Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634111 nr. 6

34 111 Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg teneinde een mogelijkheid op te nemen tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van sancties daarbij inbegrepen

Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 september 2015

De regering heeft met veel belangstelling kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de daarin opgenomen vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA en D66. Het verheugt de regering dat deze fractieleden het belang van transparantie van toezichtgegevens onderschrijven. In deze nota naar aanleiding van het verslag worden de vragen van de betrokken fractieleden beantwoord en gaat de regering in op de verschillende opmerkingen. Bij de beantwoording van de vragen is zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden. Vragen met dezelfde strekking zijn echter samengevoegd en gebundeld beantwoord.

1. Inleiding

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van transparantie over de controlegegevens van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Jeugdzorg (IJZ), maar hebben vragen en opmerkingen over de wijze waarop dit wordt ingevuld in het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel creëert een specifieke grondslag en verplichting voor het actief openbaar maken van toezichtgegevens en sanctiebesluiten door de NVWA, IGZ en IJZ. De leden van de VVD-fractie vragen wat de toegevoegde waarde is van dit wetsvoorstel ten opzichte van de huidige situatie en welk probleem met het voorliggend wetsvoorstel wordt opgelost.

Allereerst heeft dit wetsvoorstel vanuit het oogpunt van rechtszekerheid (voorspelbaarheid) toegevoegde waarde in vergelijking met de huidige Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De bepaling in de Wob over actieve openbaarmaking1 is zeer algemeen geformuleerd:

«Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, verschaft uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.»

Deze bepaling geeft burgers en bedrijven geen duidelijkheid over welke informatie door een toezichthouder openbaar wordt gemaakt. Toezichthouders gaan verschillend om met de bepaling uit de Wob. Sommige toezichthouders hanteren op basis van de Wob beleidsregels voor de actieve openbaarmaking. Andere toezichthouders hanteren geen beleidsregels, terwijl ze wel toezichtinformatie actief openbaar maken. Bezien vanuit het perspectief van burgers en bedrijven is op voorhand op grond van de wet niet duidelijk welke informatie actief openbaar gemaakt zal worden.

In vergelijking met de Wob geeft het wetsvoorstel juist concreet en limitatief aan welke informatie voor openbaarmaking in aanmerking komt. Vervolgens wordt bij amvb nader geregeld welke informatie precies openbaar moet worden gemaakt. De systematiek in het wetsvoorstel (gebonden karakter van openbaarmaking) brengt met zich dat de toezichthouder geen beleidsvrijheid heeft bij de openbaarmaking van de informatie die bij amvb is aangewezen. De combinatie van de (bij wet en amvb) geboden duidelijkheid omtrent de toezichtinformatie en het gebonden karakter van de openbaarmaking maakt het voor de ondertoezichtgestelden zeer voorspelbaar welke informatie wanneer over hen bekend wordt gemaakt. Deze voorspelbaarheid is voor de ondertoezichtgestelden te meer van belang, omdat openbaarmaking van toezichtgegevens voor hen ingrijpend kan zijn. Ook burgers weten aan de hand van de wet en de amvb welke toezichtinformatie zij kunnen verwachten. Daarnaast bevat het wetsvoorstel eenduidige regels over rechtsbescherming en over de bescherming van persoonlijke levenssfeer. Ook in dat opzicht biedt het wetsvoorstel rechtszekerheid.

Voorts vindt de beleidsmatige keuze voor de vraag welke gegevens openbaar moeten worden gemaakt plaats op het niveau van de wet en de amvb. Daardoor zijn deze keuzes met meer rechtswaarborgen omkleed dan wanneer die geschieden op basis van een beleidsregel. Voor de totstandkoming en wijziging van een amvb geldt een zwaardere procedure dan voor een beleidsregel. Bovendien wordt met het wetsvoorstel het beginsel van het primaat van de wetgever beter geborgd, omdat de wet zelf op hoofdlijnen bepaalt welke informatie openbaar mag worden gemaakt en dat slechts tot openbaarmaking overgegaan moet worden indien dat bij amvb is bepaald.

Een andere toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel is dat de beoogde doelen van de openbaarmaking – nalevingsbevordering, legitimatie van overheidsbeleid en inlichten van het publiek, – beter worden bereikt dan wanneer openbaarmaking plaatsvindt op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dit is om de volgende redenen.

Door de systematiek zoals neergelegd in het wetsvoorstel – het gebonden karakter tot openbaarmaking van wat bij algemene maatregel van bestuur (amvb) is aangewezen – wordt bereikt dat burgers en bedrijven een zo volledig mogelijk beeld krijgen van de informatie die beschikbaar is. Bij het huidige openbaarmakingsregime op grond van de Wob kan dit volledige beeld niet worden verkregen, omdat minder informatie openbaar wordt gemaakt.

Op grond van de Wob kan minder informatie openbaar gemaakt vanwege de in de Wob vereiste individuele belangenafweging. Dit leidt in het huidige wettelijke kader in sommige gevallen tot onthouding van openbaarmaking. Dit geldt met name voor de NVWA. Indien een gebruiker van informatie thans geen informatie over een bepaald bedrijf kan vinden, kan die gebruiker daaraan geen conclusies verbinden. Het kan immers zijn dat er geen informatie bekend is, maar ook dat het bedrijf in kwestie zeer slecht heeft gepresteerd en het belang van het bedrijf (het belang van voorkoming van onevenredige bevoor- of benadeling) eraan in de weg staat de informatie openbaar wordt gemaakt. Dit laatste kan zich in de door het wetsvoorstel voorgestelde constructie niet meer voordoen.

Tot slot is de huidige procedure die gevolgd moet worden bij openbaarmaking op grond van de Wob zeer bewerkelijk en verzet zich daardoor tegen grootschalige openbaarmaking. Grootschalige openbaarmaking is juist cruciaal om het belang van transparantie (een zo volledig mogelijk beeld geven aan het publiek) beter te kunnen dienen.

Op grond van de Wob moet nu per geval een belangenafweging plaatsvinden en moet bovendien per geval beoordeeld worden of gelegenheid tot het geven van een zienswijze over een voorgenomen besluit tot openbaarmaking moet worden geboden. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel vindt er (a) geen individuele belangenafweging meer plaats, en (b) geldt bovendien als uitgangspunt dat, enkele uitzonderingen daargelaten, geen gelegenheid wordt geboden tot het geven van een zienswijze. Door de schaal waarop de openbaarmaking zal plaatsvinden, zal het op enig moment praktisch onuitvoerbaar worden om bij alle besluiten tot openbaarmaking een individuele belangenafweging te doen alsmede te bezien of gelegenheid tot het geven van een zienswijze moet worden geboden en vervolgens te bewaken of van die gelegenheid gebruik is gemaakt. In plaats daarvan is gekozen voor een standstillperiode van twee weken waarbinnen een belanghebbende de voorzieningenrechter kan verzoeken de openbaarmaking voorlopig op te schorten.

Op grond van het wetsvoorstel is dus straks een grootschaliger openbaarmaking mogelijk dan op basis van de Wob.

Het wetsvoorstel richt zich op de NVWA, de IGZ en de IJZ. De leden van de VVD-fractie willen weten waarom gekozen is voor deze drie organisaties, en niet een beperktere of bredere opzet. Verder vragen zij waarom bijvoorbeeld de Inspectie SZW, die ook op het terrein van de gezondheidszorg taken vervult, niet onder de werking van voorliggend wetsvoorstel is gebracht.

De reden waarom het wetsvoorstel zich uitstrekt tot de NVWA, IGZ en IJZ is dat deze toezichthouders onderdelen zijn van het Ministerie van VWS (IGZ en IJZ) dan wel onderdeel van een ander ministerie en in opdracht van het Ministerie van VWS toezicht houdt op belangrijke VWS-regelgeving; dit laatste geldt voor de NVWA die onderdeel is van het Ministerie van EZ. Er lijkt geen reden voor om de openbaarmaking van besluiten op de betrokken terreinen niet zoveel mogelijk op uniforme wijze plaats te laten vinden. Aan de Kamer is destijds toegezegd om inspectiegegevens van de NVWA openbaar te maken, maar ook voor de IGZ en IJZ zijn de doelstellingen zoals geformuleerd in het wetsvoorstel van belang. De IGZ omarmt al enige tijd het creëren van een specifieke wettelijke grondslag voor actieve openbaarmaking van «inspectieproducten». De thematische wetsevaluatie bestuursrechtelijke toezicht op de kwaliteit van zorgverlening beveelt ook aan een specifieke wettelijke grondslag te creëren.2

De Inspectie SZW houdt onder meer toezicht op de arbeidsomstandigheden. Dit onderdeel van de taak van de inspecties kan inderdaad raakvlakken hebben met de gezondheidszorg, maar valt niet onder de Minister van VWS. In het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies (Kamerstukken 34 108) dat op 3 maart 2015 door uw Kamer is aangenomen, wordt de actieve openbaarmaking van toezichtgegevens door de Inspectie SZW geregeld. De systematiek in dat wetsvoorstel komt overigens overeen met het onderhavige wetsvoorstel.

Bij amvb kan de werking van het wetsvoorstel worden uitgebreid naar informatie die berust bij andere instanties dan het Staatstoezicht op de volksgezondheid die belast zijn met het toezicht op of de uitvoering van naleving van aangewezen regelgeving. Hierbij wordt gedacht aan aangewezen keuringsinstellingen. De leden van de VVD-fractie vragen of overwogen is om deze organisaties onder de werking van het wetvoorstel te laten vallen en of er nog andere organisaties zijn waarvan wordt overwogen om deze in de genoemde amvb op te nemen. De leden van de VVD-fractie en van de CDA-fractie vragen waarom deze uitbreiding niet bij wet wordt geregeld.

Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om bij amvb andere instanties, zoals de door de Minister aangewezen keuringsdiensten, onder de werking van het wetsvoorstel te laten vallen. Vooralsnog is gedacht aan deze keuringsdiensten, maar het is niet uitgesloten dat er in de toekomst ook andere instanties kunnen worden aangewezen. Er is gekozen voor regeling op het niveau van de amvb omdat dit de nodige flexibiliteit biedt om snel op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen. Het is van belang dat die toezichthouders en uitvoerders pas worden aangewezen indien er daadwerkelijk aanleiding is een openbaarmakingsplicht op hen te leggen. Belangrijk is dat, zodra het nodig is dergelijke instellingen aan te wijzen, de wet daartoe de mogelijkheid biedt.

In reactie op het advies van de Raad van State om een algemene regeling voor de actieve openbaarmaking te treffen, heeft de regering aangegeven dat een dergelijke algemene regeling nog niet tot stand is gekomen omdat de bestaande specifieke regelingen aansluiten op de specifieke kenmerken en beoogde doelen van de sectoren. De leden van de VVD-fractie vragen of per specifieke regeling kan worden aangegeven waarom deze is vormgegeven op een specifieke manier en hoe dit aansluit bij de bijbehorende sector. Verder vragen zij om ten aanzien van het wetsvoorstel aan te geven welke specifieke kenmerken en doelen van de sector nopen tot een specifieke regeling.

Ook andere fracties hebben vragen gesteld over een algemene regeling voor de actieve openbaarmaking. De leden van de CDA-fractie verwijzen specifiek naar het Regulier Overleg Warenwet waarin is gezegd dat overheidsbreed, generieke regels voor de openbaarmaking gemaakt moeten worden. De leden van de SP-fractie zien voordelen ten aanzien van de gewenste uniforme wijze van openbaarmaking en vragen daarop de reactie van de regering. Ze vragen daarnaast of de regering de opvatting deelt dat een uniforme wijze van openbaarmaking van besluiten en gegevens het doel van voorgenomen wetswijzigingen, de naleving van regelgeving en transparantie te bevorderen wordt versterkt. De leden van de VVD-fractie, PvdA-fractie en D66-fractie vragen naar de wijze waarop en wanneer de regering de mogelijkheden voor een algemene regeling gaat verkennen. De leden van de D66-fractie en de CDA-fractie vragen welke ministeries en andere partijen betrokken zijn. De leden van de VVD-fractie willen weten wanneer de Kamer hierover nader wordt geïnformeerd. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de Kamer daarover een voorstel kan verwachten. De leden van de PvdA-fractie vragen wat het effect van een algemene regeling voor actieve openbaarmaking kan zijn op de bestaande openbaarmakingsregimes.

De leden van de VVD-fractie vragen terecht naar de verschillen tussen specifieke regelingen en de rechtvaardiging van deze verschillen. Er gelden inderdaad veel specifieke openbaarmakingsregimes die onderling verschillen vertonen. De regering onderschrijft het belang van uniformering van regelgeving. Zij deelt tevens de opvatting dat daar waar een uniforme wijze van openbaarmaking mogelijk is, dit kan bijdragen aan transparantie en het bevorderen van naleving van regels. Burgers en bedrijven weten dan beter waar ze aan toe zijn. De openbaar gemaakte informatie kan daardoor voor het publiek beter vergelijkbaar worden. Een uniforme procedurele regeling biedt ook rechtszekerheid aan de ondertoezichtgestelden. Om deze redenen is inmiddels een interdepartementale werkgroep gestart die onderzoek doet naar de haalbaarheid van een uniform openbaarmakingsregime. Mede gelet op het advies van de Raad van State om bij voorkeur een regeling in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen, onderzoekt de werkgroep de mogelijkheden van een uniforme procedurele regeling in de Awb. Daarbij zullen de verschillen tussen de specifieke regelingen, de eventuele rechtvaardiging van die verschillen en de vraag welke elementen in een algemene regeling kunnen worden ondergebracht worden geïnventariseerd. De interdepartementale werkgroep staat onder leiding van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Alle ministeries zijn vertegenwoordigd, behalve het Ministerie van Algemene Zaken. Er zijn vooralsnog geen andere partijen bij de werkgroep betrokken. De werkgroep zal het eerste inventariserende onderzoek naar de mogelijkheden om te komen tot een uniforme procedurele regeling naar verwachting dit jaar afronden. Als op grond van de uitkomsten van dat onderzoek vervolgens wordt besloten daadwerkelijk een regeling in de Awb op te nemen, dan zal uw Kamer daarover vanzelfsprekend worden geïnformeerd door de Minister van Veiligheid en Justitie. Indien er een algemene regeling komt, dan zal dat er in ieder geval toe leiden dat de door de toezichthouders te volgen procedures waar mogelijk steeds gelijk zullen zijn. Voor de bestaande openbaarmakingsregimes houdt dit in dat er geen aparte procedurele regels meer zullen gelden, maar uniforme regels.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het openbaar maken van meer informatie kan leiden tot het doel «het geven van nieuwe impulsen aan de transparantie en legitimatie van overheidsbeleid». Zij vragen ook welke randvoorwaarden noodzakelijk zijn om via openbaarmaking tot dat doel te komen.

Het wetsvoorstel leidt ertoe dat een zo volledig mogelijk beeld aan burgers en bedrijven wordt geschetst van de (bij amvb aangewezen) beschikbare toezichtinformatie. Zo komt het publiek te weten waar toezicht is uitgeoefend en wat de uitkomst daarvan is. Belangrijk is dat onder het regime van het wetsvoorstel álle uitkomsten van onderzoek openbaar kunnen worden gemaakt: dus niet alleen informatie over tekortkomingen, maar ook positieve gegevens, bijvoorbeeld dat er bij een bedrijf of instelling geen overtreding is geconstateerd. Het geven van een zo volledig mogelijk beeld aan het publiek is een belangrijke randvoorwaarde om transparantie te vergroten. Dit wordt bereikt door de systematiek van het wetsvoorstel dat als uitgangspunt heeft dat er een verplichting tot actieve openbaarmaking geldt van bij amvb aangewezen toezichtgegevens door de toezichthouder. Een andere randvoorwaarde om het bovengenoemde doel te bereiken, is dat de informatie die openbaar wordt gemaakt, wordt gestructureerd en daardoor toegankelijk zal zijn voor burgers en bedrijven.

Er wordt door het Staatstoezicht op de volksgezondheid gebruik gemaakt van risicogestuurd toezicht. Aangezien hierdoor met name partijen gecontroleerd worden waar risico’s bestaan, is het zeer wel mogelijk dat het beeld dat ontstaat uit de openbare gegevens slechts betrekking heeft op die partijen waar het niet goed gaat. Dit kan volgens de leden van de VVD-fractie een zeer vertekend beeld geven van de sector, en daarmee ook juist het vertrouwen van de bevolking in de betrokken sectoren verminderen. Zij vragen op welke manier de regering voornemens is dit risico in te perken. Ze vragen ook hoe gestreefd wordt naar het schetsen van een compleet beeld van de betrokken sectoren, en op welke manier rekening wordt gehouden bij de beeldvorming onder burgers, en het vertrouwen dat zij hebben in de sector.

De toezichthouders werken inderdaad in belangrijke mate risicogestuurd. Dat neemt niet weg dat zij bijvoorbeeld ook gebruik maken van de signalen van burgers. Een signaal kan in bepaalde gevallen zo ernstig zijn dat onverwijld onderzoek en optreden door de inspectie noodzakelijk is. Dit neemt niet weg dat er altijd bedrijven of instellingen zijn waarover geen recente gegevens beschikbaar zijn. Als recente informatie van betrokken ondernemer, instelling of producten ontbreekt, dan moet dit door goede contextinformatie naast de inspectiegegevens worden toegelicht. Door goede contextinformatie naast de inspectiegegevens wordt uitgelegd dat het toezicht zich richt op de meest risicovolle bedrijven en producten. De gebruikers weten dan waarom bij welke bedrijven toezicht wordt uitgeoefend en wat er over die bedrijven bij de toezichthouder bekend is. Kortom, de gebruiker kan de informatie op waarde schatten. Om een zo breed en betrouwbaar mogelijk beeld van de naleving van de bedrijven, producten of instellingen te verkrijgen gebruiken toezichthouders ook gegevens van anderen. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie verkregen uit private certificeringssystemen en van inspectiegegevens van andere inspecties.

Ten behoeve van de beeldvorming en het vertrouwen bij de burger wordt bij de openbaargemaakte inspectiegegevens duidelijke contextinformatie opgenomen om een objectief beeld te geven en wordt de presentatie zodanig neergezet, dat de resultaten makkelijk, eenduidig en juist kunnen worden geïnterpreteerd.

De regering geeft aan dat alle bedrijven door transparantie geprikkeld worden om zich in positieve zin van hun concurrenten te onderscheiden. Aangezien gebruik wordt gemaakt van risicogestuurd toezicht is de kans dat «goede» bedrijven worden gecontroleerd klein. De leden van de VVD-fractie vragen welke prikkel deze bedrijven dan volgens de regering alsnog ervaren om zich te onderscheiden.

Risicogestuurd toezicht betekent niet dat bedrijven of instellingen die op een laag risico worden ingeschat niet geïnspecteerd worden. Er is altijd een kans om gecontroleerd te worden, waarbij openbaarmaking een extra prikkel is om goed te blijven presteren, omdat het resultaat openbaar gemaakt wordt.

Bedrijven en instellingen weten dan immers dat als zij geïnspecteerd worden de resultaten daarvan voor een ieder kenbaar zijn. Dat vooruitzicht stimuleert tot naleving.

Bij het openbaarmaken van doelgroepen (zoals bijvoorbeeld de inspectiegegevens van de lunchrooms in 2014) moet de dekkingsgraad ten aanzien van geïnspecteerde bedrijven voldoende groot zijn om een goed beeld van de betreffende doelgroep te hebben. Daarom worden naast de bedrijven waar afwijkingen zijn geconstateerd of verwacht worden, ook andere bedrijven bezocht.

Het wetsvoorstel bepaalt dat van openbaarmaking wordt afgezien als dat in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet. De leden van de VVD-fractie vragen wat deze uitzonderingsgrond concreet inhoudt en wie op welke gronden deze afweging maakt. Verder vragen zij hoe deze uitzonderingsgrond zich verhoudt tot het risico dat het weglaten van informatie kan leiden tot een verkeerd beeld.

In de regel zullen de doelstellingen van de te handhaven wetgeving en de doelstelling van de openbaarmaking in elkaars verlengde liggen. De openbaarmaking beoogt onder meer de naleving van de wet te bevorderen (generale preventie). Onder zeer bijzondere omstandigheden kan dit echter anders zijn. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in situaties waar een toezichthouder grootschalig onderzoek doet in een bepaalde sector waarbij veel bedrijven zijn betrokken. Het gaat dan om samenhangend onderzoek waarbij openbaarmaking van toezichtgegevens van een concreet bedrijf het nog lopende onderzoek bij andere bedrijven in dezelfde sector, en derhalve het belang van het toezicht, in gevaar kan brengen. Daarvan is sprake als bijvoorbeeld zicht zou worden gegeven op de onderzoeksmethoden die de toezichthouder toepast. Het is de toezichthouder die feitelijk de afweging maakt tussen het belang om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen en het belang dat wordt gediend met directe openbaarmaking. In dit soort uitzonderingssituaties zullen de toezichtgegevens niet tussentijds openbaar worden gemaakt, maar pas op het moment dat het grootschalig onderzoek is afgerond. Zodra het grootschalige onderzoek immers is afgerond, zal het belang van het onderzoek zich niet meer verzetten tegen openbaarmaking. Het toepassen van de uitzonderingsgrond betekent overigens niet dat er geen maatregelen worden genomen als er bij individuele bedrijven tekortkomingen zijn geconstateerd. Afhankelijk van de ernst van de constatering worden gepaste maatregelen genomen.

Deze uitzonderingsgrond kan ook van toepassing zijn in de situatie dat een voorlopige voorziening is verzocht en de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, omdat hij van oordeel is dat het openbaar te maken sanctiebesluit of bevel uiteindelijk in rechte geen stand zal houden of de te openbaren informatie evident onjuist is. In dat geval zou openbaarmaking in strijd komen met het doel van de onderhavige wet. Dat doel wordt namelijk in gevaar gebracht indien het publiek onjuist wordt geïnformeerd. De uitzondering in het voorgestelde artikel 44a, achtste lid, biedt de rechter dan de mogelijkheid om de openbaarmaking op te schorten of te verbieden.

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat deze uitzonderingsgrond is bedoeld voor zeer bijzondere omstandigheden zoals hierboven geschetst waarin evident is dat openbaarmaking in strijd komt met het doel van de wet.

In het wetsvoorstel ontbreekt de eigen verantwoordelijkheid van de consument. De indruk wordt gewekt dat consumenten met de beschikbare gegevens een gefundeerde keuze kunnen maken. De leden van de VVD-fractie vragen echter of het niet zo is dat consumenten, ongeacht de momentopname die tijdens een controle is gemaakt, ook altijd zelf een oordeel dient te vormen ten aanzien van de gelegenheid die men bezoekt. Verder vragen zij of hiermee niet een extra verantwoordelijkheid voor de overheid wordt gecreëerd, een verantwoordelijkheid die bovendien niet waargemaakt kan worden. Ze vragen ook welke systematische waarborgen en zekerheden er zijn dat meer openbaarmaking ook resulteert in meer vertrouwen en minder toezicht en overheidsbemoeienis.

De leden van de VVD-fractie stellen terecht dat consumenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen gedrag en zich ook zelf een oordeel moeten vormen ten aanzien van het bedrijf of de instelling die zij bezoeken. Dit wetsvoorstel doet daar niets aan af. Dit wetsvoorstel maakt het slechts mogelijk de informatie waarover de toezichthouders beschikken onder meer aan consumenten kenbaar te maken. De consument krijgt hiermee wel een beeld van de situatie die zij mogelijk kan verwachten in het betreffende bedrijf of de instelling, maar dit geeft geen garantie. De toezichthouders moeten ervoor instaan dat de door hen openbaar gemaakte informatie betrouwbaar, helder en eenduidig is. De openbaar te maken trajecten worden daarom zeer zorgvuldig voorbereid. De openbaarmaking van inspectiegegevens biedt geen systematische waarborgen en zekerheden dat dit ook resulteert in meer vertrouwen en minder toezicht en overheidsbemoeienis. Door de effecten van de openbaar te maken trajecten te meten, wordt hierin meer inzicht verkregen. Het openbaarmakingsbeleid kan daar dan op worden aangepast.

Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om diverse aspecten bij amvb nader te regelen. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering voornemens is deze aspecten in één amvb te regelen en of de amvb wordt voorgehangen bij de Kamer. Ook de leden van de CDA-fractie vragen of er een voorhangprocedure is geregeld in de amvb.

De regering is inderdaad van plan om één amvb tot stand te brengen, omdat dat de kenbaarheid bevordert. De grondslag voor deze amvb is artikel 44, eerste en tweede lid, artikel 44a, zesde en zevende lid van het wetsvoorstel.3 Bij deze amvb zullen onder meer de volgende aspecten worden geregeld:

  • welke toezichtinformatie precies openbaar gemaakt moet worden;

  • de wijze waarop de toezichtinformatie openbaar gemaakt moet worden;

  • de maximale duur waarop de toezichtinformatie op internet beschikbaar is;

  • de mogelijkheid van het openbaar maken van de reactie van betrokkene op de toezichtinformatie.

De amvb zal naar verwachting regelmatig moeten worden aangepast omdat de openbaarmaking van inspectiegegevens zorgvuldig en stapsgewijs wordt ingevoerd. Er zal na verloop van tijd steeds meer toezichtinformatie voor openbaarmaking worden aangewezen. Om die reden is in het wetsvoorstel niet geregeld dat de amvb moet worden voorgehangen. Zodra het ontwerp van de amvb echter in consultatie gaat, zal de te consulteren versie aan uw Kamer worden toegestuurd.

Aangegeven wordt dat openbaarmaking moet plaatsvinden op een wijze waarop invulling gegeven kan worden aan de gestelde doelen. Hierbij wordt specifiek de timing van de openbaarmaking genoemd. Echter, de leden van de VVD-fractie wijzen erop dat er waarschijnlijk veel meer factoren zijn die van belang zijn voor het behalen van de gestelde doelen. Zij vragen in hoeverre de volgende factoren volgens de regering van belang zijn en op welke wijze hier rekening mee is gehouden bij de vormgeving van voorliggend wetsvoorstel, te weten:

  • de wijze waarop de gegevens openbaar worden gemaakt;

  • de duur waarop de gegevens openbaar blijven, met het oog op actuele gegevens in plaats van verouderde gegevens;

  • de begrijpelijkheid van de gegevens voor de lezer;

  • de vergelijkbaarheid van de gegevens voor de lezer;

  • de volledigheid van de gegevens zodat conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de hele sector door de lezer.

De openbaar gemaakte informatie moet voldoen aan de criteria zoals door de leden van de VVD-fractie genoemd. De informatie moet immers een zo goed mogelijk beeld geven van de situatie over de betreffende bedrijfstak of productgroep, zij moet begrijpelijk zijn, de gegevens op de website moeten voldoende actueel zijn en de informatie moet onderling vergelijkbaar zijn. De reden om deze aspecten niet in de wet op te nemen, is dat het niet wenselijk is dat de openbaarmaking over verschillende bedrijfstakken of productgroepen altijd op dezelfde manier kan of moet plaatsvinden. Het is echter wel de bedoeling deze aspecten waar nodig zo uniform mogelijk in de amvb te regelen.

Het is de bedoeling dat de bij amvb aangewezen informatie zo wordt gepresenteerd dat deze goed toegankelijk is en dat een zo volledig mogelijk beeld wordt gegeven van een categorie van bedrijven of van een bepaalde productgroep of van een individueel bedrijf of instelling.

In de amvb wordt daartoe bepaald aan welke criteria de toezichthouder zich moet houden indien hij tot openbaarmaking overgaat. Zo zal bijvoorbeeld de NVWA toezichtinformatie die primair van belang is voor de consument op een andere wijze presenteren dan informatie die primair van belang is voor bedrijven. Dit betekent dat voordat trajecten openbaar gemaakt worden, de openbaarmaking zorgvuldig voorbereid moet worden. Doordat de door de VVD-fractieleden genoemde aspecten op het niveau van de amvb worden geregeld, kan het nodige maatwerk plaatsvinden.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de afweging over al dan niet openbaar maken plaatsvindt en wie daarop toeziet.

Het openbaarmakingsregime in het wetsvoorstel gaat uit van een sterk gebonden besluit tot openbaarmaking. De toezichthouder is daardoor verplicht om de gegevens – mits deze bij amvb zijn aangewezen – openbaar te maken. Er vindt dan geen afweging per geval plaats over al dan niet openbaar maken. Een besluit tot openbaarmaking is onderworpen aan rechterlijke toetsing.

Er vindt op het niveau van de amvb een afweging plaats bij de aanwijzing van de openbaar te maken gegevens. De regering maakt die afweging, omdat zij de amvb vaststelt. Daarbij wordt onder meer gekeken in hoeverre de openbaarmaking bijdraagt aan de wettelijk gestelde doelen, wat de maatschappelijke tendensen zijn, maar ook of het voor de toezichthouder uitvoerbaar (beschikbare capaciteit) is om bepaalde informatie openbaar te maken.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts toe te lichten waarom in het wetsvoorstel niet de mogelijkheid is opgenomen voor de betrokkenen om hun reactie te geven op de toezichtgegevens en de openbaarmaking daarvan. Deze leden vragen voorts wat de gevolgen hiervan zijn voor betrokkenen bij het openbaar maken van toezichtgegevens die onder de NVWA en de Wet op het onderwijstoezicht vallen. Zij willen weten of betrokkenen op grond van deze laatste wet wel de mogelijkheid hebben om hun reactie te geven.

Het wetsvoorstel zelf regelt niet specifiek dat, als eenmaal de toezichtgegevens openbaar worden gemaakt, een eventuele reactie van betrokkene op de toezichtgegevens eveneens kan worden gepubliceerd. Dit zal bij amvb worden geregeld. Het wetsvoorstel bevat daarvoor een grondslag. Het gaat hier dan niet om een zienswijze als bedoeld in de Awb, maar om een reactie van betrokkene op de inhoud van de openbaar te maken informatie die tezamen met de toezichtgegevens openbaar kan worden gemaakt. Op deze manier krijgt betrokkene de ruimte om zijn reactie te geven en die reactie te laten publiceren. Er wordt dan in feite hetzelfde bereikt als de door de leden van de PvdA-fractie genoemde regeling in de Wet op het onderwijstoezicht. Hoewel iemand die het niet eens is met de inhoud van de openbaar te maken informatie straks de gelegenheid heeft daarop te reageren en zijn reactie te laten publiceren, ligt het meer in de rede dat diegene de voorzieningenrechter verzoekt om de openbaarmaking te verbieden. De wet biedt daartoe de mogelijkheid.

De leden van de SP-fractie onderschrijven het belang van openbaarmaking van bepaalde sanctiebesluiten en toezichtgegevens door de NVWA, IGZ en IJZ. Naar de mening van deze leden is het een middel in de strijd tegen misstanden bij bedrijven of zorgaanbieders. Genoemde leden zijn echter van mening dat inzicht in deze besluiten en gegevens nooit in plaats van goed toezicht dient te komen. Zij zijn dan ook van mening dat openbaarmaking van gegevens niet ten koste mag gaan van de primaire taak van de toezichthouders. Ze vragen of hier qua budget en inzet van personeel rekening mee is gehouden en of het één niet ten koste gaat van het ander.

De NVWA heeft meerdere instrumenten ter beschikking om de naleving door de bedrijven te bevorderen, openbaarmaking is daar één van. Voor elke sector wordt gezocht naar de optimale mix van in te zetten instrumenten ten behoeve van de beoogde doelen. Qua budget en inzet van personeel wordt rekening gehouden met openbaarmakingen van inspectiegegevens op grond van het wetsvoorstel. Het openbaar maken van de controleresultaten van de NVWA zal stapsgewijs gebeuren en gelijke tred houden met het plan van aanpak van de NVWA, waarin voorzieningen zijn getroffen en aanvullende capaciteit is voorzien om de openbaarmaking te ondersteunen. Voor IGZ en IJZ geldt dat het aantal besluiten tot openbaarmaking, en daarmee waarschijnlijk ook het aantal bezwaar- en beroepszaken, zal toenemen. Dit zal enige kosten met zich brengen.

Het is echter niet zo dat het één ten koste zal gaan van het ander. De effectiviteit van elk ingezet instrument moet telkens beoordeeld worden. Zeker als de openbaarmaking een bijdrage levert aan verhoging van de naleving, is het een nuttig en kosteneffectief instrument.

De leden van de SP-fractie herkennen zich in de worsteling tussen de roep om een individuele afweging enerzijds en het gebonden karaker van het besluit tot openbaarmaking anderzijds. Zij vragen de regering naar haar visie op hoe een individuele afweging op zo’n manier plaats vindt, dat het toch tot een aantoonbaar objectief besluit leidt. Het laatste wat deze willen is de schijn wekken van willekeur of vriendjespolitiek.

Zowel bij een besluit op grond van een individuele afweging als een gebonden besluit behoort objectiviteit in acht te worden genomen en behoort er geen sprake van (de schijn van) willekeur te zijn. Ieder besluit (zowel een gebonden besluit als een besluit op basis van een individuele belangenafweging) kan bovendien worden onderworpen aan rechterlijke toetsing. Dat garandeert dat de objectiviteit in acht wordt genomen.

Hoe meer een besluit gebonden is, hoe minder beoordelingsruimte er bestaat voor een bestuursorgaan. Indien er in dit wetsvoorstel ruimte zou zijn voor een individuele belangenafweging, zou er dus voor de toezichthouders ook meer ruimte zijn af te zien van openbaarmaking, ook al wordt die ruimte op een objectieve manier getoetst. De regering is er niet bevreesd voor dat besluiten tot openbaarmaking onderworpen zouden zijn aan willekeur.

De leden van de SP-fractie vinden het een interessante gedachte dat een betrokken bedrijf of zorgaanbieder, evenals dat nu al het geval is bij de NVWA, de gelegenheid krijgt een reactie te geven. Zij vragen wat de inhoudelijke bezwaren zijn van de regering om het wetsvoorstel op dit punt niet aan te passen. De leden van de CDA-fractie verwijzen specifiek naar de juridische analyse in de bijlage van de brief van 10 december 2009 (26 991, nr. 276). Daarin staat dat betrokkenen bij de publicatie van de gegevens een eigen reactie kunnen toevoegen.

De regering is het met deze leden eens dat betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn reactie op de toezichtgegevens te geven. Dit zal bij amvb worden geregeld. Het gaat hier evenwel niet om een zienswijze op een voorgenomen besluit als bedoeld in de Awb, maar om een reactie van betrokkene op de openbaar te maken toezichtgegevens. Die reactie zal tezamen met de toezichtgegevens openbaar worden gemaakt. Het is niet nodig om het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.

De leden van de CDA-fractie steunen de doelstelling van dit wetsvoorstel, maar hebben wel nog enkele vragen bij de uitwerking. De regering geeft aan dat, naast nieuwe impulsen aan de transparantie en legitimatie van overheidsbeleid en het verbeteren van de naleving van normen, de doelstelling is om beter tegemoet te komen aan de wens tot openbaarmaking van controlegegevens die door vele indieners van Wob-verzoeken is geuit en in de laatste jaren is geïntensiveerd. De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel Wob-verzoeken er nu jaarlijks gedaan worden die na inwerkingtreding van deze wet niet meer nodig hoeven te zijn, omdat deze informatie in het vervolg actief openbaar gemaakt moet worden. Verder vragen deze leden of hierbij berekend kan worden hoeveel geld en fte uitgespaard kan worden doordat al deze Wob-verzoeken niet meer afgehandeld hoeven te worden.

Regelmatig is aan de NVWA via Wob-verzoeken verzocht om inspectiegegevens. In 2014 ging het om in totaal 537 Wob-verzoeken. Het betrof onder andere gegevens over de voedselveiligheid in de horeca en van de hygiëne in vlees- en vissectoren. De NVWA werkt aan de voorbereiding van de actieve openbaarmaking van inspectiegegevens van de horeca (uitbreiding), de visafslagen en de visverwerkende bedrijven alsmede onderdelen van productveiligheid en is voornemens om in 2016 ook inspectiegegevens van de hygiëne in slachterijen te publiceren.

Er kan niet concreet worden aangegeven of en met hoeveel het aantal Wob-verzoeken zal afnemen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Gezien de sterke groei van het aantal Wob-verzoeken in de afgelopen jaren, de verschillen in aard en gedetailleerdheid van de opgevraagde gegevens in de verschillende Wob-verzoeken en gezien het feit dat de actieve openbaarmaking de komende jaren stapsgewijs zal plaatsvinden, verwacht de regering dat het aantal Wob-verzoeken pas op de lange termijn zal afnemen.

Op dit moment kan dan ook nog geen inschatting worden gegeven van de kosten en de aantallen fte’s die bespaard kunnen worden. Op korte termijn vraagt de openbaarmaking daarnaast nog extra inzet vanwege de nieuwe administratieve processen en procedures. Uiteindelijk is een besparing mogelijk omdat dit instrument in de betrokken sectoren tot naleving zal prikkelen.

Het voorliggende wetsvoorstel is overigens niet bepalend voor de omvang van de inzet voor de openbaarmaking. Welke informatie daadwerkelijk openbaar wordt gemaakt, wordt nog altijd beleidsmatig op het niveau van de amvb afgewogen. Afhankelijk van maatschappelijke tendensen, de wens om transparant te zijn en de beschikbare capaciteit hiervoor worden meer of minder gegevens openbaar gemaakt.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering niet besluit tot het standaard openbaar maken van de informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, inbegrepen besluiten tot het opleggen van sancties, door de Nederlandse Zorgautoriteit op basis van de diverse wetten hiertoe.

De reden waarom het wetsvoorstel beperkt is tot de NVWA, IGZ en IJZ, is dat deze toezichthouders onderdelen zijn van het Ministerie van VWS (dan wel in opdracht werken van het Ministerie van VWS, zoals de NVWA, die onderdeel is van het Ministerie van EZ). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is echter geen onderdeel van het Ministerie van VWS, maar een zelfstandig bestuursorgaan. De actieve openbaarmaking van bepaalde toezichtgegevens door de NZa is neergelegd in de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Het is overigens niet uit te sluiten dat op termijn ook ten aanzien van de NZa of andere inspecties een verdere uniformering van de actieve openbaarmaking zal plaatsvinden. Een interdepartementale werkgroep doet daar momenteel onderzoek naar.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan onderbouwen dat de transparantie daadwerkelijk wordt bevorderd, als er onder het regime van het wetsvoorstel aanzienlijk meer informatie openbaar wordt gemaakt. Zij willen weten of het gevaar bestaat dat door een grote hoeveelheid gegevens ongeordend op internet te plaatsen, niet juist minder transparantie ontstaat. In antwoord op een opmerking van de Raad van State hierover, erkent de regering dat dit risico bestaat, maar geeft ze aan dat het wetsvoorstel geen verplichte wijze van presentatie van gegevens voorschrijft. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering in flankerend beleid van plan is om er voor te zorgen dat er altijd een passend en overzichtelijk beeld wordt gegeven. Ook de leden van de D66-fractie vragen de regering nader aan te geven hoe de gegevens toegankelijk en bruikbaar zullen worden gepresenteerd.

Alvorens informatie bij amvb wordt aangewezen voor openbaarmaking, moet voor elk traject vastgesteld worden dat door het openbaar maken van betreffende toezichtinformatie wordt bijgedragen aan de doelstellingen die beoogd worden met de openbaarmaking.

De toezichthouder moet de informatie helder, eenduidig en objectief presenteren. De wijze waarop de informatie wordt verstrekt wordt zo veel mogelijk afgestemd op de doelgroep waarvoor de informatie bedoeld is.

De wijze waarop de informatie wordt gepresenteerd is ook afhankelijk van het type toezichtinformatie dat verzameld wordt. Enkele voorbeelden: in de huidige openbaarmaking van de NVWA-inspectiegegevens over de lunchrooms is gekozen voor een systeem waar de gebruiker aan de hand van een landkaart kan zoeken naar een bepaalde lunchroom. Dat systeem sluit aan bij de gedachte dat veel consumenten graag zullen willen weten wat er bekend is over de lunchrooms in de gemeente waar zij wonen of waar zij zich op enig moment bevinden.

Bij de onderzoeken naar een bepaalde productgroep ligt het voor de hand om bij de namen van het product de onderzoeksresultaten te vermelden. Ook de IJZ werkt met een kaart en een alfabetische lijst van instellingen. Men kan op de website van IJZ alfabetisch de plaats, de instellingen en de bijbehorende toezichtinformatie opzoeken.

Het wettelijk systeem is zo ingericht dat een grote hoeveelheid informatie geordend via het internet openbaar gemaakt kan worden doordat bij amvb bepaald zal worden wat openbaar gemaakt moet worden en op welke wijze dat gebeurt. Het is daardoor bijvoorbeeld ten aanzien van NVWA-toezichtgegevens mogelijk in tabelvorm de voor consumenten relevante informatie te presenteren.

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de memorie van toelichting verwezen wordt naar de wens van de Kamer om inspectiegegevens van de NVWA openbaar te maken. Het wetsvoorstel ziet echter ook op de IGZ en de andere inspecties in de zorg. Deze leden vragen of de regering nader kan toelichten waarom er voor gekozen is dit wetsvoorstel een breder bereik dan alleen de NVWA te laten hebben.

Voor het bredere bereik is gekozen vanuit het oogpunt van rechtszekerheid (zie hierboven het antwoord op de eerste vraag van de leden van de VVD-fractie) en tevens om te bewerkstelligen dat in ieder geval de inspecties die onder het Ministerie van VWS ressorteren zo uniform mogelijk te laten werken. Ook voor IGZ en IJZ zijn de doelstellingen zoals geformuleerd in het wetsvoorstel van belang. De IGZ omarmt al enige tijd het creëren van een specifieke wettelijke grondslag voor actieve openbaarmaking van «inspectieproducten». De thematische wetsevaluatie bestuursrechtelijke toezicht op de kwaliteit van zorgverlening beveelt ook aan een specifieke wettelijke grondslag te creëren.4

Het is overigens niet uit te sluiten dat op termijn ook ten aanzien van andere inspecties een verdere uniformering zal plaatsvinden. Een interdepartementale werkgroep doet daar momenteel onderzoek naar.

De memorie van toelichting gelezen hebbend, constateren de leden van de D66-fractie dat de nadruk erg ligt op de openbaarmaking van inspectiegegevens van de NVWA. Ook deze leden hechten aan openbaarmaking van de inspectiegegevens van de NVWA, maar zij constateren tegelijkertijd dat het wetsvoorstel tevens betrekking heeft op de IGZ en de IJZ. Zij verzoeken de regering daarom in de nota naar aanleiding van het verslag nader in te gaan op de andere inspectiediensten ressorterend onder de Minister van VWS.

Het klopt dat met name in het algemene deel van de memorie van toelichting meer gesproken wordt over de NVWA. Dit komt door de achtergronden en de parlementaire historie over de actieve openbaarmaking door de NVWA; de vraag naar openbaarmaking van toezichtgegevens is begonnen bij de NVWA. In dit wetsvoorstel zijn naast de NVWA ook de IGZ en de IJZ meegenomen, omdat deze toezichthouders – net als de NVWA – onderdeel zijn, dan wel werken in opdracht van het Ministerie van VWS.

Overigens wordt in bepaalde onderdelen van de toelichting wel specifiek ingegaan op de IGZ en de IJZ (zoals onder «Historie van openbaarmaking» en «De openbaarmakende instanties»).

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering tevens in te gaan, zo mogelijk in tabelvorm, op de vraag in hoeverre en in welke vorm de informatie, als genoemd in het nieuwe artikel 44, derde lid, onderdelen a tot en met k van de Gezondheidswet, door de verschillende inspectiediensten daadwerkelijk wordt ingezet.

Een groot deel van openbaarmaking van inspectiegegevens door de NVWA gebeurt in de vorm van een oordeel over bedrijven, instellingen en producten. Aantallen zijn nog niet aan te geven, mede omdat nog niet bepaald is welke gegevens precies openbaar gemaakt zullen worden. De NVWA zal zeer zorgvuldig en stapsgewijs categorieën van bedrijven en producten openbaar maken. Voordat een categorie openbaar wordt gemaakt, wordt beoordeeld in hoeverre wordt verwacht dat de openbaarmaking van betreffende categorie bijdraagt aan de doelen van openbaarmaking (transparantie, vertrouwen en nalevingsbevordering), op welke wijze de toezichtinformatie gepresenteerd moeten worden en in hoeverre de NVWA het administratieve proces hierop moet voorbereiden.

Eerder is aan uw Kamer toegezegd inspectiegegevens van de volgende trajecten in ieder geval openbaar te maken: visafslagen (2015), visverwerkende bedrijven (2016), horeca (uitbreiding vanaf 2015) en slachterijen (2016).

Voor IGZ en IJZ betreft het met name de categorieën die voor openbaarmaking in aanmerking komen: uitkomsten van controle en onderzoek, kennisgevingen (verscherpt toezicht), bevelen, lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes.5

2. Historie openbaarmakingsbeleid

Er wordt beschreven wat op dit moment al openbaar kan worden gemaakt, zonder voorliggend wetsvoorstel. Welke zaken kunnen na aanname van dit wetsvoorstel wel openbaar worden gemaakt, die in de huidige situatie niet openbaar kunnen worden gemaakt, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Bij de verschillen tussen wat thans op grond van de Wob en wat straks op basis van de Gezondheidswet en de Jeugdwet openbaar wordt gemaakt, gaat het in de eerste plaats om informatie die nu niet openbaar gemaakt wordt, omdat belangen zoals in de Wob genoemd, zich daar tegen verzetten. Daarnaast verzet de huidige procedure die gevolgd moet worden bij openbaarmaking op grond van de Wob zich tegen grootschalige openbaarmaking, aangezien deze procedure zeer bewerkelijk is. Daarmee wordt gedoeld op de belangenafweging die per geval plaats moet vinden en dat per geval beoordeeld moet worden of gelegenheid tot het geven van een zienswijze geboden moet worden. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel vindt er geen individuele belangenafweging meer plaats en geldt als uitgangspunt dat geen gelegenheid wordt geboden tot het geven van een zienswijze. Door de schaal waarop de openbaarmaking kan plaatsvinden, zal het op enig moment praktisch onuitvoerbaar worden om bij alle besluiten tot openbaarmaking een individuele belangenafweging te doen alsmede te bezien of gelegenheid tot het geven van een zienswijze moet worden geboden en vervolgens te bewaken of van die gelegenheid gebruik is gemaakt. In plaats daarvan is gekozen voor een standstillperiode van twee weken waarbinnen een belanghebbende de voorzieningenrechter kan verzoeken de openbaarmaking voorlopig op te schorten.

Op grond van de Gezondheidswet is dus straks een grootschaliger openbaarmaking mogelijk dan op basis van de Wob. De overwegingen die hieraan ten grondslag liggen zijn het grote belang van de transparantie, de bevordering van de naleving, legitimatie van overheidsoptreden en het informeren en beschermen van consumenten.

De bovengenoemde verschillen tussen de Wob en het wetsvoorstel gelden binnen het Staatstoezicht op de Volksgezondheid niet voor de beide onderdelen (NVWA en IGZ) in dezelfde mate. Bij de IGZ (en ook de IJZ) speelt het belang van grootschalige openbaarmaking in mindere mate dan bij de NVWA. Ook het onthouden van informatie vanwege individuele belangenafweging is in mindere mate aan de orde bij de IGZ en de IJZ. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en het stellen van uniforme regels omtrent actieve openbaarmaking is er toch voor gekozen om de beide onderdelen van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid onder het bereik van dit wetsvoorstel te brengen. Gelet op de positie die de IJZ inneemt (één ministerie, gezamenlijke taken), ligt het voor de hand dat de IJZ onder hetzelfde regime wordt gebracht als de beide onderdelen van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.

Sinds 2006 worden de controlegegevens van de NVWA openbaar gemaakt op basis van Beleidsregels die gebaseerd zijn op artikel 8 van de Wob. De leden van de CDA-fractie vragen of uit de resultaten van deze pilots op te maken valt dat de doelstellingen van het onderhavige wetsvoorstel te realiseren zijn.

De resultaten van de pilots die vanaf 2006 zijn gepubliceerd zijn niet afzonderlijk geëvalueerd. Wel heeft het Ministerie van VWS in 2009 een evaluatie laten uitvoeren naar de doelstellingen van de openbaarmaking van controlegegevens van de NVWA.6 In deze rapportage zijn diverse conclusies getrokken met betrekking tot de doelstellingen van de openbaarmaking. Bedrijven en gemeenten vinden de openbaarmaking ten algemene een goede zaak. Openbaarmaking draagt bij aan het imago van de betrokken sector. Uit het onderzoek blijkt niet dat de openbaarmaking invloed heeft op het keuzegedrag van de bedrijven. Openbaarmaking lijkt wel invloed te hebben op de risicobeheersing binnen bedrijven. Dit laatste is ook gebleken uit de informatie die de NVWA in de afgelopen jaren heeft gepubliceerd op haar website. Bedrijven doen hun best om met een gunstig oordeel op de website van de NVWA te komen.

Ook geïnterviewde consumenten vinden het een goede zaak dat controlegegevens openbaar worden gemaakt. Consumenten lijken geïnteresseerd in de informatie vanuit de openbaarmaking.

De IJZ en de IGZ maken al langer hun rapporten openbaar op basis van artikel 8 van de Wob.

De leden van de CDA-fractie vragen welke informatie zij onder het regime van het wetsvoorstel meer moeten delen. Verder vragen zij of de regering kan aangeven hoe vaak het nu nog gebeurt dat na individuele belangenafweging informatie van de IJZ en de IGZ niet openbaar wordt gemaakt. Verder vragen zij de regering in grote lijnen te schetsen in welke situaties informatie van de IJZ en de IGZ niet openbaar wordt gemaakt. De leden van de D66-fractie vragen of met het wetsvoorstel het openbaarmakingsbeleid van de IGZ materieel wijzigt en indien dat het geval is, welke overwegingen hieraan ten grondslag liggen.

De IGZ maakt niet alle inspectierapporten actief openbaar. Zo worden rapporten naar aanleiding van een melding in principe niet actief openbaar gemaakt. Wel worden rapporten in het kader van thematoezicht en risicotoezicht actief openbaar gemaakt. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een breed scala aan inspectieproducten actief openbaar gemaakt kan worden. Bij de openbaarmaking die thans plaatsvindt leidt de afweging op grond van de Wob in beginsel niet tot het onthouden van openbaarmaking van informatie over uitkomsten van controles en handhavingsinstrumenten door de IGZ. Er wordt wel informatie openbaar gemaakt, maar met inachtneming van de Wob worden onderdelen van bijvoorbeeld een inspectierapport weggelaten. Wat betreft de IJZ: persoonsgegevens over een beroepsbeoefenaar worden in beginsel niet naar buiten gebracht, tenzij het om een jeugdhulpaanbieder als «eenmanszaak» gaat, die de naam van de betreffende beroepsbeoefenaar heeft. De afweging met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer leidt er in beginsel niet toe dat een stuk over het uitgevoerde toezicht of handhaving in zijn geheel niet wordt gepubliceerd. Die afweging kan in bepaalde gevallen er wel toe leiden dat een gepubliceerd stuk beperkt in omvang is, doordat veel persoonsgegevens achterwege moeten blijven.

De IGZ en de IJZ zijn momenteel bezig om hun openbaarmakingsbeleid onder het regime van het wetsvoorstel op te maken. Uw Kamer zal zo snel mogelijk daarover worden geïnformeerd.

3. Evaluatie

De uitbreiding van het openbaarmakingsbeleid zal noodgedwongen fasegewijs plaatsvinden. Kan worden aangegeven wat de geplande fasering is, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Verder vragen deze leden of het doel is om uiteindelijk alle beschikbare informatie van de NVWA, IGZ en IJZ openbaar te maken, en zo nee welke onderdelen wel of niet openbaar worden gemaakt en waarom.

De NVWA zal zoals eerder toegezegd in 2015 oordelen over de voedselveiligheid bij de visafslagen publiceren, in 2016 volgen de visverwerkende bedrijven.7 Ook de eerdere toegezegde uitbreiding van inspectiegegevens van horeca en retail wordt voorbereid.8

Deze trajecten worden zeer zorgvuldig voorbereid. Allereerst wordt bepaald voor welke doelgroep de betreffende informatie in eerste instantie van belang zal zijn en op welke wijze voor de betreffende groep de informatie bruikbaar en hanteerbaar is. De presentatie moet helder en eenduidig zijn. De NVWA moet de administratieve processen voor de publicatie zorgvuldig voorbereiden.

Zoals ook hierboven aangegeven zijn de IGZ en de IJZ momenteel bezig om hun openbaarmakingsbeleid onder het regime van het wetsvoorstel op te maken. Uw Kamer zal daarover zo snel mogelijk worden geïnformeerd.

De leden van de PvdA-fractie hebben vragen over de hoeveelheid inspecties die de NVWA per jaar uitvoert, waarvan wordt aangeven dat van de honderdduizenden inspecties er een substantiële hoeveelheid voor openbaarmaking in aanmerking komen. Zij willen weten hoe en door wie deze grote hoeveelheid aan openbaarmakingen wordt verwerkt tot bruikbare en begrijpelijke informatie en of de NVWA voorbereid is op deze hoeveelheid.

De NVWA zal de openbaarmaking zorgvuldig en stapsgewijs uitbreiden. Voor elke openbaar te maken categorie moeten de administratieve processen en de wijze waarop de toezichtinformatie gepresenteerd wordt, worden voorbereid. Binnen de activiteiten van het plan van aanpak NVWA is ook aanvullende capaciteit voorzien ten behoeve van de openbaarmaking. De in dat plan voorziene maatregelen, zoals ICT-ondersteuning, zullen ook worden aangewend om de openbaarmaking te ondersteunen.

Uiteindelijk zal de NVWA de informatie in een zoveel mogelijk geautomatiseerd proces gaan verwerken. De informatie wordt bruikbaar en begrijpelijk gemaakt in afstemming met de groep(en) waarvoor de informatie primair van belang kan zijn. De NVWA is in staat deze nieuwe verplichtingen uit te voeren. Zij zal dit stapsgewijs invoeren, en alleen als aan genoemde voorwaarden is voldaan wordt een traject openbaar gemaakt.

Mits de openbaarmaking bijdraagt aan de beoogde doelen (transparantie, vertrouwen bij het brede publiek en nalevingsbevordering) en deze afgewogen met de andere beschikbare instrumenten tot het juiste effect leidt, zal de NVWA streven naar zo breed mogelijk bereik van de openbaarmaking.

De Raad van State merkt op dat uit evaluatie over de openbaarmaking van controlegegevens van de NVWA blijkt dat bekendheid bij consumenten erg laag is. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe de door hen beoogde doelen bereikt worden. Ze vragen verder of er getoetst wordt of de openbaarmakingen goed te vinden zijn voor burgers en bedrijven, en zo ja of de regering kan toelichten hoe zij dit gaat toetsen, indien nee waarom niet.

In de evaluatie uit 2009 is geconstateerd dat de burger/consument het een goede zaak vindt als meer informatie openbaar wordt gemaakt, en dat dit bijdraagt aan het vertrouwen in de rijksoverheid. Overigens is deze evaluatie zes jaar geleden uitgevoerd en is dus enigszins gedateerd.

De openbaarmaking van inspectiegegevens van de NVWA is bij consumenten nog nauwelijks bekend, omdat tot nu toe nog weinig informatie openbaar wordt gemaakt. De bekendheid zal toenemen naarmate meer voor consumenten bruikbare informatie op een voor hen geschikte manier openbaar gemaakt wordt, zoals ook al gebleken is bij de introductie van de Horeca inspectiekaart met informatie over de voedselveiligheid horeca (start lunchrooms).9 Het effect van de Horeca inspectiekaart zal door de NVWA gevolgd worden.

De regering verwijst naar enkele aangenomen moties waaruit de regering geconcludeerd heeft dat het juridisch kader van de openbaarmaking moet worden aangepast. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering uitvoering geeft aan de aangenomen motie Ormel/Snijder-Hazelhof (26 991, nr. 302), waarin verzocht wordt bij actieve openbaarmaking van NVWA-controlegegevens duidelijk onderscheid aan te geven tussen gegevens die louter ter informatie dienen en gegevens die hebben geleid tot een sanctie.

De NVWA publiceert op dit moment niet de sanctiebesluiten, maar maakt wel het door de vragenstellers beoogde onderscheid door de aanduiding van het oordeel over bedrijven en de daarbij gevoegde contextinformatie over de overtredingen, en tevens door het interventiebeleid openbaar te maken. In de pilot lunchroom is door middel van kleuren aangegeven of een bedrijf voldoet (groen) of niet voldoet (oranje en rood). In het plenaire debat over de NVWA op 1 april 2015 is aan uw Kamer aangegeven dat de toegepaste kleurensystematiek aanpassing behoeft. De kleur «rood» is hier namelijk verwarrend. De kleur wekt de indruk dat een betreffend bedrijf gesloten wordt, in de praktijk zijn dit bedrijven die onder verscherpt toezicht staan.

De NVWA zal bij toekomstige publicatie van inspectiegegevens de publicatiewijze per categorie zodanig vaststellen dat deze voor de beoogde doelgroep (bijvoorbeeld consumenten of afnemers) geschikt is en eenduidig geïnterpreteerd wordt. De voorwaarde van de motie Ormel/Snijder-Hazelhof om een duidelijk onderscheid te maken tussen gegevens die louter ter informatie dienen en gegevens die hebben geleid tot een sanctie, wordt in de presentatie meegenomen

De leden van de CDA-fractie vragen nader te onderbouwen waarom een regeling van de actieve openbaarmaking op het niveau van de wet en amvb met meer rechtswaarborgen is omkleed dan de huidige situatie (Wob en beleidsregels). Zij vragen of er niet meer rechtswaarborgen zijn als regelgeving op het niveau van de wet is geregeld in combinatie met individuele belangenafweging zoals volgens de huidige Wob.

Met «rechtswaarborgen» doelt de regering op het volgende. In vergelijking met het huidige artikel 8 van de Wob maken dit wetsvoorstel en de amvb inzichtelijk en duidelijk welke informatie openbaar wordt gemaakt. Het wetsvoorstel geeft veel concreter dan het huidige artikel 8 Wob10 aan welke informatie voor openbaarmaking in aanmerking komt. Vervolgens wordt bij amvb nader geregeld welke informatie precies openbaar moet worden gemaakt. De beleidsmatige keuze voor de vraag welke gegevens openbaar moeten worden gemaakt, vindt dus plaats op het niveau van de wet en de amvb, in plaats van op het niveau van een beleidsregel. Voor de totstandkoming van een amvb geldt een zwaardere procedure dan voor een beleidsregel. Een voordracht voor een amvb (en vervolgens ook iedere wijziging van de amvb) vereist een beslissing van de ministerraad en een advies van de Raad van State. Een beleidsregel of een wijziging daarvan kan zonder voorafgaand advies door een bestuursorgaan worden vastgesteld.

Omdat de uitbreiding van het openbaarmakingsbeleid noodgedwongen fasegewijs zal plaatsvinden, is gekozen om de openbaar te maken informatie op het niveau van de amvb aan te wijzen. De leden van de CDA-fractie vragen of hier een schema voor is. Verder vragen zij waarom er niet voor is gekozen om dit wel op het niveau van de wet te regelen, en delen van de wet gefaseerd in werking te laten treden.

Zoals eerder aangegeven zal de NVWA in 2015 starten met de openbaarmaking van visafslagen en wordt de openbaarmaking van andere onderdelen van het domein horeca verder uitgebreid. In 2016 volgt de openbaarmaking van de visverwerkende bedrijven en slachterijen. Daarnaast worden voorbereidingen getroffen om toezichtinformatie op het terrein van de productveiligheid te publiceren.

Voor het overige heeft de NVWA nog geen planning gemaakt. Afhankelijk van de ervaringen met bovengenoemde trajecten, wordt de openbaarmaking uitgebreid.

In het wetsvoorstel is er voor gekozen om de categorieën van openbaar te maken toezichtgegevens op het niveau van de wet limitatief op te sommen (het gaat onder meer om categorieën als uitkomsten van controle en onderzoek, informatie die door ondertoezichtgestelden aan de toezichthouder is verstrekt, waarschuwingen en sanctiebesluiten). Bij amvb zal worden aangewezen welke informatie precies openbaar zal worden gemaakt. Op deze manier zijn de hoofdlijnen op het niveau van de formele wet geregeld, en de nadere invulling bij amvb. Er wordt enerzijds voldaan aan de eis van rechtszekerheid en recht gedaan aan het primaat van de wetgever, anderzijds wordt tegemoet gekomen aan de noodzakelijke flexibiliteit.

Het voorstel van deze leden om de openbaar te maken informatie bij formele wet te regelen en delen van de wet gefaseerd in werking te laten treden is niet uitvoerbaar. Dat zou namelijk betekenen dat van te voren moet worden aangegeven welke fasen er zijn en om wat voor soort informatie het precies gaat. Wat betreft de NVWA is het aantal openbaar te maken items in potentie omvangrijk en divers van aard. De inspecties vinden onder andere plaats op beleidsterreinen als voedsel- en productveiligheid, tabak, alcohol, plantgezondheid, diergezondheid en dierenwelzijn, diergeneesmiddelen en diervoeders. Binnen die beleidsterreinen zijn weer vele categorieën van gegevens te onderscheiden. In een dergelijke gedetailleerdheid kan de wet niet voorzien. Het maakt ook dat voor openbaarmaking over onderwerpen waar de wet niet in voorziet de wet telkens zou moeten worden aangepast. Het is voor de NVWA essentieel dat de openbaarmaking van toezichtgegevens stapsgewijs gebeurt. Dit is ook afhankelijk van de ervaringen die worden verkregen met de huidige en aankomende categorieën openbaar te maken toezichtgegevens. Het is ondoenlijk om van te voren alle mogelijke fasen van uitbreiding en de concrete onderwerpen waarover openbaar gemaakt moet worden in de wet op te sommen.

De leden van de CDA-fractie willen weten of de regering de concept-amvb samen met de nota naar aanleiding van het verslag aan de Kamer kan sturen.

Er wordt op dit moment gewerkt aan de amvb. Zodra het ontwerp voor consultatie gereed is, zal deze naar uw Kamer worden gestuurd. Uit de systematiek van het wetsvoorstel volgt overigens dat zolang de amvb niet is vastgesteld, er geen verplichting geldt om toezichtgegevens openbaar te maken.

4. Het karakter van de openbaarmaking: de verhouding met artikel 6 EVRM

Volgens het wetsvoorstel heeft de openbaarmaking van toezichtgegevens geen punitief karakter. De leden van de VVD-fractie stellen echter dat de beleving van de bedrijven en instellingen anders kan zijn. Zij kunnen zich gestraft voelen door het openbaar maken van gegevens. Deze leden vragen in hoeverre de zienswijze van de regering overeind zal blijven bij rechterlijke toetsing. Zij vragen voorts wat de gevolgen zouden zijn indien de rechter oordeelt dat er wel sprake is van een punitief karakter. Daarnaast willen zij weten hoe de regering het bedrijfseconomisch risico dat bedrijven lopen op reputatieschade als gevolg van openbaarmaking heeft afgewogen.

Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat openbaarmaking niet als oogmerk heeft om de betrokkene leed toe te voegen, maar om het publiek te informeren en naleving van regels te bevorderen. Wat betreft het punitieve karakter van openbaarmaking, heeft de Afdeling advisering van de Raad van State ten aanzien van sanctiebesluiten geoordeeld dat indien de openbaarmaking niet als oogmerk leedtoevoeging heeft, de openbaarmaking in dat geval geen punitief karakter heeft.11 De omstandigheid dat een dergelijke publicatie het effect kan hebben dat ze door de betrokkene als onaangenaam wordt ervaren (het zogenoemde schandpaaleffect), kan daar niet aan afdoen. Met andere woorden, het oogmerk van de openbaarmaking is bepalend voor de kwalificatie daarvan en niet de vraag of de openbaarmaking wordt ervaren als straf of dat door de publicatie reputatieschade wordt geleden. Er zijn tot nu toe geen rechtelijke uitspraken dat openbaarmaking van sanctiebesluiten als criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM moet worden aangemerkt. Wel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat indien het oogmerk van de openbaarmaking het informeren van het publiek is, de openbaarmaking géén punitief karakter heeft en artikel 6 EVRM dan ook toepassing mist.12 Ook de voorzieningenrechter is diverse malen tot dit oordeel gekomen.13 Er zijn geen aanwijzingen dat de richting waarin de jurisprudentie zich thans ontwikkelt, zal wijzigen.

Mocht er op enig moment een kentering komen in de jurisprudentie waardoor openbaarmaking wel als punitief wordt bestempeld, dan kan openbaarmaking niet meer op grond van het wetsvoorstel geschieden. Er moet dan een andere procedure worden gevolgd, omdat de waarborgen van artikel 6 EVRM (waaronder onschuldpresumptie, cautie, rechtspraak in twee feitelijke instanties) in acht moeten worden genomen. Echter, zoals ook uit het voorgaande volgt, zijn er geen aanwijzingen voor een dergelijke kentering.

In het wetsvoorstel zijn de belangen van bedrijven, instellingen en individuele beroepsbeoefenaren waaronder het bedrijfseconomische risico op reputatieschade, afgewogen tegen de wettelijke doelstellingen om de naleving van de regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop het toezicht en de uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Dit belang dient naar het oordeel van de regering te prevaleren boven het individuele belang van mogelijk te lijden reputatieschade.

De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel naast informeren ook als doelstelling heeft dat openbaarmaking moet leiden tot verbetering van naleving van normen en ook naming en shaming. Deze leden vragen de regering nader te onderbouwen dat hierdoor nog geen sprake is van een «criminal charge». Daarin willen deze leden ook een aparte onderbouwing waarom naming en shaming geen «criminal charge» is.

Het verbeteren van de naleving is inderdaad een van de doelstellingen van dit wetsvoorstel. Echter, anders dan de leden van de CDA-fractie menen, behoort «naming and shaming» niet tot het oogmerk van de openbaarmaking. Dat de openbaarmaking in bepaalde gevallen een schandpaaleffect kan hebben en dat bedrijven en instellingen een openbaarmaking wel als zodanig ervaren, maakt nog niet dat sprake is van een criminal charge waarbij leedtoevoeging wordt nagestreefd door een schandpaaleffect te bewerkstelligen. In dit verband worden de leden van de CDA-fractie tevens verwezen naar het antwoord op de vorige vraag van de leden van de VVD-fractie.

Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat het verhogen van de naleving dan ook niet wordt bevorderd door leedtoevoeging, maar door de omstandigheid dat de ondernemingen, instellingen en beroepsbeoefenaren zich gecontroleerd voelen door de afnemers van hun producten en diensten en/of het brede publiek. Waar verwacht mag worden dat punitieve sancties slechts leiden tot noodzakelijke prestatieverbetering bij instellingen en bedrijven die beneden de wettelijke norm presteren, werkt het systeem van openbaarmaking van toezichtinformatie van de marktdeelnemers over de volle breedte van het speelveld. De openbaarmaking is door de wetgever dus niet bedoeld als een reactie op ongewenst gedrag. Transparantie zal alle bedrijven, instellingen en beroepsbeoefenaren prikkelen om zich in positieve zin van hun concurrenten te onderscheiden.

Wat betreft de in acht te nemen zorgvuldigheidseisen verwijzen de leden van de CDA-fractie naar de bijlage van de brief van 10 december 2009 (26 991, nr. 276) waarin een analyse wordt gemaakt van het juridisch kader. In die analyse wordt vermeld dat betrokkenen zes weken voor de publicatie worden geïnformeerd, de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is en de betrokkenen bij de publicatie van de gegevens een eigen reactie kunnen toevoegen. Deze leden vragen waarom deze waarborgen voor zorgvuldigheid niet één-op-één in het wetsvoorstel zijn overgenomen.

De procedure waarnaar de leden van de CDA-fractie verwijzen is neergelegd in het Besluit houdende beleidsregels omtrent openbaarmaking van controlegegevens door de NVWA.14 Deze beleidsregels zijn gebaseerd op de actieve openbaarmakingsregime van de Wob en zijn inmiddels een aantal keer gewijzigd sinds hun totstandkoming in 2006. In de huidige beleidsregels geldt inmiddels de termijn van vier weken voordat tot openbaarmaking wordt overgegaan. In het wetsvoorstel is gekozen voor een standstill periode van twee weken (met uitzondering van een aantal gevallen waarin een kortere periode in acht kan worden genomen).15 Deze termijn vangt aan zodra het besluit tot openbaarmaking bekend is gemaakt. In die fase bestaat de mogelijkheid eventuele onjuistheden in de openbaar te maken informatie te corrigeren of om een voorlopige voorziening te vragen waardoor de openbaarmaking wordt opgeschort tot de voorzieningenrechter heeft beslist. In het belang van transparantie en het inlichten van het publiek moeten de gegevens die openbaar gemaakt worden zo actueel mogelijk zijn. Gelet daarop moet niet te lang worden gewacht met openbaarmaking. Aan de andere kant moet er voldoende tijd zijn om te kunnen corrigeren of om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te vragen. Naar het oordeel van de regering is in de termijn van twee weken een juiste balans gevonden tussen enerzijds de rechtsbescherming van degenen op wie de informatie betrekking heeft en anderzijds het behoud van de actualiteit van de openbaar te maken gegevens. Overigens worden in andere specifieke regelingen omtrent actieve openbaarmaking kortere standstillperiodes in acht genomen dan twee weken.16

Voorts is de rechtsbescherming van de Awb van toepassing, omdat het openbaarmakingsbesluit een besluit is in de zin van de Awb.

Wat betreft het publiceren van de reactie van betrokkene worden de leden van de CDA-fractie verwezen naar het antwoord op de vragen van de fractieleden van de PvdA en de SP over dit onderwerp onder paragraaf 1 Inleiding.

De leden van de CDA-fractie willen ook graag van de regering weten of er een risico ontstaat dat de inspecties geen sanctiebesluiten zullen opleggen, omdat door openbaarmaking dit tot disproportionele effecten voor betrokkenen zullen leiden.

Dit risico zal zich niet voordoen, omdat op grond van het wetsvoorstel geen individuele belangenafweging wordt gemaakt. Op het niveau van de wet en amvb is een afweging gemaakt tussen het belang van transparantie en de belangen van ondertoezichtgestelden. Het belang van transparantie – het zo volledig mogelijk informeren van het publiek – weegt in dezen zwaarder. Het gebonden karakter van openbaarmakingen (de toezichthouder is verplicht aangewezen gegevens openbaar te maken behoudens de in de wet genoemde uitzonderingen, bijvoorbeeld terzake van persoonsgegevens) brengt met zich dat een toezichthouder niet van de verplichting tot openbaarmaking kan afwijken.

De NVWA hanteert voor alle toezichttaken een interventiebeleid waarin per overtreding, afhankelijk van de aard en zwaarte van de overtreding, de bijbehorende interventie is aangegeven. Inspecteurs passen dit consequent toe. Hiervan zal niet worden afgeweken omdat sprake is van een verplichte openbaarmaking. Ook de IGZ heeft een handhavingskader met soortgelijke uitgangspunten. IJZ is momenteel bezig met het vaststellen van een interventiebeleid.

Tijdens het plenaire debat van 1 april 2015 (over inspecties bij de visbedrijven en de risico’s in de vleesketen) is aan uw Kamer toegezegd dat het interventiebeleid van de NVWA aangescherpt zal worden. De Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van VWS zullen daartoe een toezichtkader opstellen. Voor het herfstreces wordt uw Kamer over dit toezichtkader geïnformeerd.

5. De openbaarmakende instanties

Dit wetsvoorstel heeft voor een belangrijk deel betrekking op de NVWA, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Echter, de afgelopen periode is gebleken dat de organisatie van de NVWA (nog) niet op orde is. Deze leden vragen of de NVWA in staat is om deze nieuwe verplichtingen op een correcte en zorgvuldige manier uit te voeren binnen de huidige capaciteit. Als dat zo is, dan willen deze leden weten waarop dat gebaseerd is. Zo nee, dan vragen zij of het uitbreiden van het aantal verplichtingen voor de NVWA op dit moment aangewezen is.

De NVWA werkt stapsgewijs en zorgvuldig aan de uitbreiding van de openbaarmaking van inspectiegegevens. Op deze manier is ze in staat deze nieuwe verplichtingen uit te voeren. In het kader van het plan van aanpak NVWA17 is aanvullende capaciteit voorzien voor het op orde brengen van de organisatie, het uniformeren van de interne processen en het moderniseren van de ICT-systemen. De voorziene investeringen in capaciteit en ICT zullen mede worden aangewend om de actieve openbaarmaking te ondersteunen.

De NVWA zal elke openbaar te maken categorie zeer zorgvuldig voorbereiden. Voordat tot openbaarmaking wordt besloten, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Het openbaar maken moet bijdragen aan de doelstellingen transparantie, nalevingsbevordering en vertrouwen. De administratieve en juridische processen moeten goed ingeregeld zijn, het interventiebeleid moet consequent worden uitgevoerd en de presentatie moet helder, eenduidig en afgestemd zijn op de doelgroep voor wie de informatie bedoeld is.

Bedrijven kunnen zelf aantonen of laten aantonen dat ze regels naleven. De leden van de VVD-fractie willen weten in hoeverre dat objectief is en in hoeverre dit inhoudt dat de «goede» bedrijven genoodzaakt worden om kosten te maken om aan te tonen dat zij zich aan de regels houden?

De NVWA maakt op dit moment voor een zeer beperkt aantal onderwerpen en sectoren gebruik van «eigen verklaringen» of andere bewijzen van bedrijven, waarin zij aangeven de regels na te leven. De betrouwbaarheid van eigen verklaringen en andere bewijzen dat het bedrijf de regels naleeft, worden gecontroleerd door de NVWA. Oordelen worden alleen gebaseerd op gegevens van bedrijven zelf als de NVWA het vertrouwen heeft dat die eigen verklaringen voldoende valide zijn. De NVWA heeft hiervoor een zorgvuldige verificatieprocedure.

Indien de inspectie voor een bepaald onderwerp of sector kiest voor de mogelijkheid dat een bedrijf zelf kan aantonen dat het aan de regels voldoet, zal dat kunnen plaatsvinden via een eenvoudige procedure, die doorgaans minder administratieve lasten oplevert dan een specifieke inspectie.

Dergelijke procedures betekenen niet dat bedrijven extra kosten moeten gaan maken om aan te tonen dat zij zich aan de regels houden. Bedrijven zijn niet verplicht op deze wijze de naleving aan te tonen, ook al wordt de mogelijkheid hiertoe geboden door de inspectie.

De NVWA maakt gebruik van alle bronnen van informatie, inclusief signalen van consumenten, bij de definitieve oordeelsvorming. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre hier sprake is van objectieve bronnen die leiden tot een objectief oordeel van de NVWA en in hoeverre deze werkwijze fraudegevoelig is.

De NVWA gebruikt alleen bronnen die objectief zijn, hetgeen door de NVWA zelf wordt vastgesteld. Op diverse manieren kan de NVWA deze informatie verzamelen. Dit kan door eigen inspecties zijn of door informatie die zij krijgt van andere inspecties of uit kwaliteitssystemen. De NVWA heeft deze kwaliteitssystemen uitgebreid beoordeeld aan de hand van strenge criteria en «geaccepteerd». Ten slotte kunnen bedrijven bij daardoor aangewezen onderwerpen ook zelf informatie sturen om aan te tonen dat zij voldoen aan de regelgeving. De NVWA toetst deze «eigen verklaringen». De methode is niet fraudegevoelig, omdat de NVWA altijd haar eigen oordeel bepaalt en verifieert dat de informatie die zij heeft ontvangen juist is.

De signalen van consumenten over een bedrijf kunnen uiteraard wel een aanleiding vormen voor een inspectie van een bedrijf.

De NVWA is voornemens gebruik te maken van een stoplichtmodel. De leden van de VVD-fractie hebben hierover de volgende vragen:

  • a. In hoeverre leidt dit model tot een helder beeld van de stand van zaken binnen een bedrijf?

  • b. In hoeverre kan een momentopname een beeld geven over functioneren van een bedrijf?

  • c. Bevat dit model voldoende nuance voor een gefundeerd oordeel, dat bovendien begrijpelijk is voor geïnteresseerden?

  • d. Hoe gaat de NVWA in dit model om met bedrijven die meerdere locaties hebben?

  • e. Worden zij allen op basis van een bezoek aan één vestiging beoordeeld, of worden zij allen apart bezocht voordat zij beoordeeld worden?

In 2014 heeft de NVWA het stoplichtmodel getest bij de openbaarmaking van inspectiegegevens van lunchrooms. De presentatie via het stoplichtmodel was vooraf getest bij consumenten en ondernemers. Het stoplichtmodel is een heldere en eenvoudige wijze van presentatie, die aansluit bij de wijze waarop de betreffende doelgroep (de consument) deze informatie kan en wil beoordelen. Het is wel zo dat de NVWA de toegepaste kleurensystematiek zal aanpassen. De interpretatie van de kleur «rood» is verwarrend gebleken. Eerder is aan uw Kamer aangegeven dat voor de zomer van 2015 een voorstel voor een aangepaste presentatie zal worden gedaan.18

Afhankelijk van de situatie en de relevantie zal het oordeel door de NVWA gebaseerd zijn op de laatste inspectie of op een aantal inspecties in de meest recente periode. Dit zal in de contextinformatie worden opgenomen.

  • Ad a. Het beeld over een bedrijf of product omvat een helder en eerlijk oordeel over de situatie bij dat bedrijf of over een product en over de toezichtinformatie die gepubliceerd wordt (bijvoorbeeld over hygiëne). Deze toezichtinformatie moet actueel zijn. Daarom worden de inspectieresultaten zo snel mogelijk na een inspectie gepubliceerd (binnen twee weken).

  • Ad b. Tijdens de inspecties wordt nagegaan of de geconstateerde overtredingen een incidenteel of een structureel karakter hebben en wordt nagegaan of het bedrijf een systeem hanteert om de veiligheid te borgen. Dit zal blijken uit de openbaar gemaakte informatie.

  • Ad c. Zoals bij b is gesteld, bevat het systeem voldoende nuance voor het oordeel. Bij de openbaarmaking wordt rekening gehouden met de begrijpelijkheid voor het publiek.

    Per openbaar te maken categorie beoordeelt de NVWA van te voren, op welke wijze de presentatie van de informatie het beste zal aansluiten bij de beoogde doelgroep van de informatie.

  • Ad d. In het geval een bedrijf meerdere locaties heeft zal zowel het oordeel over het gehele bedrijf, als het oordeel per locatie worden gepresenteerd.

  • Ad e. Een zodanig aantal vestigingen wordt bezocht dat een betrouwbaar oordeel over het gehele bedrijf met alle vestigingen kan worden gegeven. Er wordt duidelijk gepresenteerd wat de prestatie van het gehele bedrijf is en wat de prestaties van de afzonderlijke locaties zijn. Op deze manier zal het oordeel over afzonderlijke vestigingen niet afhankelijk zijn van het oordeel over andere vestigingen van het bedrijf. Bovendien biedt deze wijze van presentatie een betere keuzemogelijkheid voor de doelgroep van de toezichtinformatie.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering ten aanzien van het stoplichtenmodel kan ingaan op het risico van schijnveiligheid. Zij vragen wat het risico is dat wanneer het model «groen» aangeeft, consumenten het gevoel krijgen dat zij er zonder twijfel vanuit kunnen gaan dat alles in orde is. Zij willen ook weten wat vervolgens het risico is dat wanneer een consument toch bijvoorbeeld ziek wordt, de consument de overheid de schuld hiervan geeft aangezien de overheid de indruk heeft gewekt dat dit niet kon gebeuren.

Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving van de wet. Het uitvoeren van inspecties bevordert de naleving, maar kan nooit garanderen dat een persoon of instelling te allen tijde de wet naleeft. Het oordeel van de inspectiediensten zal altijd gebaseerd zijn op de laatste inspectie of op een beperkt aantal inspecties in de meest recente periode. Op dit aspect zal bij de invulling van de avmb worden ingegaan, waarbij eveneens zal worden bepaald dat aangegeven moet worden dat «voldoet, groen» niet betekent dat er te allen tijde vanuit gegaan wordt dat alles in orde is. De inspectiediensten zullen hierop dus uitdrukkelijk wijzen bij de publicatie van hun oordelen.

Op de website zal worden toegelicht waarop het oordeel over dit bedrijf is gebaseerd. Zo wordt duidelijk op basis van welke aspecten is beoordeeld en wanneer deze informatie is verzameld.

De overheid is, ongeacht openbaarmaking, niet aansprakelijk voor bedrijven die de wetgeving niet naleven. Dit geldt ook als de overheid aangeeft geen aanwijzing te hebben dat het betreffende bedrijf de wet niet zou naleven.

De regering schrijft dat de NVWA ook gegevens gebaseerd op andere wetgeving dan de Warenwet, zoals de Drank- en Horecawet, de Tabakswet, de Diergeneesmiddelenwet, de Kaderwet diervoeders of de Wet dieren, openbaar kan maken. De leden van de CDA-fractie vragen waarom ervoor gekozen wordt deze gegevens nog niet gedwongen openbaar te maken. Zij vragen ook of de regering voornemens is de werking van de wet t.z.t. uit te breiden naar andere wetgeving dan de Warenwet.

Dit wetsvoorstel heeft betrekking op het Staatstoezicht op de volksgezondheid. De NVWA en de IGZ zijn onderdeel van het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Dit betekent dat door dit wetsvoorstel alle wetten (waaronder de wetten die door de leden van de CDA-fractie genoemd) worden bestreken op grond waarvan het Staatstoezicht op de volksgezondheid (en dus ook de NVWA) bevoegd is als toezichthouder of uitvoerder op te treden. De NVWA wordt op grond van het wetsvoorstel verplicht de bij amvb aangewezen toezichtgegevens openbaar te maken. Dit betreft zowel informatie over toezicht op wetgeving die valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS, als die valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZ.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de NVWA, de IGZ, de IJZ en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) verschillende modellen van openbaarmaking hanteren. Deze leden vragen of de regering heeft overwogen om, ter bevordering van de transparantie, hier een model van te maken door bijvoorbeeld het stoplichtenmodel van de NVWA ook door de andere inspecties over te laten nemen.

Voor de openbaarmaking van de verschillende soorten van informatie zal steeds gekozen worden voor een wijze die de informatie zo toegankelijk mogelijk maakt voor de beoogde doelgroep. Een en ander neemt niet weg dat waar mogelijk en wenselijk, de wijze van openbaarmaking zo veel mogelijk geüniformeerd zal worden.

De NVWA zal ook andere innovatieve methoden ontwikkelen om het vertrouwen in de naleving door bedrijven te borgen, zo schrijft de regering. De leden van de CDA-fractie vragen op wat voor innovatieve methoden de regering doelt.

De NVWA zal het oordeel niet alleen baseren op de door de NVWA uitgevoerde eigen fysieke inspecties, maar – waar mogelijk en relevant – ook mede op basis van administratieve controles of op basis van gegevens over bedrijven afkomstig van andere inspectiediensten, van certificerende instellingen of – waar dat is toegestaan – geborgde eigen verklaringen van bedrijven zelf.

De leden van de CDA-fractie vragen of fabrikanten van gezondheidsgerelateerde producten onder de reikwijdte van de wet komen te vallen, zoals Prof. Legemaate in zijn rapport heeft geadviseerd?

Gezondheidsgerelateerde producten komen onder de reikwijdte van deze wet te vallen, publicatie van toezichtinformatie in deze kan bij amvb geregeld worden.

Zodra producten onder de reikwijdte van de Warenwet vallen, is hierop het toezicht door de NVWA van toepassing. Indien deze producten onder de reikwijdte van de Geneesmiddelenwet vallen, is hierop het toezicht door de IGZ van toepassing.

6. EU-ontwikkelingen

De leden van de CDA-fractie vragen of op basis van de Europese richtlijnen met betrekking tot openbaarmaking van informatie inzake inspecties, aanhoudingen en weigeringen van toegang tot havens en de openbaarmaking van lijsten van luchtvaartmaatschappijen die aan een exploitatiebeperking zijn onderworpen, net als in het wetsvoorstel geen beleidsruimte is voor individuele belangenafweging.

Zowel verordening (EG) nr. 2111/200519 als richtlijn 2009/16/EG20 kennen de volgende systematiek: het besluit tot het nemen van de maatregel zelf (het opleggen van een exploitatieverbod aan een luchtvaartmaatschappij of weigering van een schip voor toegang tot een haven) komt tot stand op basis van een individuele belangenafweging. Betrokkene kan tegen dat besluit in verweer komen. Indien een dergelijke maatregel eenmaal is opgelegd, dan geven noch de verordening noch de richtlijn ten aanzien van de openbaarmaking van die maatregel ruimte voor individuele belangenafweging. Dit komt overeen met de regeling in het onderhavige wetsvoorstel: voor de openbaarmaking van de gegevens vindt geen individuele belangenafweging plaats.

7. Rechtsbescherming

De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering van mening is dat de belanghebbende niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld zijn zienswijze te geven op een voorgenomen openbaarmaking. Net als de Raad van State hebben deze leden hier bedenkingen bij. Uit de reactie van de regering op de Raad van State maken genoemde leden op dat bij amvb de mogelijkheid tot het geven van een reactie en het openbaar maken van deze reactie nader wordt geregeld. Deze leden willen weten of ze uit deze reactie van de regering kunnen opmaken dat bedrijven die een reactie willen geven hiertoe ook in staat moeten worden gesteld. Verder vragen zij hoe de regering dit vorm wil geven en wanneer de regering verwacht deze amvb gereed te hebben.

Er dient hier onderscheid te worden gemaakt tussen (a) de zienswijze op het voornemen van een bestuursorgaan om een besluit te nemen, bedoeld in artikel 4:8 Awb en (b) een inhoudelijke reactie van betrokkene op de toezichtgegevens die openbaar kan worden gemaakt. Het advies van de Raad van State had geen betrekking op de zienswijze, bedoeld in de Awb (a), maar op de reactie van betrokkene (b).

Ad a. De openbaarmaking kan zowel betrekking hebben op Awb-besluiten als op andere informatie, zoals inspectierapporten en dergelijke. Los van de vraag of een besluit straks op basis van de Gezondheidswet openbaar gemaakt wordt, verplicht de Awb dat alvorens een bestuursorgaan een benadelend besluit (bijvoorbeeld een bestuurlijke boete) neemt dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze op dat besluit te geven. Dat is niet aan de orde bij het vaststellen van inspectierapporten, omdat geen sprake is van een Awb-besluit.

Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat op voorgenomen besluiten tot openbaarmaking in beginsel geen zienswijze hoeft te worden gegeven. Als uitzondering geldt echter dat op een voorgenomen besluit tot openbaarmaking van een Awb-besluit waar wel gelegenheid tot het geven van een zienswijze moet worden geboden, de belanghebbende tevens in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze op de voorgenomen openbaarmaking te geven. Ter illustratie kan gedacht worden aan de openbaarmaking van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Indien de openbaarmaking daarvan bij amvb is aangewezen en een belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen boetebesluit te geven, zal hij gelijktijdig in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze op het voornemen tot openbaarmaking van dat boetebesluit te geven.

In de memorie van toelichting is uitgebreid gemotiveerd waarom in het wetsvoorstel voor de hoofdregel is gekozen om af te zien van de mogelijkheid van de zienswijze. Overigens is er vanuit gegaan dat in de fase waarin een inspectie- of controlerapport tot stand komt, de zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen (zoals betrokkene op een adequate manier voldoende tijd en mogelijkheid geven om te reageren op de bevindingen van de toezichthouder).21 Indien de toezichthouder bij de vaststelling van zijn rapporten die zorgvuldigheid niet betracht, dan heeft de belanghebbende bij de voorzieningenrechter een goede kans zich tegen de openbaarmaking te verweren omdat het risico bestaat dat de informatie een onjuist beeld van de werkelijkheid geeft.

Ad b. In het wetsvoorstel zelf is niet geregeld dat betrokkene zijn inhoudelijke reactie (niet zijnde een zienswijze in de zin van de Awb) kan geven op de toezichtgegevens en dat die reactie openbaar gemaakt kan worden. Zoals hierboven vermeld, zal dit bij amvb worden geregeld. Daarbij kan een grens worden gesteld aan de omvang van de reactie (bijvoorbeeld een maximum aantal woorden). Voorts kunnen bij amvb ook andere beperkingen aan een dergelijke reactie worden gesteld, bijvoorbeeld dat het geen persoonsgegevens van derden mag bevatten. Indien belanghebbende van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, dan wordt de reactie tezamen met de toezichtgegevens openbaar gemaakt.

De leden van de VVD-fractie hebben ook enkele vragen ten aanzien van de standstilperiode. Zij onderkennen de noodzaak van snel handelen wanneer de volksgezondheid in het geding is. Echter, onduidelijk is wanneer de termijn van minimaal twee weken niet gehanteerd hoeft te worden. De memorie van toelichting biedt volgens deze leden geen houvast om te beoordelen in welke gevallen een snellere openbaarmaking geoorloofd is, en in welke gevallen dat niet het geval is. Ze vragen de regering om een nadere toelichting. Verder willen zij weten wie op welke criteria de noodzaak beoordeelt om tot snellere openbaarmaking over te gaan dan de twee weken.

In het wetsvoorstel zijn de gevallen waarin afgeweken kan worden van de termijn van twee weken opgesomd (artikel 44a, vijfde lid). In die gevallen kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, op elke moment in de periode van nul tot twee weken tot openbaarmaking worden overgegaan. Het gaat bijvoorbeeld om bevelen op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de Kwaliteitswet zorginstellingen waarin aan betrokkene een beperkende maatregel is opgelegd, of bijvoorbeeld om gevallen waarin is overgegaan tot intensivering van toezicht. Ook kan gedacht worden aan een horeca-ondernemer aan wie een last onder dwangsom is opgelegd om zijn activiteiten te staken totdat een aantal hygiënemaatregelen is getroffen, of aan een arts aan wie, al dan niet tijdelijk, beperkingen zijn opgelegd ten aanzien van het verrichten van bepaalde handelingen.

Indien sprake is van acuut gevaar voor de volksgezondheid, kan besloten worden tot (bijna) onmiddellijke openbaarmaking. Daarbij is zeer uitdrukkelijk aan de orde dat het niet alleen van belang is dat de betrokkene weet dat er iets mis is met zijn beroeps- of bedrijfsactiviteiten, maar dat ook (potentiële) klanten, cliënten of patiënten daarvan op de hoogte zijn. Het is de toezichthouder die beoordeelt of snellere openbaarmaking noodzakelijk is. In het openbaarmakingbesluit zal gemotiveerd moeten worden waarom voor een kortere termijn dan twee weken wordt gekozen. De bestuursrechter kan de juistheid van die motivering toetsen. In ieder geval zal altijd aan de orde zijn in welke mate de volksgezondheid in gevaar is en in hoeverre het belang van het publiek moet prevaleren om snel geïnformeerd te worden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met de keuze voor een gebonden karakter van openbaarmaking zonder individuele belangenafweging niet het risico loopt dat besluiten tot openbaarmaking veelal aan de rechter zullen worden voorgelegd om getoetst te worden aan artikel 8 EVRM.

Het is niet uitgesloten dat zeker in de beginperiode na de inwerkingtreding van de wet extra procedures zullen worden gevoerd. Dat is niet ongebruikelijk bij nieuwe wetgeving. Het gebonden karakter van openbaarmaking kan bijvoorbeeld bij de rechter ter discussie worden gesteld. Zodra de rechter in een aantal zaken daarover duidelijkheid heeft verschaft, is de verwachting dat de behoefte om het aspect van de gebondenheid aan de rechter voor te leggen, snel zal afnemen. Overigens zijn er tot nu toe in het kader van de pilot van de NVWA over (hygiëne van) de lunchrooms geen juridische procedures over de openbaarmaking van de gegevens gevoerd.

De leden van de CDA-fractie vragen tevens waarom niet in de wet wordt opgenomen dat bij openbaarmaking van sanctiebesluiten moet worden voldaan aan de eisen gelijkluidend aan artikel 10, tweede lid, onderdelen e (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en g (het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden), zoals de Raad van State adviseert. Deze leden constateren immers dat met het voorgestelde artikel 44, vijfde lid van de Gezondheidswet wel wordt voorgesteld de eis van artikel 10, eerste lid, onderdeel c van de Wob (bedrijfs- of fabricagegegevens) over te nemen.

Het overnemen van de door de leden van de CDA-fractie genoemde weigeringsgronden zou tot gevolg hebben dat alsnog een individuele belangenafweging moet plaatsvinden en dat dus van geval tot geval bekeken moet worden of openbaarmaking mag plaatsvinden. Dat zou leiden tot een onvolledig beeld bij het publiek. In het wetsvoorstel is daarom gekozen voor een gebonden karakter van openbaarmaking. Er is op het niveau van de wet een afweging gemaakt tussen het belang van openbaarheid en het belang van bedrijven, instellingen en beroepsbeoefenaars om niet benadeeld te worden. De individuele belangen van instellingen, bedrijven en beroepsbeoefenaren wegen naar het oordeel van de regering niet op tegen het belang van burgers en bedrijven om juist en volledig geïnformeerd te worden, bijvoorbeeld in situaties waarbij de volksgezondheid, de diergezondheid of de bescherming van het milieu in het geding is.

Wat betreft eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet voorop worden gesteld dat de wet daarin al een expliciete keuze heeft gemaakt. De inbreuk is beperkt tot de openbaarmaking van persoonsgegevens die gerelateerd zijn aan het beroeps- of bedrijfsmatig functioneren of handelen van de personen die onderwerp van het toezicht zijn of op wie de uitvoering betrekking heeft of dat die persoon zelf die persoonsgegevens al aan de openbaarheid heeft prijs gegeven. In de Wob is dat anders geregeld, daar kan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer verder gaan indien de belangen van de openbaarmaking dat rechtvaardigen.

Voor het bereiken van de doelstellingen van het wetsvoorstel is het evenwel onvermijdelijk dat persoonsgegevens van degenen op wie het toezicht gericht is, openbaar worden gemaakt, al is het maar omdat de bekendmaking van de naam van de ondertoezicht gestelde kan bijdragen aan de in de wet geformuleerde doelstellingen. In de afweging van de belangen van de ondertoezichtgestelden en het maatschappelijk belang dat gediend is met openbaarmaking, weegt dit laatste naar het oordeel van de regering zwaarder. Zoals hiervoor al gezegd, is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in het wetsvoorstel tot het minimaal noodzakelijke beperkt. Gegevens over natuurlijke personen op wie het toezicht niet gericht is, zoals patiënt-, cliënt-, en klantgegevens, mogen bijvoorbeeld niet openbaar worden gemaakt.

Overigens wordt hier nog opgemerkt dat de openbaarmaking van toezichtgegevens voor het grote deel geen betrekking zal hebben op persoonsgegevens, omdat veelal sprake is van gegevens die betrekking hebben op rechtspersonen.

Dat in dit wetsvoorstel is opgenomen dat nimmer bedrijfs- of fabricagegegevens openbaar gemaakt mogen worden die vertrouwelijk aan de toezichthouder zijn verstrekt, heeft te maken met de belangenafweging die op het niveau van de wet heeft plaatsgevonden. Om de naleving van de regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn, is het niet noodzakelijk dat het publiek kennis neemt van die bedrijfs- en fabricagegegevens. Om die reden is op voorhand uitgesloten dat op basis van het wetsvoorstel dit soort gegevens openbaar worden gemaakt. Een belangenafweging kan ertoe leiden dat überhaupt over bepaalde personen en instellingen geen informatie openbaar wordt gemaakt. De beperking voor wat betreft de bedrijfs- of fabricagegegevens zal niet aan een openbaarmaking van andere informatie in de weg staan. Die beperking geldt bovendien ten aanzien van alle openbaarmakingen. Het publiek is daarvan op de hoogte.

De standstillperiode van twee weken waarbinnen de openbaarmaking niet mag plaatsvinden, kan in sommige gevallen verlengd worden. De leden van de CDA-fractie vragen wie bepaalt dat een langere termijn voor de standstill in acht wordt genomen, of er een maximumtermijn is, en of deze termijn eindeloos kan duren. Deze leden vragen of op deze manier een achterdeur wordt gecreëerd waarmee alsnog in bepaalde gevallen nooit tot openbaarmaking wordt overgegaan.

De regering begrijpt deze leden zo dat zij doelen op de situatie dat er een besluit tot openbaarmaking is genomen, maar dat de standstill periode langer is dan twee weken. De gepubliceerde informatie moet zo actueel mogelijk zijn en zal daarom zo snel mogelijk openbaar moeten worden gemaakt. Indien er een besluit tot openbaarmaking is genomen, dan dient de toezichthouder dat besluit uit te voeren. Hij mag niet naar eigen believen de uitvoering uitstellen. De standstill periode kan dus niet lang, of eindeloos duren.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd om een nadere omschrijving wanneer er sprake is van zeer uitzonderlijke gevallen dat moet worden overgegaan tot onmiddellijke openbaarmaking.

Het gaat om de situatie waarin het noodzakelijk is om het publiek onmiddellijk in te lichten. Dit is bijvoorbeeld het geval als sprake is van acuut gevaar voor de volksgezondheid (infectie- of besmettingsgevaar voor patiënten of klanten). Er kan ook gedacht worden aan situaties waarin bijvoorbeeld de IGZ of de NVWA vanwege dit gevaar een bevel hebben gegeven dat de werkzaamheden tijdelijk moeten worden gestaakt. Het is dan noodzakelijk dat niet alleen de betrokkene maar ook het publiek van de maatregelen direct op de hoogte wordt gebracht.

8. Persoonsgegevens

Aangegeven wordt dat van meet af aan voor een ieder helder zal zijn welke informatie aan de openbaarheid wordt prijsgegeven, hoe lang de informatie beschikbaar zal blijven en hoe de raadpleegbaarheid van de informatie is geregeld. Genoemde aspecten zijn op dit moment nog niet helder, aangezien dit niet is opgenomen in de wet. Hoe en wanneer kan de regering op deze punten helderheid bieden, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Deze aspecten zullen nader bij amvb worden geregeld. Zodra het ontwerp voor consultatie gereed is, zal de regering uw Kamer het ontwerp toesturen.

De regering geeft aan dat aangegeven zal worden hoe lang informatie beschikbaar zal blijven voor het publiek. Aangezien de gegevens via internet beschikbaar worden gesteld, is de kans aanzienlijk dat deze gegevens onbeperkt beschikbaar zullen zijn. Ook gegevens die niet meer via de websites van de openbaarmakende instanties beschikbaar gesteld worden, kunnen via andere partijen beschikbaar worden gesteld, ook als deze niet meer actueel zijn. Hoe wil de regering hiermee omgaan?

Informatie over bedrijven en instellingen op de website van de toezichthouders moet zo actueel mogelijk zijn. De termijn die daarvoor gehanteerd zal worden hangt af van de aard van de informatie en zal bij amvb worden geregeld.

Direct zichtbaar is altijd de meest actuele informatie. Dit neemt niet weg dat een bezoeker van het internet met moeite «oudere» informatie zou kunnen terugvinden op het internet als deze informatie door toedoen van derden nog op het internet te vinden is. Deze informatie is dan echter niet meer vindbaar op de website van de toezichthouder. Indien door toedoen van derden de informatie langer dan de maximale termijn op internet vindbaar is, dan is dat niet toe te rekenen aan de overheid.

Ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens vragen de leden van de CDA-fractie of het wetsvoorstel aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP) ter advisering is voorgelegd. Zij zouden graag het advies van het CBP samen met de nota naar aanleiding van het verslag toegestuurd willen krijgen.

Het wetsvoorstel is niet aan het CBP voorgelegd, omdat de openbaarmaking van inspectiegegevens voor het overgrote deel geen betrekking zal hebben op gegevens van natuurlijke personen, maar op gegevens van rechtspersonen (ondernemingen, instellingen).22 Dit neemt niet weg dat openbaarmaking betrekking kan hebben op gegevens van natuurlijke personen en dat dus persoonsgegevens in het geding zijn. Het wetsvoorstel is echter zodanig vormgegeven dat de openbaarmaking van toezichtgegevens die betrekking hebben op persoonsgegevens zoveel mogelijk beperkt wordt. Het wetsvoorstel voldoet aan de eisen die de Wet bescherming persoonsgegevens stelt, zoals doelbinding en de vereiste grondslag voor verwerking van persoonsgegevens.

9. Geheimhoudingsplicht

De leden van de CDA-fractie steunen het voornemen dat gegevens die vallen onder het (afgeleid) beroepsgeheim niet op basis van deze wet openbaar gemaakt mogen worden. Deze leden vragen hoe geborgd wordt dat er ook geen gegevens geopenbaard worden die herleidbaar zijn tot patiënt- en cliëntgegevens.

In het wetsvoorstel is bepaald welke persoonsgegevens voor openbaarmaking in aanmerking komen. Er zullen alleen persoonsgegevens openbaar worden gemaakt van degenen op wie het toezicht is gericht. Er mogen geen gegevens over natuurlijke personen openbaar worden gemaakt op wie het toezicht niet is gericht, zoals patiënt-, cliënt-, en klantgegevens. Dit houdt in dat geen gegevens openbaar mogen worden gemaakt die herleidbaar zijn tot patiënten en cliënten. Onder het begrip «persoonsgegevens» wordt immers verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. In het wetsvoorstel is deze definitie overgenomen van de Wet bescherming persoonsgegevens.

10. Regulier Overleg Warenwet

De leden van de CDA-fractie hebben vragen gesteld over de algemene regeling voor de actieve openbaarmaking. Deze vragen zijn beantwoord in paragraaf 1. Inleiding.

11. Internetconsultatie

Ondernemers waarvan door openbaarmaking bekend wordt dat zij tekortschieten komen in aanmerking voor een herinspectie. De uitkomsten daarvan worden zo spoedig mogelijk daarna gepubliceerd. Op welke termijn vindt een dergelijke herinspectie plaats, en hoe worden de kosten van een (her)inspectie voldaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De herinspectie vindt plaats conform het daarvoor door de toezichthouder gehanteerde interventiebeleid. Iedere toezichthouder hanteert hiervoor zijn voorwaarden en termijnen afhankelijk van de aard en de zwaarte van de overtreding. Bij zeer zware overtredingen is de termijn waarop de overtreding opgeheven moet worden zo kort mogelijk en wordt herinspectie ook op zo’n kort mogelijke termijn uitgevoerd om verdere risico’s als gevolg van de betreffende overtreding uit te sluiten. Bij minder zware overtredingen verschilt de reactie per toezichthouder. De NVWA hanteert dan bijvoorbeeld een herinspectietermijn van maximaal vier maanden. De IJZ beoordeelt per geval op welke manier te verwachte verbeteringen worden gevolgd. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een herinspectie of een analyse van een door een derde uit te voeren audit.

De vraag hoe de kosten van een herinspectie worden voldaan is afhankelijk van de vraag of er een wettelijke grondslag voor de heffing van een retributie bestaat. Met betrekking tot de NVWA geldt voor een aantal sectoren en domeinen dat de kosten voor inspecties en herinspecties retribueerbaar zijn, voor een aantal andere sectoren en domeinen zijn alleen de kosten voor herinspecties retribueerbaar en voor enkele sectoren en domeinen zijn de kosten van inspecties en herinspecties in zijn geheel niet retribueerbaar

De IJZ kent geen mogelijkheid voor het heffen van retributies bij het uitvoeren van inspecties en herinspecties. Wat IGZ betreft, is er vanaf 1 januari 2015 een mogelijkheid om kosten voor bepaalde inspectieactiviteiten in rekening te brengen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe lang de informatie online blijft staan.

Deze termijn zal bij amvb worden geregeld. Daarbij wordt rekening gehouden met de het belang van transparantie (met name de actualiteit van de gegevens) en het belang van bedrijven en instellingen. Bij het bepalen van de termijn zal daarnaast ook rekening worden gehouden met de aard van de gegevens die openbaar worden gemaakt en met bestaande regels over openbaarmaking (zoals bijvoorbeeld bij een aantekening in het BIG-register van een beroepsbeperkend BIG-bevel).

Deze leden willen daarnaast weten of er voorzien is in een evaluatie van deze wet.

Het wetsvoorstel heeft geen evaluatiebepaling. De NVWA evalueert regelmatig de openbaargemaakte categorieën en trekt hieruit lering voor volgende categorieën.

12. Financiële gevolgen voor de Rijksbegroting

De regering geeft aan de kosten voor het totaal nog niet aan te kunnen geven, aangezien de definitieve uitwerking mede bepaald wordt door de ervaring in die sectoren. Voor een beoordeling van het financiële kader van dit wetsvoorstel vragen de leden van de VVD-fractie om de beste inschatting die de regering van de mogelijke kosten kan maken.

Voor de NVWA is € 500.000 gereserveerd als initiële kosten om het instrument openbaarmaking in te voeren. Deze kosten zijn nodig om de administratieve processen in te regelen voor de eerste trajecten voor openbaarmaking. De verdere stapsgewijze verbreding wordt binnen de jaarlijks beschikbare budgetten gefinancierd en zal zo veel mogelijk in gelijke pas lopen met het plan van aanpak NVWA.23 In dat plan is aanvullende capaciteit voorzien voor het op orde brengen van de organisatie, het uniformeren van de interne processen en het moderniseren van de ICT-systemen. De voorziene investeringen in capaciteit en ICT zullen mede worden aangewend om de actieve openbaarmaking te ondersteunen. Specifiek ten behoeve van openbaarmaking te maken kosten vallen daar ook onder.

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat bij de financiële gevolgen alleen verwezen wordt naar eenmalige extra kosten voor de NVWA ten behoeve van aanvullende ICT, administratieve inzet en training van inspecteurs. Deze leden vragen of € 500.000 voldoende is. Daarom zouden zij graag een nadere onderbouwing van dit bedrag willen zien.

Zoals hierboven genoemd is initieel een specifiek budget van € 500.000,– gereserveerd voor het instrument openbaarmaking. Na deze eerste opstart zijn geen afzonderlijke budgetten meer gereserveerd voor openbaarmaking, maar is dit geïntegreerd binnen de jaarlijks te besteden budgetten vanuit de Ministeries VWS en EZ. De NVWA besteedt deze budgetten aan diverse instrumenten, die zij heeft om ondernemers tot naleving van de regelgeving te bewegen. Openbaarmaking is daar één van. In de prioriteitstelling wordt de inzet van openbaarmaking afgewogen tegen de andere instrumenten. Er zijn bij de NVWA dus voldoende middelen beschikbaar om de openbaarmaking van inspectiegegevens als nalevingsinstrument te kunnen inzetten.

De leden van de CDA-fractie vragen of in dit project niet ook de IGZ en de IJZ meegenomen kunnen worden, zodat bijvoorbeeld de ICT rond het CIBG versneld verbeterd kan worden, zodat niet twee jaar gewacht hoeft te worden voordat de online lijst van opgelegde maatregelen uit het BIG-register automatisch gegenereerd kan worden.

De IGZ en IJZ zijn organisaties die los staan van het CIBG. Ieder gebruikt een eigen ICT-systeem. Het is daarom niet mogelijk om via deze manier het ICT-systeem van het CIBG versneld te verbeteren. Overigens is er sprake van een termijn van twee jaar voor aanpassing van het ICT-systeem van het CIBG, omdat het CIBG een geheel nieuw ICT-systeem wil implementeren.

13. Bedrijfseffecten, nalevingskosten en administratieve lasten

Aangegeven wordt dat er geen administratieve lasten of nalevingskosten voor het bedrijfsleven voortkomen uit voorliggend wetsvoorstel. Wanneer bedrijven echter zelf moeten aantonen dat zij aan de regels voldoen, gegeven het risicogestuurde toezicht, kan dit met kosten gepaard gaan. Ook wanneer bedrijven het niet eens zijn met de gemaakte beoordeling en hier actie op willen ondernemen, kan dit leiden tot kosten voor bedrijven. Wat is de inschatting van de regering ten aanzien van deze kosten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Het wetsvoorstel leidt nauwelijks tot extra of hogere administratieve lasten voor bedrijven, die specifiek toegerekend kunnen worden aan openbaarmaking. Indien de inspectie kiest voor de mogelijkheid dat een bedrijf zelf kan aantonen dat het aan de regels voldoet, zal dat via een eenvoudige procedure kunnen, die doorgaans minder administratieve lasten meebrengt dan een specifieke inspectie door de inspectie. In bepaalde gevallen zijn wellicht kosten gemoeid voor bedrijven, indien zij bijvoorbeeld een reactie willen geven op de inhoud van de openbaar te maken informatie, of indien zij in verweer willen tegen een besluit tot openbaarmaking. Als de rechter heeft geoordeeld dat de openbaargemaakte informatie onjuist is, dan kunnen de kosten worden vergoed via een proceskostenveroordeling.

14. Artikelsgewijze toelichting, Onderdeel C

In het derde lid van het nieuwe artikel 44 van de Gezondheidwet vindt een opsomming plaats van items die voor openbaarmaking kunnen worden aangewezen. Het spectrum is breed, maar concreet. De leden van de CDA-fractie constateren echter dat het eerste element uit de opsomming niet concreet is, namelijk de «uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens». De leden van de CDA-fractie vragen of dit feitelijk alle informatie is waarover de toezichthouder beschikt, en dat alleen bij amvb geregeld wordt wat daadwerkelijk actief openbaar gemaakt moet worden.

Het gaat hier inderdaad om alle informatie waarover de toezichthouder in het kader van een onderzoek beschikt en die in principe voor openbaarmaking in aanmerking komt. Zoals deze leden terecht stellen, zal bij amvb nader worden geregeld wat daadwerkelijk actief openbaar gemaakt moet worden. Bij «uitkomsten van controle en onderzoek» kan het gaan om vastgestelde feiten en conclusies uit een inspectierapport. Met de «daaraan ten grondslag liggende gegevens» worden concreet bedoeld documenten die in het kader van het onderzoek zijn verzameld en hebben geleid tot de vaststelling van de feiten en conclusies. Zo kan een onderzoeksrapport van een laboratorium ertoe leiden dat als feit wordt vastgesteld dat een bepaalde waarde is overschreden en dat daaruit weer de conclusie kan worden getrokken dat de wet is overtreden. Bij amvb zal worden aangewezen welke gegevens precies openbaar moeten worden gemaakt.

De leden van de CDA-fractie constateren verder dat in het onlangs ingediende wetsvoorstel aanpak schijnconstructies (34 108) openbaarmaking van gegevens wel bij wet beperkt is tot een aantal categorieën. De leden van de CDA-fractie vragen waarom in dit wetsvoorstel niet is gekozen om bij wet de categorieën vastgelegd worden.

In dit wetsvoorstel zijn de items – te vergelijken met «categorieën» – van toezichtgegevens die voor openbaarmaking in aanmerking komen limitatief opgesomd (nieuwe artikel 44, derde lid, Gezondheidswet en nieuwe artikel 9.7, derde lid, Jeugdwet). In feite past het voorstel voor de wet aanpak schijnconstructies eenzelfde systeem toe. In het wetsvoorstel tot wijziging van de Gezondheidswet zijn alleen meer categorieën toezichtgegevens opgesomd dan in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies. Dit laatste wetsvoorstel kent slechts de verplichting tot openbaarmaking in een beperkt aantal gevallen. Voor de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag gaat het om openbaarmaking van het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd, dat een besluit is genomen tot stillegging van de werkzaamheden of dat na een afgerond onderzoek geen overtreding is geconstateerd. Het verschil tussen beide wetsvoorstellen wordt verklaard doordat de Gezondheidswet straks verschillende beleidsterreinen bestrijkt waarbij bovendien meer dan één toezichthouder is betrokken. Dit levert ook een grotere variatie aan toezichtgegevens op dan in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies.

In het wetsvoorstel is er voor gekozen om de categorieën van openbaar te maken toezichtgegevens op het niveau van de wet limitatief op te sommen. Bij amvb zal worden aangewezen welke informatie precies openbaar zal worden gemaakt. Op deze manier zijn de hoofdlijnen op het niveau van de formele wet geregeld, en de nadere invulling bij amvb. Er wordt enerzijds voldaan aan de eis van rechtszekerheid en recht gedaan aan het primaat van de wetgever, anderzijds wordt tegemoet gekomen aan de noodzakelijke flexibiliteit.

In de opsomming van mogelijk openbaar te maken informatie wordt genoemd: «kennisgevingen» waarin de betrokkene wordt meegedeeld dat hij «met onmiddellijke ingang of op zeer korte termijn verbeteringen in zijn organisatie of werkwijze moet aanbrengen» (artikel 44, derde lid, onderdeel d). De leden van de CDA-fractie vragen wat verstaan wordt onder «kennisgevingen» en hoe deze zich verhouden tot een bevel zoals genoemd in de Kwaliteitswet, de Jeugdwet en de Wet BIG.

Met deze «kennisgevingen» in het door deze leden genoemd artikellid wordt bedoeld een kenninsgeving van het onder verscherpt toezicht stellen. Het verschil met bevelen op grond van de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet Big en de Jeugdwet is dat die bevelen rechtsgevolg hebben en besluiten zijn in de zin van de Awb. De naleving van een bevel kan zo nodig worden afgedwongen door bestuursdwang.

De kennisgeving van verscherpt toezicht wordt gegeven indien de situatie voor de inspectie aanleiding biedt extra waakzaam te zijn. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat een gevaarlijke situatie ontstaat of om te bevorderen dat verbeteringen worden doorgevoerd. Mocht het verscherpt toezicht onvoldoende effect sorteren, dan ligt het voor de hand ingrijpendere maatregelen te nemen. Dat kan bijvoorbeeld een aanwijzing zijn.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers


X Noot
1

Artikel 8, eerste lid, van de Wob.

X Noot
2

Thematische wetsevaluatie Bestuursrechtelijk toezicht op de kwaliteit van zorg, Den Haag: ZonMw, november 2013.

X Noot
3

Wat betreft de wijzigingen van de Jeugdwet gaat het om het voorgestelde artikel 9.7, eerste en tweede lid, en artikel 9.8, zesde en zevende lid, van de Jeugdwet.

X Noot
4

Thematische wetsevaluatie Bestuursrechtelijk toezicht op de kwaliteit van zorg, Den Haag: ZonMw, november 2013.

X Noot
5

In cijfers uit 2013: bij IJZ gaat het om 55 uitkomsten van onderzoek. Het aantal opgelegde bevelen door IGZ in 2013 was 36, het aantal lasten onder dwangsom door IGZ was 51 en het aantal bestuurlijke boetes opgelegd door IGZ was 18.

X Noot
6

Kamerstukken II 2009/10, 26 9911, nr. 276.

X Noot
7

Kamerstukken II 2014/15, 26 991, nr. 463.

X Noot
8

Kamerstukken II 2010/11, 26 991, nr. 314.

X Noot
9

De app waarin de informatie over de lunchrooms te zien was is sinds de start van het project in juli 2014 tot nu toe 85.000 keer gedownload. De website van de NVWA over de Horeca inspectiekaart is tot nu toe 70.000 keer geraadpleegd.

X Noot
10

Artikel 8, eerste lid, van de Wob bepaalt slechts: «Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, verschaft uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.»

X Noot
11

Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 20, p. 28.

X Noot
12

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2012, AB 2012/129, m.nt. J.A.E. van de Jagt-Jobsen.

X Noot
13

Rb. Rotterdam 24 april 2008, JOR 2008, 185, m.nt. Van der Plas en 10 oktober 2006, JOR 2007, 15, m.nt. Frielink, Hof van Amsterdam, 9 feb. 2006, JOR 2006, 104 en Rb. Rotterdam 27 feb. 2006, JOR 2006, 105, Rechtbank Noord-Holland 22 augustus 2013, zaaknr. ALK 13/1193. Meest recente uitspraak: Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2014, zaaknr. UTR 14/7063 m.nt. prof. Mr. J. Legemaate (Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2015 (39) 3, blz. 181–188).

X Noot
15

Artikel 44a, vijfde lid, van het wetsvoorstel.

X Noot
16

Volgens de Wet op het financieel toezicht geldt een termijn van vijf werkdagen. Voor de openbaarmaking door Autoriteit Consument en Markt wordt een termijn van tien werkdagen gehanteerd. In het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies geldt een met het onderhavige wetsvoorstel vergelijkbare termijn van tien werkdagen.

X Noot
17

Kamerstukken II 2013/15, 33 835, nr. 1.

X Noot
18

Kamerstukken II 2014/15, 26 991, nr. 463.

X Noot
19

Verordening (EG) nr. 2009/16/EG van het Europees parlement en de Raad van 14 december 2005 betreffende de vaststelling van een communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen waaraan een exploitatieverbod binnen de Gemeenschap is opgelegd en het informeren van luchtreizigers over de identiteit van de exploiterende luchtvaartmaatschappij, en tot intrekking van artikel 9 van richtlijn 2004/36/EG (PbEU L 344).

X Noot
20

Richtlijn 2009/16/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PbEU L 131).

X Noot
21

Hierbij wordt wel aangetekend dat bij acute situaties kortere reactietermijnen dan normaal aan de orde kunnen zijn vanwege risico’s voor de patiëntveiligheid.

X Noot
22

Artikel 51, tweede lid, Wet bescherming persoonsgegevens bepaalt het volgende: «Het College wordt om advies gevraagd over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur die geheel of voor een belangrijk deel betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens.»

X Noot
23

Kamerstukken II 2013/14, 33 835, nr. 1.