Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333605-V nr. 5

33 605 V Jaarverslag en slotwet Ministerie van Buitenlandse Zaken 2012

Nr. 5 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2013

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het Jaarverslag 2012 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Kamerstuk 33 605 V, nr.1).

De ministers hebben deze vragen beantwoord bij brief van 6 juni 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Eijsink

De griffier van de commissie, Van Toor

Vraag 1

Kunt u een overzicht geven van alle vrijwillige bijdragen die in 2012 zijn gedaan aan internationale organisaties?

Vraag 2

Kunt u een overzicht geven alle verplichte bijdragen die in 2012 zijn gedaan aan internationale organisaties?

Antwoord 1 en 2

Vrijwillige bijdragen 2012 in miljoenen Euro's

UNHCR

38,0

UNRWA

15,0

WFP

36,0

UNDP

57,5

UNICEF

34,0

ILO

4,5

UNWOMEN

6,0

UNFPA

40,0

UNAIDS

20,0

WHO

7,5

UNEP

8,0

FAO

2,5

Totaal

269,0

Verplichte bijdragen 2012 in miljoenen Euro's

Verenigde Naties1

33,20

WHO2

 

PAHO

0,016

WHO tabaksconventie3

 

ITLOS

0,2

ILO4

5,3

UNESCO2

2,4

UNIDO2

 

ISA2

 

PHA

0,045

ICC

3

VN Vredesmissies

96,8

Totaal

140,96

X Noot
1

Inclusief tribunalen, residual mechanism, UNMCK

X Noot
2

In 2011 betaald voor 2012

X Noot
3

Voor 2012 geen aanslag ontvangen

X Noot
4

In 2012 betaald voor 2013

Vraag 3

Wat gebeurt er met het geld dat over is?

Antwoord 3

Voor de ODA-middelen geldt een vast budget. Voor 2012 was dit budget 0,7% BNP. Indien er onderuitputting plaats vindt, kan dit via de eindejaarsmarge meegenomen worden naar 2013. Indien het budget van de non-ODA binnen de HGIS-middelen niet volledig wordt uitgeput en niet in de eindejaarsmarge wordt opgevraagd vloeit dit geld, conform de Comptabiliteitswet, terug naar de algemene middelen.

Vraag 4

Partnerland Benin heeft in 2012 ruim 1 miljoen euro meer ontvangen dan begroot. Kunt u toelichten waar dit door is veroorzaakt?

Antwoord 4

Bij het opstellen van de begroting 2012 was het Meerjarig Strategische Plan (MJSP) van de ambassade in Cotonou nog niet opgesteld. Het budget van de post is later aangepast op basis van het vastgestelde MJSP en de gekozen speerpunten. De verhoging van het budget is te verklaren door een toekenning van budget voor SRGR (EUR 1,6 miljoen) en een lichte verlaging van het budget voor water en voedselzekerheid. In het MJSP wordt een toelichting gegeven op het budget en de besteding per thema.

Vraag 5

Partnerland Ethiopië heeft in 2012 ruim 23 miljoen euro meer ontvangen dan begroot. Kunt u toelichten waar dit door is veroorzaakt?

Antwoord 5

Bij het opstellen van de begroting 2012 was het Meerjarig Strategische Plan (MJSP) van de ambassade in Addis Abeba nog niet opgesteld. Het budget van de post is later aangepast op basis van het vastgestelde MJSP en de gekozen speerpunten. De toename in budget is te verklaren door een verhoging van het budget voor voedselzekerheid (EUR 18 miljoen), onderwijs (EUR 8,5 miljoen) en SRGR (1,5 miljoen). Daar tegenover staat een verlaging van het budget voor veiligheid, rechtsorde en goed bestuur (EUR 3,5 miljoen) en water (EUR 1,5 miljoen). In het MJSP wordt een toelichting gegeven op het budget en de besteding per thema.

Vraag 6

Partnerland Uganda heeft in 2012 ruim 13 miljoen euro meer ontvangen dan begroot. Kunt u toelichten waar dit door is veroorzaakt? En hoe verhoudt zich dit tot het homobeleid van Uganda?

Antwoord 6

Bij het opstellen van de begroting 2012 was het Meerjarig Strategische Plan (MJSP) van de ambassade in Kampala nog niet opgesteld. Het budget van de post is later aangepast op basis van het vastgestelde MJSP en de gekozen speerpunten. De toename in budget is te verklaren door een verhoging van het budget voor veiligheid (EUR 9,3 miljoen) en voedselzekerheid (EUR 5,4 miljoen). Daar tegenover staat onder anderen een verlaging van het budget voor onderwijs (EUR 1,1 miljoen). Zoals hierboven toegelicht, was de verhoging van het budget nodig om invulling te kunnen geven aan het veiligheid en rechtsorde- en voedselzekerheidsbeleid in Uganda, zoals vastgelegd in het MJSP van de post. Er is geen relatie met het anti-homo wetvoorstel.

Vraag 7

Partnerland Bangladesh heeft in 2012 ruim 4 miljoen euro meer ontvangen dan begroot. Kunt u toelichten waar dit door is veroorzaakt?

Antwoord 7

Bij het opstellen van de begroting 2012 was het Meerjarig Strategische Plan (MJSP) van de ambassade in Dhaka nog niet opgesteld. Het budget van de post is later aangepast op basis van het vastgestelde MJSP en de gekozen speerpunten. De toename van het budget is te verklaren door een verhoging van het budget voor voedselzekerheid (EUR 3,2 miljoen), onderwijs (EUR 2,5 miljoen) en SRGR (EUR 0,9 miljoen). Daar tegenover staat een verlaging van het budget voor veiligheid, rechtsorde en goed bestuur (EUR 0,4 miljoen), gelijke rechten en kansen voor vrouwen (EUR 0,9 miljoen) en water (EUR 0,9 miljoen). In het MJSP wordt een toelichting gegeven op het budget en de besteding per thema.

Vraag 8

Welke voortgang heeft u bereikt in het OESO-DAC met betrekking tot het verruimen van de ODA-criteria? Wat is de inzet van de regering?

Antwoord 8

In december 2012 is in het DAC afgesproken in twee jaar met een voorstel te komen voor een nieuwe maatstaf voor «totale officiële ontwikkelingssteun». Mede op aandringen van Nederland zal de modernisering van ODA daar een belangrijk onderdeel van uitmaken. Het verbreden van de ODA-definitie zal er in onze opzet toe leiden dat meer ontwikkelingsrelevante uitgaven onderdeel van ODA zullen uitmaken. Wij zijn voorstander van het opnemen in ODA van innovatieve instrumenten, zoals bijvoorbeeld garanties en publiek private partnerschappen. Verder willen wij in ieder geval de DAC-landenlijst aan de orde stellen, omdat wij van mening zijn dat daar meerdere midden-inkomenslanden op staan die geen ODA meer nodig hebben. De nieuwe definitie van ODA is onderwerp van een Interdepartementaal Beleids Onderzoek. Dit IBO komt medio 2013 met een advies dat wij graag gebruiken in het internationale debat.

Vraag 9

Hoeveel wordt er in 2012 en 2013 door Nederland uitgegeven aan de Wereldbank?

Antwoord 9

In kalenderjaar 2012 is uitgegeven aan de Wereldbank:

Thematische/landen projecten en programma’s (Trust Funds): EUR 269 miljoen

IDA (op begroting Financiën) EUR 147 miljoen

Totaal EUR 416 miljoen

Verticale fondsen (beheerd door de Wereldbank) EUR 89 miljoen

Voor 2013 zijn nog geen definitieve cijfers bekend.

Vraag 10

Aan welke landen heeft de Wereldbank in 2012 en 2013 precies leningen verstrekt (gaarne per jaar uitgesplitst)?

Antwoord 10

Bijgevoegde informatie geldt voor het boekjaar 2012 (van 1 juli 2011 – 30 juni 2012). Informatie voor boekjaar 2013 is nog niet bekend.

Vraag 11

Wat zijn de salarissen van de directieleden van de Wereldbank gespecificeerd naar persoon?

Antwoord 11

Informatie over salarissen van senior management in het jaarverslag 2012

Naam en positie

Netto salaris

pensioenpremie

Overigen

Jim Yong Kim, President

467.940

109.779

204.956

Sri Mulyani Indrawati, Managing Director

378.599

88.819

85.563

Jin-Yong Cai, Executive Vice President IFC

365.948

85.851

82.704

Bertrand Badré, Chief Financial Officer

364.609

85.537

82.402

Izumi Kobayashi, Executive VP MIGA

358.497

84.103

81.020

Mahmoud Mohieldin, Managing Director

358.456

84.094

81.011

Vinod Thomas, Director General, IEG

337.936

135.141

87.525

Kaushik Basu, Chief Economist

334.066

78.372

75.499

Caroline Anstey, Managing Director

315.164

126.034

81.627

Executive Directors

244.350

n.a.

n.a.

Alternate Executive Directors

211.370

n.a.

n.a.

Vraag 12

Waarom is er € 1,2 mln. meer uitgegeven aan beleidsthema «verstrekte internationale rechtsorde en eerbieding van mensenrechten» dan begroot?

Vraag 16

Waarom is er € 2,1 mln. (ODA) meer uitgegeven aan mensenrechten dan begroot? Welke organisaties zijn hierbij betrokken geweest?

Antwoord 12 en 16

In 2012 is per saldo EUR 1,2 miljoen meer aan ODA-middelen uitgegeven op dit beleidsartikel dan begroot. De toename in ODA-uitgaven is toe te wijzen aan verhoogde uitgaven op het sub-artikel «bescherming van de rechten van de mens». Deze toename van EUR 2,1 miljoen kan worden verklaard door een verhoging van de bijdragen aan het ILO (zowel ODA- als non-ODA middelen), en verlagingen van de centrale- en decentrale mensenrechten budgetten.

Vraag 13

Waarom is er € 46,2 mln. meer uitgegeven aan beleidsthema «toegenomen menselijke en sociale ontwikkeling» dan begroot?

Antwoord 13

De uitgaven op beleidsartikel «toegenomen menselijke en sociale ontwikkeling» betreffen zowel ODA- als non-ODA middelen. In 2012 is EUR 46,2 miljoen meer aan ODA-middelen uitgegeven op dit beleidsthema dan begroot. De non-ODA uitgaven op dit beleidsartikel zijn EUR 1,5 miljoen lager dan begroot. Daarmee is het saldo van uitgaven op dit beleidsartikel, EUR 44,7 miljoen hoger dan begroot. De toename in uitgaven kan worden verklaard door een som van mutaties. Door een vertraging in onderzoeksprogramma’s is het programma Onderzoek en Innovatie lager uitgevallen dan geraamd. Daartegen over staat een toename van de uitgaven door een verhoging van de bijdrage aan UNWOMEN en het VN Trust Fund in Support of Actions to Eliminate Violence Against Women. Daarnaast, zoals toegelicht in de eerste suppletoire begroting 2012, zijn de uitgaven op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten aangepast op basis van de Meerjarig Strategische Plannen. Tot slot zijn er aanpassingen van de betalingsritmes aan het Vakbondsmedefinancieringsprogramma, de World Health Organization, Global Fund to fight Aids, Tubercolose and Malaria, en het Health Insurance Fund.

Vraag 14

Waarom is er € 1,1 mln. meer uitgegeven aan beleidsthema «versterkt cultureel profiel, positieve beeldvorming in en buiten Nederland» dan begroot?

Vraag 58:

Waarom is er € 1,5 mln. (ODA) meer uitgegeven aan het vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid dan vooraf begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 14 en 58

Er is in 2012 EUR 1,5 miljoen meer uitgegeven aan voorlichting op het terrein van OS-activiteiten. Dit betreft een hogere bijdrage aan de NCDO, evenals hogere uitgaven aan het International Aid Transparency Initiative fase 2 van EUR 0,3 miljoen (brief aan TK van 20 mei, 32 500 V, nr. 186). De totale ODA-uitgaven in 2012 zijn EUR 10 miljoen aan de NCDO en EUR 9 miljoen ten behoeve van de Subsidiefaciliteit voor Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking (SBOS). Per saldo is op artikelniveau een toename van EUR 1,1 miljoen te zien. Dit komt door een lagere uitgave (EUR 0,5 miljoen) op het sub-artikel «grotere Nederlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur».

Vraag 15

Waarom is er € 86,2 mln. meer uitgegeven aan overige uitgaven dan begroot? Welke organisaties zijn hierbij betrokken geweest?

Antwoord 15

De uitgaven op beleidsartikel «Overige uitgaven» betreffen de onderdelen «geheim», «nominaal en onvoorzien» en «apparaatsuitgaven». Dit zijn zowel ODA- als non-ODA middelen. In 2012 zijn de ODA-uitgaven op het beleidsartikel «apparaatsuitgaven» EUR 86,2 hoger dan begroot. Deze toename is bijna in het geheel te verklaren door tegenvallende koersverschillen. Dit ontstaat doordat alle betalingen in buitenlandse valuta om administratieve redenen het gehele jaar worden verwerkt tegen een vaste wisselkoers. Voor de USD was deze vaste koers in 2012 USD 1,43 per EUR.

Vraag 17

Kunt u de Nederlandse inspanningen voor een sterkere positie van vrouwen bij Afghaanse politie en justitie nader toelichten, zowel kwalitatief als kwantitatief?

Vraag 64

Kunt u concrete voorbeelden geven van de Nederlandse inzet voor de versterking van de positie van vrouwen in Afghanistan?

Antwoord 17 en 64

De positie van vrouwen is in Afghanistan in ontwikkeling, maar vrouwen hebben nog steeds een ondergeschikte rol. De positie van vrouwen, toegang tot rechtspraak en algemene bewustwording van vrouwenrechten is een rode draad in het Nederlandse Rule of Law programma. Gezien de gevoeligheid van het onderwerp in een traditionele samenleving als Afghanistan, is een doordachte aanpak vereist. Het Nederlandse genderbeleid richt zich op actieve diplomatieke inspanning richting de Afghaanse autoriteiten op nationaal, provinciaal en lokaal niveau ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld en op de financiering van specifieke projecten ter bevordering van de rechten van vrouwen en de mainstreaming van «gender» in overige activiteiten.

Aandacht voor vrouwenrechten is een integraal deel van de missie in Kunduz. Nederland heeft zich daarbij ingespannen voor de training van vrouwelijke politie agenten: een aanzienlijk deel van de vrouwelijke agenten in Kunduz is door Nederland getraind. 15 vrouwen hebben de basisopleiding gevolgd en 15 vrouwen hebben de vervolgopleiding voltooid. Een deel van het curriculum van de opleiding van de politie is mede gericht op de opleiding en positie van vrouwelijke agenten.

Nederland vindt dat verbetering van de positie van vrouwen cruciaal is voor de ontwikkeling van Afghanistan en het scheppen van duurzame vrede. Daarom ondersteunt Nederland de politieke en publieke dialoog ter verbetering van de positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Zo steunt Nederland de The Asia Foundation (TAF), die Community Dialogue Groups (CDG) heeft ingesteld in Kunduz met het doel kennis over de rechten van vrouwen over te dragen en te vergroten.

Verder steunt Nederland projecten gericht op de bewustwording van vrouwenrechten en op de politieke participatie van vrouwen in de samenleving. Zo ondersteunt Nederland projecten waarbij «gender equality platforms» worden opgezet; niet alleen in Kabul, maar ook in zes provincies (Herat, Nagarhar, Balkh, Kandahar, Kunduz en Bamyan). Nederland steunt daarnaast de Afghan Independent Bar Association (AIBA) die rechtshulp aan vrouwelijke gevangen mogelijk maakt. Veel vrouwen in Afghanistan worden wegens «morele misdaden» op basis van traditionele en religieuze wetgeving vervolgd. Met Nederlandse hulp wordt rechtsbijstand voor onder meer deze vrouwelijke gevangenen mogelijk. Ook is met een Nederlandse bijdrage een gespreksruimte gerealiseerd waar vrouwelijke gevangenen met hun advocaat kunnen overleggen. In Kunduz heeft Nederland ook nauw contact met AIBA om het aantal vrouwelijke advocaten in de provincie te verhogen. Het aantal is inmiddels toegenomen van nul tot zes vrouwelijke advocaten. Op gebied van bewustwording is Nederland actief: Afghaanse vrouwen informeren de bevolking via radiouitzendingen over hun basisrechten. In Kunduz ondersteunt Nederland het Department of Women’s Affairs bij de organisatie van diverse activiteiten.

Vraag 18

Waarom is er € 3,1 mln. (ODA) meer uitgegeven aan bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 18

De stijging van uitgaven op subartikel 2.3 is te verklaren door een eerder dan verwacht betaalverzoek van het International Atomic Energy Agency (IAEA) van EUR 6,3 miljoen. Het ODA-aandeel in deze betaling was EUR 2,8 miljoen. Daarnaast is het ODA-percentage van bijdragen aan het IAEA in 2012 bijgesteld, waardoor de bijdrage iets is toegenomen.

Vraag 19

De keuze voor te bezoeken landen wordt afgewogen in het kader van de strategische reisagenda. Is er met het oog op het belang van economische diplomatie een voornemen van de Minister of de Minister-President om een bezoek te brengen aan China in 2013?

Antwoord 19

Minister Ploumen bezocht China met 50 MKB-bedrijven in mei 2013. Tijdens het bezoek zijn overeenkomsten getekend ter waarde van ca. 300 miljoen euro. Daarnaast brengt minister Timmermans dinsdag 12 juni een bezoek aan China. De minister-president is ook voornemens China te bezoeken. Over de planning van dit bezoek is contact met de Chinese autoriteiten.

Vraag 20

Heeft u het afgelopen jaar binnen het Midden-Oostenvredesproces complicerende stappen gezien van een van beide partijen? Zo ja, welke en in welke mate waren deze complicerend voor het vredesproces?

Antwoord 20

Ja, beide partijen hebben stappen gezet die een terugkeer naar de onderhandelingstafel compliceerden, maar deze hebben dit niet onmogelijk gemaakt. De mogelijkheid onderhandelingen te voeren over een vredesakkoord op basis van een twee-statenoplossing blijft bestaan. Gezien de inspanningen van Secretary of State Kerry om het vredesoverleg vlot te trekken is het van belang dat alle partijen vooruit kijken en zich richten op het gebruik maken van deze mogelijkheid.

Vraag 21

Hoe duidt u de ontwikkelingen in- en de Nederlandse verhouding met ASEAN? Kunt u zowel positieve als negatieve ontwikkelingen nader toelichten?

Antwoord 21

In 2008 heeft ASEAN een handvest aangenomen waarin de ambitie is neergelegd om in 2020 tot drie gemeenschappen te komen: een economische, een veiligheids- en een sociaal-culturele gemeenschap. De totstandkoming van deze drie gemeenschappen en regionale integratie verloopt gestaag. Doelstelling is om al in 2015 een interne markt te bewerkstelligen. ASEAN kent sinds 2009 een eigen mensenrechtencommissie: de ASEAN Intergovernmental Commission on Human Rights (AICHR). Tijdens de 21e ASEAN Top in Cambodja (november 2012) werd een ASEAN Human Rights Declaration aangenomen. Tijdens een bezoek van de EU Speciale Vertegenwoordiger voor Mensenrechten Lambridis aan Indonesië in mei jl. zijn afspraken gemaakt met de AICHR over kennisuitwisseling met de EU.

Nederland hecht aan samenwerking met ASEAN, zowel bilateraal als in EU-verband, en ondersteunt ASEAN sinds 2009 door middel van de financiering van een jaarlijkse cursus voor 20 junior ASEAN-diplomaten bij Clingendael. Op 21 februari sprak minister Timmermans tijdens zijn bezoek aan Jakarta met SG ASEAN Le Luong Minh (Kamerbrief met kenmerk MINBUZA-2013.123917). De contacten met ASEAN verlopen verder in belangrijke mate via de EU. Tijdens de 19e EU-ASEAN Foreign Ministers Meeting (FMM) in Brunei werd een Plan van Aanpak tussen de EU en ASEAN overeengekomen voor de periode 2013–2017. Een regionaal vrijhandelsverdrag tussen EU en ASEAN is niet in zicht; wel wordt met een aantal ASEAN-lidstaten onderhandeld over bilaterale akkoorden

Vraag 22

Waarom is er € 41,2 mln. (ODA) meer uitgegeven aan effectieve humanitaire hulp dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 22

In de ontwerpbegroting is een bedrag van EUR 219,3 miljoen opgenomen voor ODA en non-ODA humanitaire hulp (art. 2.6). Na amendementen (Nr. 60 Dikkers/Voordewind en 59, 111 en 112 Irrgang) ad EUR 10,6 miljoen bedroeg de definitieve begroting voor humanitaire hulp EUR 229,9 miljoen. Bij de 2e suppletoire begroting werd het ODA-humanitaire hulpbudget verhoogd met EUR 21 miljoen en in de Decemberbrief (ref. FEZ/BZ 163/12 d.d. 20 december 2012) nogmaals met EUR 9,5 miljoen, dit gezien de ernst van onderstaande humanitaire crises.

De extra EUR 30,5 miljoen euro werd als volgt gebruikt:

  • euro 10 miljoen aan UNHCR voor «winterization» voor Syrische vluchtelingen;

  • euro 0,5 miljoen aan UNICEF voor Syrische vluchtelingenkinderen;

  • euro 8 miljoen aan het CHF (Common Humanitarian Fund) voor behoeftigen Zuid-Soedan;

  • euro 1 miljoen aan het Nederlandse Rode Kruis voor behoeftigen als gevolg Gaza-crisis;

  • euro 2 miljoen extra core bijdrage aan UNRWA in verband met Gaza-crisis;

  • euro 2 miljoen aan UNHCR voor Malinese ontheemden en vluchtelingen;

  • euro 5 miljoen aan World Food Programme voor voedselonzekerheid Niger;

  • euro 2 miljoen aan UNHCR voor crisis in november in Oost-Congo.

Het budget voor non-ODA humanitaire hulp bedroeg aanvankelijk EUR 2,3 miljoen, maar werd amper aangesproken, zodat het totale budget voor humanitaire hulp eind 2012 werd verlaagd met EUR 2,3 miljoen. Derhalve bedroegen de totale uitgaven voor humanitaire hulp in 2012 EUR 258,2 miljoen.

Vraag 23

Op welke wijze heeft u invulling gegeven aan de motie-Van der Staaij c.s. (Kamerstuknr. 33 410, nr. 55) om actief te blijven investeren in de band met de staat Israël en daartoe ook samen met andere Europese landen constructieve voorstellen te doen?

Antwoord 23

Het kabinet hecht aan de goede bilaterale relaties met Israël en met de Palestijnse Autoriteit. Momenteel wordt gewerkt aan het oprichten van bilaterale samenwerkingsfora met zowel Israël als de PA, om de samenwerking verder te verdiepen. Nederland zoekt in EU-verband ten aanzien van het MOVP zoveel mogelijk consensus ter vergroting van de effectiviteit van het EU-optreden.

Vraag 24

Kunt u per land aangeven wanneer u verwacht dat de onderhandelingen over een handelsovereenkomst op het gebied van diensten tussen de EU en derde landen afgerond worden?

Antwoord 24

De onderhandelingen over een handelsovereenkomst op het gebied van diensten tussen de EU en derde landen vinden plaats onder de naam Trade in Services Agreement (TISA). Deze zijn in maart van dit jaar gestart. De onderhandelingen omvatten 48 landen. Deelnemers zijn leden van de Wereldhandelsorganisatie, bestaande uit een combinatie van ontwikkelde landen (o.a. de VS, Australië, Canada en de 27 EU lidstaten) en minder ontwikkelde landen (o.a. Pakistan en Peru). De Europese Commissie voert namens de lidstaten van de EU de onderhandelingen. De bedoeling is dat dit akkoord in de toekomst het GATS-verdrag opvolgt en omarmd gaat worden door alle leden van de Wereldhandelsorganisatie. Van afronding is pas sprake als alle partijen bij dit akkoord zich in het onderhandelingsresultaat kunnen vinden. De Europese Commissie verwacht dat minimaal drie jaar nodig is om tot een eindresultaat te komen. Daarna dient het akkoord nog aan de nationale parlementen van de deelnemende landen te worden voorgelegd.

Vraag 25

Is er een sterke concentratie van aandacht op bepaalde landen vanuit de internationale agenda's van de topsectoren? Zo ja, welke landen zijn dat en welke aandachtspunten worden hierdoor toegevoegd aan het bilaterale werk?

Antwoord 25

De topsectoren – alleen van Logistiek ontbreekt nog een officiële internationale agenda – hebben in het najaar van 2012 hun prioritaire doellanden bepaald. Hun keuze berust enerzijds op het verwachte belang van de markt in kwestie in de komende jaren en anderzijds op de mate waarin de topsector in kwestie ondersteuning door de Nederlandse overheid in die landen nodig/gewenst acht om de economische kansen die men ziet te kunnen verzilveren.

De volgende landen kregen daarbij de meeste aandacht: China (8 topsectoren), India (7 topsectoren), Brazilië (6 topsectoren), Rusland (6 topsectoren),Turkije (5 topsectoren), Duitsland (4 topsectoren),Verenigde Staten (4 topsectoren), Indonesië (4 topsectoren) en Zuid-Afrika (4 topsectoren).

In zgn. «marktbewerkingsplannen» hebben de topsectoren aangegeven waarnaar hun belangstelling uitgaat in de door hen aangegeven prioritaire doellanden. Via de strategische reisagenda en de werkplannen van de Nederlandse ambassades en consulaten in de doellanden wordt er op ingezet om samen met de bedrijven en kennisinstellingen de doelen van de topsectoren te verwezenlijken.

De tenuitvoerlegging van de «marktbewerkingsplannen» heeft prioriteit als het gaat om het bilaterale economische werk. Hierover is regelmatig contact tussen de topsectoren, de betrokken departementen en de posten in de doellanden. Internationaal topsectorenbeleid leidt niet zozeer tot geheel nieuwe aandachtspunten in het bilaterale werk, maar wel tot een heldere prioriteitsstelling als het gaat om het werk ten behoeve van Nederlandse bedrijven, waarbij de wensen van de topsectoren bepalend zijn. In OS-partnerlanden wordt ernaar gestreefd de topsectoren aan te laten sluiten bij de bilaterale programma’s waarbij handel en hulp gecombineerd wordt. Gaat vooral om activiteiten op het gebied van de topsectoren Agro-Food, Tuinbouw-Uitgangsmaterialen, Water en Life-sciences & Health.

Vraag 26

Hoeveel projecten zijn in 2012 bekostigd uit het Mensenrechtenfonds, welke projecten zijn dit, wat was het doel van de projecten en zijn de doelstellingen gehaald?

Antwoord 26

Totale uitgaven vanuit het mensenrechtenfonds voor mensenrechtenprojecten in 2012 bedragen EUR 32,6 miljoen. Hieruit zijn zowel centraal (totaal EUR 12.4 miljoen) vanuit het departement in Den Haag als decentraal via onze ambassades (totaal EUR 20,2) activiteiten gefinancierd op de volgende thema’s: Mensenrechtenverdedigers, LHBT-rechten (lesbisch, homo-,bi-, en transseksueel), vrouwenrechten, maatschappelijk verantwoord ondernemen, doodstraf, godsdienstvrijheid, internetvrijheid, kinderarbeid, marteling, doodstraf, vrijheid van meningsuiting en de bescherming van minderheden. In de mensenrechtenrapportage 20121 staan voorbeelden van activiteiten genoemd.

De Inspectie ontwikkelingssamenwerking en beleidsevaluatie (IOB) heeft in december 2012 een onderzoek afgerond naar de Nederlandse steun aan mensenrechtenprojecten in de periode 2008–2011.2 Het rapport van de IOB geeft een positief beeld van deze Nederlandse steun. Effectiviteit van de projecten is goed en de centrale vraag of de financiering van programma’s en projecten bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de mensenrechtenstrategie wordt door de IOB bevestigend beantwoord. Momenteel voert de IOB een bredere beleidsdoorlichting uit van artikel 1.2 van de memorie van Toelichting «bescherming van de rechten van de mens» voor de periode 2008-medio 2013 (naar verwachting wordt deze evaluatie begin 2014 afgerond).

Vraag 27

Bent u van mening dat Nederland zodanig heeft bijgedragen aan het effectief maken van internationale instellingen dat de internationale rechtsorde voldoende is gewaarborgd of is hier sprake van kapitaalvernietiging door nu te gaan bezuinigen op internationale rechtsorde?

Antwoord 27

De daling van uitgaven in 2012 ten opzichte van 2011 op artikel 1 van de begroting van Buitenlandse Zaken is in belangrijke mate veroorzaakt doordat er geen aanslag voor de verplichte contributie aan het Capital Masterplan (renovatie van het VN-hoofdkwartier) van de VN werd ontvangen. De internationale rechtsorde vergt blijvende bevordering en investering. Niet alleen omdat alle mensen een waardig leven verdienen, maar ook omdat de internationale rechtsorde het fundament is voor een stabiele en welvarende wereld. De Nederlandse inspanningen hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de internationale rechtsorde en Nederland zal blijven bijdragen. Van kapitaalvernietiging is geen sprake.

In 2013 levert Nederland onder meer een financiële bijdrage aan de verschillende internationale hoven en tribunalen. Financiële ondersteuning van instellingen en organisaties is echter niet het enige middel dat Nederland ter beschikking heeft. In het kader van verbetering van de effectiviteit van internationale instellingen denkt Nederland actief mee over de verbetering van werkwijzen van de VN en organisaties als het ICC. Daarnaast spant het zich als gastland in voor optimaal functioneren van internationaalrechtelijke instellingen gevestigd in Nederland. Voorts bevordert Nederland de universaliteit van het ICC door landen te stimuleren zich bij het Statuut van Rome aan te sluiten. Tot slot vraagt Nederland door de organisatie van bijeenkomsten en evenementen aandacht voor belangrijke onderdelen van de internationale rechtsorde, onder meer de Responsibility to Protect en bestaande mechanismen voor vreedzame geschillenbeslechting, met name die van het Internationaal Gerechtshof en het Permanente Hof van Arbitrage.

Vraag 28

Bent u van plan in 2013 nog verder te investeren in de operationalisering van het principe van Responsibility to Protect?

Antwoord 28

Zoals in de Memorie van Toelichting van de begroting 2013 aangegeven zal Nederland blijven investeren in de operationalisering van het principe van de Responsibility to Protect (RtoP). Na de NAVO-interventie in Libië richt de discussie ten aanzien van RtoP zich voornamelijk op de implementatie van het principe. Het is belangrijk om te blijven onderstrepen dat wanneer een eigen staat de verantwoordelijkheid tot beschermen van haar eigen bevolking niet kan of wil nemen, de internationale gemeenschap een reeks vreedzame mogelijkheden heeft om internationale misdrijven te voorkomen. Nederland blijft zich daarom inspannen voor preventie en non-militaire interventie door de internationale gemeenschap, zoals bezoeken van de Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten, bemiddeling, sancties of embargo’s. Mede op initiatief van Nederland zal het aankomende rapport van de SGVN in 2013 gaan over «State responsibility and prevention». Daarnaast pleit Nederland voor een leidende rol van de EU bij het voorkomen van massale wreedheden.

Vraag 29

Kunt u aangeven binnen welke transitieprocessen in de Arabische regio u het meeste resultaat ziet van de financiële steun van zowel Nederland als de EU? Kunt u dit met voorbeelden illustreren?

Antwoord 29

Bij de democratische transitie in de Arabische regio gaat het om een complex proces, waarbij overheid, private sector, maatschappelijke organisaties en individuele burgers zullen moeten toegroeien naar een democratische rechtsstaat. De ervaring in Midden- en Oost-Europa heeft geleerd dat een dergelijke transitie veel tijd kost en een langjarig engagement van donoren vergt. De transitie – en daarmee effectiviteit van de financiële steun van de EU en Nederland – is in belangrijke mate afhankelijk van de politieke wil van burgers en overheden uit de landen in de Arabische regio zelf om hervormingen door te voeren. Dat is ook de rationale achter de «more for more» benadering in het nabuurschapsbeleid van de Europese Unie (zie ook Kabinetsappreciatie van 16 april jl. over het Europees nabuurschapsbeleid).

Programma’s van de EU en Nederland zijn succesvoller naarmate de wil om te hervormen bij de overheid sterker aanwezig is. Toename van de werkgelegenheid is een belangrijk element bij het bieden van een toekomstperspectief in deze landen – vooral voor jongeren. Ruim 90% van de EU steun aan Tunesië richt zich dan ook op werkgelegenheid, private sectorontwikkeling en herstructurering van de economie.

Daarnaast bestaat behoefte aan directe ondersteuning van democratisering en rechtsstaatontwikkeling. Deze steun moet zich zowel op de korte als op de langere termijn richten. Voorbeelden van activiteiten die ook op korte termijn effect hebben zijn trainingen van ambtenaren en ondersteuning van politieke partijen. Vooral in landen waar hervormingen nog niet goed van de grond komen blijft het belangrijk om maatschappelijke organisaties te versterken. Zowel de EU als Nederland zetten hier op in.

Vraag 30

Waarom noemt u in uw analyse van de Arabische wereld alleen vooruitgang, afgewisseld met stagnatie? Is er volgens u geen sprake van achteruitgang? Als daar wel sprake van is, waarom gaat u er dan niet op in?

Antwoord 30

In alle landen van de Arabische regio – met uitzondering van Syrië – is naar mijn mening sprake van hetzij vooruitgang, hetzij stagnatie. In de tekst wordt vanwege de specifieke situatie expliciet ingegaan op de ontwikkelingen in Syrië. Voor een nadere analyse van de situatie in de Arabische regio verwijs ik naar mijn brief van 22 maart jl. (2012–2013, 32 623, nr. 88).

Vraag 31

Welk bedrag investeert Nederland in het kader van het samenwerkingsverband tussen de Nederlandse en Egyptische overheid binnen het Matra-Zuid programma? Om welke activiteiten gaat het, met welke doelstellingen?

Antwoord 31

Sinds eind 2012 is de Matra-component overheidssamenwerking met Egypte van start gegaan. Nederland wil in dit kader o.a. aandacht besteden aan de thema’s rechtstaat en goed bestuur. In verband met het vraag gestuurde karakter van het programma staan de bedragen per land niet op voorhand vast. Voor Egypte kan in 2013 maximaal ongeveer EUR 700.000 worden besteed aan de component overheidssamenwerking. Een deel daarvan wordt besteed aan de training van ambtenaren – onder meer op het gebied van wetgeving en «administration of justice» – en van jonge diplomaten. Mogelijkheden voor bestuurlijke samenwerkingsprojecten met de Egyptische overheid worden nog verkend, waarbij wordt gedacht aan thema’s als water, transport en voedselveiligheid.

Vraag 32

Welke gevolgen hebben de bezuinigingen op multilaterale instellingen voor de positie van Nederland binnen internationale gremia als de Verenigde Naties? Verwacht u een verzwakking van de positie van Nederland, zoals bijvoorbeeld een daling van het aantal Nederlandse vertegenwoordigers op multilaterale posities?

Antwoord 32

Nederland is een gewaardeerde speler binnen internationale gremia als de Verenigde Naties. Dit is mede dankzij de Nederlandse bijdragen aan de VN-fondsen, – programma’s en gespecialiseerde organisaties en daarmee samenhangend de reputatie van solide en constructieve multilaterale donor. Bezuinigingen op multilaterale instellingen blijven niet onopgemerkt en kunnen invloed hebben op de positie van Nederland binnen de multilaterale gremia.

Vraag 33

Binnen welke termijn verwacht u dat de contributieschalen van de Verenigde Naties worden versoberd?

Antwoord 33

De methode voor de berekening van de contributieschalen van de Verenigde naties zijn in het najaar van 2012, tijdens de 67e zitting van de Algemene Vergadering van de VN, ongewijzigd vastgesteld voor de periode 2013–2015. Omdat de berekeningsmethodiek hetzelfde is gebleven, maar variabelen in de berekening zoals het BNP gewijzigd zijn, is het percentage van de Nederlandse bijdrage voor de genoemde periode verminderd. Nederland blijft streven naar herziening van de methodiek, resulterend in een eerlijkere verdeling van de lasten en een vermindering van de Nederlandse bijdrage. In het najaar van 2015, tijdens de 70e zitting van de AVVN, zullen de VN-contributieschalen opnieuw worden vastgesteld voor de periode 2016–2018.

Vraag 34

Kunt u een beeld geven van de inzet van opkomende economieën, waaronder de BRICS- landen, op het gebied van ontwikkelingssamenwerking?

Antwoord 34

Schattingen van de inzet van opkomende economieën op het terrein van ontwikkelingssamenwerking lopen zeer sterk uiteen. Daaraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag. Landen publiceren lang niet altijd wat ze aan giften en/of leningen aan andere landen verstrekken. Vaak is ook niet duidelijk wat het concessioneel gehalte van leningen is. Overdrachten worden vaak ook niet als «hulp» bestempeld, maar als Zuid-Zuid samenwerking, waar partijen wederzijds baat bij hebben. Leningen, technische samenwerking en giften zijn dan ook vaak gekoppeld aan commerciële transacties. Onderzoekers en journalisten maken daarom vaak zelf schattingen. Hoewel een aantal niet-OECD landen overdrachten in het kader van ontwikkelingssamenwerking aan de OECD/DAC rapporteert, geldt dat niet voor de belangrijkste donoren onder de opkomende economieën, te weten Brazilië, China, India en Zuid-Afrika.

Het Development Assistance Committee van de OECD3 schat dat in 2010 niet-OECD landen (Brazilië uitgezonderd) in totaal US$ 8,6 miljard aan «ODA» verstrekten (5,7% van de totale ODA). De twee grootste donoren in deze categorie waren China en Saoedi Arabië, die naar schatting resp. US$ 2 miljard en US$ 3.5 miljard verstrekten. De DAC maakt bij het bedrag voor China de kanttekening dat dit cijfer ontleend is aan een begroting van de Chinese overheid, maar dat concessionele leningen en schuldverlichting daarin niet zijn meegeteld. De inschatting van de DAC is dat het bedrag veel hoger zou zijn, als die wel waren meegenomen. Rusland rapporteerde in 2011 voor het eerst aan de DAC. De ODA van de Russische Federatie was in 2010 US$ 472 miljoen (en in 2009 US$ 785 miljoen). Zich baserend op een studie van de Braziliaanse overheid meldt de DAC dat deze in 2009 US$ 362 aan ontwikkelingssamenwerking spendeerde. Op grond van een jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van India constateert de DAC dat het leningen- en ontwikkelingssamenwerkingsprogramma van dit land in het fiscaal jaar 2010–2011 US$ 639 miljoen dollar bedroeg. Zuid-Afrika besteedde in het overeenkomstig jaar US$ 98 miljoen.

Vraag 35

Kunt u aangeven in welke landen of welke gebieden er op het gebied van voedselzekerheid, een verbetering van het ondernemingsklimaat heeft plaatsgevonden? Kunt u dat met enkele voorbeelden illustreren?

Antwoord 35

In bijna alle partnerlanden wordt in het kader van voedselzekerheid gewerkt aan de verbetering van het ondernemingsklimaat. Daarbij is o.a. het volgende bereikt:

In Rwanda was Nederland lead donor private sector ontwikkeling, waardoor er veel met de overheid over het ondernemingsklimaat is overlegd. Daarnaast is sterk ingezet op verbetering van infrastructuur en landrechten. Dit heeft onder andere de volgende verbeteringen opgeleverd:

  • Rwanda is op de «Ease of Doing Business Index» van de Wereldbank van de 158e plaats (2008) naar de 52e plaats (2012) gestegen. Ter vergelijking: Nederland staat op nummer 31 (2012).

  • Ook namen in 2012 de buitenlandse investeringen toe ten opzichte van het jaar ervoor.

  • Via het door Nederland gesteunde electricity roll-out programma werden in 2012 75.000 elektriciteitsaansluitingen gerealiseerd.

  • Via ambassadeprojecten werden 424 kilometers plattelandswegen onderhouden en gerepareerd.

  • Binnen het landrechten programma zijn 4,9 miljoen eigendomsbewijzen uitgereikt.

In Burundi is een hervorming doorgevoerd voor de import, verkoop en subsidie van kunstmest. Hierbij heeft de overheid zich teruggetrokken uit de aankoop en distributie van kunstmest, dat vanaf heden geheel aan de private sector wordt overgelaten. De overheid speelt wel een rol bij het verstrekken van de subsidie via een voucher systeem waar alle boeren gebruik van kunnen maken, zodat er geen parallelle markt meer zal zijn die in het verleden leidde tot corruptie. Het nieuwe systeem voorziet in een goede afstemming van vraag en aanbod, waardoor de private sector zonder groot risico (maar wel in concurrentie) kan instappen.

De regering van Mozambique heeft een aantal strategische en wettelijke maatregelen genomen (zoals de goedkeuring van de wet op concurrentie) waarmee het ondernemingsklimaat voor kleine commerciële boeren en agribusinesses verbeterd is. Daarnaast is in 2012 o.a. het volgende bereikt:

  • Ongeveer 1,6 miljoen hectares landbouwgrond is d.m.v. certificering toegewezen aan lokale gemeenschappen.

  • 25% van de producenten van landbouwproducten hebben nieuwe en verbeterde technologie ingevoerd, zoals verbeterd zaaigoed en gebruik van mechanische hulpmiddelen.

  • 10.000 hectare landbouwgrond is uitgerust met nieuwe of gerestaureerde irrigatie-infrastructuur.

In Ethiopië vindt er op het gebied van voedselzekerheid geleidelijk aan een verbetering van het ondernemingsklimaat plaats.

  • Er is recentelijk met behulp van UNESCO en het Ministerie van EZ (Nederland) digitale afhandeling van fytosanitaire documenten geïntroduceerd, wat de in- en uitvoer van planten en plantenmateriaal aanmerkelijk eenvoudiger maakt.

  • Er is een sectorstrategie voor landbouwcoöperaties ontwikkeld waarmee het financieel en operationeel beheer wordt geprofessionaliseerd en de toegang tot kredieten (advanced certification) wordt vergroot. Nederland speelt een ondersteunende rol in dit proces via Agriterra.

  • Door de verdere professionalisering en privatisering van de zaaigoedsector en invoering van het kwekersrecht is de beschikbaarheid van verbeterd zaaigoed via het particuliere kanaal substantieel verbeterd.

In Uganda kunnen de volgende verbeteringen in het ondernemingsklimaat worden gemeld.

  • Met de oplevering van de 250 MW Bujagali Hydropower Plant, waarvan FMO de grootste financier was, zijn de onderbrekingen in de levering van elektriciteit drastisch verminderd.

  • Door de automatisering van het landregister en de actualisering van de gegevens hierin krijgen ondernemers duidelijkheid over landeigendom.

  • Invoerbelasting op landbouwmachines is afgeschaft, waarmee boeren en boerinnen betere toegang hebben tot deze belangrijke productiehulpmiddelen.

  • Door verbetering van plattelandswegen hebben boeren en boerinnen betere toegang tot de markt.

Vraag 36

Waarom is er € 58,7 mln. (ODA) meer uitgegeven aan voedselzekerheid dan begroot? Welke organisaties zijn hierbij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 36

De stijging van de uitgaven voor voedselzekerheid komt door versnelling van het GAFSP (Global Agriculture and Food Security Program) en een verhoging in de uitgaven ten behoeve van CGIAR (Consultative Group on International Agricultural Research). Daarnaast is het ASAP (Agriculture Smallholder Adaptation Programme) als nieuw programma gestart. Dit was ten tijde van de begroting nog niet bekend. Op de overige programma’s is per saldo iets minder uitgegeven dan geraamd.

Bedragen x EUR mln.

Begroting 2012

Realisatie 2012

Mutatie

GAFSP

25,0

53,4

28,4

CGIAR

12,0

26,4

14,4

ASAP

0

20,0

20,0

Overige programma’s

181,9

177,8

– 4,1

Totaal

218,9

277,6

58,7

Vraag 37

Op welke wijze wordt binnen de vier speerpunten veiligheid en rechtsorde, water, voedselzekerheid en seksuele gezondheid een rol geïncorporeerd voor milieu, goed bestuur en gelijke rechten en kansen voor vrouwen? Kunt u concrete voorbeelden geven over de wijze waarop u dit wilt aanpakken?

Antwoord 37

De aparte budgetten voor de thema’s milieu en goed bestuur worden versneld afgebouwd. Waar relevant blijft binnen de speerpuntenprogramma’s wel aandacht bestaan voor deze thema’s.

Vanwege het belang voor het realiseren van de klimaatdoelstellingen blijven milieuprogramma's die klimaatrelevant zijn belangrijk. Ik zal bijvoorbeeld programma’s blijven financieren die als doelstelling hebben bij te dragen aan CO2-reductie en die belangrijke co-benefits hebben op milieugebied. Tevens blijft duurzaam gebruik en beheer van ecosystemen in programma’s die relevant zijn voor de speerpunten water en voedselzekerheid uitgangspunt van mijn beleid. Dit zelfde geldt, daar waar zich dit voordoet, voor de overige speerpunten.

Goed bestuur blijft een belangrijk element in diverse programma’s binnen de speerpunten, met name binnen Veiligheid en Rechtsorde. Een recent voorbeeld hiervan is een project waarin Somaliland en Puntland worden ondersteund om hun regionale volksvertegenwoordiging weer op poten te zetten: naast materiele ondersteuning wordt training gegeven aan medewerkers en parlementariërs. Binnen het programma gericht op Private Sector Ontwikkeling vinden bijvoorbeeld technische assistentie programma’s plaats om sterkere economische instituties en wetgeving te krijgen en zo een beter functionerend goed economisch bestuur. Hierop wordt niet bezuinigd, maar geïntensiveerd, zoals op de terreinen: belasting, douane, landrechten, mededinging.

Binnen het kader van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde worden voorlopig (meerjarige) bijdragen aan enkele strategische partners op het terrein van goed bestuur voortgezet, dit betreft: Transparency International (TI), International Development of Law Organisation (IDLO), Institute for Democracy and Electoral Assistance (IDEA), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)-International en Netherlands Institute for MultiParty Democracy (NIMD) en Stichting SPARK.

De rechten van vrouwen en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (SRGR) staan centraal in mijn beleid. Ik heb hiertoe het speerpunt SRGR uitgebreid tot «gelijke rechten voor vrouwen en SRGR». Op de budgetten voor vrouwenrechten en SRGR wordt niet bezuinigd. De achtergrond van deze prioriteit is dat de rechten van vrouwen nog veel te vaak worden geschonden, en dat de Millenniumdoelen voor het terugdringen van moedersterfte en de universele toegang tot reproductieve gezondheidszorg nog niet zijn bereikt. En bovendien zijn vrouwen onmisbare actoren voor ontwikkeling. Nederland zet daarbij sterk in op eigenstandige projecten die de positie van vrouwen verbeteren, op onderwerpen als kindbruiden en seksueel geweld tegen vrouwen, maar ook binnen de speerpunten. Zo richt NL zich binnen de Veiligheid & Rechtsorde programma’s op de positieve rol die vrouwen kunnen spelen bij de beslechting van conflicten, bij wederopbouw en vredeshandhaving. Zo wordt de deelname van vrouwen aan vredesonderhandelingen en politieke processen in de MENA regio ondersteund. In Burundi en Afghanistan worden militairen en agenten getraind in zaken als ethiek en vrouwenrechten en steunt NL de opname van vrouwen in politie en leger. Daarnaast zet NL zich in Afghanistan in voor de verbetering van toegang tot het rechtssysteem voor vrouwen via de Bar Association. In DRC werkt NL samen met NGO’s op het gebied van gender justice, waarbij vrouwen begeleid worden bij aangifte van (seksueel) geweld en vervolg proces.

Vraag 38

Waarop baseert u het bedrag van € 100 miljoen aan investeringen in de watersector als gevolg van voorstellen van public private partnerships (PPP’s) op het gebied van waterproblematiek?

Antwoord 38

Voor de eerste «call for proposals» van het Fonds Duurzaam Water was in totaal EUR 50 miljoen aan subsidie beschikbaar. Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten partnerschappen zelf tussen de 50- en 60% van het totale programmabudget financieren. Dit zou een totale investering in de watersector opleveren van EUR 100 miljoen. Nu de beoordeling van de programma’s is afgerond blijkt dat er voor EUR 44 miljoen aan subsidie zal worden verstrekt en dat de hefboomwerking van het fonds EUR 46 miljoen aan financiering uit de sector oplevert. De totale investering in de watersector wordt daarmee EUR 90 miljoen.

Vraag 39

Waarom is er € 26.000 (ODA) meer uitgegeven aan internationalisering Nederlands bedrijfsleven dan vooraf begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 39

Dit betreft de contributie aan de FAO (Food and Agriculture Organization). Het verschil van € 26.000 is ontstaan door koersverschillen.

Vraag 40

Hoe staat het met de reeds in gang gezette uitfasering van OS-projecten in relatie tot de nieuwe bezuinigingen van het kabinet Rutte-Asscher? Blijft de inzet van het kabinet gericht op verantwoorde uitfasering?

Antwoord 40

De uitfasering van de bilaterale OS-programma’s verloopt op verantwoorde wijze. De inspanningen zijn gericht op de duurzame verankering van ontwikkelingsresultaten. Nederland werkt in overeenstemming met een aantal richtlijnen en aanbevelingen die internationaal worden gehanteerd om een uitfaseringsproces succesvol uit te voeren. Deze richtlijnen en aanbevelingen vloeiden voort uit een gezamenlijke evaluatie van Norad, Danida, Sida en het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar hulpbeëindiging en omvorming van een ontwikkelingshulp relatie naar niet-hulp relaties op basis van wederzijds belang (Kamerstuk 31 250, nr. 56, 3 april 2009). Factoren die van bepalende invloed zijn voor de succesvolle uitvoering van een uitfaseringsproces zijn:

  • Communicatie op hoog niveau;

  • Rekening houden met belanghebbenden;

  • Realistische tijdspaden;

  • Flexibiliteit in het toekennen van budgetten;

  • Respecteren van zowel juridische verplichtingen als gedane politieke toezeggingen; en

  • Institutionele capaciteit in het partnerland dient zodanig te zijn dat zij in staat is gaten op te vullen die het gevolg zijn van een uitfasering of transformatieproces.

In de Kamerbrief uitfasering bilaterale ontwikkeling samenwerking (Kamerstuk 32 605, nr. 59, 14 november 2011) is aangegeven dat bovenstaande factoren in hoge mate terugkomen in de exit-strategieën van de ambassades in voormalige partnerlanden. Ondanks de bezuinigingen neemt Nederland zijn verantwoordelijkheid door middelen zo te verdelen dat programma’s niet abrupt worden afgebroken. In de tweede helft van 2013 ontvangt de Kamer een vervolgbrief inzake de uitfasering van bilaterale ontwikkelingssamenwerking.

Vraag 41

Kunt u aangeven op welke manier en met welke resultaten Nederland in 2012 bijdroeg aan het halen van de Millenniumdoelen met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten?

Antwoord 41

In de Kamerbrief (kamerstuk 32 605 114) van 2 november 2012 zijn de voorlopige resultaten van de eerste negen maanden van 2012 gepresenteerd op het terrein van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Hierin is aangegeven dat op alle gezondheids-millenniumdoelen vooruitgang is geboekt. Momenteel worden op basis van voortgangsrapportages resultaatfiches opgesteld die inzicht geven, hoe en in welke mate Nederland in kalenderjaar 2012 bijgedragen heeft aan het bevorderen van SRGR. Deze resultaatfiches zullen voor de begrotingsbehandeling 2014 beschikbaar zijn.

Vraag 42

Waarom zijn nog niet alle programma’s met de partnerlanden volledig ontwikkeld? Om welke landen gaat het?

Antwoord 42

Eind 2011 hebben de posten in partnerlanden goedkeuring ontvangen voor de Meerjarige Strategische Plannen, waarvan de uitvoering op 1 januari 2012 is begonnen. Posten (en themadirecties) hebben de nieuwe strategieën vertaald naar activiteiten en sommige bestaande programma’s afgebouwd. Dit proces was in 2012 in volle gang. Het proces van identificatie, formulering, beoordeling, eventuele openbare aanbesteding en contractverlening kan geruime tijd in beslag nemen (oplopend tot 12 tot 18 maanden bij grotere activiteiten). Bovendien starten programma’s en projecten niet alle tegelijkertijd. De Kamer ontvangt voor de begrotingsbehandeling 2014 een voortgangsbrief over de resultaten in kalenderjaar 2012 en de onderliggende resultaatfiches van de speerpunten in alle partnerlanden worden openbaar gemaakt

Vraag 43

Hoe beoordeelt u de samenwerking tussen het Nederlandse postennet en de EDEO? Kunt u eventueel synergievoordeel kwantificeren?

Antwoord 43

Met de komst van de Europese Diplomatieke Dienst wordt er vooral meer samengewerkt op het terrein van gezamenlijke rapportages, zoals politieke analyses en mensenrechtenstrategieën. In tijden van krimpende bezetting van het Nederlandse postennet levert dat voordelen op. Individuele lidstaten schrijven in dergelijke gevallen geen nationale strategieën maar bepalen samen met de EU en andere lidstaten in derde landen welke strategie en welke activiteiten bijdragen aan verbetering van de situatie. Op deze wijze voorziet EDEO in een zeer beperkt deel van de taken van nationale diplomatieke diensten. Daar het vooralsnog veelal samenwerking betreft die per land en van geval tot geval verschilt, is het niet mogelijk het synergievoordeel te kwantificeren. Het kabinet beschouwt de EDEO als een belangrijk instrument om de Europese en de Nederlandse belangen mondiaal te bevorderen. De EDEO biedt, zoals ook door de Adviescommissie Modernisering Diplomatie geconstateerd, echter geen adequate vervanging van het postennet van de lidstaten. Daarvoor lopen de belangen tussen lidstaten veelal te zeer uiteen, met name op economisch vlak. In de loop van 2013 wordt de EDEO geëvalueerd. Het kabinet wenst een grotere buitenlandspolitieke en consulaire rol voor EDEO. Het draagvlak binnen de lidstaten hiervoor blijft echter beperkt.

Vraag 44

Kunt u een toelichting geven op de interne veiligheidssituatie in Irak, specifiek kijkend naar de invloed van de ontwikkelingen in buurland Syrië? Is er sprake van toenemende onveiligheid? Zo ja, heeft dat invloed op de terugkeer van Irakezen die in Nederland verblijven?

Antwoord 44

De afgelopen maanden laten een toename van het aantal aanslagen zien. Dit geldt vooral voor Bagdad, niet voor de Koerdistan Autonome Regio. Hoewel hierover niet met grote stelligheid uitspraken te doen zijn, kan in zeer algemene zin worden gesteld dat de soennitische minderheid in Irak, die zich achtergesteld voelt, zich gesterkt voelt door de strijd van de soennieten in Syrië.

Het is niet mogelijk een causaal verband te leggen tussen de licht teruggelopen vrijwillige terugkeer naar Irak en de veiligheidssituatie aldaar. Bij de beslissing over het al dan niet vrijwillig terugkeren naar Irak spelen immers allerlei factoren een rol. Ieder individu maakt een eigen afweging.

Vraag 45

Waarom is er € 2,9 mln. (ODA) meer uitgegeven aan versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 45

Dit bedrag van EUR 2,9 miljoen betreft de bijdrage aan het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (VMP) dat is verhoogd als gevolg van een aanpassing van het betalingsritme. De totale bijdrage aan het VMP is ongewijzigd.

Vraag 46

Waarom is er € 4,5 mln. (ODA) meer uitgegeven aan gelijke rechten en kansen voor vrouwen dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 46

De hogere uitgaven aan gelijke rechten en kansen voor vrouwen zijn als volgt tot stand gekomen:

  • EUR 3 miljoen extra aan Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW), op grond van het amendement nr 61 Hachchi/El Fassed (via een toekenning van EUR 3 miljoen aan het 5.3 budget de inzet voor gender versterken)

  • EUR 2 miljoen aan UNWOMEN

  • EUR 1 miljoen aan VN Trust Fund in Support of Actions to Eliminate Violence Against Women

  • Lagere uitgaven dan begroot op een aantal bilaterale programma’s, zoals Nicaragua (lagere liquiditeitsbehoefte), Egypte (i.v.m. de politieke situatie in het land) en Jemen (lagere liquiditeitsbehoefte), van in totaal EUR 1,5 miljoen minder dan begroot.

Per saldo is EUR 4,5 miljoen meer uitgegeven dan begroot.

Vraag 47

Waarom is er € 41,8 mln. (ODA) meer uitgegeven aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/Aids dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 47

De budgetverhoging op artikel 5.4 seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/aids is onder andere het gevolg van twee amendementen (nr 8 De Caluwé/Ferrier en nr. 25 Van der Staaij/Ferrier). De budgetverhoging is conform amendement aangewend voor het Opstapfonds voor sekswerkers (EUR 2 miljoen) en voor het nieuwe gestarte SRGR-fonds (EUR 8 miljoen). Daarnaast is er een budgetverhoging als gevolg van het uitgaveritme door ambassades in partnerlanden. Op basis van hun Meerjarige Strategische Plannen bleek een intensivering nodig in onder andere Ghana (+ EUR 5 miljoen), Mali (+ EUR 5 miljoen), het regionale Aids-programma in Zuidelijk Afrika (+ EUR 5 miljoen), Mozambique (+ EUR 2,5 miljoen), Benin (+ EUR 1,5 miljoen) en Bangladesh (+ EUR 1,1 miljoen). Ten slotte is door een aanpassing van het betaalritme de betaling aan het Health Insurance Fund met EUR 10 miljoen verhoogd.

Vraag 48

Waarom is er € 603.000 (ODA) meer uitgegeven aan wetenschappelijk onderwijs dan vooraf begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 48

Er is door OCW aan wetenschappelijk onderwijs EUR 605.000 meer uitgegeven in 2012 dan oorspronkelijk begroot vanwege de jaarlijkse toekenning van prijs- loon- en huisvestingsbijstellingen die door het ministerie van financiën worden bepaald op grond van inflatie- en prijsontwikkelingen.

Zoals aangegeven in onderstaande tabel, was er een totaal aan bijstellingen in 2012 van EUR 611.000 op de HGIS uitgaven via OCW, waarvan EUR 603.000 aan ODA middelen. De bijstellingen die verleend zijn aan UNU (totaal EUR 8.000) drukken niet op het ODA deel van de HGIS begroting.

Zie overzicht hieronder voor een uitsplitsing per organisatie (zie onder tabel voor lijst van afkortingen) en een overzicht tussen HGIS en specificatie ODA deel.

Lei: Leiden universiteit

ASC: Afrika Studiecentrum

EUR: Erasmus Universiteit Rotterdam

ISS: Institute of Social Studies

IHS: International Institute of urban management

TUD: Technische Universiteit Delft

IHE: Institute for Water Education

UT: Universiteit Twente

ITC: Faculty of Geo Information Science and Earth observation

OUNL: Open Universiteit Nederland

MSM: Maastricht School of Management

UNU: United Nations University

NUFFIC: Netherlands organization for cooperation in Higher education

Vraag 49

Heeft de korting op de ontwikkelingshulp aan Ghana effect gesorteerd? Om welk bedrag gaat het? En hoe verhoudt deze korting zich tot het gehele bedrag dat Ghana aan hulp krijgt? Werkt het land nu wel mee aan de terugkeer van eigen onderdanen?

Antwoord 49

Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over het effect van de korting op de ontwikkelingshulp aan Ghana. Het gaat om een korting van EUR 10 miljoen op het gezondheidsprogramma. Het totale budget van het meerjarenplan 2012–2015 bedraagt ruim EUR 170 miljoen. Zoals aan de Kamer toegezegd zal in juni mede namens Staatssecretaris Teeven een brief aan de Kamer worden gezonden inzake de medewerking van Ghana aan terugkeer.

Vraag 50

Hebben de bezuinigingen op het postennet effect gehad op het functioneren van posten in het Midden-Oosten of de Arabische regio? Zo ja, kunt u dat effect nader duiden?

Antwoord 50

De bezuinigingen treffen zowel het departement in Den Haag als het postennet wereldwijd. Door de maatregelen worden de mogelijkheden van ambassades om de bekende werkzaamheden uit te voeren beperkter. Er wordt getracht deze ontwikkeling te ondervangen met meer flexibele inzet op de prioriteiten van het Nederlands buitenlandbeleid.

Vraag 51

Kunt u het meningsverschil tussen de statenpartijen inzake het oprichtingsverdrag van European Air Transport Command (EATC) verder toelichten?

Antwoord 51

Er bestaat enig verschil van inzicht over de volkenrechtelijke status van de organisatie, en daarmee verband houdend, aan de organisatie en haar staf toe te kennen voorrechten en immuniteiten.

Vraag 52

Hoe beoordeelt u de kracht van het postennetwerk in China? Is dit toereikend met het oog op de toenemende importantie van China op het wereldtoneel?

Antwoord 52

Het toenemende belang van China in de wereld is evident. Nederland heeft baat bij een goede relatie met China. Een goede vertegenwoordiging ter plekke is daarbij cruciaal. Het postennet China is met een ambassade, drie CG’s en zes NBSO’s goed voorbereid op zijn taak. De opening van een nieuw Consulaat-generaal in Chongqing, West-China, is in voorbereiding. Het postennet werkt ook binnen China op steeds meer geïntegreerde wijze samen, hetgeen de slagkracht van de Nederlandse inzet ter plaatse vergroot. De economische dienstverlening van het postennet staat goed aangeschreven bij het bedrijfsleven. Dit blijkt o.a. uit de toekenning van de VNO-NCW/Fenedex prijs 2013 aan het CG Shanghai.

Vraag 53

Waarom is er € 50.000 (ODA) meer uitgegeven aan groen onderwijs van hoge kwaliteit dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 53

Het betreft een bijdrage die jaarlijks beschikbaar wordt gesteld aan ISRIC (International Soil Reference and Information Centre). Het ISRIC is een onderdeel van Wageningen UR (Samenwerkingsverband tussen Wageningen University en Stichting DLO). De organisatie beheert een wereldomvattend bodemarchief met nadruk op ontwikkelingslanden. Doel is het beschikbaar stellen van informatie opdat effecten van ingrepen op kwetsbare bodems (tijdig) kunnen worden meegenomen. De organisatie heeft in 2012 EUR 1.316.201 van Economische Zaken ontvangen. Het jaarverslag geeft aan dat het ODA gelabelde deel verhoogd is met EUR 50.000 (van EUR 1.148.000 naar EUR 1.198.000). De EUR 50.000 is door het voor ODA verantwoordelijke departement structureel toegevoegd om het ODA-gelabelde deel (meer) in overeenstemming te brengen met de bekostiging van ISRIC. Er is dus geen sprake van meeruitgaven maar van een technische correctie.

Vraag 54

Wanneer kan de Kamer de brief tegemoet zien met een uitwerking van de bezuinigingen van de regering Rutte-Asscher? In hoeverre zullen deze bezuinigingen invloed hebben op de lopende modernisering van de posten?

Antwoord 54

Over de bezuinigingen op hoofdlijnen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken zal uw Kamer per eind juni aanstaande worden geïnformeerd via de kamerbrief over modernisering van de diplomatie en het postennet. De nadere invulling zal daarna ter hand worden genomen.

Vraag 55

Bijna alle beleidsterreinen hebben minder gekost dan begroot. Betekent dit dat er standaard teveel begroot wordt en op welke wijze trekt de regering hier lering uit?

Antwoord 55

In 2012 is er totaal EUR 950 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De lagere realisatie is voor een groot deel te verklaren door een neerwaartse bijstelling van de Nederlandse afdrachten aan de EU (EUR 878 miljoen). Deze bijdragen worden vastgesteld op basis van het BNI. De neerwaartse bijstelling van het BNI en de Nederlandse afdrachten zijn het gevolg van een slechtere ontwikkeling van de Nederlandse economie dan in 2011 voorzien. Dit soort ontwikkelingen laten zich vooraf lastig ramen. Daarnaast is het ODA-budget afhankelijk van de BNP ontwikkeling. Een tegenvallend BNP betekent hierdoor lagere uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking.

Vraag 56

Waarom is er € 13.000 (ODA) meer uitgegeven aan weer, klimaat, seismologie en ruimtevaart dan vooraf begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 56

Dit bedrag is extra uitgegeven vanwege koersverschillen tussen de Euro en de Zwitserse frank omdat de World Meteorological Organisation is gevestigd in Genève.

Vraag 57

Waarom is er € 4,3 mln. (ODA) meer besteed aan het samen met (keten)partners reguleren van het personenverkeer dan begroot? Welke organisaties zijn hier bij betrokken geweest en hoeveel hebben deze organisaties precies ontvangen (gaarne per organisatie uitgesplitst)?

Antwoord 57

Dit betreft een verhoging van het budget Migratie en Ontwikkeling (MO), met name het budget voor het ondersteunen van de vrijwillige terugkeer van ex-asielzoekers (prioriteit 6 van het MO-beleid). De oorzaak is gelegen in een groter beroep op de Herintegratie Regeling Terugkeer (HRT) 2010–2012 dan in 2010 was begroot. Het jaarbudget migratie en ontwikkeling was EUR 9 miljoen, waarvan EUR 4 miljoen voor laatstgenoemde prioriteit. In 2012 is dit budget verhoogd tot in totaal EUR 13,3 miljoen waarvan EUR 6,8 miljoen voor vrijwillige terugkeer van ex-asielzoekers. De HRT eindigde op 30 september 2012. Vervolgens was extra budget nodig om dit project na die datum voort te zetten. De HRT wordt uitgevoerd door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Ook is EUR 0,2 miljoen verstrekt aan het IOM voor een terugkeerproject gericht op Marokko. Daarnaast is als onderdeel van het Kabinetsbeleid extra ingezet op versterking van beschermingscapaciteit in de regio van herkomst als onderdeel van de beleidsprioriteit institutionele ontwikkeling op het gebied van migratiemanagement. Het betreft met name een bijdrage van EUR 2,4 miljoen aan UNHCR voor de periode juni 2012 tot en met december 2013, waarvan EUR 1,3 miljoen in 2012 is betaald ter versterking van de protectiecapaciteit van overheid en niet gouvernementele organisaties in Jordanië voor de opvang en bescherming van Syrische en Iraakse vluchtelingen.

Vraag 59

Met welke kritische landen is Nederland de dialoog aangegaan ter verbreding van het draagvlak voor Responsibility to Protect en welke resultaten heeft deze dialoog opgeleverd?

Antwoord 59

Om de Responsibility to Protect (RtoP) als uitgangspunt van internationaal handelen te bestendigen, is het van belang de dialoog met kritische landen te blijven aangaan. Nederland is hierin een voortrekker als voorzitter van de Group of Friends on RtoP in New York. Ook nam Nederland in mei 2012 op ministerieel niveau deel aan een door Nederland geïnitieerd seminar in Brazilië over RtoP met de Braziliaanse minister van Buitenlandse Zaken, die kritisch is over militair ingrijpen in het kader van RtoP. Tijdens de openingsweek van de AVVN organiseerde opnieuw met Brazilië, maar ook met Botswana en Denemarken, een ministeriële ronde tafel over het preventieve aspect van RtoP. Landen uit alle regio’s waren aanwezig, inclusief kritische landen als Egypte. Onder meer door deze dialoog is het belang van RtoP verstevigd. De dialoog heeft daarnaast concreet geresulteerd in grotere (financiële) steun in VN-kader voor het kantoor van de Speciaal Adviseur RtoP en meer positief getinte interventies tijdens de jaarlijkse debatten in de AVVN over RtoP. Ook de VNVR onderstreepte in februari van dit jaar het belang van RtoP in een verklaring over de bescherming van burgers.

Vraag 60

Ligt het Nederlandse beleid met betrekking tot burgerbescherming op dezelfde lijn als de strategie die de VN heeft opgesteld en uitgewerkt?

Antwoord 60

Ja. Nederland deelt de strategie van de VN gericht op preventie, trainingen, betere datavergaring en het tegengaan van straffeloosheid. Nederland legt net als de VN de primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van de burgerbevolking bij de strijdende partijen. De internationale gemeenschap en Nederland dragen binnen de eigen mogelijkheden bij aan deze bescherming. Nederland zet, zoals uiteengezet in de notitie «Bescherming van burgers in gewapende conflicten» d.d. 10 juli 2012 in op vier beleidslijnen: conflictpreventie, tijdige en effectieve bescherming van burgers tijdens gewapende conflicten, strafrechtelijke verantwoording en wederopbouw. Net als de VN heeft ook NL zorgen over het gebruik van explosieve wapens in dichtbevolkte gebieden, geweld tegen journalisten en hulpverleners en de gepolitiseerde humanitaire toegang. Nederland roept alle partijen in gewapend conflict op om het humanitair oorlogsrecht, mensenrechten en vluchtelingenrecht na te leven en burgers te beschermen. Nederland draagt ook bij aan het tegengaan van straffeloosheid o.a. door daar waar mogelijk nationale opsporing en vervolging te bevorderen dan wel te bezien of andere mechanismen van (internationale) vervolging kunnen worden ingezet.

Vraag 61

Zal Nederland in 2013 actief blijven op het gebied van VN-begrotingshervormingen en zo ja, hoe bent u van plan de gewenste herzieningen te bewerkstelligen?

Antwoord 61

Nederland zal zich ook in 2013 inzetten voor een voorspelbaar, transparant en efficiënt begrotingsproces. Het is van groot belang dat het VN-begrotingsproces met de tijd mee gaat om het draagvlak en de legitimiteit van de VN te behouden. Nederland is op het gebied van VN-begrotingshervormingen actief in verschillende fora, zowel in EU-verband en met andere gelijkgezinden in de Vijfde Commissie (budgettaire en administratieve zaken) van de Algemene Vergadering van de VN als in de Genève Groep (zestien grote contribuanten aan de VN). Nederland zet zich daar in voor een overzichtelijke en sobere VN-begroting en ondersteunt de hervormingsvoorstellen van het VN-Secretariaat, waaronder de invoering van resultaatgericht begroten.

Vraag 62

Welke rol speelt het recht op abortus voor vrouwen tijdens gewapende conflicten binnen het Nederlandse beleid?

Antwoord 62

In het Nederlandse beleid hebben verkrachte vrouwen en meisjes in oorlogsgebieden recht op noodzakelijke medische zorg van goede kwaliteit, inclusief veilige afbreking van zwangerschappen. Dit standpunt zullen wij actief en consequent blijven uitdragen, in EU- en VN-verband en andere relevante fora. Op basis van het humanitair oorlogsrecht dienen slachtoffers van oorlogsgeweld, waaronder verkrachting, binnen de kortst mogelijke tijd en in de grootst mogelijke omvang de medische zorg te ontvangen die hun toestand vereist. Het humanitair oorlogsrecht voorziet niet specifiek in een recht op veilige abortus, maar abortus kan onder omstandigheden als noodzakelijke medische zorg worden beschouwd. Dit antwoord is conform de antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Sjoerdsma aan de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het recht op veilige abortus voor verkrachte vrouwen in oorlogsgebieden (ingezonden 5 maart 2013, met kenmerk 2013Z04231).

Vraag 63

Op welke termijn is het de bedoeling dat er een Nationaal Actieplan Mensenrechten en Bedrijfsleven ligt?

Antwoord 63

Het Nationaal Actieplan Ruggie vereist zorgvuldige nationale en internationale afstemming. Het kabinet stuurt daarom aan op afronding van het plan na het zomerreces.

Vraag 65

Kunt u voor wat betreft de versterking van de positie van vrouwen per initiatief aangegeven wat er is gedaan en welke resultaten er geboekt zijn?

Antwoord 65

Het FLOW-programma (Funding Leadership and Opportunities for Women) is wereldwijd het grootste fonds voor de empowerment van vrouwen. Onder dit programma wordt tussen 2012 en 2015 90 miljoen Euro besteed aan 34 vrouwenorganisaties en -netwerken die actief zijn in meer dan 100 landen. Met de voorganger van het FLOW-programma, het MDG3 Fonds, zijn interessante resultaten geboekt. Ik noem de totstandkoming van wetgeving ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, verbetering van arbeidsomstandigheden, landrechten voor vrouwen, weerbaarheid van meisjes en mentaliteitsverandering in de samenleving. Vrouwenorganisaties prijzen Nederland om zijn standvastige steun aan hun werk en zien in het FLOW-programma een mechanisme dat internationaal navolging verdient.

De 44 ondertekenaars van het tweede Nationaal Actieplan 1325 (NAP 1325) en hun tientallen lokale partnerorganisaties ontwikkelen initiatieven voor versterking van de positie van vrouwen in de turbulente context waarin zij actief zijn. Nederland stelt 16 miljoen Euro beschikbaar tussen 2012 en 2015. Er bestaat bij multilaterale organisaties (OESO, EU, VN, NAVO) en landen zoals de VS en de Nordics belangstelling voor de Nederlandse ervaring en kennis op dit gebied. Voor meer informatie over NAP 1325 verwijs ik u naar de Kamerbrief «Stand van zaken Nederlands Nationaal Actieplan 1325» van 13 februari 2013.

Via UN Women wordt de politieke empowerment en leiderschap van vrouwen in de Arabische regio gestimuleerd. Ook ondersteunen we programma’s in Marokko, Egypte, Tunesië en Libië om de positie van vrouwen te verbeteren. Op 8 maart 2013 lanceerde ik het programma Women on the Frontline dat zich richt op actieve participatie van vrouwen in politieke transitieprocessen. Het is nog te vroeg om aan te geven welke resultaten met dit programma geboekt zijn.

Via het Mensenrechtenfonds worden in een project in vijf landen in centraal en Oost-Afrika medische en juridische netwerken opgezet ter preventie en bestrijding van seksueel geweld. Tevens wordt de toegang tot het recht voor slachtoffers vergroot.

Op multilateraal niveau zet Nederland zich bijvoorbeeld in voor verbeterde samenwerking tussen verschillende VN-organisaties, staten en NGO’s op het gebied van bestrijding van geweld tegen vrouwen. De Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens wijdde er in de Mensenrechtenraad van juni 2013 een rapport aan. In 2012 presenteerde Nederland samen met Frankrijk de tweejaarlijkse resolutie over geweld tegen vrouwen in de Algemene Vergadering van de AVVN die met consensus werd aangenomen én Nederland steunde actief de resoluties tegen genitale verminking en fistels. Hiervoor wordt ook internationaal steeds meer steun gevonden mede dankzij pleitbezorging van Nederland.

Ook draagt Nederland bij aan het UN Trust Fund to Eliminate Violence Against Women en via organisaties bij wie rechten van vrouwen tot de kern van hun mandaat behoren, zoals UN Women, UNICEF en UNFPA. In vijf partnerlanden steunt Nederland programma’s voor de beëindiging van genitale verminking van meisjes. Dit doen wij ook via onze bijdragen aan de VN en aan een aantal MFS II allianties.

Tot slot blijven seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een onderdeel van de Nederlandse inspanningen. Nederland zet zich in voor het recht op een veilige zwangerschap en geboorte en voor het recht op de keuze of en wanneer vrouwen kinderen willen. Nederland speelde een hoofdrol in het streven naar publicatie van een tweede editie van de WHO-richtlijn Safe Abortion: technical and policy guidance for health systems en het hieraan wereldwijde bekendheid geven. Tijdens de VN Commission on Population and Development werd een resolutie aangenomen over het recht van jongeren om toegang te hebben tot voorbehoedsmiddelen naast goede informatie en dienstverlening met betrekking tot seksualiteit en reproductieve gezondheid. Nederland organiseerde in het voorjaar van 2012 twee conferenties in Den Haag met en voor sekswerkers waarin veel aandacht uitging naar mensenrechten. Na de zomer ontvangt de Tweede Kamer resultaatfiches die inzicht geven op welke wijze Nederland in 2012 heeft bijgedragen aan het bevorderen van SRGR (zie ook vraag 41).

Vraag 66

Kunt u toelichten wat een «geïntegreerde benadering van crisisbeheersing» inhoudt?

Antwoord 66

Veiligheid en stabiliteit zijn noodzakelijke voorwaarden voor ontwikkeling. In een groot aantal fragiele staten en conflictlanden kan of wil de staat de veiligheid niet garanderen en is een vorm van internationale interventie of ondersteuning nodig om de veiligheid en stabiliteit te herstellen. De complexe problematiek in crisisgebieden vraagt om interventies op het gebied van veiligheid, rechtsorde, opbouw van instituties en sociaaleconomische ontwikkeling.

Nederland hanteert een geïntegreerde benadering op het gebied van vrede en veiligheid, waaronder zowel conflictpreventie, crisisbeheersing en wederopbouw wordt verstaan. Uitgangspunt van deze geïntegreerde benadering is gelijktijdige en gecoördineerde inzet van instrumenten van defensie, diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, politie, justitie en handel. Daarbij gaat aandacht uit naar een goede overdracht van «acute» stabilisatie, met militaire inzet en via humanitaire steun, naar lange-termijn stabilisatie en wederopbouw met civiele middelen. Voor een effectieve aanpak van crises is het van belang dat Nederland per geval de optimale mix van instrumenten inzet, zoals: diplomatie en activiteiten in het politieke domein, inzet van de krijgsmacht en politie, bijdragen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, het stimuleren van economische activiteit en inzet op bestuurlijke terreinen, zoals de hervorming van rechtspraak. Nederland zet niet per definitie al deze instrumenten (tegelijkertijd) in. De Nederlandse inzet verschilt per situatie en is afhankelijk van de context, waarbij het leveren van meerwaarde en inbedding in een breder beleid uitgangspunten zijn.

Ook in de planning van inzet op vrede en veiligheid is een geïntegreerde benadering vereist. Een gezamenlijke interdepartementale analyse van de crisissituatie en de context is een belangrijke eerste stap. Op basis van deze analyse wordt een strategie bepaald t.a.v. het land of de regio en wordt besloten of Nederland een bijdrage levert. Indien Nederland gaat bijdragen, is een goede nulmeting van de situatie essentieel. Slechts op basis daarvan kan resultaat van de inzet worden gemeten en een exit-strategie voor overdracht aan lokale en/of internationale actoren worden geformuleerd. Na beëindiging van de Nederlandse inzet wordt deze geëvalueerd, zodat lessen kunnen worden geleerd en vertaald naar de praktijk.

Nederland werkt nauw samen met verschillende partners binnen en buiten de overheid, nationaal en internationaal, lokaal en regionaal en streeft daarbij naar complementariteit en coördinatie met multilaterale en bilaterale actoren. In de meeste gevallen is de verantwoordelijkheid voor een geïntegreerde aanpak belegd zijn bij een internationale organisatie (VN, EU, NAVO) en is onderlinge coördinatie en samenwerking tussen de deelnemende lidstaten van groot belang. Deze inbedding in internationaal verband kan betekenen dat Nederland «slechts» één instrument, in nauwe afstemming en coördinatie met andere partners, inzet.

Vraag 67

Naar welke gebieden, en wanneer, zijn er Nederlandse civiele experts uitgezonden om zo meer Nederlandse inbreng in de EU- en VN-structuren te verzekeren en welke resultaten hebben zij geboekt?

Antwoord 67

Nederland heeft gedurende 2012 met gemiddeld circa honderd civiele experts bijgedragen aan verschillende EU- en VN-missies op de Balkan, in het Midden-Oosten en in Afrika. Zo droeg Nederland bij aan o.a. EULEX Kosovo, EUPOL COPPS (Palestijnse Gebieden), EUJUST LEX Irak, UNMISS (Zuid-Sudan), het Somalia Stability Fund (Kenia/Somalië), MONUSCO Stabilisation Support Unit & Sexual Violence Unit (Democratische Republiek Congo)en de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor Sudan en Zuid-Sudan (EUSV). Naast inzet in civiele missies detacheerde Nederland ook civiele experts bij Europese instellingen, zoals de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO), VN instellingen, zoals het Department for Peacekeeping Operations (DPKO) en het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Het meten van resultaten van individuele civiele experts is niet eenvoudig en soms zelfs niet mogelijk, omdat zij doorgaans werken in een complexe omgeving en onderdeel uitmaken van een grotere internationale organisatie of inspanning, waarbij vele actoren betrokken zijn.

Met deze inzet van civiele experts heeft Nederland niet alleen een actieve bijdrage geleverd aan het behalen van doelstellingen op het terrein van vrede, veiligheid en ontwikkeling, maar ook effectief een aantal beleidsprioriteiten voor het voetlicht gebracht binnen de betreffende missies en organisaties. Zo heeft Nederland zich ingezet voor het formuleren van een aantal concrete doelstellingen voor UNMISS en het uitvoeren van een strategische review van EULEX Kosovo (zie ook de Tussentijdse evaluatie overige operaties 2012, bijlage bij Kamerstuk 29 521 nr. 208). Daarnaast heeft Nederland binnen een aantal missies actief ingezet op de integratie van mensenrechten en gender/VNVR 1325 (in het ontwerpen van missies, het uitvoeren van missietaken en in monitoring en evaluatie), een tweetal beleidsprioriteiten van Nederland. Met de participatie van experts in EU- en VN-structuren vergroot Nederland zijn internationale profiel op het gebied van vrede, veiligheid, ontwikkeling en rechtsorde.

Vraag 68

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangehouden vergunningaanvragen voor wapenexport naar Bahrein en Jemen?

Antwoord 68

Het beleid met betrekking tot wapenexport met eindbestemming Bahrein en Jemen is ongewijzigd. Uit navraag blijkt overigens dat de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU) toestemming heeft gegeven onderdelen naar Bahrein te exporteren voor de, in 1983 door Nederland geleverde, luchtafweerradarsystemen omdat het een nalevering betrof. Bij naleveringen vindt volgens de gebruikelijke procedures geen buitenlandspolitieke toetsing plaats. Echter, gezien het beleid om vergunningaanvragen met betrekking tot Bahrein aan te houden, had vergunningafgifte niet plaats mogen vinden. Inmiddels is de CDIU op de gang van zaken aangesproken.

Vraag 69

Waarom werd toetsing van wapenexportvergunningen voor Egypte, Saoedi-Arabië en Tunesië in de loop van 2012 hervat? Is de mensenrechtensituatie in die periode verbeterd, en/of de stabiliteit in de regio?

Antwoord 69

Zoals besproken tijdens het AO Wapenexport van 21 december 2012 worden aanvragen voor Egypte, Saoedi-Arabië en Tunesië weer in behandeling genomen. Door de ontwikkelingen in deze landen is er geen aanleiding meer vergunningaanvragen niet in behandeling te nemen. In dit kader verwijs ik naar de brief die ik uw Kamer hierover op 8 oktober 2012 heb gestuurd. Toetsing van aanvragen vindt plaats aan de hand van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt van de EU. Deze toetsing gebeurt met grote zorgvuldigheid, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met het risico dat de betreffende goederen ingezet kunnen worden bij eventuele mensenrechtenschendingen of interne conflicten.

Vraag 70

Op welke wijze heeft Nederland bijgedragen aan de uitvoering van het EU-actieplan ter bestrijding van terrorisme en het EU-actieplan om radicalisering en rekrutering tegen te gaan? Wat waren de resultaten van deze bijdrage?

Antwoord 70

Nederland neemt actief deel aan de EU-raadswerkgroepen inzake terrorisme. Binnen dit kader heeft Nederland een bijdrage geleverd aan het EU-actieplan inzake radicalisering en rekrutering. Nederland heeft destijds, op verzoek van de Europese Counter-Terrorism Coordinator (CTC), het initiatief genomen voor het stimuleren van de lokale aanpak van radicalisering en rekrutering. Dit was een samenwerkingsverband tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken, de NCTV, het ministerie van Binnenlandse Zaken en de AIVD. Enkele resultaten daarvan die ook terugkomen in het actieplan: technische assistentie ter bestrijding van terrorisme/radicalisering aan prioritaire landen, bijvoorbeeld programma’s voor het trainen van professionals. Politieke dialoog met derde landen in EU-kader en het mainstreamen van bestrijding terrorisme/radicalisering in externe overeenkomsten van de EU.

Vraag 71

Kan er een overzicht worden gegeven van de projecten die in Afrika en Azië werden gesteund gericht op het tegengaan van radicalisering en de versterking van capaciteit ter bestrijding van terrorisme?

Antwoord 71

Projecten die specifiek op Azië en op Afrika zijn gericht, zijn onder meer:

  • Een project in Indonesië (Role of Victims) om de stem te laten horen van slachtoffers van terrorisme. Het doel van deze campagnes met inzet van voormalige slachtoffers van terrorisme is terroristische aanslagen te voorkomen;

  • Een project van Search for Common Ground dat is gericht op het tegengaan en voorkomen van radicalisering in Islamitische pesantrens (Indonesische jeugdinternaten), door het ontwikkelen van onderwijs- en mediaprogramma’s voor radio en televisie gericht op jongeren. Doel is het stimuleren van religieuze tolerantie en begrip voor andersdenkenden.

  • Het Devolution Trust for Community Empowerment (DTCE) in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan, dat zich richt op de relatie tussen burgers en de politie. Doel van het project is een verbeterde relatie tussen politie en burgers, waarmee de veiligheid verbetert en radicalisering in Malakand wordt tegengegaan.

  • Het project «Radio Life Link Somalia» van Free Press Unlimited dat bijdraagt aan het tegengaan van radicalisering in Somalië door de ontwikkeling van verantwoordelijke journalistieke berichtgeving. Het «normaliseren» van de nieuwsvoorziening heeft een remmende werking op radicaliseringsprocessen, omdat gebalanceerde nieuwsvoorziening extremisme tegengaat.

  • Strengthening Rule of Law and Criminal Justice Capacity and Cooperation in North Africa dat gericht is op capaciteitsversterking van justitiële en opsporingsinstanties op het gebied van terrorismebestrijding;

  • Het International Crime in Africa Programme gericht op het versterken en trainen van strafrechtelijke instanties t.b.v. aan terrorisme gerelateerde zaken.

Daarnaast financiert Nederland instellingen en projecten gericht op voorkoming van radicalisering en de versterking van capaciteit op het gebied van bestrijding van terrorisme, die niet een specifieke regio op het oog hebben, maar die niettemin direct effect ressorteren in Afrika en Azië. Een voorbeeld hiervan is ICCT-The Hague dat verschillende activiteiten in Azië en Afrika uitvoert (Indonesië, Kenia en Nigeria).

Vraag 72

Welke criteria worden precies gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Benin?

Vraag 73

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Ethiopië?

Vraag 74

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Mali?

Vraag 75

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Mozambique?

Vraag 76

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Oeganda?

Vraag 77

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Rwanda?

Vraag 78

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Afghanistan?

Vraag 79

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Burundi?

Vraag 80

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Jemen?

Vraag 81

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Palestijnse Autoriteiten?

Vraag 82

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Zuid-Soedan?

Vraag 83

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Bangladesh?

Vraag 84

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Ghana?

Vraag 85

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Indonesië?

Vraag 86

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Kenia?

Vraag 87

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Colombia?

Vraag 88

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Vietnam?

Vraag 89

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan Zuid- Afrika?

Vraag 90

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan het programma Afrika Grote Meren?

Antwoord 72–90

In de Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk 32 605, nr. 2-18 maart 2011) zijn de uitgangspunten voor de landenkeuze toegelicht. Bij het selectieproces zijn de volgende gegevens betrokken:

  • Perspectief op het behalen van resultaten

  • Nederlandse meerwaarde, Nederlands belang

  • Inkomens- en armoedeniveau

  • Mogelijkheden om de vier speerpunten vorm te geven

  • Kansen voor Nederlandse vakdepartementen

  • De omvang van het bestaande hulpprogramma

  • Mate van goed bestuur, democratisering, naleving van mensenrechten en corruptiebestrijding

  • Mate waarin sluiting/omvorming OS-programma bijdraagt aan bezuinigingen op het postennet.

De uitkomst van het selectieproces vormt de lijst van landen die in aanmerking komen voor de status van partner- of transitieland. In de bijlage van de Focusbrief is de onderbouwing van de keuze voor de partner- en transitielanden gedetailleerd opgenomen. De Meerjarige Strategische Plannen 2012–2015 die de basis vormen voor de inhoudelijke vormgeving in activiteiten voor de partnerlanden, gingen de Tweede Kamer toe (Kamerstuk 32 605, nr. 69 – 20 februari 2012). De Tweede Kamer werd tevens geïnformeerd over de transitiefaciliteit in de transitielanden (Kamerstuk 32 605, nr. 66 – 26 januari 2012). Tot slot is in de nota «Wat de wereld verdient: Een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen uiteen gezet op welke wijze Nederland haar betrokkenheid in en met de partnerlanden en regionaal wil inzetten.

Vraag 91

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen stond in 2012 hoog op de agenda. Hoe gaat u IMVO in de toekomst verder uitwerken?

Antwoord 91

Op MVO werken wij aan een nadere uitwerking. U zult daarover worden geïnformeerd via een brief die wij nog voor de zomer aan uw Kamer willen zenden. Ook in het Nationaal Actieplan Mensenrechten en Bedrijfsleven zal nadere uitwerking van het beleid worden gegeven.

Vraag 92

Welke criteria worden gehanteerd voor het verstrekken van ontwikkelingshulp aan het Midden Amerika Programma (MAP)?

Antwoord 92

In de brief over regionale benadering binnen ontwikkelingssamenwerking van 17 november 2011 (Kamerstuknr. 32 605, nr. 62) hebben de minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aangegeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de regionale benadering in vier regio’s: Grote Meren, Hoorn van Afrika, Afghanistan-Pakistan en Midden Amerika. In het Meerjarige Strategische Plan voor het Midden Amerika Programma (MAP) 2012–2015 (Kamerstuk 32 605, nr. 75) staat dat het MAP zich richt op de thema’s veiligheid, rechtsorde en mensenrechten. Deze thema’s zijn gekozen omdat ze van groot belang voor de stabiliteit van Midden Amerika en noodzakelijk voor het bevorderen van handel en investeringen. Binnen de thema’s zijn programma’s geïdentificeerd die bijdragen aan verlaging van criminaliteit en geweld, verbeterde toegang tot justitie, afname straffeloosheid, een verbeterde veiligheidssituatie van mensenrechtenverdedigers en toename van respect voor mensenrechten van kwetsbare groepen. Daarnaast is in de nota «Wat de wereld verdient: Een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen uiteen gezet op welke wijze Nederland haar betrokkenheid in en met partnerlanden en regionaal wil inzetten.

Vraag 93

In 2012 heeft Nederland € 277.589 uitgegeven aan de nieuwe uitgavepost voedselzekerheid. Dit is € 58.682 meer dan begroot. Hoe verklaart u dit grote verschil?

Antwoord 93

De stijging van de uitgaven voor voedselzekerheid in 2012 kunnen worden verklaard door een versnelling van het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) en het nieuwe programma Micro and Small Enterprise Fund plus (MASSIF+). Daarnaast betreft het een verhoging in de uitgaven ten behoeve van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) en Association of Small African Projects (ASAP). Daartegenover staat een lagere realisatie op de centrale voedselzekerheid programma’s door een lagere liquiditeitsbehoefte bij een aantal uitvoerders dan voorzien. Ook zijn de realisaties van publiek private partnerschappen iets lager uitgevallen dan begroot.

Vraag 94

Welke financiële en personele middelen stelt u concreet beschikbaar voor het realiseren van de operationele doelstellingen onder beleidsartikel 5, «Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling»? Kan per beleidsonderdeel worden aangegeven welke middelen worden vrijgemaakt?

Antwoord 94

In 2012 is er totaal EUR 1,1 miljard aan uitgaven aan beleidsartikel «toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling» gerealiseerd. De verdeling van deze uitgaven per beleidsonderdeel is toegelicht in de onderstaande tabel. De personele middelen worden – conform Verantwoord Begroten – niet toegerekend aan operationele doelstellingen, maar in totaal geraamd op het apparaatsartikel 11.

Beleidsartikel 5 – Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling (EUR x 1.000)

Realisatie 2012

5.1

Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten

234.985

5.2

Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden

476.685

5.3

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

43.508

5.4

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van hiv/aids

377.004

     

Programma-uitgaven totaal

1.132.182

Vraag 95

Onder Beleidsartikel 5 staat in de tabel onder 5.4 dat voor SRGR € 377 miljoen is gerealiseerd. Hoe verhoudt dit bedrag zich tot de in de brief «Begrotingsbehandeling OS – toelichting SRGR en Gender» van 22 november 2011 teruggedraaide verlaging op artikel 5.4 van € 35 miljoen en de additionele € 8 miljoen van het amendement De Caluwé en Ferrier (33 000-V, nr. 32)? Waaraan is de additionele € 8 miljoen van het genoemde amendement besteed?

Antwoord 95

In de brief (22 november 2011) staat dat BZ werd geconfronteerd met een neerwaartse BNP-bijstelling van structureel ruim EUR 100 miljoen. De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken heeft er toen voor gekozen om een deel van die korting, nl. EUR 35 miljoen, ten laste te brengen van artikel 5.4. Het was daarbij niet de bedoeling om dit artikel structureel of onevenredig te korten. Zoals de brief aangeeft werd de korting als het ware geparkeerd in de begroting, om later – op basis van de plannen van de ambassades en directies- te kunnen besluiten over de daadwerkelijke invulling hiervan. Uiteindelijk is de korting van EUR 35 miljoen op SRGR per saldo ongedaan gemaakt. Er is namelijk EUR 35 miljoen extra beschikbaar gesteld voor SRGR in het kalenderjaar 2011. Dit is niet zichtbaar op de begroting van 2012 en daarom bleef het beschikbare budget in de MvT 2012 hetzelfde: EUR 337 mln. Gedurende 2012 is het budget o.a. ten gevolge van aangenomen amendementen verhoogd tot EUR 377 miljoen. De additionele EUR 8 miljoen van dit amendement is ingezet voor het SRGR-fonds.

Vraag 96

Welke financiële en personele middelen stelt u concreet beschikbaar voor het realiseren van de operationele doelstellingen, onder beleidsartikel 6, «Beter beschermd en verbeterd milieu»? Kan per beleidsonderdeel worden aangegeven welke middelen worden vrijgemaakt?

Antwoord 96

In 2012 is er totaal EUR 362,2 miljoen aan uitgaven aan beleidsartikel «Beter beschermd en verbeterd milieu» gerealiseerd. De verdeling van deze uitgaven per beleidsonderdeel is toegelicht in de onderstaande tabel. De personele middelen worden – conform Verantwoord Begroten – niet toegerekend aan operationele doelstellingen, maar in totaal geraamd op het apparaatsartikel 11.

Beleidsartikel 6 – Duurzaam water- en milieubeheer (EUR x 1.000)

Realisatie 2012

6.1

Duurzaam milieugebruik wereldwijd

222.386

6.2

Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta's en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden/partnerlanden

139.785

     

Programma-uitgaven totaal

362.171

Vraag 97

Kunt u toelichten hoe het beheer van snel groeiende programma’s op het gebied van hernieuwbare energie in 2013 zal worden versterkt?

Antwoord 97

We zien de snelle groei van een aantal hernieuwbare energie programma’s als erkenning dat andere donoren de Nederlandse inzet volgen. Goede voorbeelden zijn het EnDev programma en SREP programma:

  • Het EnDev programma is door Nederland in partnerschap met Duitsland opgezet in 2004. EnDev is in 2011 en 2012 snel gegroeid door toetreding van vier nieuwe donoren (Noorwegen, VK, Zwitserland, Australië). De beheersraad van EnDev is daardoor uitgebreid van twee naar zes donorlanden. EnDev werkt nu in 24 uitvoeringslanden. EnDev maakt gebruik van het systeem voor inhoudelijk en financieel beheer van het Duitse GIZ. Projecten worden bovendien intensief gemonitord, waarbij GIZ samenwerkt met AgentschapNL, en regelmatig extern geëvalueerd. Door de groei is het nodig geworden om het strategisch beheer te versterken. Daartoe gaat EnDev de strategische inzet van het programma vastleggen in meerjarige strategische business plannen. De jaarplannen krijgen een systematische beoordeling door externe experts, voordat ze ter goedkeuring naar de EnDev beheersraad worden gestuurd.

  • Het Scaling-up Renewable Energy Programme (SREP) is onderdeel van de Climate Investment Funds (CIF) dat als multi-donor programma uitgevoerd wordt door de multilaterale ontwikkelingsbanken. Alle SREP financieringen maken gebruik van de inhoudelijke en financiële beheerssystemen van de Wereldbank en de multilaterale ontwikkelingsbanken. Bovendien heeft SREP een eigen beheersraad, samengesteld uit donorlanden en ontvangende landen voor strategisch beheer van het programma. Nu het programma sterk groeit, is het van belang om de ontwikkeling van SREP projecten beter af te stemmen op de beschikbare fondsen. Het beheer van SREP wordt daartoe versterkt door een actief «pipeline management» in te voeren (waarin het programma prioriteit geeft aan projecten die voldoende ontwikkeld zijn om op korte termijn financiering te ontvangen).

Vraag 98

Welk bedrag is er gemoeid met de financiële steun aan ontwikkelingslanden om de 20 Aichi-doelen voor 2020 te realiseren?

Antwoord 98

Nederland blijft bijdragen aan internationale biodiversiteit via de Global Environment Facility (GEF). Deze bijdrage is niet geoormerkt, maar met behulp hiervan worden verschillende projecten gefinancierd die gericht zijn op het behoud van biodiversiteit, klimaatadaptatie en -mitigatie, internationale wateren, landherstel, het opzetten van nationale actieplannen (in ontwikkelingslanden). Een deel van de projecten is gericht op de realisatie van de Aichi doelen en andere milieugerelateerde programma’s wereldwijd. Voor de periode 2010–2014 draagt ons land bijna 83 miljoen euro bij aan de GEF. Tijdens de 11de Conferentie on Biodiversity (CBD) in Hyderabad is een voorlopige doelstelling overeengekomen om te komen tot een mondiale verdubbeling van de (internationale aan biodiversiteit gerelateerde) financiële stromen richting OS-landen uit alle beschikbare bronnen. De Europese Unie heeft in Hyderabad aangegeven deze committering als regio op zich te zullen nemen.

Vraag 99

Kunt u een overzicht geven van de kosten voor consulaire dienstverlening in 2012 aan burgers? Hoeveel van deze kosten zijn doorberekend aan burgers?

Antwoord 99

Consulaire dienstverlening aan de Nederlandse burger bestaat uit een breed palet van activiteiten. Belangrijkste voorbeelden zijn het verlenen van (acute) consulaire bijstand aan Nederlanders die in het buitenland in een noodsituatie verkeren en het verstrekken van reisdocumenten aan Nederlanders in het buitenland. Aan de Nederlandse burger worden alleen de kosten voor de verstrekking van reisdocumenten in het buitenland gedeeltelijk doorberekend. De kosten van deze dienstverlening bedragen op jaarbasis circa EUR 20 miljoen. De ontvangen leges voor reisdocumenten, die in 2012 op de Nederlandse Vertegenwoordigingen in het buitenland zijn afgegeven, bedragen circa EUR 11 miljoen. Over mijn voornemen de leges op een kostendekkend niveau vast te stellen, heb ik u in mijn brief van 30 oktober 2012 geïnformeerd. Daarnaast worden in beginsel de kosten van consulaire bijstand doorberekend, behalve in schrijnende gevallen.

Vraag 100

Kunt u een overzicht geven van de kosten voor consulaire dienstverlening in 2012 aan bedrijven? Hoeveel van deze kosten zijn doorberekend aan bedrijven?

Antwoord 100

Nee. Consulaire producten en diensten worden vanuit hun aard uitsluitend verstrekt aan burgers en niet aan bedrijven.

Vraag 101

In hoeveel landen werkt Nederland nu met andere landen samen voor consulaire dienstverlening en in hoeveel landen levert Nederland zelfstandig consulaire dienstverlening en op basis van welke criteria wordt er gekozen voor samenwerking dan wel zelfstandige dienstverlening?

Antwoord 101

Nederland werkt op diverse manieren samen met andere landen op het gebied van consulaire dienstverlening. Zo wordt door middel van visumvertegenwoordiging met andere Schengenlanden samengewerkt, waarbij deze landen op bepaalde locaties voor elkaar (in vertegenwoordiging) visa afgeven. Nederland wordt in 79 landen vertegenwoordigd door een ander Schengenland. In 52 van deze landen heeft Nederland géén ambassade (meer). Nederland vertegenwoordigt op zijn beurt in 35 landen één of meer Schengenlanden.

Nederland zet zich overigens voortdurend in om binnen het kader van de EDEO te komen tot meer en verdergaande samenwerking op consulair terrein. Gezien het momenteel geringe animo hiervoor bij de overige deelnemende landen vallen op korte termijn waarschijnlijk geen belangrijke resultaten te verwachten. Ook overlegt Nederland in Benelux-verband regelmatig met de Baltische staten over mogelijke consulaire samenwerking, en neemt Nederland deel aan een Canadees initiatief waarin een twintigtal landen informatie uitwisselen over het optimaliseren van de consulaire dienstverlening.

Vraag 102

Kan concreet worden aangegeven hoeveel geld er voor elke taak, economisch, cultureel, etc. van het postennetwerk beschikbaar is?

Antwoord 102

Uitgaven per beleidsthema zijn niet exact toe te wijzen aan het departement of het postennet. Dit komt omdat een aantal budgetten centraal wordt beheerd, maar de besteding hiervan wordt gedaan door het postennet en het departement. In de begroting wordt op basis van een inventarisatie naar de thematische invulling van de personele inzet op de post een schatting gemaakt van de kosten van het postennetwerk op een aantal terreinen. Deze schatting betreft zodoende de apparaatskosten (personeel en materieel) per thema. De verdeling van de apparaatskosten zoals opgenomen in de begroting 2012 is hieronder weergegeven.

Verdeling apparaatskosten postennet EUR 504 mln

Verdeling apparaatskosten postennet EUR 504 mln

Vraag 103

Waarom is de realisatie van het niet-beleidsartikel 9 vergeleken met voorgaande jaren zo hoog?

Antwoord 103

Op de besteding van de geheime uitgaven onder artikel 9 kan gezien het karakter van dit artikel niet worden ingegaan.

Vraag 104

Hoeveel fte zullen er op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag verdwijnen als gevolg van de bezuinigingen? Hoeveel fte betreft het op het postennetwerk?

Antwoord 104

Over de bezuinigingen op hoofdlijnen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken zal uw Kamer worden geïnformeerd via de kamerbrief over modernisering van de diplomatie en het postennet. De nadere invulling zal daarna ter hand worden genomen, waarbij de personeelsmatige consequenties scherper in beeld zullen komen.

Vraag 105

Wat zijn de gevolgen van het inkrimpen van het postennetwerken en de daarmee samenhangende bezuinigingen, voor het «Klasje» van het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zullen er in de toekomst minder mensen worden geworven?

Antwoord 105

Naar verwachting zullen ook de komende jaren jaarlijks ongeveer 20 startende beleidsmedewerkers voor het zogenaamde «klasje» geworven worden.

Vraag 106

Waarom kan de werkelijke fout bij artikel 1 «Versterkte rechtsorde en eerbieding van mensenrechten» niet doelmatig en met zekerheid worden vastgesteld? Welke fout betreft het en wat zijn de financiële gevolgen van deze fout?

Antwoord 106

De bepaling van de fout op artikel 1 is gebaseerd op een steekproef. Deze steekproef is zo getrokken dat voldoende informatie wordt verkregen voor een accountantsverklaring bij de jaarrekening van BZ als geheel. Uit de evaluatie van de accountantscontrole die achteraf is uitgevoerd blijkt ook dat meer dan genoeg zekerheid is verkregen voor de accountantsverklaring bij de jaarrekening als geheel. De auditdienst geeft geen verklaring per artikel. De werkelijke fout bepalen voor artikel 1 apart zou een dermate grote uitbreiding van de steekproef betekenen dat dit niet meer doelmatig is in het kader van de accountantscontrole. Deze problematiek doet zich voor als zich fouten voordoen in artikelen die ten opzichte van het totaal van de begroting relatief klein zijn.

Vraag 107

Bij welke posten wordt er al wel gebruik gemaakt van de RSO en bij welke posten nog niet? Wat zijn de gevolgen van deze versnippering voor effectiviteit van de interne organisatie van het postennetwerk en voor de financiën van de posten?

Antwoord 107

Op de meeste posten (80 procent) wordt al gebruik gemaakt van de RSO. Op een enkele uitzondering na zullen alle posten eind 2013 worden ondersteund door een RSO. De laatste posten volgen begin 2014. De gefaseerde invoer heeft tot doel om de overname van werkzaamheden goed voor te bereiden. Dit gaat niet ten koste van de effectiviteit van de interne organisatie en de financiën van de posten maar komt de kwaliteit en de continuïteit van de werkprocessen ten goede. Door het effectiever en efficiënter organiseren van de bedrijfsvoering nemen de RSO’s werklast van de posten weg.

Vraag 108

Waarom is er in het licht van economische diplomatie voor gekozen om de RSO’s in China en Azië samen te voegen?

Antwoord 108

De samenvoeging van de RSO’s China en Azië heeft te maken met het realiseren van voldoende schaalgrootte om optimaal van de voordelen van regionalisering te kunnen profiteren. Het onderwerp van regionalisering is de uitvoering van backoffice taken op het gebied van de bedrijfsvoering en de consulaire dienstverlening en raakt niet de economische diplomatie, wat een kerntaak van de betreffende posten is.

Vraag 109

Wat zijn de kosten van de complexiteit, onvoldoende toegankelijkheid en versnippering van het instrumentarium ter ondersteuning van de uitvoering van de informatiebeveiliging? Wanneer verwacht u hier een structurele oplossing voor te hebben?

Antwoord 109

De uitvoering van de informatiebeveiliging is vormgegeven via de bestaande kantoorautomatisering. Door processen nader op elkaar af stemmen en de regie hierop in te richten wordt een optimalisatie gerealiseerd. De structurele oplossing is beoogd ultimo 2013.