Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232472 nr. 14

32 472 EU-voorstel: Verordening voor de teelt van GGO-gewassen COM(2010) 375

27 428 Beleidsnota Biotechnologie

Nr. 14 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 20 december 2011

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 hebben enkele fracties de behoefte om enige vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie inzake biotechnolgie.

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 16 december 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag)

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

Adjunct-griffier van de commissie,

Peen

Inhoudsopgave

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

     

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

2

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

3

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

4

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

4

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

5

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

5

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van ChristenUnie

5

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

7

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

9

     

Reactie van het kabinet

13

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brieven van het kabinet inzake Biotechnologie. Op basis van de stukken hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vragen en opmerkingen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) concludeert in zijn brief van 20 september jl. dat het sectoroverleg constructief verloopt maar nog niet is afgerond, en dat pas in het najaar duidelijk zal worden of een werkbare oplossing in het verschiet ligt. Wat zijn de gevolgen indien er geen oplossing wordt geformuleerd voor het gebruik van al het biologische materiaal waarop octrooirecht rust waarin een of meer geoctrooieerde «traits» zijn opgenomen? Welke instrumenten heeft u tot uw beschikking om alsnog te komen tot een oplossing? Wat zijn de alternatieven volgens u indien het sectoroverleg niet tot een oplossing komt?

De staatssecretaris van EL&I geeft in zijn brief van 9 november jl. aan dat in het kader van het topsectorenbeleid en de ontwikkeling van zogenaamde roadmaps nog zal worden bezien of en op welke manier vanaf 2013 een vervolg aan het project Technologisch Topinstituut Groene Genetica (TTI-GG) wordt gegeven. In 2014 wordt het Programma Groene veredeling geëvalueerd en over de voortzetting besloten. In het kader van het topsectorenbeleid zal worden bezien of het onderzoeksprogramma dat gericht is op het verkrijgen van robuust plantaardig 100% biologisch uitgangsmateriaal in 2012 een vervolg krijgt. Op basis van welke criteria wordt besloten of de (onderzoeks)programma’s worden voortgezet?

De staatssecretaris van EL&I geeft in zijn brief aan dat de overheidsbijdrage aan het totale project TTI-GGI € 20 mln. was voor de periode 2007–2011. Voor het jaar 2012 wordt de financiering voortgezet. Hoe hoog is de overheidsbijdrage voor 2012? De leden van de VVD-fractie lezen verder dat het Netherlands Genomics Initiative (NGI) in de periode 2008–2013 in totaal € 22,3 miljoen uit de FES-gelden in diverse projecten gericht op plantgenomics investeren. Vanaf 2013 zijn er vrijwel geen middelen beschikbaar vanuit het FES. Hoe gaat de overheid in de toekomst dergelijke onderzoeken financieren of dienen dergelijke onderzoeken voortaan geheel vanuit de markt gefinancierd te worden? Welke rol ziet de overheid voor zichzelf hierin weggelegd?

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (I&M) gaat in zijn brief van 9 november jl. in op het Hongaars compromisvoorstel, dat gebaseerd was op een voorstel van de Europese Commissie inzake de mogelijkheden voor lidstaten om de teelt van genetisch gemodificeerde organismen (Ggo’s) op eigen grondgebied te beperken of te verbieden. Sinds de verschijning van het voorstel is veel discussie ontstaan over de juridische houdbaarheid van zulke nationale maatregelen en op welke gronden deze gestoeld zouden kunnen zijn. De leden van de VVD-fractie vragen zich af welk standpunt de Europese lidstaten innemen betreffende dit wetsvoorstel. U acht het van belang dat de afbakening tussen de mogelijkheid voor nationale maatregelen en de Europese veiligheidsprocedure helder blijft. Hoe wordt een goede aansluiting tussen de Europese veiligheidsbeoordeling enerzijds en nationale teeltmaatregelen anderzijds volgens u gewaarborgd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van het in Europees verband vastleggen van een volledige kwekersvrijstelling binnen de Bio-octrooirichtlijn (98/44/EG). Mogen deze leden u zo begrijpen dat ook u nog steeds voorstander bent van een tweesporenbeleid en dus ook het wijzigen van de richtlijn, zoals u aangaf tijdens het algemeen overleg van 18 mei 2011? Zo ja, welke initiatieven heeft u tot op heden ondernomen om dit te realiseren? Bent u al met Duitsland, Frankrijk en Denemarken om de tafel gegaan om te bezien hoe de steun die er in diverse landen is voor het inperken van octrooien op planten kan worden benut om de volledige kwekersvrijstelling op Europees niveau in te voeren? Zo ja, waar heeft dit tot nu toe tot geleid? Zo nee, wanneer gaat u dit doen? Uit de brief van minister Verhagen van 16 augustus jl. blijkt dat een groot aantal bedrijven en organisaties zich heeft gemeld als voor- of tegenstander van de volledige kwekersvrijstelling en dat de minister hun inbreng meeneemt in de lopende consultatieronde. Het is de leden van de PvdA-fractie niet duidelijk waarom bedrijven die geen activiteiten hebben op het gebied van plantenveredeling, zich mengen in het debat over intellectueel eigendom in de plantenveredeling. Kunnen de leden van de PvdA-fractie ervan uitgaan dat het kabinet in de lopende consultatieronde goed zal kijken naar de relevantie van degenen die zichzelf gemeld hebben als belanghebbenden in de discussie?

Deze leden vragen zich tevens af wanneer de aangekondigde wet met betrekking tot het regelen van een beperkte kwekersvrijstelling in Nederland naar de Kamer zal worden gestuurd? Tot slot vragen deze leden zich af welke de inzet is van het kabinet met betrekking tot de sectordialoog die op dit moment over het kwekersrecht wordt gevoerd? Bent u bereid een harde deadline te hanteren waarop deze inmiddels al meer dan een jaar durende dialoog tot resultaat moet hebben geleid, bijvoorbeeld vóór de 1 juli 2012?

De leden van de PvdA-fractie zijn ten principale van mening dat lidstaten, indien zij gegronde bezwaren hebben, de mogelijkheid moeten hebben om verbouw van ggo-gewassen op hun grondgebied tegen te gaan. Deze leden zijn dan ook voorstander van initiatieven om de gronden waarop lidstaten verbouw van ggo-gewassen mogen weren te verruimen. Kunt u aangeven wanneer besluitvorming hierover in Europa kan worden verwacht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de PVV-fractie hebben kennis genomen van de huidige stand van zaken rondom ggo’s en het octrooi- en kwekersrecht. Wel hebben de leden nog enkele vragen:

Wat zijn de gevolgen van eventueel invoeren van het Hongaars compromis voorstel? Creëert Nederland daarmee een (negatieve) uitzonderingspositie voor ggo’s? Bent u bereidt tot het toelaten van ggo’s als dit voorstel ingevoerd wordt? Zo neen, waarom niet?

Een ander probleem die de leden van de PVV-fractie vanuit de sector horen gaat over Gentherapie. Nederland vindt dat Gentherapie valt onder richtlijn 2001/18, terwijl overige lidstaten vinden dat het valt onder ingeperkt gebruik: Richtlijn 2009/41. Waarom is hier geen overeenstemming met andere landen? Wat is de afweging voor de keuze van deze richtlijn? Wat betekent dat voor patiënten en bedrijven?

Uit grootschalige door de EU(-lidstaten) bekostigde onderzoeken blijkt dat er geen veiligheidrisico’s meespelen bij ggo’s. De situatie rond veldproeven verbetert echter niet of nauwelijks. Waarom besluit de Raad van State tot vernietiging als er een vergunning door de minister is afgegeven? Hoe kan dit toch? Waar gaat dat mis?

Wat is de stand van zaken bij de dialoog tussen verschillende stakeholders over het octrooi- en kwekersrecht. Boekt men enige progressie?

Wanneer worden de dialoog van de stakeholders en de dialoog van de brancheorganisaties samengevoegd om tot één compromisvoorstel te komen? En wordt deze uitkomst bindend of adviserend voor de uiteindelijke keuze van het kabinet over het al dan niet (beperkt) openstellen van het kwekersrecht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie constateren dat het kabinet de motie van het lid Ormel c.s., Kamerstuk 27 428, nr. 198, nog niet heeft uitgevoerd. Het kabinet wordt in deze motie verzocht een onafhankelijk voorzitter te benoemen die het overleg met alle direct belanghebbenden met betrekking tot kwekers- en octrooirecht vormgeeft. Kan het kabinet toezeggen dat uiterlijk 16 december a.s. een onafhankelijke voorzitter wordt benoemd? Uit de brief van 20 september jl. valt op te maken dat er weliswaar overlegd wordt over de toegang tot biologisch materiaal voor veredelingsdoeleinden en de juridisch ingewikkelde verhouding tussen kwekersvrijstelling, octrooirecht en licenties, maar dat er nog geen werkbare oplossing in het verschiet ligt. Heeft het kabinet een tijdstip voor ogen waarop hij een eindresultaat verwacht?

De Evaluatiecommissie beoordeelt de kwaliteit van het werk van de COGEM als hoog. De leden van de CDA-fractie complimenteren de COGEM met dit oordeel. De leden zien geen praktisch nadeel in het ontvangen van belangrijke adviezen en signaleringen van de COGEM. De vraag is alleen wie dan beoordeelt wat belangrijk is en wat niet. Datzelfde geldt als het kabinet deze afweging maakt; dan bepaalt het kabinet welk advies hij van belang acht. Een tussenoplossing lijkt ons wenselijk: COGEM zendt twee maal per jaar een overzicht van haar adviezen en signaleringen met een korte samenvatting naar de Tweede Kamer en het kabinet zendt de adviezen en signaleringen waar hij een standpunt op inneemt, integraal naar de Kamer.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wanneer de Kamer het wetsontwerp voor de introductie van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995 tegemoet kan zien. Het kabinet geeft aan voornemens te zijn om de Raad van State te vragen naar een eventuele strijdigheid tussen de TRIPS overeenkomst en een uitgebreide veredelingsvrijstelling. Is dat wel de juiste plek? De Raad van State wordt een advies gevraagd over een Wetsontwerp over een beperkte veredelingsvrijstelling en zou dan in dat advies in moeten gaan op een uitgebreide veredelingsvrijstelling. Indien er geen strijdigheid is, zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat er serieus gedacht moet worden over de mogelijke implicaties voor het in te dienen wetsontwerp. De leden achten het verstandig om op korte termijn een apart advies te vragen van de Raad van State over de mogelijke strijdigheid van veredelingsvrijstelling in het octrooirecht met de TRIPS-overeenkomst en de bio-octrooirichtlijn 98/44/EG, voorafgaand aan de toezending van het wetsontwerp beperkte veredelingsvrijstelling. Graag een reactie.

Hoe staat het met de voortgang van het Hongaarse compromisvoorstel om lidstaten de mogelijkheid te geven teelt van genetisch gemodificeerde gewassen op hun grondgebied te verbieden op grond van een limitatieve lijst? De leden van de CDA-fractie steunen dit compromis, maar er moet wel sprake zijn van enige voortgang. In de EU zijn twee gewassen voor teelt toegelaten, terwijl in andere werelddelen vele malen meer gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde gewassen. Deze EU positie remt innovatie en levert de Europese landbouw achterstand op. Graag een reactie van het kabinet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie kijken uit naar het algemeen overleg met het kabinet over biotechnologie. Graag willen zij op de hoogte gebracht worden van de voortgang van het sectoroverleg en vragen ze u om het eindverslag toe te zenden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben kennis genomen van de stukken op de agenda van het schriftelijk overleg.

Graag zouden de leden geïnformeerd worden over de status van het sectoroverleg middels een stand van zakenbrief.

Daarnaast vragen zij of er reeds een parallel overleg met Non Gouvernemental Organisations (NGO’s) over dezelfde onderwerpen heeft plaatsgevonden. Kunt u ons informeren over een eventueel overleg en de uitkomsten?

Als laatste ontvangen de leden graag een overzicht van de lopende biotechnologie wetgevingstrajecten in Nederland en Europa.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie houden graag een vinger aan de pols als het gaat over ggo’s, en zijn daarom zeer geïnteresseerd in de Europese ontwikkelingen ten aanzien van meer nationale bevoegdheid en het betrekken van sociaal economische criteria. Het kabinet geeft aan dat er na het aannemen van een aantal amendementen in het Europees Parlement echter op korte termijn nog geen afronding in zicht is. Hoe ziet het proces er in de komende maanden uit? Waar stokt de voortgang met name op, en wat wordt er van Nederlandse zijde ondernomen om de vaart weer in het proces te krijgen?

Naast de procesvoortgang zouden de leden willen vragen om meer informatie met betrekking tot de inhoud. Over welke aanvullende criteria wordt precies gesproken? Kan aangegeven worden welke criteria grofweg door andere lidstaten zijn ingebracht die niet in de Nederlandse inbreng werden genoemd? In de brief van 9 november 2011 staat dat er een categorie amendementen is die losstaat van het voorstel. In hoeverre is er over de amendementen die zuiver betrekking hebben op het commissievoorstel inhoudelijke overeenstemming bereikt tussen de lidstaten?

In de bijlage bij brief RB/2011047830 staat te lezen dat de voorwaarden voor een nationaal teeltverbod «non-discriminatoir» moeten zijn. Wat betekent deze voorwaarde concreet? Betekent het dat in de toekomst ook importverboden mogen worden ingesteld op bijvoorbeeld RoundupReady soja of mais, of betekent het dat uiteindelijk alle ggo’s die ergens in de wereld geteeld worden welkom zijn op Nederlandse akkers? Graag verduidelijking.

Daarnaast enkele vragen over het schadefonds. Kunt u verzekeren dat het schadefonds gevuld is en dat alle partijen overeenstemming hebben bereikt voor eventuele commerciële teelt. Wat zijn de garanties voor gentechvrije telers? Kan toegezegd worden dat voor alle gewassen het principe «de vervuiler betaalt» leidend is voor het vullen van het restschadefonds voor co-existentie?

In de reactie op de COGEM evaluatie wordt geschreven dat de COGEM niet betrokken zal worden in de toekomstige sociaal-economische beoordeling van ggo-gewassen. Hoe verhoudt zich dat exact tot de signalering Sociaal-economische aspecten van ggo's, Bouwstenen voor een EU duurzaamheidsbeoordeling van genetisch gemodificeerde gewassen (090929-01), die de COGEM schreef en die gebruikt is als Nederlandse input voor het Europese proces dat nu vorm geeft aan de sociaal-economische criteria?

De leden van de ChristenUnie-fractie steunen het sectoroverleg over het kwekers- en octrooirecht, waarin constructief wordt samengewerkt om een oplossing te bereiken. Kan het kabinet duidelijkheid verschaffen over de fase waarin het proces zich nu bevindt? Op welke termijn kan de afronding van dit proces wordt verwacht? Voor de effectiviteit van het sectoroverleg achten de leden het wenselijk dat een einddatum wordt genoemd. Is het kabinet hiertoe bereid?

Tegelijkertijd bestaat er onduidelijkheid over de inzet in Europa. Waar de staatssecretaris van EL&I tijdens het algemeen overleg Biotechnologie op 18 mei j.l. zei: «We gaan met de lidstaten Duitsland, Frankrijk en Denemarken om de tafel» lezen de leden in de brief van de minister van EL&I dat hij zal nagaan of samenwerking met die landen wellicht opportuun is. Ook stelde de staatssecretaris van EL&I dat een uitgebreide kwekersvrijstelling gewenst is en dat daarvoor een wijziging van de richtlijn nodig is. Daar tegenover lezen de leden in de brief van de minister van EL&I dat hij nagaat of het wenselijk is een wijziging van de bio-octrooirichtlijn te bepleiten, of om andere oplossingen te overwegen die tegemoet komen aan de wensen van de kwekers.

Begint de inzet voor een brede kwekersvrijstelling te vertroebelen? Wie is de verantwoordelijke op dit dossier? Wat is er gebeurd met de duidelijkheid van de staatssecretaris van EL&I? Wat wordt er gedaan om de toezeggingen van het kabinet vorm te geven? Kan het kabinet bevestigen dat de inzet zoals verwoord door de staatssecretaris van EL&I leidend is?

Tijdens het algemeen overleg van 18 mei jl. is door de leden van de ChristenUnie-fractie de vraag gesteld wie de brieven over octrooi- en kwekersrecht zal ondertekenen, aangezien er in de Tweede Kamer steeds goede inhoudelijke discussies plaatsgevonden hebben met de staatssecretaris van EL&I maar de brieven steeds ondertekend worden door de minister van EL&I. Daarna heeft de Kamer opnieuw twee brieven van de Minister van EL&I ontvangen. Hoewel de leden weten dat het kabinet met één mond spreekt stellen zij het toch op prijs als duidelijk is welke bewindspersoon nu verantwoordelijk is voor dit dossier. Daarom herhalen de leden van de ChristenUnie-fractie de vraag of de Tweede Kamer voortaan met alleen de staatssecretaris van EL&I te maken kan hebben voor het dossier octrooi- en kwekersrecht.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

Het kabinet heeft zich tijdens het algemeen overleg Biotechnologie op d.d. 18 mei 2011 nadrukkelijk uitgesproken voor een uitgebreide kwekersvrijstelling in het octrooirecht en aanpassing van de Europese bio-octrooirichtlijn, mits rekening wordt gehouden met de belangen van chemie en de farmaceutische industrie. In de brieven van 16 augustus jl. en 20 september jl. lijkt het kabinet weg te draaien bij zijn principiële stellingname en toezegging tijdens het algemeen overleg. De terughoudende formuleringen roepen bij de leden van de SGP-fractie enkele vragen op. Staat het kabinet nog steeds achter de brede veredelingsvrijstelling in de Europese bio-octrooirichtlijn, mits recht gedaan kan worden aan de belangen van chemie en de farmaceutische industrie? Het kabinet geeft aan dat naast de uitgebreide veredelingsvrijstelling in de bio-octrooirichtlijn ook alternatieven worden bekeken. Is de veronderstelling juist dat het kabinet, gelet op de toezegging tijdens het algemeen overleg, daarbij doelt op alternatieven die minstens gelijkwaardig zijn een uitgebreide veredelingsvrijstelling?

De leden van de SGP-fractie leggen het kabinet de volgende casus voor: recent heeft het Spaanse veredelingsbedrijf Zayintec patent aangevraagd op een bepaalde resistentie tegen de Tuta Absoluta (mineermot) in tomaat. De Tuta Absoluta zorgt voor veel schade in tomatengewassen, met name in gebieden langs de Middellandse Zee. Binnen en buiten de wetenschap wordt wereldwijd onderzoek gedaan naar resistentie tegen deze mineermot. Op de schouders van de wetenschap en de beschikbaarheid van wilde tomatenvariëteiten in de vrije natuur heeft Zayintec de genoemde resistentie gevonden en nu zelfs ook gepatenteerd. Het patenteren van de genoemde resistentie kan het voor andere veredelingsbedrijven echter moeilijk maken tomatenrassen met de genoemde resistentie door te ontwikkelen. Acht het kabinet deze gang van zaken in principieel en sociaaleconomisch opzicht, dus los van de juridische ruimte, wenselijk?

Het kabinet schrijft dat hij via ondermeer de landbouwattachés na zal gaan hoe andere lidstaten denken over een uitgebreide veredelingsvrijstelling. De leden van de SGP-fractie vinden dat onvoldoende. Is het kabinet bereid zich in Brussel op politiek niveau uit te spreken tegen het overschaduwen van het kwekersrecht door het octrooirecht en tegen het (indirect) octrooieren van planteneigenschappen en plantenrassen? Is het kabinet bereid zich in Brussel op politiek niveau uit te spreken voor aanpassing van de Europese bio-octrooirichtlijn door invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling (onder voorbehoud dat recht gedaan wordt aan de belangen van chemie en farma-) of gelijkwaardige alternatieven? Is het kabinet bereid zich op politiek niveau aan te sluiten bij de stevige inzet van bijvoorbeeld de Duitse landbouwminister Aigner?

De leden van de SGP-fractie wijzen daarbij op de positie die het Europese patentenbureau recent heeft ingenomen en het momentum wat daarmee is gecreëerd voor politieke stellingname en politieke discussie op Europees niveau. Zij heeft recent de behandeling van een patentaanvraag van het Israëlische landbouwministerie met betrekking tot een zogenaamde «schrompeltomaat» opgeschort, omdat zij zich eerst wil buigen over de principiële vraag of plantenrassen die via klassieke veredeling zijn ontwikkeld gepatenteerd mogen worden. Deelt het kabinet de mening van de SGP-fractie dat het Europese patentenbureau deze principiële vraag terecht op tafel heeft gelegd? Deelt het kabinet de mening van de SGP-fractie dat deze principiële vraag niet beantwoord moet worden door juristen, maar door de politiek? Is het kabinet bereid naar aanleiding van de vraag die het Europese patentenbureau op tafel heeft gelegd in Brussel op politiek niveau uit te spreken tegen het indirect patenteren van plantenrassen?

De dialoog tussen groenteveredelaars over de licentiegedragscode kabbelt voort. Uit het verslag maken de leden van de SGP-fractie op dat op zich constructief overleg gevoerd wordt, maar dat er verschillen van mening blijven. Zij vragen het kabinet om druk op het proces te houden. Is het kabinet bereid de betrokken partijen een deadline te geven, bijvoorbeeld 1 mei 2012?

Wanneer komt het wetsvoorstel inzake de beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet naar de Kamer, inclusief het advies van Raad van State over de brede veredelingsvrijstelling in de Europese bio-octrooirichtlijn in relatie tot het Agreement on Trade Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPS) verdrag?

De leden van de SGP-fractie hebben kennis genomen van de juridische analyse van het kwekers- en octrooirecht door het ministerie en de visie van Plantum, gebaseerd op de analyse van de expert op het gebied van Intellectueel Eigendom bij Hogan Lovells. Zij leggen het kabinet de volgende gedachtegang voor:

Een belangrijk onderdeel van de plantenveredeling is veredeling op ziekteresistentie. De kern daarvan is doorontwikkeling en multiresistentie. Dat betekent: voortbouwen op bestaande rassen. De leden achten het maatschappelijk ongewenst als door een octrooi op een resistentie-gen één bedrijf zijn octrooirechten kan laten gelden op alle plantenrassen met deze resistentie. Zeker niet als dat betekent dat zo’n ras resistenties bevat die er door andere bedrijven in zijn gebracht, met hulp van het kwekersrecht. Dit is een belangrijk bezwaar van de leden van de SGP-fractie tegen de brede reikwijdte van de octrooibescherming van planteigenschappen, tegen de uitholling van de niet-octrooieerbaarheid van plantenrassen (artikel 4 van de bio-octrooirichtlijn), en tegen de uitholling van het International Union for the Protection of New Varieties of Plants (UPOV) verdrag.

De leden vragen aandacht voor de artikelen 7 en 8 van het TRIPS-verdrag waarin het ook gaat over het wederzijds voordeel van producenten én gebruikers en over evenwicht tussen rechten en verplichtingen. Zij vinden dat het evenwicht ten aanzien van octrooiering van planteigenschappen zoek is. Een uitgebreide veredelingsvrijstelling in de bio-octrooirichtlijn zou dit evenwicht terug kunnen brengen.

In zijn juridische analyse heeft het kabinet met name de artikelen 28 en 30 van het TRIPS-verdrag tegen de uitgebreide veredelingsvrijstelling in stelling gebracht. Dat vinden de leden van de SGP-fractie niet plausibel. Voor planten, inclusief hun eigenschappen, en plantenrassen geldt in de eerste plaats artikel 27. Lidstaten moeten in ieder geval plantenrassen beschermen. Het huidige kwekersrecht, inclusief uitgebreide veredelingsvrijstelling, voldoet aan de doelen van het TRIPS-verdrag en aan artikel 27. Lidstaten krijgen daarnaast de vrijheid om octrooiering van planten, inclusief hun eigenschappen, te verbieden. Dat gaat veel verder dan octrooieerbaarheid van planteigenschappen in combinatie met de uitgebreide veredelingsvrijstelling. Het geeft, naar het oordeel van de leden, de ruimte aan die lidstaten hebben en plaatst de toepassing van de artikelen 28 en 30 in het juiste perspectief.

De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet deze gedachtegang mee te nemen in de adviesaanvraag bij Raad van State over de uitgebreide veredelingsvrijstelling en ontvangen graag een inhoudelijke reactie op deze gedachtegang, al dan niet na ommekomst van het genoemde advies van Raad van State.

De leden van de SGP-fractie zijn benieuwd naar de stand van zaken ten aanzien van cisgenese. Het verslag van het onderzoek van de EFSA zou naar verwachting direct na de zomervakantie, inclusief kabinetsreactie, naar de Kamer gestuurd worden. Voor zover de leden weten, is dat nog niet gebeurd. Zij horen graag wanneer verlag en kabinetsreactie naar de Kamer gestuurd kan worden.

De leden van de SGP-fractie stellen het op prijs om alle meer generieke signaleringen, adviezen en rapporten van de Commissie genetische modificatie (COGEM) in afschrift te ontvangen. Zij lezen dat het kabinet geen principiële bezwaren tegen deze werkwijze heeft. Zij vragen het kabinet zijn praktische bezwaar opzij te zetten. Genetische modificatie is een maatschappelijk gevoelig thema. De leden willen daarom graag rechtstreeks door de COGEM op de hoogte gehouden worden. Een direct afschrift staat een kabinetsreactie bovendien niet in de weg.

Het kabinet gaat in zijn brieven over het Hongaarse compromisvoorstel inzake de toelating van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) in op de mogelijkheid om nationale maatregelen te baseren op milieudoelen. Zij is van mening dat nationale maatregelen niet bedoeld zijn als alternatief voor de EU veiligheidsprocedure en dus gebaseerd moeten zijn op gronden die in die procedure niet aan de orde komen. Is het kabinet met de leden van de SGP-fractie van mening dat nationale maatregelen tenminste gebaseerd moeten kunnen worden op regionale milieuaspecten in zoverre deze milieuaspecten niet of onvoldoende zijn meegewogen in de EU toelatingsprocedure?

Het belang van goede co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen en niet gemodificeerde gewassen wordt breed gedeeld. Is de veronderstelling juist dat nationale maatregelen ook gebaseerd mogen zijn op de mate waarin co-existentie mogelijk is? Zo niet, wil het kabinet daar in het kader van de onderhandelingen over het Hongaarse compromisvoorstel voor pleiten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van de verschillende brieven over biotechnologie die recent aan de Kamer zijn gestuurd. Uit al deze brieven blijkt dat het kabinet de teelt en het gebruik van gentechnologie wil stimuleren, en de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren keuren dit sterk af. Gentechnologie brengt risico’s met zich mee, en levert op geen enkele wijze een bijdrage aan een duurzamere wereld. Het gebruik van gentechnologie wijzen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dan ook af. Zij willen een aantal vragen stellen over de voorliggende brieven.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met veel zorg kennis genomen van het voornemen van BASF om gentech-aardappels te gaan telen in Nederland. Deze aardappels zijn gemanipuleerd ten behoeve van industriële productie, en bevatten antibioticaresistente genen. Volgens deskundigen bestaat het risico dat deze genen zich verspreiden, en dat is gezien de groeiende problematiek van antibioticaresistentie, ook in de bodem, een zeer serieus probleem naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Bij een veldproef in Zweden bleek BASF al niet in staat de gentechaardappels te scheiden van niet-gentech aardappels. U gaf ook al eerder toe dat een vermenging van gangbare en biologische aardappels niet uitgesloten kan worden. Dit vormt naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een groot risico voor de productie van pootaardappelen in Nederland, deelt het kabinet die zorg? Kan het kabinet daarbij ook ingaan op de mogelijke gevolgen van vermenging van de Amflora met biologische en gangbare (poot)aardappelen, die naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zeer desastreus kan uitpakken, ook omdat de Amflora aardappel niet geschikt is voor consumptie?

De huidige co-existentieafspraken zijn naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren volstrekt onvoldoende om biologische en gangbare producenten te beschermen tegen vervuiling van hun productie met gentech, deelt u die mening? Op welke wijze wil het kabinet deze vermenging voorkomen? Deelt het kabinet de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat juist bij aardappels, die op grote schaal, ook als pootgoed, worden geteeld in Nederland, vervuiling met genetisch gemanipuleerde aardappels een groot risico is, en dat dit soort uitgangsmateriaal extra bescherming behoeft? Is het kabinet bereid de teelt van gentech-aardappels in Nederland te verbieden om de biologische en gangbare teelten te beschermen?

Dat de Amflora aardappel goedgekeurd is door de EFSA is zwaar omstreden, juist ook vanwege de antibioticaresistente genen in de aardappel. Volgens Corporate Europe Obsorvatory (CEO), een ngo in Brussel die onderzoek doet naar de lobbyactiviteiten van grote bedrijven in Brussel, was er sprake van belangenverstrengeling, meer dan de helft van het panel van de EFSA dat adviseerde over deze toelating, en zeer gebrekkig wetenschappelijk onderzoek naar de risico’s van deze toelating. CEO onthulde tevens dat BASF zeer agressief gelobbyd heeft voor toelating van deze omstreden aardappel, dat zij dreigden hun activiteiten in Europa te staken en dat zij zelfs gedreigd hebben met juridische actie tegen de Europese Commissie. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zien dat het zeer vaak het geval is bij de EFSA dat zij toegeeft aan de belangen van de industrie, zoals zij ook dit keer weer gedaan hebben. Deze zorgen zijn ook al vaker in de Kamer geuit. In reactie op deze zorgen heeft de EFSA de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een brief geschreven waarin zij verzekert dat alles bij de EFSA er keurig aan toegaat. Het kabinet geeft in zijn reactie daarop aan de Kamer aan dat de EFSA naar haar mening voldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de onafhankelijkheid en transparantie wordt gewaarborgd. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit een zeer naïeve reactie van het kabinet. Uiteraard zegt de EFSA zelf dat er geen sprake van belangenverstrengeling is. Maar keer op keer blijkt dat dit wel het geval is. Onlangs hebben de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ook vragen gesteld over de verdenkingen van belangenverstrengeling rond het veilig bevinden van het gebruik van aspartaam in voedingsmiddelen. Ook hier bleek dat leden van het panel van de EFSA dat hierover adviseerde, banden hadden met producenten die gebruik maken van deze stof. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben tot heden nog geen antwoord mogen ontvangen op deze vragen. Zo simpel zit het kennelijk dus niet in elkaar, dat de onafhankelijkheid en transparantie van de EFSA volledig te vertrouwen is. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren krijgen graag een reactie op de bevindingen van CEO inzake de toelating van de Amflora, en de toezegging dat het kabinet zelf onderzoek zal doen naar de transparantie en mogelijke belangenverstrengeling bij de EFSA.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren begrijpen ook niet dat het kabinet op dit moment akkoord gaat met de teelt van gentechnologie in Nederland. Er is door de Kamer uitgesproken dat de toelaatbaarheid teelt van gentechnologie niet alleen op milieurisico’s beoordeeld zou moeten worden, maar ook op de sociaal-economische aspecten van ggo’s. Ook in de andere lidstaten van de EU wordt dit gevoel breed gedeeld, en in Brussel is er nu een proces gaande om dit concreet vorm te geven. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen het kabinet dan ook een moratorium in te stellen op de teelt van gentech in Nederland, in ieder geval totdat er bruikbare criteria zijn om ook de sociaal-economische gevolgen van gentechteelt mee te wegen in de besluitvorming, is het kabinet hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet? Kan het kabinet aangeven wat de huidige stand van zaken is rond de Europese besluitvorming over de sociaal economische aspecten van ggo’s en welk tijdpad hij hierover verwacht?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren volgen met veel belangstelling de gang van zaken rond het invoeren van de mogelijkheid dat lidstaten zelf mogen beslissen of zij teelt van gentech op hun grondgebied al dan niet toestaan. Elk lidstaat moet naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren het recht hebben om de teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen op zijn grondgebied te verbieden op gronden die hijzelf belangrijk vindt. Dat verbod moet standhouden in een rechtszaak, ook als de World Trade Organization (WTO) een zaak aanhangig maakt. Ook de milieu- en sociale gevolgen van genetisch gemanipuleerde gewassen een grond moeten naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren grond kunnen zijn voor een verbod, deelt het kabinet die mening?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn blij met de aangenomen amendementen van het Europese Parlement waardoor ook de milieugevolgen van ggo’s kunnen worden meegewogen in deze besluitvorming. Het meewegen van milieudoelen in deze besluitvorming betekent naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ook dat bijvoorbeeld gewassen die zo gemanipuleerd zijn dat ze resistent zijn tegen landbouwgif, geweerd kunnen worden, deelt het kabinet die mening? Deze milieugevolgen worden niet meegenomen in de Europese besluitvorming en kunnen dus, anders dan het kabinet aan lijkt te geven in zijn reactie op de aangenomen amendementen, zeer wel op nationaal niveau een aanvullende grond zijn om teelt van gentech te weren, deelt het kabinet die mening? Betekent dit dus ook dat het in de toekomst mogelijk wordt om een generiek verbod voor herbicidenresistente ggo’s – zoals RoundupReady mais en suikerbieten – kan worden ingesteld in Nederland?

Graag krijgen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren een nadere reactie op de andere aangenomen amendementen van het Europees Parlement. De amendementen die het kabinet in de «tweede categorie» schaart zijn naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ook zeer waardevolle aanvullingen op het voorstel dat er lag. Kan het kabinet nader aangeven wat deze amendementen betekenen voor het intellectueel eigendom, de aansprakelijkheid voor schade en de noodzaak voor co-existentiemaatregelen, en haar standpunt hierover geven? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben er in de discussies hierover steeds op gewezen dat een verplichting tot co-existentiemaatregelen essentieel is voor deze discussie, deelt het kabinet deze mening? In de brief over de amendementen van het EP aan het commissievoorstel voor renationalisering staat dat «co-existentiemaatregelen, intellectueel eigendom en aansprakelijkheid voor schade los staan van het renationaliseringvoorstel». Kan het kabinet uitleggen waarom dit geen sociaaleconomische gevolgen van ggo teelt zouden zijn? In eerdere debatten is aan de orde geweest dat er overleg nodig is met onze buurlanden in verband met eventuele ggo teelt in de grensgebieden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag weten of dit overleg reeds plaats heeft gevonden en wat hiervan de uitkomsten zijn. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen hun grote waardering uitspreken voor de gemeente Tilburg die ervoor heeft gekozen een gentech-vrije gemeente te worden. Zij zien in meer delen van het land dit sentiment leven, en vragen het kabinet regio’s die de teelt van gentech willen weren hiertoe in staat te stellen en hierin te ondersteunen, is het kabinet hiertoe bereid?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn zeer bezorgd over de trend naar steeds meer genetisch gesol met dieren. Genetische manipulatie en klonen leidt tot heel veel dierenleed. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag de laatste stand van zaken weten rond de instelling van een verbod op de import van nakomelingen van gekloonde dieren te komen. Deze wens heeft de Kamer met het aannemen van een motie van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren bekrachtigd. Uit een advies van de juridische dienst van de Raad voor Dierenaangelegenheden bleek hoe dergelijk verbod kan worden geregeld. Ethische gronden kunnen een reden kunnen zijn voor een dergelijk verbod, deze zouden geaccepteerd worden door de WTO. Is het kabinet bereid zich, ondanks het uitblijven van maatregelen van de Europese Commissie, voor een dergelijk verbod in te spannen? Welke mogelijkheden ziet hij hiertoe?

Graag willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren weten waarom de COGEM onlangs een congres organiseerde over genetisch gemanipuleerde dieren. De COGEM nam daar de stelling in dat het huidige «nee-tenzij» beleid met betrekking tot het knutselen aan dieren op de schop moest, vanwege internationale ontwikkelingen op dit vlak. Deelt het kabinet die mening van de COGEM? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren keuren deze opstelling van de COGEM sterk af. Zij vinden geknutsel aan de genen van dieren onaanvaardbaar, en zij weten zich hierin gesteund door een ruimte meerderheid van de Kamer. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen benadrukken dat het «nee-tenzij» beleid gegrond is in ethische overwegingen, en dat dit onder geen enkele omstandigheid mag wijzigen, ook zeker niet onder economische druk, deelt het kabinet dit standpunt?

Dat de COGEM dit soort standpunten zo ferm ventileert is naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren tekenend voor de veel te politieke opstelling van de COGEM. Deze opstelling bleek ook uit de evaluatie van de COGEM, naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Bent u bereid de COGEM hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben begrepen dat het Europese Patentbureau momenteel onderzoekt of op gewassen die door klassieke veredelingsmethoden zijn ontwikkeld een patent kan worden neergelegd, kan het kabinet dat bevestigen? Dit is een zeer zorgelijke ontwikkeling naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren, deelt het kabinet deze zorg? Zo ja, is hij bereid zich in deze discussie te mengen en te benadrukken dat het patenteren van leven ongewenst is? Naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren toont deze ontwikkeling aan dat er grote snelheid moet worden gemaakt in het breed invoeren van het kwekersrecht, deelt het kabinet die mening? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden het kwekersrecht van groot belang voor het beschikbaar maken en houden van uitgangsmateriaal voor boeren wereldwijd, hier en in ontwikkelingslanden. Dat gaat over het vrij beschikbaar stellen van zaadjes van genetisch materiaal, omdat dat van niemand is en dus van iedereen. Patenten op het leven, of het nu soorten, eigenschappen, genen of techniek van veredeling betreft, vinden de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren ethisch volstrekt onverantwoord. De genetische rijkdom van het leven behoort toe aan de hele wereld, en niet aan een paar machtige multinationals die hun kans schoon zien om eigenaar te worden van onze voedselvoorziening. Deelt het kabinet deze uitgangspunten? Het sectoroverleg dat er momenteel wordt gevoerd zal geen resultaten opleveren naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Het kabinet moet nu snel overgaan tot het breed neerleggen van het kwekersrecht in nationale wetgeving en tot het doen van de benodigde aanpassingen in de Europese richtlijnen, is het kabinet daartoe bereid? Het is naar de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren niet nodig dit in mondiaal verband te regelen, en zij krijgen graag een reactie waarom uit de laatste brief van het kabinet opeens blijkt dat hij dit wel vindt.

II. REACTIE VAN HET KABINET

ONDERDEEL KWEKERSPROBLEMATIEK

Stand van zaken sectoroverleg over een licentiegedragscode

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de gevolgen zijn indien er geen oplossing wordt geformuleerd voor het gebruik van al het biologische materiaal waarop octrooirecht rust waarin een of meer geoctrooieerde «traits» zijn opgenomen en welke instrumenten er zijn om alsnog te komen tot een oplossing.

Indien er in het lopende sectoroverleg geen oplossing wordt gevonden over een licentiegedragscode, heeft dat tot gevolg dat elke kweker die gebruik wil maken van geoctrooieerde «traits» (dat wil zeggen uitvindingen die betrekking hebben op planteneigenschappen) een licentie nodig blijft hebben in de landen waar het betrokken octrooirecht van kracht is voor de commerciële exploitatie van plantenrassen waarin die geoctrooieerde eigenschappen zijn opgenomen en werkzaam zijn.

In het geval dat het sectoroverleg niet tot een oplossing komt, bestaat na invoering van een beperkte veredelingsvrijstelling de mogelijkheid om het plantenmateriaal waarop octrooirecht rust te gebruiken voor het kweken, ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen. Het is dan denkbaar om de geoctrooieerde eigenschappen, via verdere veredeling uit die nieuwe plantenrassen te verwijderen, of zodanig te veranderen dat de geoctrooieerde eigenschap niet langer werkzaam is. In dergelijke gevallen is er geen sprake van inbreuk op octrooirecht bij commerciële exploitatie van biologisch materiaal dat is afgeleid van het materiaal waarop het octrooirecht rust.

Voorts bestaat de mogelijkheid tot het vragen van dwanglicenties op grond van artikel 57 Rijksoctrooiwet 1995. Het octrooirecht kent de dwanglicentie in het algemeen belang, wegens niet gebruik van de uitvinding door de octrooihouder, of wegens het feit dat de toepassing van een octrooi afhankelijk is van een octrooi van gelijke of eerdere datum. Een dwanglicentie is eveneens mogelijk in het geval een kwekersrecht niet kan worden verkregen of worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op een octrooi van eerdere datum, mits het plantenras een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt.

Indien het sectoroverleg over een licentiegedragscode zou mislukken, zal moeten worden gezocht naar andere denkbare alternatieven om aan de behoeften van kwekers tegemoet te komen. Aan deze alternatieven wordt overigens al aandacht besteed bij de consultatie van belanghebbende partijen over haalbaarheid en wenselijkheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af welke de inzet is van het Kabinet met betrekking tot de sectordialoog die op dit moment over het kwekersrecht wordt gevoerd.

De inzet is dat het aan de kwekers is om na te gaan of er oplossingen zijn te vinden waarin de betrokken partijen zich kunnen vinden als het gaat om de toegang tot het biologisch materiaal waarop octrooirecht rust en redelijke voorwaarden voor het gebruik van dergelijk materiaal voor verdere plantenveredeling en commerciële exploitatie van nieuwe plantenrassen waarin gebruik wordt gemaakt van geoctrooieerde uitvindingen.

De leden van de fracties van de PVV, de SP en de ChristenUnie hebben gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de fase waarin het proces zich nu bevindt en op welke termijn de afronding van dit proces kan worden verwacht, terwijl de fractie van de SP over de voortgang van het sectoroverleg op de hoogte gebracht wil worden.

Het sectoroverleg verloopt gestaag en inmiddels worden de contouren zichtbaar van een regeling van een licentiegedragscode. Door de Stuurgroep van groenteveredelingsbedrijven zijn principes geformuleerd die een goed werkend systeem van toegang zullen waarborgen. De overgrote meerderheid van betrokken bedrijven ondersteunt deze principes. Met de resterende bedrijven vinden nog gesprekken plaats omdat voor een sectoroplossing een breed draagvlak immers essentieel is. Zoals in het laatste voortgangsverslag (Kamerstukken II, 2011/12, 27 428, nr. 204, bijlage) is aangegeven, zal spoedig duidelijk worden of het sectoroverleg tot een werkbare oplossing is gekomen.

Op korte termijn zal overleg plaats vinden met de NMa ter bespreking van mededingingsrechtelijke aspecten. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan dan mogelijk verder overleg plaats vinden met de Europese Commissie en de mededingingsautoriteiten in de VS, zodat ook elders een dergelijke gedragscode onder de aandacht kan worden gebracht, met het oog op overeenstemming met het mededingingsrecht. Het is nog niet te zeggen op welke termijn de afronding van dit proces kan worden verwacht omdat dat mede afhankelijk zal zijn van de medewerking van de mededingingsautoriteiten nationaal en internationaal.

Voorts zal ook nog tijd nodig zijn om de gedragscode verder vorm te geven in een praktische laagdrempelige uitvoeringsvorm en voor verantwoorde juridische vormgeving van de benodigde licentieovereenkomsten met redelijke voorwaarden.

Voorts willen de leden van de fracties van de SP en D66 graag geïnformeerd worden over de status van het sectoroverleg middels een eindverslag, respectievelijk een stand van zakenbrief.

Voor de stand van zaken sinds het aan uw Kamer gezonden jaarverslag van het sectoroverleg (brief van 20 september 2011, Kamerstukken II, 2011/12, 27 428, nr. 204, bijlage) verwijs ik u naar het voorgaande antwoord. Een eindverslag zal worden opgesteld en aan de Kamer worden gezonden zo spoedig mogelijk na beëindiging van de werkzaamheden van de Stuurgroep licentiegedragscode.

De leden van de fracties van de PvdA, de ChristenUnie en de SGP vragen naar de wenselijkheid van een einddatum van het sectoroverleg met het oog op de gewenste voortgang en afronding daarvan.

Het noemen van een einddatum acht ik onwenselijk gelet op het antwoord op de vorige vraag. Het is van groot belang dat er een gedragscode wordt ontwikkeld, zorgvuldig rekening houdend met de belangen van alle partijen die licenties verlenen of vragen. Zorgvuldigheid vergt tijd en daarbij past niet het stellen van een deadline.

De leden van de D66-fractie hebben voorts gevraagd of parallel overleg met NGO’s over dezelfde onderwerpen heeft plaatsgevonden.

Dit overleg heeft nog niet plaats gevonden. Het sectoroverleg heeft zich tot nu toe beperkt tot bespreking tussen vertegenwoordigers van 11 veredelingsbedrijven, die directe praktijkervaring hebben met octrooilicenties. Met de te benoemen voorzitter voor de consultatie van belangenverenigingen zal overigens ook besproken worden of en zo ja, op welke wijze maatschappelijke organisaties kunnen worden betrokken.

Tweesporenbeleid: inzet algemeen

De fractie van de ChristenUnie heeft gevraagd of de inzet zoals verwoord door de staatssecretaris leidend is bij het tweesporenbeleid en hebben gevraagd de leden van de fracties van de PvdA, de ChristenUnie en de SGP naar de inzet bij het tweesporenbeleid en het wijzigen van de richtlijn 98/44/EG, zoals aangegeven tijdens het algemeen overleg van 18 mei 2011. Deze leden vragen ook welke initiatieven worden ondernomen om de toezeggingen van het Kabinet vorm te geven.

Uit het verslag van het overleg daarover (Kamerstukken II, 2010/11, 27 428, nr.  89) blijkt de inzet voor het tweesporenbeleid. Uit een oogpunt van voedselzekerheid moet monopolisering worden tegengegaan. Daarom wordt onderzocht of een uitgebreide veredelingsvrijstelling in de Europese octrooirichtlijn geïntroduceerd kan worden, onder de voorwaarde dat andere belangen die gediend worden in het octrooirecht, van sectoren zoals van de chemie en de farmaceutische industrie niet of zo min mogelijk worden geschaad. Deze inzet is dus leidend en het Kabinet staat daar dus nog steeds achter. Wat betreft de genomen initiatieven verwijs ik u naar de stand van zaken bij de hierna genoemde activiteiten waarmee uitvoering aan dit tweesporenbeleid wordt gegeven. De resultaten van deze inzet zullen gezamenlijk bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja hoe, ook internationaal een breed gedragen oplossing bereikt kan worden voor de geschetste problematiek van de samenloop van octrooirecht en kwekersrecht.

Eerste spoor: beperkte veredelingsvrijstelling

Het eerste spoor betreft de beperkte veredelingsvrijstelling. Deze vrijstelling maakt het mogelijk om voor het kweken, ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen gebruik te maken van biologisch materiaal waarop octrooirecht rust, zonder toestemming van de octrooihouder. Voor de commerciële exploitatie van die nieuwe rassen blijft toestemming van de octrooihouder nodig, zolang de nieuwe plantenrassen de door de uitvinding gewijzigde eigenschappen bezitten. Dit eerste spoor krijgt vorm met de daartoe strekkende wetswijziging van de Rijksoctrooiwet 1995, die wordt voorbereid.

De leden van de fracties van PvdA, CDA en SGP wilden weten wanneer de Kamer het wetsontwerp voor de introductie van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995 tegemoet kan zien.

Van de Raad van State is vernomen dat het gevraagde advies over het wetsvoorstel rond de jaarwisseling is te verwachten, tegelijk met een advies over de conformiteit van een uitgebreide veredelingsvrijstelling met de TRIP’s-Overeenkomst en richtlijn 98/44/EG. Dat betekent dat, afhankelijk van de inhoud van het advies, begin 2012 het wetsvoorstel met het advies van de Raad van State van het Koninkrijk en het Nader Rapport aan de Tweede Kamer kunnen worden aangeboden.

Tweede spoor: uitgebreide veredelingsvrijstelling

Het tweede spoor betreft de uitgebreide veredelingsvrijstelling. Deze vrijstelling houdt het recht in om biologisch materiaal waarop een octrooirecht rust, zonder toestemming van een octrooihouder zowel te gebruiken voor het ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen als voor de commerciële exploitatie van die nieuwe plantenrassen indien deze de door de geoctrooieerde uitvinding veranderde eigenschappen hebben verkregen en behouden. Bij het tweede spoor gaat het om de volgende lopende activiteiten:

  • a. De lopende consultatie onder belanghebbende partijen;

  • b. De internationale sondering;

  • c. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk over een uitgebreide veredelingsvrijstelling.

Tweede spoor, onderdeel a, de lopende consultatie onder belanghebbende partijen;

Bij de lopende consultatie gaat het om een antwoord op de vraag naar haalbaarheid en wenselijkheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling en mogelijke alternatieven daarvoor. Daarbij zal ook aan de orde moeten komen welke effecten (positief of negatief) zijn te verwachten van een uitgebreide veredelingsvrijstelling. Vanwege de door staatssecretaris gestelde randvoorwaarde dat introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling moet plaats vinden zonder onaanvaardbare schade voor andere sectoren, zal in de consultatieronde ook moeten worden vastgesteld of de schade door introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling beperkt kan blijven tot bedrijven in de veredelingssector en of schade voor andere sectoren valt te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Een antwoord op deze vraag is van belang bij de inzet om in internationaal verband voor dit onderwerp aandacht of bijval te kunnen verkrijgen. Uit de recente publicatie «Octrooitoppers, Topgebieden vanuit octrooiperspectief» van Agentschap NL blijkt dat Nederland wat betreft octrooiaanvragen een vooraanstaande plaats inneemt bij de topgebieden Agrofood, Tuinbouw, Life Sciences en Chemie. Wijziging van de octrooibeschermingsomvang voor biotechnologische uitvindingen zal gevolgen kunnen hebben voor de vooraanstaande positie die Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen nu nog innemen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het Kabinet in de lopende consultatieronde wil kijken naar de relevantie van degenen die zichzelf hebben gemeld als belanghebbenden in de discussie.

Ja, bij de lopende consultatie zal ook gekeken worden naar de relevantie van partijen die bij de discussie betrokken kunnen worden. In eerste instantie zijn alleen partijen betrokken die opkomen voor de belangen van bedrijven die in hun praktijk te maken hebben met octrooirecht of kwekersrecht. Om die reden zijn nog geen maatschappelijke organisaties betrokken bij de consultatie.

De leden van de fractie van de PVV vragen wanneer de dialoog van de stakeholders en de dialoog van de brancheorganisaties worden samengevoegd om tot één compromisvoorstel te komen.

Het ligt niet in de rede dat deze dialogen worden samengevoegd. Bij de dialoog van de stakeholders gaat het om een sectoroverleg over een licentiegedragscode. Bij de dialoog met de brancheorganisaties gaat het om de haalbaarheid en wenselijkheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht. Het gaat hier om twee verschillende onderwerpen. Naar verwachting zal het opstellen van een licentiegedragscode bij een succesvol verloop veel minder tijd kosten dan het wijzigen van internationale regelingen met het oog op een uitgebreide veredelingsvrijstelling. Een breed gedragen licentiegedragscode kan mogelijk zelfs een alternatief vormen voor een uitgebreide veredelingsvrijstelling.

Deze leden vragen ook of de uitkomst bindend of adviserend zal zijn voor de uiteindelijke keuze van het Kabinet.

De consultatie zal worden afgerond met een rapportage, vergezeld van een advies van de voorzitter van de consultatie aan de bewindspersonen. Het advies naar aanleiding van de consultatie van belangen behartigende en belanghebbende partijen zal niet bindend zijn voor de keuze van het Kabinet. Het Kabinet heeft een eigen verantwoordelijkheid bij de besluitvorming met inachtneming van, de rapportage, het advies van de te betrekken onafhankelijke voorzitter en alle relevant geachte belangen.

De leden van de fractie van het CDA hebben gevraagd of uiterlijk 16 december 2011 een onafhankelijk voorzitter kan zijn benoemd en wanneer een eindresultaat kan worden verwacht.

De benoeming van een onafhankelijk voorzitter door de minister vereist, gelet op de tegenstellingen in opvattingen van de bij de consultatie betrokken belanghebbende partijen, een zorgvuldig selectieproces. Naar het zich laat aanzien kan in een voorzitter worden voorzien in het begin van 2012. Streven is dat de consultatie wordt afgerond met een rapportage daarover en een advies binnen ca een half jaar na benoeming van de voorzitter.

De leden van de fractie van de SGP vragen of bij het onderzoeken van mogelijke alternatieven, in plaats van een uitgebreide veredelingsvrijstelling, gedoeld wordt op alternatieven die minstens gelijkwaardig zijn aan een uitgebreide veredelingsvrijstelling.

Bij het onderzoek van alternatieven zal worden bezien in welke mate deze tegemoet kunnen komen aan de behoeften van de kwekers.

Of deze alternatieven gelijkwaardig kunnen zijn aan een uitgebreide veredelingsvrijstelling valt in dit stadium niet te zeggen. Het spreekt vanzelf dat alternatieven voor een uitgebreide veredelingsvrijstelling meer acceptabel zijn naarmate ze sneller kunnen worden ingevoerd en naar mate ze meer tegemoetkomen aan de behoeften van betrokkenen.

Tweede spoor: onderdeel b, de internationale sondering

Aan de technisch-wetenschappelijke attachés en landbouwattachés is gevraagd om te onderzoeken in hoeverre in andere landen van Europa belangstelling of voornemens bestaan voor introductie van een beperkte of uitgebreide veredelingsvrijstelling. Uit de rapportages van de attachés blijkt het volgende. In de meeste Europese landen blijkt na navraag bij de verantwoordelijke ministeries geen belangstelling voor een beperkte of uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht, omdat men daartoe geen reden ziet. Dat geldt voor België, Bulgarije, Denemarken, Finland, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. Evenmin bestaan in die landen voornemens om deze beperkte of uitgebreide vrijstelling in te voeren. Duitsland, Frankrijk en Zwitserland hebben een beperkte vrijstelling in het nationale octrooirecht ingevoerd. Er bestaan in die landen geen voornemens voor introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht.

De leden van de fractie van de PvdA vragen ook of al overleg is geweest, met Duitsland, Frankrijk en Denemarken om te bezien hoe de steun die er is in diverse landen voor het inperken van octrooi op planten kan worden benut om de volledige kwekersvrijstelling op Europees niveau in te voeren en waartoe dit overleg heeft geleid, dan wel wanneer dit overleg zal worden gevoerd.

Uit de internationale sondering is niet gebleken dat de genoemde landen voorstander zijn van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht. Ik acht het zonder de uitkomst te kennen van de lopende consultatie van belanghebbende partijen prematuur om in andere landen adhesie te verwerven voor een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht van Europese landen, zolang nog niet vast staat of deze vrijstelling zodanig is vorm te geven dat wordt voldaan aan de randvoorwaarde dat schade voor andere sectoren kan worden beperkt of voorkomen.

De leden van de fractie van de SGP hebben bij de internationale sondering via de innovatieattachés vragen gesteld over de bereidheid van het Kabinet om zich in Brussel op politiek niveau uit te spreken tegen het overschaduwen van het kwekersrecht door het octrooirecht, tegen het indirect octrooieren van planteneigenschappen en plantenrassen en voor aanpassing van de Europese bio-octrooirichtlijn door invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling (onder voorbehoud dat recht gedaan wordt aan de belangen van de chemische en farmaceutische industrie) of gelijkwaardige alternatieven.

Het overschaduwen van het kwekersrecht door het octrooirecht is een direct gevolg van de wijze waarop in het verleden aan het kwekersrecht en het octrooirecht is vorm gegeven.

Het kwekersrecht is door zijn aard en beschermingsomvang slechts beperkt tot het teeltmateriaal van het plantenras waarvoor het is verleend. Het octrooirecht kent een veel ruimere beschermingsomvang voor uitvindingen. Deze bescherming geldt voor vele toepassingsvormen (processen en producten) waarbij sprake is van commerciële toepassing van de geoctrooieerde uitvinding. Het behartigen van wijziging van de Europese bio-octrooirichtlijn is, gelet op de reeds verworven resultaten uit de internationale sondering en de nog te verwerven inzichten uit de lopende consultatie nog niet aan de orde. Zolang de effecten van invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling nog niet zijn onderzocht en besproken met belanghebbende partijen en zolang niet zeker is of invoering van zo’n vrijstelling kan plaats vinden zonder schade voor andere sectoren acht ik het prematuur om een dergelijk pleidooi te houden, mede gelet op het afbreukrisico voor onderhandelingen in internationaal verband bij onvoldoende voorbereiding.

De leden van de fractie van de SGP vragen ook of het Kabinet bereid is zich op politiek niveau aan te sluiten bij de stevige inzet van bijvoorbeeld de Duitse landbouwminister Aigner.

Van Minister Aigner is bekend dat zij vindt dat planten en dieren bij besluitvorming over octrooiaanvragen anders moeten worden behandeld dan gewone technische gevallen. Haar standpunt heeft betrekking op de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen. De thans lopende gedachtenwisseling gaat echter niet over de octrooieerbaarheid van biotechnologische uitvindingen maar over de mogelijkheden om de beschermingsomvang van verleend octrooirecht te beperken ten gunste van de plantenveredeling door invoering van een beperkte of uitgebreide octrooirechtelijke veredelingsvrijstelling of andere maatregelen. Vanwege het veel verder gaande standpunt (over octrooieerbaarheid) van Minister Aigner dan de Nederlandse inzet conform het standpunt van Plantum (beperking octrooibeschermingsomvang) is er geen reden om bij het Duitse standpunt aan te sluiten.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen of het Kabinet het standpunt deelt dat patent op leven ethisch onverantwoord is en dat de genetische rijkdom aan de hele wereld toebehoort.

Nee, het Kabinet deelt dit standpunt niet. Intellectueel eigendomsrecht is iets anders dan gewoon eigendomsrecht. Intellectueel eigendomsrecht heeft geen betrekking op eigendomsrecht van zaken maar op bepaalde intellectuele prestaties zoals uitvindingen waarvoor octrooirecht kan worden verleend of nieuwe plantenrassen waarvoor kwekersrecht kan worden verleend. Intellectueel eigendomsrecht leidt niet tot eigendom van zaken maar slecht tot een verbodsrecht om anderen bepaalde commerciële handelingen te verbieden met de octrooirechtelijk beschermde uitvinding of het kwekersrechtelijk beschermde plantenras. Octrooi op leven komt niet in aanmerking voor octrooi omdat leven als zodanig niet nieuw is en dus niet voldoet aan het nieuwheidsvereiste waaraan een uitvinding octrooirechtelijk moet voldoen.

Het belang van genetische rijkdom wordt onderkend en krijgt vorm door internationale afspraken in verband daarmee, zoals neergelegd in het Verdrag inzake de Biologische Diversiteit en meer recentelijk het Nagoya Protocol daarbij. Deze verdragen hebben ten doel om de toegang tot genetische bronnen in goede banen te leiden en om te komen tot een eerlijke en rechtvaardige verdeling van de opbrengsten uit het gebruik daarvan.

Tweede spoor, onderdeel c, advies van de Raad van State van het Koninkrijk over een uitgebreide veredelingsvrijstelling

De Raad van State van het Koninkrijk zal, zoals hiervoor reeds aangegeven ook reageren op de vraag of een uitgebreide veredelingsvrijstelling in overeenstemming is met richtlijn 98/44/EG en de TRIPs-Overeenkomst. Dit zal meer duidelijkheid brengen over de haalbaarheid van de introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht in internationale context.

Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA zich af of de Raad van State wel geschikt is om een advies te geven over eventuele strijdigheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling met de TRIP’s-Overeenkomst.

Bij het Algemeen Overleg van 18 mei 2011 is gebleken dat sommige leden van de Tweede Kamer, onder verwijzing naar opvattingen van de WUR, Plantum en het door haar ingehuurde Advocatenkantoor Hogan Lovells, twijfelen aan de juistheid van de toen geagendeerde analyse van de juridische mogelijkheden (Kamerstukken II 2010/11, 27 428, nr. 182 met bijlage). Om die twijfel te kunnen wegnemen is besloten over dit onderwerp advies te vragen aan de Raad van State van het Koninkrijk. De raad wordt bij uitstek geschikt geacht om een onafhankelijk en deskundig advies uit te brengen over de juridische haalbaarheid.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts naar de mogelijkheid kennis te nemen van het advies van de Raad van State over de mogelijke strijdigheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling met de TRIP’s-Overeenkomst en de bio-octrooirichtlijn 98/44/EG voorafgaand aan de toezending van het wetsontwerp voor de beperkte veredelingsvrijstelling in verband met mogelijke implicaties voor het wetsvoorstel met betrekking tot de beperkte veredelingsvrijstelling.

De Raad van State van het Koninkrijk heeft reeds laten weten dat het voornemen bestaat op korte termijn advies uit te brengen over het genoemde wetsvoorstel waarbij ook aandacht zal worden gegeven aan de mogelijke strijdigheid met de TRIP’s-Overeenkomst en de bio-octrooirichtlijn 98/44/EG. Omdat deze reactie wordt gegeven in de sleutel van advisering over het wetsvoorstel zou een separate toezending afbreuk doen aan de context. Bovendien vormt artikel 26, tweede lid, onder a, van de Wet op de Raad van State een beletsel. Dit wettelijk voorschrift bepaalt namelijk dat het advies over het wetsvoorstel gelijktijdig met het voorstel van wet openbaar wordt gemaakt Voor zover daartoe aanleiding bestaat zal daarbij dan ook worden ingegaan op implicaties voor het bij de Tweede Kamer aanhangig te maken wetsvoorstel.

De leden van de fractie van het SGP hebben tenslotte gevraagd een reactie te geven op de gedachtengang dat voor planten en plantenrassen in de eerste plaats artikel 27 van de TRIP’s-overeenkomst geldt en dat deze overeenkomst de ruimte biedt aan de verdragsstaten om bepaalde uitvindingen van octrooieerbaarheid uit te sluiten.

Volgens deze redenering is uitsluiting van octrooieerbaarheid van planten, welke mogelijkheid wordt geboden door artikel 27, derde lid, aanhef, en onder b van de TRIPs-Overeenkomst wellicht een goed alternatief voor een uitgebreide veredelingsvrijstelling. Het Hof Van Justitie van de EG heeft op het Nederlandse verzoek om vernietiging van richtlijn 98/44/EG vastgesteld dat deze richtlijn de keuzemogelijkheid van de lidstaten ontneemt die de TRIP’s-Partijen biedt met betrekking tot de octrooieerbaarheid van planten en dieren. De in artikel 4 van de richtlijn gekozen optie (van octrooieerbaarheid van planten en dieren) is volgens het Hof te verenigen met de TRIP’s-Overeenkomst omdat die niet verbiedt dat sommige staten die partij zijn bij die overeenkomst een gezamenlijk standpunt bepalen ten aanzien van de uitvoering daarvan. De richtlijn heeft aldus aan de EU-lidstaten de keuzevrijheid ontnomen die de TRIP’s-Overeenkomst biedt aan de octrooieerbaarheid van uitvindingen met betrekking tot planten en dieren (HvJ 9 oktober 200, zaak C-377/98, Nederland/Europese Commissie. Jur. 2001. p. I-079079. ov. 57–58). Uit het voorgaande blijkt dat er geen ruimte meer is voor EU-lidstaten om planten van octrooieerbaarheid uit te sluiten.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben gevraagd of het Kabinet bereid is tot het breed neerleggen van het kwekersrecht in nationale wetgeving en tot het doen van benodigde aanpassingen in de Europese richtlijnen, omdat het naar de mening van deze leden niet nodig is dit in mondiaal verband te regelen, terwijl uit de brief van de minister aan de Tweede Kamer zou blijken dat dat wel nodig zou zijn.

Het kwekersrecht is nationaal reeds in de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 geregeld en op communautair niveau in Verordening (EG) Nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht. Indien de vraag betrekking zou hebben op de invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling wordt opgemerkt dat voor de introductie ervan in het octrooirecht van EU-lidstaten een wijziging nodig wordt geacht van richtlijn 98/44/EG. Deze wijziging zou dan rechtsgevolgen hebben in de landen van de EU, maar niet voor andere (Europese) landen die zijn aangesloten bij het Europees Octrooiverdrag. Volgens artikel 1 van de genoemde richtlijn laat deze de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van internationale verdragen, en met name het Verdrag inzake biologische diversiteit en de TRIP’s-Overeenkomst onverlet. Dat betekent dat een wijziging van de richtlijn er niet toe mag leiden dat EU-lidstaten in strijd zouden komen met verplichtingen die voortvloeien uit de TRIP’s-Overeenkomst. Om eventuele strijdigheid te voorkomen zou de TRIP’s-Overeenkomst eerst moeten worden gewijzigd. Dat vereist medewerking van bij die overeenkomst aangesloten landen.

Samenloop octrooirecht en kwekersrecht in concrete gevallen

De leden van de fractie van de SGP vroegen, naar aanleiding van een octrooiaanvraag van het Spaanse bedrijf Zayintec, of het Kabinet het in principieel en sociaal opzicht wenselijk vindt dat bepaalde planteneigenschappen worden gepatenteerd, waardoor het voor andere veredelingsbedrijven moeilijker wordt rassen met die eigenschappen te gebruiken voor verdere veredeling.

Blijkens gegevens van Agentschap NL Octrooicentrum gaat het hier om een in 2011 verleend nationaal Spaans octrooi met betrekking tot bestrijding van de Tuta absoluta (mineermot) bij tomaten, onder nummer: ES 2341085. Het gaat daarbij om het gebruik van de chemische verbinding alfa-zingibereen voor de bestrijding van Tuta absoluta bij het kweken van tomaten en een formulering met deze verbinding die extern op de bladeren van de tomatenplant moet worden aangebracht. In de beschrijving van dit Spaanse octrooi wordt weliswaar vermeld dat de onderzoekers tot deze verbinding kwamen aan de hand van onderzoek aan natuurlijk voorkomende resistente tomatenplanten op genetisch niveau, maar de conclusies van dit octrooi omvatten geen plant species. De conclusies van het octrooi hebben alleen betrekking op het gebruik van en de samenstelling met de genoemde verbinding voor de bestrijding van Tuta absoluta bij tomatenplanten. Er is in dit geval dus geen sprake van beperking van het gebruik van tomatenrassen voor verdere veredeling.

De leden van de fracties van de SGP en van de Partij voor de Dieren vragen of het juist is dat het Europese patentbureau de principiële vraag behandelt of plantenrassen via klassieke veredeling wel gepatenteerd mogen worden.

Volgens informatie van het Europees Octrooi Bureau (EOB) gaat het hier om een octrooi verleend in 2003, op een aanvraag onder nummer EP 1211926, in 2000 ingediend door het Israëlische Ministerie van landbouw, met betrekking tot kweken van tomaten met een verminderd watergehalte, een zogenoemde «schrompeltomaat».

Het EOB heeft slechts bepaald of de in de aanvraag beschreven uitvinding voor octrooi in aanmerking kwam. Dat is de taak van het Europees Octrooibureau. Voor de beslissing op de octrooiaanvraag moet het EOB het Europees Octrooiverdrag uitleggen, hetgeen impliceert dat ook de desbetreffende bepalingen van de richtlijn 98/44/EG moeten worden geïnterpreteerd.

In dit concrete geval heeft de Grote Kamer van Beroep van het EOB desgevraagd nadere verheldering gegeven (zaak EOB G1/08) over de in artikel 53, aanhef, onder b, van het Europees Octrooiverdrag gebruikte term «processen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten». Volgens dit verdrag en eveneens op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef, en onder b, van richtlijn 98/44/EG zijn deze processen niet octrooieerbaar. Volgens de Grote Kamer van Beroep zijn veredelingsmethoden waarbij sprake is van kruising en selectie waarbij hele plantengenomen zijn betrokken niet octrooieerbaar. Dat geldt eveneens indien kruisings-of selectiestappen worden opgenomen in octrooiconclusies indien daaraan technische-werkwijze stappen voorafgaan of daarop volgen. Na deze uitspraak van de Grote Kamer van Beroep is de zaak terug verwezen naar de Technische kamer van Beroep, die op 8 november 2011 de zaak mondeling heeft behandeld. Uit een persbericht na afloop van deze hoorzitting blijkt dat nog geen uitspraak wordt verwacht, omdat de Technische Kamer van Beroep de intentie heeft om opnieuw vragen aan de Grote Kamer van Beroep te stellen. Uit deze zaak blijkt dat jurisprudentie dankzij de inzet van deskundigen in concrete (grens) gevallen helderheid kan verschaffen over afbakeningsvraagstukken van octrooirechtelijke aard.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het Kabinet vindt dat het Europese patentbureau deze principiële vraag over de octrooieerbaarheid van plantenrassen terecht op tafel heeft gelegd en de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dat een zorgelijke ontwikkeling.

Het kabinet is van oordeel dat deze vraag terecht wordt behandeld door het Europees Octrooibureau, omdat deze vraag onderdeel uitmaakt van de toetsing of de betrokken octrooiaanvraag en de daarin beschreven uitvinding voldoet aan de vereisten die het Europees Octrooiverdrag daaraan stelt. Het Kabinet vindt dus niet dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling omdat het Europees Octrooi Bureau gewoon zijn werk doet, namelijk toetsen aan de hand van vigerende regelgeving of uitvindingen voor octrooi in aanmerking komen.

De leden van de fractie van de SGP vragen ook of de principiële vraag over de octrooieerbaarheid van plantenrassen niet moet worden beantwoord door juristen, maar door de politiek.

De principiële vraag over de octrooieerbaarheid van plantenrassen is eerder al beantwoord door de politiek. Plantenrassen komen niet in aanmerking voor octrooi op grond van het Europees Octrooiverdrag (artikel 53, aanhef en onder b), richtlijn 98/44/EG (artikel 4, eerste lid, onder a) en de Rijksoctrooiwet 1995 (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c). De vigerende octrooiwetgeving is tot stand gekomen dankzij politieke besluitvorming. Met die besluitvorming zijn de kaders vastgesteld voor octrooiverlening voor biotechnologische uitvindingen voor de lidstaten aangesloten bij de Europese Unie, respectievelijk het Europees Octrooiverdrag. Het is aan octrooiverlenende instanties en de rechter om op basis van de politiek aangegeven kaders te beslissen in concrete gevallen. Het is aan de politiek om zo nodig de gegeven juridische kaders aan te passen.

Deze leden vragen ook of het Kabinet bereid is naar aanleiding van de vraag die het Europese patentenbureau op tafel heeft gelegd in Brussel op politiek niveau uit te spreken tegen het indirect patenteren van plantenrassen.

Zoals hiervoor al uiteengezet zijn plantenrassen niet octrooieerbaar.

Een uitvinding die betrekking heeft op planten is slechts octrooieerbaar als de uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald plantenras. De beschermingsomvang van octrooirecht voor uitvindingen met betrekking tot biologisch materiaal dat door die uitvinding bepaalde eigenschappen heeft verkregen strekt zich uit tot al het biologisch materiaal dat hieruit wordt gewonnen en diezelfde eigenschappen heeft. Deze bescherming reikt dus verder dan louter een of meer plantenrassen. Om die reden heeft het geen zin om bezwaar te maken tegen het indirect patenteren van plantenrassen, omdat dat het geconstateerde probleem van indirect patenteren van plantenrassen niet zal oplossen.

Politieke verantwoordelijkheid

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben gevraagd naar de verantwoordelijke bewindspersoon voor dit dossier.

De Minister en Staatssecretaris hebben in dit dossier beiden een eigen verantwoordelijkheid. Octrooirecht en kwekersrecht hangen in dit dossier onlosmakelijk samen. Als er wijzigingen moeten komen in octrooiwetgeving, is de minister daarvoor verantwoordelijk. Het verzoek van de leden van de ChristenUnie fractie om voortaan alleen te maken te hebben met de staatssecretaris van EL&I kan daarom niet worden ingewilligd.

ONDERDEEL BIOTECHNOLOGIE

Voortzetting en financiering (onderzoeks)programma’s

De leden van de VVD-fractie vragen naar de voortzetting en financiering van het project Technologisch Topinstituut Groene Genetica, het Programma Groene veredeling en het onderzoeksprogramma dat gericht is op het verkrijgen van robuust plantaardig 100% biologisch uitgangsmateriaal.

De criteria op basis waarvan wordt besloten welke onderzoeksprogramma’s prioriteit krijgen, worden door de topsectoren geformuleerd. Deze criteria zijn thans nog niet bekend. De overheidsbijdrage in 2012 aan het Technologisch Topinstituut Groene Genetica is mede afhankelijk van de Innovatiecontracten die eind december gereed moeten zijn. Ik zal u hierover in maart 2012 nader berichten. In het kader van het topsectorenbeleid zal nadere besluitvorming plaatsvinden over de vraag hoe onderzoek dat voorheen werd gefinancierd uit FES-gelden, zoals in het geval van het Netherlands Genomics Initiative, in de toekomst zal worden gefinancierd door overheid en marktpartijen.

Commissievoorstel inzake teelt van ggo’s

De leden van de fracties van de VVD, PvdA, PVV, CDA, CU, SGP en PvdD stellen vragen over het voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG inzake de mogelijkheid voor lidstaten om de teelt van toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen op hun grondgebied te beperken of verbieden. Een aantal vragen betreft de stand van zaken bij de onderhandelingen, hoe het proces er de komende tijd uitziet, wanneer besluitvorming wordt verwacht, waarop de voortgang nu stokt en wat Nederland daaraan kan doen.

Over dit voorstel wordt op dit moment in een Raadswerkgroep onderhandeld. Het Pools voorzitterschap ziet geen mogelijkheid om op korte termijn in de Raad tot een gemeenschappelijk standpunt te komen en zal de Milieuraad van 19 december informeren over de stand van zaken in de Raadswerkgroep. Vervolgens zal het onderwerp aan het inkomende Deense voorzitterschap worden overgedragen, dat in 2012 verder zal gaan met het zoeken naar een tekst die voor zowel de Raad als het Europees Parlement aanvaardbaar is. Gelet op de verdeeldheid in de Raad en de amendementen van het Europees Parlement wordt besluitvorming op korte termijn niet voorzien. Dit neemt echter niet weg dat een aantal lidstaten geen meerwaarde ziet in meer nationale beleidsruimte en verwacht dat het voorstel tot problemen zal leiden, bijvoorbeeld in WTO verband. Deze landen vormen een blokkerende minderheid en zijn niet met kleine inhoudelijke tegemoetkomingen te overtuigen. Van Nederlandse zijde kan hier op dit moment weinig meer aan worden gedaan anders dan het blijven uitdragen van een positieve houding ten aanzien van het voorstel en het constructief meedenken over oplossingen.

Een aantal vragen gaat over de gevolgen van het aannemen van het voorstel voor de toelatingen van ggo’s en of met het voorstel geen negatieve uitzonderingspositie wordt gecreëerd. Daarbij werd erop gewezen dat trage toelating de innovatie remt en de EU op achterstand zet ten opzichte van andere werelddelen.

Met de introductie van de nationale beleidsruimte op grond van andere zorgen dan veiligheid wordt beoogd een meer zuivere en slagvaardige besluitvorming op EU niveau mogelijk te maken. Die besluitvorming zou dan uitsluitend op basis van veiligheidsargumenten plaatsvinden, daar waar nu veiligheidsargumenten en principiële argumenten in elkaar over lopen. Door ruimte te geven aan lidstaten om de principiële zorg in eigen land te adresseren, zou dit kunnen worden verholpen. Daarbij is het van belang de afbakening te bewaken tussen de mogelijkheid tot nationale maatregelen tegen teelt enerzijds en de EU toelatingsprocedure anderzijds. Daarom stelt Nederland als voorwaarde dat overlap wordt voorkomen door helder te maken dat nationale maatregelen niet gebaseerd kunnen zijn op gronden die reeds aan de orde zijn in de EU veiligheidsprocedure.

Met het voorstel is niet beoogd een negatieve uitzonderingspositie te creëren. De hoop is juist dat aanname van het voorstel de EU besluitvorming over ggo markttoelatingen meer slagvaardig kan maken, waardoor de EU minder dan nu in een uitzonderingspositie ten opzichte van andere werelddelen komt te verkeren. Een meer slagvaardige besluitvorming is van belang om te voorkomen dat de innovatie en de landbouw in de EU verder op achterstand geraken ten opzichte van andere werelddelen en om handelsproblemen met andere werelddelen te voorkomen. Wel biedt het voorstel lidstaten de mogelijkheid om voor zichzelf een uitzonderingspositie in de EU te creëren als het gaat om ggo teelt. Dergelijke nationale maatregelen moeten case by case worden genomen en de noodzaak ertoe zal dus afhangen van het betreffende ggo.

Verder is gevraagd in hoeverre maatregelen op grond van het voorstel stand zullen houden bij het Europees Hof van justitie of een WTO panel. Het is uiteraard van belang dat maatregelen op basis van het voorstel stand kunnen houden in het geval ze worden aangevochten bij het Europese Hof of in WTO verband. Hierover zijn de Eerste en de Tweede Kamer bij brief van 14 december 2010 geïnformeerd (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 472, nr. 5). Het voorstel moet zoveel mogelijk de randvoorwaarden schetsen waaraan maatregelen moeten voldoen om eventuele aanvechting te doorstaan, maar dat alle maatregelen in de praktijk daadwerkelijk stand zullen houden, is niet bij voorbaat te garanderen. Dit zal immers uiteindelijk afhangen van de zorgvuldigheid van de maatregelen die de lidstaten zelf treffen en de onderbouwing daarvan.

Er is ook een aantal vragen gesteld ten aanzien van de inhoud van het voorstel: over welke aanvullende criteria gaat het, wat is de mogelijke rol van milieugronden, hoe verhouden de gronden zich tot co-existentie en welke mogelijkheden biedt het voorstel voor een verbod op herbicideresistente ggo’s?

Inhoudelijk gaat de discussie met name over de gronden op basis waarvan lidstaten in het kader van het voorstel maatregelen zouden kunnen nemen.

Een door de Commissie opgestelde indicatieve lijst van gronden is eerder naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 472, nr. 9). Op dit moment wordt bekeken welke van deze gronden een plaats in het voorstel moeten krijgen. Er is consensus dat de grond «openbare orde» geen plaats moet krijgen, omdat kwaadwillenden dit zouden kunnen zien als een uitnodiging om de openbare orde te verstoren. Verder is er discussie over of «milieudoelen anders dan de negatieve effecten op het milieu van ggo’s» als grond moet worden opgenomen. Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, is van mening dat de milieuveiligheidsbeoordeling goed voldoet en dat de andere te beogen milieudoelen al door andere EU-wetgeving op een adequate wijze worden gewaarborgd. Nederland wil daarom niet dat de milieudoelen als grond worden opgenomen in het voorstel. Gelet op de houding van de lidstaten die moeite hebben met het voorstel zou de opname van milieugronden het bovendien moeilijker maken om tot een compromis te komen.

Bij de beoordeling van de milieugevolgen van een toelating van de teelt van een genetisch gemodificeerd gewas wordt in de huidige situatie door de EFSA ook gekeken naar eventuele gevolgen voor het bestrijdingsmiddelengebruik, in het geval het een gewas betreft dat resistent is gemaakt tegen een bepaald bestrijdingsmiddel. Het EFSA richtsnoer voor de milieuveiligheidsbeoordeling bevat specifieke passages over deze gewassen. Omdat in de EU milieuveiligheidsbeoordeling reeds rekening is gehouden met een eventuele toename van bestrijdingsmiddelengebruik, valt deze grond wat Nederland (en veel andere lidstaten) betreft dus af voor de legitimering voor nationale maatregelen op basis van het voorstel, zelfs als milieugronden onderdeel zouden worden van het voorstel. Een generiek verbod op herbicideresistente ggo’s zal dus op grond van het voorstel niet kunnen worden ingesteld in Nederland of andere lidstaten. Overigens zijn er tot op heden geen herbicideresistente ggo’s voor teelt in de EU toegelaten. Bij discussies over conceptbeschikkingen op aanvragen voor teelttoelatingen van herbicideresistente gewassen is afgesproken om als voorwaarde bij de toelating te stellen dat het gebruik van het herbicide waartegen het gewas resistent is, niet anders is dan het gebruik van datzelfde herbicide bij gewassen die niet resistent ertegen zijn gemaakt.

De overige vijf gronden uit de indicatieve lijst van de Commissie stuiten op minder weerstand (afgezien van het algemene verzet van een blokkerende minderheid van lidstaten tegen het voorstel als geheel). Dit geldt ook voor de grond «vermijden van aanwezigheid van ggo’s in andere producten», die een mate van overlap vertoont met de discussie over co-existentie. Volgens de toelichting van de Commissie zouden maatregelen op grond van het voorstel in beeld komen op het moment dat co-existentiemaatregelen tekort blijken te schieten.

Er is gevraagd in hoeverre er consensus is over de amendementen van het Europees Parlement. Een deel van de amendementen die zoals in de brief van 15 november (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 472, nr. 13) is aangegeven, zuiver betrekking hebben op het voorstel, kan op inhoudelijke steun in de Raad rekenen en kan in een compromistekst worden verwerkt. Het amendement waarin het EP voorstelt om met het nu voorliggende voorstel ook het treffen van co-existentiemaatregelen verplicht te stellen, valt in de Raad niet in goede aarde.

Hoewel Nederland zulke maatregelen gereed heeft, wil ook Nederland hier geen verplichting van maken. Co-existentie is een economisch vraagstuk waarbij de lidstaten veel vrijheid dienen te hebben voor het maken van eigen keuzes. Bovendien zou het toevoegen van dit element aan de discussie over het voorstel, het nog moeilijker maken om tot consensus over het voorstel te komen. Hetzelfde geldt voor het amendement dat verplicht wil stellen dat er regelingen getroffen zijn voor de aansprakelijkheid voor schade en het amendement dat wijzigingen aanbrengt in de mate waarin gegevens (waar mogelijk intellectueel eigendom op rust) openbaar moeten worden gemaakt. Voor beide zaken bestaat bovendien al wet- en regelgeving, zowel op EU als nationaal niveau, en voor beide zaken geldt dat het beleid betreft dat van toepassing is op alle ggo’s. Daarmee lijken ze dus geen plaats te hebben in een voorstel dat maatregelen tegen de nationale teelt van bepaalde ggo’s mogelijk maakt.

Er is gevraagd wat de voorwaarde precies inhoudt dat nationale maatregelen op basis van het voorstel non-discriminatoir moeten zijn. Deze voorwaarde betekent dat er geen verschil in behandeling mag zijn van gelijkwaardige binnenlandse en buitenlandse producten. Een maatregel mag bijvoorbeeld niet het inzaaien van genetisch gemodificeerde zaden uit het buitenland verbieden, als de teelt van hetzelfde ggo met behulp van zaden uit het eigen land wel wordt toegestaan. Naleving van deze voorwaarde is van belang om de conformiteit met EU recht en WTO afspraken te garanderen.

Ggo-vrije regio’s

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen of het Kabinet bereid is regio’s die teelt van ggo’s willen weren, te ondersteunen.

De huidige Europese en nationale regelgeving biedt weinig tot geen ruimte om genetisch gemodificeerde gewassen op regionaal niveau te beperken of verbieden, als deze eenmaal in de zorgvuldige EU beoordelingsprocedure veilig zijn bevonden en tot de EU markt toegelaten. De zorgvuldige veiligheidsbeoordeling en de coexistentiemaatregelen bieden voldoende waarborgen voor verantwoorde teelt van ggo’s, waardoor het uitroepen van ggo-vrije gebieden niet nodig is. Bovendien waarborgen co-existentie afspraken dat economische schade door vermenging tussen teelten wordt voorkomen. Het nationaal teeltvoorstel is hierboven uitvoerig besproken. De Tweede Kamer heeft met de motie Ormel (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 428, nr. 199) de regering verzocht om ervoor te pleiten dat maatregelen die in de toekomst op basis van dat voorstel zouden kunnen worden genomen, voor het gehele grondgebied van een lidstaat dienen te gelden. Hiermee geeft de Tweede Kamer aan dat de uitzonderingsmogelijkheid voor het hele grondgebied moet gelden en niet voor regio’s.

Onafhankelijkheid EFSA

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen het Kabinet zelf onderzoek te doen naar de transparantie en mogelijke belangenverstrengeling bij de EFSA. Daarbij vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren om een reactie op een rapport van Corporate Europe Observatory (CEO), waaruit zou blijken dat bij de toelating van de Amflora sprake was van belangenverstrengeling bij EFSA.

Zoals in de brief van 21 januari 2011 (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 428, nr. 178) en tijdens het Algemeen Overleg van 18 mei 2011 is medegedeeld, is er geen reden is om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en expertise van de EFSA. In de brief van de voorzitter van de EFSA die aan uw Kamer op 9 november 2011 is toegezonden (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 428, nr. 208) is tevens duidelijk gemaakt hoe dit wordt gewaarborgd.

Het CEO rapport beweert dat EFSA panelleden niet onafhankelijk waren vanwege contacten met bedrijven of omdat zij zelf werkzaam waren op het gebied van genetische modificatie, inclusief werkzaamheden met het antibioticumresistentiegen dat bij de toelating van Amflora tot veel discussie leidde. Het feit dat EFSA panelleden contacten met bedrijven hebben en zelf werkzaam zijn (geweest) op het gebied van genetische modificatie is inherent aan het specialistische vakgebied. Het is immers gewenst dat deze experts relevante ervaring hebben. De EFSA onderhoudt contacten met alle relevante stakeholders in de voedselketen, inclusief consumenten- en milieuorganisaties en de industrie. Het CEO rapport stelt verder dat de toelating van Amflora tot stand kwam na een lobby (bestaande uit o.a. een aantal brieven aan de Europese Commissie) en juridische stappen van de aanvrager (BASF). De toelating van Amflora is in totaal ruim 12 jaar in behandeling geweest. Ik vind het niet vreemd dat na het verstrijken van zoveel tijd, de aanvrager regelmatig bij de Commissie informeert naar de voortgang van de procedure. De juridische actie van de zijde van BASF, waarnaar word gerefereerd, vond plaats lang na het verstrijken van de beslistermijn door de Europese Commissie. Het staat de aanvrager dan vrij een procedure te starten. Het CEO rapport beschrijft hoe de Commissie de beslissing over Amflora jarenlang uitstelde omdat zij de politieke verantwoordelijkheid voor het besluit niet durfde te nemen. Juist die omstandigheid maakt dat het optreden van BASF als tamelijk geduldig kan worden gekenschetst en niet als een felle lobby.

Verder wil ik benadrukken dat ik de EFSA beoordeel op basis van haar resultaten. Hoewel de wetenschappelijke adviezen van de EFSA van groot belang zijn, is het niet zo dat ik blind vaar op de EFSA. Experts van alle lidstaten hebben inzicht in de aanvragen waarover EFSA adviseert en kunnen hierop commentaar geven. In Nederland kijken hierbij experts mee van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) en het Rijksinstituut voor voedselveiligheid (RIKILT). Inzake de toelating van de Amflora heeft de COGEM een positief advies afgegeven. Naar aanleiding hiervan kon Nederland instemmen met de toelating van de Amflora. Voor meer informatie over hoe tot dit standpunt is gekomen verwijs ik naar een brief hierover uit 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 27 428, nr. 104).

Ik heb hiermee duidelijk gemaakt dat en waarom ik niet twijfel aan de onafhankelijkheid en expertise van de EFSA, ook waar het de toelating van de Amflora aardappel betreft. De EFSA vervult een belangrijke rol in het zorgvuldige beoordelingssysteem van genetisch gemodificeerde organismen in de EU en doet dit op een zorgvuldige en transparante manier. Ik kan mij daarom niet vinden in de bevindingen van CEO en zie dan ook geen noodzaak in het doen van een onderzoek naar de EFSA.

Co-existentie en Amflora aardappel

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn bezorgd over de mogelijke teelt van de Amflora aardappel in Nederland, met name wegens de mogelijke gevolgen van vermenging met biologische en gangbare (poot)aardappelen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen om een verbod op de teelt van gentech aardappelen in Nederland. De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen enkele vragen over het schadefonds.

De Amflora aardappel is sinds 2010 op Europees niveau toegelaten voor teelt. Hier is een uitvoerige beoordeling op de risico’s voor mens, dier en milieu aan voorafgegaan. Een nationaal verbod op het telen van deze aardappel is niet aan de orde en niet nodig. Zodra de Amflora aardappel in Nederland wordt geteeld, zullen co-existentie afspraken waarborgen dat economische schade door vermenging tussen teelten wordt voorkomen. Deze co-existentieafspraken zijn in november 2004 tot stand gekomen na overleg tussen betrokken partijen (in de Commissie Van Dijk). In mijn brief van 9 november jl. (Kamerstukken II, 27 428, nr. 209) is beschreven welke voorbereidingen ik tref voor het tijdig gereed maken van het pakket van co-existentie, vanwege de eventuele teelt van de Amflora-aardappel. De teelt in grensgebieden is een onderdeel van de co-existentie afspraken. Uit ambtelijk overleg met Duitsland en Vlaanderen is duidelijk geworden dat co-existentie in het grensgebied complex is wegens de verschillen tussen de nationale juridische stelsels en de verschillen tussen de co-existentie pakketten. In de contacten met de Nederlandse pootaardappelsector zal ik hierop wijzen en verzoeken om in gevallen waarin dat relevant is voor de teeltlocatie een teeltvrije zone in te stellen aan de Nederlandse zijde van de grens ter grootte van de maximale isolatieafstand voor aardappel. Een belangrijker onderdeel van de co-existentieafspraken is het instellen van een restschadefonds. Een dergelijk fonds is bedoeld voor schade die ontstaat door vermenging op het primaire bedrijf, waarvoor niemand aansprakelijk kan worden gesteld. De inhoud van zo'n fonds zal door private partijen per gewas worden gedragen. Zoals vermeld in mijn brief van 9 november jl. (Kamerstukken II, 27 428, nr. 209) heeft het aardappelbedrijfsleven reeds een garantstelling van het restschadefonds voor aardappelen bevestigd. Verder acht ik de partijen in de aardappelketen prima in staat om vermenging in de keten te voorkomen door zorgvuldig te werken en onderlinge afspraken te maken. Ik ben derhalve niet bezorgd over mogelijke vermenging van de Amflora aardappel met biologische en gangbare (poot)aardappelen.

COGEM adviezen rechtstreeks aan Tweede Kamer

De leden van de fractie van de SGP vragen om de meer generieke signaleringen, adviezen en rapporten van de Commissie genetische modificatie (COGEM) in afschrift te ontvangen.

De Staatssecretaris van IenM heeft de COGEM naar aanleiding van de evaluatie van de COGEM gevraagd niet rechtstreeks documenten naar de Tweede Kamer te sturen. Adviezen en signaleringen van de COGEM zijn openbaar en worden op internet geplaatst. Het gaat dus niet om het (tijdig) aan de Kamer beschikbaar stellen van informatie.

Op het moment dat een advies of signalering dusdanige beleidsrelevantie heeft dat de Tweede Kamer hier in het bijzonder op gewezen moet worden, is het gepast dat daarbij ook een standpunt van het Kabinet wordt ingenomen. Het inschatten van de beleidsrelevantie, alsmede het voorbereiden van het Kabinetsstandpunt bij een product van de COGEM is de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van IenM. Gelet op deze situatie zie ik geen meerwaarde in een rechtstreekse verzending van afschriften van COGEM producten aan de Tweede Kamer. Dit zou bovendien leiden tot een onnodige verhoging van de bestuurlijke drukte.

COGEM en sociaaleconomische aspecten

De leden van de fractie van de CU vragen hoe de opmerking in de reactie op de COGEM evaluatie dat de COGEM niet betrokken zal worden in de toekomstige sociaaleconomische beoordeling van ggo-gewassen zich verhoudt tot de signalering van de COGEM over sociaaleconomische aspecten van ggo's die gebruikt is als Nederlandse input voor het Europese proces over dit onderwerp.

Het klopt dat deze signalering een belangrijk onderdeel was van de Nederlandse input in het EU proces. Op dit moment is onduidelijk wat precies de uitkomst van dat proces zal zijn. De commissie die de COGEM evaluatie uitvoerde, deed een aanbeveling aan de COGEM in het geval de uitkomst van dat proces is dat een sociaaleconomische beoordeling van ggo’s een onderdeel wordt van de (EU) vergunningenprocedure voor markttoelating. In dat geval zou de COGEM volgens de evaluatiecommissie niet het orgaan moeten zijn dat die beoordeling uitvoert. De COGEM neemt kennis van die aanbeveling, maar geeft aan de ontwikkelingen en eventuele toekomstige vragen aangaande de invulling van haar rol af te wachten. Dit vind ik een verstandige keuze. Afhankelijk van de ontwikkelingen zal bezien worden welke rol voor de COGEM in de toekomst is weggelegd op dit gebied.

COGEM en symposium gg dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen wat de aanleiding was voor een recent congres van de COGEM over genetisch gemodificeerde dieren. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren menen dat de COGEM bij dat congres had gesteld dat het «nee-tenzij» beleid voor biotechnologie bij dieren op de schop moet. Naar aanleiding hiervan vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren of het Kabinet dit ook vindt, en of het Kabinet de mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren deelt dat dit beginsel nooit om economische redenen verlaten mag worden. Ook vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren of de COGEM zal worden aangesproken op het innemen van een veel te politieke stelling.

Ik ben niet van mening dat de COGEM een politieke stelling inneemt en zie dan ook geen aanleiding om de COGEM hierop aan te spreken. De COGEM heeft het genoemde symposium georganiseerd omdat zij bezig is met het schrijven van een signalering over genetisch gemodificeerde dieren, naar aanleiding van de toename van het aantal toepassingen van genetische modificatie van dieren dat zich wereldwijd aftekent. Bij de totstandkoming van COGEM-publicaties probeert de COGEM zich altijd zo breed mogelijk te informeren. Mede gezien de complexiteit van het onderwerp was een symposium een efficiënte manier om dit te bereiken. Het symposium was bedoeld om meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen en de verschillende argumenten, voor en tegen, die in het maatschappelijke en wetenschappelijke discours gehanteerd worden. Vandaar ook het zorgvuldig samengestelde palet van sprekers; voor- en tegenstanders, industrie, wetenschap en NGO's.

De COGEM heeft zich nimmer uitgesproken voor of tegen genetisch gemodificeerde dieren of over het afschaffen van het «nee, tenzij beleid». Ook bij het genoemde symposium heeft de COGEM niet op deze wijze stelling genomen. Op het symposium was de COGEM bijdrage beperkt tot het welkomstwoord en een samenvatting bij de afsluiting van het symposium van de voornaamste standpunten die door de sprekers naar voren zijn gebracht. Het kan zijn dat één van de sprekers bepaalde meningen heeft geventileerd aangaande het «nee-tenzij» beleid. De COGEM heeft geen standpunt over het «nee, tenzij, beleid». In haar signalering is de COGEM van plan, conform haar wettelijke taak, de verschillende elementen en aspecten rond het onderwerp van genetisch gemodificeerde dieren te vermelden. Die signalering is nog niet gereed.

Voor biotechnologie bij dieren geldt zowel onder de huidige regelgeving (de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren), als de toekomstige (Wet Dieren) het «nee-tenzij» beginsel voor zover het gaat om inzet van dieren voor niet-biomedische toepassingen. Voor het gebruik van dieren ten behoeve van biomedische doeleinden is alleen de Wet op de Dierproeven van kracht. Op grond van de huidige wetgeving is het niet mogelijk dat onder economische druk het «nee-tenzij» beleid gewijzigd wordt.

Overzicht wetgevingstrajecten

De leden van de fractie van D66 vragen naar een overzicht van de lopende biotechnologie wetgevingstrajecten in Nederland en Europa.

Op dit moment wordt in Nederland de regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen aangepast, over het ontwerpbesluit dat daartoe strekt bent u per brief van 26 oktober (Kamerstukken II, 2010–2011, 27 428, nr. 206) geïnformeerd. Daarnaast is een wijziging van de Regeling genetisch gemodificeerde organismen in voorbereiding opdat het nieuwe Besluit ggo ook straks nog goed aansluit op de te wijzigen Regeling ggo. Het enige wetgevingstraject dat op dit moment speelt in de EU is het voorstel van de Commissie inzake de mogelijkheden voor lidstaten om teelt van ggo’s op eigen grondgebied te beperken en verbieden, waarover u hierboven uitvoerig bent geïnformeerd. Daarnaast loopt er in de EU een aantal discussietrajecten die mogelijk in de toekomst tot wetgevingsvoorstellen zouden kunnen leiden, maar waarvan nog niet helder is of dit daadwerkelijk zal gebeuren. Concrete voorstellen zijn daarbij zeker nog niet in zicht. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om discussies over verdere harmonisatie van de milieurisicobeoordeling, nieuwe plantveredelingstechnieken en sociaaleconomische aspecten van ggo’s.

Cisgenese

De leden van de fractie van de SGP vragen naar de stand van zaken ten aanzien van cisgenese, in het bijzonder wanneer het advies van de EFSA hierover met een standpunt aan de Kamer zal worden gestuurd.

Het EFSA advies over de veiligheid van cisgenese is nog niet verschenen. Ook het eindrapport van de EU werkgroep nieuwe veredelingstechnieken is nog niet gereed. Besluitvorming over cisgenese en de andere technieken zal plaatsvinden op basis van het rapport van de werkgroep en het veiligheidsadvies van EFSA. Na verschijning van deze rapporten zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd.

Raad van State

De leden van de fractie van de PVV stellen dat uit EU onderzoeken blijkt dat er geen veiligheidsrisico’s meespelen bij ggo’s en vragen waarom desondanks de Raad van State vergunningen voor ggo’s vernietigt.

Overeenkomstig het Besluit ggo worden vergunningen voor (o.a.) veldproeven met genetisch gemodificeerde gewassen verleend wanneer de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu gewaarborgd zijn. Dergelijke veldproefvergunningen worden vaak aangevochten bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State door bepaalde milieuorganisaties of burgerbewegingen. De manier van bekendmaken van de locaties van veldproeven is de afgelopen jaren bij verschillende Raad van State zaken uitvoerig aan de orde geweest en heeft in enkele gevallen tot vernietiging van vergunningen geleid. Overigens betroffen deze vernietigingen slechts vergunningen van één van de drie categorieën veldproeven. Daarnaast zijn drie wijzigingsbeschikkingen vernietigd op procedurele gronden.

De vergunningprocedures worden zorgvuldig doorlopen en de bijbehorende risicobeoordeling wordt zorgvuldig uitgevoerd. Wel ontwikkelt de jurisprudentie als gevolg van beroepsprocedures zich langzaam over een periode van meerdere jaren. Dat komt omdat het aantal jaarlijks afgegeven vergunningen laag is en omdat in het geval van het locatiebeleid prejudiciële vragen door de Afdeling aan het Europese Hof van Justitie werden gesteld en het arrest daarover vervolgens in de rechtspraak van de afdeling moest worden verwerkt. Zich langzaam ontwikkelende jurisprudentie heeft tot gevolg dat er in de tussentijd onduidelijkheid is over de wijze waarop procedures uitgevoerd moeten worden en deze onzekerheid heeft in de onderhavige gevallen geleid tot meerdere vernietigingen van vergunningen.

Moratorium en sociaaleconomische aspecten

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen om een moratorium op teelt van gentech in Nederland totdat bruikbare criteria zijn ontwikkeld om de sociaaleconomische gevolgen van gentechteelt mee te wegen in de besluitvorming. Ook vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren naar het tijdspad van de EU discussie over sociaaleconomische aspecten.

De Europese Commissie heeft recent verslag uitgebracht over sociaaleconomische gevolgen van ggo teelt. Zoals in dat rapport valt te lezen ontbreken er geharmoniseerde en objectieve indicatoren om sociaaleconomische impact van de teelt van ggo’s te meten. De Commissie heeft het voornemen om een methodologisch kader te ontwikkelen om de feitelijke sociaaleconomische gevolgen van de ggo teelt vast te kunnen stellen.

De Commissie heeft in oktober een hoorzitting gehouden over dit onderwerp en in november volgde een internationale workshop. Binnenkort zal er een technische werkgroep opgezet worden die als doel zal hebben een methode te ontwikkelen om sociaaleconomische gevolgen van ggo teelt objectief te kunnen meten. Deze werkgroep zal naar verwachting op zijn vroegst in de eerste helft van 2013 met eerste resultaten kunnen komen. Ik wil niet vooruit lopen op de uitkomsten van het Europese traject inzake het inzichtelijk maken van sociaaleconomische aspecten van ggo teelt.

Klonen van dieren

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen naar de mogelijkheden voor een verbod op de import van nakomelingen van gekloonde dieren.

Na het mislukken van de discussie in de EU over de herziening van de Nieuwe Voedingsmiddelen verordening dit voorjaar heb ik de Europese Commissie schriftelijk verzocht om zo spoedig mogelijk te komen met een nieuw voorstel voor het klonen van dieren. De Europese Commissie is daar mee bezig. Ze zal in dat kader een document opstellen dat ingaat op de mogelijkheden en consequenties van verschillende maatregelen. Naar ik heb begrepen zal een voorstel echter niet eerder kunnen worden verwacht dan in 2013. Het uitgangspunt van het kabinet is het huidige beleid zoals is vastgelegd in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en in de toekomstige Wet dieren. Dat is een nee, tenzij beleid. Maatregelen in verband met de import van nakomelingen van gekloonde dieren, zoals de Partij voor de Dieren wil, is alleen op Europees niveau te regelen. Zonder een geaccepteerd voorstel op het gebied van klonen van dieren op Europees niveau zal de huidige situatie blijven bestaan. Ik wacht daarom eerst het voorstel van de Europese Commissie af.

Gentherapie

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom er geen overeenstemming is met andere landen over welke EU richtlijn van toepassing is op gentherapie, welke afwegingen bij die keuze een rol spelen en wat de gevolgen zijn voor patiënten en bedrijven.

Procedureel wordt in de EU inderdaad verschillend omgegaan met de veiligheidsbeoordeling van klinische studies met gentherapie. Nederland dringt er daarom al geruime tijd bij de Europese Commissie op aan om helderheid te geven over welk juridisch kader op gentherapie van toepassing is. Dit heeft ertoe geleid dat de Commissie een rapport liet opstellen over de verschillende benaderingen in de EU. Hieruit blijkt dat sommige lidstaten het kader van de Richtlijn 2009/41 (inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen) voor het ingeperkt gebruik van ggo’s hanteren waarbij het ziekenhuis de rol van «fysisch» inperkende faciliteit vervult en patiënten als gevolg daarvan gedurende langere tijd in ziekenhuizen moeten verblijven. In Nederland is die optie echter niet begaanbaar omdat het, conform de Nederlandse wetgeving, niet mogelijk is om patiënten tegen hun wil in het ziekenhuis te houden.

Ook zijn er lidstaten die kiezen voor het uitgangspunt dat de patiënt zelf de «biologische» inperking van de ingebrachte genetisch gemodificeerde organismen biedt en waarbij geen ggo-uitscheiding kan plaatsvinden onder richtlijn 2009/41 en de patiënt dus niet binnen het ziekenhuis hoeft te blijven. Toepassingen waarbij de patiënt niet als «biologische» inperking fungeert of waarbij ggo’s worden uitgescheiden vinden dan plaats onder richtlijn nr. 2001/18/EG (inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu).

Andere lidstaten tot slot, zoals Nederland, zijn van mening dat er belangrijke Europees juridische aanwijzingen zijn dat gentherapie niet binnen het kader van richtlijn 2009/41 valt maar binnen het kader van richtlijn 2001/18. Richtlijn 2009/41 is volgens Nederland geen geschikt kader omdat deze bijvoorbeeld in Bijlage 4 voorschrijft dat bij ingeperkt gebruik ggo’s slechts onder voorschriften gehanteerd mogen worden binnen bepaalde werkruimtes die voldoen aan specifieke eisen. Volgens Nederland kan de patiënt niet als zo’n werkruimte worden gezien. Zou een ziekenhuis worden gezien als werkruimte, dan is er het probleem dat patiënten in Nederland niet tegen hun wil in het ziekenhuis worden vastgehouden hetgeen overeenkomstig Richtlijn 2009/41 wel zou moeten.

Andere argumenten pro de Nederlandse keuze hoe met gentherapie om te gaan worden gevonden in de bepalingen van Richtlijn 2001/18 en Verordening (EEG) nr. 2309/93 (tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling). Allereerst blijkt uit artikel 5.1 van Richtlijn 2001/18 dat ggo’s voor menselijk gebruik alleen mogen worden toegepast indien zij een risicobeoordeling hebben ondergaan overeenkomstig Bijlage 3 van deze richtlijn. Verder zijn voor de volgende fase in het autorisatieproces (namelijk bij goed verloop van de klinische studies het aanvragen van een toelating tot de markt) gegevens nodig uit proeven die zijn verricht in het kader van Richtlijn 2001/18 inzake de doelbewuste introductie in het milieu van ggo’s. Dit blijkt uit de bepalingen van Verordening 2309/93/EG op grond waarvan een aanvraag voor de registratie van geneesmiddelen het dossier én de vergunning moet bevatten die is afgegeven op grond van Richtlijn 2001/18 zoals geïmplementeerd in hoofdstuk 3 van het onderhavige ontwerpbesluit. Deze omstandigheden maken dat Nederland van mening is dat Richtlijn 2001/18 de aangewezen richtlijn is om de veiligheid voor de menselijke gezondheid en het milieu van gentherapie mee te reguleren.

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van het rapport over gentherapie aangegeven de Nederlandse gedachtelijn te volgen, maar heeft nog geen formele initiatieven ondernomen om tot harmonisering van de aanpak van gentherapie te komen. Op het moment dat dit wel gebeurt, zal Nederland in het belang van de harmonisatie de door de Commissie voorgestelde aanpak volgen, voor zover die afwijkt van de huidige praktijk. Het is voor Nederland nog steeds van belang dat de Europese uitvoering wordt geharmoniseerd. Het Kabinet zal daarom in het kader van de evaluatie van Richtlijn 2001/18 de Europese Commissie dringend verzoeken de uitvoering op het gebied van gentherapie zo spoedig mogelijk te harmoniseren.

Volledige agenda

  • Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 16 juni 2011, Hongaars compromisvoorstel inzake teelt van genetisch gemodificeerde gewassen en (on)mogelijkheden van vrijwaringen, Kamerstuk 32 472, nr. 11.

  • Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 4 juli 2011, Verslag van de Europese Commissie inzake sociaal-economische aspecten van Ggo's, Kamerstuk 32 472, nr. 12.

  • Brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 16 augustus 2011, Stand van zaken bij de oplossing van de kwekersproblematiek, Kamerstuk 27 428, nr. 202.

  • Brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 september 2011, Beantwoording vragen commissie over de octrooiproblematiek van kwekers, Kamerstuk 27 428, nr. 204.

  • Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 september 2011, Evaluatierapport Commissie Genetische Modificatie, Kamerstuk 27 428, nr. 205.

  • Brief van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 9 november 2011, Toezegging, gedaan in het algemeen overleg Biotechnologie 18 mei j.l. en uitwerking van co-existentieafspraken, Kamerstuk 27 428, nr. 209.

  • Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 november 2011, Commissievoorstel inzake mogelijkheden voor lidstaten om teelt van Ggo's op eigen grondgebied te beperken of verbieden: amendementen Europees Parlement, Kamerstuk 32 472, nr. 13.

  • Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 november 2011, Afschrift van de brief aan EFSA over de onafhankelijkheid van de EFSA, Kamerstuk 27 428, nr. 208.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Thieme, M.L. (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Dijkgraaf, E. (SGP), Ziengs, E. (VVD), Schaart, A.H.M. (VVD), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Lodders, W.J.H. (VVD), Dijksma, S.A.M. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Smeets, P.E. (PvdA), Vliet, R.A. van (PVV), Gerbrands, K. (PVV), Graus, D.J.G. (PVV), Werf, M.C.I. van der (CDA), Koppejan, A.J. (CDA), Koopmans, G.P.J. (CDA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Braakhuis, B.A.M. (GL), Tongeren, L. van (GL), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Verhoeven, K. (D66) en Jacobi, L. (PvdA).

Plv. leden: Ouwehand, E. (PvdD), Schouten, C.J. (CU), Staaij, C.G. van der (SGP), Leegte, R.W. (VVD), Houwers, J. (VVD), Elias, T.M.Ch. (VVD), Taverne, J. (VVD), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dikkers, S.W. (PvdA), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Mos, R. de (PVV), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ormel, H.J. (CDA), Holtackers, M.P.M. (CDA), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Gerven, H.P.J. van (SP), Irrgang, E. (SP), Grashoff, H.J. (GL), Gent, W. van (GL), Koolmees, W. (D66), Veldhoven, S. van (D66) en Groot, V.A. (PvdA).