Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532637 nr. 163

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 163 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 20 januari 2015

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 19 november 2014 overleg gevoerd met Minister Kamp van Economische Zaken overondernemen en bedrijfsfinanciering.

(De volledige agenda is opgenomen aan het eind van dit verslag.)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Vermeij

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Franke

Voorzitter: Verheijen

Griffier: Thomassen

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Groot, Gesthuizen, Agnes Mulder, Verheijen Verhoeven en Ziengs,

en Minister Kamp van Economische Zaken.

Aanvang 13.00 uur.

De voorzitter: Ik heet de Minister van Economische Zaken, zijn ambtenaren, de mensen op de publieke tribune en de mensen die thuis meeluisteren welkom. Ik zie dat een ruime meerderheid van de Tweede Kamer vertegenwoordigd is. Wij hebben twee uur voor dit overleg, maar die hoeven niet helemaal gevuld te worden. Wij zullen kijken hoever we komen. Wij hebben in eerste termijn een spreektijd van vier minuten per fractie afgesproken. Ik hoor dat de heer Ziengs graag meer tijd wil, dus ik zal mild voor hem zijn.

De heer Ziengs (VVD): Voorzitter. De afgelopen weken was er nogal wat ophef over de zzp'ers en hun fiscale faciliteiten. Voor de VVD zijn zzp'ers ondernemers die voor eigen rekening en risico zelf hun boontjes doppen. Daar staan, geheel terecht, ook fiscale voordelen tegenover. Hoe ziet de Minister dit?

De voorzitter wil dat ondernemers de vrijheid krijgen. Er komen steeds meer regels voor de agrarische sector, maar die vinden wij niet allemaal terug in het overzicht van de regeldruk. Mijn collega Lodders zal hier bij de Staatssecretaris nog op terugkomen. Helaas schieten wij te vaak door met steeds weer nieuwe wetten en regels om elk denkbaar risico uit te bannen. Neem bijvoorbeeld de legionellaregelgeving. Na het drama in Bovenkarspel hebben we veel nieuwe regels opgetuigd, maar het risico op legionellabesmetting is er niet kleiner door geworden. Het levert dus geen baten, maar wel lasten op voor de ondernemers: een verplicht beheersplan, een risicoanalyse voor een leidingwaterinstallatie en een steeds maar uitdijend logboek, terwijl nog steeds niet is aangetoond dat de leidingwaterinstallatie de besmettingsbron was. Ook volgens Actal is er geen peil te trekken op de effectiviteit van al die regels. Het roer moet om. Te veel bedrijven en instellingen krijgen nu de status «prioritair» terwijl alleen in sauna's en zorginstellingen een groter risico op besmetting is. De overheid schiet nu met een kanon op een mug, maar zou beter moeten mikken. Ik zou zeggen: centraliseer al het toezicht op legionellapreventie, houd sauna's en zorginstellingen prioritair en zwak de regelgeving voor andere instellingen af. Graag krijg ik hierop een reactie dan wel toezegging van de Minister. Ik stel voor, Actal te vragen naar een representatief beeld van het effect van amendementen en Kamervoorstellen over regeldruk. Voorkomen is immers beter dan genezen. Ik kijk ook de collega's even aan. Ik vermoed dat zij dit wel aandurven.

Ook zou ik graag zien dat Actal zijn licht laat schijnen over de versnippering van overheidsinformatie aan ondernemers in relatie tot de eenloketgedachte. Denk bijvoorbeeld aan tal van websites over kredietverstrekking waar EZ aan meewerkt, het initiatief van ONL voor ondernemers en het grote aantal fraudemeldpunten. Graag krijg ik hierop een reactie.

Uit recente onderzoeken blijkt dat de ervaringen met de Aanbestedingswet steeds positiever worden, maar MKB INFRA meldt dat de offertekosten met gemiddeld 46% toenemen door de EMVI (economisch meest voordelige inschrijving). Kunnen wij toe met minder rompslomp en kosten? Graag krijg ik hierop een reactie van de Minister.

Ik kom op de socialreturneisen bij aanbestedingen. Kleine ondernemers hebben daar heel veel moeite mee. Zij staan voor een duivels dilemma: moeten zij vast en gekwalificeerd personeel ontslaan om aan de eisen te voldoen, of moeten zij een opdracht laten schieten, met het risico dat hun bedrijf in gevaar komt? De huidige eisen zijn goed bedoeld, maar pakken in de praktijk slecht uit: de ene werknemer erin en de andere eruit. De kosten en de rompslomp voor de overheid en de ondernemer nemen toe. Dat is in niemands belang. Het is vast ook niet de bedoeling.

Betalingstermijnen worden slecht nagekomen. Een aangeleverd voorbeeld bevestigt het beeld dat Dun & Bradstreet schetsen van Rotterdam. Herkent de Minister de problemen en, zo ja, wat kan hij dan doen aan dit beleid, dat zijn doel voorbijschiet? Verder krijg ik graag de toezegging dat de wet geëvalueerd wordt voordat de richtlijn uit Europa is vastgesteld. Ik doel op de richtlijn uit Europa voor de Aanbestedingswet. Het zou goed zijn als de resultaten van de evaluatie voor die tijd kenbaar zijn gemaakt, want dan kunnen de goede en misschien wel slechte dingen die uit die evaluatie naar voren komen, daar gelijk in verwerkt worden.

In het huidige winkel- en horecalandschap doen ondernemers hun best om zich te onderscheiden, bijvoorbeeld door in een kledingzaak op koopavond een drankje te serveren of door in een café de kunst die aan de muur hangt te verkopen. Daar is niets mis mee volgens de VVD, mits er een gelijk speelveld is voor horeca en retail. In de praktijk zien we echter dat de Drank- en Horecawet mengvormen vaak onmogelijk maakt. Kan de Minister samen met zijn collega van VWS de belemmeringen wegnemen?

Ik kom op de aangewezen keuringsinstanties (AKI's) voor kermis- en attractietoestellen. Ik krijg signalen dat zij lukraak keuringseisen verzwaren, waardoor de rekening voor ondernemers fors oploopt. Ook ondernemen AKI's internationale private activiteiten, waardoor zij vaak te lang niet beschikbaar zijn voor de Nederlandse ondernemers. Het beeld bestaat dat de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) in haar rol als controleur van certificaten vaak onvriendelijk is voor ondernemers. Klopt dit beeld? Wat kan de Minister voor de ondernemers betekenen?

Nu de economie weer aantrekt, is het de vraag of banken de groeiende kredietvraag kunnen bijbenen. DNB heeft daarvoor vier scenario's uitgewerkt. In drie daarvan ontstaan problemen met de kredietverlening. De VVD is hier ongerust over, vooral omdat het Nederlandse bedrijfsleven voor 80% afhankelijk is van bancaire financiering. Het belang van alternatieve financiering is dan ook groot. Crowdfunding groeit als kool, maar speelt nog een relatief bescheiden rol. Hoe staat het met de koppeling tussen crowdfunding en de BMKB (Borgstelling mkb-kredieten)?

Ik sluit af met de Wet markt en overheid. In 2009 stemde de VVD als enige tegen deze wet vanwege een amendement van CDA en PvdA. In dat amendement werd bepaald dat overheden zelf kunnen bepalen wat onder het algemeen belang valt. Daarmee viel de bodem onder de wet volledig weg, doordat ondernemers buitenspel gezet konden worden. Inmiddels hebben wij allemaal kunnen lezen hoe fataal dat amendement heeft uitgepakt. De afgelopen zomermaanden stonden de kranten vol met voorbeelden van oneerlijke overheidsconcurrentie. Ik geef slechts drie van de vele voorbeelden. Het eerste is de verhuur van ligplaatsen in gemeentelijke jachthavens. Ik zal het tweede en derde voorbeeld overslaan, maar ik heb nog wel een stuk of tien voorbeelden. Graag krijg ik een reactie van de Minister. Ik stel voor dat hij daarin niet alleen verwijst naar de te verwachten evaluatie.

De heer Verhoeven (D66): Het slotpunt van de heer Ziengs is mij uit het hart gegrepen. Ik vind het heel goed dat de VVD het in 2009 zo goed gedaan heeft, maar wat wil de VVD-fractie de komende tijd gaan doen? Natuurlijk zal de Minister verwijzen naar de evaluatie van de wet. Natuurlijk zal de Minister zeggen: ik heb dit punt wel vaker gehoord. Komt de VVD met een initiatiefwetsvoorstel, een aanscherping van de Wet markt en overheid om bijvoorbeeld dat artikel, dat het inderdaad mogelijk maakt om zelf te bepalen wat een publiek belang is en wat niet, eruit te halen? In dat geval zou D66 graag samen met de VVD optrekken.

De heer Ziengs (VVD): De vraag is duidelijk. Ons doel is inderdaad om dat amendement er weer uit te slopen.

De heer Verhoeven (D66): Wanneer gaan wij dat doen, mijnheer Ziengs? Dan kunnen wij gelijk zaken doen en weten ondernemers gelijk waar zij aan toe zijn.

De heer Ziengs (VVD): Dat lijkt me vrij simpel. De evaluatie komt eraan. Op dat moment wordt de wet waarschijnlijk ook weer ter discussie gesteld. Daarbij zal ook dit punt weer aan de orde komen.

De heer Groot (PvdA): Voorzitter. Wij hebben een hele stapel brieven en rapporten ontvangen. Het meest aangelegen punt is de ongerustheid over de kredietverlening aan het midden- en kleinbedrijf, waar ook de heer Ziengs al over sprak. We hebben daarover gisteren een rapport van de sociaaleconomische Raad ontvangen. Daarin worden en heleboel problemen benoemd die niet snel zijn op te lossen, zoals de funding van de banken, het gebrek aan concurrentie tussen de banken, de teruglopende bestedingen in Nederland, de inzakkende woningmarkt en het gebrek aan particuliere besparingen. Dat zijn allemaal zaken die niet snel zijn op te lossen. Hieruit blijkt dat er, afgezien van deze factoren, sprake is van marktfalen, omdat kleine kredieten nu eenmaal risicovol en bewerkelijk zijn voor banken. De SER schrijft in dit verband over marktfalen en stelt dat hiervoor wellicht permanente overheidsfaciliteiten geboden zouden moeten worden. Dit probleem wordt al 25 jaar lang onderkend. Ik kan mij herinneren dat de heer Theo Meijs, een bestuurder van ABN AMRO, toen nog de AMRO Bank, dit probleem al aankaartte. Dat heeft toen geleid tot de zogenoemde tanteagaathregeling. We hebben ook andere fiscale regelingen gezien, zoals Alternext. De willekeurige afschrijving zou wat moeten helpen, maar we hebben inmiddels ook geleerd dat fiscale instrumenten te ingewikkeld zijn en te veel deadweight loss opleveren. Dan moet je dus zoeken naar andere manieren om het probleem van die te dure, te bewerkelijke kredieten voor banken op te lossen. Graag krijg ik een reactie van de Minister op het SER-rapport. Hoe gaat hij dit probleem voor met name de kleine kredieten aanpakken?

Het zal ook helpen voor de liquiditeit van het midden- en kleinbedrijf als de overheid snel betaalt. Uit de brieven blijkt gelukkig dat de Minister daar goed mee bezig is. Hij monitort ook de betaaldiscipline bij gemeenten. Ik dank hem voor de inspanningen op dit punt. De overheid kan natuurlijk goedkoper lenen dan het midden- en kleinbedrijf. Dat rechtvaardigt dat de overheid snel is met het doen van betalingen. Datzelfde geldt voor grote bedrijven. Nu zien we in de praktijk dat grote bedrijven vanuit overwegingen van efficiënt kasbeheer vaak zo laat mogelijk betalen en zich in feite laten voorfinancieren door het midden- en kleinbedrijf. Dat kunnen zij doen omdat zij in relatie tot kleine bedrijven een machtspositie hebben. Dan krijg je de gekke situatie dat de partijen die het moeilijkst aan krediet kunnen komen, in feite de grote bedrijven financieren. Ik leg bij de Minister de gedachte neer – ik ben benieuwd naar zijn reactie daarop – om de betalingstermijn van grote bedrijven voor betalingen aan kleine bedrijven op de een of andere manier via regelgeving te bekorten. Dat zou in een klap vele miljarden aan liquiditeit opleveren voor kleine bedrijven. Het zou de machtsverhouding tussen grote en kleine bedrijven wat meer in evenwicht brengen. Hoe denkt de Minister hierover?

Als we dan toch spreken over de machtsongelijkheid tussen kleine en grote bedrijven, wil ik ook iets zeggen over de franchiseformules. Ik begrijp uit de brieven van de Minister dat hij inmiddels onderkent dat er een probleem bestaat op dit punt. Hij wil het oplossen via de weg van zelfregulering. Ik denk dat de Nederlandse geschiedenis leert dat zelfregulering heel vaak misgaat. We hebben dat gezien in de sociale zekerheid, in de medische wereld, bij de accountants, bij de banken en laatst ook bij de woningcorporaties. Ik kan moeilijk inzien hoe zelfregulering een probleem van machtsongelijkheid tussen kleine en grote bedrijven kan oplossen. Als deze problemen niet via zelfregulering opgelost kunnen worden, is de Minister dan bereid om verder te kijken en toch met wetgeving te komen om gelijkwaardigheid te verkrijgen in de contractvoorwaarden voor franchiseformules?

Ik kom op de onderbenutting van de vele potjes die zijn aangelegd voor de financiering van het midden- en kleinbedrijf. Dat komt deels door een gebrek aan vraag bij de kleine ondernemers en deels doordat ondernemers de weg niet weten in het woud van regelingen dat is ontstaan. Gisteren is er een brief gekomen van VNO-NCW met het voorstel om de Ondernemerskredietdesk in samenwerking met de Kamers van Koophandel en het voorlichtingsapparaat van de overheid om te vormen tot een soort financiële ANWB. Wat is de reactie van de Minister hierop? Hoe verhoudt dit zich tot de nieuwe bank die de heer Biesheuvel heeft aangekondigd?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Voorzitter. Ik begin met de regeldruk. Daarna ga ik in op de financiering. Dat zijn toch wel de twee hoofdpunten van dit overleg. Actal heeft harde kritiek op de bevindingen van de voorjaarsrapportage van het kabinet. Zijn hoofdconclusie is dat de verslaglegging weinig solide is en tekortkomingen en onduidelijkheden bevat. Actal geeft aan dat door de tekortkomingen en de weinig solide boekhouding helemaal niet kan worden beoordeeld of het bedrag van 2,2 miljard dat het kabinet reeds heeft belegd, wel klopt. Daarom hebben wij eerder deze week een aantal vragen aan de Minister gestuurd. De antwoorden daarop heeft hij nog net voor dit debat aangeleverd. Dat is grote klasse, want de tijd was best kort. Ik heb die antwoorden echter zo snel niet in een heel andere inbreng kunnen verwerken, dus ik ga toch nog een aantal punten langs, als de Minister dat goedvindt.

Ik zet de tekortkomingen op een rij: het ontbreken van dossiers die leiden tot een toename van de regeldruk, het bij dossiers verkeerd weergeven van de gevolgen voor de regeldruk, het meetellen van dossiers in de regeldrukvermindering terwijl die pas na 2017 tot regeldrukvermindering leiden, het buiten beeld houden van de wet- en regelgeving die niet meetelt voor de reductiedoelstelling maar wel degelijk gevolgen heeft voor de regeldruk, onduidelijkheid in de verslaglegging over de vraag of het om reductie in uren of in euro's gaat en het feit dat het kabinet zich slechts in de helft van de gevallen aan de vaste verandermomenten en minimale invoeringstermijnen houdt, inclusief de uitzonderingsgronden. Hierdoor is de wet- en regelgeving misschien wel onnodig vaak veranderd. Wat gaat de Minister doen aan de verslaggeving, die volgens het rapport van Actal weinig solide is? Neemt de Minister de aanbevelingen van Actal over? Wat heb je aan zo'n overzicht als een aantal aannames daarin misschien niet klopt? Het is dan lastig om daaraan de conclusie te verbinden dat je de regeldrukvermindering wel of niet haalt. Kan de Minister hierop terugkomen? Daar komt nog bij dat de voornemens om te komen tot een regeldrukvermindering ter waarde van 2,2 miljard exclusief de voornemens uit verschillende nog te behandelen wetten zijn. Uiteindelijk is het wel een nettodoelstelling die wij met elkaar kunnen en moeten halen. In een eerder overleg hebben wij al aangegeven dat wij het jammer vinden dat de Minister geen doorzettingsmacht heeft tegenover andere ministeries, dat er geen kwantitatieve doelstellingen per ministerie zijn en dat er geen directe overzichten per ministerie zijn waarin te zien is hoe een en ander precies werkt. Wil de Minister daar alsnog verandering in aanbrengen, mede met het oog op de kritiek die Actal naar voren brengt?

In het verlengde hiervan heb ik nog een andere vraag. De Minister heeft eerder dit jaar toegezegd dat hij een reactie zal geven op het Actal-rapport van april 2014 «Kleine ondernemers, nog altijd hoge lasten». Wanneer kunnen wij die reactie van de Minister ontvangen?

Ik kom op de financiering. Het mkb is natuurlijk de motor van onze economie, maar er blijven maar haperingen optreden. Er worden talloze voorstellen gedaan, maar men krijgt het maar niet onder controle. Hebben wij, zowel de Kamer als het kabinet, de aanpak wel goed genoeg voor ogen? Is de Minister het met de SER eens – collega's hebben het SER-rapport ook al genoemd – dat er naast een aanvullend actieplan voor mkb-financiering een echte mkb-groeiagenda moet komen? Daarnaast wordt in het SER-rapport geconcludeerd dat de markt voor mkb-financiering ook verschillende structurele knelpunten kent, zoals schaalnadelen – een klein krediet is immers relatief duurder en bewerkelijker – en informatieknelpunten bij potentiële financiers. Vertegenwoordigers van de kleine bedrijven die ik spreek, zeggen: het is zo veel dat ik bijna door de bomen het bos niet meer zie; waar kan ik nu terecht? Ook bij de begrotingsbehandeling hebben wij hierover met elkaar gesproken. Gisteren ontvingen wij inderdaad de brief van VNO-NCW waarin staat dat men wil samenwerken met de Kamer van Koophandel. Wij vinden dat een goede richting, maar vragen ons ook af of moderne hulpmiddelen zoals apps hierbij handig kunnen zijn voor de ondernemers. Waar zoeken zij precies en hoe kunnen wij optimaal aansluiten bij de vraag? Wij moeten minder alleen vanuit het aanbod denken. Misschien kan een vergelijking worden gemaakt met de regelhulpen die wij hebben om in de wetgeving een en ander toegankelijker te maken; je zou een soort financieringshulpen kunnen bedenken.

Onlangs heeft Detailhandel Nederland het rapport Web & Winkel uitgebracht. Daarin staat een aantal aanbevelingen op het gebied van digitalisering van de detailhandel. Wij zouden graag een kabinetsreactie ontvangen op dit rapport. Is de Minister daartoe bereid?

Ik denk dat ik inmiddels door mijn tijd heen ben, dus ik laat het hierbij.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Ik ben blij dat de benutting van het financieringsinstrumentarium weer is gestegen. Dat is goed voor de economie. Het moet echter beter. Zoals de heer Groot zei, is dat gebleken uit het rapport van de SER dat wij gisteren kregen en toegelicht kregen door de nieuwe voorzitter van de SER. Zij wees onder meer op het belang van de eenloketbenadering, die een duidelijke wegwijzer biedt in het overigens wel uitdijende – dat is in dit geval positief – financieringswoud. Tijdens de begrotingsbehandeling hebben de heer Vos en ik een motie ingediend om de British Business Bank als inspiratiebron te gebruiken voor de eenloketgedachte, de one-stop-shoppinggedachte. Die motie heeft het ook gehaald. Hoe gaat de Minister die motie uitvoeren? Hoe gaat hij de initiatieven van VNO-NCW, MKB-Nederland, ONL – dat heeft eergisteren gepleit voor een ondernemersbank – en de huidige banken, die hiermee ook al bezig zijn, bundelen? Hoe gaat hij deze erbij betrekken? Ik krijg veel signalen over de complexiteit van de aanvragen en de lange termijn van beantwoording. Is de Minister bereid om ook deze signaleren te betrekken bij de uitvoering van de motie?

Dan kom ik op de start-ups. 150 miljoen uit het Dutch Venture Initiative is inmiddels geïnvesteerd in venturecapitalfondsen. Dat is goed nieuws, maar het zou nog beter zijn als pensioenfondsen ook zouden investeren in de venturecapitalfondsen. Onlangs stond in Het Financieele Dagblad een mooi artikel over buitenlandse fondsen die Nederlandse start-ups opkopen met geld van Nederlandse pensioenfondsen. Ik hoor graag van de Minister hoe hij pensioenfondsen weer in Nederlandse venturecapitalfondsen wil laten investeren. Welke rol ziet hij daarbij weggelegd voor de Nederlandse Investeringsinstelling, de NII?

Een goede exitstrategie is heel belangrijk voor start-ups om investeringen van angel investors of de eerder genoemde venturecapitalfondsen te kunnen aantrekken. De exitmogelijkheid bepaalt de mogelijkheid om geld uit de markt te halen. De verkoop van een start-up is namelijk datgene waar de investeerders het geld mee verdienen. In de VS nemen grote bedrijven als Google en Microsoft elk jaar tientallen start-ups over. Google doet dat sinds 2010 zelfs bijna wekelijks. In Europa gebeurt dat veel minder en is het veel lastiger voor start-ups om een exit te vinden. Het gevolg daarvan is dat veel venturecapitalfondsen start-ups liever vanuit Nederland naar de Verenigde Staten verplaatsen. Op die manier lekken kennis, innovatie en geld weg uit Nederland. Ziet de Minister dit probleem ook en, zo ja, wat wil hij er dan aan doen? Zijn collega, de Staatssecretaris van Financiën, noemde in zijn brief van 1 september over de Innovatiebox het begrip «indeplaatstreding». Klopt het dat de Innovatiebox daarmee ook geldt voor innovatie uit overgenomen start-ups? Hoeveel procent van het gebruikte geld of de niet-geïnde belastingen gaat daarnaartoe via de Innovatiebox? Is de Minister bereid om de Innovatiebox te beperken tot enkel en alleen innovatie uit overgenomen Nederlandse start-ups? Dan wordt het ten minste een echte Innovatiebox. Zoals bekend leidt de Innovatiebox nauwelijks tot innovatie. D66 zou er liever vanaf willen, maar we hebben met de Minister afgesproken om de evaluatie af te wachten. Tot die tijd willen we wel zien dat de Innovatiebox optimaal wordt ingezet. Ik ontvang daar graag een reactie van de Minister op.

Ik kom op mijn laatste punt. Hoeveel tijd heb ik nog, voorzitter?

De voorzitter: U hebt nog ruim een minuut.

De heer Verhoeven (D66): Dan kan ik zelfs nog op twee punten ingaan.

Allereerst kom ik op het inkomend toerisme. De Minister gaat binnenkort met het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen (NBTC) praten over het budget 2016–2019 voor Holland Marketing. Drie jaar geleden, in 2011, is dat gekort, ondanks inspanningen van onder anderen de heer Ziengs, het CDA en mijzelf. De Minister zegt nu dat hij het potentieel van het NBTC ziet om met name minder populaire regio's onder de aandacht te brengen bij inkomende toeristen. We hebben natuurlijk genoeg Engelsen in Amsterdam, om het zo maar te zeggen, maar er gaan nog weinig Chinezen naar Giethoorn. Die kans, dat potentieel, beschrijft de Minister ook, maar hij heeft daarbij niet heel concreet gemaakt wat het budget is. Is de Minister bereid om de budgetruimte te bespreken en om daarbij naar dit onderdeel van het werk van het NBTC te kijken?

Tot slot kom ik op een ander punt dat in de begrotingsbehandeling aan de orde is geweest: het voorbeeld van SEIS (Seed Enterprise Investment Scheme) uit het VK. De early stage investors zijn van groot belang in de eerste fase van start-ups. Tijdens de begrotingsbehandeling hebben we daarom voor de SEIS-regeling gepleit. Daarmee worden de business angels gestimuleerd om in start-ups te investeren. De Minister wil wachten met actie op dit gebied tot de evaluatie van de SEIS-regeling in het Verenigd Koninkrijk, waar zij vandaan komt, gereed is. Is de Minister hierover in contact met zijn ambtsgenoot? Zo ja, wat komt daaruit voort?

Veel dank voor uw geduld, voorzitter.

De voorzitter: Ik dank u voor uw bijdrage.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. We hebben een heel volle agenda. Dat betekent helaas automatisch dat je niet over alle stukken die erop staan, een uitgebreide opmerking kunt maken. Laat ik dus snel beginnen.

Van de stand van zaken met betrekking tot betaaltermijnen ben ik toch wel een beetje geschrokken. Een en ander heeft zich helaas niet helemaal ontwikkeld zoals ik had gehoopt. De ministeries doen het over het algemeen aardig. Bij het overgrote deel van de ministeries wordt meer dan 90% van de rekeningen op tijd betaald, maar er zijn ook een paar ministeries waar dat niet gebeurt. Onder andere bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Defensie is het slechter geworden. Ik wil graag van de Minister weten hoe dit nu eigenlijk komt.

Ik heb ook een vraag over het onderzoek van de Nationale ombudsman. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat ongeveer 57% van de gemeenten zich niet aan de wet houdt. 43% doet dit wel en 57% dus niet. Ter vergelijking: in het onderzoek van Dun & Bradstreet, dat de Minister volgens mij zelf heeft laten uitvoeren, staat dat 77% van de gemeenten goed presteert. Dat vind ik een nogal opvallende afwijking. Heeft de Minister onderzocht hoe het kan dat er zo'n groot verschil is? Hoe kijkt de Minister hier sowieso tegenaan, zelfs als het percentage uit het onderzoek van Dun & Bradstreet correct zou zijn? Wat kan er nog meer worden gedaan, bijvoorbeeld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, om ervoor te zorgen dat gemeenten er meer van doordrongen raken dat zij hun rekeningen op tijd moeten betalen? Ik weet nog dat de voorganger van de vorige Minister in de Tweede Kamer zei dat zij het plat schandalig vond dat gemeenten of andere overheden, hun rekeningen niet op tijd betaalden. Ik neem aan dat deze Minister dezelfde mening is toegedaan en dat dit toch wel het laaghangend fruit is om het mkb en alle andere bedrijven in Nederland een steuntje in de rug te geven. Dat lijkt mij heel simpel.

Ik sluit mij kortheidshalve aan bij alle opmerkingen en vragen over de kredietaanvragen en de financiering voor het midden- en kleinbedrijf die ik, ondanks mijn late binnenkomst, heb kunnen horen. Ik neem aan dat we gewoon een uitgebreide reactie van de Minister krijgen op het SER-rapport dat wij gisteren in de Kamer hebben ontvangen. Ook ik heb hierover een aantal vragen. Hoe zit het nu met de bundeling van initiatieven? Hoe zorgen wij ervoor dat men, zoals mevrouw Mulder zei, door de bomen het bos weer ziet? Het is op dit moment inderdaad een beetje een oerwoud aan verschillende regelingen aan het worden. Het zou heel prettig zijn als de Minister een regisserende rol zou spelen. Ik weet niet of de Minister die rol voor zichzelf ziet, maar ik zou heel graag zien dat hij die rol op zich neemt om ervoor te zorgen dat een en ander gebundeld wordt en dat ondernemers weten waar ze terechtkunnen.

Ik ga snel over naar het volgende punt: de periodieke rapportage van de Commissie van Aanbestedingsexperts. Er zijn 70 klachten ingediend, waarvan 60 door het mkb, zo heb ik begrepen. Dat bewijst zeker het nut van de commissie. Ik ben daar erg blij mee. De klachten gingen vooral over de gunningcriteria, de beoordeling, de bieding en het programma van eisen. Ook de Kamer krijgt af en toe iets toegestuurd. Ik heb daar bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken nog op gewezen. Een van die klachten betrof bijvoorbeeld een aanbesteding van het COA. Die zaak is inmiddels onder de rechter en ik wacht met spanning op de rechterlijke uitspraak in die zaak. Bij die aanbesteding doen zich interessante zaken voor, bijvoorbeeld met betrekking tot de termijn waarbinnen iets opgeleverd moet zijn. De ondernemer denkt dat hij zich daaraan moet houden, terwijl bij de gunning blijkt dat er toch weer, om onverklaarbare reden, van is afgeweken. Als de ondernemer dan gewoon netjes vraagt of hij mag weten waarom er toch gegund is aan een bedrijf dat nog later opleverde dan zijn bedrijf, krijgt hij geen antwoord. Dat is hartstikke jammer, want dan moet iemand dus naar de rechter. Ik vind dat echt bijzonder pijnlijk om te zien. Deze zaak van het COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers) is onder de rechter. Volgende week zal de rechter hierover uitspraak hebben gedaan. Dan zal ik dit ook nog met de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bespreken. Het zijn echter wel tekenen aan de wand dat de Commissie van Aanbestedingsexperts erg zinvol is en dat die misschien nog wel wat meer bekendheid mag krijgen.

Ik heb een vraag over de verbeterpunten die de commissie noemt. Zij stelt dat de behandeling van klachten veel tijd vergt, omdat in veel gevallen sprake is van principiële kwesties met betrekking tot de toepassing van de Aanbestedingswet 2012 en de Gids Proportionaliteit waarover de wetgever of de burgerlijke rechter nog geen uitspraak heeft gedaan. Daarbij past de kanttekening dat het in een aantal gevallen gaat om de toepassing van wetsbepalingen die minder goed doordacht of niet eenvoudig toepasbaar blijken te zijn. De Minister heeft al gezegd dat dit nader onderzoek vergt, maar ik wil dit toch graag heel snel weten. De Commissie van Aanbestedingsexperts wijst op zaken in de wet die niet zo handig zijn en waar men in de praktijk niet goed mee uit de voeten kan. Ik denk dat we er niet heel lang mee moeten wachten om die zaken aan te passen.

Ik zie dat de voorzitter de microfoon wil gaan gebruiken. Moet ik afronden?

De voorzitter: U hebt nog twintig seconden.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dan kan ik mij tot slot nog aansluiten bij de opmerking die de heer Verhoeven heeft gemaakt over het NBTC. De SP heeft een amendement opgesteld om het budget van het NBTC weer iets omhoog te brengen. Ik hoop van harte op steun van de fractie van D66 en andere fracties.

Helemaal op het laatst zeg ik nog iets over de aanpak van de problematiek in de franchisesector. Het is heel goed dat we hierover begin 2015 meer zullen horen van de Minister. Ik wil wel graag weten of de Minister intussen al signalen heeft gekregen uit het veld, bijvoorbeeld van de franchisenemers. Heeft hij commentaar gekregen op de huidige stand van zaken? Hoe vinden zij dat het nu gaat? Ik hoor namelijk niet altijd even positieve geluiden.

De heer Verhoeven (D66): Mevrouw Gesthuizen verwees zojuist naar een amendement. Is dat het amendement waarin de SP ervoor pleit om wat van het budget bij TenderNed weg te halen en dat over te hevelen naar de identiteitsfraudeorganisatie? Heeft dit ook betrekking op het NBTC? Staat dit alles in één en hetzelfde amendement?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat staat allemaal in aparte amendementen. Het gaat in partjes. We halen iedere keer een stukje van het budget bij TenderNed weg. Het gaat in dit geval om een relatief laag bedrag, maar het is toch wel een substantiële bijdrage voor het NBTC.

De voorzitter: Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. De Minister heeft laten weten dat hij meteen kan doorgaan met de beantwoording.

Minister Kamp: Voorzitter. Voor het geval dat de heer Verhoeven het vergeten is, wijs ik erop dat Nederland een van de meest ondernemende landen van de wereld is. Nederland heeft een heel gezonde marktdynamiek en heeft ook erg veel ondernemers. Als gevolg daarvan hebben we een economie met een grote concurrentiekracht, die de concurrentie in de wereld heel goed aankan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat ondernemers, nu de economie in de eurozone en de Europese Unie moeizaam of bijna niet meer groeit en zij hun producten dus minder makkelijk kunnen exporteren naar klanten in de Europese Unie, erin slagen om klanten elders in de wereld te vinden, in Amerika, Afrika en Azië. Het afgelopen jaar, de afgelopen twaalf maanden, hebben zij toch weer een exportgroei van 4,5% kunnen realiseren. Je ziet elke keer dat Nederland een heel dynamisch ondernemersbestand heeft. De bedrijven in het mkb zijn natuurlijk de grote drijvende kracht achter de economie. Het is daarom ook heel terecht dat de Kamer zo veel aandacht besteedt aan de problemen die het mkb heeft, bijvoorbeeld met betrekking tot de financiering. Ik besteed daar ook aandacht aan. Naast de situatie in Groningen is de financiering van het mkb het punt waar ik de meeste energie in steek. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat we daarmee te maken hebben of daarmee bezig zijn.

Laat ik meteen iets zeggen over de financiering. We hadden al een flink instrumentarium met uitgebreide garantieregelingen op basis waarvan 8 miljard aan financiering geregeld is. De afgelopen twee jaar heeft het huidige kabinet daar nog twee keer een flinke schep bovenop gedaan. Er is een speciaal pakket ontwikkeld voor het jaar 2014 en nu weer voor het jaar 2015. Op grond daarvan heeft Qredits – dat is de organisatie die ervoor zorgt dat een ondernemer een tweede kans krijgt als zijn kredietaanvraag is afgewezen door een bank – inmiddels al 5.200 kredieten verstrekt. Dat zijn er ongeveer 100 per maand. De grens voor het verstrekken van een krediet lag eerst op € 50.000. Die grens wordt nu opgetrokken naar, in totaal, tweeënhalve ton per krediet. Dat is dus een flinke aanvulling. We zijn erin geslaagd om ook de institutionele beleggers, de pensioenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen, bij de financiering van het mkb te betrekken. Zij hebben een nationale investeringsinstelling opgericht. Het eerste onderwerp waar zij zich concreet mee bezighouden, is ervoor zorgen dat ze zo gauw mogelijk iets extra's kunnen betekenen voor het mkb.

We hebben ons laatste pakket voor het jaar 2015, dat tijdens de behandeling van de begroting van EZ ook door de Kamer is vastgesteld, vooral gericht op de problemen die het mkb vaak heeft in verband met een gebrek aan eigen vermogen. We zijn nu bezig met regelingen om ervoor te zorgen dat het eigen vermogen van deze bedrijven wordt versterkt. Zij worden daarin ondersteund. Vervolgens slagen zij er op basis van het versterkte eigen vermogen weer in om financiering bij de bank te krijgen en om daar, ook weer van ons, garanties voor te krijgen. Ondanks het feit dat we enorme verliezen lijden op de garantieregelingen – het gaat al twee jaar achter elkaar om verliezen van ver boven de 100 miljoen – gaan we daarmee door, omdat we denken dat het op dit moment in het algemeen belang is om de financiering van het mkb te ondersteunen.

Met de informatievoorziening aan bedrijven over financiering zijn we al een heel eind gekomen. De Nederlandse Vereniging van Banken heeft samen met MKB-Nederland een financieringsdesk opgericht. Het is heel goed dat ze dit gedaan hebben. Wij hebben hetzelfde gedaan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Hetzelfde gebeurt bij de Kamer van Koophandel. Alles wat er aan regelingen en mogelijkheden is, is nu dus op drie plekken met elkaar in verband gebracht en toegankelijk gemaakt voor ondernemers. Je hebt dan ook meteen het probleem bij de kop, want het zijn wel drie verschillende plekken. Zoals de woordvoerders, onder anderen de heer Groot, hebben gezegd, zou je toch eens moeten nagaan hoe men dat in het Verenigd Koninkrijk doet. Daar is op één plek – ze noemen die de British Business Bank, maar het is geen echte bank – alle informatie beschikbaar voor ondernemers. De Kamer zei hierover: laat je daardoor inspireren. Ik ben daar al door geïnspireerd. Ik denk dat het een heel goed voorbeeld is. Ik denk dat het heel verstandig is geweest om eerst alle informatie bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de Kamer van Koophandel en de Vereniging van Banken samen met MKB-Nederland beschikbaar te krijgen en toegankelijk te maken, ook via websites, maar we moeten nu de volgende slag maken. Ik wil dus één voorziening hebben. We zien dan nog wel welke naam ik daaraan geef. Je kunt het een bank noemen, maar het is natuurlijk geen echte bank. Het gaat er meer om dat je alle informatie bij elkaar brengt zodat de ondernemer weet waar hij naartoe moet en dat hij links- of rechtsom uiteindelijk ergens naartoe wordt gebracht waar hij een kans heeft om een goede aanvraag gefinancierd te krijgen. Wij hebben daarover gesproken met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Kamer van Koophandel. Dat ging vrij snel, omdat ik daar zelf verantwoordelijk voor ben. Vervolgens hebben we daarover gesproken met de Nederlandse Vereniging van Banken en MKB-Nederland. Die zitten op dezelfde lijn. Wij zijn op dit moment dus druk bezig om daar één geheel van te maken. Ik heb goede hoop dat dit gaat lukken. Wij vinden het prima dat er ook andere initiatieven zijn op dit punt. Ik merk dat ook anderen ideeën hebben en daaraan willen bijdragen. Het is ook zeker mogelijk dat de centrale desk die wordt ingericht, niet alleen doorverwijst naar degenen die ik zojuist heb genoemd, maar ook naar derden met initiatieven. Op die manier kan worden samengewerkt. Iedereen die op dit punt wat te bieden heeft, verdient het om positief tegemoet te worden getreden. Ik ga dat dus doen, in aanvulling op wat ik eerder heb gezegd.

Ik kom zo apart terug op een paar punten die door de woordvoerders zijn ingebracht met betrekking tot financiering. Ik kan misschien alvast zeggen dat de betalingen door de ministeries op dit moment op orde zijn. Mevrouw Gesthuizen zei dat dit op twee ministeries nog niet naar haar zin gaat. Het gaat daar ook niet naar mijn zin, dus ik zal apart met de collega's daarover spreken. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de situatie in gemeenten. Wij zijn het stadium van onderzoeken eigenlijk voorbij; ik ga de situatie zoals die nu is, gewoon publiceren. We gaan bekijken hoe gemeenten hun rekeningen betalen en we maken de gegevens voor iedereen inzichtelijk. Het is dan aan gemeenteraden om corrigerend op te treden.

Er is ook gesproken over de betalingen door de grote bedrijven. De heer Groot heeft gezegd: laat ze nu binnen een korte tijd, binnen een of twee maanden, betalen; dan neem je een enorm probleem bij hun leveranciers weg. Maar ja, zo gaat dat niet in ons land. Nederland is geen land waarin wordt voorgeschreven hoe je moet betalen. Het is altijd een kwestie van onderhandelen tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het gaat daarbij om de kwaliteit die wordt geboden, het moment waarop kan worden geleverd, de prijs die wordt gevraagd en de betalingsvoorwaarden die worden geaccepteerd. Het ligt niet voor de hand om hierin, in ons toch gelukkig vrij liberale Nederland, in te grijpen. Ik vind wel dat er in de hele keten van financiering tussen grote bedrijven en kleinere bedrijven, mogelijkheden voor verbetering zijn. Grote bedrijven kunnen bijvoorbeeld worden aangesproken of zij kunnen in de gelegenheid worden gesteld om zekerheden voor hun betalingen aan banken te geven zodat die op grond daarvan weer kredieten aan kleinere bedrijven kunnen geven. We hebben een bedrag van 5 miljoen uitgetrokken om de hele keten van financiering goed door te nemen en na te gaan waar we verbeteringen kunnen realiseren. Ik wil de wens van de heer Groot en anderen graag realiseren en ik ga daar mijn best voor doen.

Zoals de Kamer weet, zijn wij eigenlijk de drijvende kracht achter crowdfunding. Deze vorm van financiering begint flink op gang te komen. Wij begeleiden dat proces door regels te ontwikkelen en nu ook door middelen beschikbaar te stellen voor publiciteit. We hebben € 450.000 beschikbaar gesteld om de publiciteit van crowdfunding aan te jagen. Dat is een element uit onze aanpak. Over de hele linie zijn wij bezig om alle mogelijkheden voor een verbetering van de financiering van het mkb te benutten. Ik denk dat we daarmee inmiddels een heel eind in de goede richting zijn, zeker met het laatste pakket dat de Kamer heeft vastgesteld tijdens de behandeling van de begroting van Economische Zaken, waarin toch voor 2,5 miljard ruimte voor dekking wordt gevonden, zo schatten wij.

Ik geloof dat de heer Verhoeven heeft gevraagd naar de Britse SEIS-regeling.

De heer Ziengs (VVD): Mijn interruptie richt zich op het onderwerp crowdfunding. Ik heb daar een gerichte vraag over gesteld. Wellicht komt de Minister daar straks nog op terug. Mijn vraag ging over het gebruik van de BMKB-regeling.

Minister Kamp: Ik kom zeker terug op de vragen van de heer Ziengs. Ik behandel de onderwerpen eerst in het algemeen, maar als de heer Ziengs wil, kan ik deze vraag alvast beantwoorden. Die koppeling kan zeker worden gemaakt. Er liggen echter nog geen aanvragen voor. Degenen die crowdfunding organiseren, hebben nog niet laten weten dat zij hier gebruik van willen maken. Dat is misschien ook moeilijk, want er moet wel een heel goede kredietbeoordeling hebben plaatsgevonden, wil de overheid garanties kunnen geven. Ik kan nog niet overzien of de kredietbeoordeling die bij crowdfunding plaatsvindt helemaal aan de eisen van de BMKB-regeling voldoet. We zullen dat aan de hand van concrete situaties bepalen. We hebben de BMKB-regeling in ieder geval opengesteld voor andere deelnemers dan banken. Er waren in totaal zes of zeven initiatieven waarvoor informatie is aangevraagd over de BMKB-regeling en waarover met ons gesproken is, maar tot dusver heeft alleen Qredits hier gebruik van gemaakt. Zoals bekend, is Qredits een opzet van de banken en ons gezamenlijk. Over de andere initiatieven zijn nog gesprekken gaande. Misschien komt daar wat uit. Ik hoop van wel, omdat ik graag wil dat er in een breder verband gebruik wordt gemaakt van de BMKB-regeling. Wat wel overeind blijft, is dat er een deugdelijke kredietbeoordeling moet zijn, wil de overheid garant kunnen staan. Op de andere punten van de heer Ziengs kom ik zeker terug.

Ik loop eerst de verschillende punten langs. De SEIS-regeling is onder anderen door de heer Verhoeven aan de orde gesteld.

Dat is een Britse regeling, die krap anderhalf à twee jaar bestaat. De Kamer weet dat deze regeling nog niet is geëvalueerd. De Kamer weet ook dat ze erg genereus is: bij de financiering van een startend bedrijf kan het gehele bedrag ten laste van het inkomen worden gebracht; en als de financiering wegvalt, het bedrijf het niet redt en je je geld dus kwijt bent, kun je dat nogmaals ten laste van je inkomen brengen. Als het goed gaat en je er heel veel geld mee verdient, betaal je daar geen belasting over. Dit is dus een heel verregaande regeling, die niet direct past binnen onze systematiek. Als wij dat ook willen doen, moet ik zeker kijken naar het budgettaire beslag. In onze huidige regelingen wordt niet gekeken naar de fiscaliteit, maar wordt het op een andere manier gedaan. De Kamer is bekend met alle dingen die wij nu opzetten: het Dutch Venture Initiative (DVI), het achtergestelde-leningenfonds en de diverse andere fondsen die we creëren, de betrokkenheid van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF), de Nederlandse Investeringsinstelling (NII) en daarmee de betrokkenheid van de pensioenfondsen en de verzekeraars. Wij hebben dus onze eigen manier van doen. Ik ben benieuwd naar de Engelse evaluatie van het SEIS. Ik zeg niet bij voorbaat dat wij dat gaan overnemen.

Tot zover de financiering. Misschien is het goed om nu over te gaan op de regeldruk.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Met betrekking tot de financiering heb ik aan de Minister gevraagd of hij een soort financieringshulpen zou kunnen introduceren, om het geheel praktisch, makkelijk en toegankelijk te maken; net als de regelhulpen voor ondernemers om door de wetgeving heen te komen. Hij zou dat kunnen doen samen met alle partijen die hij in zijn betoog heeft genoemd. Wil de Minister daarnaar kijken?

Minister Kamp: Ik wilde zo gaan praten over de regeldruk, maar vanwege deze vraag van mevrouw Mulder zal ik nu de regelhulpen behandelen, evenals het Ondernemingsdossier. Het Ondernemingsdossier is echt mijn hobby; ik vind het echt geweldig wat we daarmee doen. Deze week sprak ik met chemiebedrijven en die waren daar zeer tevreden over. De horeca is er ook zeer tevreden over. Het zorgt ervoor dat een ondernemer niet iedere keer weer door overheden wordt benaderd met de vraag om allerlei informatie te verschaffen; de ondernemer legt het allemaal zelf in één keer vast in zijn eigen digitale Ondernemingsdossier. Als overheden informatie willen hebben, kunnen zij in dat dossier terecht en hoeven zij daarvoor dus niet iedere keer naar de ondernemer. Als je dat georganiseerd hebt, kun je de ondernemer via de regelhulpen heel goed attenderen op fiscale zaken, op financieringszaken, op wat er binnen hun branche inhoudelijk speelt. Met die digitale regelhulpen zijn er dus grote mogelijkheden, zeker met betrekking tot de financiering. Eind dit jaar hebben 7.000 ondernemingen een Ondernemingsdossier. Ik wil er eind volgend jaar 35.000 en eind 2016 wil ik er 80.000 hebben. Ik wil dat voor de Kamer controleerbaar maken. Het wordt nu in vier branches ingevoerd, tot ieders grote tevredenheid. We maken afspraken met zes andere branches, die het ook willen. De rest komt erachteraan. Hier komen we echt verder mee. Wij hebben de techniek van het Ondernemingsdossier overgenomen, wij hebben de rechten gekocht en beheren nu zelf de website. Wij maken die regelhulpen nu zelf, onder andere voor financiering, fiscaliteit, arbeidsomstandigheden, brandveiligheid en toezicht. Ze zullen uiteindelijk ook door de markt worden aangeleverd, maar wij zorgen nu voor opschaling en volume. Wij gaan de regeldruk voor burgers en bedrijven op die manier aanmerkelijk verminderen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik hoopte natuurlijk dat de Minister die richting in zou slaan. We zouden de goede voorbeelden uit de regelhulp kunnen gebruiken voor ondernemers die krediet nodig hebben. Zijn er op dit gebied financieringshulpen te verwachten, een soort doorontwikkelde regelhulpen, en zouden alle partijen en de Minister deze gezamenlijk kunnen aanbieden? Ik denk daarbij aan een soort app waarop een ondernemer die dingen kan zien.

Minister Kamp: Ik houd deze suggestie even vast. Ik heb gezegd dat ik de bestaande drie financieringsdesks wil samenvoegen tot één. Mevrouw Mulder vraagt naar de verbinding tussen de financieringsdesk en het Ondernemingsdossier. Dat is een goede vraag. Ik ga daar nog even op kauwen. Laat ik een voorbeeld noemen van zo'n regelhulp. Binnenkort krijgen we de bakkersbranche erbij. Bakkers hebben heel veel met hygiëne te maken, omdat ze bederfelijke waar gebruiken en produceren. Daarvoor bestaan allerlei voorschriften. We hebben aan de hand van precies 22 vragen alle zaken die op het gebied van hygiëne voor een bakker belangrijk zijn, in een regelhulp samengevoegd. De bakkers zijn daar erg blij mee. Met de horeca hebben we afgesproken dat als ondernemers bepaalde zaken in hun Ondernemingsdossier brengen, de toezichthouders niet meer naar de bedrijven toe hoeven om daar te controleren; zij kunnen dat gewoon via het Ondernemingsdossier doen. Dat scheelt de ondernemers veel tijd die zij anders aan toezicht hadden moeten besteden. Dit kan op die manier buiten hen om worden gedaan op grond van informatie die zijzelf in het Ondernemingsdossier hebben opgenomen. Bij het toezicht op de rubber- en kunststofindustrie hebben we hetzelfde gedaan. Ook dat loopt goed. We kijken nu met horecaondernemers naar de mogelijkheden van een regelhulp voor de nieuwe allergenenwet, zodat zij daar ook op een makkelijke manier mee kunnen omgaan. We hebben dus een hele reeks van die regelhulpen in gebruik en in voorbereiding. Ik denk dat we daar in de toekomst nog veel plezier van zullen hebben.

De heer Verhoeven (D66): Ik snap heel goed dat de Minister niet op voorhand een initiatief wil overnemen, zelfs niet als de evaluatie ervan positief is. Dat zegt hij dus volkomen terecht. Maar andersom zegt de Minister ook altijd tegen mij dat ik eerst op een evaluatie moet wachten, bijvoorbeeld voordat ik iets mag zeggen over de Innovatiebox. Ik vind het dus een beetje vreemd dat de Minister zegt dat hij het SEIS ook bij een eventuele positieve evaluatie sowieso niet gaat overnemen. Ik hoor graag van de Minister hoe stellig hij hierin is. Stel dat de evaluatie op alle onderdelen superpositief zou zijn; in theorie moet het dan toch mogelijk zijn om het SEIS in Nederland te introduceren?

Minister Kamp: Ja, in theorie moet dat zeker mogelijk zijn. Wel wijs ik erop dat wij een simpel fiscaal systeem willen. Hoe ingewikkelder we het fiscale systeem maken, hoe eerder we weer een ronde krijgen om het te versimpelen. We zijn daar al bijna weer aan toe. We hebben regelingen afgeschaft en het is niet realistisch om nu te zeggen dat we er binnenkort weer een gaan invoeren. Het is echter ook niet goed om dit bij voorbaat uit te sluiten. Ik kan wel aangeven dat wij een andere weg hebben gekozen, die volgens ons en volgens de ondernemers een goede weg is. Dat is mijn koers en die verdedig ik. Ik vind het wel belangrijk om die evaluatie te zien. Ik kan natuurlijk niet bij voorbaat zeggen dat we het niet gaan doen, wat er ook uit die evaluatie komt. Ik houd dit dus open, maar ik wil geen verwachtingen wekken omdat mijn lijn anders is.

De heer Verhoeven (D66): Prima, dit is verhelderend. Wanneer verwacht de Minister die evaluatie? Is hij bereid om de Kamer erover te informeren als hij iets met die evaluatie gaat doen?

Minister Kamp: Ik zal proberen om de Kamer daar inzicht in te geven. De Britten en wij zijn natuurlijk ook een beetje concurrenten. Zij nemen de dingen over die bij ons goed lopen, en proberen ze nog iets beter te doen. Wij doen dat ook een beetje op hun gebied. Je merkt dat Nederland, naast Engeland en Duitsland, op de Europese kaart staat. In Japan leerde ik laatst dat er 450 Japanse bedrijven in Nederland zijn en dat Nederland na het Verenigd Koninkrijk en Duitsland voor Japanse bedrijven vestigingsplaats nummer drie in Europa is. Ik sprak een paar dagen geleden met de chemiesector. Mij bleek toen dat Nederland na het Verenigd Koninkrijk en Duitsland chemieland nummer drie is. Ondanks het feit dat wij kleiner zijn, zitten wij dus met dat soort landen in een zekere concurrentieverhouding. Ik denk echter dat het binnen de goede collegiale verhoudingen wel mogelijk moet zijn om zicht te krijgen op het tijdstip waarop die evaluatie komt. Het wordt toch openbare informatie, dus ik zal dan met mijn reactie komen en een en ander met de Kamer delen.

Ik ga verder over de regeldruk. Met name mevrouw Mulder heeft daarover het nodige gezegd. Laat ik mijn algemene verhaal toespitsen op de punten over de regeldruk die zij naar voren bracht. Zij baseerde zich terecht op een rapportage van Actal. Ik zeg het volgende even uit mijn hoofd. Actal heeft een groot aantal opmerkingen gemaakt. Actal merkte bijvoorbeeld op dat wij enkele fouten hebben gemaakt in onze becijferingen voor de 2,5 miljard aan ambities voor de regeldrukvermindering, waarvan 2,2 miljard is gerealiseerd. Dat klopt. Zo hadden wij ergens een bedrag van 1 miljoen aan regeldrukvermindering kunnen opnemen, maar wij hebben € 150.000 opgenomen, omdat het was verspreid over verschillende ministeries en wij alleen het deel hebben genomen dat op het Ministerie van Financiën terechtkwam. Het is juist dat we het gehele bedrag van 1 miljoen hadden moeten nemen. En zo heeft Actal nog een stuk of twee andere opmerkingen gemaakt over feitelijke dingen die niet goed waren. Ze waren alle terecht. Ik ben Actal daar dankbaar voor en wij zullen dit veranderen. Verder zegt Actal dat het de ene keer om euro's gaat en de andere keer om uren. Dat vindt Actal verwarrend. Maar bij bedrijven gaat het om euro's en bij burgers gaat het om uren. Als wij iets doen waardoor een burger minder uren bezig is met iets wat hij voor de overheid moet doen, is het moeilijk om dat direct in geld om te zetten. Wij ramen dat dus eerst in uren. Op een gegeven moment rekenen we dat à € 15 per uur om omdat we dat ooit zo hebben besloten, en nemen we dat bedrag weer in de becijferingen mee. Uiteindelijk doen we het dus wel goed. Actal stelt dat de opgegeven 2,2 miljard niet goed is omdat we daarbij de eenmalige invoeringskosten van nieuwe regels en ook de structurele kosten van door Europa veroorzaakte regelgeving niet meenemen. Actal heeft in beide gevallen gelijk, maar dit doen we al drie à vier kabinetten achter elkaar zo en we vergelijken steeds wat we op dit punt presteren. We hebben er nu eenmaal voor gekozen om de structurele kosten van Nederlandse regels in beeld te brengen en om daarin te snijden. Het lijkt het mij verstandig om die lijn vast te houden, ook om het controleerbaar voor de Kamer te houden. Maar iedere keer als er nieuwe regels komen, zullen wij in de memorie van toelichting ingaan op zowel de eenmalige invoeringskosten als op de structurele Europese kosten. In het overzicht dat de Kamer krijgt van de mate waarin we de 2,5 miljard naderen, houden we het echter bij de Nederlandse structurele kosten. Ik denk dat ik nu het belangrijkste heb gehad, maar misschien heeft mevrouw Mulder aanvullende vragen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Misschien kan het kabinet ook ingaan op het feit dat slechts de helft van de gevallen zich houdt aan de minimale invoeringstermijnen houdt bij de vaste-verandermomentensystematiek (vvm), inclusief de uitzonderingsgronden. Actal zegt daar ook het een en ander over, dus kan de Minister daar even op reflecteren?

Minister Kamp: Ja, dat is waar. Maar het is ook waar dat wij als wetgever zo snel mogelijk effect willen als wij iets doen. Een willekeurig voorbeeld uit de jeugdzorg. We denken dat die niet goed gaat en vinden dat deze anders moet. Op een gegeven moment hebben we het voor elkaar. We kunnen zoiets dan in februari invoeren, maar stel dat het vaste verandermoment pas op 1 juli is. De verleiding is voor ons dan altijd groot om het toch zo snel mogelijk in te voeren. Daarom hebben we afgesproken dat we ons houden aan de vaste verandermomenten, maar dat we er beredeneerd wel van kunnen afwijken. Ik moet overigens nog wel even bekijken of we het wel zo hebben bedoeld dat de helft de vaste verandermomenten volgt en de andere helft ervan afwijkt. Met de helft al op 1 januari en daarna op 1 juli heb je al heel wat bereikt, maar het glas is halfvol of halfleeg. Ik zal dus nog eens apart hiernaar kijken.

Als algemeen punt wil ik hierbij de aanbestedingszaak meenemen. Mevrouw Gesthuizen begon daarover. We hebben de Commissie van Aanbestedingsexperts ingesteld omdat we willen dat problemen bij de uitvoering van de Aanbestedingswet op een heel makkelijke manier kunnen worden aangedragen en bekeken. Er zijn in het eerste jaar 70 klachten aangemeld bij de aanbestedingsexpertscommissie, dus ik denk dat ze in een behoefte voorziet. Het is dus goed dat wij die hebben ingesteld. Bij de komende evaluatie zullen we natuurlijk wel op grond van de ervaringen van de Commissie van Aanbestedingsexperts en hetgeen in de Europese richtlijn staat, bekijken of we de zaak op orde hebben of dat er dingen moeten worden veranderd. Die Europese richtlijn is inmiddels rond, dus we kunnen niet wachten met de implementatie ervan tot de aanbestedingswet is geëvalueerd. We zijn daarom al bezig met de implementatie van die Europese richtlijn. Ik heb op dit moment niet het plan om, vooruitlopend op die evaluatie, met wetswijzigingen te komen. Ik zal straks ingaan op de vragen van de heer Ziengs

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik wil nog even doorgaan over de vvm-systematiek. De Minister geeft aan dat de verhouding misschien niet helemaal is zoals ze moet zijn en gaat ermee aan de slag. Toch blijft de vraag over hoeveel zaken er dan wel duidelijkheid bestaat en waar we precies zitten op de weg naar die 2,2 miljard aan vermindering aan regeldruk, zeker met een blik op alle Europese zaken die direct meetellen en die de ondernemers natuurlijk ook voelen, ook al zitten er misschien eenmalige zaken tussen. Anders zitten we hier wel een mooi lijstje bij te houden, maar hebben ondernemers veel extra last van juist weer andere zaken. Het CDA vindt dat zoiets ook tekort zou doen aan de Minister en zijn ministerie. Kan de Minister ons daarom een actualisatie geven? Waar staan we nu precies?

Minister Kamp: Die 2,2 miljard is hard, wat Actal daar ook over zegt. Wij geven van iedere post binnen die 2,2 miljard aan waar de vermindering van de regeldruk uit bestaat. Wij komen dus met een kwantificering. Ik ben daar wel trots op, want er zijn niet veel landen in Europa die dit doen. Onze werkwijze wordt door de Europese Commissie dan ook als voorbeeld gebruikt. Wij proberen te bereiken dat in Europa gekwantificeerde doelstellingen worden vastgesteld, zodat er ook op het gebied van de Europese regeldruk vooruitgang kan worden geboekt. Wij zijn blij dat onze oud-collega Timmermans dit in zijn portefeuille heeft en dat dit voor de Europese Commissie een belangrijk punt is. Er is dus zeker aandacht voor de Europese regels. Wij zijn bezig met de vermindering van onze eigen regels. Wij hebben die 2,2 miljard aan besluitvorming nauwkeurig gespecificeerd; dit vindt al plaats en moet verder worden ingevuld.

Mevrouw Mulder sprak ook over een maatregel op agrarisch vlak. Die zal pas gelden vanaf het jaar 2017. Dit kabinet zal in het voorjaar van 2017 op weg zijn naar de overwinning voor de volgende kabinetsperiode, dus wij draaien eigenlijk nog maar tot het voorjaar van 2017. Dit is een heel mooie maatregel. Hij moet wel in het overzichtje staan om er even trots op te kunnen zijn, maar hij mag niet worden meegenomen in die 2,2 miljard. Ik ga dat daarom corrigeren.

Mevrouw Mulder stelde dat ondernemers de regeldrukvermindering niet altijd voelen. Dat is waar. Ik heb wel eerder het beeld gebruikt dat je kletsnat wordt als je de hele dag buiten werkt en het het grootste deel van de dag regent. Als het dan de volgende dag 10% minder regent, word je opnieuw kletsnat. Dan zeg je dat je het verschil niet voelt, maar dat verschil van 10% is er natuurlijk wel. Wij akkeren met de ondernemers zelf door alle sectoren heen. Wij kijken heel goed naar de sectoren waar dat gevoelen het sterkst is. Wij vragen de ondernemers in zo'n sector wat voor regeldruk ze allemaal voelen en waar volgens hen wat aan moet gebeuren. Ik hoop dat de inzet van die ondernemers op een bepaald moment gelijk wordt aan onze inzet. Zij hebben namelijk toch wel de nodige moeite op precies aan te geven welke regeldruk zij voelen en waar zij die verminderd willen zien. Dit neemt niet weg dat wij met enthousiasme bezig zijn met de gerichte regeldrukvermindering in verschillende sectoren en daarover met het georganiseerde bedrijfsleven afspraken hebben gemaakt.

De heer Verhoeven (D66): Het is niet de eerste keer dat ik de Minister deze prachtige metafoor hoor gebruiken. Tot nu toe heb ik die altijd onweersproken gelaten, maar inmiddels begint het beeld te ontstaan dat het aan de ondernemers ligt dat ze geen verschil merken. Ik wil daar graag het volgende tegenover stellen. Stel dat het dak lekt en het gaat keihard regenen. Er ligt dan echt een grotere plas op de vloer dan wanneer het heel zachtjes motregent. Het maakt dus wel degelijk verschil uit hoe hard het regent; het hangt alleen af van waar je naar kijkt. Laten we dus niet doen alsof de ondernemers niet zijn geholpen als ze nog steeds nat zijn als het minder gaat regenen. Je kunt dit namelijk ook op een andere manier benaderen. Laten we de benadering kiezen om de regeldruk te verminderen, in plaats van er met mooie bespiegelingen voor te zorgen dat het lijkt alsof het allemaal niet uitmaakt.

Minister Kamp: Ik hoop voor de heer Verhoeven dat zijn toelichting de metafoor mooier heeft gemaakt. Mij is dat even ontgaan. Ik denk dat ondernemers de druk van regels reëel voelen, maar zij hebben om vele regels zelf gevraagd en van vele regels profiteren zijzelf ook, omdat regels duidelijkheid geven en ze op basis daarvan hun business kunnen voeren. Naarmate er in landen minder regels zijn, is de chaos, corruptie en onzekerheid voor ondernemers groter. We zitten in de groep landen waarin veel dingen goed zijn geregeld, maar ik vind dat we zijn doorgeschoten en terug moeten. Wij zorgen daarvoor met generiek beleid: de ambitie van 2,5 miljard vermindering boven op de vermindering van 1 miljard die we al eerder hebben doorgevoerd. Wij pakken dit ook heel specifiek per sector met de ondernemers aan. Ik heb de ondernemers uitgedaagd om met voorstellen te komen, als ze daarmee achterblijven. Ik wil heel graag voorstellen van hen horen en ik wil daar graag samen met hen mee aan de gang.

Nu een algemene opmerking over de retailsector. Het mkb is de backbone van de Nederlandse economie en de retail is daar een heel groot onderdeel van. De retail heeft het in Nederland zwaar gehad en heeft het nog steeds zwaar, omdat er een verschuiving in de richting van ketens en internet plaatsvindt en omdat in de afgelopen jaren de koopkracht is verminderd en mensen hun schuldpositie hebben moeten saneren. Men heeft dus zware jaren achter de rug, maar voor het eerst in drie jaar zien we weer een lichte stijging van de omzet, ook in de non-foodsector. In food was er al een stijging. Misschien is de bodem in zicht geweest. We hebben met alle betrokkenen in de retailsector afgesproken om te gaan bekijken wat we samen kunnen doen om meer perspectief voor de retail te creëren. Het gaat daarbij natuurlijk in de eerste plaats om de bedrijven zelf en hun organisaties, maar ook om de gemeenten, de provincies en de ministeries. Mevrouw Van Hees, oud-wethouder van de Partij van de Arbeid in Enschede en oud-voorzitter van de PvdA, trekt dit proces. In het voorjaar van 2015 zullen wij met de Retailagenda komen. Wat we kunnen doen om de zaken te verbeteren, zullen we dan proberen voor elkaar te krijgen. In het voorjaar van volgend jaar moeten wij daar dus mee komen.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Detailhandel Nederland heeft het rapport «Web & winkel» uitgebracht. Ik vraag de Minister of het kabinet daar een reactie op kan geven.

Minister Kamp: Ik heb er een beetje moeite mee om met een kabinetsreactie op alles te moeten komen. Ik ga die zaken liever in de praktijk gebruiken. Als wij bezig gaan met de Retailagenda en een van de partijen bouwstenen aandraagt, zijn we daar heel blij mee en zullen we het allemaal bekijken en eventueel gebruiken. Laten we het zo eens gaan doen, in plaats van steeds kabinetsreacties te schrijven. Ik denk dat de gezamenlijke agenda voor de retail een grote aanpak is.

Nu de gastvrijheidseconomie. Het toerisme is in Nederland zeer kansrijk. We hebben in een jaar tijd een groei van 8% gehad. We krijgen 13,8 miljoen buitenlandse bezoekers en dat is echt heel veel. Dat zijn zeker niet allemaal Engelsen die over de Wallen in Amsterdam sleuren. Veel van de bezoekers die naar Nederland komen, komen echter wel in de eerste plaats naar Amsterdam. Amsterdam heeft dan ook veel te bieden. Amsterdam zegt zelf dat het aan de grens zit van wat het aankan. Maar we hebben in Nederland buiten Amsterdam nog zo veel moois voor toeristen. Het is de kunst om die toeristen volgende stappen in Nederland te laten zetten, bijvoorbeeld naar Giethoorn. Op dat gebied is dus nog veel winst te behalen. We hebben 50.000 ondernemingen en 413.000 banen in die sector, volgens mij met een omzet van 38 miljard. Dit heeft dus mijn grootste belangstelling. Ik zal bekijken hoe wij daaraan aandacht kunnen besteden in mijn handelsmissies naar het buitenland, die ik in ondersteuning van Minister Ploumen uitvoer. Het lijkt me ook nuttig om misschien een keer een aparte handelsmissie te organiseren die helemaal is gericht op de gastvrijheidseconomie. Laten we bekijken of we volgend jaar zoiets kunnen doen. We hebben hier samen met de sector een topsectorachtige benadering voor opgezet. In de komende tijd zal de uitdaging de groei van het aantal toeristen in Nederland betreffen, en de concentratie van hen in Amsterdam. We zullen deze mensen kennis moeten laten maken met alle andere prachtige dingen die we in Nederland te bieden hebben. Alleen al daarover zou ik een halfuur met de heer Verhoeven kunnen praten, maar ik zal niemand daarmee vermoeien.

Ik zal nu ingaan op de punten die de verschillende woordvoerders naar voren hebben gebracht.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik was zeer verheugd over de initiatieven die de Minister in zijn brief beschreef om de gastvrijheidseconomie te stimuleren, maar ik zag nog niet heel veel voorbeelden terug van de generieke fiscale, subsidie- en financieringsinstrumenten voor de bedrijven in die brief. Ik mag toch aannemen dat de Minister kennis heeft genomen van de reactie van bijvoorbeeld het NBTC op de begroting van het komende jaar: «Als wordt vastgehouden aan de huidige basisfinanciering van jaarlijks ruim 8 miljoen euro, heeft dat negatieve gevolgen voor het verzilveren van het Nederlandse potentieel». Ik wil niets afdoen aan de mooie woorden van de Minister, maar ik hoor ook graag een waardering van de Minister hiervan.

Minister Kamp: Het bedrijfslevenbeleid is voor álle bedrijfssectoren. Als wij dus innovatie stimuleren, doen we dat voor alle sectoren. Als we met financieringsondersteuning komen, is die voor alle sectoren. Als we de regeldruk verminderen, geldt dat voor alle sectoren. Het is daarom niet goed om te zeggen dat we niks doen voor toerisme, voor bakkers of voor de retail. Nee, wat we doen, doen we voor allen. U hebt het specifiek over een bepaalde subsidie. In de ombuigingsronde van in totaal 50 miljard in een klein aantal jaren op een overheidsbudget van 240 miljard, hebben wij van alles gedaan om de uitgaven te verminderen. Daar horen de subsidies bij en daar hoort ook dit bij. Ik ga dus niet in het vooruitzicht stellen dat die subsidie weer omhoog zal gaan. Ik vind bovendien dat men het wel heeft over zijn eigen belang en dat er met een omzet van 38 miljard en 50.000 ondernemingen eigen potentie moet zijn om zaken te financieren. Ik zal met de sector en met het bureau praten over een behoorlijke financiering van de dingen die moeten worden gedaan.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik krijg een beetje het gevoel dat er een bal wordt teruggekaatst. Dit is interessant, vooral ook omdat er blijkbaar wel wordt overwogen om een speciale handelsmissie aan het toerisme te wijden. Ik hoor toch graag een korte reactie van de Minister op wat het NBTC heeft ingebracht. Ik citeerde net een zin daaruit.

Minister Kamp: Ik heb de afspraak gemaakt om daar in het vroege voorjaar met het NBTC over te gaan praten. Ik stel voor dat we dat even afwachten. Als dat gesprek is geweest, zullen wij er bij een volgende gelegenheid in de Kamer, die er ongetwijfeld zal komen, verder op ingaan.

Ik kom op de vragen van de heer Ziengs. Hij sprak over de Aanbestedingswet, en meer specifiek over de economisch meest voordelige inschrijving. Wij hebben die afspraken destijds gemaakt. Hij vindt dat de implementatie ervan leidt tot extra kosten, maar niet tot veel meerwaarde. Inderdaad kost die economisch meest voordelige inschrijving wat meer dan een conventionele inschrijving, maar de bedoeling is dat het accent wat meer op kwaliteit wordt gelegd en dat er daardoor wat extra aandacht wordt gegeven aan de mkb-bedrijven die kwaliteit en service bieden. Die aandacht verdienen zij ook; zij zijn misschien niet de allergoedkoopste, maar daardoor zijn zij wel economisch de voordeligste. Dat is de achtergrond hiervan. Ik denk dat het nuttig is om het zo te doen. De Economisch Meest Voordelige Inschrijvingen of EMVI's, zoals de heer Ziengs ze afkortte, zijn van toepassing op alle aanbestedingen. Het is op alle aanbestedingen van toepassing, tenzij er beredeneerd van kan worden afgeweken. Dat semi-verplichtende karakter is destijds door toedoen van de heer Ziengs en de heer Leegte in de wet gebracht. Die wet passen wij nu toe. We proberen daar nu een succes van te maken. Ik begrijp de overweging van de heren Ziengs en Leegte, en van de Kamer die het amendement uiteindelijk heeft gesteund waardoor het in de wet is geplaatst. Ik heb dit ook verdedigd in de Eerste Kamer. Ik ga het nu dus doen, met de bedoeling om het mkb ervan te laten profiteren. Bij de evaluatie zal ik echter wel aandacht besteden aan de wijze waarop het in de praktijk uitpakt en aan de vraag of het werkt zoals de bedoeling was. Ik wil me dus niet verschuilen achter die evaluatie, maar ik denk dat ik nu twee dingen moet doen: zelf mijn best doen om het een succes te laten worden en bij de evaluatie bekijken of dat is gelukt.

De heer Ziengs (VVD): Dat is juist de reden waarom ik dit inbreng. Inderdaad is dit destijds ingebracht via het amendement om EMVI's in ieder geval als eerste norm te stellen bij de gunning. Alleen krijg ik nu signalen uit de branche over het feit dat met name de organisaties aan de inkoopkant veel proza laten schrijven, waardoor de mensen die aan de aanbesteding willen meedoen allerlei niet ter zake doende vragen moeten beantwoorden, inclusief een bepaalde puntentelling. In concreto verzoek ik de Minister daarom om bijvoorbeeld middels PIANOo, eens te kijken of er wat meer sturing kan worden gegeven aan de inkoopkant, zodat het voor degenen die aan de inschrijving meedoen, wat overzichtelijker wordt en de kosten wat lager worden. Dat is vaak erg onduidelijk.

Minister Kamp: Ja, misschien, maar kijk ook eens in de spiegel. Als we namelijk niets regelen op het punt van aanbesteding, is er geen enkele regel en kan de overheid of wie dan ook aanbesteden wat zij of hij wil. Wij maken er een aanbestedingswet van, ook de Europese Unie heeft daar een richtlijn, regels, voor. En dan gaan we een stap verder: we gaan dan de economisch meest voordelige inschrijving erbij betrekken. Daaraan moet ook het nodige gebeuren. Dan heb je dus extra regels. Vervolgens zeggen we dat er te veel regels zijn en stellen we ons de vraag hoe we een en ander eenvoudiger kunnen maken. Ik denk dat die wet nu een gegeven is. Ik moet proberen om die tot een succes te maken. We zullen in die evaluatie bezien of we daarin niet doorgeschoten zijn, onder andere op dit punt. Zo ja, dan hebben we de gelegenheid om een en ander wat terug te draaien. Ik denk dat dit een voorbeeld is van het feit dat je een goede mix, een goede balans, moet zien te vinden. Ik vind het opstellen van regels voor aanbestedingen helemaal niet verkeerd om te doen geldt voor de aandacht voor de economisch meest voordelige inschrijving. Met de heer Ziengs ben ik het eens dat we moeten proberen om dit op een zo eenvoudig mogelijke manier voor elkaar te krijgen en daarvoor wil ik mij graag inzetten.

De heer Ziengs heeft ook gesproken over de aangewezen keuringsinstanties voor kermis- en AKI's. Ik kan mij daar veel bij voorstellen. Een paar weken geleden was ik namelijk nog bij een bedrijf in Meeden dat geleid werd door iemand die in het verleden met attracties op kermissen stond. Hij stond daar met allerlei dingen waar wij allen ingezeten hebben. Zijn zoon die wat meer technisch van aard is, werd ouder en ging die installatie van zijn vader onderhouden. Daarna ging hij ook voor anderen het onderhoud doen. Vervolgens is hij een eigen bedrijf gestart en inmiddels maakt hij attracties die over de gehele wereld worden verkocht, tot aan Nieuw-Zeeland, Australië en Amerika toe. Geweldig voor die ondernemer! Je gunt hem natuurlijk niet dat hij op grond van willekeur en eenzijdig met allerlei verzwaarde keuringseisen wordt geconfronteerd. Dat gebeurt dus ook niet, want dat kan niet. De AKI mag helemaal niet eenzijdig keuringseisen verzwaren. Het antwoord op de vraag van de heer Ziengs is dus: dat is niet zo. Mocht hij toch over informatie beschikken waaruit blijkt dat dit wel zo is, dan houd ik me aanbevolen en onderzoek ik dat graag. Waar is dat die AKI's ook actief zijn wat in het buitenland geplaatste toestellen betreft. Ik denk dat dit goed is, ook voor de knowhow en om de kosten te spreiden. Als een attractiehouder in Nederland tijdig een aanvraag indient, wordt die volgens mij door de AKI tijdig in behandeling genomen. Mocht de heer Ziengs aanwijzingen hebben dat dit niet het geval is, dan zal ik daar ook in duiken. Als je niet tijdig een aanvraag hebt ingediend maar je wel verwacht dat iedereen binnen een week bij je op de stoep staat, is dat niet reëel. We moeten dus even kijken hoe dit in de praktijk loopt. Dus volgens mij gaat dat wel goed, maar ik duik erin als het anders blijkt te zijn.

Op basis van het Warenwetbesluit hebben wij geregeld dat, als er iets fout gaat bij de AKI en zij niet tijdig met het certificaat van goedkeuring komt, het oude certificaat gedurende vier maanden geldig blijft. Het is dan aan de AKI om ervoor te zorgen dat ze binnen die vier maanden wel doet wat er gedaan moet worden. Ik zeg nogmaals dat ik opensta voor de signalen van de heer Ziengs en dat ik er indien nodig in zal duiken.

De heer Ziengs sprak ook over de zzp'ers. Hij heeft een bepaalde benadering van de zzp'ers en vroeg wat de benadering van het kabinet is. Ik ben gek op zzp'ers! Ik denk dat het heel mooi is dat we, in een land waar eerst te weinig ondernemers waren, inmiddels dankzij de zzp'ers meer ondernemers hebben dan het meest ondernemende land tot nu toe, te weten de Verenigde Staten van Amerika. Dat wij nu meer ondernemers hebben, komt volgens mij dus door die zzp'ers. Ik weet wel dat er een aantal zzp'ers is dat niet echt ondernemer is, maar mijn uitgangspunt is: ondernemers zijn ondernemers, of ze personeel hebben of niet. Je moet ze dus gewoon als ondernemers behandelen. Wij benaderen zzp'ers dus op positieve wijze. De vraag is wel of het fiscale kader dat we in het algemeen voor ondernemers hebben, nog voor alle ondernemers adequaat is. We moeten dat nu en dan bekijken. Daarmee zijn wij bezig, zoals u weet van contacten met mijn collega Wiebes. Het belastingstelsel wordt herzien en daarin wordt dit ook meegenomen. Bovendien zijn we, verschillende ministeries, bezig met het op een rijtje zetten en beoordelen van alles wat betrekking heeft op zzp'ers. Wij verwachten de uitkomst daarvan te hebben in de loop van het eerste kwartaal, uiterlijk medio het tweede kwartaal van 2015.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik hoor de Minister zo mooi zeggen dat ondernemers wat hem betreft ondernemers zijn en ga er dan ook van uit dat hij zich hard maakt voor iets als bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek waarover de afgelopen weken nogal wat te doen was.

Minister Kamp: Als we het belastingstelsel gaan herzien, moeten we ook dit soort dingen bekijken. We moeten een en ander gewoon zakelijk beoordelen. Mijn uitgangspunt is, zoals gezegd: ondernemers zijn ondernemers en de zelfstandigenaftrek is een nuttig instrument. Nu we het gehele belastingstelsel gaan herzien, kan ik niet zeggen wat niet mag en wat wel moet. Dat zou niet reëel zijn, maar mijn instelling heb ik net geschetst.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat is heel prettig, want ik maak mij daar wel een beetje zorgen over en ik ben vast en zeker niet het enige Kamerlid dat dit doet. Dat doe ik ook gezien de hoeveelheid mailberichten die ik daarover krijg van mensen die zich bepaald niet gerust voelen over het idee dat het kabinet misschien wel een greep uit hun portemonnee gaat doen. Ik ga ervan uit dat de Minister zijn uiterste best zal doen om dat binnen het kabinet te voorkomen.

Minister Kamp: Ik vind dat de benadering vanuit de groep niet altijd heel consistent is. De ene keer zegt hij dat hij die dingen die voor de werknemers gelden, ook aantrekkelijk vindt. Ik doel dan op een arbeidsongeschiktheidsregeling. De groep vindt dat hij, als hij pensioen wil hebben, ook van de faciliteiten voor werknemers gebruik moet kunnen maken. De andere keer zegt de groep dat hij wel de voorzieningen die er voor de zelfstandigen zijn volledig wil behouden. Hij wil de goede dingen van de ander pakken en de goede dingen van zichzelf vasthouden. Ik begrijp het allemaal wel, maar het is goed dat we al die dingen met elkaar in verband brengen, zoals bij de herziening van het belastingstelsel en het ibo (interdepartementaal beleidsonderzoek) waarover ik het net had, dat we een en ander gezamenlijk bezien en dat we tot een afgewogen oordeel komen over de diverse onderdelen.

De heer Verhoeven (D66): Nou, ik schrik nu echt even van dat wat de Minister zegt. Hij vindt dat de groep zzp'ers als geheel, waarvan hij zelf ook aangeeft dat zzp'ers uit allerlei verschillende categorieën bestaan en dat de mate van ondernemendheid verschillend is, soms van twee walletjes zou willen eten door aan de ene kant de zekerheden voor werknemers te willen hebben en door aan de andere kant de ondernemersvoordelen te willen hebben. Dat geeft mij niet een heel goed gevoel over de inzet van deze Minister in de discussie die het kabinet gaat voeren over dat Belastingplan. Kan de Minister daarover iets meer zeggen voordat ik verontrust de zaal uit moet gaan en direct met allerlei zzp-organisaties in gesprek moet gaan om ze weer gerust te stellen? De geluiden die van het kabinet komen, zijn namelijk allesbehalve geruststellend.

Minister Kamp: Het is heel prettig dat de heer Verhoeven beschikbaar is om zich met geruststellende woorden tot de organisaties te richten. Daar ben ik erg blij mee. We hoeven er geen doekjes om te winden; het is wel degelijk zo dat zzp'ers en organisaties die zich het lot van zzp'ers aantrekken, spreken over de arbeidsongeschiktheidsproblematiek en de manier waarop daarvoor collectief tot een oplossing kan worden gekomen. Er wordt wel degelijk gekeken naar de werknemerspensioenvoorzieningen die beschikbaar zijn en of er in die sfeer ook iets voor zzp'ers geregeld kan worden. Het is heel verstandig om al die dingen zakelijk op een rij te zetten, die met elkaar in verband te brengen en over het geheel beslissingen te nemen. Dat vind ik heel erg goed. De achtergrond van de gedachte om die beslissingen te willen nemen, is dat ik heel blij ben met die zzp'ers, dat zij een versterking zijn van de Nederlandse economie. Dat zijn zij vanwege het ondernemerschap en de flexibiliteit en de creativiteit die zij inbrengen. Ik benader het dus heel graag positief, maar het is wel nuttig om de feiten onder ogen te zien.

De heer Verhoeven (D66): Dit klonk alweer iets geruststellender. Ik zal dat dus ook ter geruststelling doorgeven aan de organisaties die meeluisteren. Ik merk echter serieus op dat dit echt een discussie is die tot heel veel onduidelijkheid en onzekerheid leidt voor bijna 1 miljoen ondernemers. Is het een idee dat de Minister er ook alles aan doet om ervoor te zorgen dat we hierover voor 18 maart wat meer duidelijkheid kunnen hebben in plaats van in het tweede kwartaal van 2015? Laten we zeggen dat er op 1 maart wat meer duidelijkheid is over de richting die het kabinet op wil gaan. Dan kunnen we snel verder met dit belangrijke onderwerp, want anders gaan we weer in de richting van de zomer.

De voorzitter: Dank u wel. Dit is een heldere vraag.

Minister Kamp: Nee, we hebben een planning gemaakt voor het ibo. Dat is een lastig geheel: er is een aantal ingewikkelde vraagstukken dat we geïdentificeerd hebben, waarmee we bezig zijn en waarover we ook regelmatig overleg hebben. Ik denk dat een en ander medio het tweede kwartaal voor elkaar moet zijn. Ik denk dat we dat moeten kunnen halen. Ik heb geen zin om dit soort dingen, zoals die met die zzp'ers, met stoom en kokend water te doen. Dit moet echt even grondig gedaan worden.

De heer Groot (PvdA): Ik ben het er helemaal mee eens dat een en ander in samenhang moet worden bezien. Voor de duidelijkheid vraag ik het volgende. Dat ibo komt voor het eind van dit jaar. Ik begrijp dat er tijd nodig is om kabinetsvoorstellen te ontwikkelen, maar ik vraag mij af of er bij dat onderzoeksrapport dat in december komt meteen een kabinetsreactie wordt gevoegd.

Minister Kamp: Die reactie komt er niet voor het eind van dit jaar. Dat krijgen we niet voor elkaar. Het tijdschema voor het ibo heb ik net gegeven.

De heer Groot (PvdA): Dus alleen het rapport van het ibo komt er?

Minister Kamp: Nee, dat komt er niet voor het eind van dit jaar. Ik schat dat dit pas medio het tweede kwartaal van 2015 komt.

De heer Groot (PvdA): O, dat komt er niet aan het eind van het jaar?

Minister Kamp: Nee, dat krijgen we niet voor elkaar.

De heer Ziengs (VVD): Ik hoorde de Minister antwoorden op de vraag van mevrouw Van Gesthuizen. Ik hoorde daar iets anders in, namelijk dat vanuit de partijen op een zeker moment kwam dat er voor zzp'ers allerlei voorzieningen worden gevraagd. Ik meen mij uit het verleden te herinneren dat met name de SP en de PvdA om allerlei collectieve voorzieningen vroegen. Als we nu uitgaan van de gedachte dat zzp'ers gewoon ondernemers zijn – zij zijn zelfstandigen zonder personeel en dus gewoon ondernemers – kan de Minister toch rustig de toezegging doen dat, mocht een dergelijke herziening plaatsvinden in het Belastingplan, niemand die zich als ondernemer gedraagt en ondernemer is, er per saldo slechter van mag worden?

Minister Kamp: Als wij tot een totale herziening van het belastingstelsel komen – wij doen dat, net als alle andere landen, eens in de zoveel jaren, omdat er in de loop der tijd allerlei dingen insluipen waardoor het te ingewikkeld wordt en het stelsel vereenvoudigd moet worden – moeten we alles meenemen, dus ook dit. Dan kunnen we dus niet bij voorbaat een groep uitsluiten. Als we een ibo doen naar alles wat er speelt ten aanzien van zzp'ers om zaken tegen elkaar af te wegen, kunnen we bepaalde dingen ook niet uitsluiten. U zei: mijn benadering is «een ondernemer is een ondernemer en dat geldt ook voor een zzp'er». We zijn niet toevallig lid van dezelfde partij. Ik denk er hetzelfde over als u. Het kabinet ziet zzp'ers als ondernemers en het wil ze ook graag als ondernemers tegemoet treden.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter, wilt u mij toestaan om heel kort te reageren op datgene wat de heer Ziengs zegt? Volgens mij deed hij namelijk iets ...

De voorzitter: Eigenlijk niet. Als u zich echt aangesproken voelt, geef ik u daartoe heel kort de mogelijkheid.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Heel kort voorzitter. Het kan echt in één zin.

Niemand heeft het over gratis collectieve voorzieningen. Die voorzieningen zijn overigens ook voor andere mensen niet gratis. Als mensen zich goed verzekerd willen zien voor een goed pensioen of als ze een arbeidsongeschiktheidsverzekering willen, betalen ze dat volgens mij nog altijd gewoon netjes zelf. Dat doet overigens helemaal niets af aan het ondernemerschap.

De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk even naar de tijd en verzoek u om het interrumperen te beperken. Het houden van een tweede termijn wordt op deze manier lastig. Houd het dus een beetje compact. Ik kijk wat dit betreft ook naar de Minister en verzoek hem om verder te gaan met zijn beantwoording.

Minister Kamp: De heer Ziengs sprak over legionella. Hij en ik weten dat, op het moment dat er echt een legionellaprobleem is, wij allen heel erg ongerust zijn en dat we de verantwoordelijkheid voelen om daaraan iets te doen. Dat hebben we op twee manieren gedaan: we hebben regels gemaakt voor drinkwaterinstallaties en voor koeltechniek. Actal vraagt zich met name af of de regels voor die koeltechniek effectief genoeg zijn. Ik denk dat het nuttig is om eens heel goed te kijken naar het Actal-advies en dat het uitgangspunt moet blijven dat de volksgezondheid niet in het geding mag komen. Als er echter te veel is geregeld en zaken weggenomen kunnen worden zonder dat de belangen van de volksgezondheid worden geschaad, moet dat gebeuren. Mijn collega van I en M en ik bekijken dat en nog voor het eind van dit jaar zal mijn collega met een reactie op dit punt komen. Die reactie kan dan ook door de heer Ziengs beoordeeld worden.

De heer Ziengs zegt dat je eigenlijk datgene zou moeten doen wat Actal vraagt. Dat houdt in dat ook de Kamer kijkt wat de regeldrukeffecten zijn van het gevraagde in moties en amendementen. Ik ben niet degene die de Kamer een spiegel mag voorhouden. Ik denk dat Actal dat wel mag doen. De Kamer is natuurlijk medewetgever. Zeker als er op initiatief van de regering een wet tot stand komt, ligt de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij haar. Als de Kamer echter met moties en amendementen komt, heeft dat ook vaak effecten. Het lijkt mij dus nuttig om dat ook eens onder ogen te zien, dus wat het negatieve effect is op de door ons gewenste vermindering van de regeldruk. Ik kan me dan ook heel goed voorstellen dat de Kamer daar ook naar kijkt. Ik ben de eerstverantwoordelijke, maar wat die aanvullingen betreft heeft ook de Kamer een zekere verantwoordelijkheid. Als de Kamer daar in overeenstemming met het advies van Actal naar kijkt, lijkt me dat nuttig.

De heer Ziengs heeft gesproken over de overheidsinformatie aan de ondernemer. Hij wil dat deze gebundeld wordt. Ik heb al met hem en andere woordvoerders gesproken over het ondernemingsdossier, dat ik als mijn hobby heb aangemerkt. Daarnaast is er www.ondernemersplein.nl. de overgang die we gemaakt hebben van de Kamer van Koophandel die een aantal kantoren had waar je tijdens kantooruren terechtkon voor het verkrijgen van informatie, naar heel veel informatie, zeven dagen per week, 24 uur per dag. Inmiddels wordt die website bezocht door 450.000 bezoekers per maand. Dat begint dus heel goed te lopen en ik koers erop aan dat ik straks drie dingen heb, namelijk www.ondernemersplein.nl, het ondernemingsdossier en één financieringsdesk. Over het laatste hebben we al gesproken. Ik denk dat we de zaken dan heel goed voor elkaar hebben. Ik probeer dat alles in deze kabinetsperiode voor elkaar te krijgen.

De heer Ziengs sprak over aanbestedingen en over social return. Dat houdt in dat de overheid ongeveer 5% van het budget graag ingevuld wil hebben op zo'n manier dat ook mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt een kans krijgen. Daar staan wij zeer achter, maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat mensen die regulier werk bij aannemers verrichten, eruit gedrukt worden om er vervolgens werklozen voor in de plaats te krijgen. Dan vervang je namelijk de ene werkloze door de andere. Nee, je maakt van een werker een werkloze om een andere werkloze weg te geven. Dan wordt het allemaal erg ingewikkeld en dat is niet de bedoeling. Ik vind die social return dus goed en we doen dat met de beste bedoelingen. Als we daarmee een tijdje ons best hebben gedaan, kijken we of dat werkt. Ook dit zal dus worden geëvalueerd. Ik ben van plan om die social return ook te bezien in relatie tot het quotum voor arbeidsbeperkten dat we conform het regeerakkoord hebben ingesteld en tot het wetsvoorstel banenafspraken. We gaan het geheel dus met elkaar in verband brengen en dat, ook in relatie tot de Aanbestedingswet, evalueren. U kunt zich er wat mij betreft op richten dat dit in de zomer van 2015 bij u zal zijn en dat we dit vervolgens kunnen beoordelen.

De heer Ziengs heeft er terecht op gewezen dat er in de retailsector allerlei veranderingen gaande zijn. Vroeger ging je voor dit naar het café en voor dat naar de winkel. Nu kun je op een bepaalde plek terecht voor dit én dat. Dat is een ontwikkeling. De consument verandert. Hij wil meer beleving en de retailsector moet daarop inspelen. Als wij ruimte willen bieden voor innovatie en ondernemerschap, moeten we ook hier concreet ruimte voor bieden. Dit verdraagt zich echter vaak niet met de wetgeving die nog op die oude ordening is gericht. Daaraan moet dus aandacht worden besteed en ik zeg de heer Ziengs graag toe dat we dat apart doen in het kader van de retailagenda en dat dit punt bij die gelegenheid aan de orde zal komen.

De heer Ziengs sprak over de Wet markt en overheid. Hij zei dat daarin via een amendement een uitzondering is opgenomen. Als de overheid dingen doet die het bedrijfsleven ook doet, mag ze niet op oneerlijke voorwaarden met het bedrijfsleven concurreren. Er is een uitzondering gemaakt voor die dingen waarvan de overheid vindt dat ze in het algemeen belang zijn. Daar kan natuurlijk misbruik van gemaakt worden. Ik denk bij overheden overigens niet direct aan het maken van misbruik, maar in die wet staat dat de overheid geen dingen moet doen die de markt kan doen en dat zij, als zij dat toch doet, dit zo moet doen dat zij die markt niet op een oneerlijke wijze beconcurreert. Dat vind ik goed. Ik denk dan ook dat we bij de toepassing van die bepaling moeten kijken hoe dat uitpakt. Daaraan zullen we ook aandacht geven in die evaluatie waarover ik het net had, waarvan de uitkomst in de zomer van 2015 bij de Kamer zal komen.

De heer Groot heeft een aantal punten naar voren gebracht. Op een deel van die punten ben ik al ingegaan, onder andere op zijn opmerking over de financiering. Hij sprak over het SER-advies waarop hij een aparte kabinetsreactie wil hebben. Dat wil ik niet doen, mijnheer Groot. Het gaat er niet om dat ik u daarin niet tegemoet wil komen maar als we iedere keer met reacties komen op adviezen die over financiering gaan, laten we ons afleiden van datgene waar het om gaat. Het gaat erom wat je in de praktijk presteert. Ik ben heel erg op die praktijk gericht en heb twee jaar achter elkaar een actieplan gemaakt voor de mkb-financiering. Ik ben me heel goed bewust van waar de knelpunten daar zitten en dat we die moeten wegnemen. Ook heb ik in die actieplannen uitgelegd hoe ik die knelpunten zie en hoe ik die weg wil nemen. Zoals gezegd, ben ik met die financieringsdesk bezig en ik denk ook in de geest van het SER-advies. Ik denk dat datgene wat wij doen binnen dat nieuwe actieplan voor het jaar 2015 en met de samenvoeging van die financieringsdesks, helemaal in lijn is met dat SER-advies. Ik wil het daar dan ook voor benutten. Er staan namelijk analyses in en aanbevelingen die we goed kunnen gebruiken bij dat proces en dat zal ik doen. Ik ga er echter geen aparte kabinetsreactie op schrijven.

De heer Groot heeft ook gesproken over de brief van VNO-NCW over de British Business Bank. Daarop ben ik uitgebreid ingegaan. Hij sprak ook over de betaaltermijnen van de grotere bedrijven. Daarop ben ik ook ingegaan en ik heb de ketenfinanciering daarbij betrokken. Hij sprak ook over de franchiseondernemingen. Anderen deden dat ook. Laten we even kijken wat de stand van zaken is wat de franchiseondernemingen betreft. De Kamer heeft daaraan heel veel aandacht besteed omdat zij zich daar zorgen over maakte. We moeten ons goed voorstellen dat je als ondernemer natuurlijk altijd de keuze hebt: of je begint je eigen formule, of je pakt de formule van een ander. Die ander heeft voor zijn formule echter wel ontwikkelwerk gedaan. Dat is zijn of haar formule en daar maak je dan gebruik van. Diegene die deze formule heeft bedacht, zegt dan: ja, je mag het wel doen, maar dan moet je wel dit en dat doen. Als ik bij McDonald's ben en ik geef een franchisecontract uit en iemand gaat daar vervolgens Vlaamse frites bakken en fabrieksgehaktballen verkopen, vind ik dat misschien helemaal niet goed. Ik wil gewoon het beeldmerk dat ik in de markt heb gezet overeind houden, dus ik wil niet dat daarmee gerommeld wordt. Ik denk dat dit heel realistisch is. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de HEMA en Albert Heijn, een pizzabakker, noem ze maar op. Naar mijn idee wil de franchisegever terecht zijn franchiseformule bewaken en daarover goede contracten afsluiten. Natuurlijk kunnen er ook scheve verhoudingen zijn, zeg ik in het bijzonder tegen de heer Groot. Je hebt kleine franchisenemers en heel grote franchisegevers. Het is logisch dat die franchisenemers hun krachten gaan bundelen en dat ze voor hun gezamenlijke belangen opkomen. Goed denkbaar is ook dat aan die groep in de een of andere vorm bescherming geboden wordt. Ik wil dat heel graag laten doen door de markt zelf, want ik geloof niet in het principe van het iedere keer proberen om een en ander met regels recht te zetten. Naar mijn idee hebben franchisegevers en franchisenemers gezamenlijke belangen. Die hebben zij als groep en gezamenlijk, omdat ze elkaar nodig hebben. Als er dan dingen zijn die niet goed gaan, moeten ze daar zelf uit zien te komen. Ik vind dus dat er een eigen gedragscode moet komen. Als die gedragscode niet nageleefd wordt, moet er een eigen geschillenbeslechting komen. Op die manier moeten we de zaak oplossen. Het is niet zo gemakkelijk om dat voor elkaar te krijgen, want de kamer was wat dat betreft nogal fanatiek en dat kwam doordat er een heleboel problemen waren en er in de sector ook veel onenigheid was. Voor de Kamer werd dat indringend naar voren gebracht. Hetzelfde gebeurt nu naar mij toe. Het was dus moeilijk om tot een gezamenlijke aanpak te komen.

Inmiddels zijn wij echter zo ver. We hebben een schrijfgroep geformeerd waarin twee franchisegevers en twee vertegenwoordigers van de franchisenemers zitting hebben. Die schrijfgroep wordt begeleid door een klankbordgroep die breder van samenstelling is. Vervolgens komt hij met een product dat we breed in consultatie gaan brengen zodat iedereen daarop kan reageren. We hopen dat het eindproduct een gedragscode is. Gelijktijdig ben ik bezig met het in het leven roepen van een geschillenbeslechtingscommissie. Ik heb daarover met mensen gesproken en ik heb mensen in beeld die deze commissie zouden kunnen bemensen. Die geschillencommissie kan in de praktijk met die gedragscode aan de gang gaan. Het framework van hoe ik het voor elkaar wil krijgen, is er dus. De eerste bespreking van die schrijfgroep vindt binnen twee weken plaats. Ik denk dus dat we dit op gang hebben gekregen, al gebeurde dat niet zo snel als de Kamer dat wilde. We hebben dit echter wel zorgvuldig gedaan en in de geest van de Kamer, inclusief de partij van de heer Groot.

Ik heb nog vragen liggen van de heer Verhoeven. Hij sprak over start-ups en de exit daarvan. Start-ups zijn ook een hobby van mij. Ik denk dat Nederland heel kansrijk is voor Nederlandse start-ups en die van elders in de wereld. Nederlandse start-ups kunnen heel goed terecht bij universiteiten, kennisinstellingen en regio's die heel actief zijn. Ik denk dat wij ook goede mogelijkheden hebben om start-ups uit de wereld aan te trekken en daarbij hebben wij ook veel belang. Volgens mij kan dit heel goed in met name Amsterdam, want die stad staat op de wereldkaart. Amsterdam is ook voor de zittende start-ups erg aantrekkelijk. Zij bevinden zich in een inspirerende omgeving. Ik wil dan ook graag dat er een special envoy komt. Het proces daartoe hebben we vrijwel afgerond en ik zal binnenkort met de resultaten komen. Ik wil dus een special envoy voor start-ups die dat wat er in Nederland is, versterkt en die zaken met elkaar in verband brengt. Bovendien wil ik dat ze iets extra's voor Nederland als geheel doen door de potentie van Amsterdam – die stad staat op de wereldkaart – te benutten. Vervolgens heb je nog meer start-ups dan er op dit moment zijn. Je kunt er immers niet genoeg krijgen. De heer Verhoeven zegt, en dat is belangrijk, dat er op een gegeven moment een exit is. Hij bedoelt dat ze dan zelf op eigen kracht kunnen doorgroeien, wat natuurlijk het mooist is. Of ze worden door een groot, kapitaalkrachtig bedrijf overgenomen. Zodat zo'n initiatiefnemer een andere start-up kan beginnen. Dan kan die activiteit die hij opgezet heeft, in Nederland gebruikt worden. Dat is ook belangrijk. De heer Verhoeven zei dat Google bijna iedere week een overname doet. Dat is waar, maar dat doet niet alleen Google. Google koopt overigens niet alleen in Amerika in, maar ook in Engeland en in Nederland. Het bedrijf is ook actief in Nederland en wil hier nog actiever worden. Ook andere grote bedrijven willen dat. Ik overleg dus met zowel de Nederlandse grote bedrijven als met de internationale bedrijven over de manier waarop die exit extra versterkt kan worden. Dit zal ook een belangrijk punt zijn voor onze special envoy die op dit punt gaat werken. Van die special envoy heb ik grote verwachtingen, want ik denk dat Nederland voor start-ups heel kansrijk is en ik wil graag dat wij die kansen benutten. We praten immers over het toekomstige verdienmodel van Nederland.

De heer Verhoeven sprak ook over de British Business Bank. Daarop ben ik ingegaan.

Hij sprak ook over de DVI en wil dat Nederlandse pensioenfondsen meer gaan investeren in venture capital en kijkt daarbij met name naar de NII. Ik denk dat hij dat terecht doet. De NII is daarmee bezig, maar het wordt tijd dat we de resultaten een keer zien. Ik zal proberen om in het eerste kwartaal van volgend jaar ook de resultaten van de inspanningen van de NII met betrekking tot de vraag wat verzekeraars en pensioenfondsen op dit punt doen, voor de Kamer inzichtelijk te maken.

Mevrouw Mulder zegt dat ik doorzettingsmacht zou moeten hebben wat de regeldruk betreft. Die doorzettingsmacht wil ik eigenlijk niet hebben, want dat past niet zo in de sfeer van het kabinet. Alle collega's gaan met dit soort onderwerpen heel serieus om en wij voeren heel actief overleg in onderraden waarin wij elkaar kunnen aanspreken op zaken, ook met betrokkenheid van de Minister-President. Als dat nodig is, denk ik dat dit een heel bruikbare weg voor mij is. Ik heb dus niet zozeer behoefte aan een formele doorzettingsbevoegdheid ten aanzien van collega's op het punt van de regeldruk. Ik wil het graag op deze manier doen en denk dat dit goed past bij de manier waarop het kabinet werkt.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik stel een aanvullende korte vraag op dit punt. Hoe denkt de Minister dan over een kwantitatief doel voor regeldruk per ministerie, opdat toch nog helderder wordt hoe een en ander wordt behaald?

Minister Kamp: Ik heb die 2,5 miljard wel degelijk weggezet naar de verschillende ministeries toe en daarop spreek ik ze ook aan.

Mevrouw Mulder maakte ook een algemene opmerking.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Over hetzelfde punt maak ik nog een opmerking. Kunnen wij de overzichten ontvangen van de kwantitatieve doelen per ministerie?

Minister Kamp: Ja, bij een volgende rapportage over de regeldrukvermindering zal ik mevrouw Mulder en de andere leden van de Kamer dat inzicht geven.

Mevrouw Mulder maakte een algemene opmerking, namelijk dat je al die verschillende regelingen niet moet bekijken vanuit het perspectief van de eigen organisatie maar dat je moet kijken naar de behoeften van met name de ondernemer en dat je van daaruit moet redeneren. Dat ben ik met haar eens en dat doe ik ook.

De heer Verhoeven sprak over de Innovatiebox waarvan hij geen groot voorstander is. Ik ben daar wel een voorstander van. Ik denk niet dat we iets goeds voor Nederlanders doen als alleen start-ups geholpen worden met de Innovatiebox. Ik weet dat het voor het vestigingsklimaat van heel veel buitenlandse concerns en grote Nederlandse concerns die voor hetzelfde geld in het buitenland zouden kunnen gaan zitten, van groot belang is dat deze Innovatiebox er is. Dat is de reden dat wij in Nederland veel research and development hebben. Ik heb deze week een nieuw researchscentrum van DSM geopend in Sittard-Geleen. Daar begonnen ze een paar jaar geleden met de Chemelot Campus met als enige partij DSM. Nu zijn er 6.000 arbeidsplaatsen bij meer dan 100 bedrijven. 5.000 van die arbeidsplaatsen zijn er buiten DSM, maar DSM zet daar wel een geweldig research- and developmentcentrum neer. Een ander groot bedrijf is op dit moment ook bezig met het realiseren van iets dergelijks op die campus. Hetzelfde zie je in Eindhoven, Twente en Maastricht. Je ziet het in heel veel andere plaatsen. Ik denk dat die Innovatiebox een belangrijk onderdeel is voor het stimuleren van research and development en dat we die positieve effecten niet alleen kunnen bereiken bij de start-ups en de kleine midden- en kleinbedrijven maar dat we die zeker ook kunnen bereiken bij de grote bedrijven die daar gebruik van maken. Gevraagd is hoe daar internationaal tegenaan gekeken wordt. Bij de G20 in Brisbane hebben ze daarover gesproken, maar daar zijn ze niet tot conclusies gekomen. Engeland en Duitsland hebben daarover wel samen gesproken en die hebben een gezamenlijke lijn ontwikkeld die inhoudt dat ze hierover in Europa willen praten. Ze willen hun inbreng op elkaar afstemmen. Ik vind het erg interessant om te weten wat zij ervan vinden, maar ik vind er ook zelf nog wat van. We zullen dus ook onze eigen ervaringen in Europa inbrengen en proberen om datgene overeind te houden wat goed is voor Nederland.

Ik denk dat ik een heel eind ben gekomen, maar ik zal het zo meteen van de leden horen.

De voorzitter: Ik dank de Minister voor zijn beantwoording. Mochten er nog zaken zijn, dan hoor ik dat graag in een heel korte tweede termijn van de leden. De spreektijd is een minuut per fractie. Het woord is aan de heer Ziengs.

De heer Ziengs (VVD): Voorzitter. Dank aan de Minister voor de vele toezeggingen die hij in feite gedaan heeft naar aanleiding van de punten die ik heb ingebracht.

Ik zoom toch nog even in op de Aanbestedingswet, met name op het probleem dat ik schetste ten aanzien van de EMVI. Wij weten allen dat dit ingebracht is vanwege de uitdrukkelijke wens van het midden- en kleinbedrijf, maar we constateren gewoon dat een en ander een kostenverhoging tot stand brengt. Ook in het verre verleden, bij aanvang van de wet, zagen we dat de inkopende organisaties heel veel moeite hadden met het vinden van een vorm wat andere zaken betreft die in een aanbesteding genoemd moesten worden. Datzelfde proces zien we nu weer als het om de EMVI gaat. Ik verzoek de Minister om te proberen die partijen bij elkaar te brengen en middels PIANOo, Expertisecentrum Aanbesteden ervoor te zorgen dat daarnaar nog eens stevig gekeken wordt.

Wat AKI betreft zal ik ervoor zorgen dat de benodigde informatie bij de Minister komt.

Met betrekking tot de Aanbestedingswet wijs ik er toch op om bij de implementatie van de richtlijn die kennelijk al plaatsvindt de signalen te betrekken die gegeven zijn. Ik denk dat dit alleen maar zal bijdragen tot verbetering van de wet.

De heer Groot (PvdA): Voorzitter. Het is toch nuttig om te horen dat het rapport van het ibo later komt. Ik deel de scepsis die de Minister heeft geëtaleerd over die SEIS-regeling in Groot-Brittannië. Wat de dubbele aftrekbaarheid betreft lijkt me die heel kwetsbaar voor fiscale constructies.

Ten aanzien van de betaaltermijn zegt de Minister dat Nederland een liberaal land is met contractvrijheid, maar een dergelijke vrijheid gedijt naar mijn opvatting alleen als er sprake is van machtsevenwicht en daarvan is tussen grote bedrijven en kleine bedrijven geen sprake. In een liberaal land als de Verenigde Staten is heel veel wetgeving om een gelijk speelveld te creëren. Zo krijgen kleine bedrijven daar op wettelijke basis een bepaald deel van de overheidsopdrachten. Hierover zijn we nog niet uitgepraat.

Dank voor de uiteenzetting over de ketenaanpak. Die zou wellicht kunnen helpen.

Ik heb nog een vraag, namelijk die over de ondernemerskredietdesk ofwel de financieringsdesk. De Minister wil initiatieven bundelen. Begrijp ik goed dat alle bestaande initiatieven daar ondergebracht moeten worden? Zo ja, geldt dat ook voor datgene wat via de lijn van VNO-NCW loopt? Wie gaat die desk betalen waarin alles samenkomt?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Voorzitter. Dank aan de Minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. Er blijven nog twee punten over waarover ik nog iets zou willen horen.

De conclusies van Actal over de voortgangsrapportage van de Minister over het verminderen van de regeldruk zijn stevig. Actal spreekt van «weinig solide», «tekortkomingen» en «onduidelijkheden». Dat is niet zomaar wat. De Minister erkent in zijn brief en vandaag tegenover de Kamer dat er fouten zijn gemaakt. Hoe gaat de Minister voorkomen dat in het vervolg in rapportages dossiers ontbreken, dat ze verkeerd worden weergegeven of dat een en ander eigenlijk pas na 2017 effect zal hebben? Voor de Kamerleden is belangrijk dat zij kunnen vertrouwen op de overzichten die zij van de Minister krijgen. Graag wil ik hierop een reactie.

De Minister reageert best positief op het idee van een financieringshulp, een soort app om het met name voor kleinere ondernemers nog gemakkelijker te maken om aan financiering te komen. Ik kan me voorstellen dat de Minister hierover moet nadenken. Kan hij een termijn noemen waarop hij hierop terugkomt? Anders blijft dit punt boven de markt hangen.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Dank aan de Minister. Fijn dat er een bundeling plaatsvindt van alle initiatieven ten behoeve van financiering van het mkb.

Fijn dat exit voor start-ups op de agenda van de Minister staat, alsmede de special envoy, gericht op met name Amsterdam. Daar ben ik blij mee.

Ik ben wel benieuwd naar het percentage van de Innovatiebox dat gebruik wordt. Daar had ik in eerste termijn naar gevraagd. Er is veel onduidelijkheid over de precieze benutting van de Innovatiebox. Vandaar dat ik die vraag heb gesteld. Ik zal in het volgende AO dat over tien minuten plaatsvindt, nog andere vragen stellen over de Innovatiebox.

Waar gaat de toerismemissie heen?

Is de Minister bereid om met betrekking tot het NBTC ook buiten EZ op zoek te gaan naar de maximale budgetruimte vanwege de ambities die hij steunt? Is hij bereid om daarover bijvoorbeeld te overleggen met zijn collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?

Ik ben blij met de inbreng van de VVD over het aanpakken van de Wet markt en overheid. Heel goed! Ook ben ik blij met de inbreng van de VVD over het scherp op de agenda houden van zzp'ers en het stevig controleren van de Minister. Dat geeft de burger toch wel moed.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik veer helemaal op bij het horen van de opmerking van de heer Verhoeven waaruit blijkt dat de VVD iets heeft gezegd over de Wet markt en overheid, want dat brengt in ieder geval de stemming over mijn amendement over TenderNed in wat «rooskleuriger vaarwater». Ik hoop zeer dat ik op de steun van de VVD mag rekenen voor dat amendement.

Ik vind het een beetje jammer dat we vandaag zo weinig hebben gewisseld over de aard en de omvang van bedrijfsoverdracht. Ik ben in eerste termijn niet aan dat punt toegekomen. In tweede termijn neem ik dan ook de gelegenheid om de Minister daarover een vraag te stellen. Ik begrijp dat het gedane onderzoek vooral een dataonderzoek is geweest. Als er nog zo weinig over die mislukte overnames te zeggen is ... Ik herinner mij een werkbezoek waar in ieder geval het CDA en de Partij van de Arbeid bij aanwezig waren, waarbij bijvoorbeeld werd ingezoomd op het feit dat er soms te weinig geschoolde mensen waren die bijvoorbeeld ambachtelijke bedrijven konden overnemen. Ik heb begrepen dat dit echt een knelpunt is. Wordt hiernaar nader onderzoek gedaan? Is het mogelijk om hiervan wat meer te leren dan slechts datgene wat blijkt uit de analyse van de CBS-cijfers?

De voorzitter: Hiermee zijn we aan het eind gekomen van de tweede termijn van de commissie. Ik kijk naar de Minister.

Minister Kamp: Voorzitter. Mevrouw Gesthuizen vroeg naar de bedrijfsoverdrachten. Ik heb al een paar keer de gelegenheid gehad om daarover met de Kamer te spreken. We hebben daarnaar onderzoek laten doen. Daaruit blijkt niet dat er sprake is van misstanden. Het proces van bedrijfsoverdracht is een gecontroleerd proces waarin voorzieningen als adequaat worden beoordeeld. Wel kon de informatievoorziening verbeterd worden. We hebben op www.ondernemersplein.nl een aparte ingang gemaakt die volledig gericht is op bedrijfsoverdrachten. Voor bedrijfsoverdrachten zijn faciliteiten beschikbaar, maar die zijn vooral gericht op bedrijfsoverdrachten die binnen de familie plaatsvinden. Er zijn echter ook heel veel bedrijfsoverdrachten die buiten de familie plaatsvinden. Misschien zijn de faciliteiten daar nog onvoldoende op gericht. Dat zijn zaken waaraan we aandacht besteden.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Als de Minister daaraan aandacht gaat besteden, zou ik dat te zijner tijd graag horen.

Minister Kamp: Zeker! Ik zal dat soort dingen zeker met u delen.

Ik kom op het ondernemersdossier. Ik wil die drie financieringsdesks graag tot één desk terugbrengen. Als die desk tot stand komt, wil ik meteen de link leggen met het ondernemersdossier. Op die manier zal ik het dus benaderen. Ik kan dus geen datum noemen, maar ik kan wel deze combinatie maken.

Actal heeft drie concrete dingen aangegeven waarvoor geldt dat het niet goed ging. Ik heb al verteld dat het ging om het bedrag van 1 miljoen euro dat over verschillende ministeries was verdeeld en dat ik het in de cijferopstelling slechts heb meegenomen bij het Ministerie van Financiën. Iets anders was dat er op agrarisch gebied sprake was van een beperking van de regeldruk, maar dat daarvan pas sprake zou zijn vanaf 2017. Dat mag je dus niet in deze optelling meenemen. In totaliteit zijn er drie fouten geconstateerd, maar er gebeuren honderden en honderden dingen en we hebben Actal om de vinger op de zere plek te leggen. Ik ben daar dankbaar voor, zal een en ander herstellen en ik zal proberen om die fouten de volgende keer niet meer te maken. Maar ja, wie geen fouten maakt, mag de eerste steen werpen.

De heer Verhoeven vroeg zich af welk percentage van de Innovatiebox gebruikt wordt. Die vraag is niet te beantwoorden, omdat het een fiscale activiteit is. Dat betekent dat je die faciliteit creëert en dat die gebruikt wordt. Achteraf kun je kijken wat het bedrag is waarvoor er gebruik van gemaakt is. Zo is de systematiek van de Innovatiebox.

De heer Verhoeven (D66): Ja, dat snap ik, maar ook dat kun je op een bepaald moment onderverdelen naar gebruikers. Dat moet mogelijk zijn. Wanneer kan dat wel bekend worden gemaakt? Kan dat pas bij de evaluatie gebeuren?

Minister Kamp: Mij lijkt dat dit door de heer Verhoeven ingebrachte punt bij die evaluatie relevant is. Ik zal dat dus bij de evaluatie inbrengen.

In relatie tot de handelsmissies heb ik gezegd dat we zouden kijken of er een aparte missie kan komen die gericht is op stimulering van toerisme. De heer Verhoeven vertaalt dit meteen als dat er een handelsmissie komt voor dit doel. Ik wilde dat ik zo besluitvaardig was als de heer Verhoeven.

De heer Verhoeven (D66): Ja, dat zou ik ook wel willen!

Minister Kamp: Die keuze moet nog gemaakt worden. Een en ander moet nog voorbereid worden en de beslissing daarover moet nog genomen worden. De eerste beslissing zal genomen worden door collega Ploumen, die met name met de buitenlandse handel belast is. Ik ben heel blij met haar inspanningen en ben verantwoordelijk voor het toerisme. We zullen het over deze missie gezamenlijk zeker eens worden, al was het maar omdat ik respecteer dat het voortouw wat buitenlandse handel betreft bij collega Ploumen ligt.

De heer Groot heeft gevraagd wie die ene financieringsdesk gaat betalen die voortkomt uit de drie desks die er zijn. Ik denk dat dit een feestje wordt. Nu maken drie desks kosten. Als er één desk ontstaat, kunnen de kosten naar mijn idee alleen maar lager zijn. Het gaat naar mijn idee eerder om de vraag hoe we de buit verdelen. Ik zeg dit bij wijze van grap, maar ik denk dat de Nederlandse Vereniging van Banken, MKB-Nederland, de Kamer van Koophandel en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heel druk met dit onderwerp bezig zijn en dat zij hiervoor ook kosten maken. We moeten een en ander bundelen en het beschikbare geld gebruiken om die midden- en kleinbedrijven zo goed mogelijk van dienst te zijn. Als we de budgetten straks op hetzelfde peil houden, doen we daarmee misschien al goede zaken.

De heer Ziengs (D66): Wat dat betreft geldt natuurlijk ook een beetje de wet: wie betaalt, bepaalt. Heeft de Minister daar een visie op?

Minister Kamp: Ja. Ik vind het heel mooi als er straks één website komt, maar ik vind het ook heel belangrijk dat er voortdurend mensen beschikbaar zijn om aangesproken te worden. Ik vind het dus heel belangrijk dat er een desk is om te bellen en mensen aan de telefoon te krijgen. Die faciliteit is er op dit moment bij de Kamer van Koophandel en ik denk dat we die moeten behouden. Ik wil graag dat die ene desk die we gaan maken, meer is dan de drie desks samen. Je moet die niet alleen gemakkelijk kunnen vinden, maar er moet ook een nog betere dienstverlening zijn.

De heer Ziengs sprak over de EMVI. Hij vroeg mij om, vooruitlopend op de evaluatie, te bezien wat er in de praktijk gedaan kan worden. Hij betrok ook PIANOo daarbij. Ik denk dat we dat moeten gaan doen en zal daar dus naar kijken.

De heer Ziengs stuurt mij informatie over de AKI waarvan ik heel graag gebruik maak.

Ik zeg de heer Ziengs graag toe dat we de signalen ten aanzien van de Aanbestedingswet bij de evaluatie betrekken.

De voorzitter: Dank u wel. Hiermee komen we aan het eind van de tweede termijn van de Minister. De Minister wijst mij er terecht op dat het precies 15.00 uur is. Dank aan allen daarvoor.

Ik heb drie toezeggingen genoteerd.

  • De Minister stuurt de Kamer te zijner tijd een reactie op de nog te verschijnen Britse evaluatie van de SEIS-regeling.

  • De Kamer ontvangt in het voorjaar van 2015 de gezamenlijke retailagenda.

  • De Kamer ontvangt in de zomer van 2015 een uitgebreide evaluatie van de Aanbestedingswet 2012.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA): Ik kondig een VAO aan. Ik bespreek met mijn fractie hoe we omgaan met het Actal-rapport. Mogelijk geeft de uitkomst van die bespreking aanleiding om dat VAO op de agenda te laten staan.

De voorzitter: Mevrouw Mulder kondigt dus een VAO aan.

Ik sluit het algemeen overleg.

Sluiting 15.00 uur.

Volledige Agenda

1. Stand van zaken met betrekking tot betaaltermijnen

Kamerstuk 33 750-VII-66 – Brief regering d.d. 04-07-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

2. Aanvullend Actieplan Mkb-Financiering

Kamerstuk 32 637-147 – Brief regering d.d. 08-07-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

3. Aanbieding periodieke rapportage Commissie van Aanbestedingsexperts

Kamerstuk 32 440-87 – Brief regering d.d. 06-05-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

4. Voorjaarsrapportage regeldruk

Kamerstuk 29 362-235 – Brief regering d.d. 18-06-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

5. Voortgangsrapportage Gastvrijheidseconomie

Kamerstuk 26 419-58 – Brief regering d.d. 23-06-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

6. Werkprogramma Actal 2015

Kamerstuk 29 515-353 – Brief regering d.d. 16-09-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

7. Aard en omvang van bedrijfsoverdracht

Kamerstuk 32 637-149 – Brief regering d.d. 26-09-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

8. Lancering Retailagenda

Kamerstuk 27 838-12 – Brief regering d.d. 10-10-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

9. Aanbieding halfjaarlijkse rapportage inzake de benutting van het EZ-financieringsinstrumentarium

Kamerstuk 32 637-152 – Brief regering d.d. 14-10-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

10. Aanpak problematiek franchisesector

Kamerstuk 31 311-140 – Brief regering d.d. 20-10-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

11. Kabinetsreactie op het «Groenboek Veiligheid van toeristische accommodatiediensten» (Zie de opmerking boven aan deze agenda.)

Kamerstuk 26 419-59 – Brief regering d.d. 20-10-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

12. Stand van zaken omtrent het monitoren van betaaltermijnen door gemeenten

Kamerstuk 34 000-B-14 – Brief regering d.d. 31-10-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

13. Kwartaaloverzicht van consultaties van de Europese Commissie met reactie van het Ministerie van Economische Zaken van juni 2014 tot oktober 2014

Kamerstuk 22 112-1924 – Brief regering d.d. 07-11-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

14. Reactie op het SP-rapport «Hart voor de zaak» (2010)

Kamerstuk 31 311, nr. 141 – Brief regering d.d. 14-11-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

15. Verzoek Kamer om overzicht regeldrukvermindering

Kamerstuk 29 515, nr. 354 – Brief regering d.d. 17-11-2014

Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp