Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534047 nr. 3

34 047 Wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De aanleiding voor dit wetsvoorstel is de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: de KBvG) door de commissie onder leiding van de toenmalige president van de rechtbank te Almelo, mr. A.R. van der Winkel (hierna: de commissie).

Deze commissie had tot taak de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de KBvG te beoordelen en te adviseren over de positie die de KBvG, gelet op het waarborgen van een goede en onafhankelijke ambtsbediening, behoort in te nemen. Verder is de commissie gevraagd te bezien of het wenselijk is tot wijzigingen van de Gerechtsdeurwaarderswet ofwel haar toepassing te komen. Bij brief van 24 maart 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie het rapport van de commissie, «Noblesse Oblige», aan de Tweede Kamer gezonden.1

Over het rapport dat door de commissie is uitbracht heeft het kabinet in november 2009 een standpunt ingenomen.2 Hierin wordt een reactie gegeven op de hoofdlijnen van het advies en wordt in een bijlage meer in detail ingegaan op de aanbevelingen die door de commissie zijn gedaan.

Dit wetsvoorstel strekt in hoofdzaak tot uitwerking van dat kabinetsstandpunt en van een groot deel van de aanbevelingen van de commissie, met enkele aanvullingen. Zo is bij brief van de toenmalige Minister van Justitie over het toezicht op juridische beroepen (advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders), van 5 maart 2010, aangegeven dat een integrale benadering van toezicht op gerechtsdeurwaarders is aangewezen en dat het niet-financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders, net als het financieel toezicht, moet worden opgedragen aan een externe toezichthouder.3 Daarnaast hebben zich enkele andere ontwikkelingen in het tuchtrecht voor de juridische beroepen voorgedaan, welke zijn meegenomen in dit voorstel om een zo groot mogelijke eenheid hierbinnen te bewaren. Bovendien heeft de discussie die speelt rond de onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarders aanleiding gegeven om hiervoor enkele nadere wettelijke waarborgen op te nemen. Dit heeft geleid tot een wijziging van artikel 3 van de Gerechtsdeurwaarderswet en een nieuw artikel 12a, waarin de onafhankelijkheid als eis wordt verankerd.

De belangrijkste elementen in de regeling van het ambt van de gerechtsdeurwaarder die, gezien het advies van de commissie, wijziging of versterking van het wettelijk kader vragen, zijn: de omvang en de verantwoordelijkheden van het beroep van gerechtsdeurwaarder, een nadere uitwerking en versterking van het toezicht en tuchtrecht en een aantal aanpassingen in de wet die van belang zijn voor het goed functioneren van de KBvG als publiekrechtelijke beroepsorganisatie. Hoewel de voornaamste taak van de commissie was gelegen in het beoordelen van de KBvG in haar rol als publiekrechtelijke beroepsorganisatie, is daarbij vooral duidelijk geworden dat dat functioneren niet los kan worden gezien van het grote – rechtsstatelijke – belang van een goede uitoefening van het ambt door de gerechtsdeurwaarder. Dit ambt brengt bepaalde verantwoordelijkheden en privileges met zich. Met de taakuitoefening door gerechtsdeurwaarders worden ook algemene belangen gediend. Daarom is het essentieel dat het niveau van vakbekwaamheid, een onafhankelijke positie ten opzichte van klanten en de opleiding tot het beroep van gerechtsdeurwaarder goed zijn geborgd. Dit wetsvoorstel bevat zodoende een aantal voorstellen om de integriteit en kwaliteit van gerechtsdeurwaarders te bevorderen.

In het advies van de commissie over het functioneren van de KBvG en diens positie zijn een aantal aandachtspunten naar voren gebracht die tot aanpassing van hoofdstuk VI van de Gerechtsdeurwaarderswet aanleiding geven. Daarbij is tevens rekening gehouden met ontwikkelingen ten gevolge van de wijziging van de gerechtelijke kaart per 1 januari 2013.

2. De toegang tot de ambtsuitoefening

In de reactie op het rapport van de commissie heeft het kabinet aangegeven dat het niet gewenst is dat er onduidelijkheid bestaat over tot het onderscheid tussen de gerechtsdeurwaarder die ondernemer is, degene die in loondienst bij een gerechtsdeurwaarderskantoor werkzaam is, en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder die in opleiding is. De gerechtsdeurwaarder wordt benoemd als openbaar ambtenaar en oefent in die functie openbaar gezag uit. Dit mag niet gehinderd of oneigenlijk beïnvloed worden door de feitelijke, financieel juridische, positie van waaruit hij zijn ambtshandelingen verricht. Met het voorliggende wetvoorstel wordt beoogd eventuele onduidelijkheden op dit punt zo veel mogelijk weg te nemen.

Ook is bezien of door aanpassing van de regelgeving de ongewenste ontwikkeling van de zogenaamde freelancers en de gebrekkige controle op hun functioneren een halt kan worden toegeroepen. Dit heeft specifiek geleid tot een wettelijk vastgelegd maximum van twee gerechtsdeurwaarders aan wie men kan worden toegevoegd. Daarmee is een verduidelijking beoogd. Door de tuchtrechter is reeds bepaald dat het verrichten van ambtshandelingen op freelance basis door de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar handelen oplevert.4

Het ambt van de gerechtsdeurwaarder heeft een lange geschiedenis en de inrichting van het wettelijk systeem voor de ambtstuitoefening door gerechtsdeurwaarders heeft een bepaalde achtergrond. Zoals ook al tijdens de behandeling van het wetvoorstel dat heeft geleid tot de huidige Gerechtsdeurwaarderswet, is opgemerkt: de gerechtsdeurwaarder oefent zijn beroep uit op het snijvlak van ambt en ondernemerschap.5 Dat ondernemerschap is ook door de wetgever omarmd, omdat het concurrentie in de uitoefening van het beroep bevordert en zo bijdraagt aan de algehele kwaliteit van de beroepsgroep, maar het mag niet nadelig werken ten aanzien van de uitoefening van het ambt. De commissie heeft in haar rapport nadrukkelijk de aandacht gevraagd voor de spanning tussen de concurrentie in de gerechtsdeurwaarderij en het openbare karakter van het ambt. Een zekere correctie daarin is gewenst. Deze spanning heeft zich in de afgelopen jaren ook voorgedaan binnen het notariaat, zodat voor bepaalde oplossingen bij de regeling voor dit beroep kan worden aangesloten. Er zijn echter ook zelfstandige factoren en ontwikkelingen die meewegen.

Het gerechtsdeurwaardersambt heeft zich in de vorige eeuw geleidelijk ontwikkeld in de richting van het vrije beroep. Het uitgangspunt is dat wanneer de concurrentie goed wordt vormgegeven, de gerechtsdeurwaarders geprikkeld worden tot verbetering van productiviteit en kwaliteit. Daarbij moet echter steeds worden gelet op het bewaken van de waarborgen die horen bij de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden. In dat kader is het in bijzonder van belang dat de gerechtsdeurwaarders ten behoeve van de handhaving van het burgerlijk recht dwang kunnen inzetten jegens burgers, zoals bij beslag en ontruiming. De inzet van dergelijke bevoegdheden was lange tijd regionaal beperkt.6 Het ambt was gebonden aan een bepaalde standplaats en de gerechtsdeurwaarder was alleen in zijn eigen arrondissement bevoegd. Deze systematiek werd in 1999 verlaten, waarbij echter wel de garantie voor de positie van de gerechtsdeurwaarder werd gezocht in een andere vorm van regulering van de instroom van nieuwe gerechtsdeurwaarders. Nieuwe kandidaten voor een benoeming in het ambt zouden zich alleen kunnen vestigen in plaatsen waar vooruitzicht bestaat op een economisch renderend kantoor.7 Hiertoe is in de artikelen 5 en 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet geregeld dat voor benoeming een getoetst ondernemingsplan een voorwaarde is. Dit veronderstelt dat een in het ambt van gerechtsdeurwaarder benoemd persoon zelfstandig ondernemer is en vanuit die zelfstandigheid zijn onafhankelijke ambtsuitoefening kan waarborgen. In paragraaf 5 van deze toelichting wordt hierop nader ingegaan.

Het is van belang dat goed is vastgelegd welke verantwoordelijkheden horen en passen bij de door de Kroon benoemde gerechtsdeurwaarder, bij degene die in loondienst bij een gerechtsdeurwaarderskantoor werkzaam is, en bij degene die nog in opleiding is. De wettelijke regeling van de toegang tot de ambtsuitoefening wordt in dit voorstel op een aantal punten anders vorm gegeven dan tot nu toe het geval is. Hierbij is zo veel mogelijk is aangesloten bij de bestaande praktijk, maar tevens onderkend dat er helder zicht moet zijn op de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van degenen aan wie de bevoegdheid tot het verrichten van ambtshandelingen wordt gegeven. Bij de taakuitoefening door de gerechtsdeurwaarder is mede een publiek belang gediend. Over de ambtsuitoefening moet dan ook de grootst mogelijke duidelijkheid bestaan. Binnen gerechtsdeurwaarderskantoren wordt al lange tijd gewerkt met de juridische figuur van de toevoeging van een werknemer aan de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar. Voor een toevoeging is toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie nodig. Volgens de huidige systematiek wordt een kandidaat-gerechtsdeurwaarder in ieder geval tijdens zijn wettelijk verplichte stage aan een gerechtsdeurwaarder toegevoegd. Dit sluit aan bij de oorspronkelijke opzet van de regeling van het ambt van gerechtsdeurwaarder die ook geldt voor andere beroepen waarbij het beroep, ambt, in de praktijk wordt geleerd onder verantwoordelijkheid van een ervaren beroepsbeoefenaar. In de memorie van toelichting bij de Gerechtsdeurwaarderswet staat dat het instituut van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werd ingesteld als vorm van opleidingsstage voor nieuwe deurwaarders, maar zich uiteindelijk heeft ontwikkeld tot een mogelijkheid voor gerechtsdeurwaarders om zich gedeeltelijk te ontlasten van hun ambtelijke werkzaamheden. Het wetsvoorstel beoogde toen die in de praktijk ontstane ontwikkeling te bevestigen.8 Daarmee is echter ruimte gegeven voor ontwikkelingen die, zo bleek tijdens de evaluatie door de commissie, als minder wenselijk worden beschouwd. Omdat de toevoeging niet meer uitsluitend geldt als een gelegenheid tot vorming in de praktijk en sommige toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders helemaal geen benoeming tot gerechtsdeurwaarder ambiëren, sluiten de praktijk en de gewenste effecten van de wettelijke regeling niet meer helemaal aan. Hoewel de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder wel tot alle ambtshandelingen bevoegd is en ook onder het tuchtrecht valt, is hij geen gerechtsdeurwaarder. Hij is ook geen openbaar ambtenaar en kan dus ook niet «uit het ambt worden gezet». De toevoeging kan wel worden ingetrokken. In de praktijk blijven toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders ook als zij hun beroepsstage hebben doorlopen, nog lang werkzaam bij een kantoor terwijl zij aan een gerechtsdeurwaarder zijn toegevoegd. In hun titulatuur onderscheiden zij zich niet van kandidaten die nog maar net begonnen zijn. De ruimte die de huidige regeling laat, heeft er toe geleid dat soms toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders zonder dienstbetrekking aan verschillende gerechtsdeurwaarders zijn toegevoegd (de zogenaamde freelancers). Ook is thans het moment van de afronding van de beroepsopleiding onvoldoende gemarkeerd. De term kandidaat-gerechtsdeurwaarder suggereert op zijn minst dat iemand nog niet volledig beroepsbekwaam is. Deze titel blijft ook gelden voor mensen die al jaren in de deurwaarderspraktijk werkzaam zijn. Bovendien is het door de huidige formulering van artikel 25 niet verboden om je kandidaat-gerechtsdeurwaarder te noemen zonder aan een gerechtsdeurwaarder toegevoegd te zijn en zelfs deze titel te gebruiken, nadat je uit het ambt van gerechtsdeurwaarder bent ontslagen.

Om wet en praktijk beter met elkaar in overeenstemming te brengen en een einde te maken aan verschillende onwenselijke situaties en mogelijkheden, wordt de opzet van paragraaf 2 van hoofdstuk III van de Gerechtsdeurwaarderswet gewijzigd. Er komen twee duidelijk verschillende figuren: de kandidaat-gerechtsdeurwaarder die in het kader van zijn beroepsstage aan een gerechtsdeurwaarder wordt toegevoegd, en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De eerste is nog in opleiding, de tweede is in principe, na een jaar stage, voldoende vakbekwaam, maar heeft (nog) niet de ambitie om tot gerechtsdeurwaarder benoemd te worden met de eisen van het ondernemerschap die daar bij komen en kiest er voor zijn werkzaamheden te verrichten onder verantwoordelijkheid van en binnen de onderneming van een – benoemde – gerechtsdeurwaarder. De voorwaarden die daar bij gelden worden verduidelijkt. Zo wordt het aantal gerechtsdeurwaarders aan wie iemand toegevoegd mag worden als toegevoegd gerechtsdeurwaarder, beperkt tot twee. Tegelijkertijd blijft de mogelijkheid bestaan om de kwaliteit van de dienstverlening van gerechtsdeurwaarderskantoren te behouden door de ambtelijke capaciteit van een gerechtsdeurwaarder te vergroten door de inzet van toegevoegd gerechtsdeurwaarders. Omdat hiervoor wel een vergaande verantwoordelijkheid geldt is het maximum aantal toegevoegd gerechtsdeurwaarders dat aan één gerechtsdeurwaarder mag worden toegevoegd gesteld op drie. Om een duidelijker onderscheid te maken tussen de kandidaat-gerechtsdeurwaarder, die nog in opleiding is, en de (officieel) nieuwe figuur van de toegevoegd gerechtsdeurwaarder moet de bevoegdheid voor de gerechtsdeurwaarder om toe te voegen verder worden geclausuleerd. Het voldoen aan de basisopleidingsvereiste (van kandidaat-gerechtsdeurwaarder) is niet meer voldoende. Voor toevoeging na de opleidingsstage komt iemand in aanmerking als hij voldoet aan alle eisen die ook gelden voor benoembaarheid met uitzondering van de eis van het ondernemingsplan. Tuchtrechtelijke antecedenten dienen te worden meegenomen en de gerechtsdeurwaarder die een ander wil toevoegen moet zich ervan vergewissen dat de vakkennis van de betreffende kandidaat voldoende actueel en op peil is.

Ter bevestiging van hun positie en verdere verduidelijking zullen deze beroepsbeoefenaren voortaan (dus na afronding van de ervaringsstage) toegevoegd gerechtsdeurwaarder worden genoemd. In de nieuwe opzet van de regeling van de verschillende modaliteiten waarin aan de gerechtsdeurwaarder voorbehouden ambtshandelingen mogen worden verricht, is de aanduiding kandidaat-gerechtsdeurwaarder bestemd voor degene die stage loopt en feitelijk werkzaam is bij, en onder verantwoordelijkheid van, een gerechtsdeurwaarder. Er komen dus behalve de gerechtsdeurwaarder drie mogelijke hoedanigheden waarin ambtshandelingen kunnen worden verricht: de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder, die in de voorgestelde vorm zich van elkaar onderscheiden in hun werkervaring, en de reeds bestaande waarnemend gerechtsdeurwaarder.

3. Wijzigingen met betrekking tot toezicht en tuchtrechtspraak

Momenteel is in de Gerechtsdeurwaarderswet alleen voorzien in toezicht op naleving van enkele financiële voorschriften en ontbreekt een regeling van niet-financieel toezicht. In het kabinetsstandpunt inzake het rapport van de commissie is al aangegeven dat dit onwenselijk is. Gerechtsdeurwaarders zijn in belangrijke mate belast met het verrichten van publieke taken en dat maakt dat hun positie in dit opzicht niet wezenlijk verschilt van die van notarissen. Ook hier geldt dat een publiek ambt wordt bekleed door iemand die professioneel dienstverlener is en die opereert op een markt. Deze dubbele positie kan onder druk van marktwerking tot «uitglijders» leiden. Om die zoveel mogelijk te voorkomen is een samenstel van maatregelen nodig, gericht op de bevordering van de eisen die aan een openbaar ambtenaar mogen en moeten worden gesteld. Het toezicht moet stevig en eenduidig zijn.9

Voor een wettelijke regeling van een integraal toezicht is zodoende aangesloten bij de wijze waarop dit is geregeld voor het notariaat. Ten aanzien van het toezicht wordt voorgesteld om integraal toezicht in te voeren dat preventief van aard is, dat ook op de integriteit van de gerechtsdeurwaarder ziet en dat wordt uitgevoerd door een onafhankelijke toezichthouder. Deze taak wordt opgedragen aan het Bureau financieel toezicht (hierna: het Bureau), dat nu al belast is met het financieel toezicht op de gerechtsdeurwaarders en op grond van de Wet op het notarisambt eveneens belast is met het integraal toezicht op het notariaat.

Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen mag een zelfstandig bestuursorgaan alleen met een andere taak, inhoudende de uitoefening van openbaar gezag, dan die waarvoor het zelfstandig bestuursorgaan werd ingesteld, worden belast, indien er behoefte is aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid, er sprake is van strikt regelgebonden uitvoering in een groot aantal individuele gevallen, of indien participatie van maatschappelijke organisaties in verband met de aard van de betrokken bestuurstaak bijzonder aangewezen moet worden geacht.

Het Bureau komt voort uit het in 1933 ingestelde Centraal Bureau van Bijstand, dat was ingesteld om toezicht te houden op de boekhouding van notarissen en aan hen ondersteuning te bieden op dat terrein. Het Centraal Bureau van Bijstand bestond uit een door de Minister van Justitie benoemde voorzitter en ten minste twee deskundigen. Het Bureau voerde onderzoeken uit ten aanzien van de boekhoudingen van notarissen, in opdracht van de toenmalige Kamers van Toezicht. In 1999, bij de inwerkingtreding van de Wet op het notarisambt (Wna), is het Bureau in de Wna opgenomen als zelfstandig bestuursorgaan en belast met het toezicht op de naleving door notarissen van een aantal financiële voorschriften alsmede enkele andere in de wet gespecificeerde taken. De taak van het Bureau werd in 2001 uitgebreid met een soortgelijk toezicht op de gerechtsdeurwaarders. In 2003 werd het Bureau aangewezen als toezichthouder op de naleving door de vrije beroepsbeoefenaren van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Daarmee draagt Bureau bij aan rechtszekerheid, beschermen van de collectieve financiële belangen van de gebruikers van de diensten van die beroepsbeoefenaars en de integriteit van het financiële stelsel.

Bij de wijziging van de Wet op het notarisambt die inwerking trad op 1 januari 2013, is de toezichtstaak van het Bureau voor het notariaat uitgebreid. Het Bureau is sindsdien integraal toezichthouder voor het notariaat en ziet niet alleen toe op de financiën, maar ook op de kwaliteit en integriteit van deze beroepsgroep. Bij de wetswijziging die een jaar eerder in werking trad is bepaald dat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op het Bureau van toepassing is. Het Bureau heeft rechtspersoonlijkheid (art 110, eerste lid, Wna). De reden daarvoor is gelegen in de wenselijkheid dat het Bureau een van de Staat afgescheiden vermogen bezit. Dit mede met het oog op aansprakelijkheid voortvloeiend uit de wettelijke taken van het Bureau.

Ter uitvoering van het standpunt dat een integrale benadering van toezicht op gerechtsdeurwaarders is aangewezen en dat het niet-financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders, net als het financieel toezicht, moet worden opgedragen aan een externe toezichthouder10, waarbij behoefte is aan een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid, is in dit wetsvoorstel besloten deze taak op te dragen aan het Bureau. Daarbij is overwogen dat het toezicht niet door de Minister zelf moet worden uitgevoerd vanwege de aard van de ambtsuitoefening van gerechtsdeurwaarders. Gerechtsdeurwaarders zijn weliswaar openbaar ambtenaar, maar hun ambtsuitoefening biedt toegang tot, en is het sluitstuk van, het merendeel van de gerechtelijke procedures. Het past niet dat de Minister van Veiligheid en Justitie bijvoorbeeld moet oordelen over de werkzaamheden die bij de executie van een vonnis worden uitgevoerd. Hierin is een onafhankelijke oordeelsvorming, zoals ook toegelicht in de brief van 13 mei 2014 van de Minister voor Wonen en Rijksdienst11aangewezen. De taakuitbreiding van het Bureau, zoals voorzien in dit wetsvoorstel voldoet zodoende aan de daaraan te stellen voorwaarden. De taakuitbreiding levert overigens geen belemmeringen op om een mogelijke clustering met andere onderdelen van de rijksoverheid te onderzoeken.12Op grond van artikel 6 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt deze wet medeondertekend door Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst.

Door de voorgestelde wijziging wordt de toezichtstaak van het Bureau uitgebreid tot algemeen toezicht op de naleving van de gehele wet en de op de wet gebaseerde lagere regelgeving, inclusief het toezicht op de integriteit van de gerechtsdeurwaarders en de anderen die toegang hebben tot de ambtsuitoefening. Het weigeren van de medewerking door gerechtsdeurwaarders c.s. aan het toezicht door het Bureau is een tuchtrechtelijk vergrijp. De taakuitbreiding van het Bureau in het voorliggende wetsvoorstel tot heeft geen gevolgen voor de reikwijdte van het tuchtrecht. Toezicht is het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren.13 Tuchtrecht is een middel om handhavend op te treden als blijkt dat sprake is van normovertredingen. Tuchtrecht kan een uitvloeisel zijn van toezicht, wanneer naar aanleiding van het toezicht een tuchtklacht wordt ingediend, maar is naar zijn aard geen toezicht. Het Bureau kan bij de uitoefening van zijn toezichtstaak tot de conclusie komen dat het handelen of nalaten van een gerechtsdeurwaarder klachtwaardig moet worden geacht. Op grond hiervan kan hij dan een klacht bij de tuchtrechter indienen. Op dat moment is geen sprake meer van toezicht maar van handhaving. Het feit dat in het wetsvoorstel is opgenomen dat het Bureau geen bestuurlijke boete oplegt als tegen de overtreder vanwege eenzelfde gedraging reeds een klacht bij de tuchtrechter is ingediend onderstreept de positie van de tuchtrechter. De bevoegdheid van de tuchtrechter om hierover te oordelen moet volledig behouden blijven.

Het voorziene toezicht op de naleving van voorschriften bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet door het Bureau, doet overigens geen afbreuk aan de algemene taak van de KBvG tot de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden. Het past bij de positie van de KBvG als publiekrechtelijke beroepsorganisatie dat zij zelf verantwoordelijk is voor het handhaven van de kwaliteit van de dienstverlening van de beroepsgroep. Professionele integriteit is van het grootste belang. Hiertoe kan de KBvG bij verordening regels stellen die bindend zijn voor de leden en wordt bijvoorbeeld ook met dit wetsvoorstel voorgesteld het laten verrichten van kwaliteitstoetsen door de KBvG in de wet te borgen. Het verdient wel aanbeveling om de inhoudelijke opzet van de kwaliteitstoetsen af te stemmen met de onderzoeksactiviteiten van het Bureau. In dat kader valt te wijzen op de afspraken tot samenwerking die het Bureau heeft gemaakt met de Koninklijke notariële beroepsorganisatie.14

In de bepalingen over de tuchtrechtspraak zijn een aantal wijzigingen aangebracht. Deels op verzoek van de kamer voor gerechtsdeurwaarders en het gerechtshof Amsterdam, deels teneinde de gelijkvormigheid met het tuchtrecht voor de andere juridische beroepen, en dan met name het notariaat, zo groot mogelijk te houden.

4. Uitgebrachte adviezen

Algemeen

Een ontwerp van dit wetsvoorstel is voorgelegd aan de KBvG, het Bureau, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), het College bescherming persoonsgegevens (CBP), de Nationale ombudsman, de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB)15.

Ook is het voorstel in de internetconsultatie geplaatst. Hierop is een behoorlijk aantal reacties binnengekomen, waarvan een deel hieronder afzonderlijk zal worden besproken. Dit betreffen met name de reacties van de Hogeschool Utrecht, DAS Legal Finance BV, de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden, de Nederlandse Vereniging van Gecertificeerde Incasso-ondernemingen en de gelijkluidende reacties van verschillende gerechtsdeurwaarders die in de praktijk als freelancer werken.

De ACM en de NOvA hebben aangegeven geen gebruik te willen maken van de consultatiemogelijkheid.

Het Bureau adviseert om in de Gerechtsdeurwaarderswet normatieve definities op te nemen voor de begrippen kantoor en organisatie. Dit advies is gegrond op de ervaringen van het Bureau uit de praktijk van het toezicht. Daarbij blijkt dat gerechtsdeurwaarders vrijwel allemaal gebruik maken van een vennootschapsrechtelijke structuur van waaruit zij als ambtsdrager hun diensten aanbieden. Dit voorstel is niet overgenomen. De Gerechtsdeurwaarderwet normeert in zijn opzet de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar en in de praktijk is het feit dat deze ambtenaar als ondernemer in verschillende (rechts)vormen zijn kantoor uitoefent en met andere gerechtsdeurwaarders samenwerkt voldoende duidelijk. Ook in het tuchtrecht werkt het feit dat de gerechtsdeurwaarder normadressant is, afdoende.

Het Bureau geeft in zijn consultatiereactie tevens aan dat de rol van de waarnemend gerechtsdeurwaarder bij de voorgestelde wijziging van artikel 18 inzake de administratieverplichting niet goed is meegenomen. Die opmerking is terecht en besloten is dat het beter is het betreffende artikel ongewijzigd te laten. Artikel O uit het oorspronkelijke voorstel is komen te vervallen.

Inzake de ambtshandelingen

Door de KBvG is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel de aandacht gevraagd voor het opnemen van een aantal andere handelingen in artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Zo is aandacht gevraagd voor het feit dat het opmaken van een schriftelijke verklaring betreffende door de gerechtsdeurwaarder persoonlijk waargenomen feiten van stoffelijke aard (proces-verbaal van constatering) in veel omringende landen (o.a. Frankrijk en België) een ambtshandeling is, waardoor dit proces-verbaal het karakter van een authentieke akte heeft en

derhalve dwingende bewijskracht. De KBvG heeft opgemerkt dat gezien de nadruk in het huidige procesrecht op substantiëring en bewijsmiddelen deze figuur een waardevolle bijdrage kan leveren aan de waarheidsvinding. De KBvG bepleit derhalve om dit proces-verbaal van constatering niet langer als een «vrije» toegelaten nevenwerkzaamheid op grond van artikel 20 Gerechtsdeurwaarderswet op te nemen, maar als een ambtshandeling op grond van artikel 2 Gerechtsdeurwaarderswet.

Eenzelfde opmerking is gemaakt over exploten op de voet van artikel 3:37 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Ook de NVvR heeft voorgesteld om het proces-verbaal van waarneming (constatering) op te nemen als ambtshandeling in artikel 2 van de wet.

Uitgangspunt is geweest om alleen bij gebleken absolute noodzaak over te gaan tot het opnemen van nieuwe ambtshandelingen in artikel 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet, omdat hiermee deze handeling voor anderen dan gerechtsdeurwaarders in principe wordt uitgesloten dan wel hun inzet in ieder geval minder vanzelfsprekend wordt gemaakt. Het domeinmonopolie voor gerechtsdeurwaarders wordt dan vergroot.

Een proces-verbaal van constatering is een vaststelling van feiten op grond van eigen waarneming en wordt gebruikt om als bewijs te dienen in civiele zaken. In de praktijk komt het geregeld voor dat een dergelijk proces-verbaal door een gerechtsdeurwaarder wordt opgesteld. Er zijn echter ook anderen die bewijsstukken opmaken voor juridische procedures. Te denken valt aan notarissen, schade-experts, accountants en andere deskundigen. Op het moment is onvoldoende uitgewerkt dat er de noodzaak bestaat om deze taak uitdrukkelijk aan gerechtsdeurwaarders op te dragen. Bovendien moet daarvóór worden vastgesteld dat er in het procesrecht behoefte is aan een aanvullend middel met speciale bewijskracht. Dit vergt een bredere overweging dan in het kader van deze wetswijziging kan worden gedaan.

Ook voor exploten op voet van artikel 3:37 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is een nadere wettelijke regeling niet nodig. Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die bepaling niet anders volgt, ook bij exploot geschieden.

Een gerechtsdeurwaarder kan dergelijke handelingen als een andere werkzaamheid als bedoeld in artikel 20 Gerechtsdeurwaarderswet verrichten. Op voorhand is er immers geen reden om te concluderen dat gerechtsdeurwaarders door het verrichten hiervan de goede en onafhankelijke vervulling van het deurwaardersambt of het aanzien daarvan schaden of belemmeren. De noodzaak om te bepalen dat dit voortaan een ambtshandeling is staat niet vast.

Inzake klacht- en tuchtrecht

In het consultatievoorstel was bepaald dat hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna ook: Awb) niet van toepassing is op de gerechtsdeurwaarder in de uitoefening van zijn wettelijke taken. Hierdoor zou het recht voor een burger om op grond van artikel 9:1 Awb bij de gerechtsdeurwaarder als bestuursorgaan een klacht in te dienen over de wijze waarop deze zich jegens hem, of een ander, heeft gedragen en tevens het klachtrecht over gerechtsdeurwaarders bij de Nationale ombudsman op grond van artikel 9:18 Awb komen te vervallen. In 2012 is in de Wet op het notarisambt de bevoegdheid van de Nationale ombudsman ten aanzien van klachten over notarissen opgeheven.

Bij de behandeling van de Gerechtsdeurwaarderswet is eerder al eens ter sprake gekomen dat de bevoegdheid van de Nationale ombudsman als gevolg van het feit dat gerechtsdeurwaarders voor hun ambtshandelingen op grond van de Algemene wet bestuursrecht bestuursorgaan zijn, tot een samenloop van klachtmogelijkheden leidt.16 Deze mogelijke samenloop wordt door de instelling van een klachtencommissie, zoals in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen, vergroot.

De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van het consultatievoorstel aangegeven dat het instellen van een algemene klachten- en geschillenregeling voor gerechtsdeurwaarders, waaronder de instelling van een geschillencommissie, zoals voorgesteld, niet tot de conclusie zou moeten leiden dat daarmee de huidige bevoegdheden van de ombudsman geen functie meer zouden hebben. De ombudsman stelt daarbij dat zijn bureau doorgaans via een niet-formele interventie voor burgers bij klachten over het optreden van gerechtsdeurwaarders een concrete en snelle oplossing weet te bereiken. Dat dit optreden voor schuldenaren een toegevoegde waarde kan hebben, wordt onderschreven in de reactie voorstel van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) op het consultatie. Ook zij stelt dat de meeste klachten over gerechtsdeurwaarders bij de Nationale ombudsman niet leiden tot rapporten, maar tot interventies. Positief punt is dat dit dergelijk optreden in voorkomende gevallen direct leidt tot een oplossing.

Daarnaast geeft de Nationale ombudsman aan dat hij het tot zijn taak rekent om structurele knelpunten te signaleren en aanbevelingen te doen en dat hij in 2012 en 2013 een toenemend aantal klachten over gerechtsdeurwaarders heeft ontvangen waarbij uit dossieronderzoek is gebleken dat het merendeel van die klachten ging over de (hoogte van de) beslagvrije voet.17

Het in de consultatieversie gedane voorstel tot het schrappen van de mogelijkheid om over gerechtsdeurwaarders een klacht bij de Nationale ombudsman te kunnen indienen, is vooral gedaan om verwarring bij de burger over het gebruik van verschillende klachtmogelijkheden zo veel mogelijk te voorkomen. Er gelden thans twee mogelijkheden om bij een instantie over ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarder te klagen: bij de tuchtrechter en bij de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman is niet bevoegd in zaken waarin geen ambtshandelingen worden verricht, omdat de gerechtsdeurwaarder op dat moment geen bestuursorgaan is. Bij de tuchtrechter en in de toekomst bij de beoogde geschillencommissie geldt dit onderscheid niet. Vanuit de Gerechtsdeurwaarderswet is de gerechtsdeurwaarder voor al zijn – beroepsmatig – optreden tuchtrechtelijk aan te spreken.

De tuchtrechter en de geschillencommissie zijn dus niet in hun bevoegdheid tot een bepaald soort handelen beperkt. De Nationale ombudsman is dat wel. Tijdens de parlementaire behandeling van de Gerechtsdeurwaarderswet is reeds gesteld dat de samenloop tussen tuchtrecht en klachtrecht bij de Nationale ombudsman «niet de schoonheidsprijs verdient».18 Bij behoud van de bevoegdheid voor de Nationale ombudsman heeft de burger in de toekomst drie mogelijkheden om te klagen over het handelen van een gerechtsdeurwaarder bij de uitvoering van zijn ambtelijke taken. Deze samenloop gold ook voor het notariaat, waar door de wetgever is besloten dat de mogelijkheid om over notarissen bij de Nationale ombudsman te klagen moest komen te vervallen. De KBvG pleit in zijn reactie op het wetsvoorstel langs de hierboven geformuleerde lijn voor het laten vervallen van de klachtmogelijkheid bij de Nationale ombudsman. Volgens de KBVG past het klachtrecht voor de burger bij de Nationale ombudsman ook niet goed bij de rol de van de gerechtsdeurwaarder in het rechtsbestel, omdat de gerechtsdeurwaarder geen discretionaire bevoegdheid toekomt ten aanzien van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.

De KBvG hecht aan de instelling van een geschillencommissie, omdat hiermee ook de tuchtrechtrechter in de toekomst kan worden ontlast. Op verzoek van de Raad voor de rechtspraak is, in aansluiting op de regeling hiervoor in de Wet op het notarisambt, in het wetsvoorstel opgenomen dat de tuchtrechter een zaak die zich naar zijn mening daarvoor leent en daar nog niet behandeld is, kan doorgeleiden naar de geschillencommissie. Het belang van de inrichting van een geschillencommissie voor gerechtsdeurwaarders heeft daarmee aan zwaarte gewonnen.

Uiteindelijk is echter de conclusie dat het risico van verwarring bij de burger over waar hij met zijn klacht terecht kan, niet opweegt tegen het verlies van de mogelijkheid van een snelle oplossing in situaties die zeer nijpend kunnen zijn. De Nationale ombudsman voldoet op dit moment aan een groeiende behoefte bij burgers die vanwege financiële problemen klem komen te zitten en gebaad zijn bij praktische hulp. Uit de consultatiereacties blijkt in overwegende mate dat de Nationale ombudsman bij klachten over gerechtsdeurwaarders voor burgers een rol kan vervullen die in individuele gevallen tot een concrete oplossing leidt. Het bureau van de Nationale ombudsman heeft hier ook gekwalificeerde medewerkers voor aangenomen. Dit geeft een waardevolle aanvullingen op de overige klachtmogelijkheden.

Essentieel in dit kader ten opzichte van het notariaat is bovendien dat de klachten over gerechtsdeurwaarders doorgaans niet afkomstig zijn van hun opdrachtgevers, maar van degenen tegen wie de overheidsmacht van de gerechtsdeurwaarder wordt ingezet. Voor de aard van de klachtbehandeling en de rol van de Nationale ombudsman hierbij maakt dat uiteindelijk verschil. De voorgestelde bepaling is, dit alles overwegende, uit het wetsvoorstel geschrapt.

Inzake de opleiding

De Hogeschool Utrecht (HBO Rechten) heeft in een reactie op het wetsvoorstel aangegeven dat zij van mening is dat aan het nieuwe wetsvoorstel nog steeds de opvatting ten grondslag ligt dat de in de wet genoemde opleiding een driejarige opleiding is, terwijl de huidige opleiding inmiddels, volgens de Hogeschool, een vierjarige opleiding – inclusief stagejaar – betreft. De Hogeschool Utrecht constateert een spanning tussen de huidige opleiding zoals zij die verzorgt en de regeling van de (voor)opleidingseisen voor gerechtsdeurwaarders in het consultatievoorstel. Zij vraagt hier aandacht voor en doet voorstellen tot verbetering van het wetsvoorstel op dit punt.

De uitleg die de Hogeschool aan de werking van de in het consultatievoorstel opgenomen artikelen 25 en verder van de Gerechtsdeurwaarderswet geeft en waardoor zij problemen ziet voor de huidige opleiding, strookt echter niet met de bedoeling van deze nieuwe artikelen. De voorgestelde opzet van de wettelijke regeling van de verplichte vooropleiding voor gerechtsdeurwaarders en de stageverplichtingen die daarbij én voor men benoemd kan worden gelden, sluit juist meer aan bij de huidige praktijk dan de nu geldende regeling feitelijk voorschrijft. De regering beoogt bovendien met de opzet van de nieuwe regeling een einde te maken aan het formele uitgangspunt in de huidige Gerechtsdeurwaarderswet dat men na het behalen van de verplichte vooropleiding reeds kandidaat-gerechtsdeurwaarder is. Dit levert namelijk de onwenselijke situatie op dat iemand een op een beroepstitel lijkende benaming mag voeren terwijl hij niet in de beroepspraktijk, met de daarvoor geldende gedrags- en beroepsregels, werkzaam hoeft te zijn. Op dit moment is het zo dat de Hogeschool Utrecht na drie jaar een verklaring (certificaat) afgeeft op grond waarvan aan de in de Gerechtsdeurwaarderswet genoemde opleidingsverplichting, met daaraan verbonden de «titel» van kandidaat-gerechtsdeurwaarder, zou zijn voldaan.

Ook onder de huidige Gerechtsdeurwaarderswet bedraagt de totale stagetijd vóór de benoeming twee jaar. Het voorstel van de Hogeschool Utrecht om in de wet op te nemen dat iemand na het behalen van zijn bachelor-diploma tot toegevoegd erechtsdeurwaarder kan worden benoemd miskent dat hiermee een jaar verplichte ervaring verloren gaat of althans niet meer duidelijk is hoe moet worden afgemeten dat er voldoende werkervaring is om benoemd te kunnen worden tot gerechtsdeurwaarder. Overigens worden, nu en in het voorstel, alleen de gerechtsdeurwaarders en de waarnemend gerechtsdeurwaarders als zodanig benoemd. Voor het overige worden de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder toegevoegd met toestemming van de Minister van Veiligheid en Justitie. De bedoeling is om dit onderscheid ook in de toekomst in stand te houden. Het Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan, zoals ook op grond van het commentaar van de Hogeschool moet worden geconstateerd, niet in zijn huidige opzet en met die naam blijven gelden en zal te zijner tijd worden aangepast aan het nieuwe wettelijk kader waarbij het uitgangspunt blijft dat de huidige praktijk rond de hbo-opleiding zoals die aan de Hogeschool Utrecht is ingericht wordt voortgezet.

Overige

In het advies van de KBvG en via de internetconsultatie wordt aandacht gevraagd voor de gevolgen van de voorgestelde wijziging van artikel 63 van de Gerechtsdeurwaarderswet welke wijziging leidt tot een tot vermindering van het aantal leden van de ledenraad. De KBvG wijst er op dat de belangstelling voor het bekleden van een positie in de ledenraad is gegroeid en is van mening dat een omvang van 15 leden te klein is voor een vertegenwoordigend orgaan van een openbaar lichaam met 950 leden. In de internetcconsultatie is de zorg geuit dat door de vermindering van het aantal beschikbare posten de ledenraad volledig zal worden gevuld met kandidaten die werkzaam zijn bij een groot kantoor. De gemeenschappelijke zorg die hieruit blijkt is de vraag of sprake is van een in voldoende mate gewaarborgde democratische legitimatie van het orgaan de ledenraad, indien het aantal leden hiervan wordt teruggebracht tot het voorgestelde aantal.

De regering meent dat het aantal van 15 vertegenwoordigers op een ledengroep van 950 zeker in verhouding is. Bedacht moet worden dat bij de instelling van de KBvG als publiekrechtelijke beroepsorganisatie rekening is gehouden met het feit dat de omvang de beroepsgroep met zich bracht dat de inrichting van de organisatie iets anders kon worden vormgegeven en met kleinere aantallen kon worden volstaan dan bij de KNB. Dit uitgangspunt geldt nog steeds. Weliswaar is bij het opstellen van het wetsvoorstel specifiek gekeken naar de noden van de beroepsgroep, hetgeen door de KBvG in zijn reactie op het consultatievoorstel positief wordt gewaardeerd, maar een zekere eenduidigheid in de inrichting van de verschillende juridische beroepsorganisaties is ook van belang. Bij de notarissen is het aantal leden van de ledenraad reeds sinds de inwerkingtreding van de nieuwe gerechtelijke kaart verminderd.

Vanwege de huidige opvattingen inzake het belang van een compacte overheid is de aanbeveling van de commissie om het aantal ledenraadsleden van de KBvG te verminderen, zodoende opnieuw gewogen. Daarbij is ook gekeken naar de aantallen die gelden voor andere gedecentraliseerde overheden als gemeentes en de waterschappen. Dat heeft geleid tot de conclusie dat het aantal van 15 ledenraadsleden (waarbij bedacht moet worden dat deze leden ook allemaal een plaatsvervanger hebben) voldoende wordt geacht. Het voorstel om het aantal leden van de ledenraad op dertig te houden, is zodoende niet overgenomen.

De KBvG heeft in zijn reactie op de wijzigingen inzake het klachtrecht van burgers bij de Nationale ombudsman gevraagd om ook anderszins de consequenties die voortkomen uit het feit dat de gerechtsdeurwaarder, voor zover hij ambtshandelingen verricht, een bestuursorgaan is, ongedaan te maken en dan met name voor wat betreft de gevolgen van de Wet openbaarheid bestuur. Dit voorstel voert te ver. Feitelijk vraagt de KBvG te bepalen dat de gerechtsdeurwaarder geen bestuursorgaan is, ondanks het feit dat hij openbaar gezag uitoefent. Bij de overwegingen ten aanzien van het klachtrecht bij de Nationale ombudsman is gekeken naar een voor de burger verwarrende stapeling van klachtmogelijkheden en daarbij in diens belang een keuze gemaakt. Voor zover de Wet openbaarheid bestuur tot onevenredige lasten voor gerechtsdeurwaarders leidt dient dit in een nader traject en vanuit dat kader in relatie met andere bestuursorganen bekeken te worden. Dergelijke overwegingen passen niet in dit wetsvoorstel.

5. De onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder

Algemeen

Zoals ook uit de ontvangen consultatiereacties blijkt heeft het onderwerp onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder de aandacht. Bij de uitvoering van de hem opgedragen ambtshandelingen oefent de gerechtsdeurwaarder publiekrechtelijke macht uit. De commissie heeft destijds in haar evaluatierapport aangegeven dat zij de (soms zeer forse) participatie van opdrachtgevers en andere derden in gerechtsdeurwaarderskantoren strijdig acht met de onafhankelijke uitoefening van het ambt. In 2009 was de constatering dat hierover binnen de beroepsgroep ook consensus leek te ontstaan en dat er ruimte was om bij verordening de participatie van niet alleen opdrachtgevers maar van derden überhaupt te normeren. Volgens de commissie zou daartoe de vergelijking kunnen worden gezocht met de advocatuur en zou uiteindelijk de norm moeten zijn dat gerechtsdeurwaarderskantoren uitsluitend aan

gerechtsdeurwaarders in eigendom toebehoren. Het regelgevingsproces bij de KBvG, waarin de Minister (Staatssecretaris) van Veiligheid en Justitie goedkeuringsbevoegdheid heeft, heeft niet tot deze normstelling geleid. Op 17 juni 2013 heeft de Staatssecretaris zijn goedkeuring onthouden aan de gewijzigde Verordening Onafhankelijkheid wegens strijd met het algemeen belang. Reden voor dit besluit was dat de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder met deze verordening onvoldoende gewaarborgd is, omdat de kring van mogelijke participanten in gerechtsdeurwaarderskantoren verder wordt uitgebreid met participanten die indirect bij opdrachten aan het kantoor betrokken zijn.19 De KBvG heeft tegen dit besluit beroep bij de bestuursrechter ingesteld.

In de aanloop naar dit wetsvoorstel is gebleken dat de diverse belanghebbenden bij dit onderwerp geen eensgezind standpunt hebben.

Participatie door niet-gerechtsdeurwaarders in gerechtsdeurwaarderskantoren

Van DAS Legal Finance BV (DAS) is in de internetconsultatie een uitgebreide schriftelijke uiteenzetting ontvangen. DAS geeft aan dat zij reageert in «haar hoedanigheid van minderheidsaandeelhouder in een aantal gerechtsdeurwaarderskantoren». DAS heeft, zo wordt gesteld, voor aandeelhouderschap in gerechtsdeurwaarderskantoren gekozen, omdat zij meent dat gerechtsdeurwaarders een voordeel hebben ten opzichte van concurrenten in de markt voor incassoverlening.

DAS geeft aan dat het ten gevolge van de thans geldende Verordening Onafhankelijkheid van de Gerechtsdeurwaarder (hierna: Verordening onafhankelijkheid) zoals vastgesteld door de ledenraad uit april 2010, het niet-gerechtsdeurwaarders die direct of indirect betrokken zijn bij opdrachten aan het kantoor verboden is in het gerechtsdeurwaarderskantoor te participeren. Dit heeft tot gevolg dat als de aandeelhouder in het gerechtsdeurwaarderskantoor een incassokantoor is, de gerechtsdeurwaarder geen ambtshandelingen mag verrichten voor klanten van het aandeelhoudende incassokantoor.

Bij de ACM liep, zoals ook blijkt uit diens reactie op het consultatievoorstel, lange tijd een procedure over de thans geldende Verordening onafhankelijkheid.

De KBvG stelt vast dat het onderhavige wetsvoorstel met de daarin opgenomen wijziging van artikel 3 het ambtshalve optreden voor de participant in een gerechtsdeurwaardersonderneming verbiedt. Hij verzoekt in de toelichting bij het artikel aan te geven dat dit verbod op «optreden ten behoeve van een participant» niet ziet op de situatie dat «de participant, alhoewel optredend als tussenpersoon, geen juridisch eigenaar is van de vordering».

Het is de bedoeling van het wetsvoorstel de discussie die zich nu al een aantal jaar voortzet rond de regeling van de onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarderswet en de oneigenlijke invloed die kan uitgaan van derdenparticipatie in gerechtsdeurwaarderskantoren, te beslechten. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Verordening onafhankelijkheid en de discussies over de wijziging hiervan, blijkt dat optreden van de wetgever in deze geboden is.

De praktijk van financiële participatie door derden in gerechtsdeurwaarderkantoren staat op het moment op gespannen voet met de positie van de gerechtsdeurwaarder. Uit de beroepsgroep zelf is hier ook al herhaaldelijk aandacht voor gevraagd.20

Ter waarborging van de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder dient iedere (schijn van) belangenverstrengeling te worden voorkomen. Een belangenverstrengeling door financiële of persoonlijke relaties kan de noodzakelijke onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder in gevaar brengen. Deze financiële relatie kan ook ontstaan doordat de gerechtsdeurwaarder financieel te veel van één opdrachtgever afhankelijk wordt of degene van wie hij voor zijn kantoorvoering mede financieel afhankelijk is, zijn opdrachtgever is of wordt. Eerder is door de toenmalige Minister van Justitie aangegeven21 dat het uitgangspunt is dat deelname in een gerechtsdeurwaarderskantoor, anders dan door gerechtsdeurwaarders, moet zijn uitgesloten met een uitzondering voor een beperkt aandeel van een of meer derde(n), aan het kantoor verbonden medewerker(s).

De regering is van mening dat participatie door anderen dan gerechtsdeurwaarders kan voorzien in de financieringsbehoefte van gerechtsdeurwaarders, hetgeen zou kunnen leiden tot grotere investeringen in betrokken kantoren. Dit kan de efficiency en kwaliteit van de dienstverlening door de aangesloten gerechtsdeurwaarders verder verbeteren. Dat participanten een bepaald belang hebben bij het ambtelijk optreden van de gerechtsdeurwaarder, welk belang los staat van normale zakelijke kantoorbelangen (aandeelhoudersbelangen) zoals het voortbestaan van de onderneming die het gerechtsdeurwaarderskantoor is, moet worden ontmoedigd. Zoals ook blijkt uit de reactie van DAS wordt de wens om te participeren in gerechtsdeurwaarderskantoren door derden vaak ingegeven vanuit de wens om hiermee een soort van «ketenvoordeel» te verkrijgen. Een opdrachtgever die een gerechtsdeurwaarder in zijn bedrijfsvoering en de uitvoering van zijn ambtshandelingen kan sturen heeft daarmee meer controle over de invordering van zijn vorderingen dan een reguliere klant van een gerechtsdeurwaarderskantoor. Beperkingen ten aanzien van de omvang van het toegestane belang in het kantoor en zeggenschap van deze derden-participanten doen daaraan op zichzelf niet veel af. Dit is waarom vanuit onafhankelijkheidsoogpunt een uitsluiting van derden van het nemen van een belang is een gerechtsdeurwaarderskantoor het meest veilig is. Daarnaast dient echter rekening te worden gehouden met mededingingsrechtelijke aspecten. Op grond hiervan zou de uitzondering kunnen gelden dat personen onder verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder werkzaam op een gerechtsdeurwaarderskantoor een (kleine) minderheidsdeelneming is toegestaan.

Het ketenvoordeel dat door derden wordt gezocht via het nemen van een belang in een gerechtsdeurwaarderskantoor, is uiteindelijk directe en permanente «toegang tot de ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarder». Dit brengt grote risico’s voor de onafhankelijkheid. Om dit voordeel deels weg te nemen is dit wetsvoorstel een wijziging opgenomen van artikel 3 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Artikel 3 houdt een verbod in om ambtshandelingen te verrichten voor (rechts)personen waarmee een te nauwe persoonlijke band bestaat. Dit verbod wordt met de voorgestelde wijziging uitgebreid naar vennoten of aandeelhouders zijnde niet-gerechtsdeurwaarders, in de entiteit van waaruit het gerechtsdeurwaarderskantoor wordt gedreven. Een en ander is nader uitgelegd bij de artikelsgewijze toelichting. Daarmee wordt niet bepaald dat ambtshandelingen verricht voor de klanten van participanten in het gerechtsdeurwaarderskantoor nietig zijn. In de discussie over de onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarders zijn dit ook wel «indirecte opdrachtgevers» genoemd. Het element van rechtszekerheid maakt dat het te ver gaat om dergelijke ambtshandelingen ook nietig te verklaren, omdat dit indirecte opdrachtgeversschap onvoldoende vooraf definieerbaar en niet altijd verifieerbaar is. Dat betekent echter niet dat het gerechtsdeurwaarders dus wordt toegestaan om voor dergelijke klanten ongeclausuleerd op te treden. De norm van onafhankelijkheid zoals opgenomen in artikel 12a en voor zover nodig uitgewerkt in onderliggende regelgeving stelt hier grenzen aan.

Nevenwerkzaamheden c.q. andere werkzaamheden in de zin van artikel 20 Gerechtsdeurwaarderswet

De Nederlandse Vereniging van Gecertificeerde Incasso-ondernemingen (NVI) vraagt in haar reactie op het wetsvoorstel aandacht voor het feit dat het wat haar betreft de voorkeur heeft als een gerechtsdeurwaarder vanuit zijn door de wet opgedragen taken alleen nog maar ambtshandelingen zou mogen verrichten. DAS stelt dat het inherente concurrentievoordeel dat gerechtsdeurwaarders hebben geadresseerd zou moeten worden ter bescherming van de belangen van private concurrenten op de incassomarkt. Volgens DAS zijn daarmee ook de belangen van schuldenaren gediend. Daartoe zou een in het verleden eerder voorgestelde bepaling inhoudende een verbod op concurrentievervalsing alsnog in de in de Gerechtsdeurwaarderswet moeten worden opgenomen.

In reactie daarop moet worden vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder in de eerste plaats een openbaar ambtenaar is die tot taak heeft de aan hem opgedragen en in de wet beschreven ambtshandelingen te verrichten. Maar hij is ook een vrije beroepsbeoefenaar, die andere werkzaamheden mag verrichten. Daar is de gerechtsdeurwaarder echter niet – zoals veel andere ondernemers – geheel vrij in. Deze werkzaamheden mogen namelijk een goede en onafhankelijke ambtsuitoefening niet in de weg staan. Nevenwerkzaamheden mogen ook niet zozeer de boventoon gaan voeren dat de deurwaarder feitelijk niet meer voor de ambtspraktijk beschikbaar is. Goede praktijkuitoefening betekent ook dat de gerechtsdeurwaarder zich met nevenwerkzaamheden niet in situaties moet begeven van waaruit een belangentegenstelling kan ontstaan.

Van incassowerkzaamheden is eerder met de vaststelling van artikel 20, derde lid, onderdeel c, door de wetgever erkend dat deze werkzaamheden te combineren zijn met ambtshandelingen. Een verbod op incassowerkzaamheden door gerechtsdeurwaarders beperkt de gerechtsdeurwaarder in zijn ondernemerschap, terwijl daar met het oog op zijn ambtelijke handelen geen noodzaak voor is.

Een algeheel verbod op nevenwerkzaamheden strekt nog verder. Zoals gezegd is hier onvoldoende aanleiding voor.

In het kader van toegestane nevenwerkzaamheden heeft het Bureau heeft in zijn consultatiereactie gewezen op een uitspraak van de kantonrechter van 13 juni 2013 inzake de mogelijkheid om een gerechtsdeurwaarder te benoemen als bewindvoerder. De rechter oordeelde, naar aanleiding van een door een gerechtsdeurwaarderskantoor gedaan verzoek tot benoeming als bewindvoerder, dat met name gezien de incassowerkzaamheden van dit kantoor er in ieder geval sprake was van de schijn van belangenverstrengeling en het daarom niet wenselijk was om dit kantoor als bewindvoerder te benoemen. Daarbij stelde de kantonrechter:

«Zij heeft voorts in ogenschouw genomen dat de deurwaarder onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn wettelijke taak en dat hij onderworpen is aan toezicht en tuchtrechtspraak. De kantonrechter is echter van oordeel dat niet alles wat – wettelijk gezien – mogelijk is, ook wenselijk genoemd kan worden. Temeer omdat er een (commercieel) spanningsveld bestaat tussen de (betalende) opdrachtgever(s) van de deurwaarder en de (veelal) onvermogende rechthebbenden».22

Het Bureau vraagt zich af of hieruit de conclusie moet worden getrokken dat het onmogelijk moet worden om gerechtsdeurwaarders als bewindvoerder te benoemen en of het nodig is om deze taak uit artikel 20 van de Gerechtsdeurwaarderswet, waarin dus een opsomming staat van taken die de gerechtsdeurwaarder niet bij lagere regeling verboden mogen worden, te verwijderen. Deze conclusie wordt nu niet getrokken. Het belang dat de rechter hecht aan het vermijden van (de schijn van) belangenverstrengeling is goed te begrijpen, maar het is nog niet gezegd dat deze voor iedere gerechtsdeurwaarder altijd aanwezig zal zijn.

Gezien de individuele afweging die bij iedere benoeming tot bewindvoerder moet worden gemaakt, is wetswijziging hier niet noodzakelijk geacht.

Betalingsafspraken

Zoals gezegd heeft LOSR een reactie ingediend naar aanleiding van de internetconsultatie. De LOSR vraagt daarin specifiek de aandacht voor de positie van de schuldenaar welke volgens haar onvoldoende geborgd wordt in het in consultatie gebrachte conceptwetsvoorstel. Weliswaar stemt het de LOSR tevreden dat er in het voorstel is gekozen voor een wettelijke verankering van de eis van onafhankelijkheid voor de gerechtsdeurwaarder, maar deze onafhankelijkheid staat volgens LOSR sowieso ter discussie bij bepaalde betalingsafspraken. De gerechtsdeurwaarder zou wat haar betreft verplicht moeten worden om de kosten voor zijn ambtshandelingen altijd vooraf (in ieder geval voor het grootste deel) in rekening te brengen bij zijn opdrachtgever, zodat zijn handelen daarna niet gericht kan zijn op het «incasseren van zijn eigen inkomsten». Zo komt, aldus LOSR, het risico dat de schuldenaar geen verhaal biedt te liggen waar deze hoort, namelijk bij de opdrachtgever. Ook de NVI geeft in haar reactie aan dat de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder door afspraken over betaling voor de werkzaamheden met de opdrachtgever, bijvoorbeeld door «no cure no pay», in het geding kan komen. De NVI stelt voor tot regelgeving te komen over de financiële afhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder van haar opdrachtgevers. Volgens de NVI geven gerechtsdeurwaarders in de praktijk korting op niet ambtelijke incassohandelingen, in de wetenschap of veronderstelling dat de vergoeding voor zijn ambtshandelingen voldoende oplevert. Daarmee concurreert de gerechtsdeurwaarder, aldus de NVI, op oneigenlijke wijze met de markt van incassobureaus die niet de bevoegdheid hebben deze rechtshandelingen uit te voeren. Naast oneerlijke concurrentie heeft dit ook geresulteerd in grote financiële risico’s. De NVI pleit hierom onder meer voor een verbod voor gerechtsdeurwaarders op het kopen van vorderingen en het maken van «no cure no pay»-afspraken.

Het is juist dat vooral in relatie met grotere opdrachtgevers bij gerechtsdeurwaarders sprake van een sterke commercialisering die op gespannen voet kan staan met de kernwaarden van het ambt. Er zijn duidelijke signalen dat gerechtsdeurwaarders de afgelopen tijd steeds vaker afspraken met met name grote opdrachtgevers hebben gemaakt waarbij het risico van het niet slagen van het incasso verschuift naar de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft de mogelijkheid om de opdrachtgever een voorschotnota te zenden, maar de praktijk leert dat veel kantoren dit, uit commercieel oogpunt, nalaten. Dit leidt tot een te grote afhankelijkheid van het slagen van het verhaal op de schuldeiser voor de vergoeding van de eigen kosten van de gerechtsdeurwaarder. Uiteraard is dit onwenselijk. De KBvG en het BFT hebben naar aanleiding van deze problematiek gezamenlijk onderzoek verricht naar oplossingen hiervoor. Recent zijn er ten aanzien van de voorfinanciering door gerechtsdeurwaarders door de KBvG twee belangrijke stappen gezet. Dit betreft allereerst de aanpassing van de Administratieverordening gerechtsdeurwaarders waarbij het gaat om een wijziging van de verslagstaten. Bij deze wijziging zijn de uitkomsten van de werkgroep BLOS (Bewaarplicht, Liquiditeit, Onderhanden werk en Solvabiliteit) leidend geweest. In deze werkgroep waren leden van de beroepsgroep, het Bureau en de KBvG vertegenwoordigd. De gewijzigde verslagstaten voorzien in een uniforme berekeningswijze van de ratio’s van liquiditeit en solvabiliteit. Het Bureau zal hierdoor zijn toezicht efficiënter kunnen uitvoeren en kantoren beter kunnen vergelijken.

Verder heeft de KBvG recent een bestuursregeling vastgesteld ter regulering van de voorfinanciering van «out of pocket-kosten» door leden van de KBvG. Dit betreft een nadere uitwerking van de Administratieverordening. De regel komt er kort gezegd op neer dat er altijd dekking dient te staan tegenover out of pocket-kosten op eiserniveau.

De gecombineerde werking van deze regels betekent dat de eigen kosten van de gerechtsdeurwaarder voor opdrachtgevers alleen mogen worden voorgefinancierd zolang het kantoor voldoet aan de liquiditeitsratio en solvabiliteitsratio.

De verwachting is dat betalingsafspraken die een risico kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder hierdoor een halt toegeroepen zullen worden.

Voor het opnemen van wettelijke verboden zoals door de NVI bepleit bestaat thans geen aanleiding.

6. Bedrijfseffecten en administratieve lasten ten gevolgen van het wetsvoorstel

In deze paragraaf wordt ingegaan op de verwachte bedrijfseffecten en administratieve lasten als gevolg van dit wetsvoorstel. Onder bedrijfseffecten worden in dit verband verstaan de beoogde en niet beoogde gevolgen van het wetsvoorstel voor het bedrijfsleven, zoals marktwerkingseffecten en sociaal-economische gevolgen. Onder administratieve lasten worden in dit verband verstaan de kosten voor het bedrijfsleven en de burger om te voldoen aan informatieverplichtingen die voorvloeien uit wet- en regelgeving van de overheid.

Bedrijfseffecten

Het wetsvoorstel heeft naar verwachting geen substantiële gevolgen voor het bedrijfsleven. Om deze reden is geen uitvoerige bedrijfseffectentoets op het wetsvoorstel uitgevoerd. Het wetsvoorstel brengt naar verwachting geen sociaal-economische effecten of effecten voor de burger met zich mee.

Administratieve lasten

Zoals hierboven al is aangegeven, gaat het bij administratieve lasten om de kosten als gevolg van informatieverplichtingen die voortvloeien uit regelgeving van de overheid.

Gerechtsdeurwaarderskantoren moeten op grond van het financieel toezicht dat nu door het Bureau wordt uitgeoefend ieder kwartaal een overzicht van de bewaringspositie en een overzicht van de balans en resultatenrekening bij het Bureau indienen. Bij verscherpt toezicht dient maandelijks een overzicht van de bewaringspositie te worden verstrekt. Bij de jaarcijfers die het Bureau wenst te ontvangen dient de post onderhanden werk te zijn uitgesplist. De verwachting is dat deze administratieve verplichting niet substantieel zal toenemen.

Het Bureau heeft, ook gezien diens overige taken, specifieke deskundigheid opgebouwd. De beoogde taakuitbreiding in de Gerechtsdeurwaarderswet leidt niet tot een verhoging van het budget of fte’s. Een en ander is al verdisconteerd in de eerdere uitbreiding van de taak door de wijziging van de Wet op het notarisambt en deze taakuitbreiding is ook aanleiding geweest om de werkwijze van het Bureau te veranderen. Het Bureau voert om al zijn taken goed te kunnen blijven vervullen, meer dan voorheen risicogericht toezicht uit.

De instelling van het register van gerechtsdeurwaarders brengt met zich mee dat een ieder die bevoegd wil zijn om ambtshandelingen te verrichten, zich moet inschrijven in het register. De wettelijke regeling hiervan leidt het in de praktijk niet tot een verzwaring van de administratieve lasten die samenhangen met de toegang tot het beroep. Gerechtsdeurwaarders zijn thans verplicht hun handtekening bij de griffie van de rechtbank te deponeren. De KBvG registreert als beroepsorganisatie al de gegevens van alle leden en heeft aangegeven dat de opzet van het register zoals die blijkt uit het voorgestelde artikel 1a van de Gerechtsdeurwaarderswet niet tot grote aanpassingen in zijn werkwijze hoeft te leiden. Uiteindelijk zal dit deel van het voorstel een verlichting van de administratieve lasten betekenen, omdat beroepsbeoefenaren zich niet meer bij verschillende instanties voor registratie hoeven te melden. De invoering van deze wet leidt op een ander punt wel tot een lichte stijging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Deze toename wordt met name veroorzaakt door de invoering van met het voorgestelde artikel 20, vierde lid, opgenomen verplichting voor gerechtsdeurwaarders om nevenbetrekkingen te melden. De KBvG verwacht dat gemiddeld drie maal per jaar per gerechtsdeurwaarder een melding gedaan dient te worden gedaan. Dit komt neer op (900 x 3 =) 2700 meldingen per jaar. De melding kan digitaal aan de KBvG worden gedaan via een standaardapplicatie. Dat zal per keer maximaal 10 minuten kosten.

Voor de administratieve lasten van de burger heeft dit wetsvoorstel geen gevolgen.

II. ARTIKELEN

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1 Gerechtsdeurwaarderswet)

Naar aanleiding van het nieuwe onderscheid tussen een kandidaat-gerechtsdeurwaarder en een toegevoegd gerechtsdeurwaarder zijn de definitiebepalingen aangepast. Ook is ter verduidelijking van de onderscheidenlijke anderen dan de gerechtsdeurwaarder die bevoegd zijn tot het verrichten van ambtshandelingen, de waarnemend gerechtsdeurwaarder in de definitiebepalingen opgenomen. De definitie voor deeltijd is inhoudelijk gelijk gebleven, maar aangepast aan de tegenwoordig algemeen gehanteerde terminologie. Ook wordt het register waarin alle gegevens over de gerechtsdeurwaarders worden opgenomen een naam gegeven: het gerechtsdeurwaardersregister. In de wet wordt een aantal maal naar het gerechtsdeurwaardersregister verwezen, bijvoorbeeld in de artikelen 4 en 9. De aanduiding leest prettiger dan de omschrijving «het register bedoeld in artikel 1a» en geeft tevens aan wat het belangrijkste doel van het register is: zicht op wie gerechtsdeurwaarder is, althans wie de bevoegdheden die bij dat ambt horen mag uitoefenen.

In de consultatie is door het Bureau gevraagd om een aantal, reeds geruime tijd, in de wet voorkomende begrippen te herijken. Bijvoorbeeld «kantoor» en «organisatie». Het Bureau geeft aan dat een zekere onbepaaldheid hierbij in de praktijk wel eens tot discussie leidt over aan welke (rechts)persoon – de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar of diens BV als onderneming – de verplichtingen uit de Gerechtsdeurwaarderswet kunnen of moeten worden opgelegd. Deze suggestie van het Bureau is, hoewel de problemen wel herkend worden, niet overgenomen. De Gerechtsdeurwaarderswet is in zijn opzet ingericht om het ambt van gerechtsdeurwaarders en de verplichtingen en rechten van de ambtsdragers te regelen. De verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de onderneming van de gerechtsdeurwaarder wordt uitgeoefend ligt bij de door de Kroon benoemde ambtenaar. Het Bureau oefent zijn toezicht ook op hem uit. Uiteraard kan worden geconcludeerd dat vanwege de voor gerechtsdeurwaarders geldende beroeps- en gedragseisen niet alle onder het reguliere rechtspersonenrecht mogelijke kantoororganisaties en samenwerkingsverbanden door een gerechtsdeurwaarder mogen worden gekozen. De regulering hiervan dient echter niet via de definitiebepalingen plaats te vinden.

Onderdeel B (artikel 1a Gerechtsdeurwaarderswet)

Dit artikel regelt de instelling van het centraal register waarin allen die bevoegd zijn, of op enig moment waren, tot het verrichten van ambtshandelingen, zoals die zijn omschreven in artikel 2, zijn opgenomen. De verschillende mogelijkheden die bevoegdheid tot de ambtsuitoefening geven, komen tot uiting in de samenstelling van het ledenbestand van de beroepsorganisatie. Dat zijn uiteindelijk gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Burgers moeten op een makkelijke manier inzichtelijk kunnen krijgen of zij te maken hebben met een openbaar ambtenaar, of – in het geval van de toegevoegd of kandidaat-gerechtsdeurwaarder zoals geregeld in de artikelen 27 en 25 (nieuw) – iemand die namens hem ambtshandelingen mag verrichten. Ook is het bijvoorbeeld van belang dat de griffie van een gerecht kan vaststellen dat een elektronisch ingediende dagvaarding daadwerkelijk afkomstig is van de gerechtsdeurwaarder die het exploot van dagvaarding heeft betekend. De KBvG heeft hiervoor reeds een elektronisch raadpleegbaar register tot stand gebracht. Dit register wordt hiermee van een wettelijke grondslag voorzien.

Het register strekt tot zekerheid omtrent ambtshandelingen die zijn verricht op grond van de wet en dient ter waarborging van de kwaliteit en integriteit van de beroepsgroep. De registratie na inschrijving blijft ook terug te vinden als de gerechtsdeurwaarder inmiddels is ontslagen, omdat daarmee duidelijkheid kan worden verkregen of een ambtshandeling in het verleden bevoegd is verricht. Dit blijkt uit het derde lid van het artikel waarin is bepaald dat gegevens worden opgenomen betreffende het ontslag of overlijden van de ingeschrevenen. Het vervallen van de bevoegdheid tot het verrichten van ambtshandelingen leidt dus niet tot verwijdering uit het register. Aan het bewaren van de geregistreerde gegevens kan ook geen termijn worden gekoppeld, omdat het altijd nodig kan zijn om achteraf vast te stellen of een ambtshandeling al dan niet nietig was. In zijn advies op het in consultatie gebrachte wetsvoorstel verzoekt het CBP om in de toelichting te verduidelijken waarom de noodzaak om deze persoonsgegevens te bewaren blijft bestaan, aangezien rechtshandelingen verjaren, en tevens te verduidelijken hoe zich een en ander verhoudt tot de toelichting bij het zesde lid van dit artikel waarin in de consultatiefase was gesteld dat bij AMvB kan worden voorzien in een bewaartermijn.

Een bewaartermijn kan voor van het bewaren van de gegevens in het register die betrekking hebben op de bevoegdheid tot het verrichten van ambtshandelingen niet genoemd worden. Een beroep op nietigheid verjaart namelijk niet. Alleen rechtsvorderingen verjaren. Daarom blijft het steeds noodzakelijk om de betreffende persoonsgegevens in het register te bewaren. Overige gegevens zoals de melding van nevenwerkzaamheden kunnen eventueel wel aan een bewaartermijn worden gebonden. Hiertoe geeft de bevoegdheid in het zesde lid de mogelijkheid. Op grond hiervan kan ook worden voorzien in regels over de wijze waarop de tuchtmaatregelen worden vastgelegd en omschreven. In het register voor het notariaat is er voor gekozen om bij de registratie van een tuchtrechtelijke maatregelen een verwijzing naar de onderliggende beslissing van de tuchtrechter op te nemen. Er moet nog worden bezien in hoeverre dat bij de gerechtsdeurwaarders ook wenselijk en mogelijk is.

Voor de uitvoering van de taken van de KBVG en van de Minister bij benoeming, schorsing en ontslag, het toezicht door het Bureau en de behandeling van tuchtzaken en de bepaling van de hoogte van een passende maatregel daarin, is inzicht in eerdere tuchtrechtelijke veroordelingen en opgelegde bestuursrechtelijke boetes van groot belang. De KBvG, Minister, het Bureau en de tuchtrechter krijgen zodoende voor de uitoefening van hun taak onbeperkt toegang tot het register.

Voor het publiek is niet alle in het register opgenomen informatie toegankelijk. Vanwege de privacy en veiligheid van de gerechtsdeurwaarder worden de geboorteplaats en geboortedatum niet aan het publiek verstrekt. Hiermee is de ambtsdrager te makkelijk in persoon terug te vinden en kan zijn woonadres eenvoudiger bekend worden.

Ook worden de maatregelen die tuchtrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn opgelegd alleen bekend gemaakt voor zover dit de bevoegdheid van de ambtsuitoefening beïnvloedt.

Bij de consulatie van het wetsvoorstel heeft de Raad voor de rechtspraak opgemerkt dat enkel wordt voorzien in een onbeperkte inzagemogelijkheid voor de kamer voor gerechtsdeurwaarders en het gerechtshof Amsterdam gelet op hun taken, maar dat in tegenstelling tot andere beroepsregisters (vergelijk artikel 8 Advocatenwet) niet is voorzien in een regeling voor verstrekking van gegevens uit het deurwaardersregister aan de Rechtspraak. De Raad heeft geadviseerd om een dergelijke bepaling – met het oog op de toenemende digitalisering, waarbij ook het deurwaardersregister van belang is om vast te stellen of een indiener gerechtsdeurwaarder is – in de Gerechtsdeurwaarderswet op te nemen. Uitgangspunt van het gerechtsdeurwaardersregister is dat het voortdurend bevraagd kan worden teneinde de bevoegdheid van degene die de ambtshandeling heeft verricht vast te stellen. Deze mogelijkheid bestaat ook voor de Rechtspraak. Zoals hierboven al is opgemerkt is het register elektronisch raadpleegbaar. Een specifieke voorziening voor de Rechtspraak wordt in deze niet nodig geacht.

Onderdeel C (artikel 3 Gerechtsdeurwaarderswet)

In de afgelopen jaren heeft een discussie plaats gehad binnen de beroepsgroep en daarbuiten over de mate van onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarders en hoe garanties daarvoor kunnen en moeten worden gegeven. Het is van belang dat gerechtsdeurwaarders bij de uitvoering van hun ambtshandelingen geen oneigenlijke belangen bij hun optreden hebben. Artikel 3 Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt daarom dat een gerechtsdeurwaarder niet bevoegd is op te treden voor personen of bedrijven waarmee hij een te nauwe persoonlijke band heeft. Met de voorgestelde wijziging wordt duidelijk gemaakt dat deze band ook moet worden aangenomen ten aanzien van zakelijke participanten in een gerechtsdeurwaarderskantoor. Wel kan het zo zijn dat de gerechtsdeurwaarder zelf een BV houdt van waaruit hij deelneemt in een rechtspersoon die het eigenlijke gerechtsdeurwaarderskantoor is. Zo’n zogenaamde management-bv van de gerechtsdeurwaarder is als rechtspersoon zelf geen gerechtsdeurwaarder. Het is niet de bedoeling van de voorgestelde wijziging om gerechtsdeurwaarders te verbieden via hun «eigen BV» aandeelhouder te zijn in het gerechtsdeurwaarderskantoor waar zij werken.

Onderdeel D (artikel 4 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met de inrichting van een gerechtsdeurwaardersregister is duidelijker dan voorheen te bepalen en te controleren wanneer de bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder tot het verrichten van ambtshandelingen ingaat. Er is voor gekozen de inschrijving in het register, in plaats van het moment van beëdiging, constitutief voor de bevoegdheid van gerechtsdeurwaarders te laten zijn, omdat dit voor een ieder makkelijk te verifiëren is.

Op grond van de huidige formulering van artikel 4 mag een geschorste of ontslagen gerechtsdeurwaarder de titel van gerechtsdeurwaarder blijven gebruiken, terwijl hij niet bevoegd is tot het verrichten van ambtshandelingen. Met de wijziging van het tweede lid wordt beoogd de bevoegdheid tot het dragen van de titel en het verrichten van ambtshandelingen volledig te laten samenvallen.

Onderdeel E (artikel 5 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met dit artikel worden de benoemingsvereisten voor gerechtsdeurwaarders aangescherpt en tegelijkertijd wordt het ambt voor een potentieel grotere groep personen opengesteld. Reeds lange tijd is het streven van de Europese Unie er op gericht om belemmeringen in de dienstverlening op Europees niveau terug te dringen. Zo is op 21 december 2007 de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in werking getreden, waarmee de Europese richtlijn erkenning beroepskwalificaties (PbEU L 255) is geïmplementeerd. Deze richtlijn heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde beroepen in de lidstaten te vergemakkelijken, door te waarborgen dat migrerende beroepsbeoefenaars die hun beroepskwalificaties hebben behaald in een EU-lidstaat, in een van de landen van de EER of in Zwitserland, toegang hebben tot hetzelfde beroep of een daarmee vergelijkbaar beroep in een andere EU-lidstaat, EER-lidstaat of Zwitserland. Op grond van de op 21 juni 1999 te Luxemburg tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds, en de Zwitserse Bondstaat anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16) moeten Zwitserse onderdanen voor wat betreft het vrije verkeer van personen in Nederland op dezelfde wijze toegang kunnen krijgen tot economische activiteiten als EU-onderdanen en de onderdanen van de overige staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst (Liechtenstein, Noorwegen en IJsland).

In het huidige artikel 5 van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt verwezen naar een EG-verklaring die wordt afgegeven op grond van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties. Het begrip EG-verklaring komt in de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties niet voor. Dit vraagt om een aanpassing van de formulering. De beoogde omschrijving in het voorstel is een terminologische aanpassing en is preciezer.

Het voorstel behelst ook een wijziging van het nationaliteitsvereiste voor de benoeming tot gerechtsdeurwaarder welke qua territoriaal toepassingsbereik aansluit bij de EU-richtlijn inzake de erkenning van beroepskwalificaties. In het verleden heeft de Europese regelgeving tot gevolg gehad dat de eis dat iemand Nederlander moet zijn om tot notaris te kunnen worden benoemd is komen te vervallen. Hoewel de jurisprudentie inzake de nationaliteitseis voor deze andere openbare ambtenaren (zie o.a. de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 december 2011, C-157/09), niet zonder meer van toepassing is op het ambt van gerechtsdeurwaarder en het zeer wel verdedigbaar is dat voor dit ambt geldt dat de uitzondering op het vrij verkeer van personen en diensten op grond van de openbaargezag exceptie van toepassing is, is hier toch gekozen voor aansluiting op de wijze waarop de toegang tot het ambt van notaris voor personen met een andere nationaliteit dan de Nederlandse is geregeld (zie Stb. 2013, 215). Hiertoe is volledig aangesloten bij de keuzes die zijn gemaakt rond de uitbreiding van de nationaliteitseis voor benoeming tot notaris waarmee het ambt ook open wordt gesteld voor burgers van andere EU-lidstaten, een van de landen van de EER of Zwitserland. De reden voor deze keuze ligt in de wens om het beroep van gerechtsdeurwaarder voor een grotere groep toegankelijk te maken, alsmede de regeling van beide beroepsgroepen zoveel mogelijk op elkaar te laten aansluiten.

Daarmee wordt het wel noodzakelijk goede beheersing van de Nederlandse taal als een expliciete kwaliteitseis een voorwaarde voor benoeming te maken. Dit wordt voorgesteld in het tweede lid, onderdeel d. De KBvG dient ter verdere invulling van deze eis een taaltoets te (laten) ontwikkelen. Vanwege de inrichting van het gerechtsdeurwaardersregister en de bevoegdheid van de Minister tot het inzien hiervan, vervalt de noodzaak van een verklaring van de KBvG over tuchtrechtelijke antecedenten. Bij de benoeming tot gerechtsdeurwaarder kan de Minister zelf nagaan of er tuchtrechtelijke maatregelen, of boetes door het Bureau in het kader van het toezicht, zijn opgelegd jegens betrokkene en deze betrekken in zijn beoordeling van het verzoek tot benoeming.

De uitzondering uit het oude artikel 5, tweede lid, is komen te vervallen omdat de daar genoemde stage altijd afgerond zal zijn geweest als een gerechtsdeurwaarder al een keer benoemd was en voor nieuwe benoemingen de recente werkervaringseis immer relevant zal zijn.

Onderdeel F (artikel 7 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met deze wijziging wordt benadrukt dat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder de aanduiding is voor degene die, toegevoegd aan een gerechtsdeurwaarder, werkzaam is in de praktijk. Het is, ten gevolge van de voorgestelde wijzigingen in paragraaf 2 van hoofdstuk III, niet langer een titel voor een behaalde opleiding, maar een aan de uitoefening van het beroep gerelateerde hoedanigheid. Iemand die zich wil laten benoemen tot gerechtsdeurwaarder is niet per definitie kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Hij kan nog als zodanig werkzaam zijn, maar het hoeft niet. Om vast te leggen dat altijd van belang is dat de beoogd gerechtsdeurwaarder inzicht verschaft in zijn voorgeschiedenis als het gaat om de bevoegdheid tot het verrichten van ambtshandelingen, is de laatste volzin van het eerste lid zo aangepast dat duidelijk is dat van alle eerdere toevoegingen aan een gerechtsdeurwaarder melding moet worden gemaakt. De verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder voor degene die aan hem toegevoegd is geweest wordt hiermee ook benadrukt. Een en ander geldt ook voor de gevallen die voor deze wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam zijn geweest.

Nieuw is ook de nadrukkelijke adviesrol van het Bureau hier, ten gevolge van de voorgestelde uitbreiding vam diens toezichtstaak in hoofdstuk IV. Het ligt voor de hand dat nu het Bureau algemeen toezicht op gerechtsdeurwaarders zal houden, hij ook gevraagd wordt de hem bekende informatie te verstrekken die van belang kan zijn bij de oordeelsvorming over de benoembaarheid van betrokkene.

Onderdeel G (artikel 8 Gerechtsdeurwaarderswet)

De verwijzing in dit artikel naar de Algemene wet bestuursrecht is aangepast aan de nieuwe nummering in de Awb.

Onderdeel H (artikel 9 Gerechtsdeurwaarderswet)

Mede gezien het nieuwe artikel 1a is het belang van het opnieuw deponeren van de handtekening bij verandering van de vestigingsplaats buiten het arrondissement, komen te vervallen.

Onderdeel I (artikel 10 Gerechtsdeurwaarderswet)

De op grond van het huidige vierde lid van artikel 10 geldende verplichting voor een gerechtsdeurwaarder om bij wijziging van zijn plaats van vestiging het register en repertorium «achter te laten» in de oude vestigingsplaats, is niet meer van deze tijd. Gerechtsdeurwaarders houden het register en repertorium digitaal bij en de opslag van deze gegevens is dankzij het gebruik van moderne communicatiemiddelen steeds minder plaatsgebonden. Het belang van de toegankelijkheid van deze informatie vereist zodoende niet meer dat de betreffende gegevens in de vestigingsplaats opgeslagen worden en blijven. Deze wijziging leidt tot administratieve vereenvoudiging.

Onderdeel J (artikel 11 Gerechtsdeurwaarderswet)

Artikel 11 regelt de ministerieplicht voor gerechtsdeurwaarders. De ambtshandeling van de gerechtsdeurwaarder ligt veelal in het direct verlengde van een rechterlijke procedure en laat geen ruimte voor een nadere inhoudelijke afweging van de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ambtsverrichting. De in de wet geformuleerde uitzonderingen op deze plicht zijn zodoende zeer beperkt. Uitgangspunt in de tuchtrechtelijke jurisprudentie (beschikking kamer voor gerechtsdeurwaarders d.d. 21 januari 2003) is dat het feit dat de wederpartij van een nieuwe opdrachtgever zelf al opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder is, de ministerieplicht onder de geldende formulering niet zonder meer opzij kan zetten. Het kan echter zo zijn dat het voor de gerechtsdeurwaarder duidelijk is dat een eventuele belangenverstrengeling tussen verschillende opdrachtgevers zo zwaarwegend is dat hij een opdracht niet mag uitvoeren. Deze afweging – waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat er in voorkomende gevallen dan wel een andere gerechtsdeurwaarder beschikbaar moet zijn – kan er toe leiden dat de gerechtsdeurwaarder juist verplicht zou moeten worden geacht om zijn ambt te weigeren. De ministerieplicht moet de gerechtsdeurwaarder dan niet tegengeworpen kunnen worden. Onverenigbaarheid gaat dan wel verder dan het enkele feit dat gevraagd wordt een ambtshandeling te verrichten jegens een partij die al opdrachtgever is van de gerechtsdeurwaarder. Er moet daadwerkelijk sprake zijn van belangenverstrengeling. Tegelijkertijd mag de ministerieplicht ook niet iets zijn dat de gerechtsdeurwaarder ontslaat van zijn verantwoordelijkheid jegens de debiteuren van opdrachtgevers en verzet zijn beroepsethiek zich tegen het aanvaarden van bepaalde opdrachten enkel omdat de opdrachtgever hem vraagt.

Daarom wordt in artikel 11 onverenigbaarheid van de opdracht ten gevolge van andere beroepsregels als weigeringsgrond opgenomen. Deze weigeringsgrond geldt voor veel gevallen niet algemeen, maar voor de gerechtsdeurwaarder die tot de afweging komt dat hij een andere gedrags- en beroepsregel overtreedt als hij de opdracht aanneemt.

De KBvG heeft in reactie op het consultatievoorstel betoogd dat de voorgestelde wijziging niet nodig is en dat de door de commissie gedane aanbeveling tot aanpassing van artikel 11 ook recht wordt gedaan door formele eisen te stellen aan een beroep op de ministerieplicht, namelijk dat dit beroep (door of namens de executant) schriftelijk wordt gedaan. Volgens de KBvG staat daarmee vast dat de executant uitdrukkelijk aandringt op deze maatregelen en zich daarop ook vastlegt.

De KBVG stelt dat zo voorkomen kan worden dat de tuchtregels voor gerechtsdeurwaarders een civielrechtelijk effect krijgen. Opgemerkt zij dat artikel 11 als zodanig ook een norm inhoudt die door de tuchtrechter wordt beoordeeld. Uitspraken van civiele rechters laten bovendien zien dat bij geschillen over de ministerieplicht door de rechter wordt aangenomen dat deze niet absoluut is en dat daarbij reeds wordt getoetst of de gerechtsdeurwaarder door de opdracht aan te nemen geen andere normen overschrijdt. Overwogen wordt dat artikel 11 Gerechtsdeurwaarderswet betrekking heeft op ambtshandelingen waartoe de gerechtsdeurwaarder bevoegd is en dat deze bevoegdheid ophoudt waar misbruik begint. Zo stelt de rechtbank 's-Gravenhage in een uitspraak van 15 april 200923: «De deurwaarder mag zich niet aan misbruik van bevoegdheid schuldig maken. Hiervan kan sprake zijn bij een wanverhouding tussen het gebruik van de bevoegdheid en de nadelen, die daarvan het gevolg zijn».

Als zodanig heeft de beroepsethiek van de gerechtsdeurwaarder al het effect dat door de KBvG wordt aangehaald. De voorgestelde wijziging is een bevestiging van de norm die in de Rechtspraak reeds wordt aangenomen.

Onderdeel K (artikel 12a Gerechtsdeurwaarderswet)

De gerechtsdeurwaarder dient bij de uitoefening van zijn ambt en verdere werkzaamheden steeds te staan voor het rechtsstatelijk belang dat hij in het rechtsbestel vertegenwoordigt. Een gerechtsdeurwaarder treedt op als bijzonder ambtsdrager in zijn positie tussen schuldenaar enerzijds en schuldeiser anderzijds, wat met zich brengt dat hij de belangen van alle betrokken partijen, en derhalve niet alleen het belang van de opdrachtgever, in het oog moet houden. Hij moet dit doen vanuit een houding die zich het best laat samenvatten onder de noemer onafhankelijkheid. Een gerechtsdeurwaarder moet onafhankelijk zijn in de zin dat hij zich bij zijn ambtsverrichtingen niet uitsluitend laat leiden door de partijdige belangen van zijn opdrachtgever. Zoals aangegeven in het algemeen deel van de toelichting onder paragraaf 5 is er veel discussie over de onafhankelijkheid van gerechtsdeurwaarders en de wijze waarop dit zijn bestek moet krijgen. Door de wettelijke verankering van de verplichting onafhankelijk te zijn wordt duidelijk gemaakt dat dit als een absolute voorwaarde voor ambtsuitoefening wordt gezien. De nadere invulling van welke concrete verboden of geboden hier voor de praktijkuitoefening en het ondernemerschap uit voortvloeien, kan worden gegeven door de beroepsgroep zelf en waar nodig geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Onderdeel L (artikel 15 Gerechtsdeurwaarderswet)

Het is van groot belang dat het exploot van de deurwaarder duidelijk en begrijpelijk is. De eis dat er, zoals nu in de wet staat, in het geheel geen afkortingen in mogen voorkomen draagt daar echter niet per se aan bij. Sommige begrippen, denk bijvoorbeeld aan btw, zijn beter bekend onder hun afkorting dan voluit geschreven.

Dat de gerechtsdeurwaarder instaat voor de begrijpelijkheid van zijn exploot blijkt bijvoorbeeld uit de in de praktijk ontwikkelde en gebruikte «bijsluiters».

Onderdeel M (artikel 16 Gerechtsdeurwaarderswet)

Het register en repertorium worden tegenwoordig meest digitaal bijgehouden. Het is zodoende niet meer noodzakelijk dat de opvraagbaarheid wordt gegarandeerd door de verplichting om het register «fysiek onder handbereik» in de plaats van vestiging van te houden. Wel moet de gerechtsdeurwaarder vrijwel direct toegang tot de benodigde informatie hebben via het register dat hij bijhoudt.

In de consultatie heeft de KBvG aangegeven dat het wellicht goed is om in artikel 17 van de Gerechtsdeurwaarderswet nadrukkelijk te bepalen dat het repertorium ook digitaal mag worden bijgehouden. De huidige formulering van het betreffende artikel sluit dit echter nu al niet uit, hetgeen juist blijkt uit het feit dat veel gerechtsdeurwaarders dit al doen. De voorgestelde wijziging is zodoende niet noodzakelijk.

Onderdeel N (artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet)

Artikel 19 gaat er in zijn opzet van uit dat de gerechtsdeurwaarder krachtens zijn opdracht gerechtigd is om wat hem voor zijn werkzaamheden toekomt, af te splitsen van het aandeel dat zijn cliënt in het saldo van de kwaliteitsrekening heeft. Hierdoor wordt de gerechtsdeurwaarder voor het hem toekomende bedrag zelf rechthebbende op een aandeel in dat saldo. De opzet hiervoor in het huidige artikel 19 veronderstelt echter wel dat deze afsplitsing (vrijwel) onmiddellijk na het innen van de vordering op de schuldenaar van de cliënt plaatsvindt. In de praktijk is dit laatste vaak niet het geval. De gerechtsdeurwaarder heeft van veel van zijn cliënten doorlopende opdrachten waarbij reeksen vorderingen op talrijke schuldenaren worden geïnd en er niet voortdurend wordt afgerekend. Om toch recht te doen aan de positie die door de wetgever met artikel 19 is beoogd, moet komen vast te staan dat het aandeel van de rechthebbende op de derdenrekening in het saldo van rechtswege wordt verminderd met alle bedragen die de deurwaarder voor zijn werkzaamheden in rekening mag brengen. De in het voorstel opgenomen toevoeging over de afsplitsing van rechtswege in het tweede lid, voorziet hierin. Een gerechtsdeurwaarder die aan zijn cliënt regelmatig opgave doet van de voor hem geïnde bedragen, stelt met deze handeling ook zijn honorarium hiervoor op de kwaliteitsrekening zeker, zonder gehouden te zijn steeds tot tussentijdse daadwerkelijke uitkering over te gaan. Zo wordt voorkomen dat de gerechtsdeurwaarder oneigenlijk benadeeld wordt bij het failliet van zijn cliënt. In de praktijk verschaffen veel gerechtsdeurwaarders aan hun klanten digitaal toegang tot hun eigen dossiers. Hiermee kunnen deze dus steeds inzien welke bedragen zijn geïnd. Deze werkwijze mag worden beschouwd als het doen van opgave zoals aangeduid in het voorstel, omdat de klant steeds volledig geïnformeerd kan zijn en op de hoogte kan zijn van de kosten die voor de werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder zijn gemaakt.

Onderdeel O (artikel 19a Gerechtsdeurwaarderswet)

De algemene financiële positie van een gerechtsdeurwaarder is relevant voor het Bureau en wel in het bijzonder in verband met het toezicht op de naleving van voorschriften met betrekking tot het beheer door de gerechtsdeurwaarder van de gelden van derden op de bijzondere rekening(en) als bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Het Bureau ontvangt als toezichthouder regulier informatie van de gerechtsdeurwaarders. De handhaving van de bewaarplicht en de verplichting tot aanvulling zoals opgenomen in artikel 19, derde lid, zijn gebaat met de aanvullende verplichting tot melding van risico’s in de financiële situatie van de gerechtsdeurwaarder. Met zo’n meldplicht wordt de informatiepositie van het Bureau versterkt en kunnen eventuele (toekomstige) risico’s voor de bewaarpositie van de derdengelden of gebeurtenissen die van invloed zijn op de solvabiliteit of liquiditeit van de gerechtsdeurwaarder, tijdig gesignaleerd worden. Als voorbeelden van meldingsplichtige gebeurtenissen, waarvan is voorzien dat deze bij ministeriële regeling worden bepaald, kan gedacht worden aan voornemens tot fusie of tot overname van andere kantoren, het toetreden tot of het uittreden van gerechtsdeurwaarder uit een samenwerkingsverband, of buitengewone omstandigheden die de gerechtsdeurwaarder zelf betreffen, zoals langdurige ziekte. De meldplicht geldt alleen voor gebeurtenissen die een aanmerkelijke invloed kunnen uitoefenen op de financiële positie van de gerechtsdeurwaarder. Hieronder zijn tevens reputatieschade begrepen en geschillen die belangrijke financiële gevolgen kunnen hebben. Bij ministeriële regeling kan een limitatieve opsomming worden uitgewerkt van de gebeurtenissen die worden benoemd als gebeurtenissen die aanmerkelijk nadelige gevolgen voor de financiële positie van de gerechtsdeurwaarder kunnen hebben en als gevolg daarvan meldenswaardig zijn. Met deze opsomming wordt voor de gerechtsdeurwaarder en voor de tuchtrechter duidelijkheid verschaft in welke gevallen de gerechtsdeurwaarder verplicht is een melding te doen aan het Bureau. In de consultatie is door het Bureau voorgesteld de meldplicht algemeen te laten gelden. Indien echter het woord financieel in art 19a geschrapt zou worden, zoals het Bureau voorstelt, is voor de gerechtsdeurwaarder onvoldoende bepaald in welke gevallen hij verplicht is een melding te doen aan de toezichthouder. De gerechtsdeurwaarders kennen reeds een meldplicht op grond van de Verordening gegevensverstrekking door de leden van de KBvG (Stcrt. 2012, 15422). Gezien het belang van een goede informatiepositie voor het Bureau in het kader van zijn toezichthoudende rol is gekozen voor een wettelijke regeling hiervan, waardoor deze verordening wellicht op een aantal punten overbodig wordt of moet worden aangepast. Het Bureau heeft inmiddels met een dergelijke financiële meldplicht voor de notarissen ervaring opgedaan.

Onderdeel P (artikel 20 Gerechtsdeurwaarderswet)

Het verplichte gebruik van de bijzondere rekening ex artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet geldt nu al voor gelden die ontvangen worden in het kader van het innen van gelden voor derden (incasso) door gerechtsdeurwaarders.

Door te bepalen dat artikel 19 van overeenkomstige toepassing is voor zover de gerechtsdeurwaarder bij het verrichten van andere werkzaamheden gelden voor derden onder zich heeft of krijgt, wordt het onderscheid dat nu op dit punt nog bestaat tussen de incassowerkzaamheden en andere niet ambtelijke dienstverlening door een gerechtsdeurwaarder, ongedaan gemaakt. De reden hiervoor is dat dit intern onderscheid binnen de nevenwerkzaamheden van deze beroepsgroep, gezien de algehele «derdengelden-verplichting» voor de andere gereguleerde juridische beroepen – advocatuur en notariaat –, niet goed te verklaren is. Voor zover een gerechtsdeurwaarder optreedt als procesgemachtigde zou hij hierbij aan dezelfde financiële garanties dienen te voldoen als een advocaat, voor wie het gebruik van een derdengeldrekening voor al zijn werkzaamheden via de beroepsreglementering een voorwaarde is. Dit voorstel ziet hierop. Overwogen is dat gezien de positie van de gerechtsdeurwaarder als openbaar ambtenaar, de wettelijke verplichting van gebruik van een derdengeldrekening ook voor niet ambtelijke werkzaamheden proportioneel is en dat nader onderscheid hierbij binnen de toegestane nevenwerkzaamheden, gezien de overlap die hierbij bestaat met andere gereglementeerde juridische beroepen, niet langer gerechtvaardigd is. Cliënten van gerechtsdeurwaarders moeten ook kunnen uitgaan van gelijke zekerheden bij van het beheer van hun gelden, ongeacht in het kader van welke opdracht aan een gerechtsdeurwaarder dit plaatsvindt.

Er wordt in de voorgestelde toevoeging aan artikel 20 onderscheid gemaakt tussen nevenbetrekkingen en «andere werkzaamheden»; nevenwerkzaamheden. Nevenbetrekkingen zijn activiteiten die de gerechtsdeurwaarder buiten zijn kantoor verricht. Nevenwerkzaamheden zijn diensten geen ambtshandelingen zijn maar wel vanuit het gerechtsdeurwaarderskantoor worden aangeboden. Een gerechtsdeurwaarder die incasso-opdrachten doet, verricht nevenwerkzaamheden. Zijn functie als voorzitter van de tennisclub is een nevenbetrekking. Door de voorgestelde wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat het publiek inzicht verkrijgt in de, al dan niet bezoldigde, nevenbetrekkingen die gerechtsdeurwaarders hebben. Het bestuur van de KBvG neemt de opgegeven nevenbetrekkingen en -werkzaamheden op grond van artikel 1a, derde lid, onder h, op in het gerechtsdeurwaardersregister. Bovendien kan de KBvG naar aanleiding van melding van nevenbetrekkingen besluiten dat het noodzakelijk is tot verdere regulering hierin te komen. Ook de niet-ambtelijke werkzaamheden die de gerechtsdeurwaarder binnen zijn kantoor verricht kunnen van invloed zijn. Het gaat er om dat inzichtelijk is of gerechtsdeurwaarders(kantoren) belangen hebben op grond waarvan een potentiele opdrachtgever zou willen hebben kunnen besluiten zijn opdracht aan een ander te geven. Daarvoor is inzicht in de aard van de nevenbetrekking, de naam van het bedrijf of de instantie waar de betrekking wordt vervuld, of sprake is van eventuele bezoldiging en het tijdsbeslag dat met de nevenbetrekking is gemoeid, van belang. Eerder is overwogen dat bepaalde nevenwerkzaamheden niet verboden mogen worden. Registratie van deze werkzaamheden heeft uiteindelijk geen zin, omdat de overweging noodzakelijkerwijs moet zijn dat er geen dusdanige invloed kan zijn dat de ambtelijke werkzaamheden in gevaar komen.

De informatie over de nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden zal, als hier om wordt gevraagd, uit het register worden verstrekt.

Onderdeel Q (opschrift van hoofdstuk III)

Vanwege de aanpassing van paragraaf 2 van hoofdstuk III en de verandering in de aanduiding van een gerechtsdeurwaarder die met zijn beroepsopleiding (kandidaat-gerechtsdeurwaarder) bezig is en de gerechtsdeurwaarder die in principe wel benoembaar is, maar niet wil kiezen voor het ondernemerschap (toegevoegd gerechtsdeurwaarder) wordt het opschrift van hoofdstuk III gewijzigd.

Onderdeel R (artikel 23 Gerechtsdeurwaarderswet)

Er bestaat in de praktijk geen behoefte aan de mogelijkheid om een waarnemer voor onbepaalde tijd aan te wijzen en het strookt ook niet met de gekozen structuur voor de toegevoegd gerechtsdeurwaarder. De waarnemend gerechtsdeurwaarder wordt doorgaans aangewezen om een kantoor van een uit het ambt gezette of geschorste gerechtsdeurwaarder af te wikkelen. Dit vraagt om een bepaalde expertise en ervaring die vaak juist voor handen is bij oud-gerechtsdeurwaarders. De eis van recente werkervaring (artikel 5, eerste lid onder e) die voor de benoeming tot gerechtsdeurwaarder gaat gelden, wordt daarom niet gesteld aan een waarnemend gerechtsdeurwaarder. Ook geldt als vanouds dat hij geen ondernemingsplan hoeft te overleggen. De benoeming zal altijd tijdelijk zijn. De waarnemend gerechtsdeurwaarder is zelfstandig bevoegd. Er is geen maximum gesteld aan de termijn waarvoor de waarnemer benoemd mag worden. Dit hangt af van de situatie, maar mag niet neerkomen op feitelijk onbepaald.

Onderdeel S (artikel 24 Gerechtsdeurwaarderswet)

Het komt voor dat de waarnemend gerechtsdeurwaarder zijn taken niet goed kan uitvoeren, omdat de waargenomen gerechtsdeurwaarder niet meewerkt. Met de voorgestelde wijziging van artikel 24 wordt geregeld dat onbetwistbaar is dat dit laatste een gerechtsdeurwaarder niet past. Ook wordt nadrukkelijk bepaald dat de kosten van de waarneming ten laste van de waargenomen gerechtsdeurwaarder komen.

De KBvG heeft in de consultatie aandacht voor het feit dat het tuchtrecht niet van toepassing is op het gedrag van uit het ambt gezette personen in wiens praktijk wordt waargenomen. Dat klopt maar anders dan de KBvG ook stelt speelt dit probleem niet bij een geschorste gerechtsdeurwaarder. Tijdens de schorsing is hij niet bevoegd tot het verrichten van ambtshandelingen maar blijft hij gerechtsdeurwaarder. Wat hij tijdens zijn schorsing doet, kan dus tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Zo ook bijvoorbeeld het voeren van de titel gerechtsdeurwaarder. Dat laatste is hem op grond van het gewijzigde artikel 4 nadrukkelijk verboden maar dat verbod maakt niet dat hij niet onder het tuchtrecht valt. De suggestie van de KBvG om in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet dienaangaande een bepaling op te nemen wordt dan ook niet overgenomen.

Onderdeel T (opschrift van paragraaf 2 hoofdstuk III)

Het opschrift van paragraaf 2 van hoofdstuk III wordt aangepast vanwege de introductie van de toegevoegd gerechtsdeurwaarder.

Onderdeel U (artikel 25 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met de voorgestelde regeling zoals opgenomen in dit artikel, is iemand voortaan alleen kandidaat-gerechtsdeurwaarder op het moment dat hij in het kader van het opdoen van de benodigde werkervaring en na te zijn toegevoegd, werkzaam is op het kantoor en onder verantwoordelijkheid van een gerechtsdeurwaarder. Hiermee komt een einde aan de mogelijkheid om je als kandidaat-gerechtsdeurwaarder te presenteren zonder werkzaam te zijn op een gerechtsdeurwaarderskantoor.

In de huidige situatie is iemand kandidaat-gerechtsdeurwaarder als hij de door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende voorbereidende opleiding heeft afgerond. Dat is nu een driejarige opleiding die is ondergebracht binnen de Hoge School Utrecht. Iemand die aan de verplichtingen van de eerste drie jaar binnen deze HBO-opleiding heeft voldaan mag zich op grond van de Gerechtsdeurwaarderswet kandidaat-gerechtsdeurwaarder noemen en blijven noemen zonder ook maar een dag op een gerechtsdeurwaarderskantoor te hebben gewerkt en zonder dus bevoegd te zijn tot het verrichten van ambtshandelingen. Dat kan onwenselijke en voor het publiek verwarrende situaties met zich brengen. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die wordt toegevoegd aan een gerechtsdeurwaarder mag wel namens hem ambtshandelingen verrichten. Dat leidt dan tot de lange (en voor het publiek toch niet heel onderscheidende) aanduiding toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder. De hier voorgestelde wijzigingen beogen daar een einde aan te maken.

Onder de nieuwe opzet van artikel 25 is de verplichte vooropleiding een vierjarige opleiding inclusief stage. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft zijn vooropleiding afgerond maar moet nog voldoende werkervaring opdoen tijdens zijn beroepsstage. In de praktijk werd dit ook wel het ervaringsjaar genoemd.

Hiermee wordt bereikt dat een vierjarige opleiding met daarin een stagejaar verplicht kan worden gesteld als vooropleiding voor het ambt van gerechtsdeurwaarder en uitvoering gegeven aan eerdere aanbevelingen die er toe strekten de vooropleiding van gerechtsdeurwaarders in te bedden in de systematiek van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Dit voorstel beoogt geen veranderingen te brengen in de mogelijkheid dat iemand die in het kader van zijn hbo-opleiding stage moet lopen, dit kan doen door te worden toegevoegd aan een gerechtsdeurwaarder en hiermee ook wettelijk bevoegd is tot het verrichten van ambtshandelingen onder de Gerechtsdeurwaarderswet. Hierom is in artikel 26 bepaald dat hetgeen geldt voor de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ook geldt voor degene die stage loopt in het kader van de verplichte vooropleiding. Formeel is een stagiair in het vierde jaar van zijn hbo-opleiding nog geen kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Hij wordt er mee gelijkgesteld. Iemand kan pas als kandidaat-gerechtsdeurwaarder worden toegevoegd krachtens artikel 25 (nieuw) als hij zijn volledige opleiding van vier jaar inclusief stage heeft doorlopen. Daarna moet hij volgens de Gerechtsdeurwaarderswet nog een jaar (ervarings)stage lopen voor hij tot gerechtsdeurwaarder benoembaar kan zijn. Voordat een gerechtsdeurwaarder aan zich mag toevoegen moet hij hiervoor toestemming krijgen van de Minister. De procedure hiervoor is opgenomen in het nieuwe artikel 25b. Deze toestemmingsvereiste verschilt niet van de huidige regeling. Wel wordt specifiek bepaald dat de toestemming wordt gegeven voor een bepaalde duur. Hierdoor wordt nadat de ervaringsstage is voltooid van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder gevraagd een keuze te maken in hoe hij zijn loopbaan wil vervolgen. Hij heeft op dat moment de keuze tussen een benoeming, waarbij ook de eisen van het ondernemerschap gelden, of een verdere toevoeging, waarmee hij toegevoegd gerechtsdeurwaarder wordt.

Onderdeel V (artikel 25a t/m 25c Gerechtsdeurwaarderswet)

Om als kandidaat-gerechtsdeurwaarder de beroepsstage te mogen volgen moet een door de Minister erkende vooropleiding zijn gevolgd. Dit artikel regelt de voorwaarden en regeling van een dergelijke erkenning. Thans is het zo dat de Hoge School van Utrecht (HBO Rechten) als enige een opleiding die toegang geeft tot het beroep van gerechtsdeurwaarder, aanbiedt. Omdat tijdens deze opleiding een stage verplicht is en de studenten die de opleiding volgen het beroep van gerechtsdeurwaarder in de praktijk moeten kunnen leren, wordt in artikel 26 (nieuw) hetgeen wordt bepaald over de kandidaat-gerechtsdeurwaarder van overeenkomstige toepassing verklaard voor deze opleidingsstage.

Artikel 25b beschrijft de procedure die gevolgd moet worden voor de aanvraag van toestemming door de Minister voor de toevoeging van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Vanwege het feit dat een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder ambtshandelingen mag verrichten is overlegging van een recente verklaring omtrent gedrag voorwaarde voor de toestemming. De Minister kan ook eventuele tuchtrechtelijke antecedenten betrekken in zijn besluit. Voor een goede besluitvorming dient hij ook te beschikken over mogelijke eerdere toevoegingen. Hiervan moet zodoende opgave worden gedaan in het verzoek.

In het voorgestelde artikel 25c is geregeld dat de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder bevoegd is tot het verrichten van ambtshandelingen namens en onder verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd. Deze verantwoordelijkheid wordt bevestigd door het feit dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd moet vermelden bij het verrichten van ambtshandelingen. Als de gerechtsdeurwaarder niet bevoegd is kan de kandidaat-gerechtsdeurwaarder ook niet handelen. Van oudsher is het zo dat ook de kandidaat-gerechtsdeurwaarder de eed of belofte aflegt. Hij wordt daarmee geen ambtsdrager maar kan wel worden aangesproken op gedrag dat een (kandidaat-)gerechtsdeurwaarder onwaardig is. Net als voor de eed of belofte die de gerechtsdeurwaarder aflegt, geldt dat hiervan een proces-verbaal wordt opgemaakt en dit wordt opgenomen het gerechtsdeurwaardersregister. Pas nadat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder in het register is opgenomen mag hij namens de gerechtsdeurwaarder handelen.

Onderdeel W (artikel 26 Gerechtsdeurwaarderswet)

Thans wordt door de Hogeschool Utrecht een verklaring (certificaat) afgegeven op grond waarvan een student na het behalen van alle vakken uit de eerste drie jaar aan de stage mag beginnen en daartoe aan een gerechtsdeurwaarder wordt toegevoegd. De student is dan onder het huidige artikel 25 van de Gerechtsdeurwaarderswet iemand die «met goed gevolg een door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft doorlopen». Het huidige artikel 27 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder namens en onder verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder op wiens kantoor hij werkzaam is, de ambtshandelingen kan verrichten waartoe deze bevoegd is. Dat uitgangspunt verandert met de voorgestelde wijzigingen niet.

Een belangrijk deel van de vooropleiding tot het beroep van gerechtsdeurwaarder is de stage. Deze stage wordt gevolgd onder verantwoordelijkheid van de opleidingsinstelling maar dient ook reeds mogelijkheid te bieden tot het verwerven van ambtelijke vaardigheden in voorbereiding op het kandidaat-gerechtsdeurwaardersschap. Hierom worden de artikelen 25, 25b en 25c van overeenkomstige toepassing verklaard bij deze opleidingsstage. Op grond hiervan kan een stagiair aan een gerechtsdeurwaarder worden toegevoegd en namens hem ambtshandelingen verrichten.

Teneinde de integriteit van de stagiaires en het toezicht op hun handelen te dekken zijn de regels met betrekking tot het toezicht en tuchtrecht ook op hen van toepassing. Dit past binnen het systeem van de gereglementeerde juridische beroepen waarin alleen die voorbehouden handelingen mogen verrichten onderworpen zijn aan tuchtrecht.

Onderdeel X (artikel 27 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met dit nieuwe artikel wordt recht gedaan aan de in de praktijk bestaande behoefte om na de opleiding en de beroepsstage als toegevoegd gerechtsdeurwaarder werkzaam te blijven. De in 2012 geïntroduceerde mogelijkheid om toegevoegd notaris te worden is op de figuur van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder geïnspireerd. In de praktijk bij de gerechtsdeurwaarders is de toevoeging al veranderd in een mogelijkheid tot de permanente uitoefening van het ambt.

In de voorgestelde regeling blijft het uitgangspunt dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder verbonden is aan het kantoor van de deurwaarder aan wie hij is toegevoegd. Hiermee geeft deze constructie een goede aanvulling op de voorwaarden die gelden voor het ambt van gerechtsdeurwaarder en het ondernemerschap dat daar bij hoort. Het predicaat «kandidaat» komt thans bij voldoende werkervaring te vervallen, waarmee voor het publiek duidelijk wordt dat zij met een beroepsbeoefenaar met de nodige werkervaring te maken hebben. Ter onderscheiding van de benoemde gerechtsdeurwaarder geldt dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder niet zelfstandig bevoegd is en niet aan de verplichtingen die samengaan met het zelfstandig ondernemerschap hoeft te voldoen. Verder is hij voor het verrichten van ambtshandelingen wel zelfstandig – tuchtrechtelijk – ter verantwoording te roepen. Het wordt een gerechtsdeurwaarder niet toegestaan meer dan drie toegevoegd gerechtsdeurwaarders te hebben, omdat er een reële verantwoordelijkheid voor de door hen namens hem te verrichten ambtshandelingen moet zijn.

Ook wordt bepaald dat een toegevoegd gerechtsdeurwaarder niet aan meer dan twee gerechtsdeurwaarders toegevoegd mag zijn.

Onderdeel Y (artikel 28 Gerechtsdeurwaarderswet)

Ook voor de toegevoegd gerechtsdeurwaarder geldt dat hij wel de eed of de belofte af legt en aan het publiek kenbaar moet maken dat hij niet zelfstandig bevoegd is, maar in mandaat van een gerechtsdeurwaarder en onder diens verantwoordelijkheid ambtshandelingen verricht.

Onderdeel Z (artikel 29 Gerechtsdeurwaarderswet)

Dit artikel regelt in welke gevallen de toevoeging van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder of toegevoegd gerechtsdeurwaarder wordt beëindigd.

Onderdeel AA (artikel 30 Gerechtsdeurwaarderswet)

Voorgesteld wordt om de toezichtstaak van het Bureau ten aanzien van gerechtsdeurwaarders, die zich momenteel alleen uitstrekt tot financieel toezicht, uit te breiden tot algemeen toezicht op de naleving van de gehele wet en de op de wet gebaseerde lagere regelgeving, inclusief het toezicht op de integriteit van de gerechtsdeurwaarder. Deze taakuitbreiding geeft aan het Bureau een andere taak dan die waarvoor het Bureau werd ingesteld. Zie op dit punt ook de paragrafen 3 en 6 van het algemeen deel van deze toelichting. Hier is voor gekozen omdat er behoefte is aan onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke – door het Bureau reeds opgebouwde – deskundigheid.

Onderdeel BB (artikelen 30a en 30b Gerechtsdeurwaarderswet)

Op grond van het voorgestelde artikel 30a zijn de door het bestuur van het Bureau aangewezen personen belast met de feitelijke uitoefening van het toezicht op de naleving van de wettelijk voorschriften bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet. Met deze wettelijke taakopdracht zijn de aangewezen personen toezichthouders in de zin van artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht en bezitten zij op die grond de toezichtsbevoegdheden van titel 5.2. Awb.

In het tweede lid van artikel 30a is bepaald dat een toezichthouder ook inzage kan vorderen in persoonlijke gegevens en bescheiden, voor zover deze betrekking hebben op de persoonlijke financiële administratie van de gerechtsdeurwaarder. Uitgangpunt is dat de gerechtsdeurwaarder ook een deugdelijke financiële administratie in persoon moet houden (artikel 18, vierde lid van de Gerechtsdeurwaarderswet). De persoonlijke financiële situatie van de gerechtsdeurwaarder kan van invloed zijn op de manier waarop hij zijn ambt uitoefent.

In het voorgestelde artikel 30b wordt het Bureau de bevoegdheid verleend om eventueel een boete of een last onder dwangsom op te leggen.

De samenloop met een eerdere bestuurlijke boete of het strafrecht is reeds geregeld in de artikelen 5:43 en 5:44 Awb.

In de Algemene wet bestuursrecht zijn bepalingen opgenomen omtrent het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom en het invorderen van een opgelegde boete of een verbeurde dwangsom. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot oplegging van een boete of een dwangsom, i.c. het Bureau, is op grond van artikel 5:10 Awb tevens bevoegd tot invordering van een opgelegde boete of een verbeurde dwangsom bij dwangbevel. Voorts is voorzien in een zwijgrecht en de bijbehorende cautie bij de uitoefening van het toezicht op grond van artikel 5:10a Awb.

Voor een aantal overtredingen van voor de gerechtsdeurwaarders geldende voorschriften is voorzien in de bevoegdheid van het Bureau om een boete of een dwangsom op te leggen. Deze bevoegdheid is beperkt tot de overtreding van voorschriften die direct verband houden met de administratieplicht van de gerechtsdeurwaarder en met de noodzaak van zicht op de financiële risico’s in de praktijk van de gerechtsdeurwaarder. Het gaat zodoende om de administratieplicht op grond van de artikelen 17 en 31 en de meldplicht ex artikel 19a. De naleving van deze voorschriften is van belang voor het goed kunnen uitoefenen van de toezicht door het Bureau. Met de boete- en dwangsombevoegdheid kan het Bureau corrigerend optreden bij deze overtredingen van administratieve aard, zonder dat een tuchtrechtelijke procedure noodzakelijk is. Het karakter van dit soort overtredingen leent zich voor een dergelijke bestuurlijke afdoening en hiermee wordt de effectiviteit het toezicht verhoogd.

Hoewel de bepalingen waarvoor het Bureau bij overtreding een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom kan opleggen, beperkt blijven tot administratie- en informatieplichten, is het voeren van een deugdelijke administratie en een behoorlijke kantoororganisatie dusdanig verweven met de goede ambtsuitoefening van een gerechtsdeurwaarder dat het niet mogelijk is dit los te zien van de algemene tuchtrechtelijke norm van optreden zoals een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt.

De KBvG heeft in de consultatie aandacht gevraagd voor het feit dat met de introductie van bestuursrechtelijke maatregelen een overlap tussen de maatregelen voor bepaald laakbaar handelen bestaat en dat hierbij een verschillend niveau van rechtsbescherming kan gelden. In het tuchtrecht wordt de beroepsbeoefenaar vaak geacht zich meewerkend te moeten op stellen, terwijl in het bestuursrecht vanwege de aard van de maatregel op een gegeven moment een zwijgrecht moet worden aangenomen. Deze constatering van de KBvG is juist. Het tuchtrecht wordt over het algemeen niet als zodanig punitief ervaren dat geen medewerking van de beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Voor het bestuursrecht is dat op een aantal punten anders. Het betekent echter niet dat beide niet naast elkaar kunnen bestaan. Het tuchtrecht is voor de afhandeling van bepaalde meer administratieve feiten steeds minder effectief bevonden. De mogelijkheid van een bestuurlijke boete ontlast de tuchtrechter zodat die meer tijd heeft voor echt op de kern van de beroepsuitoefening betrekking hebben de zaken.

Onderdeel CC (artikel 31 Gerechtsdeurwaarderswet)

De bevoegdheid tot inzage door de toezichthouder wordt nu vastgelegd in artikel 30a (nieuw). Het huidige artikel 31, tweede lid, kan zodoende komen te vervallen.

Het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 31 geeft de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder de verplichte gegevens bij het Bureau moet indienen. In de praktijk is gebleken dat het Bureau behoefte heeft aan eenvormigheid in de verslagen en dat het de voorkeur heeft dat stukken elektronisch worden ingediend.

Onderdeel DD (artikel 32 Gerechtsdeurwaarderswet)

Hetgeen in het eerste lid van artikel 32 is geregeld wordt nu opgenomen in artikel 30b, eerste lid (nieuw). Dit nieuwe artikel gaat volledig over de mogelijke handhaving door het Bureau bij de uitoefening van zijn toezichtstaak. Onderzoek door het Bureau in het kader van een tuchtrechtelijke procedure in opdracht van de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders blijft, nu apart, geregeld in artikel 32.

Onderdeel EE (artikel 33 Gerechtsdeurwaarderswet)

Voor informatie nodig bij het opstellen van een ondernemingsplan kunnen degenen die benoemd willen worden tot gerechtsdeurwaarder zich wenden tot het bestuur van de KBvG. Bij een dergelijk verzoek om informatie moet, gezien de aard van de gegevens, wel een afweging worden gemaakt over de kring van gerechtigden hiertoe. Daarom is gekozen voor de aanduiding «een ieder met een redelijk belang» en niet voor «degene die benoemd wil worden tot gerechtsdeurwaarder». Bij de laatste formulering zou het bestuur van de KBvG verplicht zijn aan een ieder die stelt te willen worden benoemd informatie te verstrekken. Nu kan gevraagd worden om bewijsstukken hiervoor.

Onderdeel FF (artikel 33a Gerechtsdeurwaarderswet)

Het voorgestelde artikel is gebaseerd op de regeling zoals die ook in 2012 voor het notariaat is ingevoerd. Op verzoek van de KBvG en het Bureau wordt de mogelijkheid gecreëerd naast het toezicht ook te komen tot een «zachtere» vorm van hulp bij de beheersing van de situatie op een gerechtsdeurwaarderskantoor dat het moeilijk heeft. De voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kan in de instructies met betrekking tot de bewindvoering zo nodig aangeven dat hij tussentijds geïnformeerd wil worden.

Onderdeel GG (artikel 34 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met deze wijziging wordt beoogd te verduidelijken dat allen die ambtshandelingen mogen verrichten tuchtrechtelijk kunnen worden aangesproken. Nu wordt aan het eind van de paragraaf over tuchtrechtspraak een en ander van overeenkomstige toepassing verklaard. De aard van het tuchtrecht brengt mee dat het de voorkeur heeft dat reeds in artikel 34, eerste lid, duidelijkheid wordt verschaft over wie onder het bereik van het tuchtrecht vallen. In de huidige formulering van artikel 34 wordt bovendien gesteld dat niet mag worden gehandeld in strijd met hetgeen een kandidaat-gerechtsdeurwaarder betaamt. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder wordt pas lid van de KBvG als hij toegevoegd is. In de nieuwe opzet zijn ook de waarnemend gerechtsdeurwaarder, kandidaat-gerechtsdeurwaarder en degenen die zijn toegevoegd aan een gerechtsdeurwaarder, lid van de beroepsorganisatie. Personen die enkel aan de opleidingsverplichting hebben voldaan zijn dat vanzelfsprekend niet. Het is dan ook niet logisch om hen wel onderdeel van de tuchtnorm te laten zijn. De Raad voor de rechtspraak heeft er op gewezen dat het vaste jurisprudentie is dat gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor fouten van hun medewerkers mits die fouten gerechtsdeurwaarders kunnen worden toegerekend. De Raad geeft in overweging dit uitgangspunt in de wet op te nemen. Daar is niet voor gekozen. De norm functioneert in de praktijk goed en wordt ook niet geraakt door de voorgestelde wijzigingen in dit artikel.

Onderdeel HH (artikel 35 Gerechtsdeurwaarderswet)

In het huidige artikel 35, derde lid, wordt gesteld dat de niet-rechterlijke leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders worden benoemd uit de gerechtsdeurwaarders. Op grond van artikel 56 Gerechtsdeurwaarderswet zijn alle in Nederland gevestigde gerechtsdeurwaarders, waarnemend gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders lid van de KBvG. In het tuchtrecht voor notarissen is het reeds gebruikelijk dat ook toegevoegd notarissen of kandidaat-notarissen zitting kunnen nemen in de kamer voor het notariaat. Eenzelfde openstelling wordt beoogd met de voorgestelde wijziging waarin de niet-rechterlijke leden van de tuchtkamer voor gerechtsdeurwaarders worden benoemd uit de leden van de KBvG. Degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid bedoelde opleiding (de aan een gerechtsdeurwaarder toegevoegde stagiaires die nog hun opleiding aan de Hogeschool moeten afronden) kunnen geen zitting hebben in de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

Onderdeel II (artikel 36 Gerechtsdeurwaarderswet)

De wijziging het eerste lid van artikel 36 ziet op een verduidelijking en beter werkzame formulering van de geheimhoudingsplicht van de tuchtrechter. De geheimhoudingsplicht zou niet zo ver moeten strekken als hij nu gezien het huidige artikel 36, eerste lid, doet. Onder het huidige artikel is het de tuchtrechter verboden informatie uit te wisselen met de toezichthouder of zelfs het tuchtdossier over te dragen aan het openbaar ministerie, terwijl op grond van artikel 13 van de Wet op de rechterlijke organisatie de geheimhoudingsplicht van de bij de rechtspraak betrokken functionarissen niet geldt indien enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Voor de tuchtrechter van gerechtsdeurwaarders wordt met de beoogde wijziging bij dezelfde systematiek aangesloten.

Onderdeel JJ (artikel 37 Gerechtsdeurwaarderswet)

Door de Raad voor de rechtspraak is er op gewezen dat in het consultatievoorstel een bepaling over de verjaring van klachten ontbrak en dat dit in de praktijk van het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders als een gemis wordt ervaren. Uiteindelijk heeft een beroepsbeoefenaar er ook op grond van het EVRM recht op dat hij op een gegeven moment niet meer wordt tuchtrechtelijk wordt geconfronteerd met in het verleden gemaakte fouten. In de jurisprudentie is dit ook ten aanzien van gerechtsdeurwaarders uiteindelijk bepaald maar een wettelijke termijn verdient inderdaad de voorkeur. In navolging van de Wet toezicht advocatuur is er voor gekozen een termijn te hanteren van drie jaar waarbij niet-ontvankelijkheid achterwege blijft als de gevolgen van het tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het instellen van een klacht één jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.

Onderdeel KK (artikel 38 Gerechtsdeurwaarderswet)

Om een adequate reactie mogelijk te maken op signalen die de KBvG als beroepsorganisatie bereiken en in de uitvoering van toezichtstaken door het Bureau, wordt met de wijziging van dit artikel beoogd dat in gevallen waarin een ernstig vermoeden is gerezen dat een gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar handelt of heeft gehandeld, een schorsing in afwachting van een beslissing hierover tevens kan worden verzocht door het bestuur van de KBvG en door het Bureau. Hiermee wordt ook voorkomen dat in ernstige gevallen de KBvG, het Bureau en de tuchtrechter min of meer noodgedwongen op elkaars signalen wachten om te kunnen optreden tegen een gerechtsdeurwaarder die over de schreef gaat, terwijl hij bevoegd blijft om ambtshandelingen te verrichten. De partijen die bevoegd zijn om de schorsing te vragen zijn ook bevoegd tegen een beslissing hierover beroep in te stellen.

Onderdeel LL (artikel 39 Gerechtsdeurwaarderswet)

In de procedure zoals geregeld in artikel 39 wordt een beslissing door de voorzitter van het tuchtcollege genomen en is de term beschikking gezien de betekenis van dit begrip onder de Awb wellicht verwarrend. De terminologie is zodoende aangepast.

Onderdeel MM (artikel 43 Gerechtsdeurwaarderswet)

In het huidige artikel 43 ontbreekt de maatregel van een waarschuwing, zoals die bij de meeste andere beroepen met een wettelijk tuchtrecht, waaronder notarissen en accountants, wel gebruikelijk is en is niet geëxpliciteerd dat een klacht gegrond kan worden verklaard zonder oplegging van een maatregel. In de praktijk is gebleken dat hieraan wel behoefte bestaat. Ook wordt verder aangesloten bij de regeling voor het notariaat ten aanzien van de beperking in de bevoegdheid om een kandidaat-gerechtsdeurwaarder of toegevoegd gerechtsdeurwaarder aan zich toe te voegen. Er is niet voor gekozen om de nu exclusief binnen het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders geldende mogelijkheid van het opleggen van de maatregel van een berisping met de aanzegging dat bij een volgende overtreding een zwaardere maatregel wordt overwogen te behouden. Deze maatregel zal vooral hebben kunnen voorzien in de leemte die kon bestaan doordat de tuchtrechter geen waarschuwing kon opleggen zodat een berisping noodzakelijkerwijs lichter moest worden gevoeld dan bij de meeste beroepen met een wettelijk geregeld tuchtrecht waar voor de berisping de maatregel van de waarschuwing bestaat. Het verdient de voorkeur de maatregelen binnen het tuchtrecht zo veel mogelijk gelijk te laten luiden. Met de aangepaste maatregelencatalogus heeft de tuchtrechter voor gerechtsdeurwaarders voldoende mogelijkheden om een bij de geconstateerde verwijtbare gedraging passende maatregel op te leggen.

Voorgesteld wordt om de hoogte van de boete die de tuchtrechter aan een gerechtsdeurwaarder kan opleggen te verhogen van de derde (maximaal € 8.100) naar de vierde categorie (maximaal € 20.250). Dit is gedaan om deze maatregel gelijk te trekken de tuchtrechtelijke boete die geldt (c.q. gaat gelden) voor het notariaat en de advocatuur.24

Met de mogelijkheid van een maatregel zoals opgenomen in het nieuwe achtste lid van dit artikel, wordt beoogd, gedurende een door de kamer te bepalen termijn, te voorkomen dat een gerechtsdeurwaarder die uit zijn ambt is ontzet, wél aan een gerechtsdeurwaarder kan worden toegevoegd. Hierdoor zou hij namelijk in de praktijk werkzaam kunnen blijven en bevoegd ambtshandelingen kunnen blijven verrichten. Het is niet nodig om te bepalen dat de tuchtrechter een termijn moet stellen waarbinnen een gerechtsdeurwaarder niet benoemd mag worden, omdat voor de benoeming altijd eerst weer recente werkervaring moet worden opgedaan. Dat kan via de toevoeging aan een gerechtsdeurwaarder. Voor het waarnemend gerechtsdeurwaardersschap geldt de eis van recente werkervaring niet, zodat deze functie hierin wel apart moet worden genormeerd.

In aansluiting op de Wet tuchtrechtspraak accountants is gekozen voor een maximale termijn van tien jaar. Dit omdat het ook mogelijk moet zijn om op enig moment aan te tonen dat er reden is voor een tweede kans in het ambt. Uiteindelijk beslist de Minister over deze toelating. In eerste instantie vanwege zijn goedkeuringsbevoegdheid bij de toevoeging. Het kan zijn dat er redenen zijn om ook na het verstrijken van de door de tuchtrechter bepaalde termijn geen toestemming te geven voor de toevoeging of een verzoek tot benoeming tot waarnemer af te wijzen. Als de tuchtrechter een termijn bepaalt waarin waarneming en toevoeging niet mogelijk is betekent dit vooral dat de Minister niet verplicht is bij verzoeken hiertoe een inhoudelijke afweging te geven. Dit voorkomt onnodige bestuursrechtelijke procedures. Overigens is het de tuchtrechter toegestaan in beide termijnen te differentiëren.

De Raad voor rechtspraak wijst er op dat de betreffende bepaling niet verbiedt dat gerechtsdeurwaarder die uit het ambt is ontzet, in een andere functie (bijvoorbeeld als juridisch medewerker) op een gerechtsdeurwaarderskantoor werkzaam zal zijn. Het is inderdaad niet de bedoeling om de tuchtrechter ook te kunnen laten beslissen dat iemand zelfs buiten het ambt en los van de ambtelijke bevoegdheden niet meer bij een bepaalde organisatie mag werken. Dat betekent echter niet dat het niet ongewenst zou kunnen zijn dat iemand die de bij het ambt horende normen en waarden niet respecteert, zijn invloed op het kantoor van gerechtsdeurwaarders uitoefent. Het is aan de beroepsgroep zelf om elkaar daarop aan te spreken. Uiteindelijk kan een gerechtsdeurwaarder er tuchtrechtelijk voor tot verantwoording worden geroepen als hij iemand voor zich op zijn kantoor laat werken die daar aantoonbaar niet thuis hoort. Binnen het notariaat heeft een tuchtrechtelijke veroordeling met die achtergrond, er toe geleid dat het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie heeft bepaald dat het een notaris of de onderneming(en) waarin de notaris zijn ambt uitoefent, niet is toegestaan om personen in dienst te nemen of op enige andere wijze samen te werken met personen die, als gevolg van een tuchtrechtelijke of gerechtelijke uitspraak, het ambt van notaris niet meer mogen bekleden of niet meer als toegevoegd of waarnemend notaris mogen optreden. Een soortgelijke explicitering kan ook worden opgenomen in de beroepsreglementering voor gerechtsdeurwaarders. Het voordeel daarvan is dat de norm zich richt tot degene die nog wel in de praktijk werkzaam is en daarop ook kan worden aangesproken.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt (Kamerstukken II, 2009–10, 32 250, nr. 7) is aan de orde geweest dat er in de praktijk onduidelijkheid wordt ervaren over de vraag of artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is op schending van een verbod tot uitoefening van een recht bij uitspraak van een tuchtrechtelijk college, zoals de schorsing of de ontzetting uit het ambt. In artikel 103 van de Wet op het Notarisambt is nu expliciet bepaald dat 195 Sr van toepassing is bij de tuchtrechtelijke uitspraken ten aanzien van notarissen. Ditzelfde wordt hier voorgesteld voor de gerechtsdeurwaarders.

Onderdeel NN (artikel 45 Gerechtsdeurwaarderswet)

De wijzigingen onder het eerste en tweede lid van dit onderdeel betreffen meer technische aanpassingen. Aan de regel dat een afschrift authentiek moet zijn, zoals dat nu nog is bepaald in het tweede lid van artikel 45 van de Gerechtsdeurwaarderswet, bestaat geen behoefte. Het gerechtshof Amsterdam heeft voldoende aan een kopie van de uitspraak.

Met het nieuwe lid in artikel 45 wordt voorzien in een behoefte uit de praktijk. Het kan ook nodig zijn om een gerechtsdeurwaarder gedurende het hoger beroep in de tuchtprocedure te schorsen. Met deze wijziging wordt een bevoegdheid daartoe ook aan het gerechtshof Amsterdam verleend.

Onderdeel OO (artikel 48 Gerechtsdeurwaarderswet)

In het kader van toezicht en in verband met de taken van de KBvG is het van belang dat zowel het Bureau als de beroepsorganisatie zo spoedig mogelijk zijn geïnformeerd als een tuchtrechtelijke uitspraak onherroepelijk is geworden. Om dit zo veel mogelijk te garanderen wordt de griffier van het gerechtshof ook verplicht een afschrift van de beslissing aan de KBvG en het Bureau te sturen.

Onderdeel PP (artikel 49 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met de voorgestelde wijziging worden de tuchtmaatregelen van artikel 43 zo veel mogelijk van toepassing op de toegevoegd gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders. Zij kunnen worden gewaarschuwd en berispt en aan hen kan zelfstandig een boete worden opgelegd. Omdat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet worden benoemd kunnen zijn niet in de uitoefening van het ambt worden geschorst of de maatregel van ontzetting opgelegd krijgen. Daarom wordt hier geregeld dat het de ontzegging van de bevoegdheid om als toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder op te treden kan worden opgelegd. In artikel 43 is al bepaald dat de gerechtsdeurwaarder de maatregel van en – al dan niet tijdelijk – verbod op het aan zich toevoegen kan worden opgelegd.

Onderdeel QQ (artikel 52 Gerechtsdeurwaarderswet)

Door de nieuwe opsomming van de maatregelen en toevoeging van de maatregel tot intrekking van de bevoegdheid tot toevoegen zijn de onderdelen in artikel 43, tweede lid, opnieuw geletterd.

Verder is rekening gehouden met de verruiming van de nationaliteitseis in artikel 5.

Onderdeel RR (artikel 56 Gerechtsdeurwaarderswet)

Toegevoegde gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders zijn met de wijziging van paragraaf 2 van hoofdstuk III twee aparte figuren. Beide zijn lid van de beroepsorganisatie. Door de verdere wijziging van dit artikel wordt het bepaalde over de vestigingsplaats van de KBvG weer in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Het bureau van de KBvG is een aantal jaar geleden verhuisd naar ’s-Gravenhage. De formele vestiging van de beroepsorganisatie, als rechtspersoon, is zodoende ook daar aangewezen.

Onderdeel SS (artikel 57 Gerechtsdeurwaarderswet)

Artikel 57, tweede lid, biedt in de nieuwe formulering een duidelijke grondslag voor het stellen van materiële kwaliteitseisen middels de verordenende bevoegdheid van de KBvG.

Er wordt in het nieuwe derde lid van artikel 57 een grondslag geschapen voor de vaststelling bij verordening een geschillenregeling, waaronder de instelling van de geschillencommissie.

Onderdeel TT (artikel 57a Gerechtsdeurwaarderswet)

De KBvG heeft nadrukkelijk tot taak om de goede beroepsuitoefening van de gerechtsdeurwaarders te bevorderen. Het nieuwe artikel 57a geeft de mogelijkheid voor de toetsing van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van gerechtsdeurwaarders onder verantwoordelijkheid van de KBvG. De KBvG voert de kwaliteitstoetsen niet zelf uit maar draagt zorg voor een systeem waarin de gerechtsdeurwaarder verplicht is een deskundige te laten rapporteren over de kwaliteit van de inrichting van zijn kantoor en de werkzaamheden die daar worden verricht. Dit rapport zal worden beoordeeld door een onafhankelijk commissie die advies uitbrengt aan het bestuur van de KBvG. Op grond van dit advies kan het bestuur overwegen nadere maatregelen te nemen.

In de consultatie heeft de KBvG gevraagd deze bepaling niet in het wetsvoorstel op te nemen omdat het tweede lid «zeer verstrekkende bevoegdheden geeft aan de door het bestuur aangewezen deskundigen». Het tweede lid van het nieuwe artikel 57a verklaart een aantal toezichtsbevoegdheden uit de Awb van overeenkomstige toepassing op de door het bestuur aangewezen personen. Dit is nodig om tot een gedegen kwaliteitstoetsing te kunnen komen. De kwaliteitstoetsing mag niet volledig afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van de beroepsbeoefenaar. Voor de opzet van deze regeling is aangesloten bij de regeling zoals die geldt voor het notariaat. Daar zijn goede ervaringen opgedaan.

Onderdeel UU (artikel 60 Gerechtsdeurwaarderswet)

Dit betreft een terminologische aanpassing

Onderdeel VV (artikel 61 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met deze wijziging wordt de mogelijkheid gegeven in de toekomst met een kleiner bestuur te werken en wordt het afspiegelingsvereiste aangepast aan de nieuwe figuur van de toegevoegd gerechtsdeurwaarder.

Onderdeel WW (artikel 63 Gerechtsdeurwaarderswet)

In aansluiting op de herziening van de gerechtelijke kaart zijn bij de beroepsorganisaties van notarissen en advocaten herschikkingen ontstaan in de inrichting en borging van de democratische legitimatie van de van de organen van de publiekrechtelijke beroepsorganisaties. Het aantal leden van de ledenraad van de KNB is, doordat er minder arrondissementen zijn gekomen, van 38 naar 22 gedaan. Ook het college van afgevaardigden van de NOvA zal na de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur met ongeveer een derde worden verkleind. Bij de ledenraad van de KBvG is bij de instelling van de publiekrechtelijke beroepsorganisatie niet gekozen voor een vertegenwoordiging op basis van de indeling van de arrondissementen, omdat de beroepsgroep daarvoor niet groot genoeg was. Het aantal leden van de ledenraad is destijds gesteld op dertig met voor ieder lid een plaatsvervanger. Dat aantal is in vergelijking met de andere organisaties hoog en staat niet in dezelfde verhouding, gezien het feit dat de KBvG rond de 950 leden heeft. Het aantal leden van de ledenraad wordt daarom terug gebracht naar 15 waarbij tevens het idee van de noodzaak van «regionale representatie» wordt losgelaten. Met de herziening van de gerechtelijke kaart is het aantal ressorten van vijf naar vier gegaan. Gerechtsdeurwaarders voelen zich, ook omdat zijn landelijk bevoegd zijn, waarschijnlijk minder met het resort waar zij gevestigd zijn verbonden dan bijvoorbeeld advocaten met hun arrondissement, zodat deze eis inmiddels geen toegevoegde waarde meer heeft.

Onderdeel XX (artikel 75 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met deze wijziging wordt een discrepantie tussen artikel 74, waarin staat dat ten minste vijfentwintig leden nodig zijn om een vergadering bijeen te laten roepen, en het huidige artikel 75, dat bepaalt bij een vergadering dertig leden nodig zijn om beslotenheid op te leggen, hersteld. Bij het opstellen van de Gerechtsdeurwaarderswet is aansluiting gezocht bij de Wet op het notarisambt. Bij de totstandkoming van de wet is het volgende aangegeven:

«De voorgestelde regeling komt nagenoeg overeen met die van het notariaat. Een kleine aanpassing heeft in artikel 47s (na vernummering 74) plaatsgevonden in verband met de geringere omvang van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders. Genoemd artikel verlangt een aantal van ten minste 25 leden (in de Wna: 50) om het bestuur een buitengewone ledenvergadering bijeen te laten roepen».25

Het artikel dat volgt gaat in de Wet op het notarisambt ook uit van dertig leden. Dat is dus minder dan de vijftig die nodig zijn voor de oproep. Het aantal van dertig is destijds in het voorstel voor de in de Gerechtsdeurwaarders niet aangepast volgens dezelfde redenering over de omvang van de beroepsgroep. Deze aanpassing wordt nu alsnog doorgevoerd, waarbij er wel rekening mee is gehouden dat de minderheid die hiertoe kan besluiten niet te klein mag worden.

Onderdeel YY (artikel 79 Gerechtsdeurwaarderswet)

Met deze wijziging wordt verduidelijkt dat de begroting voor de beroepsorganisatie door de algemene ledenvergadering wordt vastgesteld. In de huidige formulering, ook in artikel 76, is dat wat impliciet weergegeven. Daarbij is er tevens voor gekozen om de termijn die in het tweede lid wordt gesteld voor de overlegging van de gegevens over het afgelopen boekjaar, niet tegelijk te laten gelden voor de in te dienen ontwerpbegroting. Deze termijn wordt daarvoor in de praktijk als te krap ervaren. Het is wel van belang dat het bestuur de ontwerpbegroting voor advies aan de ledenraad doet toekomen alvorens deze ten behoeve van de algemene ledenvergadering bekend wordt gemaakt. Het bestuur zal deze adviesfunctie van de ledenraad op dit punt voldoende inhoud moeten blijven geven, door de ledenraad de stukken voldoende van te voren toe te sturen.

Artikel II

Dit artikel regelt dat de voorgestelde bepaling in de Wet tot wijziging van de Wet op het notarisambt en enkele andere wetten in verband met onder meer een gewijzigde regeling van de legalisatie van handtekeningen van notarissen, waarvan is toegezegd dat deze niet in werking zal treden (zie hierover verder de toelichting bij Artikel III), komt te vervallen.

Artikel III

Op grond van de in dit artikel opgenomen wijziging van de Wet op het notarisambt is een klacht niet langer niet-ontvankelijk als de gevolgen van het handelen of nalaten van een notaris redelijkerwijs pas na verloop van de termijn van drie jaar bekend zijn geworden. De klacht moet dan wel binnen een jaar nadat deze gevolgen bekend zijn geworden de klacht indienen. Dit geeft een redelijk handelend klager voldoende mogelijkheden.

In het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op het notarisambt en enkele andere wetten in verband met onder meer een gewijzigde regeling van de legalisatie van handtekeningen van notarissen dat op 1 juli 2014 deels in werking is getreden, was een bepaling opgenomen die een relativering met zich bracht op de vervaltermijn voor tuchtklachten in artikel 99, vijftiende lid, Wet op het notarisambt.26 De daarbij voorgestelde verruiming van de mogelijkheid om ook na het verstrijken van de in de wet genoemde driejaarstermijn nog ontvankelijk te zijn in een tuchtklacht, leidde in de Eerste Kamer tot de vraag of de relatief lange termijn van onzekerheid voor notarissen die dit tot gevolg zou hebben niet te onredelijk was. Tegelijkertijd was er ook het besef dat het kan voorkomen dat de cliënt van een notaris zich pas op langere termijn realiseert dat deze een fout heeft begaan, vooral omdat hij niet altijd kan overzien wat de gevolgen van dat handelen zijn. Het is onwenselijk wanneer een notaris die – achteraf gezien – evident en soms zelfs opzettelijk tuchtwaardig heeft gehandeld een tuchtzaak kan ontlopen als gevolg van het feit dat de klager op het moment van kennisname van de gedraging redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van het tuchtwaardige karakter ervan. Besloten is de voorgestelde wetswijziging op dit punt niet in werking te laten treden. Aan de Eerste Kamer is toegezegd in het onderhavige wetsvoorstel een wijziging in de Wet op het notarisambt op te nemen die een aanvulling op de verjaringstermijn geeft die materieel gelijk is aan die welke in de Advocatenwet zal worden opgenomen ten gevolge van de Wet positie en toezicht advocatuur.27

Artikel IV

Met de nieuwe regeling van de mogelijkheid om een persoon aan een gerechtsdeurwaarder toe te voegen en zo bevoegd in diens naam ambtshandelingen te verrichten, is overgangsrecht nodig om de benamingen kandidaat-gerechtsdeurwaarder en toegevoegd gerechtsdeurwaarder direct van toepassing te laten zijn op degenen die nu nog toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder heten.

Zoals ook in de toelichting bij artikel I, onderdelen U en X is aangegeven, verandert er weinig in de feitelijke situatie, maar wordt er in de benaming een duidelijker onderscheid aangebracht tussen degene die wordt toegevoegd terwijl hij zelf nog niet benoemd zou kunnen worden en degene die in principe voldoende vakbekwaam is om benoemd te worden, maar niet kiest (gekozen heeft) voor het ondernemerschap.

Allen die nu toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn en genoeg werkervaring hebben worden toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Het in het tweede lid van het nieuwe artikel 27 Gerechtsdeurwaarderswet opgenomen maximum van drie toegevoegd gerechtsdeurwaarders was reeds eerder vastgelegd in het Besluit toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders.

Voor de nog in behandeling zijnde aanvragen tot benoeming, of waarover nog een bestuursrechtelijke procedure loopt, en lopende zaken bij de tuchtrechter, is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft.

Nog niet afgehandelde verzoeken tot toevoeging worden gevoegd onder de nieuwe wettelijke regeling.

Het maximum aantal gerechtsdeurwaarders aan wie met toegevoegd mag worden wordt geëffectueerd door te bepalen dat alleen de nog geldende toestemming voor de twee «oudste» toevoegingen van kracht blijft.

In de internetconsultatie is gevraagd om overgangsrecht te maken voor mensen die zich tot de inwerkingtreding van deze wet kandidaat-gerechtsdeurwaarder mochten noemen zonder toegevoegd te zijn aan een gerechtsdeurwaarder en dus zonder lid te zijn van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders. Aan deze onwenselijke situatie beoogt de nieuwe opzet van de regeling voor de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en toegevoegd gerechtsdeurwaarder juist een einde te maken. Er wordt daarom niet voorzien in bestendiging van een recht op het gebruik van deze titel voor reeds bestaande gevallen.

Artikel V

Er is gekozen voor inwerkingtreding bij koninklijk besluit, met de mogelijkheid te differentiëren in de inwerkingtreding van de verschillende onderdelen. Dit om zeker te stellen dat de diverse gevolgen van de wijzigingen met name rond het nieuwe titelgebruik en de registratie in het gerechtsdeurwaardersregister op elkaar af gestemd – en waar nodig gefaseerd – doorgevoerd kunnen worden.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VI, nr. 13.

X Noot
2

Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 64.

X Noot
3

Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 87.

X Noot
4

ECLI:NL:GHAMS:2014:3717.

X Noot
5

Kamerstukken II 1996/97, 24 036 en 22 775, nr. 61, p. 1.

X Noot
6

Zie hierover ook: de Nationale ombudsman, Met voeten getreden; Schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders, 2 november 2013, 2013/150.

X Noot
7

Kamerstukken II, 1999/2000, Handelingen, nr. 75, p. 4920 e.v.

X Noot
8

Kamerstukken II, 1991/92, 22 775, nr. 3 p. 21–22.

X Noot
9

Zie advies Raad van State d.d. 24 september 2009, Kamerstukken II, 2009/10, 32 250, nr. 4.

X Noot
10

Kamerstukken II 2009/10, 32 123 VI, nr. 87.

X Noot
11

Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 83, p. 2.

X Noot
12

Zie bijlage 1 bij Kamerstukken II 2013/14, 25 268, nr. 83.

X Noot
13

«Kaderstellende visie op toezicht», Kamerstukken II, 2000/01, 27 831, nr. 1, p. 7.

X Noot
15

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
16

Kamerstukken I, 2000/01, 22 775 en 23 081, nr. 109, p. 3–4.

X Noot
17

De Nationale ombudsman, Met voeten getreden; Schendingen van de beslagvrije voet door gerechtsdeurwaarders, 2 november 2013, 2013/150, p. 3.

X Noot
18

Kamerstukken I, 2000/01, 22 775 en 23 081, nr. 109, p. 3.

X Noot
19

Kamerstukken II, 2012/13, Aanhangsel van de handelingen, 2667.

X Noot
21

Kamerstukken II, 2011/12, Aanhangsel van de handelingen, 2310.

X Noot
22

ECLI:NL:RBNNE:2013:5532.

X Noot
23

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI9339. Verder in dezelfde lijn: ECLI:NL:RBSHE:2008:BC9363 en ECLI:NL:RBAMS:2009:BK6080.

X Noot
24

Zie artikel 103a, eerste lid, Wna en het in het wetsvoorstel tot Aanpassing van de Advocatenwet en enige andere wetten in verband met de positie van de advocatuur in de rechtsorde en herziening van het toezicht op advocaten (Wet positie en toezicht advocatuur) voorgestelde artikel 48aa, eerste lid, Advocatenwet (Kamerstukken I, 2013/14, 32 382, A, p. 30).

X Noot
25

Kamerstukken II 1998/99, 22 775, nr. 14, p. 43.

X Noot
26

Kamerstukken I, 2013/14, 33 569, nr. A, p. 5.

X Noot
27

Handelingen EK 2013/14, nr. 30, item 8.