Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532851 nr. 17

32 851 Grensoverschrijdende samenwerking (GROS)

Nr. 17 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 februari 2015

In het kader van goed nabuurschap werkt de Nederlandse overheid intensief samen met Duitsland en België om grensoverschrijdende kansen te benutten, belemmeringen te identificeren, waar mogelijk weg te nemen en te voorkomen dat nieuwe belemmeringen ontstaan. De grensoverschrijdende samenwerking vindt op verschillende terreinen plaats, zoals arbeidsmarkt, onderwijs, openbaar vervoer, infrastructuur, rampenbestrijding, natuurbescherming, culturele uitwisseling en recreatie. Mijn ambtsvoorganger heeft de Tweede Kamer in oktober 2012 bericht1 over de stand van zaken van de grensoverschrijdende samenwerking. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken (BZ) en in goed overleg met de Commissarissen van de Koning van de provincies aan de landsgrenzen, informeer ik u in deze brief over de voortgang sindsdien. Met deze brief ga ik ook in op de toezegging die ik tijdens de begrotingsbehandeling voor het jaar 2015 in de Tweede Kamer heb gedaan ten aanzien van de grenseffectentoets2 en op het wegnemen van de belemmeringen van grensoverschrijdende arbeid, zoals dat verzocht is door de vaste commissie voor Europese Zaken in de Eerste Kamer d.d. 24 september 2014.

Samen met de Minister van BZ coördineer ik de grensoverschrijdende samenwerking. De Minister van BZ onderhoudt de relaties via zijn postennetwerk. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) onderhoudt contacten met grensregio’s in Nederland. Gezamenlijk onderhouden wij contacten met de Duitse länder aan de grens en de Vlaamse en Waalse gewesten, zodat de door hen gesignaleerde problemen en oplossingen met de ministeries in Den Haag gedeeld kunnen worden. Tevens bewaakt mijn ministerie de voortgang op de met Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen vastgelegde actielijsten. Het doel van deze actielijsten is primair de bevordering van economische ontwikkeling en daarmee ook de werkgelegenheid in de grensregio’s. In deze voortgangsbrief wordt de stand van zaken geschetst van alle actiepunten.

Samenwerking met Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen

In het kabinetsstandpunt over GROS uit juli 20113 zijn lijsten met actiepunten met de buurlanden aangekondigd. Met Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen zijn deze actielijsten vastgesteld4. De voorwaarden voor de actiepunten zijn dat ze voor het gehele grensgebied relevant zijn of als voorbeeldfunctie dienen. Tevens is er steun van het rijk c.q. de deelstaat/ het gewest nodig om ze aan te pakken. Tenslotte moet op de actiepunten binnen 2 à 2,5 jaar aantoonbare vooruitgang geboekt zijn. Er is op de actiepunten veel vooruitgang geboekt. De stand van zaken is hieronder per regio samengevat en staat meer gedetailleerd in de bijlagen vermeld5.

Vlaanderen

In oktober 2012 hebben Nederland en Vlaanderen de gezamenlijke actielijst vastgesteld. De actiepunten behelzen de diploma-erkenning van hoger opgeleiden, het uitwisselen van curricula vitae van werkzoekenden bovenop de al bestaande uitwisseling van vacatures, het overeenkomen van een tramverbinding tussen Maastricht en Hasselt, afstemming bij implementatie van EU-richtlijnen en afstemming voor het nieuwe Interreg-programma Vlaanderen-Nederland. Op alle actiepunten is vooruitgang geboekt danwel zijn deze afgerond. De grensoverschrijdende samenwerking met Vlaanderen omvat meer dan het formuleren en afhandelen van actiepunten. Enkele voorbeelden zijn het inzetten van boventallige leraren uit Zeeland in Vlaanderen, het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit en het opstarten en uitvoeren van concrete samenwerkingsprojecten rond haven en economie, mobiliteit, natuur en recreatie. Tijdens de Vlaams-Nederlandse regeringstop (8 oktober 2013) in Maastricht zijn de aanbevelingen van de Denkgroep Vlaanderen-Nederland gericht op intensivering van de economische samenwerking op strategisch niveau bekrachtigd o.a. op een gezamenlijke toekomstgerichte chemiestrategie6. Nederland en Vlaanderen hebben afgesproken een nieuwe actielijst op te stellen voor de komende termijn.

Ook voor de toekomst zetten Vlaanderen en Nederland in op een stevige samenwerking, waarbij het bedrijfsleven en de lokale overheden gestimuleerd worden om gebruik te maken van de bestaande fondsen voor grensoverschrijdende samenwerking al dan niet door middel van het oprichten van grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden.

Noordrijn-Westfalen

Tussen Nederland en Noordrijn-Westfalen is in 2013 een actielijst vastgesteld. De actielijst omvat 12 punten op diverse thema’s. De voornaamste resultaten hebben betrekking op grensoverschrijdende vervoersconcessies, het verankeren van het Bureau voor Euregionale Samenwerking (BES), het verbeteren van de informatievoorziening voor grensarbeiders en het intensiveren van wederzijdse informatie-uitwisseling m.b.t. grensoverschrijdende mesttransporten, erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties, rampenbestrijding en crisisbeheersing.

Nedersaksen

Tussen Nederland en Nedersaksen zijn in 2014 in de gezamenlijke actielijst 10 thema’s geïdentificeerd met in totaal 24 actiepunten. De thema’s zijn vergelijkbaar met de thema’s die met Noordrijn-Westfalen zijn vastgelegd. Ook met Nedersaksen kan worden geconcludeerd dat veel van de actiepunten zijn afgedaan, danwel dat er vooruitgang is geboekt, bijvoorbeeld op het terrein van gezondheidszorg (m.n. ziekenhuis hygiëne), het beheer van het Eems-Dollard estuarium en grensoverschrijdende (rail)infrastructuur. Tussen Nederland en de deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen spelen ook andere grensoverschrijdende onderwerpen naast hetgeen in de actielijsten staat vermeld, zoals energie en watermanagement.

Met zowel Nedersaksen als Noordrijn-Westfalen worden de mogelijkheden verkend om de systematiek van de actielijsten te continueren. Ik zal daartoe aan Nederlandse zijde de betrokken overheidsorganisaties verzoeken concrete belemmeringen of kansen te benoemen die daarvoor in aanmerking komen. Het streven is om in 2015 nieuwe actielijsten met de twee Duitse deelstaten vast te stellen.

Grensoverschrijdende arbeidsmarkt

De afgelopen periode heeft het onderwerp grensarbeid binnen de grensoverschrijdende samenwerking veel aandacht gekregen. Dat wordt gevoed doordat grensregio’s in Nederland veelal met een hoge werkloosheid kampen in vergelijking met grensregio’s in de buurlanden. Over het wegnemen van een aantal praktische belemmeringen bij grensoverschrijdende arbeid is door dhr. Bruls in 2013 een advies uitgebracht, waar het kabinet in juni 2014 een reactie op heeft gegeven. Tevens heeft in december 2013 een conferentie over dit thema plaatsgevonden. Ook is grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit een prioritair onderwerp van het Nederlands voorzitterschap van de Benelux geweest en is het een belangrijk thema in de eerder genoemde actielijsten met de buurlanden. Het valt op dat tussen deze initiatieven veel overlap zit in de aanbevelingen en voorstellen die worden gedaan. Dat bevestigt dat de juiste problemen en kansen zijn gesignaleerd en nu ook worden aangepakt. De aandacht voor dit thema heeft er toe geleid dat de volgende resultaten zijn bereikt:

  • verbeterde (nationale en internationale) informatievoorziening voor (potentiële) grensarbeiders over gevolgen van werken of wonen over de grens;

  • verbeterde (digitale) toegang tot vacatures voor grensoverschrijdende werkzoekenden en toegang tot CV’s voor buitenlandse werkgevers;

  • betere informatie voor Duitse werkgevers over beroepskwalificaties en competenties van Nederlandse werkzoekenden met een MBO, HBO of WO-diploma;

  • diploma-erkenning voor academici tussen Vlaanderen en Nederland.

Daarmee zijn we er zeker nog niet. De komende jaren wordt verder gewerkt om de arbeidsmarkten met onze buurlanden beter op elkaar aan te laten sluiten. Indien onderwerpen op Europees niveau worden opgepakt, dan wordt hierbij aangesloten, zoals de uitwisseling van vacatures en CV’s binnen EURES.

Conferentie

Op 16 december 2013 hebben de Ministeries van BZK en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) samen met de provincie Limburg de conferentie grensoverschrijdende arbeidsmarkt georganiseerd. Uit deze conferentie zijn negen concrete voorstellen voor verbetering van grensoverschrijdende arbeid naar voren gekomen. Deze hebben betrekking op de thema’s werkgeverskansen, informatievoorziening, erkenning van diploma’s en beroepskwalificaties en grensoverschrijdende samenwerking beroepsonderwijs. Op de voorstellen is vooruitgang geboekt, zo heeft het Secretariaat-Generaal van de Benelux voor informatie over erkenning van diploma’s een digitale wegwijzer voor het vinden van de meest relevante informatie voor grensarbeid opgericht (http://startpuntgrensarbeid.benelux.int/nl/). Een gedetailleerd overzicht van de stand van zaken van alle voorstellen is terug te vinden in de bijlage.

Advies grensarbeid

De onderwerpen uit het advies van dhr. Bruls over het wegnemen van een aantal praktische belemmeringen van grensoverschrijdende arbeid komen grotendeels overeen met de thema’s die op de arbeidsmarktconferentie terug zijn gekomen. De aanbevelingen uit het advies Bruls en de voorstellen naar aanleiding van de arbeidsmarktconferentie zullen in het kader van de grensoverschrijdende samenwerking gemonitord worden.

Benelux

Grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit was naast logistiek en fraudebestrijding één van de speerpunten van het Nederlandse Benelux-voorzitterschap in 2014. Op al deze punten is dit jaar belangrijke vooruitgang geboekt. Bij de start van dit voorzitterschap, op 20 februari 2014, ondertekenden Nederland, België en Luxemburg in Den Haag een nieuw Benelux-Verdrag over grensoverschrijdende en inter-territoriale samenwerking. Het nieuwe verdrag biedt overheden en publieke instellingen aan weerszijde van de grens de mogelijkheid om in alle rechtszekerheid samen te werken. De Benelux-landen zijn zo een voortrekker bij het promoten van grensoverschrijdende samenwerking. Bovendien zijn de verdragsbepalingen meer uitgewerkt dan de Europese regelgeving op dit onderwerp. Overheden en andere instanties in de Benelux kunnen namelijk grensoverschrijdend op meer terreinen projecten starten, die bovendien doorgaans dichter bij de burger liggen (cultuur, gezondheidszorg, veiligheid, etc.) en ze kunnen zelf de rechtsvorm van hun samenwerking kiezen. Verder is het verdrag vernieuwend omdat ook met Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk kan worden samengewerkt.

Voor arbeidsmobiliteit is een web portaal voor grensarbeiders gecreëerd en het Secretariaat-Generaal van de Benelux heeft in 2014 brede consultaties gehouden met betrokken ministeries, lokale overheden, arbeidsbemiddelingdiensten, grensregio’s en sociale partners. Het resultaat is de nota van het secretariaat-generaal van de Benelux: «Banen door mobiliteit over de grens». Hierin wordt geconcludeerd dat de Benelux samenwerking op drie domeinen een meerwaarde biedt voor een grensoverschrijdend arbeidsmarktbeleid, namelijk de wederzijdse erkenning van academische diploma’s, informatievoorziening aan grensarbeiders en ondernemingen, en het komen tot Benelux-brede arbeidsmarktdata en trendrapportages. Een intentieverklaring in de vorm van een Benelux-aanbeveling door het Comité van Ministers is op 11 december 2014 ondertekend. Voorts zijn maatregelen genomen voor een beter grensoverschrijdend wegverkeer (45-voets containers, inspectiediensten) en een gezamenlijke bestrijding van alle vormen van fraude (bv. acquisitiefraude) en sociale dumping.

Bevolkingsdaling

De regio’s in Nederland waar bevolkingsdaling het grootst is, bevinden zich aan de grens. Eén van de redenen voor de bevolkingsdaling in deze regio’s is de afnemende vraag naar arbeid. Om de mogelijkheden naar een grotere vraag te onderzoeken, heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst zogenaamde «Kansenatlassen» voor zeven grensregio’s op laten stellen. De atlassen geven inzicht in welke mogelijkheden aan de grens liggen en welke winst te behalen valt. Het is aan de bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en lokale overheden zelf om de beschreven kansen in de praktijk te benutten. Als vervolg op de «Kansenatlassen» zijn met cofinanciering van het Ministerie van BZK twee «ontgrenzers» aangesteld. Zij hebben als taak vraag en aanbod van arbeidskrachten aan beide zijden van de grens bij elkaar te brengen. Deze «ontgrenzers» fungeren daarmee als een belangrijke antenne voor het identificeren van de barrières die op het gebied van grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit nog geslecht moeten worden en het aanjagen van concrete oplossingsgerichte maatregelen.

Arbeidsmobilliteit binnen Interreg V A

Interreg is een subsidieprogramma ter stimulering van grensoverschrijdende samenwerking en vermindering van de barrièrewerking van de grens. Een project komt hiervoor in aanmerking als het inhoudelijk op één van de prioriteiten in speelt en aan de overige voorwaarden voldoet. Elk programma kent zijn eigen prioriteiten, maar veel voorkomende prioriteiten bij de programma’s voor de periode 2014–2020 zijn innovatie, energie, milieu en arbeidsmobiliteit7. Door de opname van het thema arbeidsmobiliteit kunnen projecten ingediend worden die de aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in de grensstreek verbeteren. Het is aan de partners van de programma’s om hier zelf nadere invulling aan te geven. De nieuwe Interreg V A programma’s Nederland-Vlaanderen en Nederland- Duitsland voor de periode 2014–2020 zijn eind 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie en projectvoorstellen kunnen worden ingediend.

Kleefse Agenda

In aanvulling op de initiatieven in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, heeft de Minister van Economische Zaken in mei 2013, na de Duits-Nederlandse regeringsconsultatie in Kleef, aanvullende afspraken gemaakt om grensoverschrijdend ondernemen tussen Nederland en Duitsland te vergemakkelijken. In dat kader heeft Noordrijn-Westfalen in het voorjaar van 2014 beroepskwalificatie-eisen aan een aantal beroepen vereenvoudigd, zoals verpleegkundige, schoorsteenveger en leraar. In Nederland wordt al sinds 2003 gebruik gemaakt van geautoriseerde beschrijvingen, die in opdracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verstrekt door de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Dat gebeurt in de vorm van het (gestandaardiseerde Europass) certificaatsupplement. De certificaatsupplementen zijn geautoriseerde beschrijvingen van zo’n 2.000 Nederlandse mbo-opleidingen in verschillende talen en zijn breed en kosteloos beschikbaar voor beroepsopleidingen, individuele studenten en beroepsbeoefenaren. Deze informatie is eveneens beschikbaar in de vorm van compacte flyers, waarin de verschillen zijn aangeduid tussen de opleiding in het ene en die in het andere land. Ook wordt, naast de bestaande certificaatsupplementen, gewerkt aan zogenaamde geautoriseerde beschrijvingen; compacte flyers waarmee mbo-studenten eenvoudig kunnen laten zien wat hun opleiding inhoudt, en waarin deze verschilt ten opzichte van de opleiding in het buurland. Tot slot werken Nederland en Duitsland gezamenlijk aan het vereenvoudigen van de informatievoorziening aan grensoverschrijdende ondernemers, bijvoorbeeld door het opstellen van een compacte Wirtschaftsführer (een soort reisgids voor de ondernemer), een online platform en een app.

De Minister van Economische Zaken heeft mede namens de Minister van SZW d.d.11 december 2014 de Tweede Kamer geschreven op welke wijze de moties Schouten/Agnes Mulder8 en de motie Schouten cs9 worden uitgevoerd. In de motie Schouten-Mulder wordt het kabinet verzocht om een economische agenda voor de grensregio’s. In de motie Schouten cs. wordt het kabinet verzocht om in overleg te treden met de grensgemeenten en de grensregio’s over het wegnemen van drempels bij het werken over de grens en het geven van ruimte aan grensgemeenten om met ideeën te experimenteren.

In de grensregio’s, tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden, lopen al veel initiatieven om grensbarrières en belemmeringen met de buurlanden weg te ruimen op het terrein van economie en arbeidsmobiliteit. Daarbij geven de nieuwe Interreg-V programma’s (2014–2020) een extra impuls voor de al bestaande grensoverschrijdende samenwerking in de grensregio’s. Vanuit de EU zijn hiervoor meer middelen beschikbaar dan in de afgelopen periode. De programma’s zullen sterker worden gericht op innovatie, deelname van het MKB en arbeidsmobiliteit.

Mede in het licht van het standpunt van de Commissarissen van de Koning dat knelpunten en kansen het best in de grensregio’s waargenomen kunnen worden, heeft het Ministerie van BZK, in nauw overleg met de Ministeries van EZ en SZW, begin 2015 een oproep gedaan aan de grensregio’s om een inventarisatie te maken van de belemmeringen in wet- en regelgeving die in de grensregio’s spelen op de terreinen van arbeidsmarkt en economie. Tevens is gevraagd op welke wijze de grensregio’s vinden dat grensoverschrijdend ondernemerschap gestimuleerd kan worden. Doel is daarbij om begin 2015 afspraken te maken hoe we de inventarisatie kunnen completeren, welke belemmeringen en kansen al opgepakt worden, en of, en zo ja hoe, de resterende belemmeringen moeten worden aangepakt. In dit licht is er denk ik ook nog winst te behalen door meer aandacht te besteden aan de resultaten van de Interreg-programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking. De actielijsten met de buurlanden kunnen hiervoor ook als instrument worden ingezet.

Bestuurlijke en ambtelijke samenwerking

Binnen de grensoverschrijdende samenwerking is het van het grootste belang dat partijen elkaar weten te vinden en dat kennis wordt gedeeld. Om dit te faciliteren, organiseert mijn ministerie vijf maal per jaar een overleg waar vertegenwoordigers uit de grensregio’s (o.a. grensprovincies, gemeenten en de EUregio’s), buurlanden en departementen bij elkaar komen om over diverse onderwerpen te spreken op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking. Daarnaast komt twee maal per jaar op hoog ambtelijk niveau de Taskforce GROS bijeen. Hier hebben naast de vakdepartementen en de VNG ook vertegenwoordigers uit de grensregio’s en de buurlanden zitting.

Speciale Vertegenwoordiger voor de Buurlanden

De in 2011 op het Ministerie van BZ aangestelde Speciale Vertegenwoordiger voor de Buurlanden (SVB) heeft zijn werkzaamheden in de loop van 2014 beëindigd. De SVB heeft een positief en katalyserend effect gehad op de relatie met de buurlanden. De regiomedewerkers van het Ministerie van BZ, het Consulaat-Generaal in Düsseldorf, de ambassades in Berlijn en Brussel en andere ministeries zullen daarop voortbouwen.

Grensoverschrijdende samenwerking kent in welhaast alle gevallen (idealiter) een aanpak van meerdere overheidslagen. De Commissarissen van de Koning (CdK’s) van de grensprovincies hebben mede daarom sinds enkele jaren een coördinerende rol in de grensoverschrijdende samenwerking op het regionale niveau gekregen10. De CdK’s spannen zich – naast het adresseren van de relevante grensoverschrijdende doelstellingen vanuit provinciaal perspectief – in om, waar mogelijk en al dan niet op verzoek van partijen binnen het directe grensgebied, het deelstaatniveau of rijksniveau, een doorverwijs-, signalerings-, informatie- of bemiddelfunctie te bekleden. Deze rol speelden zij in het afgelopen jaar bijvoorbeeld in het geval van olielekkage in zoutcavernes in het Münsterland, in de ontstane discussie rondom de Nederlandse procedures rond schaliegas, het aankaarten van een grensoverschrijdende toetsingsmogelijkheid binnen de programmatische aanpak stikstof (PAS), het Duitse Tolvignet, de bezuinigingen op de consulaten, de toekomst van Bureaus Belgische/Duitse Zaken, de accijnsverhogingen op brandstof etc.

Grenseffecten

Op 29 september 2014 heeft de Gouverneur van Limburg, dhr. Bovens, namens alle grensprovincies een grenseffectentoets aangeboden. Deze rapportage is een actualisatie van een rapportage uit 2013, waar het kabinet op heeft gereageerd.11 In de actuele versie is gekeken naar de effecten van de recente akkoorden (sociaal akkoord, pensioenakkoord, zorgakkoord) op het grensoverschrijdend wonen en werken. Daarnaast zijn concreet een aantal effecten van nationaal beleid op grensregio’s gesignaleerd, zoals bijvoorbeeld de recente accijnsverhogingen en de wijziging van de hypotheekrenteaftrek mogelijkheid voor grenswerkers. Met deze geactualiseerde rapportage heeft de provincie Limburg mij, namens de andere grensprovincies, gevraagd om, zonder een apart en zwaar instrument in te stellen, in het reguliere voorbereidingsproces van nieuwe wet- en regelgeving bewuster aandacht te schenken aan mogelijke effecten hiervan voor grensregio’s. Daarbij kan expertise uit de grensregio’s ingeschakeld worden. Tijdens de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken in de Tweede Kamer op 6 november 2014 heb ik, in het licht van deze vraag van de provincie Limburg, toegezegd nog eens nader te bekijken of moet worden overgegaan tot het invoeren van een grenseffectentoets. Met het oog daarop zal ik met betrokken provincies en ministeries opnieuw in overleg treden. De lijn die de grensprovincies hiervoor schetsen zal ik daarbij naar voren brengen. Ik zal u over de uitkomsten hiervan zo spoedig mogelijk informeren.

Hoe verder?

In de brief van juli 201112 schreef het toenmalige kabinet dat met de grensoverschrijdende samenwerking beoogd wordt de sociaaleconomische ontwikkeling van de grensregio’s te stimuleren. Deze lange termijn doelstelling blijft ook voor de komende jaren geldig, want juist onze buurlanden zijn de belangrijkste economische partners van Nederland. Grensoverschrijdende samenwerking blijft ook onderdeel uitmaken van de lange termijn strategische samenwerking met België en Duitsland.

Een goed functionerende grensoverschrijdende samenwerking faciliteert economische groei en werkgelegenheid en draagt derhalve ook bij aan een beter functionerende interne markt van de Europese Unie. In toenemende mate zie ik daarbij ook in EU-verband aandacht voor grensoverschrijdende samenwerking, met name voor de potentie van economische groei in steden en hun rol in grensoverschrijdende stedelijke gebieden. Het huidige trio voor het voorzitterschap van de EU, Italië, Letland en Luxemburg, heeft tot doel gesteld het EU-kader ter bevordering van effectieve grensoverschrijdende stedelijke gebieden, te verbeteren. Indien opportuun zal ik, zodra Nederland in 2016 het voorzitterschap van de EU van Luxemburg overneemt, in nauw overleg met de Nederlandse grensregio’s, die inzet continueren en kansen voor het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking Europees aankaarten.

Een goede grensoverschrijdende samenwerking vereist continue aandacht voor het identificeren van (potentiële) belemmeringen, kansen, het elkaar daarover informeren en het bij elkaar brengen van de juiste instanties. Ik zal de komende jaren dan ook doorgaan mij in te zetten voor de grensoverschrijdende samenwerking. Ik word daarin gesteund door de bij GROS betrokken organisaties. Zij zijn van mening dat de huidige structuur waarop het Ministerie van BZK de grensoverschrijdende samenwerking coördineert zijn waarde bewijst en daarom gecontinueerd moet worden. Niet alleen omdat verschillen tussen de buurlanden altijd aandacht blijven vragen, de actualiteit noodzaakt dat er regelmatig met diverse betrokken organisaties overleg moet zijn, maar vooral ook omdat de huidige coördinatie bijdraagt aan een goed samenwerkingsklimaat tussen de belangrijkste actoren aan deze kant van de grens, maar zeker ook aan Vlaamse, Waalse en Duitse zijde.

Naar mijn mening verloopt de grensoverschrijdende samenwerking goed, maar is er ruimte voor verdere verbetering. Ik ga in 2015 na welke grensoverschrijdende dossiers, met behoud van ieders verantwoordelijkheden, ook binnen de bestaande structuren van de grensoverschrijdende samenwerking kunnen worden gebracht. Duidelijk moet zijn wie aan weerszijden van de grens waarvoor verantwoordelijk is. Het instrumentarium van de actielijsten met onze buurlanden zal worden gecontinueerd en waar mogelijk uitgebreid met bijvoorbeeld kansen en belemmeringen voor grensoverschrijdend ondernemen. Zoals ook de afgelopen periode is gebeurd moet het niet alleen bij het afspreken van actiepunten blijven. Actiepuntenlijsten hebben immers alleen maar een toegevoegde waarde indien de betrokken organisaties (aan beide kanten van de grens) er aan willen meewerken en zich aangesproken voelen als ze door mij op de voortgang worden gewezen. Zowel aan Nederlandse als aan Duitse en Vlaamse zijde wordt een belangrijke betekenis gegeven aan dit instrument. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de reactie van de collega’s van EZ en SZW op de moties Schouten- Mulder en Schouten cs13 en uit de kabinetsreactie op het advies van dhr. Bruls over het wegnemen van belemmering bij grensarbeid. Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen en Vlaanderen hebben nadrukkelijk de wens uitgesproken om de actielijsten te continueren en zich blijvend in te willen zetten voor een goede samenwerking met Nederland op de diverse grensoverschrijdende dossiers.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Kamerstuk 32 851, nr. 3.

X Noot
2

Handelingen II 2014/15, nr. 21, item 13, blz. 20.

X Noot
3

Kamerstuk 32 851, nr. 1.

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
6

Kamerstuk 33 550, nr. 3.

X Noot
7

Kamerstuk 21 501-08, nr. 525.

X Noot
8

Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 36.

X Noot
9

Kamerstuk 34 000 XV, nr. 35.

X Noot
10

Kamerstuk 32 851, nr. 1 en Kamerstuk 32 851, nr. 3.

X Noot
11

Kamerstuk 32 851, nr. 5.

X Noot
12

Kamerstuk 32 851, nr. 1.

X Noot
13

TK 2014–2015, 32 851, nr. 7.