovatie.

Artikel VII

Artikel VII bepaalt dat partijen elkaars regelgeving en instructies op het gebied van veiligheid en milieu respecteren. Specifiek wijst dit artikel op de regels die gelden met betrekking tot wapens, munitie, en luchtvaartuigen. De ontvangende staat bepaalt de voorwaarden voor het gebruik van wapens, munitie, en luchtvaartuigen door de zendstaat. Voor Nederland dient dit artikel te worden gelezen in samenhang met artikel XVI; verwezen wordt naar de toelichting bij dat artikel.

Artikel VIII

Artikel VIII bepaalt dat partijen bij dit verdrag zelf de kosten dragen voor de inzet van hun middelen bij de tenuitvoerlegging van dit verdrag. Op deze manier wordt gemeend de kosten van de geïntegreerde luchtruimbewaking evenredig te verdelen. Wel zullen op lager niveau ten aanzien van specifieke deelgebieden van de samenwerking in een technical arrangement nadere en mogelijk van deze hoofdregel afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden over de kostenverdeling.

Artikel IX

Artikel IX omschrijft de wijze waarop partijen omgaan met vorderingen tot schadevergoeding. Het eerste lid bepaalt dat het regime van artikel VIII van het NAVO Statusverdrag van toepassing is op vorderingen die partijen op elkaar kunnen hebben ter compensatie van materiële of immateriële schade die het gevolg is van handelen of nalaten ter uitvoering van dit verdrag. Dit regime houdt in dat partijen afzien van het indienen van dergelijke vorderingen jegens elkaar.

Het tweede lid bepaalt dat vorderingen van derden ter compensatie van materiële en immateriële schade die het gevolg is van handelen of nalaten ter uitvoering van dit verdrag zullen worden afgewikkeld overeenkomstig hetgeen de toepasselijke internationale (ICAO) en nationale regelgeving (Burgerlijk Wetboek) daaromtrent voorschrijft. Partijen laten de mogelijkheid open om derde partijen schadeloos te stellen door middel van «ex gratia» betalingen. Dit zijn betalingen die door een Staat worden gedaan zonder dat daarmee enige vorm van aansprakelijkheid door die Staat wordt erkend. De zendstaat en de ontvangende staat zullen de financiële lasten van dit soort ex gratia betalingen gelijkelijk tussen elkaar verdelen, met de bijzonderheid dat de ontvangende staat (op wiens grondgebied en/of in wiens luchtruim de schade aan derden werd veroorzaakt) het recht heeft om het eerste voorstel te doen omtrent de hoogte van het bedrag dat ex gratia aan betrokken derden betaald zal worden.

Artikel X

Artikel X omschrijft de wijze waarop een vliegveiligheidsonderzoek moet worden uitgevoerd nadat zich een luchtvaartincident heeft voorgedaan in het luchtruim en/of op het grondgebied van één der partijen bij dit verdrag en waarbij een luchtvaartuig betrokken is geweest dat behoort aan een van de andere partijen bij dit verdrag. Dergelijke onderzoeken zullen worden uitgevoerd overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van ICAO en NAVO.

Artikel XI

Artikel XI bepaalt dat technical arrangements kunnen worden gesloten. Dit zijn niet-juridisch verbindende afspraken die gemaakt worden om nadere uitvoering te kunnen geven aan de samenwerking op basis van een verdrag. Voor Nederland zijn de bevoegde autoriteiten de Minister van Defensie en de Minister van Veiligheid en Justitie.

Artikelen XII en XIII

Artikel XII omschrijft de wijze waarop partijen geschillen oplossen die tussen hen zijn ontstaan als gevolg van implementatie, uitvoering of interpretatie van (de bepalingen van) dit verdrag. Hierbij is van belang dat dergelijke conflicten noch ter beoordeling of beslechting zullen worden voorgelegd aan een nationale of internationale rechterlijke instantie, noch aan enig andere derde partij die met dat doel wordt aangezocht. De enige toegelaten vorm van resolutie is onderhandeling tussen partijen.

Artikel XIII bepaalt dat elke partij op elk moment een schriftelijk verzoek om wijziging of aanvulling van dit verdrag mag voorleggen aan de andere partijen. Na ontvangst van een dergelijk verzoek treden alle betrokken partijen zo spoedig mogelijk met elkaar in onderhandeling om hun standpunt ten aanzien van de voorgestelde wijziging of aanvulling te bepalen. Overeengekomen wijzigingen van het verdrag treden in werking overeenkomstig het bepaalde in Artikel XIV, eerste lid van het verdrag.

Artikel XIV

Het eerste lid van artikel XIV bepaalt dat het verdrag in werking zal treden op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop alle partijen de Depositaris kennis hebben gegeven van de voltooiing van de noodzakelijke nationale vereisten.

Het tweede lid van artikel XIV bepaalt dat dit verdrag van kracht blijft tussen partijen, tenzij het wordt beëindigd op basis van een gemeenschappelijke schriftelijke verklaring daartoe van alle partijen, ofwel indien één der partijen aan de Depositaris een schriftelijke verklaring tot beëindiging van het verdrag stuurt met inachtneming van een opzegtermijn van 180 dagen. De gezamenlijke beëindiging van het verdrag, dan wel de eenzijdige opzegging van het lidmaatschap ontslaat partijen niet van de verplichting om die kosten te voldoen die zij reeds verschuldigd waren uit hoofde van de samenwerking onder dit verdrag voordat de beëindiging of opzegging van kracht werd.

Artikel XV

In artikel XV is bepaald dat het Koninkrijk der Nederlanden optreedt als Depositaris voor dit verdrag.

Artikel XVI

Artikel XVI bevat specifieke elementen van de toepasselijkheid van het verdrag in het Koninkrijk der Nederlanden. Het eerste lid van artikel XVI bepaalt dat op iedere maatregel of actie die op grond van dit verdrag door geconsigneerde jachtvliegtuigen in het Nederlandse luchtruim en onder Nederlands gezag wordt uitgevoerd, de regels van toepassing zijn die gelden voor de Nederlandse strijdkrachten wanneer zij optreden ter ondersteuning van de politie in het kader van nationale politieoperaties. Hiermee is bewerkstelligd dat in Nederland op basis van de ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, alsmede de Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme uitvoering kan worden gegeven aan de verdragsverplichtingen, zonder dat nadere uitvoeringswetgeving nodig is. Op uitdrukkelijk verzoek van België en Luxemburg is deze bepaling opgenomen in Artikel XVI van het verdrag en niet in Artikel VII van het verdrag.

Het tweede lid van artikel XVI bepaalt dat dit verdrag alleen van toepassing is op het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Koninkrijkspositie

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, zal dit verdrag, conform zijn artikel XVI, tweede lid, alleen voor het Europese deel van Nederland gelden.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Regeling van 20 april 2005, nr. 5348913/505, houdende het verlenen van militaire bijstand ten behoeve van de bewaking van het Nederlandse luchtruim en de inzet van defensiemiddelen tegen terroristische dreigingen vanuit de lucht (Regeling bijstand bestrijding luchtvaartterrorisme) (Stcrt. 2005, 83). Aangepast met de regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012, nr. 330697 (Stcrt. 2012, 26854).

X Noot
2

Inmiddels: de Minister van Veiligheid en Justitie.

Naar boven