Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2000-200122775 nr. 109

22 775
Gerechtsdeurwaarderswet

23 081
Wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet ter nadere regeling van de gevolgen van ambtshandelingen van gerechtsdeurwaarders die in strijd zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat

nr. 109
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 23 november 2000

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen van de in het verslag aan het woord zijnde leden. In deze memorie zal ik, naar ik hoop genoegzaam, ingaan op die vragen.

Met de leden van de CDA-fractie betreur ik dat sinds de indiening van het wetsvoorstel op 9 september 1992 – inmiddels ruim – acht jaren voorbij zijn gegaan alvorens de behandeling in de Eerste Kamer kan plaatshebben. Ik hoop en verwacht echter dat door beantwoording van de gestelde vragen het wetsvoorstel nu spoedig kan worden afgehandeld.

De leden van de CDA-fractie, hechtend aan een meer betrokken rol van de overheid dan in het wetsvoorstel weergegeven, hebben gevraagd welke concrete mogelijkheden er zijn – naast mogelijke horizonbepalingen in gedragsregels – om binnen de nu voorgestelde goedkeuringsvereisten te komen tot een structurele beoordeling van verordeningen. Ook de leden van de SGP-fractie en de RPF/GPV-fractie vroegen de gang van zaken rond de beoordeling toe te lichten. Deze leden vroegen of limitatief kan worden aangegeven welke toetsingscriteria in de goedkeuringsprocedure zullen gelden.

De ervaringen met advocatuur en – sinds 1 oktober 1999 – notariaat leren dat de mogelijkheden voor een structurele beoordeling zich op meerdere momenten in het proces van totstandkoming en goedkeuring van een verordening aandienen. Allereerst tijdens het – informele – overleg tussen Justitie en de publiekrechtelijke beroepsorganisatie over ontwerp-besluiten. Hierbij is van belang dat het in 1995 uitgebrachte – en door de regering overgenomen advies van de Interdepartementale MDW-werkgroep Domeinmonopolie advocatuur – aanleiding is geweest de toetsing van verordeningen aan de bevoegdheden aan te scherpen. In de praktijk betekent dit dat medewerkers van mijn ministerie al in een vroeg stadium bij de totstandkoming en beoordeling van concept-verordeningen betrokken worden. Ontwerpen worden voor commentaar aan Justitie voorgelegd en daarbij systematisch aan de hand van de toetsingscriteria doorgelopen. Concreet gaat het om de vraag of de verordening tot doel heeft een onderwerp te regelen waarvan de Gerechtsdeurwaarderswet nadere regeling voorschrijft. Er dienen immers slechts regels te worden gesteld voor onderwerpen waarvoor een regelgevende bevoegdheid is toegekend (art. 80, eerste lid, van het wetsvoorstel). Een tweede punt van toetsing betreft de vraag of de verordening wel het lichtst mogelijke middel bevat om het gestelde publieke doel te bereiken en niet leidt tot onnodige beperking van de marktwerking (art. 80, tweede lid). In de derde plaats wordt bezien of de verordening in overeenstemming met algemene rechtsregels is. Aan verordeningen die niet aan deze criteria voldoen, zal goedkeuring worden onthouden op grond van het criterium «strijd met het recht» (artikel 82, eerste lid). Het vierde toetsingselement is de vraag of de verordening daadwerkelijk is gericht op de bescherming van een algemeen belang en of daarbij geen overwegingen van intern groepsbelang een rol spelen (art. 82, eerste lid).

Deze «voorhangprocedure» verschaft niet alleen ruime mogelijkheden voor beïnvloeding, maar leidt er ook toe dat de toetsingscriteria een rol spelen vanaf het moment dat binnen een publiekrechtelijke beroepsorganisatie aan de totstandkoming van een verordening wordt gewerkt. Dit proces eindigt niet met de goedkeuring. Ook na het van kracht worden van een verordening wordt de werking van de verordeningen in de praktijk gevolgd. In voorkomende gevallen wordt de beroepsorganisatie op de werking van een verordening aangesproken. Deze toetsingsmomenten rechtvaardigen naar mijn mening de conclusie die ik eerder in de nota naar aanleiding van het nader verslag heb uitgesproken (nr. 16), namelijk dat preventief toezicht een relatief zwaar middel is dat de overheid in staat stelt om op een indringende wijze toezicht uit te oefenen op de door de publiekrechtelijke beroepsorganisatie te stellen regels.

Deze leden vragen voorts naar de onderlinge verhouding tussen de artikelen 80, tweede lid, en artikel 82, eerste lid. In laatstgenoemd artikellid is bepaald dat de door de publiekrechtelijke beroepsorganisatie op te stellen verorderingen de goedkeuring van de minister behoeven. Als goedkeuringsgronden worden genoemd: strijd met het recht of het algemeen belang. Artikel 80, tweede lid, stelt aan verordeningen onder andere de eis dat zij niet onnodig de marktwerking beperken. Hieruit volgt, dat de minister bij goedkeuring van verordeningen, in het kader van de toetsingsgrond «strijd met het recht», onder andere aan deze wettelijke eis zal moeten toetsen. Artikel 80, tweede lid, geeft daarmee invulling aan artikel 82, eerste lid. Niet aan de toetsingsgrond «algemeen belang», maar aan die van «strijd met het recht». Verdedigbaar is echter dat, ook bij gebreke van een wettelijke bepaling over beperking van marktwerking, de minister wel degelijk zou kunnen toetsen of een verordening niet onnodig de marktwerking beperkt, maar dan in het kader van het «algemeen belang». Mijn opmerking aan het eind van de plenaire behandeling in de Tweede Kamer was hierdoor ingegeven. Voor alle duidelijkheid zet ik dat hierbij graag recht. Ik voeg daar nog aan toe dat artikel 80, tweede lid – over de noodzaak waarvan men, zoals uit het voorgaande blijkt, van mening kan verschillen – geïnspireerd is door de Notariswet, meer in het bijzonder art. 89, tweede lid, van de Notariswet, dat bij amendement in de wet is opgenomen (amendement De Koning/B. M. de Vries, Tweede Kamer 1997/98, 23 706, nr. 28).

Deze leden vragen mij tevens, zo mogelijk met concrete voorbeelden te illustreren, wat onder een onnodige belemmering van de marktwerking zou kunnen of moeten worden verstaan. De materiële invulling van het begrip onnodige belemmering van de marktwerking houdt in dat alleen die restrictieve regels mogen worden gesteld die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het beroep. Met andere woorden: zonder dergelijke regels zou de uitoefening van het ambt niet mogelijk zijn, ze zijn als het ware inherent aan de uitoefening van het ambt. Hieruit vloeit voort dat de mededinging alleen dan mag worden beperkt of de belangen van de gerechtsdeurwaarder alleen dan mogen worden meegenomen indien dit gelet op de context die eigen is aan het ambt noodzakelijk is om de professionele onafhankelijkheid, de (vak)bekwaamheid, de integriteit en de onpartijdigheid te waarborgen, om belangenconflicten en misleidende reclame te vermijden. Een – fictief – voorbeeld van onnodige beperking van de marktwerking vormt de situatie waarin de publiekrechtelijke beroepsorganisatie bij verordening ten behoeve van de kwaliteit van de beroepsuitoefening regels vaststelt voor permanente bijscholing die feitelijk dusdanig kostenverhogend werken dat in de praktijk alleen grote kantoren aan de opgelegde permanente bijscholingsverplichting kunnen voldoen. Een ander – eveneens fictief – voorbeeld is de situatie dat bij verordening niet alleen het voeren van een geautomatiseerde administratie wordt voorgeschreven, maar de regelgeving ertoe leidt dat de gerechtsdeurwaarder – indirect – wordt gedwongen bepaalde softwarepakketten te gebruiken, dan wel dat het voorschrift vanwege kostenverhogende effecten de concurrentie onevenredig gaat belemmeren. Overigens wijs ik erop dat de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders geen verordeningsbevoegdheid wordt toegekend ten aanzien van«marktwerkingsgevoelige»onderwerpen als vestigingsbeleid en tarieven, hetgeen het risico op met marktwerking strijdige verordeningen verkleint.

Deze leden hebben tevens gevraagd naar de samenloop van de voorgestelde tuchtrechtspraak met het klachtrecht bij de Nationale ombudsman. Zij brachten hierbij in herinnering dat de regering de reikwijdte van de regeling van het tuchtrecht aanvankelijk had beperkt tot ambtshandelingen, maar uit een oogpunt van rechtsbescherming van de burger bij nota van wijziging (nr. 6) ervoor heeft gekozen om de reikwijdte uit te breiden met de niet-ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder. Als bezwaar werd toentertijd gezien dat het in het oorspronkelijke systeem voor de burger niet altijd even duidelijk zou zijn welke weg hij moest volgen: afhankelijk van de vraag of het ging om ambtelijke dan wel niet ambtelijk werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder moest de burger met zijn klacht terecht bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders respectievelijk een klachtencommissie van de KVG. Voor een dergelijke verwarring is onder het huidige wetsvoorstel mijns inziens niet te duchten. De burger kan met een klacht over het functioneren van een gerechtsdeurwaarder altijd bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders terecht. Slechts wanneer de klacht betrekking heeft op een ambtshandeling kan hij, in plaats daarvan, ook ervoor kiezen om de Nationale ombudsman in te schakelen, overigens nadat hij de desbetreffende gerechtsdeurwaarder conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid heeft gesteld op de klacht te reageren. Voor de burger is het dan ook meer een kwestie van en/en dan of/of. Daarbij teken ik aan dat de commissie-Van der Winkel in het kader van haar onderzoek een helder overzicht van ambtshandelingen zal geven, hetgeen voor de praktijk eveneens meer duidelijkheid schept over de klachtmogelijkheden bij de Nationale ombudsman.

Ik erken dat deze samenloop tussen tuchtrecht en klachtrecht bij de Nationale ombudsman niet de schoonheidsprijs verdient (zie ook nota naar aanleiding van het nader verslag (nr. 16, p. 18–19). Zoals ik ook bij de plenaire behandeling in de Tweede Kamer heb aangegeven zijn er op zichzelf redenen om die samenloop nog eens kritisch onder de loep te nemen. Hetzelfde heeft de Commissie- Van Delden (werkgroep Toezicht notariaat, november 1999) geconcludeerd ten aanzien van de beroepsgroep van de notarissen, waar de samenloop zich eveneens voordoet. Vanuit de praktijk in het notariaat hebben mij tot op heden geen signalen bereikt dat dit om direct ingrijpen van de wetgever vraagt. Het is daarom mijn bedoeling om mede in licht van de zich ontwikkelende praktijk bij de gerechtsdeurwaarders deze kwestie – voor de beide beroepsgroepen – verder op te pakken. Een uitzondering op de Wet Nationale ombudsman, zoals de hier aan het woord zijnde leden voor de gerechtsdeurwaarders bepleiten, acht ik – op termijn – niet uitgesloten (zie ook nota naar aanleiding van het nader verslag, t.a.p.). Anders dan deze leden denk ik echter niet dat het mogelijk is dat een – eventuele – uitzondering reeds op het moment van inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderwet te realiseren zou zijn.

De leden van de CDA-fractie merkten op dat zij begrip hebben voor de gehanteerde argumenten de leden van de Stichting garantiefonds niet van het publiekrechtelijke toezicht op de financiën vrij te stellen. Deze leden hechten echter wel waarde aan een maximale beperking van overlap. Zij vroegen of meer precies kan worden aangegeven welke gegevens het Bureau financieel toezicht (BFT) in de centrale rol van onafhankelijk toezichthouder nodig heeft en welke rol de Stichting garantiefonds daar mogelijk bij zou kunnen spelen vanuit de gedachte dat bureaucratisering dient te worden voorkomen.

Met deze leden ben ik het graag eens dat bij het toezicht op de financiën van de gerechtsdeurwaarder bureaucratisering dient te worden voorkomen. Indien door de accountant van de Stichting garantiefonds bepaalde controlewerkzaamheden zijn verricht, heeft het geen zin dat de accountant van het BFT deze werkzaamheden over gaat doen. Het is niet de bedoeling controle op controle te stapelen. Vanuit die optiek wordt door het BFT dan ook het overleg met de KVG en de Stichting garantiefonds over de praktische inrichting van het financiële toezicht gevoerd. Voor de inrichting is van belang dat het BFT het toezicht zowel goed als doelmatig kan uitvoeren. In beginsel vindt het toezicht plaats door een jaarlijkse beoordeling van de door de gerechtsdeurwaarder in te dienen jaarstukken van zijn kantoor- en privé-administratie. Daarnaast wordt periodiek een onderzoek op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder uitgevoerd. Het onderzoek ter plaatse zal uiterlijk twee jaar na benoeming plaatsvinden en vervolgens in beginsel om de vijf jaar. Naast het normale toezicht kan er, afhankelijk van de omstandigheden waarin het kantoor en/of de gerechtsdeurwaarder zich privé bevindt, sprake zijn van aanscherping (oplettend en verscherpt toezicht). In dergelijke situaties zal er sprake zijn van verdergaande controle werkzaamheden van het BFT. Voor de Stichting garantiefonds geldt dat aan de deelnemende gerechtsdeurwaarders hoge eisen worden gesteld wat betreft bedrijfsvoering, inrichting van de administratieve organisatie en solvabiliteitmarge. De leden van de Stichting vormen daarom voor het BFT een laag risico. Op deze gerechtsdeurwaarders zal dus in beginsel een normaal toezicht plaatsvinden. Of – en in hoeverre – het BFT daarbij verder gebruik kan maken van de controlewerkzaamheden van de accountant van de Stichting hangt af van een aantal factoren zoals onder andere: (1) de eisen die de Stichting garantiefonds aan potentiële deelnemers stelt. (2) De wijze waarop de Stichting screent (initieel en periodiek). (3) De mate waarin de Stichting – periodiek – aan het BFT inzicht wenst te gegeven in de uitkomsten van de screening. Over deze factoren – die normaliter tot tijdbesparing leiden bij periodiek onderzoek ter plaatse – vindt nu overleg tussen het BFT en de Stichting garantiefonds plaats.

In antwoord op de vraag van de leden van SGP-fractie en de RPF/GPV-fractie of nog vóór de afhandeling van het wetsvoorstel zicht op een concrete regeling tussen het BFT en de Stichting garantiefonds wordt geboden, kan ik slechts melden dat het overleg gaande is.

Ik ben het graag met de leden van de CDA-fractie eens dat in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, de geregistreerde partner moet worden toegevoegd. Aanpassing van het wetsvoorstel aan de op 1 januari 1998 in werking getreden regeling van titel 5a van het Burgerlijke Wetboek inzake geregistreerd partnerschap is abusievelijk achterwege gebleven. Dit zal bij eerste gelegenheid worden rechtgezet.

De hier aan het woord zijnde leden hebben tevens gevraagd om een toelichting op het onderscheid tussen nietigheid en vernietigbaarheid van ambtshandelingen, zoals dat in artikel 3, vijfde lid, jo. tweede en vierde lid, van het wetsvoorstel is neergelegd. Deze leden merken op dat ambtshandelingen ten behoeve van of gericht tegen bepaalde bloed- en aanverwanten van de gerechtsdeurwaarder of diens echtgenoot (lid 2) nietig zijn en die ten behoeve van of gericht tegen bepaalde bloed- of aanverwanten van een persoon met wie hij duurzaam samenwoont (lid 4) vernietigbaar.

In de memorie van toelichting is betoogd dat het ten opzichte van de huidige regeling van de bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder nieuw voorgestelde vierde lid een aanpassing vormt aan «moderne omstandigheden» (nr. 3, p. 16). Ik constateer dat het bij indiening van het wetsvoorstel kennelijk in de rede lag om de (on)bevoegdheidsregels voor de in lid 2 en 4 genoemde (familie)relaties gelijk te trekken, maar om aan overtreding van de bevoegdheidsregels een verschillend rechtsgevolg te verbinden (nietigheid van rechtswege tegenover vernietigbaar waarbij het van de wil van een bepaalde persoon afhankelijk is of de ambtshandeling nietig zal zijn). Dat onderscheid valt – in déze moderne tijd – naar mijn mening niet goed meer te maken. Ook hiervoor geldt dat bij eerste gelegenheid zal worden bezien op welke manier dit onderscheid kan worden opgeheven. Daarbij wil ik ook betrekken de vraag welk doel voor ogen heeft gestaan bij het opnemen van deze bepalingen in het wetsvoorstel (er is sprake van een uitbreiding van de «onbevoegdheden» van de gerechtsdeurwaarder ten opzichte van het huidige artikel 16 Rv.) en of de sanctie van nietigheid of vernietigbaarheid bij het niet in acht nemen van deze bepalingen wel noodzakelijk is, mede in het licht van het streven naar deformalisering van het burgerlijk procesrecht.

Naar aanleiding van de voorgestelde regeling van het tuchtrecht hebben deze leden gevraagd of het niet wenselijk zou zijn om een termijn op te nemen waarbinnen de kamer voor gerechtsdeurwaarders resp. het gerechtshof een beslissing moeten nemen. In antwoord hierop merk ik het volgende op. Tuchtrechtspraak is een vorm van rechtspraak. Ook tuchtrechtspraak moet daarom voldoen aan de (internationaalrechtelijke) eisen die aan rechtspraak worden gesteld, zoals onder andere de eis van afdoening binnen een redelijke termijn (artikel 6 EVRM). Daarbij zij aangetekend dat deze eis niet alleen ziet op de maximale doorlooptijd van het beroep bij de rechter, maar ook op het tijdsverloop tussen de klachtwaardige gedraging en de beoordeling door de rechter. De eis van een redelijke termijn brengt met zich mee dat de kamer voor gerechtsdeurwaarders resp. het gerechtshof te Amsterdam in staat moeten worden gesteld tuchtzaken tijdig af te doen. Deze leden doelen met hun vraag om een rechterlijke beslistermijn in de wet op te nemen waarschijnlijk op het algemene gevoelen dat de doorlooptijden van rechterlijke procedures achterblijven bij het maatschappelijk tempo van het rechtsverkeer. Mijn antwoord daarop is dat in algemene zin thans reeds aan verbetering van de doorlooptijden van rechterlijke procedures wordt gewerkt in het kader van de modernisering van de rechterlijke organisatie (o.a. Contourennota modernisering rechterlijke organisatie, «Rechtspraak in de 21 eeuw», Kamerstukken II 1998/99, 26 352, nr. 2). Het opnemen van een rechterlijke beslistermijn in de wet, zoals deze leden voorstellen, komt mij niet wenselijk voor. Allereerst omdat overschrijding van de gestelde termijn moeilijk te sanctioneren valt. Het opnemen van een rechterlijke beslistermijn in een specifieke wet heeft in de praktijk bovendien alleen zin wanneer het rechterlijke college de aan de termijn gebonden zaken voorrang kan geven boven andere zaken. Daarvan is bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders c.q. het gerechtshof geen sprake omdat zij alleen gerechtsdeurwaarderstuchtzaken behandelen. In de door het kabinet recent aan de Tweede Kamer toegezonden notitie over termijnen voor bestuur en rechter (Kamerstukken II 2000/01, 27 461, nr. 1, par. 3) wordt meer uitgebreid ingegaan op de voors en tegens van rechterlijke termijnstelling. Kortheidshalve volsta ik met op deze plaats daarnaar te verwijzen.

Deze leden stelden voorts enkele vragen over de openbaarheid van de tuchtrechtelijke procedure. Anders dan deze leden menen bepaalt het wetsvoorstel wel uitdrukkelijk dat de uitspraak van de kamer voor gerechtsdeurwaarders, op straffe van nietigheid, in het openbaar wordt gedaan (artikel 43, eerste lid). In aanvulling daarop bepaalt artikel 43, derde lid – door deze leden aangehaald – dat de beslissing tot oplegging van een maatregel openbaar kan worden gemaakt indien het belang van de kwaliteit van de beroepsuitoefening dat vordert. Dit betekent dat de kamer voor gerechtsdeurwaarders als bijkomende tuchtrechtelijke maatregel kan besluiten dat de maatregel ook anderszins – actief – op een door de kamers voorschreven wijze openbaar wordt gemaakt.

Artikel 49, onderdeel b, van het wetsvoorstel riep bij deze leden de vraag op waarom bij de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, tegen wie door de kamer voor gerechtsdeurwaarders een bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, in tegenstelling tot de (waarnemend-)gerechtsdeurwaarders geen geldboete of schorsing kan worden opgelegd. Mijn antwoord daarop is, dat van een schorsing geen sprake kan zijn, omdat schorsing in de Gerechtsdeurwaarderswet betekent opschorting van de bevoegdheid tot het verrichten van ambtshandelingen, en de kandidaat-gerechtsdeurwaarder resp. toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder geen resp. niet op eigen titel ambtshandelingen kunnen verrichten. Welke redengeving ten grondslag ligt aan de bepaling dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder geen geldboete kan worden opgelegd valt niet precies te achterhalen. Vermoedelijk is dit niet passend geacht omdat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder veelal in dienstbetrekking werkzaam is, en derhalve in een gezagsverhouding tot zijn werkgever staat.

Het doet mij genoegen dat de leden van de VVD-fractie met instemming van het wetsvoorstel hebben kennisgenomen. Hoewel zij in het algemeen nogal terughoudend zeiden te staan tegenover de publiekrechtelijke bedrijfs- (of beroeps-)organisatie, zien zij in dit geval weinig reden tot zorg. Hun opmerking in dit verband over de aanwezigheid van toezicht van de minister verdient een nuancering mijnerzijds. Het financiële toezicht op de gerechtsdeurwaarders wordt uitgeoefend door het Bureau Financieel Toezicht (een zelfstandig bestuursorgaan). De minister kan voor wat de niet financiële aspecten betreft, net als ieder ander, een klacht jegens een individuele beroepsbeoefenaar indienen bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de gerechtsdeurwaarders bij hun taakuitoefening steeds op voldoende politiebescherming kunnen rekenen en of zich wel eens problemen voordoen. De Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders heeft mij desgevraagd gemeld dat bij de leden geen klachten over onvoldoende politiebescherming bestaan.

De leden van de VVD-fractie vroegen waarom in artikel 20, derde lid, onder e, is opgenomen dat het opmaken van een schriftelijke verklaring feiten van stoffelijke aard moet betreffen. Zij wijzen erop dat deze formulering grofstoffelijke (niet fijnzinnige) beledigingen uit lijkt te sluiten. Deze leden zien daarvoor niet aanstonds de reden in. Het is inderdaad niet de bedoeling dat de gerechtsdeurwaarder ook proces-verbaal gaat opmaken van beledigingen. De voorgestelde bepaling strekt er uitsluitend toe dat het de gerechtsdeurwaarder als nevenactiviteit is toegestaan door hem zelf waargenomen materiële feiten in een proces-verbaal van constatering vast te leggen. Te denken valt aan de constatering van beschadigingen en veranderingen na het verlaten van een verhuurde woning, de inventarisatie van een inboedel of het feit dat bepaalde software op een computer aanwezig is. Het proces-verbaal van dergelijke constateringen kan door de belanghebbende later in een procedure worden ingebracht, zodat wellicht een gedetailleerde kostbare bewijsopdracht kan worden vermeden. Het gaat dus om de zuiver materiële waarneming door de gerechtsdeurwaarder van feiten die evident zijn. De constateringen moeten objectief zijn en tot materiële feiten beperkt blijven. Aan de feiten moeten geen persoonlijke interpretaties worden toegevoegd. De gerechtsdeurwaarder dient dan ook geen gissingen, oordelen over de rechtstoestand of feiten die een misdrijf of een overtreding kunnen opleveren in een proces-verbaal op te nemen. Bij het laatste is mede van belang dat deze nevenactiviteit geen uitbreiding van taken bevat die aan de politie zijn voorbehouden. Juist voor een grofstoffelijke belediging geldt dat een zodanig uitlating een overtreding kan opleveren. Daarom is bij de constatering hiervan geen taak voor de gerechtsdeurwaarder weggelegd.

De leden van de PvdA-fractie hebben gevraagd of de definitie van de gerechtsdeurwaarder in artikel 2 als «openbaar ambtenaar» wel juist is nu meer dan 40% van de werkzaamheden bestaat uit niet ambtelijke activiteiten en vrijwel de helft van de omzet uit de niet ambtelijke praktijk afkomstig is. Deze leden vroegen wat de verwachtingen zijn wat betreft toekomstige ontwikkelingen in de verhouding tussen ambtelijke en niet-ambtelijke werkzaamheden. Is de verwachting dat ambtelijke werkzaamheden de overhand zullen houden?

Voor de definitie van artikel 2 geldt dat deze ziet op de benoeming en niet op de hoeveelheid ambtshandelingen. De gerechtsdeurwaarder wordt benoemd als openbaar ambtenaar en oefent in die functie openbaar gezag uit. Hij is derhalve openbaar ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming, ook al verricht hij wellicht in meerderheid niet-ambtelijke werkzaamheden. Of ambtelijke werkzaamheden in de toekomst de overhand zullen houden is van meerdere factoren afhankelijk, het is lastig hierover stellige uitspraken te doen. Zo heeft de recente verhoging van de competentiegrens voor de kantonrechter van f 5000,– naar f 10 000,– tot een substantiële verruiming van de mogelijkheid om – niet-ambtelijke – rechtsbijstand te verlenen geleid. Andersom is niet denkbeeldig dat aanvaarding van het wetvoorstel waarbij de formulierdagvaarding wordt ingetrokken (Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 5, pagina 47 e.v.) tot een toename van ambtelijke werkzaamheden zal leiden. Daarnaast speelt ook de mate waarin ambtelijk en niet-ambtelijke activiteiten meer of minder financieel aantrekkelijk zijn een belangrijke rol. Indien inkomsten uit ambtelijk werk ver achterblijven bij die uitniet-ambtelijke werkzaamheden ligt het voor de hand dat de gerechtsdeurwaarder zijn aandacht naar niet-ambtelijke activiteiten zal gaan verleggen. Mede met het oog op dit laatste heeft de commissie-Van der Winkel bij de vaststelling van de kostprijzen als uitgangspunt genomen dat de gerechtsdeurwaarder die uitsluitend ambtshandelingen verricht uit deze werkzaamheden een redelijk inkomen moet kunnen verwerven.

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer nog vele zaken geregeld moesten worden. Over de afbakening van ambtshandelingen en de vraag hoe gebruik van informatie uit de ambtspraktijk bij nevenactiviteiten te voorkomen, moest nog advies worden ingewonnen. Deze leden vroegen of de bevindingen van de commissie-Van der Winkel naast de tariefstelling ook van belang zijn voor de vaststelling van beroepsregels. Verder vragen deze leden om een overzicht met de stand van zaken van de onderzoeken die nog lopen en de regelingen die nog moeten worden getroffen, alvorens het wetsvoorstel in werking kan treden.

De afbakening tussen ambtshandelingen en niet-ambtelijke activiteiten maakt deel uit van de taakopdracht van de commissie-Van der Winkel. Deze Commissie zal medio januari aanstaande advies uitbrengen. Ik acht het op voorhand niet uitgesloten dat de Commissie met het oog op een juiste toepassing van de tariefregeling concrete gedragsregels zal aanbevelen. Wat betreft het aanwenden van informatie afkomstig uit de ambtspraktijk voor nevenactiviteiten verwacht ik dat het overleg met de Registratiekamer en de beroepsgroep over een systeem van periodieke controle op het gebruik van gegevens die uit hoofde van de publieke taakuitoefening zijn verkregen, voor inwerkingtreding van de wet kan worden afgerond.

Het door deze leden gevraagde overzicht van nog af te ronden onderzoeken en te treffen (uitvoerings)regelingen is hierna opgenomen.

OnderwerpBepalingStand van zaken
AmvB omschrijving ambtshandelingen met een vast debiteurentarief en de verschuldigde voorschottenArtikel 57, vijfde lid, en 434a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en art. 2, tweede lid en 21 wetsvoorstelCommissie-Van der Winkel zal medio januari 2001 advies uitbrengen.
AmvB inrichting ondernemingsplan en werkwijze Commissie van deskundigenArtikel 6, vijfde lid wetsvoorstelConcept gereed
AmvB opleiding en stage kandidaat gerechtsdeurwaarderArtikel 25, vierde lid, en artikel 27, tweede lidIn voorbereiding
AmvB toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaardersArtikel 26, vierde lidIn voorbereiding
Ministeriële uitvoeringsregeling rente derdengeldenArtikel 19, zevende lidOverleg met het BFT en de KVG over de vaststelling van een ondergrens is gaande
Ministeriële uitvoeringsregeling meldingsplicht ambtshandelingen die in strijd zijn met volkenrechtelijke verplichtingen van de staat In voorbereiding
Administratieverordening (eerste maal bij ministeriële regeling)Artikel 17, vijfde lid jo. artikel 94Overleg met het BFT en de KVG over concept is gaande
Verordening op de beroeps- en gedragsregels (eerste maal bij ministeriële regeling)Artikel 57, tweede lid jo. artikel 94Overleg met de KVG is gaande
Verordening functioneren ledenraad KBvG (eerste maal bij ministeriële regeling)Artikel 73 jo. artikel 94In voorbereiding
Reparatie Wetboek van Strafvordering en Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften + onderliggende amvb'sN.a.v. het vervallen van art. 54, aanhef en onder l en m, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (art. 87 van het wetsvoorstel) en het daarop gebaseerde art. 14, aanhef en onder k, Deurwaardersreglement dienen de genoemde wetten te worden aangevuld met het oog op het aan de overtreder in rekening brengen van incassokosten en het vaststellen van een tarief daarvoor1.Wetsvoorstel wordt op korte termijn bij de Tweede Kamer ingediend; wijziging amvb's in voorbereiding

1 De commissie-Van der Winkel is van oordeel dat de incasso ter zake van geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en administratieve sancties, bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften – onder de nieuwe Gerechtsdeurwaarderwet – niet als ambtshandeling kan worden aangemerkt. Het ontvangen van betalingen door de gerechtsdeurwaarder kan alleen dan als een ambtshandeling worden aangemerkt, indien de ontvangen gelden executieopbrenst zijn.

De leden van de PvdA-fractie hebben voorts gevraagd of er al vooruitgang is geboekt bij het bezien van de vraag of de regeling voor belastingdeurwaarders niet gelijk zou moeten worden getrokken met de huidige regeling. De heer Santi heeft deze vraag in de Tweede Kamer aan de orde gesteld. Zoals ik bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heb toegezegd, is door medewerkers van mijn ministerie over deze vraag overleg gevoerd met het Ministerie van Financiën. De uitkomst van dit overleg is dat een gelijktrekking van de regeling niet goed mogelijk c.q. niet zinvol lijkt in verband met het verschil in positie tussen de gerechtsdeurwaarder en de belastingdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder is een door de Kroon benoemde functionaris (ambtenaar) met een onafhankelijke positie die zijn inkomsten uit (o.a. ambtelijke) dienstverlening in het rechtsverkeer uit de markt moet betrekken. Daarnaast staat het hem vrij niet-ambtelijke diensten te verlenen. De belastingdeurwaarder daarentegen is een bezoldigde ambtenaar van de rijksbelastingdienst, uitsluitend belast met ambtelijke werkzaamheden in opdracht van een ontvanger. Daarnaast kennen gemeenten en waterschappen eigen belastingdeurwaarders met vergelijkbare taken (vaak gebaseerd op een overeenkomstige toepassingverklaring van de Invorderingswet 1990). Kern van het verschil is de hiërarchische ondergeschiktheid van de belastingsdeurwaarder aan de opdrachtgever (i.c. de ontvanger), die bij de gerechtsdeurwaarder ontbreekt. Hoewel de overeenkomst tussen beide beroepsgroepen is gelegen in het ambtelijk werk kan tevens worden geconstateerd dat het ambtelijke werkpakket van de belastingdeurwaarder minder uitgebreid is dan dat van de gerechtsdeurwaarder. Het werk van de belastingdeurwaarder bestaat voornamelijk uit het betekenen van dwangbevelen en het leggen van executoriale beslagen. De conclusie van genoemd overleg was dan ook dat slechts voorzover bij of krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet regels worden gesteld die op díe taakonderdelen betrekking (zouden) hebben, afstemming met het Ministerie van Financiën in de rede ligt. Ik hecht eraan in herinnering te brengen dat deze afstemming – op verzoek van uw Kamer– in een betrekkelijk recent geval ook heeft plaatsgevonden. Zowel de belastingdeurwaarders als de gerechtsdeurwaarders zijn bij – afzonderlijke – circulaire geïnformeerd over de bij het binnentreden in woningen in acht te nemen zorgvuldigheidseisen, indien dat binnentreden zonder toestemming van de bewoner geschiedt (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 mei 1999, nr. AFZ 99/1542M, verwerkt in de Leidraad Invordering 1990, par. 1, lid 14, respectievelijk circulaire van 11 juni 2000 van de Staatssecretaris van Justitie, Kamerstukken I 1999/2000, 25 929, nr. 313). Het enige verschil tussen deze circulaires – dat teruggaat op het hierboven geschetste verschil in positie – is dat de belastingdeurwaarder die geen toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden, behoudens uitzonderingsgevallen, niet mag binnentreden in de woning dan na overleg met de ontvanger die de beslagopdracht heeft gegeven.

De leden van de SGP-fractie en de RPF/GPV-fractie hebben opgemerkt dat onder andere op het punt van de externe klachtenregeling (tuchtrecht/Nationale ombudsman) en op het punt van het tuchtrecht (overgangsregeling) nog onduidelijk is hoe de praktijk zal zijn onder de voorgestelde regeling. Zij hebben mij gevraagd of het wetsvoorstel, eenmaal wet geworden, in werking kan treden zonder dat op dat moment concrete regelingen of afspraken op de genoemde punten bestaan. In mijn eerdere antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie, ben ik reeds ingegaan op de samenloop tussen tuchtrecht en het klachtrecht bij de Nationale ombudsman. Ik heb daarbij aangegeven dat het voor de aanpak van het vraagstuk van de samenloop juist van belang is om te zien hoe de praktijk zich ontwikkelt, en dat een «gelijk optrekken» met het notariaat in de rede ligt. Beide (externe) klachtwegen zijn op zichzelf duidelijk.

Wat het tuchtrecht betreft, kan ik deze leden geruststellen dat de inspanningen van alle betrokkenen bij het huidige (verenigings)tuchtrecht en het disciplinaire toezicht op grond van het Algemeen rijksambtenarenreglement (minister, hoofden van dienst) erop zijn gericht om te voorkomen dat – door het wegvallen van deze voorzieningen op het moment van inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet – een lacune zou ontstaan. Zoals ik bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heb aangegeven zal de KVG circa drie tot vier maanden vóór de inwerkingtreding van de wet geen nieuwe zaken meer in behandeling nemen. Op die manier moet het mogelijk zijn om deze zaken voor de inwerkingtreding van de wet af te handelen. Voor dringende zaken die zich kort voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet zullen aandienen zal ik mij inspannen om, in overleg met de desbetreffende hoofden van dienst, voor een voortvarende en adequate behandeling zorg te dragen. Ik hecht eraan hier nog aan toe te voegen dat de overgangsproblematiek geen betrekking heeft op de voor ambtshandelingen geldende klachtmogelijkheid bij de Nationale ombudsman; deze bestaat nu ook en loopt na de inwerkingtreding van de wet in beginsel gewoon door.

Op de vraag van de hier aan het woord zijnde leden inzake het publieke en private financiële toezicht ben ik aan het begin van deze memorie reeds ingegaan.

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen