Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132851 nr. 1

32 851 Grensoverschrijdende samenwerking (GROS)

Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juli 2011

Inleiding

Op 15 december 2010 publiceerde de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een rapport («Grensoverschrijdende samenwerking: terugblik en aanbevelingen») over het functioneren van de Taskforce inzake grensoverschrijdende samenwerking (GROS). De Raad blikt daarmee terug op de GROS-aanpak van het kabinet Balkenende IV en het functioneren van de in 2009 aangestelde Grensmakelaar. Ook wordt een aantal aanbevelingen voor de toekomst gedaan.

Hierbij geven wij gezamenlijk als portefeuillehouders voor de grensoverschrijdende samenwerking – onder dankzegging aan de ROB voor zijn werk – onze reactie op het rapport, alsmede onze visie op grensoverschrijdende samenwerking zoals wij die voor de komende periode vorm willen geven. Gekozen is voor een geintegreerde presentatie van beide doelen waardoor niet alle ROB-aanbevelingen de revue passeren. Wel zal in het onderstaande op de hoofdlijnen daarvan worden ingegaan.1

Samenvatting

In deze brief is aangegeven dat dit kabinet kiest voor een intensievere samenwerking met de buurlanden waarbij ook ingezet wordt op een lange termijn strategische samenwerking met België en Duitsland. In dit kader is er zeker aanleiding het project GRensOverschrijdende Samenwerking (GROS) voort te zetten en daarbij te kiezen voor een meer permanente lichte structuur. Vakministeries en regio’s zijn primair verantwoordelijk terwijl BZ en BZK vanuit hun portefeuilles gezamenlijk de voortgang en het proces bewaken. Daarbij zal het de minister van BZK vooral gaan om de regievoering en het resultaat richting de (de) centrale overheden, terwijl de minister van BZ de intensivering van de banden met de buurlanden verder inhoud zal geven. Het mandaat van de Grensmakelaar wordt niet verlengd. Hierop aansluitend, is het logisch dat de Commissarissen van de Koningin (CdK’s) zich nadrukkelijk in zetten voor GROS: zij hebben hiervoor immers de juiste positie. De DG Bestuur en Koninkrijksrelaties van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties zal ambtelijk aanspreekpunt zijn voor GROS-problematiek. Daarnaast blijft het regiocoördinatorenoverleg – en daarmee het vaste GROS-communicatiekanaal van de regio’s met de Rijksoverheid – bestaan.

In de komende tijd zal de strategische- en lange termijn samenwerking met de buurlanden invulling krijgen, Door middel van de per 1 juli 2011 aangestelde speciaal vertegenwoordiger voor de buurlanden zal er een wisselwerking zijn tussen de strategische aanpak en GROS, aangezien beide onderwerpen tot de portefeuille van betrokkene behoren.

De focus van het GROS-project blijft gericht op het benoemen en wegnemen van praktische knelpunten. Er zal selectief en realistisch worden omgegaan met het aanpakken van knelpunten, waarbij van te voren duidelijk wordt aangegeven wie, wat precies gaat doen en binnen welk tijdsframe om een bepaald knelpunt op te lossen. Knelpunten worden zo getransformeerd in actiepunten. In goed overleg met ieder der buurlanden zal een gezamenlijke actiepuntenlijst worden opgesteld. De GROS-aanpak blijft gericht op het oplossen van problemen in de grensgebieden voor de burger en op de sociaaleconomische ontwikkeling en versterking van het voorzieningenniveau in de regio’s aan beide kanten van de grens.

Over twee jaar (2013) zal de Taskforce aan ons rapporteren over de resultaten van het GROS-project. Daarbij zal ook worden aangegeven of – en zo ja welke – uitvoerende GROS taken aan het Secretariaat-Generaal van de Benelux zullen worden opgedragen dan wel overgedragen.

Huidige stand van zaken grensoverschrijdende samenwerking

Het door BZK en BZ geleide project Grensoverschrijdende samenwerking (GROS) heeft tot doel om knelpunten die spelen in de grensgebieden met België en Duitsland op te lossen en daarmee de grensoverschrijdende samenwerking en onderlinge kennisuitwisseling te stimuleren. De ROB oordeelt dat de knelpuntenbenadering van de afgelopen jaren in principe wordt gezien als een goed aangrijpingspunt om te werken aan het verbeteren van grensoverschrijdende samenwerking. Het GROS-project heeft dankzij de inzet van de betrokken vakdepartementen geleid tot de oplossing van een aantal concrete knelpunten (zie kader). Bij het bepalen van de knelpunten had achteraf gezien wel eerder contact moeten worden gelegd met de landsbesturen in Duitsland en de centrale overheden in België om te komen tot een gezamenlijke agenda voor grensoverschrijdende samenwerking, aldus het ROB-rapport.

BZK en BZ onderschrijven deze constatering en zullen zich inzetten voor een meer gezamenlijke aanpak met de buurlanden. De contacten met Noordrijn-Westfalen zijn positief en intensief. Ook met Neder-Saksen zijn recent concrete afspraken gemaakt om de grensoverschrijdende samenwerking – gebaseerd op de gezamenlijk geconstateerde knelpunten – een nieuwe impuls te geven. De samenwerking met Vlaanderen is pas september 2010 weer goed op gang gekomen: onlangs is een gezamenlijke knelpuntenlijst voor dit grensgebied vastgesteld en heeft Vlaanderen een interne structuur opgezet om de voortgang te bewaken. De samenwerking met Wallonië, die veel potentie heeft, zal verder worden ontwikkeld. Met federaal België – dat op een aantal geconstateerde knelpunten de bevoegde gesprekspartner is – is eveneens overleg gestart. Hetzelfde geldt voor de federale regering in Duitsland die op bepaalde terreinen de grensoverschrijdende samenwerking betreffende bevoegd is.

Voorbeelden van opgeloste knelpunten

– het digitaal infoportaal voor grensarbeiders (www.startpuntgrensarbeid.nl) dat opgezet is ten behoeve van NL- NRW, en nu ook naar Vlaanderen uitgebreid gaat worden.

– een equivalentielijst NL-DE in het voortgezet onderwijs ten bate van het gemakkelijker instromen van middelbare scholieren in beide landen.

– gemakkelijker toegang ambulances aan weerszijden van de grens met België.

– rampenbestrijding incl. grensoverschrijdend oefenen.

– een kennismigrantenregeling ten behoeve van migranten uit derde landen die in NL werken en over de grens willen wonen.

– een gezamenlijke brandweer met een gezamenlijk brandweerprotocol voor Baarle Hertog en Baarle Nassau.

– verbeterde kennisuitwisseling tussen NL en NRW op het gebied van integratie (krijgt breder vervolg).

– afstemming beleid kleinere waterlopen tussen Vlaanderen en Noord-Brabant.

– buurtaalonderwijs: een pilot waarbij er op 15 basisscholen aan de grens, Du/Eng/Fr wordt gebruikt gedurende 15% van de lestijd.

Inwoners grensgebieden

Zeven provincies grenzen aan de buurlanden. In de Nederlandse grensgemeenten wonen iets meer dan 2,4 miljoen mensen (CBS Statline, 2010).

Een Euregio is een grensoverschrijdend samenwerkingsverband van gebieden die liggen in de Europese Unie. Nederland telt zeven Euregio’s en als men de inwoners van de buurlanden in deze Euregio’s meetelt, wonen er iets meer dan 24 miljoen mensen (www.europa-nu.nl).

Belang van samenwerking over de grens voor Nederland

De ROB wijst op diverse plaatsen op de voordelen van grensoverschrijdende samenwerking. Vooral door samenwerking met economisch sterke kernen rondom steden als Antwerpen, Brussel, Keulen, Düsseldorf, Münster, Osnabrück en Bremen wordt de economische veerkracht van Nederlandse grensstreken versterkt. Dit gebeurt niet alleen in termen van het vergroten van de eigen afzetmarkt en de arbeidsmarkt, maar ook door gebruik te maken van de dienstverlening, onderwijs en gezondheidszorg van de buurlanden, en vice versa. Soms is grensoverschrijdende samenwerking van levensbelang wanneer het gaat om hulpdiensten en rampenbestrijding, aldus de ROB.

Wij willen benadrukken dat grensoverschrijdende samenwerking geen doel op zich is, doch een middel om te komen tot goednabuurschap, verbetering van het regionale voorzieningenniveau en stimulering van de sociaaleconomische ontwikkeling van de grensregio’s. Het wegwerken en voorkomen van knelpunten in de grensoverschrijdende samenwerking in deze regio’s is van groot belang voor de individuele burger en dient deze doelen. Deze aanpak sluit tevens goed aan bij de voorgenomen intensivering van het buurlandenbeleid van het kabinet-Rutte.

Grensoverschrijdende samenwerking dient echter ook bredere doelen die aansluiten bij nationale beleidsdoelstellingen. Onderstaand volgt een korte schets van de rol van GROS binnen die bredere samenwerking tussen Nederland en de buurlanden.

GROS als onderdeel van het EU integratieproces

Hoewel binnen de Europese Unie dankzij het vrije verkeer van kapitaal, goederen, personen en diensten de contacten enorm zijn toegenomen, is ook duidelijk zichtbaar dat elk land nog steeds zijn eigen wettelijke systeem heeft – en zal houden – op bepaalde terreinen. Vooral in de grensgebieden ondervinden de inwoners de praktische belemmeringen van die grens (NB. soms juist veroorzaakt door het omzetten van Europese regelgeving door buurlanden in tegengestelde richtingen). Werken, studeren of wonen in het andere land is dan in theorie wel mogelijk, maar in de praktijk is het niet altijd eenvoudig om ook daadwerkelijk over die grens heen te stappen. Het oplossen van knelpunten binnen het GROS-project door een goede samenwerking over de grens heen kan dan gezien worden als een onderdeel van het kabinetsstreven naar een beter functionerende Europese Unie. Overigens zijn er ook elders in Europa meerdere grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden en wordt ook in de Europese Unie aandacht gegeven aan deze materie. In deze brief zal hierop niet worden ingegaan.

GROS als onderdeel van het intensievere buurlandenbeleid

Het kabinet-Rutte heeft besloten de betrekkingen met de buurlanden te intensiveren. De buurlanden, te weten België en Duitsland, zijn veruit de belangrijkste economische partners van Nederland (zie kader). Het oplossen van knelpunten in de regio’s die grenzen aan Noordrijn-Westfalen, Neder-Saksen, Wallonië en Vlaanderen is een onderdeel daarvan en dient die nauwere betrekkingen.

De minister van BZ, verantwoordelijk voor de coördinatie van de betrekkingen met de buurlanden, zal in nauw overleg met de minister van EL&I het voortouw nemen om conform de wens van dit kabinet de economische betrekkingen met de buurlanden te verdiepen. Ook zal de strategische reisagenda worden ingezet voor bezoeken van de vakministers aan de buurlanden. Op deze manier kan meer samenhang in de grensoverschrijdende agenda worden bewerkstelligd.

Voorbeeld van het belang van het nabije buitenland

De buurlanden zijn veruit de belangrijkste economische partners van ons land. De Nederlandse export naar Noordrijn-Westfalen is bijv. groter dan de export naar Japan, China en de VS gezamenlijk. Nederland exporteerde in 2009 voor 58 miljard Euro naar Duitsland, waarvan 23,5 miljard Euro naar Noordrijn-Westfalen (Nederlands-Duitse Handelskamer, cijfers zijn exclusief de wederuitvoer). De Nederlandse export naar de VS, China en Japan gezamenlijk, bedroeg 20,9 miljard Euro (13.9-, 2.4- en 4.6 miljard Euro resp.) in 2009

(CBS Statline, inclusief wederuitvoer).

Uiteraard hebben ook de andere departementen – naast de decentrale overheden – veel rechtstreekse contacten met de buurlanden op verschillende beleidsterreinen. Voorbeelden zijn de bilaterale besprekingen over het Eems-Dollard grensgebied, de gas- en energieproductie in het Eems-Dollard gebied, de Hedwigepolder, de Westerschelde, het Kierbesluit, logistieke regionale structuren zoals de Betuwelijn of telecomsamenwerking (nb deze lijst is nadrukkelijk niet uitputtend). Ook zijn er diverse ministeriële initiatieven om tot intensievere samenwerking te komen: bijvoorbeeld de minister van EL&I die in het kader van de ontwikkeling van Brainport 2020 speciaal aandacht geeft aan de grensoverschrijdende verbindingen met Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen (de zogenoemde Elat triangle op het gebied van kennis en innovatie) of de topontmoeting van minister-president Rutte en zijn Vlaamse ambtgenoot Peeters op 4 juli 2011, waarbij de intensivering van de samenwerking op het gebied van economie en innovatie op de agenda staat. Hoewel met deze onderwerpen een breder terrein wordt bestreken dan het GROS-werkterrein, onderstrepen zij het belang van de grensregio’s voor Nederland als geheel en het belang van een goede samenwerking met de buurlanden.

Venster op de toekomst/strategische samenwerking

Dit kabinet wenst een meer intensieve en strategischer lange termijn samenwerking op te zetten met de buurlanden. Hier ligt een taak voor de minister van Buitenlandse Zaken. Een tweetal recent gestarte onderzoeken naar mogelijkheden voor een meer lange termijn samenwerking met Vlaanderen en met Noordrijn-Westfalen, kunnen – naast andere relevante informatie – als basis dienen voor deze gezamenlijke aanpak. De resultaten van die onderzoeken zijn volgens de huidige planning in de zomer van 2011 bekend. In de gezamenlijk met de buurlanden en vakdepartementen op te zetten toekomstige samenwerking zal een sterk accent liggen op economische ontwikkelingskansen voor beide landen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft een speciaal vertegenwoordiger voor de buurlanden aangesteld (per 1 juli 2011), die hierbij een belangrijke rol zal spelen. Aangezien de speciaal vertegenwoordiger naast de strategische samenwerking ook het GROS in zijn portefeuille heeft, is samenhang en kruisbestuiving tussen beide domeinen verzekerd.

De rol van GROS in de komende periode

De ROB adviseert het GROS-project met hetzelfde commitment als voorheen voort te zetten.Wij delen de visie van de ROB dat dit om meerdere redenen gewenst is: ten eerste vanwege regionale ontwikkelingsmogelijkheden, ten tweede vanwege gewekte verwachtingen bij de buurlanden en ten derde om de bereikte resultaten niet verloren te laten gaan.

Tegen de achtergrond van de gewenste intensievere en strategischer samenwerking kiezen wij voor voortzetting van het GROS-project met een lichte structuur. Daarbij zal het (spoedig) oplossen van bestaande knelpunten de kern blijven van de werkzaamheden. Dat is namelijk van belang voor de burgers en bedrijven in de grensregio’s. Daarnaast zal conform het ROB rapport de uitwisseling van kennis en informatie tussen overheden en andere spelers gestimuleerd worden. Immers, grensoverschrijdende samenwerking wordt niet alleen belemmerd door knelpunten in wet- en regelgeving, maar ook door onbekendheid met de mogelijkheden die grensoverschrijdende samenwerking biedt.

Ook kan het GROS-project een bijdrage leveren aan de oplossing van de krimpproblematiek in de grensregio’s. Voor wat betreft dit dossier dat onder de verantwoordelijkheid van de minister van BZK valt en gericht is op behoud van de leefbaarheid in de grensgebieden, betekent dit dat bestaande kennis rondom GROS waar nodig en op basis van behoefte vanuit het Krimp project wordt ingezet

(zie kader).

Krimpregio’s

Dit kabinet heeft in het regeerakkoord reeds aangegeven aandacht te willen besteden aan de krimpproblematiek, waar veel grensgebieden mee te maken hebben. Als men kijkt naar de mogelijkheden vlak over de grens op het gebied van arbeid, onderwijs, voorzieningen, zorg e.d., wordt eens te meer duidelijk dat grensoverschrijdende samenwerking ook bij het tegengaan van krimpproblemen kansen biedt.

Ter illustratie staan er in de bijlagen twee afbeeldingen uit de Atlas voor Nederlandse Gemeenten (2010). De eerste toont aan dat er met name in de grensgemeenten niet veel kans is op werkgelegenheid voor Nederlanders, als louter wordt gekeken naar de werkgelegenheid in Nederland zelf. De tweede afbeelding echter, houdt rekening met het feit dat over de grens ook goed bereikbare werkgelegenheid beschikbaar is en toont aan dat de grensgemeenten op die wijze een veel groter werkgelegenheidspotentieel hebben. Samen met de buurlanden die ook te kampen hebben met demografische veranderingen, zal gekeken worden hoe verbeterde ssamenwerking op het gebied van wonen, werken, onderwijs, zorg, infrastructuur en voorzieningen een stimulans kan geven voor gebieden met bevolkingsdaling aan weerszijden van de grens.

Knelpunten worden omgezet in actiepunten en gezamenlijke lijsten

De knelpuntenaanpak heeft – ook volgens de ROB – een goede vliegwielfunctie gehad om binnen Nederland tot een met de vakdepartementen en andere stakeholders gedeelde probleemanalyse en aanpak van de knelpunten in de grensoverschrijdende samenwerking te komen. Wij menen dat de aandacht in de komende tijd vooral uit moet gaan naar de oplossing van de resterende knelpunten. Hierbij zal in de methodiek aanpassingen worden aangebracht. In de eerste plaats zullen de knelpunten worden omgezet in actiepunten. Daarbij zullen specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdsgebonden doelstellingen (SMART) worden gehanteerd. Ook zullen er in plaats van een voortzetting van de knelpuntenlijst, in nauw overleg met alle betrokkenen, gezamenlijke actielijsten per buurland komen.

Als voorbeeld van een meer actiegerichte benadering, kan gekeken worden naar de projecten van de Limburg-Experimenteerregio. Deze hebben al grotendeels het karakter van actiepunten en zijn gericht op het versterken van grensoverschrijdende samenwerking teneinde de sociaaleconomische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio te versterken.

Lichte structuur

Wij achten voortzetting van het GROS-project van groot belang en kiezen daarbij voor een structuur, die rekening houdt met de in het regeerakkoord aangekondigde beleidsvoornemens zoals de decentralisatie van beleidsterreinen. Zo zullen natuurbeleid, regionaal economisch beleid en ruimtelijk ordeningsbeleid worden overgeheveld naar de provincies. Dit heeft uiteraard consequenties voor wie primair verantwoordelijkheid draagt in Nederland en hoe dit uitwerkt in de relaties met de buurlanden.

Tevens kan geconstateerd worden dat de knelpuntenaanpak positieve resultaten heeft gehad: voor zover ze nog niet zijn opgelost, zijn wel de verantwoordelijke departementen of instellingen geïdentificeerd en zijn oplossingsrichtingen aangegeven. Hiernaast is de samenwerking vanuit Den Haag met de regio’s geïntensiveerd en heeft deze samenwerking een meer structureel karakter gekregen. Met deze resultaten is een basis gelegd voor een GROS-structuur waarbij BZK en BZ voornamelijk een monitorrol vervullen. De verantwoordelijkheid voor de grensoverschrijdende samenwerking rust in beginsel bij de regio’s en de vakdepartementen. Het primaat ligt daar. Dit betekent dat in de toekomst met een lichte GROS-structuur volstaan kan worden.

Mandaat Grensmakelaar wordt niet verlengd. Nadrukkelijke rol CdK’s

De Grensmakelaar, drs. W.T. van Gelder (oud Commissaris van de Koningin van Zeeland) is het boegbeeld geweest van de grensoverschrijdende aanpak en functioneerde als aanspreekpunt voor de buurlanden, aldus het ROB-advies. De Grensmakelaar was duidelijk zichtbaar en werd positief beoordeeld.

De positieve bijdrage die de Grensmakelaar heeft geleverd ten behoeve van de grensoverschrijdende samenwerking wordt dezerzijds gewaardeerd. De tijdelijke functie is in het leven geroepen om GROS op de agenda te zetten en de Grensmakelaar als het ware een ambassadeursfunctie te doen vervullen. Dit is goed uit de verf gekomen. De intentie is altijd geweest om deze tijdelijke constructie te handhaven, totdat een structurele inbedding gerealiseerd zou worden.

Wij zijn van mening dat thans het moment gekomen om te kiezen voor een meer permanente opzet van het GROS. Dit houdt in dat enerzijds het mandaat van de Grensmakelaar onder dankzegging voor bewezen diensten na afloop van de huidige termijn eind juni 2011 niet wordt verlengd en anderzijds het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties alsmede de CdK’s een nadrukkelijker rol in het GROS-proces kunnen vervullen. Immers, mede door het beëindigen van de functie van de Grensmakelaar zal grensoverschrijdende samenwerking meer aandacht vergen van de Commissarissen van de Koningin (CdK’s). Dat is ook waar die aandacht thuishoort: zij zijn als bestuurder in een grensregio in eerste instantie verantwoordelijk voor het oplossen van grensproblemen en voor de contacten daarbij met de buurlanden. Door hun binding met het gebied weten zij het beste wat er speelt en zij hebben er belang bij problemen op te lossen. De grotere rol voor de CdK’s past in de toegenomen mate van decentralisatie van bepaalde beleidsthema’s zoals in het regeerakkoord afgesproken en hierboven vermeld. Voor GROS-problematiek zal ambtelijk de DG Bestuur en Koninkrijkrelaties van het ministerie van Binnenlandse Zaken aanspreekpunt zijn.

Deze herziene structuur laat uiteraard de bevoegdheden van iedere bewindspersoon op het eigen terrein onverlet.

Speciaal vertegenwoordiger voor de buurlanden en contacten met de buurlanden

De minister van BZ heeft, zoals eerder aangegeven, besloten een speciaal vertegenwoordiger voor de buurlanden aan te stellen per 1 juli 2011. Deze, te weten mr. M.W.J. Lak, zal zich voornamelijk op de externe GROS contacten met de buurlanden richten en tevens intern binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken het aanspreekpunt zijn. Dit laat overigens onverlet dat ook BZK en het GROS-secretariaat werkcontacten onderhouden met de buurlanden op het terrein van de grensoverschrijdende samenwerking.

Het overleg met de buurlanden zal worden voortgezet zowel op het niveau van de decentrale overheden als van de centrale autoriteiten. Inhoudelijk ligt hier ook een rol voor de diplomatieke posten in Nederland, België en Duitsland. Zowel de vertegenwoordigingen van de buurlanden te Den Haag, als de Nederlandse Consulaten-generaal te Düsseldorf en Antwerpen, alsmede H.M. ambassades te Brussel en Berlijn, hebben goede antennes om die samenwerking op een verantwoorde wijze in te vullen.

Aanspreekpunten in de buurlanden

Zowel in Noordrijn-Westfalen (NRW) en Neder-Saksen (NI) is de DG Staatskanselarij de autoriteit verantwoordelijk voor de grensoverschrijdende samenwerking met Nederland, terwijl Vlaanderen als aanspreekpunt de Secretaris-generaal van Internationaal Vlaanderen heeft aangewezen. Bij de federale Belgische autoriteiten lopen contacten via het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook rechtsreeks met de terzake bevoegde ministeries. Het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven bereid te zijn coördinerend op te treden betreffende onderwerpen waar de federale autoriteiten bevoegd zijn.

Taskforce

De Taskforce blijft voortbestaan als platform voor vakdepartementen en regio’s. De kritiek van de ROB betreffende het niet optimaal functioneren van de Taskforce, wordt door ondergetekenden gedeeltelijk erkend. Zij merken echter op dat de (plv) leden juist buiten de bijeenkomsten een stimulerende en probleemoplossende rol spelen. Bovendien regarderen de daarin besproken onderwerpen zelden alle departementen tezamen. De Taskforce zal daarom worden voortgezet als verbindende schakel voor bestuurlijk Nederland en de grensregio’s, maar zal alleen bijeenkomen indien het noodzakelijk is om gezamenlijk en op het niveau van de leden besluiten te nemen. Na afloop van twee jaar zal de Taskforce de voortgang met betrekking tot de oplossing van de knelpunten en het functioneren van de hier geschetste structuur evalueren en aan ondergetekenden rapporteren.

De DG Bestuur en Koninkrijksrelaties zal het voorzitterschap van de Taskforce op zich nemen.

De Grensregio’s

De grensregio’s zijn uiteraard belangrijke spelers in het proces van grensoverschrijdende samenwerking. Zoals het ROB beschrijft is grensoverschrijdende samenwerking tussen decentrale overheden in de afgelopen vijftig jaar van onderop gegroeid. Van hen komt de ambitie en noodzaak tot verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking: zij zijn primair belanghebbenden en daarom dienen zij betrokken te blijven bij het proces in Den Haag. Met het zogenoemde regiocoördinatorenoverleg, dat regelmatig tussen het Rijk en (eu)regio’s plaatsvindt, is de onderlinge communicatie sterk verbeterd en is er een regulier kanaal gevonden voor die communicatie.

Dit regiocoördinatorenoverleg zal de komende twee jaar worden voortgezet. Het overleg biedt de regio’s de gelegenheid om grensoverschrijdende zaken die zij van belang achten en Rijksaandacht behoeven onder de aandacht te brengen van BZK en BZ, maar ook om onderling informatie uitwisselen en van elkaar leren («best practices»). Tenslotte biedt dit overleg een kader ter voorbereiding van ad hoc te houden Taskforce bijeenkomsten. Het overleg kan overigens ook besluiten dat het beter is te verwijzen naar het CdK/DGBK-overleg, bijvoorbeeld omdat een politieke beslissing nodig is. In dat geval wordt het op dat niveau ingebracht.

Overigens zijn sinds enige tijd tevens vertegenwoordigers van Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen bij deze bijeenkomsten aanwezig. Ondergetekenden zien graag dat deze vertegenwoordigers ook in de nieuwe structuur dit overleg bijwonen. Om een goede afstemming met BZK, de vakdepartementen en de regio’s te garanderen zal de speciaal vertegenwoordiger voor de buurlanden het regiocoördinatorenoverleg bijwonen en tevens zitting hebben in de Taskforce.

Ondersteunend secretariaat. Vaste contactpersonen bij de vakdepartementen

Het GROS-secretariaat op BZK zal een herkenbaar aanspreekpunt blijven. Het onderhoudt in de toekomstige – lichtere – structuur van GROS contact met de decentrale overheden, regio’s, vakdepartementen, buurlanden en andere betrokkenen in het GROS speelveld (loketfunctie). Het GROS-secretariaat is ondersteunend aan de DGBK en vervult daarnaast een regiefunctie zowel intern als extern ten aanzien van de voortgang in het oplossen van knelpunten. Het secretariaat draagt ook zorg voor de ambtelijke afstemming tussen BZ en BZK.

De vakdepartementen zorgen voor een vaste contactpersoon per departement, die eerstverantwoordelijk is voor de oplossing van het probleem en waar nodig daartoe een extra inspanning pleegt.

Slotopmerkingen

Hoewel BZ en BZK de visie delen van de ROB dat het beter is in de toekomst nieuwe knelpunten zoveel mogelijk te voorkomen, gaan zij niet mee in de wens van het ROB om een grenslandtoets in te voeren, waarbij voorgenomen beleid en wetgeving getoetst worden op mogelijk onbedoelde belemmerende effecten voor decentrale overheden aan de grens. Een dergelijke toets die integraal onderdeel wordt van het wetgevingsproces, wordt beschouwd als een te zwaar middel en past daarmee niet in de wens van het kabinet om onnodige bureaucratie te vermijden. Wel is het nuttig bij voorgenomen regelgeving, vooraf de mogelijke effecten aan de grens in overweging te nemen. Dit is een verantwoordelijkheid van ieder vakministerie afzonderlijk. Daarnaast zal in de komende periode de mogelijkheid worden onderzocht om een pilot op te starten, waarbij in geval van implementatie van Europese regelgeving met mogelijke effecten in de grensgebieden de buurlanden geconsulteerd worden over de uitvoering en tijdsfasering van deze regelgeving. Op deze manier kan er van te voren al onderling afgestemd worden waardoor mogelijke nieuwe knelpunten zouden kunnen worden voorkomen. De mogelijkheden voor een pilot worden momenteel in samenwerking met het Comité van de Regio’s van de Europese Unie verkend.

In de komende periode zal tevens bezien worden in hoeverre beter van de diensten van het Beneluxapparaat en -netwerk gebruik kan worden gemaakt. Immers, in het kader van het Nieuwe Benelux Verdrag uit 2008 behoort grensoverschrijdende samenwerking thans tot de kerntaken van de Benelux Unie. Op bepaalde grensoverschrijdende terreinen bestaat specifieke kennis en ervaring bij het Secretariaat-Generaal. Wanneer er een meerwaarde inzit en deze binnen de vastgestelde Beneluxbegroting blijft, kan de behandeling van bepaalde uitvoerende GROS-taken samenhangend met knelpunten worden opgedragen aan het Secretariaat-Generaal van de Benelux. Dit zal per onderwerp verschillen: op sommige terreinen heeft het secretariaat veel expertise en op andere minder.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal


X Noot
1

De bijlage «Opheffen zichtbare externe grenzen» is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.