Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032250 nr. 7

32 250
Wijziging van de Wet op het notarisambt naar aanleiding van de evaluatie van die wet, alsmede regeling van enkele andere onderwerpen in die wet en wijziging van de Wet op het centraal testamentenregister

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 26 maart 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het opschrift wordt toegevoegd: en van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

B

In de considerans wordt na «kwaliteit van het notariaat,» ingevoegd: en in verband met het van toepassing verklaren van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen op het Bureau Financieel Toezicht, om de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te wijzigen in verband met de introductie van een wettelijke uitzondering op het notarieel ambtsgeheim ten behoeve van het toezicht op de naleving van die wet,.

C

Het in artikel I, onderdeel D, opgenomen artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel k, vervalt «onherroepelijke».

2. Aan het tweede lid wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

l. de onherroepelijke oplegging van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 111b, tweede lid.

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. De registratie van de oplegging van de ordemaatregel, bedoeld in artikel 25b, van een bij onherroepelijke uitspraak gegrond verklaarde bedenking zonder oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 103, tweede lid, of van de onherroepelijke oplegging van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, is niet openbaar. De registratie van de oplegging van de ordemaatregelen, bedoeld in de artikelen 26, 27 en 106, eerste en vijfde lid, is openbaar zolang deze maatregelen van kracht zijn. De registratie van de onherroepelijke oplegging van een waarschuwing of berisping als bedoeld in artikel 103, eerste lid, is niet openbaar, tenzij toepassing is gegeven aan artikel 103, vijfde lid.

4. In het vijfde lid wordt na «tweede» ingevoegd «en derde» en vervalt «wijze van».

D

In artikel I wordt na onderdeel E een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ea

In artikel 7, tweede lid, komt de tweede volzin te luiden: De KNB en het Bureau verstrekken de Commissie desgevraagd de door haar in het verband met het onderzoek van het ondernemingsplan benodigde inlichtingen.

E

In artikel I, onderdeel L, wordt «de kamer voor het notariaat» vervangen door: de KNB.

F

In artikel I wordt na onderdeel M een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ma

In artikel 18 wordt «artikel 112, eerste lid,» vervangen door: artikel 24, vierde lid,.

G

In artikel I wordt na onderdeel N een onderdeel ingevoegd, luidende:

Na

Aan artikel 23, tweede lid, onder c, wordt, onder de vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: behoudens voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het ambt of voor persoonlijke doeleinden.

H

Artikel I, onderdeel O, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste subonderdeel wordt na «verklaring» ingevoegd: danwel mededeling.

2. Het in het tweede subonderdeel opgenomen artikel 24, vijfde lid (nieuw), komt te luiden:

5. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld betreffende de inhoud van het verslag en van de verklaring respectievelijk mededeling, bedoeld in het vierde lid.

I

De in artikel I, onderdeel P, opgenomen artikelen 25a en 25b worden als volgt gewijzigd:

1. In artikel 25a, eerste lid, wordt «minister» vervangen door: Minister.

2. In artikel 25b, eerste lid, wordt «tweede en derde volzin» vervangen door: tweede tot en met vierde volzin».

3. Aan artikel 25b wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. De kamer voor het notariaat of zijn voorzitter kan de bewindvoering te allen tijde opschorten of beëindigen.

J

Het in artikel I, onderdeel Q, opgenomen artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, wordt «tweede en derde volzin» vervangen door: tweede tot en met vijfde volzin.

2. In het zesde lid wordt na «door» ingevoegd: de voorzitter van.

K

In artikel I wordt na onderdeel Q een onderdeel ingevoegd, luidende:

Qa

In artikel 27, eerste lid, wordt voor de laatste volzin ingevoegd: Op de beslissingen van de voorzitter en de kamer voor het notariaat is artikel 104, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

L

In artikel I, onderdeel R, wordt na «artikel 71, tweede lid,» ingevoegd: artikel 95, eerste en derde lid,.

M

In het in artikel I, onderdeel T, opgenomen artikel 29, tweede lid, wordt na de tweede volzin ingevoegd: Alvorens tot benoeming van een waarnemer over te gaan wint de voorzitter advies in bij de KNB.

N

In het in artikel I, onderdeel U, opgenomen artikel 30 vervalt «voor de eerste maal» en wordt na «legt» ingevoegd: , indien dit nog niet eerder heeft plaatsgevonden,.

O

Artikel I, onderdeel V, komt te luiden:

V

Artikel 30a wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Hetzelfde geldt voor de toegevoegd notaris, indien deze na de beëindiging van zijn toevoeging niet werkzaam is geweest als kandidaat-notaris.

2. In het derde lid wordt na «de gewezen» ingevoegd: toegevoegd notaris of.

3. In het vierde lid wordt na «de gewezen» ingevoegd «toegevoegd notaris of» en komt de laatste volzin te luiden: De KNB zendt de gedefungeerde notaris of de gewezen toegevoegd notaris of kandidaat-notaris een bewijs van ontvangst van de kennisgeving.

P

De in artikel I, onderdeel W, opgenomen artikelen 30b en 30c worden als volgt gewijzigd:

1. In artikel 30b wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

4. In geval van waarneming neemt de waarnemer de toevoeging waar, tenzij de toegevoegd notaris zelf als waarnemer optreedt.

2. In artikel 30c, derde lid, vervalt «voor de eerste maal» en wordt na «legt» ingevoegd: , indien dit nog niet eerder heeft plaatsgevonden,.

Q

In het in artikel I, onderdeel FF, opgenomen artikel 61a, tweede lid, vervalt «artikel 111a, tweede lid, alsmede» en wordt na «5:17» ingevoegd: , 5:18.

R

Het in artikel I, onderdeel TT, opgenomen artikel 99a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «de artikelen 5:13, 5:14, 5:15, eerste en derde lid, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht» vervangen door: de artikelen 5:13 tot en met 5:18 en 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

11. De voorzitter kan het vooronderzoek te allen tijde opschorten of beëindigen.

S

Artikel I, onderdeel VV, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het in het eerste subonderdeel opgenomen artikel 103, eerste lid, onderdeel f, wordt een punt toegevoegd.

2. Na het vierde subonderdeel worden twee subonderdelen toegevoegd, luidende:

5. Het zevende lid komt te luiden:

7. Een notaris die uit zijn ambt is ontzet kan niet meer tot waarnemer worden benoemd of aan een notaris worden toegevoegd.

6. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

8. Artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

T

In het in artikel I, onderdeel WW, opgenomen artikel 103a, vierde lid, vervalt «, of een maatregel als bedoeld in artikel 103, vierde lid».

U

Het in artikel I, onderdeel YY, opgenomen artikel 105 komt te luiden:

Artikel 105

In geval van oplegging van schorsing in de uitoefening van het ambt, ontzetting uit het ambt, schorsing als waarnemer in de uitoefening van het ambt of intrekking van de benoeming als waarnemer, deelt de kamer voor het notariaat bij aangetekende brief aan de betrokken notaris, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden, de datum mee waarop de maatregel van kracht wordt.

V

In artikel I, onderdeel ZZ, wordt, onder vernummering van het tweede subonderdeel tot derde subonderdeel, na het eerste subonderdeel een subonderdeel ingevoegd, luidende:

2. In het eerste lid wordt «tweede tot en met vierde volzin» vervangen door: tweede tot en met vijfde volzin.

W

In artikel I, onderdeel EEE, worden de subonderdelen 2 en 3 vervangen door:

2. In het tweede lid vervalt de tweede volzin.

3. Het vierde lid, eerste tot en met derde volzin, wordt vervangen door: Het bestuur van het Bureau bestaat uit een voorzitter en uit minimaal twee en maximaal vier leden. In het bestuursreglement wordt het aantal leden vastgesteld. Het bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

4. Onder vernummering van het zesde, zevende, negende en tiende lid tot vijfde, zesde, zevende en achtste lid vervallen het vijfde, achtste en elfde lid.

5. In het zevende lid (nieuw) vervalt de tweede volzin.

6. In het achtste lid (nieuw) wordt «de rechtbank te Utrecht» vervangen door: de rechtbank in het arrondissement waarin de plaats van vestiging van het Bureau is gelegen.

7. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

9. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het Bureau.

X

In artikel I wordt na onderdeel EEE een onderdeel ingevoegd, luidende:

EEEa

Artikel 111, derde lid, tweede volzin, komt te luiden: Afdeling 4.2.8, met uitzondering van de artikelen 4:71 en 4:72, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is van toepassing, met dien verstande dat:

a. de overeenkomstig artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen toe te zenden begroting betrekking heeft op het boekjaar en Onze Minister bij de ingevolge dat artikel vast te stellen datum rekening houdt met de artikelen 4:60 en 4:61 van de Algemene wet bestuursrecht;

b. in afwijking van artikel 4:63 van de Algemene wet bestuursrecht op de inhoud van de begroting de artikelen 27 en 28 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing zijn;

c. het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 4:80 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt opgenomen in het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Y

Artikel I, onderdeel GGG, komt te luiden:

GGG

Artikel 112 vervalt.

Z

In artikel I wordt na onderdeel GGG een onderdeel ingevoegd, luidende:

GGGa

Artikel 113 komt te luiden:

Artikel 113

Het verslag, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt opgenomen in het verslag, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

AA

Artikel II komt te luiden:

ARTIKEL II

De Gerechtsdeurwaarderswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 23, tweede lid, onderdeel c, wordt «65 jaren» vervangen door: zeventig jaren.

B

Artikel 30, tweede lid, vervalt, alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

C

In artikel 52, eerste lid, wordt «65-jarige» vervangen door: zeventigjarige.

D

In artikel 92 wordt na «artikel 52, eerste lid,» ingevoegd: zoals dat luidde op het moment waarop het in werking trad,.

BB

Aan artikel III wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

C

In artikel 24 wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid, na het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:

5. Op de uitoefening door de personen, bedoeld in het eerste lid, van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen is artikel 111a, derde lid, van de Wet op het notarisambt van overeenkomstige toepassing.

CC

In artikel V worden na onderdeel B twee onderdelen ingevoegd, luidende:

Ba

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. De hoogte en wijze van inning van het recht, bedoeld in het eerste lid, en hetgeen verder nodig is ter uitvoering van deze wet, wordt geregeld bij regeling van Onze Minister van Justitie.

Bb

In artikel 5 wordt «de algemene bewaarplaats der minuten, registers en repertoria als bedoeld in artikel 57 van Wet op het notarisambt, te ’s-Gravenhage» vervangen door: een algemene bewaarplaats van protocollen als bedoeld in artikel 57 van de Wet op het notarisambt.

DD

Na artikel VIII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIIIA

1. Na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel T, berust het Besluit deeltijd notarissen op artikel 29, vierde lid, van de Wet op het notarisambt.

2. Na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel EEE, berust het Besluit ondernemingsplan notaris op artikel 7, derde lid, van de Wet op het notarisambt.

EE

Aan artikel IX wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 juli 2009 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie) (32 021) tot wet is of wordt verheven, en die wet later in werking treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als artikel I, onderdeel L, van deze wet, wordt in artikel XV van die wet «kamer van toezicht» vervangen door: kamer voor het notariaat.

Toelichting

Algemeen en onderdelen A en B

Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag bevat deze nota van wijziging twee belangrijke inhoudelijke wijzigingen. Ten eerste wordt voorgesteld om door middel van het voorliggende wetsvoorstel het Bureau onder de werking van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Kaderwet zbo) te brengen. Ten tweede wordt ten behoeve van het toezicht door het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het Bureau) op de naleving in het notariaat van de Wet voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) een uitzondering gemaakt het notariële ambtsgeheim en geheimhoudingsplicht van artikel 22 Wna. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om, in navolging van de regeling voor notarissen, te voorzien in verhoging van leeftijd waarop gerechtsdeurwaarders van rechtswege ontslag wordt verleend van vijfenzestig naar zeventig jaar. Zie hiervoor onderdeel AA.

Onderdeel C (artikel I, onderdeel D – artikel 5 Wna)

In het tweede lid, onderdeel k, vervalt de kwalificatie «onherroepelijke» aangezien een eventueel beroep tegen de oplegging van deze ordemaatregelen op grond van de (overeenkomstige) toepassing van artikel 27, tweede lid, Wna geen schorsende werking heeft en er gezien de gevolgen van deze maatregelen voor de bevoegdheid van een (toegevoegd) notaris de noodzaak bestaat dat een ieder van de oplegging ervan terstond kennis moet kunnen nemen.

Aan de opsomming in artikel 5, tweede lid, Wna van de in het register op te nemen gegevens wordt de onherroepelijke oplegging door het Bureau van een bestuurlijke boete of last onder dwangsom toegevoegd in het nieuwe onderdeel l. Het ontbreken van de uitzondering op de openbaarheid van de registratie van beslissingen door de tuchtrechter voor de gegrondverklaring van een bedenking zonder oplegging van een tuchtmaatregel, wel reeds genoemd in de memorie van toelichting, wordt hierbij hersteld. Voor de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom wordt voorzien in uitzondering op de openbaarheid.

Onderdeel D (artikel I, onderdeel Ea (nieuw) – artikel 7 Wna)

Deze aanpassing houdt verband met het vervallen van artikel 112 Wna (zie onderdeel Y), waarbij de inhoud het huidige zesde lid van artikel 112 Wna wordt verwerkt in artikel 7, tweede lid, Wna.

Onderdeel E (artikel I, onderdeel L – artikel 15 Wna)

Met het oog op de herziening van de taken van de tuchtkamers, is bij de toewijzing van vrijgekomen protocollen een adviserende rol door de KNB meer aangewezen dan zoals in de huidige situatie nog door de kamer van toezicht.

Onderdeel G (artikel I, onderdeel Na (nieuw) – artikel 23 Wna)

In de praktijk blijkt het verbod in artikel 23, twee lid, onderdeel c, Wna tot borg- of garantstelling in zijn huidige absolute vorm, te beperkend wanneer het gaat om de privésfeer en het voeren van de notarispraktijk. Om die reden wordt een uitzondering voorgesteld die analoog is aan de reeds bestaande uitzondering in onderdeel a.

Onderdeel H (artikel I, onderdeel P – artikel 24 Wna)

Omdat in de accountantspraktijk de term «verklaring» met name betrekking heeft op een stuk met een financiële inhoud en het door de notaris uit te brengen verslag een bredere strekking heeft, is in de wettekst het begrip «mededeling» toegevoegd. Voorgesteld wordt voorts om de nadere regels omtrent verslag en de verklaring respectievelijk mededeling van de accountant bij ministeriële regeling vast te stellen in plaats van bij verordening van de KNB. Dit vanwege het directe relatie tussen deze regels en de uitoefening van het toezicht door het Bureau.

Onderdelen I en R (artikel I, onderdelen P en TT – artikelen 25b en 99a Wna)

Zowel de regeling van de stille bewindvoering in het voorgestelde artikel 25b Wna als de regeling voor het tuchtrechtelijk vooronderzoek is aangevuld met de mogelijkheid voor de kamer voor het notariaat of zijn voorzitter om ambtshalve de bewindvoering respectievelijk het vooronderzoek op te schorten danwel voortijdig te beëindigen. Het tweede subonderdeel van onderdeel I bevat een technische aanpassing die samenhangt met onderdeel K, zie aldaar.

Onderdeel J (artikel I, onderdeel Q – artikel 26 Wna)

Het eerste subonderdeel bevat een technische aanpassing die samenhangt met onderdeel K, zie aldaar. Het tweede subonderdeel bevat een redactionele verbetering.

Onderdeel K (artikel I, onderdeel Qa (nieuw) – artikel 27 Wna)

Met de voorgestelde aanpassing van artikel 27, eerste lid, wordt bewerkstelligd dat de toezending wordt voorgeschreven van de beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat en de beslissing omtrent bekrachtiging daarvan door de kamer, aan de betrokkene, de KNB en het Bureau, overeenkomstig de regeling voor tuchtuitspraken van de kamer voor het notariaat in artikel 104, tweede lid, Wna. Met het van overeenkomstige toepassing verklaren van deze bepaling in de artikelen 25b, 26 en 106 Wna, geldt dit ook voor het nemen van ordemaatregelen als bedoeld in die artikelen.

Onderdeel L (artikel I, onderdeel R)

Het betreft een technische aanpassing in verband met het in het voorstel voor de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Kamerstukken II, 2009/2010, 32 021) voorziene nieuwe derde lid van artikel 95 Wna.

Onderdeel M (artikel I, onderdeel T – artikel 29 Wna)

In het verlengde van de rol van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) bij de benoeming van notarissen en de goedkeuring van toevoegingen wordt, ter ondersteuning van de voorzitter van de kamer voor het notariaat, ook bij de benoeming van een waarnemer voorzien in advisering door de KNB.

Onderdeel N (artikel I, onderdeel U – artikel 30 Wna)

Het betreft hier een redactionele aanpassing in verband met het feit dat de eedsaflegging ook al kan hebben plaatsgevonden in verband met een aanwijzing tot toegevoegd notaris.

Onderdeel O (artikel I, onderdeel V – artikel 30a Wna)

Het betreft een technische aanpassing in verband met de introductie van de toegevoegd notaris.

Onderdeel P (artikel I, onderdeel W – artikel 30b Wna)

In het voorgestelde extra lid wordt geëxpliciteerd dat bij waarneming van de notaris de waarnemer tevens eventuele toevoegingen waarneemt, tenzij de toegevoegd notaris zèlf als waarnemer optreedt – hetzij op grond van zijn bevoegdheid tot «lichte waarneming» in het tweede lid van hetzelfde artikel, hetzij op grond van een benoeming door de kamer voor het notariaat bij «zware waarneming» in de gevallen als bedoeld in artikel 28 Wna, onderdelen c tot en met e. Dit betekent dat indien er meer toegevoegd notarissen zijn en één van hen treedt op als waarnemer, deze toegevoegd notaris in zijn hoedanigheid van waarnemer de verantwoordelijkheid over de overige toegevoegd notarissen draagt.

Onderdelen Q en R (artikel I, onderdelen FF en TT – artikelen 61a en 99a Wna)

Bij nader inzien is voor het verrichten van de kwaliteitstoetsing door auditors van de KNB de beschikking over de vergaande bevoegdheid tot inzage in de persoonlijke financiële administratie van het voorgestelde artikel 111a, tweede lid, Wna (het huidige artikel 112, tweede lid,Wna) niet noodzakelijk, en wordt deze bevoegdheid daarom geschrapt uit de verzameling van toezichtsbevoegdheden die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op de kwaliteitstoetsing. De bevoegdheid tot het onderzoeken van zaken (bijv. archiefkasten) van artikel 5:18 Awb wordt daarentegen toegevoegd.

Het eerste subonderdeel van onderdeel R voorziet in een aanvulling van de toezichtsbevoegdheden uit titel 5.2 van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: Awb) die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op het tuchtrechtelijk vooronderzoek. Het betreft de bevoegdheid tot het inroepen van de sterke arm van artikel 5:15, tweede lid, Awb en het onderzoeken van zaken van artikel 5:18 Awb. Hiermee krijgen degenen die belast zijn met het verrichten van een tuchtrechtelijk vooronderonderzoek bevoegdheden die gelijk zijn aan die van de toezichthouders van het Bureau, opgenomen in het voorgestelde artikel 111a Wna. Zie voor het tweede subonderdeel van onderdeel R de toelichting bij onderdeel K.

Onderdeel S (artikel I, onderdeel VV – artikel 103 Wna)

In de literatuur bestaat twijfel over de vraag artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ook van toepassing is op schending van een verbod tot uitoefening van een recht bij uitspraak van een tuchtrechtelijk college, zoals de schorsing of de ontzetting uit het ambt. Zo wordt in artikel 49 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 artikel 195 Sr van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Om elke onduidelijkheid op dit punt weg te nemen wordt in het voorgestelde nieuwe achtste lid van artikel 103 Wna expliciet bepaald dat 195 Sr van toepassing is. De aanpassing van artikel 103, zevende lid, houdt verband met de introductie van de toegevoegd notaris.

Onderdeel U (artikel I, onderdeel YY – artikel 105 Wna)

Blijkens de wetsgeschiedenis dient de regeling in artikel 105 Wna om een notaris de gelegenheid te geven om tijdig te voorzien in (vervangende) waarneming. De tekst van het artikel is in dat licht geredigeerd.

Onderdeel V (artikel I, onderdeel ZZ – artikel 106 Wna)

Zie de toelichting bij onderdeel I.

Onderdeel W (artikel I, onderdeel EEE – artikel 110 Wna)

Het Bureau wordt onder de werking van de Kaderwet zbo gebracht door een nieuw negende lid toe te voegen aan artikel 110 Wna. De toepasselijkheid van de Kaderwet zbo op het BFT heeft tot gevolg dat diverse andere bepalingen kunnen vervallen of moeten worden aangepast.

In het huidige artikel 110, tweede lid, tweede volzin, Wna is de Minister van Justitie bevoegd verklaard om algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels vast te stellen ten aanzien van de uitoefening van de taken van het Bureau. Deze bepaling kan vervallen, omdat artikel 21 van de Kaderwet zbo reeds bepaalt dat de minister beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot de taakuitoefening van een zelfstandig bestuursorgaan. Een afzonderlijke bevoegdheid om daarnaast of in plaats daarvan over de taakuitoefening algemeen verbindende voorschriften vast te stellen, is in dit licht niet noodzakelijk en ligt ook niet in de rede nu de Kaderwet zbo uitgaat van beleidsregels als instrument voor de minister om algemene regels over de taakuitoefening vast te stellen.

In het huidige artikel 110, vierde lid, tweede volzin, Wna is bepaald dat de voorzitter en de andere leden van het bestuur van het Bureau worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister van Justitie. Deze bepaling kan vervallen, omdat in artikel 12, eerste lid, van de Kaderwet zbo reeds is geregeld dat de minister de leden van een zelfstandig bestuursorgaan benoemt, schorst en ontslaat.

Het huidige artikel 110, vijfde lid, Wna regelt de vergoedingen voor de leden van het bestuur van het Bureau. Deze bepaling kan vervallen, omdat daarin wordt voorzien door artikel 14, eerste en tweede lid, van de Kaderwet zbo. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet zbo zal in een regeling van de Minister van Justitie de schadeloosstelling voor de bestuursleden van het BFT worden geregeld, die gelijk zal zijn aan de huidige vergoedingen.

Het huidige artikel 110, achtste lid, Wna bevat een bepaling over de rechtspositie van het personeel van het Bureau, die inhoudelijk overeenkomt met artikel 15 van de Kaderwet zbo en om die reden kan vervallen.

Het huidige artikel 110, negende lid, tweede volzin, Wna bepaalt dat het bestuursreglement wordt goedgekeurd door de Minister van Justitie. Deze bepaling kan vervallen, omdat artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet zbo daarin reeds voorziet.

Het huidige artikel 110, elfde lid, Wna bevat een taakverwaarlozingsregeling, die overeenkomt met artikel 23 van de Kaderwet zbo en om die reden kan vervallen.

Onderdeel X (artikel I, onderdeel EEEa (nieuw) – artikel 111 Wna)

De toepassing van de Kaderwet zbo op het Bureau heeft gevolgen voor het in artikel 111 Wna beschreven subsidiekader. In artikel 111, derde lid, tweede volzin, Wna is thans op de subsidieverstrekking door de Minister van Justitie aan het Bureau afdeling 4.2.8 Awb van toepassing verklaard. Afdeling 4.2.8 Awb bevat een gedetailleerd subsidiestelsel voor de subsidiëring per boekjaar van rechtspersonen. Dit stelsel biedt met de Kaderwet zbo vergelijkbare waarborgen voor financieel toezicht op het Bureau en biedt zelfs aanvullende sturingsmogelijkheden, maar sluit in terminologie niet geheel bij de Kaderwet zbo aan. Er zijn geen redenen om dit subsidiestelsel ingrijpend te wijzigen. Daarom wordt in artikel 111, derde lid, tweede volzin, Wna een voorziening getroffen waarmee het bestaande subsidiestelsel in stand kan blijven zonder afbreuk te doen aan hetgeen in de Kaderwet zbo is bepaald. Deze voorziening is geheel identiek aan de voorziening die onlangs is getroffen in artikel 42, vierde lid, van Wet op de rechtsbijstand.1 Verder komt deze voorziening overeen met die welke is opgenomen in het op 9 november 2009 bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de instelling van een raad van toezicht (Kamerstukken II 2009/10, 32 205, nrs. 1–3; zie in het bijzonder artikel I, onderdelen K en M, van dat wetsvoorstel).

Meer in het bijzonder wordt het volgende opgemerkt over de nieuwe tekst van artikel 111, derde lid, tweede volzin. In de aanhef worden de artikelen 4:71 en 4:72, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, Awb uitgezonderd omdat deze artikelen binnen het systeem van afdeling 4.2.8 van de Awb facultatief zijn en een doublure vormen met de artikelen 32 en 33 van de Kaderwet zbo. Deze artikelen zijn daarom uitgezonderd en niet van toepassing. Met de onderdelen a en b is geregeld dat de datum van indiening van een begroting op grond van artikel 26 van de Kaderwet zbo en de inhoud van die begroting in overeenstemming zijn met de artikelen 4:60, 4:61 en 4:63 Awb en de artikelen 27 en 28 van de Kaderwet zbo. Voor wat betreft de jaarrekening voorziet artikel 4:75, tweede lid, van de Awb in een afstemmingsbepaling met de Kaderwet zbo. Artikel 34, eerste lid, van de Kaderwet zbo is het wettelijk voorschrift waaruit de in artikel 4:75, tweede lid, Awb verplichte indiening van een jaarrekening voorvloeit. Het in dit artikel 4:75, tweede lid, genoemde artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van de in artikel 35, eerste lid, van de Kaderwet zbo genoemde titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Er is geen materieel verschil tussen deze bepalingen.

Met onderdeel c is geregeld dat het activiteitenverslag in het jaarverslag als bedoeld in de Kaderwet zbo wordt opgenomen. Over het jaarverslag schrijft artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet zbo slechts voor dat de taakuitoefening en het gevoerde beleid moet worden beschreven. Voorts is bepaald dat het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg wordt beschreven. Een bepaling over kwaliteitszorg is in de omschrijving van het activiteitenverslag in artikel 4:80 Awb niet uitdrukkelijk terug te vinden. Wel is in dit artikel een omschrijving opgenomen die beter vastlegt wat in het verslag moet worden opgenomen. Met betrekking tot deze bepalingen overlappen de omschrijvingen van het jaarverslag en het activiteitenverslag in artikel 18 van de Kaderwet zbo, respectievelijk 4:80 Awb elkaar gedeeltelijk. Er is voor gekozen om beide omschrijvingen tot hun recht te laten komen door voor te schrijven dat het activiteitenverslag in het jaarverslag moet worden opgenomen.

Onderdeel Y (artikel I, onderdeel GGG – artikel 112 Wna)

Het huidige artikel 112, zevende lid, Wna bevat een inlichtingenplicht van het Bureau jegens de minister en een bevoegdheid van de minister om bij het BFT inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden. Deze bepaling is daarmee identiek aan artikel 20 van de Kaderwet zbo en kan derhalve vervallen.

Het huidige artikel 112, achtste lid, van de Wna regelt de opstelling, toezending aan de minister en publicatie van het jaarverslag van het Bureau. Deze materie is geregeld in artikel 18 van de Kaderwet zbo, zodat ook die bepaling kan vervallen.

Het na doorvoering van bovengenoemde aanvullende wijzigingen enig overblijvende zesde lid van het huidige artikel 112 Wna is verwerkt in een wijziging van artikel 7, tweede lid, Wna, zie onderdeel E . Daarmee kan artikel 112 Wna in zijn geheel vervallen.

Onderdeel Z (artikel I, onderdeel GGGa (nieuw) – artikel 113 Wna)

Het huidige artikel 113, eerste volzin, Wna schrijft voor dat de Minister van Justitie regelt dat er elke vier jaar een evaluatieverslag over het functioneren van het BFT aan de Staten-Generaal toezendt. Deze bepaling kan vervallen, omdat in plaats daarvan artikel 39, tweede lid, van de Kaderwet zbo gaat gelden, met dien verstande dat op grond van die bepaling elke vijf jaar een evaluatieverslag moet worden uitgebracht. De inhoud van de tweede volzin van artikel 113, waarin is voorgeschreven dat het evaluatieverslag moet worden gecombineerd met het in artikel 4:24 Awb voorgeschreven evaluatieverslag van de subsidieverstrekking, is met enkele noodzakelijke tekstuele aanpassingen gehandhaafd.

Onderdeel AA (artikel II – artikelen 23, 30, 52 en 92 van de Gerechtsdeurwaarderswet)

Het huidige artikel 30, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gw), waarin artikelen van de Wna die zien op het Bureau van overeenkomstige toepassing worden verklaard kan vervallen, zeker nu de het vervullen van taken op grond van andere wetten dan de Wna expliciet is opgenomen in de voorgestelde herziene tekst van artikel 110, eerste lid, Wna.

Op grond van artikel 52, eerste lid, Gw wordt aan gerechtsdeurwaarders die de vijfenzestigjarige leeftijd bereiken, van rechtswege ontslag verleend. Op grond van artikel 92 Gw geldt tot 15 juli 2011 een overgangsregeling waardoor gerechtsdeurwaarders die op het moment van inwerkingtreding van de wet op 15 juli 2001 in functie waren, pas op zeventigjarige leeftijd worden ontslagen. Inmiddels is onlangs in de Wet op het notarisambt de leeftijd voor ontslag van rechtswege verhoogd van vijfenzestig naar zeventig jaar.1 In navolging hiervan wordt in dit onderdeel voorzien in het verhogen van de leeftijdsgrens voor gerechtsdeurwaarders naar zeventig jaar. Ontslag op een eerder moment is mogelijk op verzoek van de gerechtsdeurwaarder.

Onderdeel BB (artikel III, onderdeel C (nieuw) – artikel 24 Wwft)

Zoals aangekondigd in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt ten behoeve van het toezicht door het Bureau op de naleving in het notariaat van de Wwft een uitzondering gemaakt op de notariële geheimhoudingsplicht van artikel 22 Wna. De uitzondering in de Wwft is analoog aan de regeling in het voorgestelde artikel 111a, derde lid, Wna en komt tot stand door deze bepaling van overeenkomstige toepassing te verklaren in artikel 24 Wwft. Met de opheffing van dit belangrijke verschil tussen de toezichtsbevoegdheden van het Bureau op grond van de Wna onderscheidenlijk de Wwft, is de op pagina 3 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel omschreven functionele scheiding in de uitoefening van het toezicht op de naleving van deze beide wetten om een onrechtmatige aanwending van de bevoegdheid tot doorbreking van de notariële geheimhoudingsplicht te voorkomen, niet langer noodzakelijk.

Onderdeel CC (artikel V, onderdelen Ba en Bb (nieuw) – artt. 4 en 5 van de Wet op het centraal testamentenregister)

Om regelmatige aanpassing van de leges te vergemakkelijken wordt voorgesteld om deze voortaan bij regeling van de Minister van Justitie te laten vaststellen. De aanpassing van artikel 5 van de Wet op het centraal testamentenregister betreft een technische aanpassing aan de voorgestelde wijziging van artikel 57 Wna.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Artikel I, onderdeel S.2, van de Wet van 17 december 2009 tot aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand in verband met de bestuurlijke centralisatie van de raden voor rechtsbijstand, Stb. 2010, 2.

XNoot
1

Wet van 25 mei 2009 tot wijziging van de Advocatenwet en de Wet op het notarisambt in verband met het verruimen van de mogelijkheden tot het spoedshalve tuchtrechtelijk optreden tegen advocaten en notarissen, Stb. 2009, 222.