Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum totstandkoming
Ministerie van Buitenlandse ZakenTractatenblad 2015, 97Verdrag

5 (2015) Nr. 2

A. TITEL1)

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de integratie van de luchtruimbewaking tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen (renegades);

's-Gravenhage, 4 maart 2015

B. TEKST

De Engelse tekst van het Verdrag is geplaatst in Trb. 2015, 36.

C. VERTALING


Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de integratie van de luchtruimbewaking tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen (renegades)

Het Koninkrijk België,

het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Groothertogdom Luxemburg,

Hierna te noemen „de partijen”,

Gelet op de bepalingen van artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties;

Gelet op de bepalingen van het Noord-Atlantisch Verdrag, op 4 april 1949 ondertekend te Washington;

Gelet op de bepalingen van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, op 19 juni 1951 ondertekend te Londen, hierna te noemen „NAVO Statusverdrag”, tenzij anders overeengekomen in dit Verdrag;

Gelet op het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, op 7 december 1944 ondertekend te Chicago;

Gelet op het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JHA);

Gelet op de verklaring inzake de bestrijding van terrorisme, aangenomen door de lidstaten van de Europese Unie tijdens de Europese Top in Brussel op 25 maart 2004;

Gelet op het Operationeel Concept van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie tot versterking van de luchtverdediging van het bondgenootschap in antwoord op mogelijke terroristische aanvallen (MCM-062-02);

Gelet op het Verdrag van 27 mei 2005 tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie;

Gelet op Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim en Verordening (EG) nr. 1070/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Verordeningen (EG) 549/2004, (EG) nr. 551/2004 en (EG) nr. 552/2004 teneinde de prestaties en de duurzaamheid van het Europese luchtvaartsysteem te verbeteren;

Gelet op het „Accord entre le Gouvernement de la République Française et le Gouvernement du Royaume de Belgique relatif à la coopération en matière de défense contre les menaces aériennes non militaires” (overeenkomst tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van het Koninkrijk België inzake samenwerking op defensiegebied tegen niet-militaire bedreigingen vanuit het luchtruim) van 6 juli 2005;

Het strategisch belang van het luchtruim benadrukkend voor de veiligheid en bewaking van het grondgebied van elke partij en de omliggende regio;

Geleid door de wens een passend wettelijk kader vast te stellen voor de integratie van de luchtruimbewaking tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel I Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de gebruikte uitdrukkingen de volgende betekenis:

1. „gemeenschappelijk interessegebied (CAoI)”:

Common Area of Interest, het gebied bestaande uit het soevereine luchtruim van de partijen.

2. „Third State Airspace (TSA)”:

luchtruim van een staat buiten het gemeenschappelijk interessegebied die geen partij is bij dit Verdrag.

3. „luchtincident”:

elk voorval binnen het toegewezen NAVO-luchtruim en het nationale luchtruim dat tactische maatregelen vergt, met inbegrip van de inzet van luchtvaartuigen. Luchtincidenten kunnen van militaire en niet-militaire aard zijn. Luchtincidenten van niet-militaire aard betreffen een of meer renegades.

4. „Renegade”:

een civiel luchtplatform dat wordt aangemerkt als zijnde operationeel op een wijze die aanleiding is voor de verdenking dat het kan worden gebruikt als een wapen voor het uitvoeren van een terroristische aanval.

5. „Assigned Aircraft (AAC)”:

een militair luchtvaartuig dat is geconsigneerd voor de uitvoering van de verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag.

6. „Assigned Aircraft (AAC) Rotation”:

de roulerende bijdragen met Assigned Aircraft door de partijen.

7. „Recognised Air Picture (RAP)”:

een luchtruimbedreigingsanalyse van de gedetecteerde luchtbewegingen van alle luchtvaartuigen binnen een bepaald luchtruim, waarbij elk luchtvaartuig wordt geïdentificeerd als vriendschappelijk of vijandig en idealiter wordt voorzien van aanvullende informatie, zoals het type luchtvaartuig, vluchtnummer en vluchtschema. Deze informatie kan betrokken worden uit verschillende bronnen, waaronder militaire en civiele sensoren, de civiele luchtverkeersleiding en geallieerde naties of de NAVO.

8. „Control and Reporting Centre (CRC)”:

centrum voor de luchtverdediging dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van RAP’s van alle bewegingen in het hem toegewezen luchtruim en dat het bevel en de controle heeft over de AAC.

9. „General Aviation Security Measures (GASM)”:

de identificatie en classificatie van luchtvaartuigen die wordt verricht door de nationale Control and Reporting Centres (CRC’s).

10. „Active Aviation Security Measures (AASM)”:

bewakingsmaatregelen uitgevoerd met AAC of andere militaire middelen van de partijen, met inbegrip van:

  • ondervraging die gepaard gaat met visuele of elektronische identificatie en het volgen van een luchtvaartuig;

  • interventie, gepaard gaand met een afgedwongen vluchtroute, verbod tot overvliegen en/of het verdachte luchtvaartuig dwingen te landen binnen een aangewezen gebied;

  • gebruik van waarschuwingssignalen met magnesiumfakkels;

  • gebruik van kinetisch geweld, variërend van waarschuwingsschoten met vuurwapens tot en met het gebruik van dodelijk geweld.

Voor de toepassing van dit Verdrag is het gebruik van dodelijk geweld bij de inzet van AASM boven Luxemburg uitgesloten.

11. „nationale autoriteit (NGA)”:

de nationale bevoegde autoriteit van de partij van het nationale luchtruim waarin zich een renegade bevindt, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de nodige maatregelen tot handhaving van de veiligheid van het luchtruim in overeenstemming met de relevante nationale regels en voorschriften. Uit hoofde van dit Verdrag zijn de onderscheiden nationale autoriteiten: voor Nederland, de minister van Veiligheid en Justitie, voor België de minister van Defensie en voor Luxemburg de minister van Defensie of hun onderscheiden opvolgers.

12. „vertegenwoordiger van de nationale autoriteit”: voor de toepassing van dit Verdrag zijn de onderscheiden vertegenwoordigers van de nationale autoriteit: voor Nederland de dienstdoende Master Controller van het nationale CRC, voor België de CRC Master Controller of de hoogste dienstdoende officier die belast is met de coördinatie en rapporteert aan de Belgische NGA en voor Luxemburg de „Haut-Commissaire à la Protection nationale”

(hoge commissaris voor nationale bescherming) of hun onderscheiden opvolgers. Dit Verdrag sluit echter de mogelijkheid van samenwerking tussen de CRC’s in de toekomst niet uit, die in detail zal worden vastgelegd in een afzonderlijke technical arrangement dat dient te worden ondertekend door de ministers van Defensie van de partijen.

13. „terroristische aanval”:

aanval die wordt gepleegd met een terroristisch oogmerk zoals omschreven in het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2002/475/JHA).

14. „(Re)Transfer of Authority (TOA/RTOA)”:

de maatregel waarmee de verantwoordelijkheden en de middelen voor de luchtverdediging van de NAVO (terug) worden overgedragen aan de nationale autoriteit (via de vertegenwoordiger van de nationale autoriteit) of vice versa.

15. „ontvangende staat”:

de staat van het luchtruim waarin de bewegingen en/of AASM door AAC van de zendstaat plaatsvinden.

16. „zendstaat”:

de staat die AASM uitvoert met nationale AAC binnen het luchtruim van de ontvangende staat. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt Luxemburg niet aangemerkt als een zendstaat.

17. „TACON”:

Tactical control, het bevel over gekoppelde of gedetacheerde strijdkrachten of commandoposten, of over militaire capaciteit dan wel strijdkrachten die ter beschikking zijn gesteld voor uitvoering van taken, en dat zich beperkt tot de gedetailleerde aanwijzing en aansturing van bewegingen of manoeuvres binnen het operationele gebied die nodig is voor het uitvoeren van die toegewezen missies of taken.

Artikel II Doel

Dit Verdrag verschaft het benodigde juridische kader voor de integratie van de luchtbewaking in antwoord op dreigingen die uitgaan van renegades en heeft ten doel de interventiecapaciteit van de partijen ten aanzien van renegades te verbeteren via synergie van de inzet en het bundelen en delen van middelen.

Artikel III Reikwijdte

  • 1. Dit Verdrag is van toepassing op alle militaire middelen van de partijen die bijdragen aan de uitvoering van GASM en AASM en nodig zijn voor het bewerkstelligen van de geïntegreerde bewaking van het luchtruim, om dreigingen die uitgaan van renegades binnen het gemeenschappelijk interessegebied van de partijen het hoofd te kunnen bieden.

  • 2. De toepassing van dit Verdrag strekt zich uit tot het gemeenschappelijk interessegebied.

Artikel IV Uitwisseling van informatie

De partijen wisselen de informatie uit over de RAP die nodig is ter voorkoming van en de reactie op bedreigingen voor de veiligheid vanuit het luchtruim in het gemeenschappelijk interessegebied en om de NGA in staat te stellen de nodige of juiste maatregelen uit hoofde van dit Verdrag te nemen.

Artikel V Operationele bepalingen

  • 1. Ten behoeve van dit Verdrag monitoren België en Nederland de bewegingen in het gemeenschappelijk interessegebied en beschermen zij het gemeenschappelijk interessegebied door uitvoering van GASM en AASM, zoals omschreven in artikel 1, negende en tiende lid. Voor Luxemburg zullen de monitoring en bescherming van het gemeenschappelijk interessegebied gewaarborgd worden door België en Nederland conform de modaliteiten vastgelegd in dit Verdrag en in de regeling(en) omschreven in artikel XI van dit Verdrag, hierna te noemen de „technical arrangement(s)”.

  • 2. De AAC van België en Nederland nemen bij toerbeurt deel aan de AAC-Rotation boven het gemeenschappelijk interessegebied.

  • 3. In het geval van een niet-militair luchtincident in of nabij het luchtruim van de ontvangende staat, voorziet de zendstaat de ontvangende staat via zijn AAC van TOA en TACON.

  • 4. Het gebruik van geweld door AAC tegen een renegade is toegestaan indien:

    • a. het AAC onder de TACON van de ontvangende staat valt; en

    • b. het AAC van de NGA van de ontvangende staat toestemming heeft gekregen voor het gebruik van geweld tegen een renegade in het gemeenschappelijk interessegebied.

    Ingevolge artikel 1, tiende lid, mag in het luchtruim van Luxemburg geen dodelijk geweld worden gebruikt.

    Nadere regelingen met betrekking tot het gebruik van geweld door AAC worden neergelegd gelegd in technical arrangements.

  • 5. De bepalingen van het NAVO Statusverdrag zijn van toepassing op alle aspecten van de integratie en samenwerking zoals omschreven in dit Verdrag, tenzij in dit Verdrag uitdrukkelijk anders wordt bepaald.

Artikel VI Ondersteunende diensten en oefeningen

  • 1. Ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag voorzien de partijen elkaar binnen hun middelen en mogelijkheden van ondersteunende diensten. Deze ondersteunende diensten alsmede de voorwaarden voor het verstrekken ervan worden nader geregeld in technical arrangements die dienen te worden gesloten door de onderscheiden ministers van Defensie.

  • 2. De partijen verplichten zich regelmatig grensoverschrijdende oefeningen uit te voeren teneinde de benodigde staat van paraatheid te waarborgen om bij te dragen aan de AAC-Rotation. Nadere regelingen worden vastgelegd in technical arrangements die dienen te worden gesloten door de onderscheiden ministers van Defensie.

Artikel VII Maatregelen ten behoeve van bewaking, veiligheid en milieubescherming

De partijen eerbiedigen de desbetreffende voorschriften en instructies inzake bewaking, veiligheid en milieubescherming die van kracht zijn in de ontvangende staat, in het bijzonder ter zake van wapens, munitie en luchtvaartuigen. Op het gebruik van wapens en munitie is het recht van de ontvangende staat van toepassing.

Artikel VIII Financiële bepalingen

Elke partij draagt haar eigen kosten die ontstaan in verband met de implementatie en uitvoering van dit Verdrag.

Artikel IX Schade en schadevergoeding

  • 1. De partijen zien af van onderlinge vorderingen tot vergoeding van schade (met inbegrip van verlies van gebruik), letsel of overlijden ten gevolge van de uitvoering van dit Verdrag in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van artikel VIII van het NAVO Statusverdrag.

  • 2. Vorderingen van derden tot vergoeding van schade (met inbegrip van verlies van gebruik), letsel of overlijden ten gevolge van de uitvoering van dit Verdrag worden afgehandeld in overeenstemming met de van toepassing zijnde internationale en nationale wet- en regelgeving. In het geval van schade, letsel of overlijden ten gevolge van de uitvoering van dit Verdrag kunnen de betrokken partijen derden vrijwillig schadeloos stellen via een gelijkelijk tussen de zendende en ontvangende staat te verdelen bedrag aan schadevergoeding zonder prejudiciële erkenning van de verantwoordelijkheid. In dat geval kan de partij in het luchtruim of op het grondgebied waarvan de schade, het letsel of overlijden optrad of plaatsvond het bedrag van deze vrijwillig te betalen schadevergoeding voorstellen.

Artikel X Onderzoek van luchtvaartongevallen en -incidenten

Bij luchtvaartongevallen of -incidenten die plaatsvinden in het nationale luchtruim of op het nationale grondgebied van een van de partijen, waarbij een luchtvaartuig van een andere partij betrokken is, zal een vliegveiligheidsonderzoek plaatsvinden in overeenstemming met:

  • a. bijlage XIII bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944;

  • b. de desbetreffende NAVO-standaardisatieovereenkomsten (STANAGs), waaronder STANAG 3531.

Artikel XI Technical arrangements

Voor dit Verdrag kunnen technical arrangements gesloten worden. De technical arrangements kunnen in onderling overleg worden gewijzigd of aangevuld.

Artikel XII Beslechting van geschillen

Elk geschil omtrent de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt uitsluitend in overleg tussen de partijen opgelost en niet ter beslechting voorgelegd aan een nationaal of internationaal scheidsgerecht of een andere derde.

Artikel XIII Wijziging

Iedere partij kan te allen tijde verzoeken om wijziging van dit Verdrag door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partijen. Indien een dergelijk verzoek wordt gedaan, treden de partijen onverwijld met elkaar in onderhandeling. Wijzigingen worden van kracht overeenkomstig de procedure omschreven in artikel XIV, eerste lid.

Artikel XIV Inwerkingtreding en beëindiging

  • 1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de partijen de depositaris in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de noodzakelijke nationale procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.

  • 2. Dit Verdrag blijft van kracht totdat het wordt opgezegd met wederzijdse schriftelijke instemming van de partijen of door een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris van een partij inzake haar voornemen tot opzegging met een opzegtermijn van ten minste 180 dagen. De beëindiging van dit Verdrag laat alle betalingsverplichtingen van een partij uit hoofde van de bepalingen van dit Verdrag onverlet totdat deze zijn voldaan.

Artikel XV Depositaris

  • 1. Het Koninkrijk der Nederlanden is depositaris van dit Verdrag.

  • 2. De depositaris laat dit Verdrag bij de Verenigde Naties registreren overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel XVI Toepassing van het Verdrag met betrekking tot het Koninkrijk der Nederlanden

  • 1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft zijn op maatregelen of acties uit hoofde van dit Verdrag door de AAC in zijn nationale luchtruim en onder zijn nationale gezag de regels van toepassing die gelden voor de nationale strijdkrachten indien zij militaire bijstand verlenen aan de politie bij de strafrechtelijke handhaving.

  • 2. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Den Haag op 4 maart 2015 in drievoud, in de Engelse taal.

Voor het Koninkrijk België, VANDEPUT

Voor het Koninkrijk der Nederlanden, HENNIS-PLASSCHAERT

Voor het Groothertogdom Luxemburg, LORENZ


D. PARLEMENT

Zie Trb. 2015, 36.

E. PARTIJGEGEVENS

Zie Trb. 2015, 36.

G. INWERKINGTREDING

Zie Trb. 2015, 36.

J. VERWIJZINGEN

Zie Trb. 2015, 36.

Uitgegeven de vijfentwintigste juni 2015.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. KOENDERS


X Noot
1)

In Trb. 2015, 36 is ten onrechte de titel “Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake de integratie van de beveiliging van het luchtruim tegen dreigingen die uitgaan van niet-militaire luchtvaartuigen (renegades)” gebruikt.