Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633625 nr. 219

33 625 Hulp, handel en investeringen

Nr. 219 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juni 2016

Tijdens het Algemeen Overleg van 1 juli 2015 over de VN top inzake de Post 2015 ontwikkelingsagenda (Kamerstuk 32 605, nr. 172) heb ik uw Kamer een rapportage over beleidscoherentie toegezegd. In het Algemeen Overleg RBZ/OS d.d. 3 december 2015 (Kamerstuk 21 501-04, nr. 181) is toegezegd dat uw Kamer een Actieplan Beleidscoherentie ontvangt. Met deze brief wordt hier opvolging aan gegeven. Hiermee wordt de motie Van Laar (Kamerstuk 33 625, nr. 209) om de jaarlijkse coherentierapportage voor de zomer toe te sturen uitgevoerd.

De ongelijkheid tussen landen daalt, maar is nog steeds erg hoog: de plek waar iemand geboren en getogen is bepaalt zijn of haar kansen op een behoorlijk inkomen. Ethiopië bijvoorbeeld is 30 keer zo arm als Nederland. Die kloof kunnen we mee helpen dichten door coherent beleid, waarbij ons beleid op het gebied van bijvoorbeeld handel, belastingen en toegang tot medicijnen onze hulpinspanningen versterkt. Beleidscoherentie voor ontwikkeling is vastgelegd in het Werkingsverdrag van de Europese Unie: de Unie houdt rekening met de doelstelling van haar ontwikkelingssamenwerkingsbeleid bij besluitvorming op andere terreinen dan hulp- en ontwikkelingsbeleid. De EU heeft in 2009 een agenda van vijf coherentiethema’s vastgesteld.1 Het Nederlandse coherentiebeleid richt zich voor een belangrijk deel op de besluitvorming in de Europese Unie. De bevoegdheid op ontwikkelingsrelevante onderwerpen als handel en landbouw is immers overgedragen naar Europees niveau. Ook op veel andere terreinen formuleert de Unie een gezamenlijke inzet.

Beleidscoherentie voor ontwikkeling is een verantwoordelijkheid van het hele kabinet. Beleid coherent maken begint bij het expliciet onderkennen van het ontwikkelingsbelang in de beginfase van de beleidsformulering. Duidelijk is dat tegenover het belang van de armste mensen andere belangen kunnen staan. Beleidscoherentie is daarom vaak een kwestie van belangenafweging.

Het voorliggende Actieplan Beleidscoherentie omvat de thema’s waarop het kabinet al langer werkt: handelsakkoorden, toegang tot medicijnen, belastingontwijking, duurzame waardeketens, kosten van geldovermakingen door migranten en klimaatverandering. Het plan is aangevuld met drie onderwerpen. Zo zijn als eerste nieuwe onderwerp onder handelsakkoorden ook overige bilaterale en regionale handelsakkoorden (FTAs) opgenomen, omdat de EU met veel landen dergelijke onderhandelingen voert of gaat voeren. Deze akkoorden kunnen gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden. Het tweede nieuwe onderwerp omvat investerings-beschermingsovereenkomsten (IBO’s). IBO’s vergroten de rechtszekerheid en bevorderen daarmee het aantrekken van investeringen in ontwikkelingslanden. In de nieuwe EU-positie is de beleidsvrijheid van overheden gegarandeerd, hetgeen ook voor ontwikkelingslanden belangrijk is. Als derde nieuwe onderwerp is voedselzekerheid opgenomen, dit naar aanleiding van de motie van Laar (Kamerstuk 33 625, nr. 202).

Op de coherentiethema’s stellen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de penvoerende ministeries een gezamenlijke inzet vast. Het gaat daarbij om het vaststellen van zo concreet mogelijke doelen, waarbij het streven naar positieve resultaten voor de armste groepen leidend is. Nederland draagt deze posities vervolgens uit in de EU en binnen andere internationale organisaties. Om de inzet te versterken en steun te mobiliseren wordt vaak samengewerkt met andere landen en NGO’s. Kennis uit academische hoek wordt benut om de inzet te onderbouwen.

Naast de uitvoering van de actieagenda blijft het kabinet werken aan systematische doorlichting van al het nieuwe EU-beleid op impact op de armen. De Nederlandse beoordeling van nieuwe EU-beleidsvoorstellen wordt met de Kamer gedeeld via de fiches van de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC).

Relatie tot de Global Goals

De Global Goals bieden nieuw perspectief op samenhangend beleid doordat ze voor het eerst de hoofddimensies van duurzame ontwikkeling verbinden, de economische, de sociale, ecologische en de governance dimensie. Ze zijn universeel: ze gelden voor alle landen, rijk en arm. In de Global Goals is een aparte doelstelling opgenomen over beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling, als subdoelstelling van doel 17 over middelen voor de uitvoering van de Global Goals (doelstelling 17.4). Deze subdoelstelling impliceert dat op alle beleidsterreinen de economische, sociale, ecologische en governance aspecten van duurzame ontwikkeling met elkaar in balans moeten worden gebracht. Daarbij moet de verbinding worden gelegd tussen binnenlandse en internationale maatregelen.

De Nederlandse agenda op het gebied van beleidscoherentie voor ontwikkeling draagt direct bij aan de realisatie van de Global Goals: alle onderwerpen uit het Actieplan Beleidscoherentie corresponderen met een of meerdere Global Goals (zie bijlage). Omgekeerd vormen de Global Goals met hun tijdshorizon in 2030 een stimulans om in Nederland en de EU nog ambitieuzer te werken aan coherent beleid. Daarom zal Nederland bij de nationale uitvoering van en rapportage over de Global Goals specifieke aandacht besteden aan de prioriteiten in het actieplan voor beleidscoherentie.

Actieplan en Jaarrapportage

Hieronder volgen de belangrijkste resultaten die in de periode tussen mei 2015 en juni 2016 bereikt zijn op de thema’s van het Actieplan voor Beleidscoherentie. De bijlage bevat per onderwerp een volledig overzicht van de gestelde doelen en behaalde resultaten.

Handel

  • Nederland heeft met het Verenigd Koninkrijk met succes bepleit dat in het EU-voorstel voor het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in het EU-VS handelsakkoord (Transatlantic Trade and Investment Partnership – TTIP) een specifieke verwijzing naar ontwikkelingslanden wordt opgenomen. In het voorstel wordt afgesproken dat in de samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling speciale aandacht wordt gegeven aan ontwikkelingslanden, met name minst ontwikkelde landen (MOL’s). Dit kan bijvoorbeeld gaan om samenwerking tussen de EU en de VS ter verbetering van arbeidsomstandigheden in Bangladesh. Deze afspraak geldt ook voor het evalueren van de impact van TTIP, met als doel de positieve effecten op ontwikkelingslanden van het akkoord te maximaliseren. Het EU-voorstel is gepubliceerd in november 2015.2

  • Op 21 april jl. organiseerde Nederland met het Verenigd Koninkrijk en België een goed ontvangen technisch seminar in Brussel over TTIP en ontwikkelingslanden. Verschillende opties zijn besproken om de economische impact van TTIP op lage-inkomenslanden zo positief mogelijk te maken. Hierbij kan gedacht worden aan onder meer oorsprongsregels en samenwerking op gebied van regelgeving. De uitkomsten van het seminar zijn gedeeld met de Europese Commissie.

  • Nederland heeft aandacht gevraagd voor de gevolgen van de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) op de landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen). Nederland zal dit onverminderd blijven doen. Het gaat hierbij om de vraag of de EPA het beoogde doel van toenemende export en diversifiëring van de betrokken Afrikaanse economieën bereikt. Nederland volgt actief het werk van de evaluatiecommissie en andere instellingen die toezien op de uitvoering en impact van de EPA’s. Als er sprake is van negatieve gevolgen, zal Nederland zo nodig pleiten voor verzachtende maatregelen.

  • Nederland laat onderzoek doen naar de effecten van toekomstige EU-handelsakkoorden, bijvoorbeeld met Australië en Nieuw-Zeeland en met de Filippijnen, op de Nederlandse economie. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de effecten op werkgelegenheid, inkomen en handelsvolumes. Naast de effecten op de Nederlandse economie zal expliciet aandacht geschonken worden aan de effecten van deze akkoorden op minst ontwikkelde landen (MOL’s).

Investeringsbescherming

  • Nederland zet zich in om het traditionele regime van investeringsbescherming te verbeteren en te vernieuwen, zowel bilateraal als op EU-niveau.

  • Nederland is voorstander van hervorming van het mechanisme van investeringsbescherming en de beslechting van investeringsgeschillen langs de volgende vier lijnen:

    • 1. waarborgen voor beleidsvrijheid zonder risico van arbitrageclaims;

    • 2. het moderniseren van de geschillenbeslechtingsprocedure (onder andere door meer transparantie, verbeterde selectie van gekwalificeerde en onafhankelijke rechters, een beroepsmechanisme, het oprichten van een multilateraal investeringshof);

    • 3. het beperken van oneigenlijk gebruik van arbitrage (waaronder uitsluiten van brievenbusmaatschappijen);

    • 4. het afbakenen en verduidelijken van de standaarden van investeringsbescherming.

  • Op 16 september 2015 presenteerde de Europese Commissie haar nieuwe positie voor investeringsbescherming. In deze positie is de Nederlandse inzet overgenomen: het Investment Court System. In het voorstel wordt bijvoorbeeld de beleidsvrijheid voor overheden expliciet in een verdragsartikel vastgelegd en kunnen alleen bedrijven met een substantiële bedrijfsactiviteit gebruik maken van de geboden investeringsbescherming.

  • Parallel hieraan zal de Europese Commissie samen met andere landen starten met de oprichting van een permanent internationaal investeringshof.

  • Tevens zal Nederland op basis van de nieuwe EU-inzet voor investeringsbescherming al haar 91 investeringsbeschermingsovereenkomsten aanpassen.3

Toegang tot medicijnen

  • Nederland heeft zich in de EU actief opgesteld ten gunste van oneindig uitstel van de ontheffing voor de minst ontwikkelde landen (MOL’s) van de farmaceutische verplichtingen onder het TRIPS-verdrag (Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights-TRIPS). In de TRIPS Raad van de Wereldhandelsorganisatie van november 2015 is met steun van de EU een nieuw uitstel verleend aan de MOL’s tot 2033. Hierdoor kunnen in de minst ontwikkelde landen generieke medicijnen geproduceerd of op de markt gebracht worden zonder risico op een klacht van de patenthouder.

  • Nederland heeft in EU-overleg geconstateerd dat TRIPS+ bepalingen (bepalingen die verder gaan dan het TRIPS verdrag) zijn opgenomen in het afgeronde handelsakkoord met Vietnam en dat vergelijkbare bepalingen te verwachten zijn in de nu startende onderhandelingen met de Filipijnen en Indonesië. Nederland heeft hierover opheldering gevraagd, de Nederlandse bezwaren uiteengezet en medestanders gezocht voor onze inzet onder EU-lidstaten. Nederland gaat hier mee door, omdat TRIPS+ bepalingen een strikte patentbescherming eisen die kan leiden tot hoge medicijnprijzen.

  • In 2016 heeft Nederland de internationale discussie aangezwengeld over oplossingen voor het probleem dat medicijnen vaak te duur zijn en innovatie voor nieuwe medicijnen tekort schiet. Nederland leverde als een van de weinige regeringen een alom geprezen schriftelijke en mondelinge bijdrage aan het High Level Panel on Access to Medicines (HLP) van de Secretaris-Generaal van de VN. De Nederlandse bijdrage riep het HLP op om op een breed terrein oplossingen te zoeken, zowel binnen als buiten het patentsysteem.

  • Tijdens de 69ste Wereld Gezondheids Assemblee in mei 2016 pleitte Nederland in EU-verband voor een wereldwijd gecoördineerde aanpak voor onderzoek en ontwikkeling van medicijnen die de markt niet of tegen zeer hoge prijzen levert. Dit probleem geldt niet langer alleen voor tropische ziektes maar kan iedereen treffen. Ook in rijke landen groeit dit besef. Nederland heeft zich dan ook hard gemaakt voor een resolutie die de WHO een stevig mandaat geeft voor de komende jaren. De resolutie benadrukt dat onderzoek en ontwikkeling gebaseerd moet zijn op de behoeften en tot betaalbare medicijnen moet leiden. De tekst legt het principe vast dat de kosten van onderzoek en ontwikkeling losgekoppeld moeten worden van de uiteindelijke medicijnprijzen.

Belastingen

  • Mede op Nederlands initiatief werd tijdens de Financing for Development (FfD) conferentie het Addis Tax Initiative (ATI) gelanceerd. Inmiddels hebben zich 19 donoren, 14 partnerlanden, 9 internationale instellingen en de Gates Foundation bij het initiatief aangesloten. Bij het ATI zegden donoren toe om de beschikbare middelen voor technische assistentie ter versterking van belastingbeleid en belastingdiensten uiterlijk in 2020 gezamenlijk te hebben verdubbeld. Nederland is in 10 ontwikkelingslanden bilateraal actief met onder meer on-the-job training in behandeling van belastingaangiftes, trainingen om belastingplanning door multinationals te kunnen doorgronden en trainingen om belastingverdragen actueel te houden.

  • De FfD conferentie riep donorlanden op om niet langer een beroep te doen op vrijstelling van invoerrechten en BTW voor projecten die vallen onder ontwikkelingssamenwerking van overheid tot overheid. Nederland past dit nieuwe beleid per 1 januari 2016 toe op nieuwe projecten. Dit draagt bij aan meer overheidsinkomsten voor de partnerlanden.

  • Nederland loopt ook voorop met implementatie van de oproep van de FfD conferentie om in alle belastingverdragen antimisbruikbepalingen op te nemen. Nederland heeft aan 23 ontwikkelingslanden aangeboden om antimisbruikbepalingen in de bilaterale verdragen op te nemen waardoor hen inkomstenverlies wordt bespaard. Tot nu toe is hierover met 4 ontwikkelingslanden overeenstemming bereikt. Met 15 andere ontwikkelingslanden is Nederland in gesprek.

  • Het kabinet heeft zich er met succes voor ingezet dat de OESO de deelname aan het overleg over de aanpak van belastingontwijking uitbreidt met alle daarin geïnteresseerde landen. Tot nu toe waren 14 ontwikkelingslanden toegelaten tot het overleg van het OESO/G20 Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project tegen belastingontwijking van het OESO Committee on Fiscal Affairs (CFA). Andere ontwikkelingslanden hadden tot nu toe via regionale consultatiebijeenkomsten geparticipeerd in dit project. Nu heeft de OESO de directe deelname opengesteld voor alle landen die het BEPS-project tegen belastingontwijking steunen. Daarmee zal sprake zijn van een toenemende diversiteit aan belangen in het comité. Problemen waarmee ontwikkelingslanden te maken hebben, krijgen zo meer aandacht. Het BEPS-project heeft in oktober 2015 een indrukwekkend pakket van aanbevolen maatregelen opgeleverd. Bijvoorbeeld de beperking van excessieve renteaftrek op het belastbare bedrijfsresultaat. Door de openstelling van het CFA kunnen in principe ook alle ontwikkelingslanden deelnemen aan de monitoring van de implementatie van het BEPS-pakket.

  • Tijdens het lopende EU-voorzitterschap maakt Nederland zich sterk voor een politiek akkoord over een voorstel van de Europese Commissie voor een anti-belastingontwijkingsrichtlijn.

  • Ontwikkelingslanden zijn ook betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van internationale afspraken over grotere transparantie, zoals de automatische uitwisseling van bankgegevens tussen belastingdiensten. Op dit moment hebben 101 landen toegezegd hieraan mee te doen. Een aantal landen, waaronder Nederland, start in 2017, andere volgen in 2018.

Verduurzaming waardeketens

  • Nederland draagt via verschillende ketenprogramma’s bij aan de verduurzaming van koffie, thee, cacao, soja, hout en groente en fruit. Ondersteund door het Initiatief Duurzame Handel (IDH) werken in Malawi producenten, theepakkers, NGO’s en de overheid samen aan leefbare lonen in en revitalisatie van de theesector. Voor de koffiesector is een uitgebreide toolkit ontwikkeld (Sustainable Coffee as a Family Business) waarmee de positie van vrouwen wordt versterkt. In de katoenteelt wordt met het Better Cotton Initiative tot 20% water bespaard en pesticiden gebruik met tweederde verminderd.

  • Nederland levert een actieve bijdrage aan het oprichten en verbeteren van internationale platforms voor de verduurzaming van ketens zoals de Rondetafel voor Duurzame Palmolie (RSPO). Nederland ondersteunt ook een trilaterale dialoog met Indonesië (grote producent) en China (grote consument) over verduurzaming van productie en handel van palmolie.

  • In mei 2016 kwamen in Pakistan vertegenwoordigers van vakbonden, inkopende merken, overheden en producenten bijeen om te spreken over bevordering van leefbaar loon in negen textiel producerende landen. De conferentie was gericht op een regionale multistakeholder aanpak met sociale dialoog als belangrijke motor. De Conference Statement stelt duidelijk de verantwoordelijkheden van de stakeholders en is gericht op de ontwikkeling van nationale actieplannen voor leefbaar loon in de toekomst.

  • Daarnaast zet het kabinet zich in Nederland in voor het afsluiten van IMVO-convenanten voor de dertien meest risicovolle sectoren. Hiermee worden risico’s en schendingen in de waardeketens structureel aangepakt door afspraken tussen alle betrokken spelers te faciliteren. Het eerste convenant (Textiel en Duurzame Kleding) werd in maart 2015 gepresenteerd. In december 2015 werd het contourenconvenant «goud» getekend met als doel een goudconvenant in zomer 2016. Ook de bancaire sector is inmiddels tot overeenstemming gekomen over de tekst van een convenant. De verwachting is dat het convenant deze zomer wordt ondertekend.

  • Verduurzaming van mondiale waardeketens is prioriteit van het Nederlandse EU-voorzitterschap. Naast het belang van EU-actie voor het bereiken van de Global Goals, draagt dit ook bij aan het creëren van een level-playing-field voor betrokken bedrijven. Belangrijke resultaten zijn: Raadsconclusies in mei 2016 over MVO en verduurzaming van mondiale waardeketens en toezegging van de Europese Commissie over een concept EU Responsible Business Conduct Action Plan voor zomer 2016, In specifieke sectoren zijn de volgende resultaten bereikt: de «Amsterdam verklaringen» van december 2015 over 100% duurzame palmolie in 2020 en het tegengaan van ontbossing als gevolg van mondiale landbouwketens, de lancering van het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) en bijdrage aan het EU Garment Initiative. Bovendien dringt Nederland binnen de EU aan op ambitieuze duurzaamheidshoofdstukken in handelsakkoorden met productielanden, zoals met Colombia/Peru, India en Vietnam.

Geldovermakingen door migranten

  • Een van de uitkomsten van de Financing for Development conferentie (juli 2015) en de VN top voor de Post 2015 ontwikkelingsagenda (juli 2015) is de afspraak om de transactiekosten van de geldovermakingen door migranten tot maximaal 3% te verlagen in 2030. Dit valt onder Global Goal 10: het verminderen van ongelijkheid. Voor Nederland geldt vrijheid van kapitaal en geldovermakingen binnen de EU-richtlijnen. De bevoegdheid inzake regels voor het betalingsverkeer ligt dus bij de Commissie. De Minister van Financiën houdt (binnenlands) toezicht op geldovermakingen onder andere in het kader van anti-witwas praktijken.

  • Het Ministerie van Financiën zal de Commissie vragen om de uitvoering van deze doelstelling op te pakken. Daarbij zal tevens gevraagd worden naar een voorspelling van de toekomstige marktomstandigheden met betrekking tot geldovermakingen door migranten.

  • In 2014 hebben G20 leiders het G20 Plan to Facilitate Remittance Flows gelanceerd. Sinds 2014 zet Nederland ook in het G20 Global Partnership for Financial Inclusion (GPFI) in op de verlaging van transactiekosten van geldovermakingen door migranten. GPFI legt de nadruk op opkomende technologieën, «business» modellen en een marktgerichte benadering om het gebruik van betalingssystemen, inclusief geldovermakingen door migranten, te verbeteren en vergroten.

Klimaatverandering

  • Het Klimaatverdrag roept donoren opnieuw op om hun klimaatfinanciering op te schalen en vanaf 2.020 USD 100 miljard per jaar beschikbaar te stellen. Nederland draagt daar aan bij.

  • De totale Nederlandse publieke klimaatfinanciering bedroeg in 2.015 EUR 428 miljoen, de gemobiliseerde private klimaatfinanciering, die in 2015 voor het eerst in kaart werd gebracht, bedroeg EUR 73 miljoen.

  • Daarnaast spant Nederland zich ervoor in dat het Groene Klimaatfonds en het klimaatfonds voor hernieuwbare energie ten goede komen aan de armste mensen. Ook is het Groene Klimaatfonds in belangrijke mate dankzij de inspanningen van Nederland het eerste multilaterale fonds dat van start gaat met een genderbeleid.

  • Binnen de Tropical Forest Alliance 2020 werkt Nederland met bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden samen aan het tegengaan van ontbossing als gevolg van uitbreiding van landbouw. De verduurzaming van palmolie- en sojaketens draagt zo bij aan bosbehoud en klimaatmitigatie.

  • Bij de Internationale Financiële Instellingen maakt Nederland zich sterk voor investeringen in groene energie. Alleen bij hoge uitzondering stemt Nederland nog in met investeringen in olie, gas en kolencentrales.4

Voedselzekerheid

  • Tijdens de 10e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie eind 2015 zijn afspraken gemaakt over de afschaffing van exportsubsidies en de beperking van exportsteun voor landbouwproducten. Hoewel de EU deze instrumenten al sinds 2013 niet meer inzet, zijn afspraken hierover op WTO-niveau een grote stap vooruit. Het is voor WTO-leden (uitgezonderd de minst ontwikkelde landen) niet meer toegestaan om exportsubsidies ten behoeve van landbouwproducten te gebruiken en ook het gebruik van instrumenten met vergelijkbaar effect is aan banden gelegd. Dit leidt tot minder handelsverstoring op voedselmarkten in ontwikkelingslanden en bevordert voedselzekerheid.

  • Bovendien zijn de leden van de Wereldhandelsorganisatie overeengekomen dat voedselhulp zoveel mogelijk in cash moet worden gegeven. Daarbij dienen landen zich ervoor in te zetten dat voedselhulp lokale markten en productie zo min mogelijk verstoort.

  • Ten slotte draagt de eerder genoemde inzet op coherentie in handelsakkoorden zoals de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) bij aan onze doelstelling op het vlak van voedselzekerheid. Alle EPA’s kennen bijvoorbeeld een speciale clausule die bepaalt dat EPA-partners bij problemen rond voedselzekerheid als gevolg van de implementatie van het akkoord passende maatregelen mogen nemen, zoals het terugdraaien van liberalisering.

Blik naar de toekomst

De rapportage geeft aan waar we goede resultaten bereiken en waar kansen liggen, maar ook welke terreinen extra aandacht behoeven en waar voortgang moeizaam is. Een positieve ontwikkeling is bijvoorbeeld het groeiende besef dat er op het gebied van toegang tot medicijnen een wereldwijd probleem bestaat en dat een betere balans nodig is tussen de beloning voor gedane onderzoeks-investeringen en het beschikbaar komen van de resultaten daarvan voor anderen. Ook biedt de nieuwe Trade for All Strategy van de Europese Commissie een goed aangrijpingspunt voor Nederland om de coherentiedoelen op handel en investeringen in het EU-overleg aan te kaarten en om handelspolitiek nog meer in te zetten voor duurzame, inclusieve ontwikkeling. De internationale aandacht voor binnenlandse middelenmobilisatie (DRM) en de internationale initiatieven om belastingontwijking en belastingontduiking tegen te gaan bieden een momentum voor ontwikkelingslanden om meer inkomsten te genereren voor hun ontwikkelingsagenda.

Anderzijds blijft het bij coherentiedossiers op EU-niveau een uitdaging om voldoende steun van andere lidstaten en de Europese Commissie te verwerven. Met name op terreinen waar grote belangen spelen, zoals bij het debat over medicijnen. Bij het laten opnemen van antimisbruikbepalingen in bilaterale belastingverdragen blijkt dat niet alle 23 aangeschreven ontwikkelingslanden hier prioriteit aan geven, zodat het afronden van aangepaste verdragen vertraging oploopt.

Vooruitgang op het gebied van beleidscoherentie voor ontwikkeling draagt bij aan inclusieve en duurzame groei. De resultaten die in deze rapportage zijn beschreven helpen ontwikkelingslanden om zichzelf uit de armoede omhoog te werken en het uiteindelijke doel te halen: het uitbannen van extreme armoede in 2030.

Zoals aangegeven tijdens de bijeenkomst over de Coherentiemonitor op 23 maart 2015 zal het kabinet doorgaan met het opstellen van een jaarlijkse rapportage over de voortgang op de coherentiethema’s van het actieplan.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

Bijlage

Handel (TTIP, EPA’s, FTA’s)

Handel

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP)

Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s)

Handelsakkoorden

(FTA’s)

Positieve spillover effecten van TTIP voor lage-inkomenslanden zijn zo groot mogelijk bij afronding van de onderhandelingen.

17.10, 17.11, 17.12.

Aanknopingspunt voor samenwerking op harmonisatie preferentiële tariefsystemen van EU en VS voor ontwikkelingslanden wordt in TTIP-verdrag benoemd.

Voor effectieve monitoring van de implementatie van de EPA’s is een institutioneel raamwerk opgezet.

Kwalitatieve en adequate evaluaties van de implementatie van de EPA’s zijn uitgevoerd en de aanbevelingen daaruit zijn opgevolgd.

Impactstudies voor alle nieuwe handelsakkoorden om te kijken naar de impact op lage inkomenslanden en minst ontwikkelde landen (MOL’s).

Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP)

Het kabinet is van mening dat de economische voordelen van TTIP voor de VS en de EU niet ten koste mogen gaan van de lage-inkomenslanden. Het kabinet streeft ernaar om samen met andere lidstaten, de Europese Commissie en de VS de positieve effecten voor lage-inkomenslanden zo groot mogelijk te maken. Nederland heeft voor de onderhandelingen over TTIP een studie laten uitvoeren door de Rijksuniversiteit Groningen om de impact van TTIP op ontwikkelingslanden beter in kaart te brengen. Deze studie is een aanvulling op het onderzoek dat de Europese Commissie voor elk nieuw handelsakkoord uitvoert. De resultaten hiervan heeft het kabinet op 13 november 2015 met de Kamer gedeeld en de inzet van het kabinet is toegelicht (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1547).

Nederland brengt bij verschillende gesprekken en bijeenkomsten met andere lidstaten, de Europese Commissie en de VS het belang van de impact van TTIP op ontwikkelingslanden op. Dit heeft al tot twee concrete resultaten geleid: Nederland heeft met het Verenigd Koninkrijk met succes bepleit dat in het EU-voorstel voor het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in TTIP een specifieke verwijzing naar ontwikkelingslanden wordt opgenomen. In het voorstel wordt afgesproken dat in de samenwerking op het gebied van duurzame ontwikkeling speciale aandacht wordt gegeven aan ontwikkelingslanden, met name minst ontwikkelde landen (MOL’s). Dit kan bijvoorbeeld gaan om samenwerking tussen de EU en de VS ter verbetering van arbeidsomstandigheden in Bangladesh. Deze speciale aandacht geldt ook voor het evalueren van de impact van TTIP, met als doel de positieve effecten op ontwikkelingslanden van het akkoord te maximaliseren. Het EU-voorstel is gepubliceerd in november 2015.

Op 21 april jl. organiseerde Nederland met het Verenigd Koninkrijk en België een goed ontvangen technisch seminar in Brussel over TTIP en ontwikkelingslanden. Verschillende opties zijn besproken waarmee de economische impact van TTIP op lage-inkomenslanden zo positief mogelijk gemaakt kan worden. Dit gaat onder meer over oorsprongsregels en samenwerking op gebied van regelgeving. De uitkomsten van het seminar zijn gedeeld met de Europese Commissie.

Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s)

EPA's zijn handel- en ontwikkelingsakkoorden met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, de zogenaamde ACS-staten. EPA’s hebben tot doel door handel en investeringen te bevorderen en zo te stimuleren dat de ACS-landen een sterkere en meer gediversifieerde economie opbouwen en de armoede vermindert. Nederland heeft zich ervoor ingezet dat de EPA’s positief uitwerken voor de ontwikkeling van de ACS-landen, onder andere door uitzonderingen op liberaliseringsverplichtingen voor landbouwproducten.

In 2014 is een eerste 5-jaarlijkse evaluatiereview van een EPA uitgevoerd, namelijk die met de landen in de Cariben (EU-CARIFORUM EPA). Een van de conclusies luidde dat een beter en gedegener monitoringssysteem belangrijk is om de precieze impact van EPA’s te kunnen meten. Gedegen monitoring was een groot probleem, mede doordat de daarvoor verantwoordelijke instituties met vertraging tot stand zijn gekomen. Daarom blijft de commissie die de evaluatiereview uitvoerde in functie, om de resultaten van de EPA met de landen in de Cariben beter te kunnen meten. Zo kan tussentijds, bijvoorbeeld jaarlijks, bezien worden welke resultaten er behaald zijn, en kunnen de uitkomsten besproken worden in de Joint EPA Council.

Nederland trekt lessen uit deze ervaring en brengt de noodzaak van goede monitoring steeds op, zodat aandacht geschonken wordt aan de impact van een EPA. De voornaamste effecten waarop gelet moet worden zijn het verlies aan overheidsinkomsten door wederzijdse liberalisering, handelsverdringing, obstakels bij het benutten van de toegekende tariefvrije markttoegang en mogelijke gevolgen op het gebied van duurzaamheid. Waar nodig kunnen maatregelen genomen worden om negatieve effecten aan te pakken. Dit kan bijvoorbeeld via technische assistentie en Aid for Trade ondersteuning. Ook kunnen de betrokken landen afspraken maken om liberalisering tijdelijk stopgezet wordt, of zelfs dat tarieven weer verhoogd worden. Nederland volgt actief het werk van de evaluatiecommissie en andere instellingen die toezien op de uitvoering en impact van de EPA’s. Als sprake is van negatieve gevolgen zal Nederland zo nodig pleiten in de Joint EPA Council voor de inzet van de safeguards, vrijwaringsmaatregelen of verzachtende clausules.

Overige handelsakkoorden

De Europese Commissie voert met een aantal landen onderhandelingen over handelsakkoorden. Hierbij moet zorggedragen worden dat deze akkoorden niet ten koste gaan van minst ontwikkelde landen (MOL’s). Nederland laat onderzoeken doen naar de effecten van toekomstige EU-handelsakkoorden, bijvoorbeeld met Australië en Nieuw-Zeeland en met de Filippijnen, op de Nederlandse economie. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de effecten op werkgelegenheid, inkomen en handelsvolumes. Naast de effecten op de Nederlandse economie zal expliciet aandacht geschonken worden aan de effecten van deze akkoorden op MOL’s.

Investeringsverdragen

Investeringen

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Herzien van het Nederlandse investerings-beschermingsbeleid dat voorziet in een eerlijker en gebalanceerd systeem voor investeringsgeschillen.

Herzien van bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten.

17.15

Opnemen van de nieuwe EU-inzet in lopende en toekomstige onderhandelingen over investeringsverdragen.

In samenwerking met de Europese Commissie toewerken naar een multilateraal investeringshof.

Dit coherentiedoel komt overeen met paragraaf 91 in de Addis Ababa Action Agenda dat het streven uitspreekt om handels- en investeringsakkoorden op te stellen die goed waarborgen dat geen beperkingen worden gesteld aan beleid van nationale overheden en regulering in het publieke belang.

Rechtszekerheid is een belangrijke voorwaarde voor het scheppen van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en het aantrekken van buitenlandse investeringen. In landen waar nationale wetgeving en instituties onvoldoende bescherming bieden, kunnen bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) dienen als alternatief. IBO’s vergroten de rechtszekerheid en bevorderen daarmee het aantrekken van investeringen in ontwikkelingslanden.

IBO’s bevatten basisregels voor de behandeling van buitenlandse investeerders en hun investeringen. Deze basisregels zien toe op een eerlijke en billijke behandeling van buitenlandse investeerders, non-discriminatoire behandeling, het onbeperkt overmaken van kapitaal en het stellen van voorwaarden op basis waarvan onteigend mag worden. In veel verdragen wordt ook een geschillenbeslechtingsmechanisme opgenomen.

Nederland investeert actief in een goed ondernemingsklimaat in binnen- en buitenland en zet zich in om het traditionele regime van investeringsbescherming te verbeteren en te vernieuwen, zowel bilateraal als op EU-niveau. Nederland is voorstander van hervorming van het mechanisme van investeringsbescherming en de beslechting van investeringsgeschillen langs de volgende vier lijnen:

  • 1. waarborgen voor beleidsvrijheid zonder risico van arbitrageclaims;

  • 2. het moderniseren van de geschillenbeslechtingsprocedure (o.a. meer transparantie, verbeterde selectie van gekwalificeerde en onafhankelijke rechters, een beroepsmechanisme, het oprichten van een multilateraal investeringshof);

  • 3. het beperken van oneigenlijk gebruik van arbitrage (waaronder uitsluiten van brievenbusmaatschappijen);

  • 4. het afbakenen en verduidelijken van de standaarden van investeringsbescherming.

Op 16 september 2015 presenteerde de Europese Commissie haar positie voor het investeringsbeschermingshoofdstuk in TTIP. Hierin is de Nederlandse inzet overgenomen: het Investment Court System. In het voorstel wordt de beleidsvrijheid voor overheden expliciet vastgelegd in een verdragsartikel en kunnen alleen bedrijven met een substantiële bedrijfsactiviteit gebruik maken van de geboden investeringsbescherming. Ook wordt het oude investeerder-staat geschillenbeslechtingsmechanisme vervangen door een hof met onafhankelijke rechters, die door staten worden benoemd. Tegen uitspraken van de rechters is hoger beroep mogelijk.

Parallel hieraan zal de Europese Commissie samen met andere landen starten met de oprichting van een permanent internationaal investeringshof. Doelstelling is dat dit hof op termijn alle geschillenbeslechtingsmechanismen zoals voorzien in EU-akkoorden, akkoorden van EU-lidstaten met derde landen en handels- en investeringsverdragen tussen niet EU-landen vervangt. Dit komt ten goede aan een efficiënt, consistent en legitiem internationaal geschillenbeslechtingssysteem voor investeringsgeschillen. De nieuwe voorstellen van de Europese Commissie voor investeringsbescherming vormen de basis voor alle lopende en toekomstige onderhandelingen over investeringsbescherming en zijn al opgenomen in de handelsverdragen met Vietnam en Canada (CETA). Tevens zal Nederland op basis van de nieuwe EU-inzet voor investeringsbescherming al haar 91 investeringsbeschermingsovereenkomsten aanpassen5. Nederland zet zich ervoor in dat ook het Energy Charter in dit kader gemoderniseerd wordt. Het komend jaar wordt er gewerkt aan een nieuwe modeltekst die als basis dient voor de onderhandelingen voor de herziening van bestaande IBO’s.

Toegang tot betaalbare medicijnen

TRIPS en medicijnen

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Bevorderen toegang tot betaalbare medicijnen in relatie tot WTO/TRIPS Verdrag

TRIPS-raad geeft minst ontwikkelde landen (MOL’s) per 1 jan 2016 verlenging van de ontheffing voor farmaceutische producten.

3, 5, 10, 17.

In lopende EU-onderhandelingen over handelsakkoorden met ontwikkelingslanden zijn geen TRIPS+ bepalingen gevraagd die de flexibiliteit ten behoeve van gezondheid onnodig inperken.

Opties zijn uitgewerkt om toegang tot betaalbare medicijnen te waarborgen in zowel ontwikkelingslanden als in Nederland.

Toegang tot betaalbare medicijnen sluit direct aan op Global Goal 3: het verzekeren van een goede gezondheid en welzijn voor iedereen op elke leeftijd. Een coherenter beleid betekent dat medicijnen betaalbaar zijn voor arme mensen in ontwikkelingslanden en dat voldoende betaalbare medicijnen ontwikkeld worden. Dit staat verwoord in subdoelstelling 3B. Die houdt in dat landen steun moeten geven aan onderzoek en ontwikkeling van vaccins en medicijnen voor ziektes die vooral ontwikkelingslanden treffen. Ook moeten landen toegang tot betaalbare essentiële medicijnen bieden in overeenstemming met de Doha Verklaring over het WTO/TRIPS-verdrag en Volksgezondheid (Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights), die in 2001 door de WTO werd aangenomen. De Doha Verklaring bevestigt het recht van ontwikkelingslanden om ten volle gebruik te maken van de flexibiliteit in het TRIPS verdrag om de volksgezondheid te beschermen en in het bijzonder toegang tot medicijnen voor iedereen te bieden.

TRIPS en medicijnen

Het WTO/TRIPS-verdrag speelt een cruciale rol bij de toegang tot betaalbare medicijnen. Het TRIPS Verdrag regelt afspraken over een minimumniveau van patentbescherming. In het verdrag is flexibiliteit ingebouwd die landen ruimte biedt om in hun wetgeving de bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten zo in te vullen dat dit past bij de specifieke omstandigheden van hun land, mits wordt voldaan aan de minimum voorwaarden. Nederland heeft sinds het begin van deze eeuw met succes gepleit om in het TRIPS verdrag expliciete ruimte te houden voor beleid voor de volksgezondheid.

In Kamerbrief (Kamerstuk 32 605, nr. 147) van 8 juli 2014 in antwoord op de motie Sjoerdsma over intellectueel eigendom in ontwikkelingslanden zet het kabinet het Nederlandse beleid ten aanzien van het TRIPS-verdrag in relatie tot ontwikkeling uiteen. Het kabinet zegde toe in lopende onderhandelingen met ontwikkelingslanden over handelsakkoorden actief te bepleiten dat de EU geen TRIPS-bepalingen vraagt die verder gaan dan het TRIPS-verdrag (TRIPS+ bepalingen) en die de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om gebruik te maken van flexibiliteit ten behoeve van de volksgezondheid en voeding inperken. Daar waar mogelijk zal Nederland dit doen met gelijkgezinde lidstaten. Ook zal het kabinet de onderhandelingsresultaten hierop beoordelen.

De Ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken werken samen om te bepleiten dat de bestaande TRIPS flexibiliteit voor lage- en middeninkomenslanden behouden blijft. Om deze reden heeft Nederland zich – in de aanloop naar de WTO TRIPS raad en de WTO Ministeriële Conferentie in december 2015 – in EU verband ingezet voor oneindige verlenging van de ontheffing voor minst ontwikkelde landen (MOL’s) van uitvoering van de TRIPS-bepalingen op het gebied van medicijnen. Nederland heeft zich actief opgesteld ten gunste van deze oneindige verlenging in de TRIPS expert meetings in Brussel en zich in het Handelspolitieke Comité als één van de weinige lidstaten direct aangesloten bij de positie van de Commissie ten gunste van deze oneindige verlenging. In de WTO TRIPS raad van november 2015 is met steun van de EU een nieuwe verlenging gegeven aan de MOL’s. Door verzet van enkele WTO lidstaten zoals VS en Japan lukte het niet de ontheffing oneindig te verlengen, maar wel tot 2033. Hierdoor kunnen in de minst ontwikkelde landen generieke medicijnen geproduceerd of op de markt gebracht worden zonder dat een klacht van een octrooihouder gevreesd hoeft te worden.

Ook met betrekking tot handelsakkoorden met ontwikkelingslanden pleit Nederland in EU-verband voor behoud van de flexibiliteit in het TRIPS verdrag ten behoeve van volksgezondheid en voedselzekerheid. Een voorbeeld van flexibiliteit is dat een land hogere eisen kan stellen bij de toekenning van een patent. Of een land mag, in het belang van de volksgezondheid, een generieke fabrikant een vergunning geven om goedkope versies te maken van dure gepatenteerde medicijnen. Nederland is geen voorstander van het opnemen van TRIPS+ bepalingen in handelsakkoorden met ontwikkelingslanden omdat het gebrek aan flexibiliteit kan leiden tot een strikte patentbescherming die kan leiden tot hogere medicijnprijzen. In het handelsakkoord tussen de EU en Vietnam zijn, ondanks de inzet van Nederland op dit onderwerp, enkele TRIPS+ bepalingen opgenomen. Zo is er sprake van een maximum 5 jaar verlenging bovenop de standaard octrooi-periode als compensatie voor vertraagde markttoelating van een nieuw medicijn. Wel moet worden aangetekend dat Vietnam al verdergaande bepalingen is overeengekomen in het Trans Pacific Partnership (TPP). Vietnam zal deze bepalingen in de eigen wetgeving moeten opnemen. In de (startende) EU-onderhandelingen met de Filipijnen en Indonesië zal Nederland zich wederom inzetten om de opname van TRIPS+ bepalingen tot een minimum te beperken en zoekt hiervoor medestanders onder EU-lidstaten.

Nederland zwengelt discussie aan over toegang tot medicijnen

Ondanks vele succesvolle initiatieven om medicijnen beschikbaar en betaalbaar te maken, blijft het probleem van hoge medicijnprijzen en onvoldoende farmaceutische innovatie bestaan. Dit speelt niet langer alleen in ontwikkelingslanden. Steeds meer worden ook de rijke landen hiermee geconfronteerd. Daarom werken de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen om opties te onderzoeken voor een betere toegang tot betaalbare medicijnen. Nederland heeft veel expertise opgebouwd met het ondersteunen van alternatieve modellen voor farmaceutische productontwikkeling. Zo steunt Nederland de Product Development Partnerschappen, waarbij onderzoekers, farmaceutische industrie, nationale overheden en filantropische organisaties zoals de Gates Foundation samenwerken bij het beschikbaar maken van betaalbare vaccins, geneesmiddelen, diagnostica en andere technieken in ontwikkelingslanden om een halt toe te roepen aan armoede gerelateerde ziekten. Ook heeft Nederland veel kennis opgebouwd met steun aan wereldwijde fondsen zoals Gavi, de vaccine alliance, die toegang tot een gezonde farmaceutische markt bevorderen. Gavi neemt van meerdere producenten vaccins af en stimuleert daarmee concurrentie en prijsdalingen, maar ook zekerheid dat een vaccin beschikbaar blijft op de markt.

In 2016 heeft Nederland de internationale discussie aangezwengeld over oplossingen voor het probleem dat medicijnen vaak te duur zijn en innovatie voor nieuwe medicijnen tekort schiet. Nederland leverde als een van de weinige regeringen een schriftelijke en mondelinge bijdrage aan het High Level Panel on Access to Medicines (HLP) van de Secretaris-Generaal van de VN. Het Panel verzamelt voorstellen die een oplossing bieden voor de incoherentie tussen de rechten van farmaceutische uitvinders, de mensenrechten, handelsregels en de volksgezondheid. Het HLP rapporteert in juni 2016. De Nederlandse bijdrage moedigt het HLP aan op een breed vlak naar oplossingen te zoeken, zowel binnen als buiten het patentsysteem. Daarbij is het van belang het juiste evenwicht te vinden tussen beloning voor gedane onderzoeksinvesteringen en het beschikbaar komen van de resultaten daarvan voor anderen. Daarnaast moeten oplossingen worden gezocht in onderzoek naar alternatieve modellen voor het ontwikkelen en op de markt brengen van medicijnen, zoals de bovengenoemde Product-Development-Partnerschappen. De Nederlandse bijdrage aan het High Level Panel on Access to Medicines (HLP) werd alom geprezen.

In lijn met de inbreng in het High Level Panel on Access to Medicines (HLP) hebben de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Buitenlandse Zaken in mei 2016 gezamenlijk deel genomen aan discussies tijdens de 69ste Wereldgezondheidsassemblee over het bevorderen van onderzoek naar betaalbare medicijnen voor iedereen. Nederland pleitte voor een wereldwijd gecoördineerde aanpak voor onderzoek en ontwikkeling van medicijnen die de markt niet of niet tegen betaalbare prijzen levert. Nederland heeft zich dan ook hard gemaakt voor een resolutie die de WHO een stevig mandaat geeft voor de komende jaren. De resolutie benadrukt dat onderzoek en ontwikkeling gebaseerd moet zijn op de behoeften en tot betaalbare medicijnen moet leiden. De tekst legt het principe vast dat de kosten van onderzoek en ontwikkeling losgekoppeld moeten worden van de uiteindelijke medicijnprijzen.

Belastingontwijking

Belastingontwijking

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Beter belastingbeleid en betere belastingdiensten in ontwikkelingslanden om tot hogere belastinginning te komen en effectievere internationale fiscale samenwerking.

Verdubbeling technische assistentie conform Addis Tax Initiative. Dit heeft ook een gunstig effect op het ondernemingsklimaat.

10, 17.

Herziening van verdragen met 23 ontwikkelingslanden door middel van opname antimisbruikbepalingen.

BZ betaalt vanaf 1 januari 2016 lokale invoerrechten en BTW op nieuwe projecten die vallen onder ontwikkelingssamenwerking van overheid tot overheid.

Nederland committeert zich aan het pakket maatregelen van het OESO BEPS-project om belastingontwijking wereldwijd aan te pakken.

Beleidscoherentie op gebied van belastingen hangt samen met Global Goal 17.1 gericht op het verhogen van binnenlandse inkomsten zoals belastingen. Dit is een belangrijk coherentie thema omdat ontwikkelingslanden volgens de United Nations Conference on Trade and Development (UNCTAD) jaarlijks ongeveer $ 100 miljard aan inkomsten mislopen door belastingontwijking. Het optuigen van fatsoenlijke en efficiënte belastingsystemen is cruciaal om zoveel mogelijk mensen van economische ontwikkeling te laten profiteren. De Addis Ababa Action Agenda, doet belangrijke aanbevelingen voor een effectievere internationale samenwerking op het gebied van belastingen zodat ontwikkelingslanden meer middelen uit de eigen samenleving kunnen mobiliseren voor de financiering van de Global Goals (DRM, domestic resource mobilisation).

In dit coherentieonderwerp richt Nederland zich op twee aspecten van DRM: capaciteitsopbouw en internationale fiscale samenwerking. Op beide terreinen is aanzienlijke vooruitgang geboekt, waarbij Nederland vaak tot de voortrekkers behoort.

Capaciteitsopbouw

Om minder afhankelijk te worden van hulp is het belangrijk dat landen zelf meer inkomsten krijgen, vooral via belastingheffing en het aanpakken van belastingontwijking. Daar wordt internationaal nog te weinig werk van gemaakt: er moet meer geïnvesteerd worden in fiscale capaciteitsopbouw. Mede op Nederlands initiatief werd tijdens de Financing for Development (FfD) Conferentie het Addis Tax Initiative (ATI) gelanceerd. Inmiddels hebben zich 19 donoren, 14 partnerlanden, 9 internationale instellingen en de Gates Foundation bij het initiatief aangesloten. Met het ATI zegden donoren toe om de beschikbare middelen voor technische assistentie ter versterking van belastingbeleid en belastingdiensten uiterlijk in 2020 gezamenlijk te hebben verdubbeld. Partnerlanden tonen door aansluiting bij ATI bereidheid tot noodzakelijke belastinghervormingen en interesse in technische assistentie. Samenwerking komt zo sneller van de grond. Ook donorcoördinatie verbetert dankzij ATI. Nederland streeft ernaar om zijn fiscale technische assistentie tenminste te verdubbelen. Ook zonder partnerland van het ATI te zijn komen ontwikkelingslanden in aanmerking voor Nederlandse technische assistentie.

Nederland is in 10 ontwikkelingslanden bilateraal actief met onder meer on-the-job training in behandeling van belastingaangiftes, trainingen om belastingplanning door multinationals te kunnen doorgronden en trainingen om belastingverdragen actueel te houden. Daarnaast ondersteunt Nederland activiteiten op belastinggebied van internationale organisaties, zoals het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OESO en het African Tax Administration Forum. Met deze steun faciliteert Nederland onder meer de toepassing door ontwikkelingslanden van internationale fiscale maatregelen tegen belastingontwijking in de eigen belastingwetgeving. Het kabinet is bereid om fiscale technische assistentie door de VN te steunen en ziet uit naar voorstellen van die kant.

De Financing for Development conferentie riep donorlanden op om niet langer een beroep te doen op vrijstelling van invoerrechten en BTW voor projecten die vallen onder ontwikkelingssamenwerking van overheid tot overheid. Nederland past dit beleid per 1 januari 2016 toe op nieuwe projecten hetgeen bijdraagt aan meer overheidsinkomsten voor de partnerlanden. Noorwegen en Denemarken gingen Nederland al voor. Wellicht sluit Canada, dat momenteel een verkennend onderzoek initieert, zich aan. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten om meer landen zover te krijgen.

Nederland loopt ook voorop met implementatie van de oproep van de Financing for Development conferentie om in alle belastingverdragen antimisbruikbepalingen op te nemen. Nederland heeft aan 23 ontwikkelingslanden aangeboden om antimisbruikbepalingen in de bilaterale verdragen op te nemen waardoor hen inkomstenverlies wordt bespaard. Tot nu toe is hierover met 4 ontwikkelingslanden overeenstemming bereikt. Met 15 andere ontwikkelingslanden is Nederland in gesprek. Omdat Nederland openstaat voor eigen wensen die ontwikkelingslanden uiten bij de verdragsaanpassing (in enkele gevallen is zelfs sprake van een volledige herziening) gaat het om een meerjarenproject.

Internationale fiscale samenwerking

Om inkomsten door middel van belastingheffing te verhogen is een effectieve bestrijding van belastingontwijkingsconstructies nodig. Dit is alleen mogelijk door wereldwijde inspanningen. Daarom is het belangrijk dat ontwikkelingslanden direct betrokken zijn bij de internationale besprekingen over standaarden voor fiscaal beleid. Het kabinet heeft zich er met succes voor ingezet dat de OESO de deelname aan het overleg over de aanpak van belastingontwijking uitbreidt met alle daarin geïnteresseerde landen. Tot nu toe waren 14 ontwikkelingslanden toegelaten tot het overleg van het OESO/G20 Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project tegen belastingontwijking van het OESO Committee on Fiscal Affairs (CFA). Andere ontwikkelingslanden hadden tot nu toe via regionale consultatiebijeenkomsten geparticipeerd in dit project. Nu heeft de OESO de directe deelname opengesteld voor alle landen die het BEPS-project tegen belastingontwijking steunen. Daarmee zal sprake zijn van een toenemende diversiteit aan belangen in het comité. Problemen waarmee ontwikkelingslanden te maken hebben, krijgen zo meer aandacht. Het BEPS-project heeft in oktober 2015 een indrukwekkend pakket van aanbevolen maatregelen opgeleverd. Bijvoorbeeld de beperking van excessieve renteaftrek op het belastbare bedrijfsresultaat. Door de openstelling van het CFA kunnen in principe ook alle ontwikkelingslanden deelnemen aan de monitoring van de implementatie van het BEPS-pakket.

Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan verwerking van de uitkomsten van het BEPS-project in de nationale fiscale regelgeving. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via Kamerstuk 25 087, nr. 112 op 12 oktober 2015. Met het oog op de uniforme EU-markt zal implementatie van een deel van de uitkomsten plaatsvinden aan de hand van een EU-richtlijn. Tijdens het lopende EU-voorzitterschap maakt Nederland zich sterk voor een politiek akkoord over een voorstel van de Europese Commissie voor een anti-belastingontwijkingsrichtlijn. Voortvarende implementatie van BEPS-uitkomsten door de EU zal naar verwachting indirect ook positieve effecten hebben op de belastingheffing in ontwikkelingslanden. Bovendien kunnen de ontwikkelingslanden de EU-maatregelen aangrijpen als een model voor eigen implementatie.

Ontwikkelingslanden zijn ook betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van internationale afspraken over grotere transparantie, zoals de automatische uitwisseling van bankgegevens tussen belastingdiensten. Op dit moment hebben 101 landen toegezegd hieraan mee te doen. Een aantal landen, waaronder Nederland, start in 2017, andere volgen in 2018.

Duurzame waardeketens

Duurzame waardeketens

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Verduurzaming productieketens – textiel, palmolie en andere agrogrondstoffen en metalen- en mineralen, in het bijzonder goud.

Verbeteren van arbeidsomstandigheden en voorwaarden in producerende textiellanden: onder meer: Bangladesh, Pakistan, Ethiopië.

2, 8, 12, 15.

Nederlandse textielbedrijven treden op tegen IMVO-risico’s in de productieketen conform OESO-richtlijnen.

Gelijk speelveld binnen de EU voor textielbedrijven voor het toepassen van de OESO-richtlijnen.

Binnen EU wordt een multi-stakeholderapproach gebruikt om duurzame handel te realiseren.

100% duurzame palmolie sourcing in Nederland en Europa in 2020.

Naast EU ook andere grote (Aziatische) consumerende landen betrokken in ketenverduurzaming palmolie.

Capaciteit maatschappelijke organisaties in productielanden versterkt voor duurzame productie en nationale dialoog.

Mineralen en metalenketens, in het bijzonder goud, zijn duurzamer (van mijn tot eindproduct).

Due diligence mechanismes worden in de mineralen en metalenketens toegepast.

Sociale en milieu omstandigheden zijn ook in andere ketens verbeterd, zoals in koffie, thee en cacao.

Verduurzaming van waardeketens is bij uitstek een coherentiethema. De waardeketens betreffen productie, handel en consumptie. En alleen door interventies vanuit verschillende beleidsterreinen en betrokkenheid van alle stakeholders kunnen risico’s in de ketens worden verkleind en kansen voor duurzame, inclusieve ontwikkeling worden gecreëerd. De verduurzaming van waardeketens draagt bij aan het bereiken van meerdere Global Goals: doel 8 «bevorder aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve tewerkstelling en waardig werk voor iedereen», maar ook doelen 12 (duurzame consumptie- en productiepatronen), 2 (einde aan de honger) en 15 (leven op het land).

Nederland draagt via verschillende programma’s bij aan de verduurzaming van ketens van producten als koffie, thee, cacao, soja, hout en groente en fruit. Ondersteund door het Initiatief Duurzame Handel (IDH) werken in Malawi producenten, theepakkers, NGO’s en de overheid samen aan leefbare lonen in en revitalisatie van de theesector. Voor de koffiesector is een uitgebreide toolkit ontwikkeld (Sustainable Coffee as a Family Business) waarmee de positie van vrouwen wordt versterkt. In de katoenteelt wordt met het Better Cotton Initiative tot 20% water bespaard en pesticiden gebruik met twee derde verminderd.

Voor drie productieketens voert het kabinet een brede en actieve agenda: textiel, palmolie en mineralen en metalen, in het bijzonder goud. De inspanningen van Nederland richten zich op alle schakels in de keten door: 1) stimuleren van (inter)nationale multistakeholderdialoog en afspraken, 2) vergroten van de inzet op verduurzaming van ketens op EU-niveau, en 3) ondersteunen van capaciteitsopbouw, handhaving, kennis en checks and balances in productielanden.

Om ketens te verduurzamen is dialoog en actie nodig van alle actoren, de zogenaamde multistakeholder aanpak; bedrijfsleven, NGO’s, overheid en vakbonden, uit zowel consumptie- als productielanden komen samen tot oplossingen. Geen van de spelers kan deze verandering individueel tot stand brengen. Nederland levert al sinds het begin van het millennium een actieve bijdrage aan het oprichten en verbeteren van internationale platforms voor de verduurzaming van ketens zoals de rondetafel voor duurzame palmolie (RSPO). De RSPO heeft geleid tot afspraken over standaarden en certificering van duurzame palmolie. Nederland ondersteunt ook een trilaterale dialoog met Indonesië (grote producent) en China (grote consument) over verduurzaming van productie en handel van palmolie.

In mei 2016 kwamen in Pakistan vertegenwoordigers van vakbonden, inkopende merken, overheden en producenten bijeen om te spreken over bevordering van leefbaar loon in negen textiel producerende landen. De conferentie was gericht op een regionale multistakeholder aanpak met sociale dialoog als belangrijke motor. De Conference Statement stelt de verantwoordelijkheden van de stakeholders en is gericht op de ontwikkeling van nationale actieplannen voor leefbaar loon in de toekomst.

Daarnaast zet het kabinet zich in Nederland in voor het afsluiten van IMVO-convenanten voor de dertien meest risicovolle sectoren. Hiermee worden risico’s en schendingen op zowel sociaal als milieuvlak in de waardeketens structureel aangepakt. Het eerste convenant (Textiel en Duurzame Kleding) werd in maart 2015 gepresenteerd. In december 2015 werd het contourenconvenant «goud» getekend, met als doel een goudconvenant in zomer 2016. Ook de bancaire sector is inmiddels tot overeenstemming gekomen over de tekst van een convenant. De verwachting is dat het convenant deze zomer wordt ondertekend.

Verduurzaming van mondiale waardeketens is prioriteit van het Nederlandse voorzitterschap. Naast het belang van EU-actie voor het bereiken van de Global Goals, draagt dit ook bij aan het creëren van een level-playing-field voor betrokken bedrijven. De Europese Commissie heeft in mei 2016 raadsconclusies aangenomen waarin de EU en haar lidstaten zich actief committeren aan MVO in het algemeen en verduurzaming van mondiale waardeketens in het bijzonder. De Europese Commissie heeft toegezegd nog voor de zomer van 2016 met een concept EU Responsible Business Conduct Action Plan komt. Ook zijn stappen gezet in specifieke sectoren. In december 2015 zijn de «Amsterdam verklaringen» aangenomen met als doel 100% duurzame palmolie in 2020 en het tegengaan van ontbossing als gevolg van mondiale landbouwketens. Ook heeft Nederland samen met een aantal gelijkgezinde landen aanbevelingen gedaan aan de Commissie voor de inrichting van het EU Garment Initiative. Bovendien dringt Nederland binnen de EU aan op ambitieuze duurzaamheidshoofdstukken in handelsakkoorden met productielanden, zoals met Colombia/Peru, India en Vietnam.

Tot slot is het European Partnership for Responsible Minerals (EPRM) gelanceerd. Dit publiek-private partnerschap beoogt de vraag naar en het aanbod van verantwoorde mineralen te vergroten om zo een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling in conflict en hoogrisico mijnbouwlanden. Concreet zal het EPRM een kennisplatform over mineralenhandel en winning vormen voor de deelnemers uit bedrijfsleven, NGO’s en overheden. Tevens zal het EPRM projecten in ontwikkelingslanden gaan financieren. Het EPRM zal ook projecten in de EU financieren om kleinere bedrijven te trainen in het doen van due diligence.

Optimale benutting van bovengenoemde afspraken en beleid vergt duidelijke wet- en regelgeving op het terrein van arbeids- en milieuomstandigheden, handhaving, kennis en checks and balances in productielanden. Mede dankzij Nederland is in Bangladesh 97% van de exportgeoriënteerde textielfabrieken geïnspecteerd op brand- en bouwveiligheid, is het aantal arbeidsinspecteurs met 235 toegenomen en zijn er 483 vakbonden geregistreerd. In DR Congo, Burundi en Rwanda financiert Nederland een traceerbaarheidssysteem voor conflictvrij tin, tantalum en tungsten in periode 2015–2017. In 2015 is het aantal mijnen dat is aangesloten bij het systeem gestegen van 736 naar 799. Nederlandse inspanningen betreffen ook capaciteitsopbouw bij producenten, professionalisering van de productie en versterking van maatschappelijke organisaties ten behoeve van dialoog en duurzame productie.

Geldovermakingen door migranten

Geldovermakingen

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Reduceren van kosten van geldovermakingen in Nederland.

Reductie van transactiekosten van geldovermakingen in Nederland.

10c

Een van de uitkomsten van de Financing for Development conferentie (juli 2015) en de VN top voor de Post 2015 ontwikkelingsagenda (september 2015) is de afspraak om de transactiekosten van de geldovermakingen door migranten tot maximaal 3% te verlagen in 2030. Dit valt onder Global Goal 10: het verminderen van ongelijkheid. Voor Nederland geldt vrijheid van kapitaal en geldovermakingen binnen de EU-richtlijnen. De bevoegdheid inzake regels voor het betalingsverkeer ligt dus bij de Commissie. De Minister van Financiën houdt (binnenlands) toezicht op geldovermakingen onder andere in het kader van anti-witwas praktijken.

Het Ministerie van Financiën zal de Commissie vragen om de uitvoering van deze doelstelling op te pakken. Daarbij zal tevens gevraagd worden naar een voorspelling van de toekomstige marktomstandigheden met betrekking tot geldovermakingen door migranten.

Thans zijn betaaldienstverleners al verplicht om hun klanten vooraf informatie te verstrekken over alle kosten die deze verschuldigd zijn voor het uitvoeren van een betalingstransactie. Dit is een uitvloeisel van de EU-richtlijnen voor betalingsdiensten (Payment Services Directive 1 en 2). Verschil in kosten is deels afhankelijk van hoeveelheid betalingen via de verschillende betalingscorridors (van land A naar land B). Als meer geldovermakingen via een corridor worden gedaan worden de kosten binnen deze corridor meestal lager. Kostenverlaging wordt versneld door de nieuwe technologische innovatieve ontwikkelingen door grote providers zoals Google, Vodafone en Apple, die geldovermakingen via de mobiele telefoon mogelijk maken. Meer transparantie en concurrentie zullen naar verwachting de kosten ook verder doen dalen.

In 2014 hebben G20 leiders het G20 Plan to Facilitate Remittance Flows gelanceerd. Sinds 2014 zet Nederland ook in het G20 Global Partnership for Financial Inclusion (GPFI) in op de verlaging van transactiekosten van geldovermakingen door migranten. GPFI legt de nadruk op opkomende technologieën, «business» modellen en een marktgerichte benadering om het gebruik van betalingssystemen, inclusief geldovermakingen door migranten, te verbeteren en vergroten.

Klimaatverandering

Klimaatverandering

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Evenwicht adaptatie en mitigatie; implementatie van ambitieus klimaatakkoord

Een ambitieus klimaatakkoord met een balans tussen mitigatie en adaptatie, dat de armste landen en bevolkingsgroepen helpt de gevolgen van klimaatverandering te dragen.

7, 13.

Meer transparantie en voorspelbaarheid op het terrein van klimaatfinanciering. Bij de besteding ligt de nadruk op vrouwen en allerarmsten.

Klimaatverandering is beter geïntegreerd in het (politieke) beleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

De armste landen en bevolkingsgroepen lijden het meest onder de gevolgen van klimaatverandering. Mede dankzij inspanningen van Nederland en de EU is op 12 december 2015 met consensus ingestemd met een ambitieus, juridisch bindend klimaatakkoord dat tot doel heeft de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met als streven 1,5 graad. In het akkoord van Parijs is naast klimaatmitigatie (het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen) ook meer aandacht gekomen voor het belang van klimaatadaptatie (het verminderen van de kwetsbaarheid voor gevolgen van klimaatverandering). Voorts erkent het verdrag dat ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde en meest kwetsbare landen, ondersteuning nodig hebben. Het verdrag roept donoren opnieuw op om hun klimaatfinanciering op te schalen en vanaf 2.020 USD 100 miljard per jaar beschikbaar te stellen.

Ook Nederland draagt hieraan bij. Daarbij zorgt de inbedding van de Nederlandse klimaatfinanciering in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid ervoor dat klimaatdoelstellingen hand in hand gaan met ontwikkelingsdoelstellingen. Inzet op klimaat vindt met name plaats binnen de sectoren water, landbouw en energie. Zo wordt er gewerkt aan het vergroten van toegang tot hernieuwbare energie van de rurale bevolking en kleine bedrijven en het weerbaarder maken van kleine boeren tegen klimaatverandering, bijvoorbeeld door het Climate Resilient Post Harvest and Agribusiness Support Project in Rwanda (IFAD). Binnen de Tropical Forest Alliance 2020 werkt Nederland met bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden samen aan het tegengaan van ontbossing als gevolg van uitbreiding van landbouw. De verduurzaming van palmolie- en sojaketens draagt zo bij aan bosbehoud en klimaatmitigatie. Door heviger regenval en stormen voldoen traditionele technieken voor drogen en opslaan van oogst niet meer. Innovaties zijn nodig om de klimaatweerbaarheid te vergroten. Climate smart warehouses zijn steviger, hebben betere ventilatie en zijn koeler.

Daarnaast wordt gewerkt aan het mobiliseren van private financiering voor klimaatmitigatie en -adaptatie. Totale publieke klimaatfinanciering bedroeg in 2.015 EUR 428 miljoen, de gemobiliseerde private klimaatfinanciering, die in 2015 voor het eerst in kaart werd gebracht, bedroeg EUR 73 miljoen.

Nederland spant zich ervoor in dat het Groene Klimaatfonds en het klimaatfonds voor hernieuwbare energie ten goede komen aan de armste mensen. Het Groene Klimaatfonds is het eerste multilaterale fonds dat van start gaat met een genderbeleid. Dit is in belangrijke mate gerealiseerd dankzij de inspanningen van Nederland. Immers, om de transitie naar inclusieve groene groei te versnellen, is het noodzakelijk om de bijdrage die vrouwen als «agents of change» aan klimaatadaptatie en -mitigatie kunnen leveren ook daadwerkelijk te mobiliseren. Kritiek dat het Groene Klimaatfonds de meest kwetsbare groepen onvoldoende bereikt omdat het onvoldoende samenwerkt met lokale organisaties is prematuur. Het fonds is nog maar kort operationeel. Daarom zijn nog weinig projecten zo ver dat ze goedgekeurd zijn: tot nu toe 8, een fractie van het totale kapitaal van het Fonds. Ook is pas net gestart met de accreditatie van organisaties die toegang tot het fonds hebben.

Bij de Internationale Financiële Instellingen maakt Nederland zich sterk voor investeringen in groene energie. Nederland stemt alleen nog in met investeringen in olie en gas als er sprake is van een acuut energietekort en er een geloofwaardig traject op het gebied van hernieuwbare energie is of wordt opgezet. Ten aanzien van kolen gaat het beleid een stuk verder: Nederland heeft zich in maart 2014 bij monde van premier Rutte aangesloten bij het initiatief van president Obama om geen steun meer te geven aan investeringen in kolencentrales in het buitenland. Dit is alleen nog mogelijk in zeer uitzonderlijke situaties. In de armste ontwikkelingslanden wordt alleen nog ingestemd als er geen koolstofarme alternatieven zijn, er een sterke bijdrage is aan armoedebestrijding en gebruik wordt gemaakt van de best beschikbare technologie in de lokale context.

Voedselzekerheid

Voedselzekerheid

Na te streven doelstellingen

Global Goal

Doel: Beleid gericht op bevordering van handel en investeringen draagt positief bij aan (mondiale en lokale) voedsel- en voedingszekerheid.

Beleid ten aanzien van klimaat en mondiale agro-ecologie draagt maximaal positief bij aan (mondiale en lokale) voedsel- en voedingszekerheid.

Handelsbeleid draagt bij aan versterking regionale markten, vergroten van de economische weerbaarheid en capaciteit van ontwikkelingslanden (met name minst ontwikkelde landen (MOL’s)) en een gelijk speelveld op de internationale voedselmarkt.

2, 8, 12, 13, 15.

Uitvoerders instrumentarium voor internationaal ondernemen implementeren internationale richtlijnen van het VN-comité voor voedselzekerheid (CFS) ten aanzien van landrechten (VGGT) en sociale en ecologische randvoorwaarden voor investeringen in landbouw en voedselsystemen (RAI Principles), cq passen de OESO/FAO Due diligence guidance toe.

Agrobiodiversiteit, en toegang daartoe voor kleinschalige boeren/vissers, wordt niet ondermijnd en zo mogelijk maximaal bevorderd.

Klimaatmitigatiedoelen worden gerealiseerd zonder negatieve effecten op voedselproductie en -voorziening.

Met bovenstaande doelstellingen komt het kabinet tevens tegemoet aan de motie van het lid van Laar, die de regering verzoekt om in haar coherentieagenda een implementatieplan voor voedselzekerheid en het recht op voedsel op te nemen (Kamerstukken, 33 625, nr. 202).

Verschillende consultaties over coherentie ten aanzien van voedselzekerheid wijzen op zorgen over de relatie tussen internationale handel en voedselzekerheid in de minst ontwikkelde landen (MOL’s) en onvoldoende aandacht voor internationale publieke milieugoederen waaronder klimaat. De Voluntary Guidelines to support the progressive realization of the right te adequate food in the context of national food security (FAO, 2005) richten zich primair op de nationale verantwoordelijkheden van landen met betrekking tot de voedsel- en voedingszekerheid van hun eigen bevolking. De richtlijnen roepen (ontwikkelde) landen op tot coherent beleid met het oog op het marktsysteem, inclusief bescherming van milieu en publieke goederen, voedselveiligheid, voedselhulp en hulp aan vluchtelingen. Daarnaast wordt opgeroepen tot internationale (ontwikkelings)samenwerking om de implementatie van het recht op voedsel te bevorderen (hulp, capaciteitsopbouw, eerlijke handel, schuldverlichting, ODA verplichting, voedselhulp, partnerschappen, mensenrechteninstrumentarium, rapportage).

Tijdens de 10e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie eind 2015 zijn afspraken gemaakt over de afschaffing van exportsubsidies en de beperking van exportsteun voor landbouwproducten. Hoewel de EU deze instrumenten al sinds 2013 niet meer inzet, zijn afspraken hierover op WTO-niveau een grote stap vooruit. Het is voor WTO-leden (uitgezonderd de minst ontwikkelde landen) niet meer toegestaan om exportsubsidies ten behoeve van landbouwproducten in te voeren. Tevens is het gebruik van instrumenten met vergelijkbaar effect aan banden gelegd. Dit leidt tot minder handelsverstoring op voedselmarkten in ontwikkelingslanden en bevordert voedselzekerheid. Bovendien zijn de WTO-leden overeengekomen dat voedselhulp zoveel mogelijk in cash moet worden gegeven. Daarbij dienen WTO-leden zich ervoor in te zetten dat voedselhulp lokale markten en productie zo min mogelijk verstoort. De eerder genoemde inzet op coherentie ten aanzien van handelsakkoorden zoals de EPA’s draagt bij aan deze doelstelling op het vlak van voedselzekerheid. Alle EPA’s kennen bijvoorbeeld een speciale clausule die bepaalt dat EPA-partners bij problemen rond voedselzekerheid als gevolg van de implementatie van het akkoord passende maatregelen mogen nemen, zoals het terugdraaien van liberalisering.


X Noot
1

Raadsconclusies uit 2005 definiëren 12 gebieden waarop de EU zich ertoe verbonden heeft PCD-doelstellingen na te streven, alsook richtsnoeren over de wijze waarop de PCD-agenda moet worden uitgevoerd. In 2009 zijn deze gebieden geclusterd tot vijf prioritaire terreinen – handel en financieren, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie en veiligheid – de beginselen voor coherentie van het ontwikkelingsbeleid op EU niveau.

X Noot
4

Kamerstuk 33 625, nr. 164