33 836 Personen- en familierecht

Nr. 20 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 mei 2017

Opvolging aanbevelingen Staatscommissie Herijking ouderschap

Op 7 december 2016 bood mijn ambtsvoorganger u, namens het kabinet, het rapport «Kind en ouder in de 21e eeuw» aan van de Staatscommissie Herijking ouderschap.1 In de eerste reactie op dit advies heeft mijn ambtsvoorganger aangekondigd in februari 2017 een congres te organiseren om de opvattingen van betrokken organisaties en personen over het rapport van de Staatscommissie te vernemen. Daarnaast heeft hij aangekondigd kinderen over dit rapport te horen. In een bijlage2 bij deze brief doe ik u, ter uitvoering van de hiertoe strekkende toezegging, verslag van de uitkomsten van beide activiteiten.

Moties Draagmoederschap

Ik heb uitvoering gegeven aan de door het lid Van der Staaij (SGP) ingediende motie3 die de regering verzoekt «in de informatievoorziening nadrukkelijk te wijzen op voorbeelden uit risicolanden en nadelen voor wensouder, draagmoeder en kind indien het draagmoederschap onvrijwillig tot stand komt, er sprake is van uitbuiting, dan wel er onvoldoende wettelijke waarborgen zijn».

Op basis van het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap is de tekst op rijksoverheid.nl zodanig aangepast dat nadrukkelijker wordt gewezen op onwenselijke praktijken in het buitenland en de risico’s op uitbuiting van draagmoeders. De actuele tekst van rijksoverheid.nl treft u in een bijlage bij deze brief aan4.

Ter uitvoering van de motie5 van het lid Van der Staaij (SGP) die de regering verzoekt te bevorderen dat er, zonder afbreuk te doen aan het opportuniteitsbeginsel, daadwerkelijk opsporing en vervolging plaatsvindt wanneer er aanwijzingen voor overtreding van de strafrechtelijke bepalingen rondom draagmoederschap zijn, is in mei 2016 overleg gevoerd met het openbaar ministerie. Hieruit kwam naar voren dat gevallen van illegale opneming van kinderen in een gezin in principe altijd langs het expertiseknooppunt jeugd, gezin en zeden komen, waarmee ze op een landelijk niveau worden bekeken. In de afweging die het openbaar ministerie vervolgens maakt, weegt zwaar of sprake is van dwang, onvrijwilligheid, een georganiseerd verband en onveiligheid voor het kind. Overige aspecten van de strafbaarstelling rond draagmoederschap, zoals het adverteren voor een draagmoeder, hebben om dezelfde redenen vooralsnog minder prioriteit voor het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie heeft zich voorts bereidwillig getoond om mee te denken over eventuele aanpassing van de strafbaarstellingen rondom draagmoederschap, waaronder het strafbaar stellen van kinderhandel, zoals aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap.

Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens het VAO draagmoederschap van 2 september 2015 (Handelingen II 2014/15, nr. 107, item 6) aan het lid Arib (PvdA) toegezegd terug te zullen komen op de aangehouden motie die de regering verzoekt te onderzoeken in hoeverre de strafrechtelijke bepalingen rond draagmoederschap en mensenhandel dienen te worden aangepast om illegaal commercieel draagmoederschap adequaat aan te pakken. Het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap biedt nuttige aanknopingspunten om over te gaan tot aanpassing van de strafrechtelijke bepalingen rondom draagmoederschap. De beslissing over de opvolging van deze aanbevelingen laat ik aan een volgend kabinet.

Afstandsmoeders

Bijgaand doe ik uw Kamer tevens toekomen het rapport «Beklemd in de scharnieren van de tijd. Beleid, praktijk en ervaringen van afstand ter adoptie door niet-gehuwde moeders in Nederland tussen 1956 en 1984».6 Hiermee doe ik de toezegging van mijn ambtsvoorganger gestand om een verkennend onderzoek uit te laten voeren om meer inzicht te krijgen in de problematiek van ongehuwd, zwangere vrouwen die afstand deden van hun kind.7

Het onderzoek, dat is uitgevoerd door de Radboud Groep voor Historische Demografie en Gezinsgeschiedenis, geeft inzicht in het maatschappelijk beeld, de toenmalige beleidskaders en de ervaringen met (gedwongen) afstand ter adoptie. Naast literatuuronderzoek en archiefonderzoek, zijn interviews gehouden met afstandsmoeders, enkele vaders en kinderen, alsmede professionals en experts.

Het rapport maakt allereerst duidelijk dat de onderzochte periode gekenmerkt wordt door grote maatschappelijke veranderingen, waarbinnen de positie van de afstandsmoeder eveneens veranderde. Een belangrijke bevinding in het rapport is dat van formele dwang (door wetshandhavers en autoriteiten) geen sprake lijkt te zijn geweest8, maar dat informele dwang – bijvoorbeeld door de ouders – zich kon openbaren in de vorm van het uitoefenen van druk tot een bepaalde gewenste besluitvorming. Zo kon afstand ter adoptie als enige perspectief worden voorgesteld. Er lijkt voorts sprake te zijn geweest van ervaren drang: hoewel uit de protocollen en de onderzochte dossiers blijkt dat de afstandsmoeders alle informatie over haar keuzemogelijkheden werd verstrekt, heerst onder een deel van de afstandsmoeders het gevoel destijds onvoldoende geïnformeerd te zijn geweest over hun rechten en mogelijkheden. Ze voelden zich vaak niet gehoord en onbegrepen, hetgeen tot grote frustratie en zelfs trauma heeft geleid. De afstandsvaders speelden geen rol bij het besluitvormingsproces en werden overal buitengehouden. De procedurele werkelijkheid en de beleefde werkelijkheid waren daarmee twee verschillende werelden.

Het rapport sluit aan op de aanbeveling van de Staatscommissie Herijking ouderschap om eenvoudige adoptie in te voeren, waarbij de banden met de biologische ouders niet worden doorgesneden. De beslissing over die aanbeveling is aan een nieuw kabinet.

Verwijzend naar de demissionaire status van het kabinet bied ik u dit rapport zonder inhoudelijke reactie aan.

Onderzoek niet nakomen omgangsregelingen

Ten slotte reageer ik hierbij op de motie9 van de leden Bergkamp (D66) en Van Nispen (SP) waarmee de regering is verzocht om het niet nakomen van omgangsregelingen in de praktijk te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren. Graag laat ik hierbij weten dat het WODC onderzoek gaat uitvoeren naar de praktijk van de omgangsregelingen. Ik verwacht dat ik eind van dit jaar de resultaten van het onderzoek aan Uw Kamer kan aanbieden.

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 33 836, nr. 18.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 28 638, nr. 135.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
5

Kamerstuk 28 638, nr. 138.

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
7

Kamerstuk 31 265, nr. 57.

X Noot
8

Hierbij moet als kanttekening worden geplaatst dat er geen diepgaand onderzoek is verricht naar afstandsprocedures in protestants-christelijke, rooms-katholieke of neutrale tehuizen voor ongehuwde moeders.

X Noot
9

Kamerstuk 34 168, nr. 5.

Naar boven