Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432605 nr. 147

32 605 Beleid ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking

Nr. 147 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Hierbij sturen wij u de brief over intellectuele eigendomsrechten in relatie tot ontwikkelingslanden.

Tijdens de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2014 (Handelingen II 2013/14, nrs. 29 en nr. 30) is op 27 november 2013 een motie van het lid Sjoerdsma c.s. ingediend (Kamerstuk 33 750 V, nr. 33). De motie vraagt het kabinet, overwegende dat uit het rapport «Commitment to Development Index» van het Center for Global Development blijkt dat het Nederlandse beleid op intellectueel eigendom beperkend werkt voor de innovatiestroom naar ontwikkelingslanden, te onderzoeken hoe het Nederlandse beleid op intellectueel eigendom minder beperkend kan zijn voor de innovatiestroom naar ontwikkelingslanden en de Kamer daarover in een brief te informeren.

Deze brief gaat in op de wijze waarop het kabinet uitvoering geeft aan deze motie.

Ten eerste zullen wij daarbij ingaan op de Commitment to Development index, en de elementen daarin die het intellectuele eigendomsrecht betreffen. Wij achten dat noodzakelijk omdat wij de conclusies van het onderzoek op een aantal punten niet delen. Daarna zetten wij het Nederlandse beleid met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten en ontwikkelingslanden uiteen.

1. Commitment to Development Index

De Commitment to Development Index1 (CDI) wordt sinds 2003 jaarlijks opgesteld door het Center for Global Development. De index omvat een aantal voor ontwikkelingslanden relevante beleidsterreinen, waarop ontwikkelde landen beoordeeld worden op de ontwikkelingsvriendelijkheid van hun beleid, te weten hulp, handel, financiën, migratie, milieu, veiligheid en technologie.

Met betrekking tot het deel van het rapport over intellectuele eigendomsrechten dat onder technologie valt, plaatsen wij enige kanttekeningen, om de uitkomst van het rapport, en bijgevolg de conclusie die tot de motie heeft geleid, in perspectief te kunnen plaatsen.

Allereerst, een belangrijke kanttekening bij de bescherming van intellectuele eigendomsrechten is de invloed van de EU-wetgeving. Dit geldt overigens ook voor handel en delen van de andere beleidsterreinen waarop de CDI-landen, inclusief een aantal EU-lidstaten, scoort. De punten die voor Nederland genoemd worden, zijn dus ook van toepassing op de andere onderzochte Europese landen omdat ze voortvloeien uit Europese regelgeving, waar Nederland achter staat. Hieronder gaan wij kort in op de punten die de Commitment to Development Index 2013 als zwak punt voor Nederland benoemt, en voorzien wij deze van een korte toelichting.

Octrooien

Het rapport geeft aan dat Nederland octrooien op plant- en diervariëteiten toestaat. Op grond van de biotechnologierichtlijn2, die in de Rijksoctrooiwet 1995 is geïmplementeerd, zijn planten- en dierenrassen niet octrooieerbaar. De bewering is daarom feitelijk onjuist. Overigens wordt er in Nederland en de EU wel octrooi verleend voor plant – en diergerelateerde uitvindingen, mits de technische uitvoerbaarheid van de uitvinding niet is beperkt tot één planten- of dierenras.

Databankenrecht

Een ander punt betreft de constatering van het rapport dat Nederland een met octrooien vergelijkbare eigendomsrechten aan ontwikkelaars van gegevenscompilaties (databanken) biedt, waaronder compilaties die zijn samengesteld uit gegevens uit het publieke domein. Hier gaat het over het Europees geregelde Databankenrecht3. Ook hier voldoet Nederland aan de Europese regelgeving op dit terrein.

Dwanglicentie

Op basis van Verordening (EG) 816/20064 kunnen daarvoor in aanmerking komende (ontwikkelings)landen die medicijnen nodig hebben om problemen op het gebied van hun volksgezondheid aan te pakken verzoeken om verlening van dwanglicenties voor octrooien voor de vervaardiging van medicijnen bestemd voor export naar die ontwikkelingslanden. De verordening implementeert het Doha besluit inzake het WTO TRIPS-verdrag (World Trade Organization – Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights) en volksgezondheid5. Tot op heden heeft Nederland nog geen verzoek tot afgifte van een dwanglicentie vanuit derde landen ontvangen. De conclusie van het rapport dat Nederland houders van een octrooi niet dwingt om licenties te verstrekken om te voldoen aan sociale noden, delen wij daarom niet. Wel is het van belang te onderzoeken waarom ontwikkelingslanden zonder eigen productiecapaciteit nauwelijks gebruikmaken van het Doha besluit bij het WTO TRIPS-verdrag. Nederland pleit er binnen de EU voor om in WTO TRIPS-kader te onderzoeken of dit veroorzaakt wordt door obstakels in de regelgeving dan wel doordat er nog geen grote behoefte aan dit mechanisme is.

Voor wat betreft handelsverdragen Handelsverdragen

wordt het Nederland aangerekend dat Nederland stimuleert dat de EU extra verplichtingen op het gebied van intellectuele eigendomsrechten (zgn. TRIPS-plus bepalingen) vraagt in bilaterale handelsverdragen. De inzet van Nederland is echter al enige jaren juist gericht6 op het inbrengen en behoud van de TRIPS-flexibiliteiten voor ontwikkelingslanden bij de Europese Commissie in deze onderhandelingen.

2. Nederlands beleid met betrekking tot intellectueel eigendom en ontwikkelingslanden

In de reactie7 op het onderzoeksrapport Harnessing Intellectual Property Rights for Development (HIPR)8 heeft het vorige kabinet aangegeven dat een goedwerkend intellectueel-eigendomsrechtsysteem van wezenlijk belang is voor het stimuleren van innovatie en voor de toegang tot en overdracht van technologie, en daarmee economische ontwikkeling. Als het gaat over de inrichting van het intellectuele-eigendomsrechtsysteem in een bepaald land, dan is het van belang dat rekening kan worden gehouden met het ontwikkelingsniveau en de lokale situatie van een land, door gebruik te maken van de bestaande flexibiliteiten die het multilaterale kader biedt in het TRIPS-verdrag. Dat is nog steeds het standpunt van het kabinet. Nederland zal zich binnen de EU extra inzetten om te bevorderen dat dit standpunt terugkomt in de EU-positie in handelsonderhandelingen.

Economische groei, technologie overdracht en overdracht van kennis

Intellectuele eigendomsrechten zijn voor bedrijven van groot belang bij het versterken van hun concurrentiekracht. Ondernemingen – van heel groot tot erg klein – kunnen meer profiteren van hun innovaties als zij gebruikmaken van intellectuele eigendomsrechten9. Bij het actief inzetten van het systeem van intellectueel eigendom voor economische groei, gaat het om het beschermen van producten en diensten door intellectuele-eigendomsrechten zoals het auteursrecht, merkenrecht, octrooirecht en het tekeningen- en modellenrecht. Landbouwproducten (bijvoorbeeld koffie) kunnen in aanmerking komen om als geografische aanduiding of in geval van nieuwe plantenrassen door een kwekersrecht beschermd te worden.

Ontwikkelingslanden beschikken zelf vaak niet over kennis en technologie en zijn voor hun ontwikkeling veelal aangewezen op de import van technologie. Octrooibescherming bevordert innovatie maar kan tevens de toegang van de gebruikers tot de nieuwe technologie beperken indien zij niet in staat zijn licenties te verkrijgen of de hogere prijs voor de beschermde producten te betalen. Daarom bevat het TRIPS-verdrag een uitdrukkelijk evenwicht tussen de belangen van producenten van intellectuele eigendom en de behoeften van gebruikers van technologie en van consumenten van de eindproducten. Daarom ook zijn technologieoverdracht en overdracht van kennis belangrijke instrumenten voor economische groei. Technologieoverdracht en overdracht van kennis staan echter nooit op zichzelf, en kunnen alléén succesvol plaatsvinden als er voldaan wordt aan andere elementen en randvoorwaarden zoals de aanwezigheid van een infrastructuur, een regulerend raamwerk, de capaciteit om kennis te absorberen en lage transactiekosten. Om technologieoverdracht en overdracht van kennis te faciliteren draagt Nederland bij aan de capaciteitsopbouw van ontwikkelingslanden.

Nederland heeft bijvoorbeeld, in het kader van technische samenwerking, in 2012 en 2013 trainingen op het gebied van kwekersrecht gegeven in Kenia, Vietnam, Ethiopië, Zimbabwe, en aan de Afrikaanse organisaties ARIPO (African Regional Intellectual Property Organization) en OAPI (L’Organisation Africaine de la Propriété Intellectuelle). In het kader van de verplichtingen onder artikel 67 van het TRIPS-verdrag wordt door de EU jaarlijks over activiteiten in het kader van technische samenwerking bericht.

Verder deelt de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen kennis over verbetering van lokale zaad- en veredelingssystemen in ontwikkelingslanden. Het Hortibusinessplan10 in Zuid-Afrika bijvoorbeeld, heeft als doel om zowel kennis als technieken en faciliteiten, aangepast op de lokale omstandigheden, uit te wisselen.

Een ander voorbeeld betreft het Seed 2 Feed programma dat kennis deelt over en inzet op verbetering van lokale zaad- en veredelingssystemen in ontwikkelingslanden11. De Nederlandse kennis van gewasverbetering, zaadveredeling, ICT en duurzame teelt kan een belangrijke bijdrage leveren aan de zorg voor voldoende veelzijdig voedsel en aan de verdiencapaciteit in Afrika. Daarbij staat samenwerking tussen publieke en private partijen in de tuinbouw en de kennissector centraal bij de topsectoren.

Flexibiliteiten

In het TRIPS-verdrag zijn flexibiliteiten ingebouwd, die het landen mogelijk maken om in hun wetgeving bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten dusdanig in te vullen dat dit past bij de specifieke omstandigheden van hun land, mits wordt voldaan aan de minimum voorwaarden. Het gaat dan om het vinden van een juiste nationale balans tussen het belang van intellectueel eigendomsrechthebbenden en de publieke (algemene) belangen die gediend worden met het gebruik, de toegang tot de ontwikkelde producten en de (verdere) toepassing en ontwikkeling van de erbij betrokken innovaties. Voorbeelden van flexibiliteiten zijn mogelijkheden bij invulling van de voorwaarden van octrooieerbaarheid (art. 27), databescherming (art. 39.3), het verlenen van dwanglicenties (art. 31), een ruimere overgangstermijn voor het implementeren van handhavingsverplichtingen (deel III), en voor de minst ontwikkelde landen12 een (verlengbare) overgangstermijn voor de implementatie van de meeste bepalingen van het TRIPS-verdrag (art. 66.1).

Wij achten het van belang dat ontwikkelingslanden de ruimte moeten blijven houden die past bij hun specifieke situatie, met name daar waar het gaat om de volksgezondheid en voeding (art. 8 TRIPS-verdrag). Dat vraagt om maatwerk, ook bij bilaterale vrijhandelshandelsakkoorden en partnerschapsovereenkomsten tussen de EU en ontwikkelingslanden.

Om het belang van de TRIPS-flexibiliteiten extra te benadrukken, bepleiten wij in lopende onderhandelingen met ontwikkelingslanden over vrijhandelsakkoorden en partnerschapsovereenkomsten, daar waar mogelijk samen met gelijkgezinde lidstaten, actief dat de EU in een af te sluiten akkoord met deze landen geen TRIPS-plus-bepalingen vraagt die de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om gebruik te maken van flexibiliteiten ten behoeve van de volksgezondheid en voeding inperken. Ook zal Nederland de onderhandelingsresultaten hierop beoordelen. In het kader van de volksgezondheid blijven wij het belang van de mogelijkheden die de Verklaring van Doha inzake het TRIPS-verdrag en volksgezondheid13, het Doha besluit inzake het TRIPS-verdrag en volksgezondheid14 en het Protocol uit 200515 bieden, benadrukken. Zo heeft Nederland succesvol gepleit voor opname van een referentie naar voorgaande verklaringen in de akkoorden tussen de EU en Colombia/Peru16 en tussen de EU en Centraal-Amerika17.

Tevens bepleiten wij dat in de EU per ontwikkelingsland het ambitieniveau van het akkoord wordt vastgesteld en onderbouwd. Er is namelijk geen «one size fits all»-benadering. In sommige gevallen kunnen grote economische belangen (zoals handelsbetrekkingen, het niveau van de industrie/innovatie en het niveau van namaak/piraterij) leiden tot een hoger ambitieniveau met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten18, in andere gevallen kunnen ontwikkelingslanden zelf vragen om bepaalde bepalingen, bijvoorbeeld op het gebied van merken, auteursrecht of geografische indicaties, omdat zij mogelijkheden tot exploitatie van hun eigen producten of diensten zien. Ten slotte vragen wij aandacht voor randvoorwaarden zoals een langere implementatie termijn, alsmede hulp bij capaciteitsopbouw als het ambitieniveau omhoog gaat.

In het kader van de flexibiliteiten heeft Nederland zich, via de EU, actief ingezet voor verlenging van de overgangstermijn voor minst ontwikkelde landen bij WTO. Deze termijn liep in juni 2013 af, en is vorig jaar verlengd tot 1 juli 2021 (IP/C/64). Nederland zal er voor pleiten dat alle minst ontwikkelde landen gelijk worden behandeld, ook degene die in een proces van toetreding tot de WTO zijn.

Samenvattend en als reactie op de motie:

Hoewel wij de conclusies van het Commitment to Development onderzoek zoals hiervoor uiteengezet niet delen, onderschrijven wij het belang van een op individuele ontwikkelingslanden aangepast niveau van intellectuele eigendomsrechten bescherming. Nederland zet actief in op een EU-handelsbeleid dat hier recht aan doet:

  • Ontwikkelingslanden moeten bij de inrichting van het intellectuele eigendomsrechtsysteem rekening kunnen houden met hun ontwikkelingsniveau en hun lokale situatie, door gebruik te maken van de bestaande flexibiliteiten die het multilaterale kader biedt in het WTO TRIPS-verdrag.

  • Wegens het belang van volksgezondheid en voeding bepleiten wij actief dat de EU geen TRIPS-plus-bepalingen vraagt in akkoorden die de mogelijkheden van ontwikkelingslanden om gebruik te maken van flexibiliteiten ten behoeve van de volksgezondheid en voeding onnodig inperken en wij zullen onderhandelingsresultaten hierop beoordelen.

  • Wij bepleiten dat in de EU per ontwikkelingsland het ambitieniveau van het akkoord wordt vastgesteld en onderbouwd.

  • Wij vragen aandacht voor randvoorwaarden zoals een langere implementatie termijn, alsmede hulp bij capaciteitsopbouw als het ambitieniveau omhoog gaat.

  • Wij zullen in EU-verband bepleiten de WTO te laten onderzoeken waarom ontwikkelingslanden zonder eigen productiecapaciteit nauwelijks gebruikmaken van de dwanglicentie voor vervaardiging van medicijnen bestemd voor de export bij het WTO TRIPS-verdrag.

Om invulling te geven aan de mogelijkheden voor het gebruik van intellectuele eigendomsrechten voor economische groei en sociale ontwikkeling is een groot aantal projecten op het gebied van technische samenwerking en technologie overdracht opgezet, in bijlage 1 wordt een aantal voorbeelden in diverse sectoren en landen toegelicht. Deze projecten zijn onzes inziens van groot belang om het potentieel van intellectuele eigendomsrechten ten volle te benutten en optimaal rekening te houden met lokale maatschappelijke afwegingen met betrekking tot de balans tussen bescherming van intellectuele eigendomsrechten en toegang tot kennis en technologie.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

BIJLAGE 1

Bij de World Intellectual Property Organization (WIPO, Genève, Zwitserland) wordt veel aandacht besteed aan activiteiten voor ontwikkelingslanden, zowel op het vlak van bescherming van producten, als technologie overdracht en overdracht van kennis. Het WIPO budget voor deze activiteiten, dat voornamelijk tot stand komt door de bedragen die voor de registratie van octrooien, merken en modellen betaald moeten worden, bedroeg 269 miljoen Zwitserse Franc van 2010 tot en met 2013. Voor 2014–2015 is 143,3 miljoen Zwitserse Franc gereserveerd. Het gaat bijvoorbeeld over activiteiten op het gebied van octrooien, merken en modellen, auteursrecht; maar ook om het WIPO Training Centre, SME’s and Innovation, projecten in Afrika, Arabische landen, Azië en de Pacific, Latijns-Amerika en de Caribische landen, en de minst ontwikkelde landen, en om het onderwerp genetische bronnen en intellectueel eigendom. De EU heeft in relatie tot genetische bronnen bij WTO (2008) en WIPO (2005) voorstellen ingediend met betrekking tot een verplichte onthulling van de «origin» of «source» van genetische bronnen in octrooiaanvragen welke aan strikte randvoorwaarden gebonden zijn. Deze randvoorwaarden zijn (o.a.) opgenomen om uitholling van het octrooisysteem te voorkomen, en om administratieve lasten tegen te gaan. Wij willen benadrukken dat wij deze voorstellen nog steeds steunen.

Meer specifiek is in 2007 is bij de WIPO, naast de activiteiten die reeds verricht worden in het kader van bovenstaande activiteiten, het Committee on Development and Intellectual Property (CDIP) opgericht. Dit comité richt zich door middel van projecten op de implementatie van de WIPO Development Agenda aanbevelingen. Een belangrijk doel van deze Development Agenda aanbevelingen ziet op het vergroten van kennis van ontwikkelingslanden op het gebied van intellectuele eigendomsrechten en het beter gebruik maken hiervan. Inmiddels lopen er 29 projecten19. De Development Agenda projecten zien (o.a.) op het te gelde maken van creatieve prestaties en producten door gebruik te maken van intellectuele eigendomsrechten. Concrete projecten betreffen bijvoorbeeld de projecten «IP and Product Branding for Business Development in Developing Countries and Least Developed Countries (LDCs)» en «Strengthening and Development of the Audiovisual Sector in Burkina Faso and Certain African countries».

Het doel van het eerste project over «branding» is het ondersteunen van het MKB, en dan met name lokale groepen van boeren en producenten in ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen, bij het opzetten en implementeren van een strategie voor «branding», en de intellectuele eigendomsrechten die daarvoor gebruikt kunnen worden. De nadruk ligt hierdoor op merkrechten en geografische aanduidingen. Er zijn drie landen geselecteerd waar het project sinds 2010 wordt geïmplementeerd, namelijk Thailand, Panama en Uganda. Hierbij ligt de focus in Thailand op handgemaakte producten, in Panama op de promotie van drie specifieke merken (namelijk Café de Palmira, La Chorrera ananas, en Mola Kuna textiel), en in Oeganda op katoen, sesam en vanille.

Het doel van het tweede project over de audiovisuele sector is het versterken van de Afrikaanse audiovisuele sector. De focus ligt hierbij op het vergroten van het inzicht in het auteursrechtelijke systeem, en er zal worden gekeken hoe intellectuele eigendomsrechten de belangrijkste fasen van het proces (ontwikkeling, productie, distributie en tentoonstelling) strategisch kunnen ondersteunen. Er zijn drie pilot landen geselecteerd, namelijk Burkina Faso, Kenia en Senegal. Dit project is in januari 2013 gestart.

Op het gebied van technologie overdracht (artikel 66.2 TRIPS) bestaan wereldwijd vele initiatieven, vooral op het gebied van klimaat-technologie. Zo is er bijvoorbeeld WIPO Green20, dit is een interactieve markt, welke innovatie en de verspreiding van groene technologieën bevorderd. Dit doet zij door aanbieders van technologieën en diensten te koppelen aan degenen die innovatieve oplossingen zoeken. WIPO heeft ook een specifieke database gericht op het zoeken van octrooi informatie gerelateerd aan de zogenaamde Environmentally Sound Technologies (ESTs), de IPC Green Inventory.21

Het Europees Octrooibureau, het International Centre for Trade and Sustainable Development (ICTSD) en het United Nations Environment Programme (UNEP) hebben in 2010 empirisch onderzoek verricht naar schone energie en octrooien. In het rapport «Patents and clean energy: bridging the gap between evidence and policy» is een overzicht te vinden van technologieën met betrekking tot schone energie. Daarnaast is er een analyse van het octrooi-landschap gemaakt. Ook is er onderzoek verricht naar licentie-activiteiten op dit terrein; hieruit bleek dat naast intellectuele eigendomsrechten andere factoren, zoals wetenschappelijke infrastructuur, goede markt-condities, een goed investeringsklimaat en human capital, erg belangrijk zijn. 70 procent van de respondenten gaf hierbij aan dat zij bereid zijn klimaat-vriendelijke technologieën tegen flexibele voorwaarden te willen licentiëren, als het gaat om landen met beperkte financiële capaciteit. Naar aanleiding van het project heeft het Europees Octrooibureau de octrooi classificaties voor «climate change mitigation» aangepast, en is de database doorzoekbaar gemaakt.

Het WIPO Re:Search22 consortium, opgericht in 2011, richt zich op de zogenaamde «neglected tropical diseases» (zoals malaria, tuberculosis). Het consortium, dat is samengesteld uit publieke en private instellingen, wetenschap en maatschappelijke organisaties, biedt via een database toegang tot beschikbare relevante intellectuele eigendomsrechten, waardoor nieuwe partnerships mogelijk kunnen worden gemaakt.

Onder het 7e Europese Kaderprogramma richtten een aantal projecten zich specifiek op de toegang tot medicijnen, voorbeelden van programma’s zijn «Accessing Medicines in Africa and South Asia» (AMASA), «Access to Pharmaceuticals» (ATP) en «Monitoring Medicines». Onder het nieuwe programma, Horizon 2020, zullen projecten starten die zich richten op HIV/AIDS, Tubercolosis, «Rare diseases» en «Vaccine development for poverty-related and neglected infectious disease». Ten slotte is vermeldenswaardig dat Nederland partner is in het in 2003 opgerichte European and Developing Countries Clinical Trials Partnership (EDCTP). EDCTP richt zich op de ontwikkeling van nieuwe en verbeterde medicijnen, met name tegen HIV/AIDS, tuberculosis en malaria. Het programma loopt tot mei 2015, en zal onder Horizon 2020 een vervolg krijgen (EDCTP II). Om de ontwikkeling van en toegang tot relevante medicijnen te verhogen steunt Nederland een 7-tal Product Development Partnerships (PDPs) voor verwaarloosde ziekten, het Tropical Disease Research Programma, Global Fund voor Aids, Tuberculose en Malaria en de Global Alliance for Vaccins and Immunisation.

Om de capaciteit van Afrikaanse onderzoeksinstituten op het gebied van medicijnen te vergroten steunt Nederland de Council on Health Research for Development (COHRED). Ook ondersteunt Nederland de samenstelling van de Access to Medicines Index, die multinationale farmaceutische producenten op een rangorde lijst plaatst door middel van analyse van de prestaties op het gebied van toegang tot medicijnen.

Ten slotte willen wij het belang van instrumenten die betere toegang geven tot kennis en technologie die door intellectuele eigendomsrechten wordt beschermd, zoals de mogelijkheid van toepassing van Humanitarian Use Licences in publiek gefinancierd onderzoek, benadrukken.


X Noot
2

Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen.

X Noot
3

Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.

X Noot
4

Verordening (EG) Nr. 816/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de verlening van dwanglicenties voor octrooien inzake de vervaardiging van farmaceutische producten voor uitvoer naar landen met volksgezondheidsproblemen.

X Noot
5

30 augustus 2003 (WT/L/540).

X Noot
6

Kamerstuk 32 605, nr. 110.

X Noot
7

Kamerstuk 32 605, nr. 110.

X Noot
8

Harnessing Intellectual Property Rights for Development, Wolf Legal Publishers, 2011. Het rapport is het resultaat van een zogenaamd Schokland-akkoord tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Platform MDG-profs, een samenwerkingsverband tussen Nederlandse kennisinstellingen en een aantal ministeries, met als doel om Nederlandse kennisinstellingen meer te betrekken bij het realiseren van de Millennium Ontwikkelings Doelstellingen. Het doel van het Platform was om de relatie tussen intellectuele eigendomsrechten en het realiseren van de Millennium Ontwikkelings Doelstellingen in kaart te brengen en beleidsaanbevelingen te doen. De nadruk van het onderzoek lag op Afrika (met name Oeganda en Zuid-Afrika) en Nederland.

X Noot
9

Reactie op het evaluatieonderzoek Intellectueel Eigendom 2006–2010, Kamerstuk 30 635, nr. 3.

X Noot
13

14 november 2001 (WT/MIN (01)/dec/2).

X Noot
14

30 augustus 2003 (WT/L/540).

X Noot
15

6 december 2005 (WT/L/641, Trb. 2007, 102). De EG is sinds 2007 aan het Protocol gebonden. Het protocol is nog niet in werking getreden, en de termijn om het protocol te accepteren is door WTO verlengd tot 31 december 2015 (WT/L/899).

X Noot
16

Kamerstuk 33 591, nr. 3.

X Noot
17

Kamerstuk 33 467, nr. 3.

X Noot
18

Kamerstuk 22 112, nr. 1195 (BNC fiche bij de Mededeling Intellectueel Eigendom).