Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201127428 nr. 182

27 428 Beleidsnota Biotechnologie

Nr. 182 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 februari 2011

Aanleiding

Bij het Algemeen overleg tussen de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Tweede Kamer over de toekomst van de plantenveredeling is met een aanvaarde motie (Kamerstukken II 2009/2010 27 428, nr. 165) gevraagd om, in de voorbereiding van het wetgevingstraject en in opvolging van het rapport «Veredelde zaken», zowel de optie van een beperkte als een uitgebreide kwekersvrijstelling uit te werken en daarbij de juridische (on)mogelijkheden, zowel in nationale, Europese als mondiale wet- en regelgeving te onderzoeken, zodat over deze opties gesproken kan worden. In de brief van 5 oktober 2010 (Kamerstukken II 2009/2010, 27 428, nr. 174) is aangekondigd dat deze analyse separaat aan de Tweede Kamer zou worden aangeboden. Met deze brief geef ik gevolg aan dit verzoek.1

Samenvatting

Uit de uitgevoerde analyse van relevante internationale regelgeving blijkt dat slechts ruimte bestaat om een beperkte vrijstelling in te voeren in de Rijksoctrooiwet 1995. Het gaat dan om een veredelingsvrijstelling om biologisch materiaal dat valt onder een octrooirecht te gebruiken voor het ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen.

Een beperkte veredelingsvrijstelling acht ik mogelijk omdat deze, vanwege de beperkte omvang, niet in strijd wordt geacht met de TRIPs-Overeenkomst en Richtlijn 98/44/EG betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen. Enkele Europese landen hebben al een dergelijke vrijstelling ingevoerd. De Europese Commissie heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.

Invoering van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995 maakt het mogelijk dat een ieder voor het ontdekken en ontwikkelen van nieuwe plantenrassen vrijelijk gebruik mag maken van biologisch materiaal waarop octrooirecht rust, zonder toestemming van de octrooihouder.

Een uitgebreide veredelingsvrijstelling acht ik, in afwijking van de auteurs van het rapport «Veredelde Zaken», in strijd met internationale regelgeving. Zij hebben in hun rapportage onvoldoende rekening gehouden met de TRIPs-Overeenkomst en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG. Invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling acht ik niet mogelijk wegens strijd met de TRIPs-Overeenkomst en Richtlijn 98/44/EG. Over de wenselijkheid van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht neem ik nog geen standpunt in omdat aan zo’n vrijstelling ook nadelen kleven. Voordat invoering van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht zou kunnen worden overwogen (en dus ook daartoe vereiste wijziging van internationale regelingen waaraan Nederland is gebonden) is eerst een analyse van wenselijkheid en haalbaarheid daarvan nodig in het licht van de mogelijke gevolgen voor o.a. octrooihouders, ook in bedrijfssectoren buiten de plantenveredeling.

Vanwege de geschatte haalbaarheid en wenselijkheid, maar ook om tijdverlies te voorkomen zal nu eerst verder gewerkt worden aan de spoedige invoering van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995. Streven is een daartoe strekkend wetsvoorstel in de tweede helft van dit jaar aan de Tweede Kamer aan te bieden.

Voor de integrale juridische analyse verwijs ik u naar de bijlage bij deze brief.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.