Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 30, item 8

8 Aanpassing legalisatie handtekeningen van notarissen

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het notarisambt en enkele andere wetten in verband met onder meer een gewijzigde regeling van de legalisatie van handtekeningen van notarissen (33569).

(Zie vergadering van heden.)

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. De discussie in deze Kamer over het wetsvoorstel hedenmorgen heeft zich vooral toegespitst op de uitzondering op de regel dat een tuchtklacht binnen drie jaar moet zijn ingediend. De gewraakte wijziging betreft artikel 99, lid 15 van de Wet op het notarisambt. De heer Schouwenaar heeft de inhoud en de achtergrond van dit onderdeel van het wetsvoorstel goed toegelicht. Ik proef ook bij de heren Franken en Holdijk begrip voor het knelpunt dat in de huidige termijn zit. Soms blijkt tuchtwaardig handelen immers pas na langere tijd. De heer Franken heeft hier wat opmerkingen over gemaakt, waarop ik later zal terugkomen.

Tuchtwaardig handelen blijkt in sommige gevallen pas later, omdat een enkele handeling soms onschuldig lijkt en niet opvalt. Pas als meer van dergelijke handelingen over een langere tijd met elkaar in verband worden gebracht, bijvoorbeeld bij de abc-transacties, valt het onrechtmatige karakter op. Volgens het kabinet komt op dat moment de wolf onder de schaapskleren vandaan. Het zijn weliswaar uitzonderlijke situaties, maar in die gevallen komt de klacht te laat en kan de tuchtrechter niet anders dan de klacht niet-ontvankelijk verklaren. Precies daarvoor willen we met dit onderdeel van het wetsvoorstel een oplossing bieden. We moeten voorkomen dat het bewust malafide handelen van een notaris tuchtrechtelijk niet aangepakt kan worden, doordat de notaris het lang genoeg weet te verbergen. Daarom is de uitzondering opgenomen voor de situatie dat de klager redelijkerwijs niet in verzuim kan worden gebracht.

Tegen de heer Holdijk zou ik willen zeggen dat dit geen hardheidsclausule is. De Raad van State noemt het wel zo, maar een hardheidsclausule is bedoeld voor situaties waarbij de regelgeving in de praktijk onwenselijke gevolgen heeft, die van te voren niet konden worden voorzien. In bovenstaand geval kunnen de gevolgen soms wel vooraf worden voorzien. De nu voorgestelde klachttermijn voorziet erin dat de tuchtrechter in uitzonderlijke gevallen een afweging kan maken. Het is nu al te voorzien dat die situaties zich zullen voordoen, hoewel ze in omvang beperkt zullen zijn. Dat heeft de praktijk aangetoond.

Voorziet de uitzondering op de klachttermijn in een behoefte? Het antwoord daarop is: ja. Is ze ruimhartig? Naar mijn oordeel niet. Het is namelijk niet de bedoeling dat de uitzondering vaak wordt toegepast. Het uitgangspunt blijft de driejaarstermijn, maar voor de heel uitzonderlijke gevallen is een ventiel nodig. Dat het maar om een paar zaken per jaar gaat, is naar mijn oordeel geen bezwaar. Dat is juist de bedoeling. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen is afwijken van de termijn van drie jaar gerechtvaardigd.

Op de klager rust de motiveringsplicht dat de termijnoverschrijding hem niet kan worden aangerekend en hoe langer de termijnoverschrijding, hoe zwaarder de motiveringsplicht zal zijn die de tuchtrechter hem oplegt. De tuchtrechter moet de afweging maken tussen enerzijds het belang van de rechtszekerheid voor de individuele notaris en anderzijds de wens om tuchtrechtelijk te kunnen vervolgen. Dat biedt naar het oordeel van de regering de waarborg van een onafhankelijke, onpartijdige en deskundige afweging. Elementen die de tuchtrechter hierbij kan betrekken, zijn het grote verschil in kennis tussen de klager en de notaris, de grote gevolgen van de fout voor de eer en het aanzien van het beroep, en de vraag of de notaris mogelijk bewust fout handelde.

De heer Schouwenaar noemde een aantal alternatieve mogelijkheden. Ik zal hierop kort ingaan. Ik ben geen voorstander van de verlenging van de termijn tot vijf jaar. Dat lost naar mijn mening niet het probleem op van een handige notaris die een bewust foute handeling lang genoeg van de radar weet te houden. Bovendien zal de verlenging tot meer lasten voor notarissen leiden, want zij kunnen na viereneenhalf jaar ineens relatief kleine tuchtklachten krijgen. Soms gaat het immers om een bagatel.

De heren Schouwenaar en Holdijk gaven in hun termijn in overweging om alleen voor de KNB en het BFT een uitzondering op te nemen. Dat zie ik niet zitten. Als een klacht van een particulier komt en de KNB en het BFT zouden niets doen, staan de klager en de tuchtrechter alsnog met lege handen. Bovendien is een uitgangspunt van het tuchtrecht een zo gelijk mogelijke behandeling van klagers.

De heer Schouwenaar en andere leden spraken over het vergroten van de onderzoekscapaciteit van het BFT. Dat biedt naar mijn idee geen oplossing voor de situaties waarin pas na langere tijd verbanden kunnen worden gelegd die ertoe leiden dat fout handelen wordt geconstateerd. De informatie is dan nog niet voorhanden, hoeveel onderzoekers je er ook op zet. De abc-transacties waarover ik sprak, zijn hier een voorbeeld van. Het kan zijn dat je in het eerste jaar bekend raakt met een eerste gegeven, maar dit nog niet klachtwaardig vindt. Als er nog een aantal gebeurtenissen in zo'n abc-transactie plaatsvinden en je raakt daarvan langzaamaan op de hoogte, kun je het na bijvoorbeeld vier jaar wel klachtwaardig vinden.

Ten slotte is er nog een laatste reden om toch voor deze nuancering in de wet te kiezen. Tot 1999 — de heer Holdijk sprak over 1997, maar naar de mening van het kabinet moeten we 1999 als ijkpunt nemen, hoewel dat verschil ook aan de stukken kan liggen — gold níét de harde termijn van drie jaar. De klachttermijn werd toen bepaald door de tuchtrechter die daarbij rekening kon houden met de omstandigheden van het geval. Dat bood ruimte voor nuances en uit tuchtrechtelijke jurisprudentie van vóór 1999 blijkt dat de tuchtrechter daar zorgvuldig mee omging. De belangen om wel of niet tuchtrechtelijk te vervolgen werden tegen elkaar afgewogen. Dat beogen wij nu ook met de uitzonderingssituatie die in artikel 99, lid 15 wordt omschreven. De wetswijziging die in 1999 heeft plaatsgevonden, heeft naar het oordeel van het kabinet te beperkt uitgepakt. De praktijk is op dit moment dat de tuchtrechter de huidige termijn strikt uitlegt. Waar voorheen ruimte was voor nuance, is die er op dit moment niet. Die nuance, de mogelijkheid van een escape in heel uitzonderlijke situaties, wil ik graag terugbrengen in de wet.

Ik zal nu ingaan op een aantal specifieke punten die de leden aan de orde hebben gesteld. De heren Franken en Holdijk hebben gevraagd of de termijn feitelijk langer is dan drie jaar vanaf het moment van handelen van de notaris. Het gaat tenslotte om het moment dat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van het handelen van de notaris. Los van wat ik zojuist heb opgemerkt over de abc-transacties, kan volgens de huidige Wet op het notarisambt een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaar na de dag waarop de klager van het handelen of het nalaten van de notaris heeft kennisgenomen. Volgens vaste jurisprudentie over tuchtrecht is het moment dat de klager tot de conclusie is gekomen dat het handelen of het nalaten door de notaris onjuist is, niet doorslaggevend voor de aanvang van de termijn. De heer Franken sprak hier heel specifiek over. Op dit moment is het zo dat de tuchtrechter het moment dat een klager over de informatie beschikte als vertrekpunt neemt. Aan de hand van de vaste jurisprudentie moeten we vaststellen dat de tuchtrechter het moment waarop de klager op de hoogte is geraakt of kon zijn, beperkt uitlegt. Voorts is de vraag aan de orde gesteld of er met dit wetsvoorstel sprake is van een verlenging tot in het oneindige; welke garantie is er dat een jarenlang durend onderzoek door het BFT niet mogelijk is? Nee, dat is niet zo. Het uitgangspunt blijft de driejarentermijn en alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan afwijken van die termijn gerechtvaardigd zijn. Ik gaf al aan dat de klager in dat geval bij de tuchtrechter zal moeten aantonen dat hem de termijnoverschrijding niet kan worden aangerekend. Hoe langer de termijnoverschrijding, hoe zwaarder de motiveringsplicht zal zijn die de tuchtrechter hem oplegt. Dat betekent, zoals de heer Franke in zijn bijdrage terecht stelde, dat het voor de notaris steeds moeilijker wordt om zich tegen een klacht te verweren. Dat punt ziet het kabinet ook, maar de tuchtrechter maakt hierin de afweging. Vanwege die steeds zwaarder wordende bewijslast voor de klager is er geen sprake van het verlengen van de termijn tot in het oneindige.

De heer Holdijk heeft gevraagd of ik bereid ben om overgangsrecht te maken, zodat een overschrijding van de klachttermijn slechts betrekking kan hebben na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Ik ben er geen voorstander van om de werking van de bepaling zodanig te wijzigen dat deze wordt beperkt tot het handelen van de notaris na de inwerkingtreding van deze wet. Ik acht de onmiddellijke werking van de bepaling legitiem, omdat frauduleus handelen in bepaalde gevallen moet kunnen worden aangepakt, ook al is de termijn van drie jaar overschreden. Hier speelt enerzijds het belang van rechtszekerheid voor de individuele notaris en anderzijds het belang om evident ernstig tuchtwaardig handelen te kunnen aanpakken. Dat laatste is een algemeen maatschappelijk belang en het is ook in het belang van het notariaat als beroepsgroep. Het primaire doel van het tuchtrecht is immers het schoonhouden van het beroep tegen ongewenste uitwassen. Ik heb dat vanochtend in de eerste termijn al gememoreerd.

Het heeft niet primair leedtoevoeging tot doel, zeg ik nadrukkelijk, hoewel een tuchtrechtelijke veroordeelde beroepsbeoefenaar dat in de praktijk wel zo zal ervaren. Tuchtrecht is geen strafrecht.

De heer Schouwenaar en de heer Holdijk hebben gesproken over het feit dat de Raad van State kritiek had op de uitzondering op de klachttermijn: is dat niet een reden om te komen tot een heroverweging? Ik merk op dat de afdeling aangaf dat het BFT een periode van drie jaar te kort vindt voor het doen van onderzoek. Daaruit concludeerde de afdeling dat het probleem vooral ligt in de duur van de termijn. Vervolgens adviseerde de afdeling in de toelichting om in te gaan op mogelijke alternatieven, zoals de verlenging. Ik heb daar zojuist over gesproken toen ik de opmerkingen van de heer Schouwenaar besprak. Naar aanleiding van dat advies is de memorie van toelichting aangepast. Ook is nadrukkelijk gekeken naar een mogelijkheid om de termijn eenvoudig te verlengen. Bij de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer en in uw Kamer is dat ook besproken. Bij die gelegenheid heb ik aangegeven dat het verlengen geen oplossing biedt voor de achterliggende problemen. Het lost niet het probleem op van een handige notaris die een bewust foute handeling lang genoeg onder de radar weet te houden. Ik geef de leden van deze Kamer gelijk die stellen dat het tot meer lasten voor notarissen kan leiden, want die kunnen dan vier jaar na dato nog eens een relatief lichte tuchtklacht voor hun kiezen krijgen.

Ook is de vraag gesteld wanneer de termijnoverschrijding redelijkerwijze niet kan worden toegerekend. Hoe kan de tuchtrechter dat op een goede manier beoordelen? Laat ik dat illustreren aan de hand van een voorbeeld waarmee dit heel inzichtelijk wordt. Stel dat een notaris in het eerste jaar een paar handelingen verricht die onschuldig ogen en niet opvallen in de eerste drie jaar. Het BFT beschikt in dat geval over die informatie, maar er valt nog geen fout handelen aan te merken. Pas drie jaar na de eerste van die handelingen vinden er nog een paar handelingen plaats. Nadat die handelingen in het vierde jaar in verband worden gebracht met de handeling in de eerste drie jaar, wordt zichtbaar dat er daadwerkelijk iets fout aan de hand is. De tuchtrechter kan dat in het nieuwe systeem dat ik voorstel beoordelen. Het BFT kon pas na drie jaar zien dat er iets mis was op basis van de aanvullende informatie. Nu kan evident klachtwaardig handelen van een notaris na verloop van drie jaar niet tuchtrechtelijk worden aangepakt en dat acht ik onwenselijk.

Ik wil wel graag misverstanden vermijden: het zal niet vaak voorkomen. Dit soort situaties zullen zich hoogstens een enkele keer per jaar voordoen, maar ze kunnen zich voordoen. Juist voor die uitzonderlijke gevallen is een uitzondering op de ontvankelijkheid nodig.

Ik begrijp de bezwaren van een aantal fracties tegen de in het wetsvoorstel opgenomen uitzonderingen op de klachttermijn. Naar mijn oordeel is er een variant denkbaar die enerzijds tegemoetkomt aan het probleem dat de nu geldende strikte termijn veroorzaakt, maar anderzijds ook rekening houdt met het belang van rechtszekerheid voor notarissen. Het is denkbaar om de volgende tekst op te nemen in artikel 99, lid 15. De opzet die ik zal citeren wordt ontleend aan de bepaling over de klachttermijn zoals die op dit moment is opgenomen in de Advocatenwet, en wel in de herziening van die wet door wetsvoorstel 32382, thans aanhangig in de Eerste Kamer en al behandeld in de Tweede Kamer. Het sluit dus aan bij de bepaling in de Advocatenwet. Als uw Kamer met deze omschrijving zou kunnen leven, zouden wij de Gerechtsdeurwaarderswet ook in overeenstemming kunnen brengen met artikel 99, lid 15. Dan hebben wij voor alle drie de beroepsgroepen een gelijke bepaling, of het nu gaat om advocatuur en tuchtrecht, over het notariaat of over de gerechtsdeurwaarders.

Het uitgangspunt is als volgt. De hoofdregel is een termijn van drie jaar nadat de klager heeft kennisgenomen, of redelijkerwijze kennis heeft kunnen nemen, van het handelen waarop de klacht betrekking heeft. Het tweede punt is dit. Als een klacht na drie jaar wordt ingediend, blijft niet-ontvankelijkheid achterwege als de gevolgen van de frauduleuze handeling redelijkerwijze pas daarna bekend zijn geworden. Dat is de situatie die ik zojuist schetste, waarin pas in het vierde jaar de handelingen van de eerste drie jaar in onderling verband met elkaar in overeenstemming gebracht kunnen worden. In het geval dat de uitzonderingssituatie van toepassing is, zal ik in artikel 99, lid 15 opnemen dat de klacht binnen één jaar nadat de gevolgen redelijkerwijze bekend zijn geworden, moet worden ingediend.

Dat is volledig in lijn met het wetsvoorstel met betrekking tot de Advocatenwet. Deze wijziging zou ik kunnen meenemen bij de herziening van de Gerechtsdeurwaarderswet. Die wijziging ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Zo zouden we een eenduidig ontvankelijkheidscriterium hebben bij de drie beroepsgroepen. Ook in de Gerechtsdeurwaarderswet wordt een klachttermijn opgenomen en op deze wijze brengen we ze met elkaar in overeenstemming. De wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet biedt daarvoor een goede basis. Dat zou dan betekenen dat het huidige artikel 99, lid 15 dit probleem oplost, zoals eerder in een andere context al door de leden in hun eerste termijn werd gesuggereerd. Bij de herziening van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt deze wijziging die volledig aansluit bij de bepaling die is opgenomen in wetsvoorstel 32382 voor de herziening van de Advocatenwet ook in notarisland ingebracht.

Tot zover mijn antwoord in eerste termijn. Ik ben zeer benieuwd wat uw leden van dit voorstel vinden om aan gerechtvaardigde bezwaren tegemoet te komen. Overigens zullen de administratieve lasten voor de notaris niet toenemen. Met betrekking tot de vraag wat een notaris moet bewaren in het kader van de Archiefwet en in het kader van de Wet op het notarisambt, wijs ik op de Staatscourant van 1 november 2005, nr. 212, pagina 12, waarbij van 1 tot en met 124 de handelingen zijn opgenomen en de documenten worden genoemd die een notaris moet bewaren. Ik wijs bijvoorbeeld op punt 119 uit de Staatscourant, waar het gaat om het voorbereiden en afhandelen van authentieke akten. De periode van bewaring is 30 jaar voor milieuzaken en 20 jaar voor overige zaken. Ook al zou je dus zeggen dat de termijn van drie jaar een ontvankelijkheidstermijn is, die te veel administratieve lasten geeft, dan nog heeft de notaris met betrekking tot een groot aantal documenten verplichtingen. Voor de abc-transacties gelden de specifieke verplichtingen onder punt 119, maar de lijst met punten 1 tot en met 124 die in de Staatscourant heeft gestaan, betekent dat de notaris al heel veel moet bewaren.

De heer Franken (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn uitvoerige en diepgravende antwoord. Tot het laatste moment bleef ik op het puntje van mijn stoel zitten, omdat ik dacht: het beweegt toch niet. Hiervan is nu wel enigszins sprake. Ik zal dit zo releveren en vragen of mijn perceptie daaromtrent juist is. Ik moet excuses vragen voor een fout mijnerzijds die kennelijk aan de heer Holdijk is toegeschreven. Ik heb in mijn tekst staan 1997, maar het is in 1999 dat die wijziging heeft plaatsgevonden. Je kan pronken met andermans veren, maar je moet ook elkanders smaad dragen, zou ik haast zeggen. Dit is collega Holdijk niet te verwijten en ik neem dit volledig voor mijn rekening. Nu gold tot 1999 — ik zal dit jaartal nooit meer vergeten — nog niet de harde termijn van drie jaar. De staatssecretaris zegt dat het mogelijk is weer terug te gaan naar de periode dat die termijn nog niet zo strikt werd aangehouden als het nu het geval is. Hij vindt dit een verbetering. Ik vind dit eigenlijk geen verbetering, want een vervaltermijn betekent juist dat het dan af en over is. Wij kennen vooral vervaltermijnen in het internationale vervoersrecht. Als een bevrachter in Buenos Aires niet van een specifieke vervaltermijn kan uitgaan, omdat ze in Rotterdam bijvoorbeeld een beetje flexibel zitten te doen, zal dit buitengewoon veel schade geven en daarmee zullen de assuradeuren niet blij zijn. Een vervaltermijn is er juist om rechtszekerheid te geven. Bij de notarissen geldt het niet in zoverre voor rechtszekerheid van derden, maar voor de beroepsgroep zelf. Het gaat alleen maar om de integriteitsbescherming. Een vervaltermijn is echter een vervaltermijn.

De staatssecretaris heeft gezegd dat de abc-transacties zich over een langere termijn kunnen uitstrekken. Ik heb zo het idee, maar ik weet dat niet helemaal zeker, dat abc-transacties op een kortere termijn moeten worden afgehandeld, willen ze wat zoden aan de dijk zetten. Ik zeg daarop: frauduleus handelen kan ook worden aangepakt na drie jaar. Bij de abc-transacties gaat het toch echt om frauduleus handelen. Dit is niet iets wat alleen de integriteit van een notaris betreft. De notaris laat zich meeslepen in fraude die feitelijk door anderen wordt gepleegd. Het is in zo'n geval meer de notaris die geen stevige rug heeft.

Tuchtrecht is een deelverzameling van de mogelijkheden tot sancties die ten opzichte van een notaris mogen worden genomen. Strafrecht en fiscale onderzoeken zullen over een uitgebreidere periode kunnen lopen. Onrechtmatigedaadsacties zijn ook niet gebonden aan die termijn. In zoverre doet dit niet zo veel pijn. Ik vind de voorgestelde variant interessant en ik hoop dat de staatssecretaris kan bevestigen dat ik deze goed begrepen heb. Het uitgangspunt is dat de zaak tot drie jaar ontvankelijk is en dat er na drie jaar geen niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken indien redelijkerwijs de handeling op een zodanig tijdstip bekend is geworden dat de betrokkene niet binnen de drie jaar actie heeft kunnen ondernemen. Hij krijgt dan nog een termijn van één jaar. Eigenlijk wordt de termijn van een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring verlengd van drie naar vier jaar. Drie jaar is dit zonder meer het geval en er is dus een mogelijkheid van een vierde jaar. Ik denk dat dit een belangrijke stap is. Gaat de staatssecretaris dit met een reparatiewet doen? Hij zegt nu in ieder geval al dat artikel 99, lid 15 niet in werking zal treden. Ik neem dan aan dat dit niet in werking zal treden totdat het moment daar is dat de reparatiewet geldend is.

De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor zijn toelichting en voor het aanbod dat hij aan het eind van zijn betoog heeft gedaan. Ik wil een paar dingen zeggen en een paar vragen stellen.

Ik beklemtoon dat de VVD-fractie er, ondanks al onze kritiek, van uitgaat dat het een goede zaak is dat er tuchtrecht is. Juist een beroepsgroep als "notaris" moet boven iedere twijfel verheven zijn en het tuchtrecht is hiervoor een uitstekend middel, dat zijn waarde ook ruimschoots heeft bewezen. Ik vind het goed dat hierbij termijnen gelden, al vindt de VVD dat termijnen in de wet horen te staan en niet moeten worden overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de rechter. Dit is een eis die voortvloeit uit het karakter van termijnen. Wij hechten heel veel waarde aan rechtszekerheid. De omstandigheden en feiten die de staatssecretaris noemt, leiden allemaal tot de conclusie dat het nodig is om een termijn te stellen. Ze leiden niet tot de conclusie dat er een oneindige termijn moet gelden.

Wat de staatssecretaris heeft gezegd over bagatel is naar twee kanten toe uitlegbaar. Wat de beoordelaar in eerste instantie als een bagatel zal ervaren, kan voor de klager heel anders liggen. Ik vind dat als wij dat onderscheid willen maken — bagatelzaken niet en grotere zaken wel, hoewel ik hier geen voorstander van ben — er andersoortige drempels moeten worden opgeworpen. De staatssecretaris kan de schifting tussen bagatel en niet-bagatel niet met termijnen tot stand brengen. In die zin deel ik dat argument van de staatssecretaris niet.

Ik hoop dat ik het voorstel goed heb begrepen. Om dit zeker te stellen, heb ik enkele vragen. Betekent dit allereerst dat artikel 99, lid 15 voorlopig niet in werking treedt, zodat de staatssecretaris zich hierover kan beraden? Gaat het zover dat de gevolgen van die handelingen pas daarna bekend zijn geworden? "Daarna" kan overal in de tijd zijn. Het kan na één jaar zijn, na twee jaar of na twintig of dertig jaar. Het gaat om het moment waarop de gevolgen van de handelingen bekend worden. Als de notaris het jarenlang onder de radar houdt, zoals de staatssecretaris het noemde, blijft altijd boven zijn hoofd hangen dat het een keer boven de radar uitkomt en dat hij dan een klacht tegemoet kan zien. Of is het één jaar, zoals de heer Franken suggereerde? Als we te maken hebben met drie plus één, dan is het eindig. Een van de twee kan maar waar zijn, daarom vraag ik het aan de staatssecretaris.

Ten slotte heb ik een vraag over "het bekend worden". Betekent dit in het algemeen bekend worden of specifiek aan de klager bekend worden? Ik kan mij voorstellen dat hierin toch enig verschil zit en dat iets wel in zijn algemeenheid bekend is — ook bij de vakbroeders die het aangaat of in die "wereld" — maar dat de klager daarvan na al die jaren nog geen weet heeft. Ook dat zou de oneindigheid weer terug in beeld brengen. Al met al waarderen wij het zeer positief dat de staatssecretaris aan onze kritiek tegemoet wil komen. In elk geval komt er een termijn in de wet te staan en dat is een vooruitgang. Ik hoop dat de staatssecretaris ons straks in de tweede termijn nog meer vooruitgang kan bieden, zodat wij met een gerust hart met dit voorstel akkoord kunnen gaan.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. Ik eindigde mijn bijdrage in eerste termijn met de volgende woorden: "Ik wacht af of en, zo ja, welke beweging de staatssecretaris alsnog wenst te maken." Het lijkt alsof het tweede deel van zijn betoog een antwoord is op deze opmerking.

In reactie op de inbreng van de staatssecretaris in eerste termijn kan ik mij grotendeels aansluiten bij wat de heer Franken naar voren heeft gebracht. Ik blijf weliswaar onder ogen zien dat het om zeer uitzonderlijke gevallen moet gaan. Het blijven wat schimmige situaties. We hebben tot nu toe gehoord over abc-transacties en in de stukken is al eens gesproken over het witwassen, maar voor leken — waartoe ik mij reken — blijven het vrij schimmige situaties en schimmige gevallen, waarvoor deze uitzondering dan noodzakelijk zou zijn.

Als ik de staatssecretaris goed beluister, blijft de dreiging van toepassing van het tuchtrecht voor onbepaalde tijd gelden voor die gevallen, tenzij ik het zo moet begrijpen dat de staatssecretaris eigenlijk voorstelt dat de termijn met vier jaar als echte "verjaringstermijn" moet gaan gelden.

De staatssecretaris heeft ook gezegd dat het geen hardheidsclausule betreft, omdat de gevolgen van een en ander wel te voorzien zijn. Bij een hardheidsclausule geldt nu eenmaal als eis dat zij niet zijn te voorzien. Misschien wil hij dat nog eens verduidelijken? Mij is het in ieder geval niet onmiddellijk duidelijk geworden.

Overtuigd ben ik niet door het argument van de staatssecretaris dat tot 1999 — ik noemde dat jaartal inderdaad in eerste termijn — geen vervaltermijn van drie jaar gold. De reden dat wij nu alsnog terug zouden moeten naar een onbepaalde termijn voor uitzonderlijke gevallen vind ik als zodanig vanuit die historie niet zonder meer doorslaggevend.

Ik wil niet te lang aan het woord zijn. Ik heb met waardering kennisgenomen van het feit dat de staatssecretaris begrip getoond heeft voor bezwaren vanuit de Kamer, ook namens mijn fractie geuit. De variant die tot een zekere aanpassing zou kunnen leiden, moet ik echt even goed tot mij laten doordringen. Ik zou daarom op dit ogenblik geen absoluut "ja" of "neen" als uitsluitsel kunnen geven, maar mogelijkerwijs is in die richting een oplossing te vinden die althans mij er niet toe zou nopen om tegen het complete wetsvoorstel te stemmen, iets wat ik alleen maar met tegenzin doe, maar, als er geen verandering zou zijn, evenzeer met grote overtuiging.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hetgeen zij in tweede termijn hebben opgemerkt. Laat ik eerst wat duidelijkheid verschaffen, want daar vroeg de heer Schouwenaar naar. Wat er ook zal gebeuren, welke reparatie of welke wijziging ook zal moeten plaatsvinden — dat kan het terugkeren naar de oude tekst van de vervaltermijn zijn of het voorstel dat ik zojuist heb gedaan — wij zullen dat gaan doen bij de Gerechtsdeurwaarderswet. Wat betreft artikel 99, lid 15 van de Wet op het notarisambt zal de termijn blijven zoals zij is, totdat zij is gerepareerd. Ik wil dat artikel in ieder geval niet in werking laten treden. Misschien is er toch nog een alternatief te vinden dat nog minder belastend is in het kader van de rechtszekerheid, hoewel ik er op dit moment niet volledig van overtuigd ben dat dit een groot bezwaar is. Ik kom hier dadelijk nog op terug. Artikel 99, lid 15 treedt dus niet in werking. Reparatie zal plaatsvinden bij de Gerechtsdeurwaarderswet. Ik denk ook aan een bepaling in de Advocatenwet, maar ik heb goed kennis genomen van de opmerkingen in tweede termijn en ik zal bezien hoe ik daar verder mee zal omgaan.

De rechtszekerheid van individuele notarissen, waarover nog enkele opmerkingen zijn gemaakt, is inderdaad verminderd ten opzichte van de huidige situatie. Ik vind dat op zichzelf wel legitiem, omdat frauduleus handelen of nalaten moet kunnen worden aangepakt, ook al is de termijn van drie jaar overschreden. Ik heb echter ook de bezwaren daartegen gehoord, die in de tweede termijn naar voren zijn gebracht. Nogmaals, ik zal kijken naar een variant waarmee het mes aan twee kanten snijdt, dat wil zeggen dat die enerzijds de bezwaren die het BFT en andere uitvoeringsorganisaties kunnen oplossen en anderzijds ook de belastendheid tegemoet kunnen komen. Naar mijn mening omvat mijn voorstel beide aspecten, maar wij zullen dat nog eens heel scherp onder de loep nemen om te kijken of er geen bijzonderheden zijn.

De heer Franken heeft enkele opmerkingen gemaakt over de abc-transactie en heeft gevraagd of de abc niet alleen voor de notaris is die wordt "meegenomen" door een fraudeur, dat wil zeggen een notaris die ongewild wordt gebruikt. Dat kan uiteraard het geval zijn. In dat geval zou de notaris aangerekend kunnen worden dat hij onvoldoende onderzoek heeft laten verrichten dan wel dat hij de rug onvoldoende recht heeft gehouden. Het is echter ook niet uitgesloten dat, zoals de heer Franken zelf ook al opmerkte, de notaris bewust meewerkt aan een transactie. Dat biedt het strafrecht mogelijk oplossingen, anders dan tuchtrecht. Het is echter ook mogelijk dat hij wel wordt meegenomen, maar dat hij niet voldoende heeft doorgevraagd. Dan is hij ook niet ogenblikkelijk frauduleus bezig, maar het is toch verwijtbaar in de zin van het tuchtrecht.

De heer Holdijk heeft mij gevraagd nog eens uit te leggen wat ik in eerste termijn heb gesteld, namelijk waarom de klacht bij mij geen hardheidsclausule is, zoals de Raad van State uitspreekt. Een hardheidsclausule wordt in de regelgeving opgenomen als er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de betrokken regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen. De klachttermijn voorziet er dus in dat in uitzonderlijke gevallen een afweging zal moeten worden gemaakt en wel door de tuchtrechter. Dat is echt iets anders dan een hardheidsclausule. Het is een uitzondering voor de gevallen die wij hadden zien aankomen. Dat bedoelde ik in eerste termijn te zeggen.

Voorzitter. Ik heb al gesproken over de inwerkingtreding van artikel 99 in antwoord op een vraag die de heer Schouwenaar mij nadrukkelijk stelde. De heer Franken en anderen vroegen of de termijn in het voorstel dat ik zojuist in mijn termijn deed, de facto twee jaar wordt. De hoofdregel is drie jaar. Als een klacht na deze drie jaar wordt ingediend, dan blijft niet-ontvankelijkheid achterwege als de gevolgen van de foutelijke handeling redelijkerwijs pas daarna bekend zijn geworden. In dat geval moet het binnen een jaar nadat de gevolgen redelijkerwijs bekend zijn geworden. De maatstaf, zo heb ik ook in eerste termijn gezegd, van het wegen van de nuance door de tuchtrechter wordt zwaarder naarmate de tijd verstrijkt. De klager moet dus snel handelen, binnen een vaste termijn. Vandaar die termijn van een jaar. Ook als er handelingen zijn binnen de drie jaar die gekoppeld worden aan handelingen na die drie jaar, moet de toets die de tuchtrechter hanteert zwaarder zijn naarmate de tijd verstrijkt. Vier jaar is op zich geen absolute belemmering, om het zo maar te zeggen.

Tot zo ver mijn opmerkingen in tweede termijn.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Alvorens te komen tot afhandeling van het wetsvoorstel, schors ik kort de vergadering op verzoek van het lid Franken. Mijnheer Franken, hebt u genoeg aan twee tot drie minuten? Dat is het geval. Het gaat over drie jaar, dus drie minuten schorsing.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is het geval. Dan stel ik voor volgende week dinsdag over dit wetsvoorstel te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering wederom, voor een enkele minuut, in afwachting van de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.