31 349
Evaluatie van de Mijnbouwwet

nr. 15
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juni 2009

Naar aanleiding van het spoeddebat op 18 maart 2008 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 65 blz. 5153–5164) zijn vijf moties ingediend. Op 24 maart heeft de Tweede Kamer drie moties en op 23 april een vierde motie aangenomen. Op deze moties ga ik hieronder afzonderlijk nader in en geef ik aan op welke wijze ik uitvoering zal geven aan de afzonderlijke moties.

1. Motie van het lid Zijlstra c.s. (31 349, nr.12)

De motie heeft betrekking op drie winningsgebieden. Gevraagd wordt geen beslissingen te nemen totdat het onderzoek naar de oorzaken van de onverwacht sterke bodemdaling nabij Harlingen en Franeker is afgerond en totdat een definitieve gebiedsbrede financiële schaderegeling voor compensatie door bodemdaling tot stand is gekomen.

Omdat de situatie per vergunninggebied verschilt ga ik hierop afzonderlijk in.

• Barradeel: de beslissing op het verzoek van Frisia Zout om het winningsplan te herzien, zodat extra productie mogelijk wordt, zal ik voorlopig aanhouden. Als Frisia Zout met een toelichting komt waaruit de dringende economische noodzaak blijkt en de noodzaak op basis van deze toelichting door mij onderkend wordt, zal ik een besluit nemen en de TK en GS Fryslân (als vertegenwoordiger Friese overheden) over mijn besluit inlichten. Ik merk nog op dat Frisia Zout en het Wetterskip Fryslân voor Barradeel al een schaderegeling voor de schade die het gevolg is van bodemdaling zijn overeengekomen;

• Barradeel II: de beslissing over de verlenging van het winningsplan Barradeel II zal ik pas nemen, nadat een schaderegeling in het kader van het gebiedsproject tot stand gekomen is;

• Over het verzoek van Vermilion om de winning uit de Harlingen-6 put nabij Franeker te mogen hervatten zal ik pas een besluit nemen nadat:

a) de studie van Vermilion over bodemdaling door gaswinning bij Harlingen en Franeker afgerond is,

b) TNO en Sodm hierover advies hebben uitgebracht,

c) een schaderegeling in het kader van het gebiedsproject tot stand gekomen is en

d) de Friese overheden naar aanleiding van de studie van Vermilion en adviezen zijn gehoord.

  Verder zal ik apart advies vragen aan de Technische Commissie Bodemdaling (Tcbb), gezien het bijzondere geologische voorkomen waaruit gas gewonnen wordt en de bijzondere situatie van bodemdaling die zich heeft voorgedaan.

• Over de winningsvergunningsaanvraag van Frisia Zout voor uitbreiding van de zoutwinning onder de Waddenzee zal ik pas een besluit nemen nadat de onderzoeken in het kader van de lopende m.e.r. gereed zijn, inclusief het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. Als de m.e.r. zou concluderen dat zoutwinning uit gebied onder Waddenzee het meest geschikte alternatief is, dan zal ik advies vragen aan TNO, Staatstoezicht op de mijnen en Mijnraad. Verder zal ik de Technische Commissie Bodembeweging advies vragen, en zal consultatie plaatsvinden met andere ministeries en betrokken Friese overheden, mede op basis van criteria als vastgelegd in de PKB-Waddenzee;

• Ook voor een besluit over de winningsvergunningsaanvraag van Frisia Zout voor de uitbreiding van de zoutwinning ten oosten van bestaande winningsvergunning Barradeel II wacht ik de resultaten van de m.e.r. af. Als uit de m.e.r. blijkt dat dit gebied geschikt is voor zoutwinning dan zal ik advies vragen aan TNO, Staatstoezicht op de mijnen (Sodm) en de Mijnraad. Verder zal ik ook de Technische commissie bodembeweging advies vragen en zal consultatie plaatsvinden met de betrokken Friese overheden.

2. De motie Jansen (31 349, nr. 8)

De motie noemt onafhankelijkheid van het onderzoek naar bodemdaling cruciaal en vraagt om een begeleidingscommissie die de verschillende visies op de oorzaken van bodemdaling reflecteert.

Zoals ik hierboven bij mijn reactie op de motie Zijlstra c.s. al heb aangegeven zal ik bij beslissingen over de gaswinning bij Harlingen en Franeker en over de uitbreiding van de zoutwinning in nieuwe gebieden gebruikmaken van adviseurs. De Mijnraad is een onafhankelijke adviseur, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet. Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage is een (bij de wet vastgelegde) onafhankelijke commissie. Verder merk ik op dat TNO een onafhankelijk instituut is. Verder heb ik Sodm genoemd als adviseur; weliswaar is Sodm onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, maar het heeft een eigen taak en verantwoordelijkheid. Tenslotte zal ik, zoals hierboven bij de bespreking van de motie Zijlstra c.s. al heb aangegeven, ook de Technische commissie bodembeweging advies vragen bij de beoordeling van de bodemdaling door gaswinning bij Franeker en de aanvragen van Frisia Zout voor nieuwe vergunningen voor zoutwinning. De Technische commissie bodembeweging is een onafhankelijke commissie die o.a. de taak heeft de minister te adviseren over de beweging van de aardbodem en schade die daarvan het gevolg kan zijn in verband met de gevolgen van mijnbouwactiviteiten. De Technische commissie bodembeweging is een onafhankelijk adviesorgaan en de instelling en taken zijn vastgelegd in de Mijnbouwwet.

Met de advisering door de genoemde adviseurs is er naar mijn mening voldoende waarborg omtrent onafhankelijke advisering en is aan de intentie van de motie Jansen voldaan.

3. De motie-Atsma c.s. (31 349, nr. 9)

De motie verzoekt «de voor- en nadelen, alsmede de haalbaarheid van zoutwinning op alternatieve locaties nabij Harlingen, waaronder het Wad in beeld te brengen».

Zoals bekend loopt op dit moment een m.e.r.-procedure waarvan Frisia Zout initiatiefnemer is. In deze m.e.r.-procedure zijn de richtlijnen inmiddels vastgesteld en de verwachting is dat de m.e.r. in het najaar gereed is. Het MER wordt opgesteld voor winning in nieuwe gebieden; het ene ligt in de Waddenzee in de nabijheid van Harlingen, het andere ten oosten van het gebied Barradeel II. Voor deze gebieden heeft Frisia Zout vorig jaar aanvragen om een winningsvergunning op basis van de Mijnbouwwet bij mij ingediend. Op deze aanvragen zal ik een besluit moeten nemen. Ik heb al aangegeven dat ik niet eerder een besluit over deze aanvragen zal nemen dan nadat de uitkomsten van de m.e.r. bekend zijn. Uit de m.e.r. zullen o.a. de voor- en nadelen van winning van zout dat onder de Wadden ligt moeten blijken.

Ik zal Frisia Zout vragen of het alsnog mogelijk is om in de m.e.r. een ruimer gebied te beoordelen dan het gebied waarop de aanvragen om winningsvergunningen betrekking hebben.

4. De motie-Jacobi en Jansen (31 349, nr. 13)

De motie vraagt allereerst dat de regering Frisia Zout opdraagt om een passende beoordeling uit te voeren in het kader van de Natuurbeschermingswet. Ik ben van mening dat Frisia Zout in haar Startnotitie van 12 augustus 2008 al aan deze wens tegemoet komt. Bij de besluiten is onder 8.2 ook een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 vermeld. Ook de Commissie voor de milieueffectrapportage heeft het belang van de Natuurbeschermingswet expliciet meegenomen. In 2.2 schrijft zij: De opgave van deze m.e.r.-procedure is daarmee te onderzoeken in hoeverre wingebied Havenmond mogelijk is binnen de kaders van de PKB en de Natuurbeschermingswet.

De motie vraagt verder, als significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, nader te onderzoeken of zoutwinning te classificeren is als activiteit van groot maatschappelijk belang. Ik ben van mening dat een dergelijke beoordeling pas aan de orde is als de resultaten van de m.e.r. bekend zijn. Deze vraag zal dus zo nodig bekeken worden in het vervolgtraject. Dat geldt dan ook voor de vraag of zoutwinning onder de Waddenzee wenselijk of onwenselijk is en of de PKB Waddenzee op dit punt aangepast moet worden.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

Naar boven