Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 april 2016
In mijn brief van 4 maart jl. (Kamerstuk 32 849, nr. 65) heb ik toegezegd uw Kamer nader te zullen informeren over het gebruik van dieselolie
bij de voorgenomen zoutwinning onder de Waddenzee en daarbij ook in te gaan op de
motie van het lid Van Tongeren over dit onderwerp (Kamerstuk 32 849, nr. 49), die in afwachting van deze nadere informatie is aangehouden. Hierbij geef ik, mede
namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, invulling aan deze toezegging.
Op mijn verzoek heeft Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) een notitie opgesteld over
de techniek van zoutwinning, in het bijzonder van zoutwinning op grote diepte (2.500
à 3.000 meter beneden NAP) zoals de zoutproducent Frisia Zout B.V. die wil gaan toepassen
onder de Waddenzee. Tevens heb ik aan SodM gevraagd om daarbij nader in te gaan op
het gebruik van dieselolie en mogelijke alternatieven. Ten slotte heb ik SodM verzocht
om inzichtelijk te maken welke procedure er wordt gevolgd bij de beoordeling van het
gebruik van cavernes voor opslag van stoffen. De notitie van SodM is bijgevoegd bij
deze brief1.
In de notitie beschrijft SodM wat de risico’s zijn bij de winning van steenzout en
welke maatregelen er worden getroffen om die risico’s te minimaliseren en de zoutwinning
veilig te laten verlopen. Tevens wordt het wettelijke kader voor de opslag van stoffen
in cavernes uiteengezet. SodM geeft in de notitie onder meer aan dat het cavernedak
moet worden beschermd door een lichtere stof dan pekel en zoet water. Deze stof mag
niet reageren met zout en geen roestvorming (corrosie) in de winningsput veroorzaken.
Er zijn verschillende stoffen die in de praktijk daarvoor in aanmerking komen: (aard)gas,
propaan, butaan, stikstof, perslucht, dieselolie en ruwe olie. Volgens SodM kan Frisia
Zout B.V. geen gebruik maken van gassen vanwege de grote diepte (en daarmee gepaard
gaande hoge druk) waarop het zout onder de Waddenzee zal worden gewonnen. SodM komt
tot de slotsom dat het gebruik van een dunne laag dieselolie om de vorm van de caverne
te beheersen op een verantwoorde manier kan plaatsvinden. SodM wijst erop dat deze
dieselolie na beëindiging van de zoutwinning wordt verwijderd en kan worden hergebruikt
voor andere doeleinden, zoals het uitlogen van nieuwe cavernes.
Op basis van de bevindingen van SodM kom ik tot de conclusie dat veiligheid het voornaamste
argument is om bij de voorgenomen diepe zoutwinning onder de Waddenzee dieselolie
in te zetten als beschermingsmiddel voor het cavernedak. Het gaat dan om veiligheid
in brede zin. Met het inzetten van dieselolie ter bescherming van het cavernedak wordt
bereikt dat het volume en de vorm van de caverne goed kan worden beheerst, waardoor
de bodemdaling beperkt blijft en daarmee geen negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelen
voor beschermde vogelsoorten in dit Natura 2000-gebied. Het gebruik van lichtere beschermingsmiddelen
dan dieselolie (het gaat dan om gassen) is riskanter vanwege de hoge drukken die er
dan optreden aan de putmond en daarom niet gewenst. Overigens ligt de putmond bij
deze zoutwinning niet in de Waddenzee zelf, maar op het vasteland. Het zout wordt
vanaf deze locatie gewonnen door middel van een schuine boring vanaf het vasteland
naar zoutlagen op een diepte van 2.500 à 3.000 meter onder de Waddenzee.
Uit de notitie van SodM blijkt dat zorgvuldig is gekeken naar de veiligheid en het
milieu bij het ontwerp en gebruik van deze zoutcavernes. Uw Kamer is hierover ook
meermaals geïnformeerd. Bij brief van 11 juni 2009 van de toenmalige Minister van
Economische Zaken (Kamerstuk 31 349, nr. 15) is, in reactie op een motie van het lid Zijlstra c.s. (Kamerstuk 31 349, nr. 12), de door Frisia Zout B.V. beoogde zoutwinning onder de Waddenzee voor het eerst
expliciet aan de orde gekomen. In mei 2015 zijn, na ontvangst van een groot aantal
adviezen van onder andere de Commissie voor de milieueffectrapportage en SodM, de
Beslissing op Bezwaar in het kader van de Natuurbeschermingswetvergunning en het instemmingsbesluit
met het winningsplan Havenmond genomen. Ik heb uw Kamer daarover, mede namens de toenmalige
Staatssecretaris van Economische Zaken, bij brief van 12 mei 2015 (Kamerstuk 32 849, nr. 38) geïnformeerd. Bij de voorbereiding van deze besluiten is tevens aandacht besteed
aan het gebruik van dieselolie in de cavernes en mogelijk daardoor optredende negatieve
effecten op de instandhoudingsdoelen voor beschermde vogelsoorten in het Natura 2000-gebied
Waddenzee.
Met de motie van het lid van Tongeren (Kamerstuk 32 849, nr. 49) wordt de regering verzocht om nader onderzoek te laten doen naar veilig gebruik
van zoutcavernes. Uit de hiervoor genoemde inventarisatie blijkt dat het veilig gebruik
van zoutcavernes in Nederland, en daarbij de risico’s van dieselgebruik in de Waddenzee
en het oplossen van de wanden van zoutcavernes, voldoende is onderzocht en geborgd.
In dit licht acht ik het laten verrichten van nader onderzoek niet nodig. Ik ontraad
dan ook de motie.
De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp