32 450 Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht)

Nr. 8 HERDRUK1 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 augustus 2011

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

1

Deel A (Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten) wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel I (Algemene wet bestuursrecht) wordt gewijzigd als volgt:

a

In onderdeel P wordt artikel 6:19 gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «indien het bezwaar of het beroep is ingesteld» vervangen door: indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. Het bestuursorgaan doet onverwijld mededeling van het nieuwe besluit aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

b

In onderdeel R (artikel 6:24) wordt «of beroep in cassatie» vervangen door: , beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie.

c

In onderdeel T (artikel 7:1) worden de onderdelen 2, 3 en 4 vervangen door één onderdeel, luidende:

2. De onderdelen d en e worden vervangen door vier onderdelen, luidende:

d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4,

e. het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft,

f. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit,

g. het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven.

d

In onderdeel Z (artikel 7:28), onder 2, wordt «Indien de belanghebbende» vervangen door: Indien aan de belanghebbende.

e

Onderdeel CC (afdeling 8.1.1) wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 8:2 komt te luiden:

Artikel 8:2

1. Met een besluit wordt gelijkgesteld:

a. een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij de volgende personen, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn:

1°. een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig,

2°. een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig,

3°. een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig,

4°. een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig,

b. een andere publiekrechtelijke handeling van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan.

2. Met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van:

a. een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,

b. een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

In artikel 8:4, derde lid, wordt «de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, of» vervangen door: de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig,.

Artikel 8:7 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «of een van een openbaar lichaam» vervangen door: of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam.

2. Het derde lid komt te luiden:

3. Indien een voortdurend gebrek aan voldoende zittingscapaciteit bij een rechtbank daartoe noodzaakt, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste twee jaar een andere dan de overeenkomstig het eerste en tweede lid bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie. Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder h, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof.

f

Na onderdeel CC wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

CCa

Het opschrift van afdeling 8.1.2 komt te luiden: AFDELING 8.1.2 BEHANDELING DOOR EEN ENKELVOUDIGE, MEERVOUDIGE OF GROTE KAMER

g

Na onderdeel DD wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

DDa

Artikel 8:11 komt te luiden:

Artikel 8:11

1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn van toepassing op de behandeling door elk van de kamers, bedoeld in de artikelen 8:10 en 8:10a.

2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen van de voorzitter.

h

In onderdeel RR (artikel 8:41) wordt «€ 41» vervangen door «€ 42», «€ 150» vervangen door «€ 156» en «€ 298» door: € 310.

i

Na onderdeel RR wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

RRa

Na afdeling 8.2.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 8.2.1a ALGEMENE BEPALING

Artikel 8:41a

De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.

j

Na onderdeel SS wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

SSa

In artikel 8:44, derde lid, vervalt: van de meervoudige kamer.

k

In onderdeel TT (artikel 8:45) wordt «de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1),» vervangen door: Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1).

l

Onderdeel XX komt te luiden:

XX

Artikel 8:50 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid wordt gewijzigd als volgt:

a. In de eerste volzin wordt «rechtbank» vervangen door: bestuursrechter.

b. In de tweede volzin wordt «Zij» vervangen door «Hij» en wordt «haar taak» vervangen door: zijn taak.

2. In het vijfde lid vervalt: van de meervoudige kamer.

m

Onderdeel III komt te luiden:

III

Artikel 8:55c komt te luiden:

Artikel 8:55c

Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

n

De onderdelen KKK en LLL komen te luiden:

KKK

Artikel 8:55e wordt gewijzigd als volgt:

1. in het eerste en derde lid wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

2. In het tweede lid wordt «tweede lid» vervangen door: derde lid.

LLL

In de artikelen 8:55f en 8:56 wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

o

Onderdeel PPP komt te luiden:

PPP

Artikel 8:61 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste en zesde lid vervalt telkens: van de meervoudige kamer.

2. In het derde lid wordt «rechtbank» telkens vervangen door: bestuursrechter.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. De griffier maakt van de zitting een proces-verbaal op:

a. indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of

b. op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad.

4. In het achtste lid wordt «rechtbank» vervangen door: bestuursrechter.

5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

9. De griffier die een proces-verbaal opmaakt, zendt dit aan partijen.

p

In onderdeel VVV (artikel 8:67) wordt, onder vernummering van onderdeel 2 tot onderdeel 3, een onderdeel ingevoegd, luidende:

2. In het vierde lid vervalt: van de meervoudige kamer.

q

In onderdeel AAAA komt artikel 8:72 te luiden:

Artikel 8:72

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.

2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of

b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.

4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:

a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;

b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.

5. De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.

6. De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

r

Aan onderdeel FFFF (artikel 8:75) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

3. In het derde lid wordt «Indien een partij» vervangen door: Indien aan een partij.

s

Onderdeel GGGG komt te luiden:

GGGG

Artikel 8:77 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt «administratieve rechter» vervangen door: bestuursrechter.

2. In het derde lid vervalt: van de meervoudige kamer.

t

Onderdeel KKKK komt te luiden:

KKKK

Artikel 8:80a wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «rechtbank» vervangen door «bestuursrechter» en wordt «zij» vervangen door: hij.

2. In het derde lid wordt «8:72, vierde lid, onderdeel b» vervangen door «8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder a» en «en 8:88» door: en 8:119.

u

In onderdeel PPPP (artikel 8:84) komt onderdeel 2 te luiden:

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt «8:72, vijfde en zevende lid,» vervangen door «8:72, vierde lid, tweede volzin, aanhef en onder b, en zesde lid,» en «artikel 8:79, tweede lid,» door: artikel 8:79, tweede en derde lid,.

v

Onderdeel QQQQ komt te luiden:

QQQQ

Artikel 8:85, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. «rechtbank» wordt telkens vervangen door: bestuursrechter.

2. In onderdeel c vervalt «, tenzij bij de uitspraak een later tijdstip is bepaald».

w

Onderdeel SSSS komt te luiden:

SSSS

Artikel 8:87 wordt gewijzigd als volgt:

1. Aan het slot van het eerste lid wordt toegevoegd: , ook als zij is getroffen met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid.

2. In het tweede lid wordt «rechtbank» vervangen door: bestuursrechter.

x

Onderdeel TTTT (titel 8.5) wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 8:104 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid wordt gewijzigd als volgt:

a. Aan het slot van onderdeel d vervalt «en».

b. In onderdeel e wordt «artikel 8:84, vierde lid.» vervangen door: artikel 8:84, vijfde lid, en

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:87.

2. In het derde lid, onder a, vervalt «van de Algemene wet bestuursrecht».

3. Het vierde lid komt te luiden:

4. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid.

Artikel 8:106 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft.

In artikel 8:108, eerste lid, wordt «de titels 8.1 tot en met 8:3» vervangen door: de titels 8.1 tot en met 8.3.

In artikel 8:109, eerste lid, wordt «€ 111» vervangen door «€ 115», «€ 224» door «€ 232» en «€ 448» door: € 466.

In artikel 8:110, vierde lid, wordt «de in het derde lid genoemde termijn» vervangen door: de in het tweede en derde lid genoemde termijnen.

Aan het slot van artikel 8:112, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: In het laatste geval deelt de griffier de indiener mee dat zijn hoger beroep is vervallen.

y

Onderdeel ZZZZ komt te luiden:

ZZZZ

Artikel 11:1 vervalt.

z

In onderdeel AAAAA wordt artikel 11:2 gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

2. In het tweede lid wordt «en in artikel 1» vervangen door «en in artikel 1, onderdelen c en d,» en wordt «Onze Minister van Justitie» vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

aa

Onderdeel CCCCC komt te luiden:

CCCCC

Er worden drie bijlagen toegevoegd, luidende:

Bijlage 1: Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g)

Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt.

Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in:

a. artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit

b. artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet

c. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening

d. artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit

Dienstenwet: de artikelen 59a en 59c

Gemeentewet: de artikelen 85, tweede lid, 87a, eerste lid, 155d en 268, eerste lid, alsmede een beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 154a

Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid

Kaderwet dienstplicht: artikel 13

Kieswet:

a. de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid

b. artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4

c. de artikelen Y 32 en Y 33

Landbouwkwaliteitswet: een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling als bedoeld in artikel 13

Mededingingswet: de artikelen 37, eerste lid, 44, eerste lid, en 47, eerste lid

Monumentenwet 1988: artikel 29

Provinciewet: de artikelen 83, tweede lid, 151d en 261, eerste lid

Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit, genomen op grond van:

a. hoofdstuk 5

b. hoofdstuk 6, tenzij bezwaar kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002

c. de hoofdstukken 6A, 6B en 12

Vreemdelingenwet 2000: de afdelingen 3 en 5 van hoofdstuk 7, alsmede een beschikking die is gegeven op grond van de artikelen 54, tweede lid, 56 en 59, of die een aanwijzing inhoudt overeenkomstig de artikelen 55, 57 of 58

Waterschapswet: artikel 21, eerste lid, en artikel 41, vijfde lid

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften: artikel 32

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

a. een besluit inzake een verklaring als bedoeld in artikel 2.27

b. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.34 of 3.13, tweede lid

Wet gemeenschappelijke regelingen:

a. een ontslagbesluit als bedoeld in artikel 16, vijfde lid

b. een besluit van een plusregio als bedoeld in hoofdstuk IX voor zover het bestuur van een gemeente daartegen beroep instelt

Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste en tweede lid, en 8.25g, eerste lid

Wet milieubeheer: artikel 16.31, tweede lid

Wet op het financieel toezicht: hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, 5:81, derde lid, 5:76, tweede lid, en 5:80b, vijfde lid, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80

Wet ruimtelijke ordening:

a. een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9

b. een besluit omtrent herziening van een exploitatieplan, dat niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede een besluit omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van een exploitatieplan

c. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid

Bijlage 2: Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (artikelen 8:5, 8:6, 8:7, 8:105 en 8:106)

Hoofdstuk 1 Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5)

Artikel 1 Geen beroep

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift, kan geen beroep worden ingesteld.

Algemene wet gelijke behandeling: hoofdstuk 2, met uitzondering van de artikelen 16 en 17 en de op grond van artikel 21, tweede lid, gestelde regels

Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945: artikel 6

Burgerlijk Wetboek, voor zover de aanvraag is toegewezen:

a. Boek 1:

1. artikel 7, eerste en tweede lid

2. titel 14, afdeling 4

b. Boek 2: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266

Elektriciteitswet 1998: de artikelen 9b, vierde lid, 9c, derde lid, 9d, tweede en derde lid, 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid, 20a, derde lid, 20b, derde lid, en 20c, tweede en derde lid

Faillissementswet: artikel 285

Financiële-verhoudingswet: artikel 9

Gaswet: de artikelen 39b, derde lid, 39c, derde lid, en 39d, tweede en derde lid

Gemeentewet:

a. de artikelen 49, 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a

b. artikel 273, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit

Geneesmiddelenwet: artikel 17

Gerechtsdeurwaarderswet: artikel 3a, tweede lid

Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën: de artikelen 20, 21, 22, 72, eerste lid, 75, en 101, derde lid

Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a

Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7

Leegstandwet:

a. artikel 15, eerste lid, voor zover het betreft een weigering van de vergunning

b. artikel 15, vijfde lid, voor zover het betreft een afwijzing van het verzoek tot verlenging

c. artikel 16, negende lid, eerste volzin

Mededingingswet:

a. artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen

b. artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, van dat artikel

Meststoffenwet: de artikelen 72 en 73

Mijnbouwwet: de artikelen 141a, derde lid, 141b, derde lid, en 141c, tweede en derde lid

Natuurbeschermingswet 1998: de artikelen 17 en 23

onteigeningswet

Ontgrondingenwet: mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid

Pensioenwet: de artikelen 155 en 157

Politiewet 1993: de artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, 37, tweede lid, 38d en 43b

Provinciewet:

a. de artikelen 49, 167, derde lid, en 179, derde lid

b. artikel 261, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit

Reconstructiewet concentratiegebieden: artikel 58

Reconstructiewet Midden-Delfland: de artikelen 36, eerste lid, 37, 44, eerste lid, 45 en 70

Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, met uitzondering van beslissingen ten aanzien van de algemeen secretaris en de medewerkers van het bureau

Telecommunicatiewet: de artikelen 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing, 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid

Tracéwet: de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, onderdeel c, en 23, eerste lid

Uitleveringswet

Waterschapswet: artikel 156, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging

Waterwet: de artikelen 4.1, 4.4 en 6.28

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

a. de artikelen 2.27, eerste lid, en 2.34, eerste lid, met uitzondering van beroep dat wordt ingesteld door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de verklaring, onderscheidenlijk de aanwijzing betrekking heeft

b. de artikelen 5.7, eerste lid, 5.8, eerste lid, laatste volzin, en 5.9, eerste lid

c. artikel 5.9, zesde lid, voor zover het een aanwijzing betreft ter zake van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3

d. artikel 5.24, eerste lid

Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen

Wet bodembescherming: artikel 43, voor zover het betreft de afwijzing van een verzoek

Wet geurhinder en veehouderij: artikel 7

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: de artikelen 107 en 108

Wet investeren in jongeren: de artikelen 37, 57 en 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten

Wet luchtvaart: de artikelen 8.4 en 8.15

Wet melding collectief ontslag

Wet milieubeheer:

a. de artikelen 4.3, 4.6, 4.9, 4.12, 4.15a, 4.16, 4.19, 5.12, eerste lid, 5.12, dertiende lid, 5.13, eerste lid, 5.23, eerste lid, 10.3, 11.2, derde lid, onderdelen b en c, en 16.23, eerste lid

b. artikel 16.29, eerste lid, met uitzondering van een besluit houdende toewijzing van broeikasgasemissierechten voor een afzonderlijke inrichting

c. artikel 17.5, eerste lid

Wet op de expertisecentra: artikel 134, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd

Wet op de jeugdzorg:

a. artikel 3, vierde lid

b. artikel 6, eerste lid, voor zover het betreft een besluit ter uitvoering van de taak, bedoeld in:

1. artikel 10, eerste lid, onderdeel b

2. artikel 10, eerste lid, onderdeel c, met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin bedoelde begeleiding als bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht

3. de artikelen 29o tot en met 29r, 29t en 29v

Wet op de rechterlijke organisatie: de artikelen 41, achtste lid, 59, achtste lid, en 100

Wet opheffing particuliere banken van leening: artikel 2

Wet op het financieel toezicht: de artikelen 1:30, 1:33 en 1:34

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: artikel 7.60

Wet op het primair onderwijs: artikel 140, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd

Wet op het voortgezet onderwijs: artikel 96g, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd

Wet publieke gezondheid: de artikelen 31 en 35

Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren:

a. een besluit tot benoeming, plaatsing of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden

b. een besluit van de Hoge Raad als bedoeld in hoofdstuk 6A

c. een vordering als bedoeld in artikel 46o

Wet ruimtelijke ordening:

a. de artikelen 2.1, 2.2, 2.3 en 3.7

b. de artikelen 3.30, eerste lid, 3.33, eerste lid, en 3.35, eerste lid, voor zover het betreft een aanwijzing

c. artikel 4.1, vijfde lid

d. artikel 4.2, eerste lid, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is

e. de artikelen 4.2, derde lid, en 4.3, vierde lid

f. artikel 4.4, eerste lid, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is

g. artikel 4.4, derde lid

h. artikel 6.15, eerste lid, voor zover de herziening uitsluitend betrekking heeft op onderdelen als bedoeld in het derde lid

Wet toezicht accountantsorganisaties: de artikelen 32 en 35

Wet toezicht financiële verslaggeving: de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12 en 30

Wet van 18 december 2008 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) (Stb. 561): artikel X

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: artikel 30, tweede lid

Wet verplichte beroepspensioenregeling: de artikelen 150 en 152

Wet werk en bijstand: de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5

Wet werk en inkomen kunstenaars: artikel 14

Zorgverzekeringswet:

a. artikel 9a

b. artikel 18f, eerste lid, in samenhang met artikel 18d of 18e, voor zover een besluit wordt genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan

Hoofdstuk 2 Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikel 8:6)

Artikel 2 Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Algemene wet bestuursrecht: artikel 5:32, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet

Algemene wet bijzondere ziektekosten, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen

Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in:

a. artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit

b. artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet

c. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening

d. artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit

Crisis- en herstelwet:

a. artikel 2.3, voor zover het betreft een besluit tot vaststelling van een gebiedsontwikkelingsplan

b. artikel 2.10, eerste lid

Dienstenwet: een aanwijzing op grond van artikel 59a of een besluit op grond van artikel 59c

Experimentenwet onderwijs

Flora- en Faunawet: artikel 75a, eerste lid, voor zover de ontheffing is verleend

Gemeentewet:

a. artikel 85, tweede lid

b. artikel 87a, eerste lid

c. artikel 125, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet

d. artikel 268, eerste lid

Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse veenkoloniën: de artikelen 13, eerste lid, en 74, eerste, tweede, derde en vijfde lid

Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid

Interimwet stad-en-milieubenadering:

a. de artikelen 2 en 3

b. een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in artikel 9

Kaderwet dienstplicht: de artikelen 10, eerste lid, 11 en 13

Kernenergiewet

Kieswet:

a. de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid

b. artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4

c. de artikelen Y 32 en Y 33

Mijnbouwwet:

a. een besluit dat van toepassing is op het continentaal plat, met uitzondering van een besluit krachtens de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 of 5.5

b. een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning en instemming met een winningsplan of een opslagplan

Natuurbeschermingswet 1998, met uitzondering van de artikelen 17 en 23

Ontgrondingenwet: hoofdstuk II en de artikelen 26a, eerste lid, 27 en 29a, eerste lid

Provinciewet:

a. artikel 83, tweede lid

b. artikel 122, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet

c. artikel 261, eerste lid

Reconstructiewet concentratiegebieden, voor zover het betreft een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan, alsmede een besluit dat is genomen met toepassing van de artikelen 40 tot en met 43

Reconstructiewet Midden-Delfland: artikel 72, eerste tot en met derde lid

Spoedwet wegverbreding, voor zover het betreft een wegaanpassingsbesluit, een besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, alsmede een plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid

Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen: artikel 2, eerste lid

Tracéwet

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190)

Vreemdelingenwet 2000: de artikelen 43 en 45, vierde lid

Waterschapswet:

a. een besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu inzake de goedkeuring van een besluit als bedoeld in artikel 5

b. artikel 61, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens dein artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet

c. artikel 156, eerste lid

Waterwet:

a. de artikelen 5.7, eerste lid, en 5.8, eerste lid

b. een besluit dat met toepassing van artikel 6.27, tweede lid, gecoördineerd is voorbereid met een besluit krachtens de Kernenergiewet

Wet ammoniak en veehouderij:

a. artikel 2, eerste lid

b. een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid

Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting, voor zover het betreft een beschikking

Wet bereikbaarheid en mobiliteit: artikel 3, eerste lid

Wet bescherming Antarctica

Wet bodembescherming, met uitzondering van artikel 43, voor zover het betreft de afwijzing van een verzoek

Wet educatie en beroepsonderwijs:

a. de artikelen 1.4.1, 1.4a.1, 1.6.1, 2.1.1, eerste lid, 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.2.3, eerste en derde lid, en 2.5.9

b. artikel 2.5.10, voor zover het de overeenkomstige toepassing betreft van artikel 2.5.9

c. de artikelen 6.1.3 tot en met 6.1.6, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 6.2.3b, 6.3.1 tot en met 6.3.3, 6.4.2, 6.4.4, 6a.1.2, 6a.1.3 en 11.1

Wet financiering sociale verzekeringen: artikel 91

Wet geluidhinder

Wet gemeenschappelijke regelingen: de artikelen 99, eerste lid, 100, eerste lid, 102, vierde lid, 103, eerste lid, 103b, 103c, eerste lid, 114, 116, eerste lid, en 117, tweede lid

Wet gewetensbezwaren militaire dienst:

a. hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 4, tweede lid

b. de artikelen 15 en 16

Wet inrichting landelijk gebied:

a. de vaststelling of wijziging van een inrichtingsplan, voor zover het betreft de begrenzing van de blokken, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b

b. de aanduiding van voorzieningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, inhoudende de toepassing van een korting als bedoeld in artikel 56, eerste lid

c. de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut, bedoeld in artikel 28

c. de aanduiding van wegen met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 33, eerste lid

e. de opname van wegen met de daartoe behorende kunstwerken als openbare weg, bedoeld in artikel 33, tweede lid

Wet inzake de luchtverontreiniging

Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Wet milieubeheer, met inbegrip van een besluit dat betrekking heeft op handhaving, doch met uitzondering van:

a. de artikelen 1.3, eerste lid, 8.40a en 8.42

b. een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40

Wet op de expertisecentra:

a. titel IV: de afdelingen 2 en 8, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen

b. de artikelen 120, tweede lid, 129 en 170

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: de artikelen 1.9, zesde lid, 2.9, vierde lid, 5a.9, 5a.11, 6.5, 6.16 en 15.1, eerste lid

Wet op het primair onderwijs:

a. artikel 22, vijfde lid

b. titel IV: de afdelingen 2 en 9, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen

c. de artikelen 123, tweede lid, 135 en 184

d. artikel 185, tweede lid, tweede volzin, voor zover het betreft een besluit op grond van bepalingen die bij de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 185, tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, alsmede een besluit op grond van bepalingen van de algemene maatregel van bestuur die daarmee overeenkomen

Wet op het voortgezet onderwijs:

a. titel III: de afdelingen I, met uitzondering van artikel 74, en III

b. de artikelen 85a, 89 en 104

Wet ruimtelijke ordening:

a. een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid

b. artikel 3.1, derde lid

c. een besluit omtrent wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid

d. een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid

e. de artikelen 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, en 3.35, eerste lid

f. de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.4, eerste lid, voor zover het besluit betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is

g. de artikelen 6.8, eerste lid, en 6.9

Wet toelating zorginstellingen

Woningwet: artikel 70, voor zover het betreft de intrekking van een toelating

Zorgverzekeringswet: voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen, met uitzondering van:

a. een beschikking op grond van artikel 9b, 9c, 18d tot en met 18g, 69 of 70

b. een beschikking op grond van artikel 122a

c. een beschikking jegens een persoon die behoort tot het personeel van het College zorgverzekeringen

Artikel 3 Beroep bij de Centrale Raad van Beroep

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers

Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, voor zover het betreft een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling

Liquidatiewet ongevallenwetten: artikel 24, eerste lid

Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet

Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren: een besluit waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, een gewezen rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Artikel 4 Beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Een besluit van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan of van een kamer als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Kamers van koophandel en fabrieken 1997, met uitzondering van:

a. een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur

b. een besluit ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden

Algemene douanewet: een beschikking ter zake van landbouwrestituties

Algemene wet bestuursrecht: artikel 5:32, voor zover het betreft een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Winkeltijdenwet

Boswet: afdeling II

Burgerlijk Wetboek, Boek 2, voor zover het besluit is bekendgemaakt voor 1 juli 2011:

a. artikel 64, derde lid, tweede volzin, voor zover het betreft een weigering om de in de eerste volzin bedoelde termijn te verlengen

b. de artikelen 68, tweede lid, en 125, tweede lid, voor zover het betreft een weigering van een verklaring

c. artikel 156, voor zover het betreft:

1. een weigering, wijziging of intrekking van een ontheffing

2. een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd

d. artikel 175, derde lid, tweede volzin, voor zover het betreft een afwijzing van een verzoek

e. de artikelen 179, tweede lid, en 235, tweede lid, voor zover het betreft een weigering van een verklaring

f. artikel 266, voor zover het betreft:

1. een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing

2. een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd

Diergeneesmiddelenwet

Elektriciteitswet 1998, met inbegrip van een besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genomen op grond van de artikelen 36, 37, 41, 41c, 55, 56, tweede lid, en 57, derde en vierde lid, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 9b, vierde lid, 9c, derde lid, 9d, tweede en derde lid, 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid, 20a, derde lid, 20b, derde lid, 20c, tweede en derde lid, 77h en 77i

Gaswet, met inbegrip van een besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genomen op grond van de artikelen 12f, 12g, 23, 24, tweede lid, 25, derde en vierde lid, 81, 81c en 82, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 16, 39b, derde lid, 39c, derde lid, 39d, tweede en derde lid, 60ac en 60ad

Gemeentewet: artikel 125, voor zover het betreft een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Winkeltijdenwet

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Hamsterwet

In- en uitvoerwet, voor zover die wet op grond van artikel XLIX van de Aanpassingswet Algemene douanewet nog van kracht is

Kaderwet EZ-subsidies

Kaderwet diervoeders

Kaderwet LNV-subsidies

Landbouwkwaliteitswet

Landbouwwet: de artikelen 13, 15, 17 tot en met 22 en 26

Loodsenwet: artikel 27f

Marktverordening voor het wegvervoer

Meststoffenwet, met uitzondering van de artikelen 51, 72 en 73

Metrologiewet

Noodwet voedselvoorziening: de artikelen 6 tot en met 10 en 29, behoudens in geval van toepassing van artikel 18

Plantenziektenwet

Prijzennoodwet

Prijzenwet

Sanctiewet 1977: artikel 9, derde lid

Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit, genomen op grond van:

a. hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002

b. de hoofdstukken 6A, 6B en 12

c. hoofdstuk 15, met uitzondering van de artikelen 15.2a en 15.4

Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap: het verzet, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 9

Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap: het verzet, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 7

Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU 2003, L 207): artikel 7, veertiende lid, tweede alinea

Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG 2001, L 294): artikel 8, veertiende lid, tweede alinea

Waarborgwet 1986

Wedervergeldingswet zeescheepvaart:

a. een verlening of weigering van een vergunning of een ontheffing

b. een intrekking van een vergunning of een ontheffing krachtens artikel 7

c. een oplegging van een heffing

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Wet geneesmiddelenprijzen, met uitzondering van artikel 11 en met inbegrip van een besluit tot vaststelling van een maximumprijs

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, met uitzondering van de artikelen 90, eerste lid, en 108

Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie

Wet inkomstenbelasting 2001: de artikelen 3.37, eerste lid, en 3.42, eerste lid, voor zover het betreft een verklaring van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Wet marktordening gezondheidszorg, met uitzondering van beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 6

Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding

Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Wet op de architectentitel, met inbegrip van een besluit inzake een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onderdeel j, 10, eerste lid, onderdeel f, 11, eerste lid, onderdeel f, en 12, eerste lid, onderdeel f, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij het betreft een besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht

Wet op de registeraccountants

Wet op het financieel toezicht: een besluit ingevolge hoofdstuk 5.1, artikel 5:77, eerste lid, of artikel 5:81, derde lid, of terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80

Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid

Wet privatisering FVP

Wet schadefonds olietankschepen: artikel 5, tweede en derde lid

Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: een besluit genomen door een van de in artikel 30, eerste lid, genoemde bestuursorganen

Wet vervoer over zee

Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001:

a. hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 21

b. een besluit dat is genomen op grond van een bilateraal akkoord en betrekking heeft op het niet in Nederland aanhouden van een wettelijke voorraad

c. een besluit op grond van een bilateraal akkoord als bedoeld in artikel 25 inzake het in Nederland aanhouden van een wettelijke voorraad ten behoeve van een andere staat dan Nederland of een onderdaan van die staat

Wet wegvervoer goederen

Wetboek van Koophandel: artikel 311a

Wet van 22 juni 1994 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen) (Stb. 507): een verklaring als bedoeld in artikel V, eerste lid

Winkeltijdenwet, met inbegrip van een besluit inzake de verlening van een vrijstelling op grond van artikel 3, derde lid, onder a, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Zaaizaad- en plantgoedwet 2005

Zorgverzekeringswet: artikel 122a

Artikel 5 Beroep bij een gerechtshof

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij een gerechtshof.

Wet financiering sociale verzekeringen: een uitspraak op bezwaar als bedoeld in de artikelen 95 en 97

Hoofdstuk 3 Beroep in eerste aanleg bij een andere rechtbank (artikel 8:7, vierde lid)

Artikel 6 Beroep bij de rechtbank te ’s-Gravenhage

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 364)

Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling

Garantiewet militairen K.N.I.L.

Garantiewet Surinaamse pensioenen

Militaire ambtenarenwet 1931

de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar

Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960

Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen

Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956

Uitkeringswet gewezen militairen

Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen

Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de artikelen 43 en 45, vierde lid

Wet arbeid vreemdelingen, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, voor zover het betreft een besluit van het bureau, bedoeld in artikel 1, omtrent de inschrijving van een depot op grond van die wet

Wet financiële voorzieningen privatisering ABP

Wet milieubeheer: artikel 18.16a, eerste, tweede of vijfde lid

Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002: hoofdstuk 4

Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L.

Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders

Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 377)

Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 592)

Artikel 7 Beroep bij de rechtbank te Rotterdam

Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Rotterdam.

Burgerlijk Wetboek: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 van Boek 2

Elektriciteitswet 1998: de artikelen 77h en 77i

Gaswet: de artikelen 16, 60ac en 60ad

Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

Loodsenwet, met uitzondering van artikel 27f

Mededingingswet, met uitzondering van artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen, en artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, van dat artikel

Pensioenwet, met uitzondering van de artikelen 155 en 157

Postwet 2009

Spoorwegwet, met uitzondering van artikel 19 en 21

Tabakswet

Telecommunicatiewet, met uitzondering van:

a. artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing

b. de artikelen 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid

c. alsmede, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit:

1. hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002

2. de hoofdstukken 6A, 6B en 12

3. hoofdstuk 15, met uitzondering van de artikelen 15.2a en 15.4

Warenwet

Wet bestrijding ongevallen Noordzee, voor zover het betreft een beschikking van Onze Minister, genomen op een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 13, eerste lid

Wet financiële betrekkingen buitenland 1994

Wet geneesmiddelenprijzen: artikel 11

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: artikel 90, eerste lid

Wet handhaving consumentenbescherming

Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden: artikel 14

Wet inzake de geldtransactiekantoren

Wet luchtvaart, de artikelen 8.25f, eerste lid, en 8.25g, eerste lid

Wet marktordening gezondheidszorg, voor zover het betreft beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 6

Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van een besluit ingevolge de artikelen 1:30, 1:33 en 1:34, hoofdstuk 5.1, de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid, of terzake van het bepaalde ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80

Wet op het notarisambt, voor zover het de toepassing of overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling betreft op grond van artikel 113c

Wet personenvervoer 2000: de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid

Wet privatisering APB, voor zover het de overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 betreft op grond van artikel 21, vierde lid

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Wet toezicht accountantsorganisaties, met uitzondering van de artikelen 32 en 35

Wet toezicht financiële verslaggeving, met uitzondering van de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12 en 30

Wet toezicht trustkantoren

Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de artikelen 150 en 152

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Artikel 8 Overige

1. Tegen een besluit, genomen op grond van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Arnhem.

2. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:7, tweede lid, en tegen een besluit op grond van de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 van de Mijnbouwwet kan beroep worden ingesteld bij de rechtbanken te Leeuwarden, Arnhem, Haarlem, ’s-Gravenhage en Breda in het ressort waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft.

3. Tegen een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de raad is gevestigd.

4. Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van een beschikking ter zake van landbouwrestituties, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Haarlem.

5. Tegen een besluit van de Dienst, genoemd in artikel 1 van de Kadasterwet, omtrent wijziging van een authentiek gegeven of omtrent wijziging van een ander gegeven dan een authentiek gegeven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan:

a. de onroerende zaak waarmee het betreffende gegeven verband houdt, geheel of grotendeels is gelegen, of

b. de Dienst, genoemd in artikel 1 van de Kadasterwet, is gevestigd indien het betreffende gegeven verband houdt met een te boek staand schip of luchtvaartuig.

6. Tegen een beschikking, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of 6, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, kan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft.

Hoofdstuk 4 Hoger beroep (artikelen 8:105 en 8:106, eerste lid, onder a)

Artikel 9 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, met schorsende werking

Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Algemene Kinderbijslagwet

Algemene nabestaandenwet

Algemene Ouderdomswet

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer: hoofdstuk IV

Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Kaderwet SZW-subsidies, voor zover het betreft een ministeriële regeling op grond van artikel 9

Liquidatiewet Ongevallenwetten, met uitzondering van artikel 24, eerste lid

Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

Tijdelijke wet pilot loondispensatie

Toeslagenwet

Werkloosheidswet

Wet arbeid en zorg: hoofdstuk 3, afdeling 2

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

Wet investeren in jongeren, met uitzondering van de artikelen 37, 57 en artikel 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten

Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 2.3

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

Wet overige OCW-subsidies: artikel 19a

Wet sociale werkvoorziening

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

Wet werk en bijstand, met uitzondering van de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Wet werk en inkomen kunstenaars, met uitzondering van artikel 14

Ziektewet

Zorgverzekeringswet: de artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a, behalve voor zover op grond van artikel 18f, eerste lid, in samenhang met artikel 18d of 18e, een besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan

Artikel 10 Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, zonder schorsende werking

Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan eveneens hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Een besluit waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn

Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 364)

Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling

Garantiewet militairen K.N.I.L.

Garantiewet Surinaamse pensioenen

Noodwet Arbeidsvoorziening

Noodwet Geneeskundigen

de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar

Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960

Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen

Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956

Uitkeringswet gewezen militairen

Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 4.1.2 en 4.3.2, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet financiële voorzieningen privatisering ABP

Wet inburgering

Wet maatschappelijke ondersteuning

Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 33, tweede lid, en 55, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet op de jeugdzorg: de artikelen 5, tweede lid, en 6, vierde lid

Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 14, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.5, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet op het primair onderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 33, tweede lid, en 52, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 38a, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft

Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L.

Wet privatisering ABP

Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders

Wet studiefinanciering 2000

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten: de artikelen 2 en 10

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 592)

Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea (Stb. 196)

Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 377)

Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Artikel 11 Hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Burgerlijk Wetboek: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 van Boek 2

Elektriciteitswet 1998: de artikelen 77h en 77i

Gaswet: de artikelen 16, 60ac en 60ad

Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

Loodsenwet, met uitzondering van artikel 27f

Mededingingswet, met uitzondering van artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen, en artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, van dat artikel

Meststoffenwet: artikel 51

Overgangswet elektriciteitsproductiesector

Pensioenwet, met uitzondering van de artikelen 155 en 157

Postwet 2009

Spoorwegwet

Tabakswet

Telecommunicatiewet, met uitzondering van:

a. artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing

b. de artikelen 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid

c. alsmede, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit:

1. hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002

2. de hoofdstukken 6A, 6B, en 12

3. hoofdstuk 15, met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 15.2a en 15.4

Warenwet

Wet financiële betrekkingen buitenland 1994

Wet geneesmiddelenprijzen: artikel 11

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: artikel 90, eerste lid

Wet handhaving consumentenbescherming

Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden: artikelen 14 tot en met 16

Wet inzake de geldtransactiekantoren

Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste lid, en 8.25g, eerste lid

Wet marktordening gezondheidszorg, voor zover het betreft een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 4

Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van de artikelen 1:30, 1:33 en 1:34, hoofdstuk 5.1, de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid, alsmede besluiten terzake van het bepaalde ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80

Wet op het notarisambt, voor zover het de toepassing of overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling betreft op grond van artikel 113c

Wet personenvervoer 2000: de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid

Wet privatisering APB, voor zover het de overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 betreft op grond van artikel 21, vierde lid

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme

Wet toezicht accountantsorganisaties, met uitzondering van de artikelen 32 en 35

Wet toezicht financiële verslaggeving, met uitzondering van de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12 en 30

Wet toezicht trustkantoren

Wet verplichte beroepspensioenregeling, met uitzondering van de artikelen 150 en 152

Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

Artikel 12 Hoger beroep bij een gerechtshof

Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof.

Algemene douanewet: artikel 8:2, tweede lid

Algemene wet inzake rijksbelastingen: artikel 26

Mijnbouwwet: de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5

Bijlage 3: Regeling verlaagd griffierecht (artikelen 8:41 en 8:109)

Artikel 1

Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft:

a. een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden;

b. een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet;

c. een bestuurlijke boete van ten hoogste € 340;

d. een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang op ten hoogste € 340 zijn vastgesteld.

Artikel 2

Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt voorts indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven.

Algemene bijstandswet

Algemene Kinderbijslagwet

Algemene nabestaandenwet

Algemene Ouderdomswet

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen

Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij het beroep of hoger beroep door een natuurlijke persoon is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit met betrekking tot de toepassing van:

a. de Wet op de dividendbelasting 1965

b. de Wet op de omzetbelasting 1968

c. de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992

d. de Wet op de accijns

e. de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten

f. de Wet belastingen op milieugrondslag

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer: hoofdstuk IV

Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen (Stb. 364)

Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met inbegrip van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling

Garantiewet Militairen K.N.I.L.

Garantiewet Surinaamse pensioenen

Kaderwet SZW-subsidies, voor zover het betreft een ministeriële regeling op grond van artikel 9

Liquidatiewet Ongevallenwetten

Mijnbouwwet: de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5

Reglement eenmalige uitkering silicose-vergoeding oud-mijnwerkers, vastgesteld bij besluit van het bestuur van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers van 18 april 1994

de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar

Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960

Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie

Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

Tijdelijke wet pilot loondispensatie

Toeslagenwet

Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen

Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956

Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen

Werkloosheidswet

Wet arbeid en zorg: hoofdstuk 3, afdeling 2

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet

Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen

Wet inburgering

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

Wet investeren in jongeren, met uitzondering van de artikelen 37, 57 en artikel 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten

Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 2.3

Wet maatschappelijke ondersteuning

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wet op de huurtoeslag

Wet op de rechtsbijstand: een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, indien het beroep dan wel hoger beroep wordt ingesteld door een rechtzoekende als bedoeld in artikel 1, eerste lid

Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L.

Wet sociale werkvoorziening

Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Wet studiefinanciering 2000

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 592)

Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet (Stb. 377)

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

Wet werk en bijstand, met uitzondering van de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5

Wet werk en inkomen kunstenaars, met uitzondering van artikel 14

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Ziektewet

Zorgverzekeringswet: de artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a

B

Artikel II (Wet op de Raad van State), onderdeel A, komt te luiden:

A

Artikel 42 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «enkelvoudige en meervoudige kamers» vervangen door: enkelvoudige, meervoudige en grote kamers.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. De meervoudige kamers en grote kamers bestaan uit drie onderscheidenlijk vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt.

3. In het derde lid, onder b, wordt «de meervoudige kamer» vervangen door: een meervoudige of grote kamer.

C

Artikel V (Algemene wet inzake rijksbelastingen) wordt gewijzigd als volgt:

a

In onderdeel E wordt «Artikel 27 en 27b» vervangen door: De artikelen 27 en 27b.

b

In onderdeel F wordt aan artikel 27h een lid toegevoegd, luidende:

3. De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. De eerste volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft.

c

In onderdeel G wordt «de afdelingen 4 en 5 tot 3 en 4» vervangen door: afdeling 4 tot 3.

d

De onderdelen I en J komen te luiden:

I

Aan artikel 28a wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. De griffier maakt zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal op van de zitting en zendt dit aan de griffier van de Hoge Raad.

J

Artikel 29 komt te luiden:

Artikel 29

Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8:14 tot en met 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:40a, 8:41, met uitzondering van het tweede lid, 8:41a, 8:43 tot en met 8:45, 8:52, 8:53, 8:60, 8:70, 8:71, 8:72a, 8:75 tot en met 8:79, 8:109, 8:113, tweede lid, 8:114 en titel 8.6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald.

e

De onderdelen K en L worden vervangen door één onderdeel, luidende:

K

De artikelen 29a en 29g vervallen.

2

Deel B (Wijziging van andere wetten) wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel I (Crisis- en herstelwet) wordt gewijzigd als volgt:

a

Onderdeel A komt te luiden:

A

Paragraaf 2.3 vervalt.

b

Onderdeel F (artikel 2.3) wordt gewijzigd als volgt:

1. Onderdeel 1 komt te luiden:

1. In het vierde lid vervalt de eerste volzin.

2. In onderdeel 2 wordt «artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht» vervangen door: artikel 3, tweede lid, van die wet.

B

Artikel III (Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) komt te luiden:

ARTIKEL III

In de artikelen 121 en 162 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vervallen de aanduiding «1.» en het tweede lid.

C

In artikel V (Gemeentewet) wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

In artikel 231, vierde lid, vervalt «in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29a van de Algemene wet en».

D

Artikel VI (Kieswet) wordt gewijzigd als volgt:

a

In de onderdelen A tot en met D wordt in de aanduiding van de artikelen van de Kieswet telkens een spatie geplaatst tussen de hoofdletter en het cijfer.

b

Aan onderdeel A (artikel D 9) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

4. In het derde lid (nieuw) wordt «De Afdeling» vervangen door: De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

c

In onderdeel D (artikel S 5) komt onderdeel 2 te luiden:

2. In het derde lid wordt «de Afdeling» vervangen door: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

d

Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

E

In de artikelen Ya 43, tweede lid, Ya 46, derde lid, en Ya 49, derde lid, onderdeel d, wordt «G 5, tweede lid» telkens vervangen door: G 5, eerste lid.

E

In artikel VII (Provinciewet) wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 227a, vierde lid, vervalt «in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29a van de Algemene wet en».

F

Na artikel IX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IXa

In artikel 86, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt «artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervangen door: artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, of vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

G

Na artikel XVII wordt onder «Ministerie van Economische Zaken» een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVIIa

In artikel 59d van de Dienstenwet vervallen het eerste lid alsmede de aanduiding «2.» voor het tweede lid.

H

In artikel XVIII (Elektriciteitswet 1998), onder B, komt artikel 82 te luiden:

Artikel 82

Een representatieve organisatie van partijen op de elektriciteitsmarkt wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet.

I

In artikel XIX (Gaswet), onder A, komt artikel 61 te luiden:

Artikel 61

Een representatieve organisatie van netgebruikers op de gasmarkt wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet.

J

Artikel XXIV (Mijnbouwwet) wordt gewijzigd als volgt:

1. Na onderdeel 1 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende;

1a. Aan het eerste lid (nieuw) wordt een volzin toegevoegd, luidende: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent instemming met een opslagplan.

2. In onderdeel 2 wordt «de afdelingen 5.1.1, 5.1.2 en 5.3» vervangen door «de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5» en wordt «hoofdstuk V, afdeling 2» vervangen door: hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3.

K

De artikelen XXIX (Rijksoctrooiwet 1995) en XXXII (Wet energiebesparing toestellen) vervallen.

L

Na artikel XXXIII worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXXIIIa

Artikel 34 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie vervalt.

ARTIKEL XXXIIIb

Artikel 18 van de Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden vervalt.

M

Artikel XXXVI (Wet uitvoering EG-mededingingsverordeningen) vervalt.

N

Artikel XLIX (Wet op het financieel toezicht) komt te luiden:

ARTIKEL XLIX

De Wet op het financieel toezicht wordt gewijzigd als volgt:

1. In artikel 1:3a wordt «de hoofdstukken 1.3, 1.4, 1.5 en afdeling 1.6.3» vervangen door: de hoofdstukken 1.3, 1.4 en 1.5.

2. Artikel 1:45 en afdeling 1.6.3 vervallen.

O

Artikel LIV (Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) komt te luiden:

ARTIKEL LIV

In artikel 30 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vervalt het derde lid, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid.

P

Artikel LV (Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) komt te luiden:

ARTIKEL LV

In Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vervallen afdeling 3 van titel 3, afdeling 8 van titel 4 en afdeling 8 van titel 5.

Q

Artikel LVIII (Rijkswet tot goedkeuring van enkele verdragen inzake de bestrijding van fraude en corruptie II) vervalt.

R

Onderdeel A van artikel LX (Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap) komt te luiden:

A

Artikel 6 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. In het tweede lid wordt «zijn de twee laatste zinnen» vervangen door: is de tweede zin.

S

Onderdeel A van artikel LXI (Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap) komt te luiden:

A

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid vervalt de tweede volzin.

2. In het tweede lid wordt «zijn de twee laatste zinnen» vervangen door: is de tweede zin.

T

Artikel LXII komt te luiden:

ARTIKEL LXII

De Vreemdelingenwet 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 71 komt te luiden:

Artikel 71

Op het beroep tegen een besluit, genomen op grond van de artikelen 43 en 45, vierde lid, zijn de artikelen 70, eerste lid, en 89 van overeenkomstige toepassing.

B

De artikelen 75 en 80 vervallen.

C

In afdeling 4 van hoofdstuk 7 wordt voor artikel 84 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 83a

1. Op het hoger beroep zijn de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10 en de artikelen 8:13, 8:41, tweede lid, 8:54, tweede lid, 8:55, 8:74 en 8:82, voor zover in deze wet niet anders is bepaald.

2. Artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

D

In artikel 84 wordt «artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State» vervangen door: artikel 8:104, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

E

Artikel 86 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «artikel 51, vierde lid, van de Wet op de Raad van State» vervangen door: artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In het tweede lid wordt «artikel 51 van de Wet op de Raad van State» vervangen door: artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3. In het derde lid wordt «artikel 52 van de Wet op de Raad van State» vervangen door: artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht.

F

In artikel 87 wordt «artikel 48, tweede lid, van de Wet op de Raad van State» vervangen door: artikel 8:107, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

G

Artikel 88 vervalt.

H

Artikel 93 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «artikel 8:1, eerste lid,» vervangen door: artikel 8:1.

2. Het tweede lid vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

I

In artikel 95, derde lid, wordt «de artikelen 51 en 52 van de Wet op de Raad van State» vervangen door: de artikelen 8:41, eerste lid, en 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht.

U

Artikel LXXIV komt te luiden:

ARTIKEL LXXIV

Het vijfde lid van artikel V van de Wet van 22 juni 1994 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen) (Stb. 507) vervalt.

V

In artikel LXXXIX wordt na «Monumentenwet» ingevoegd: 1988.

W

In artikel XCIII (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) wordt vóór onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

In artikel 7.67, tweede volzin, wordt «Artikel 8:41, vijfde lid» vervangen door: Artikel 11:2, eerste lid.

X

Artikel CV komt te luiden:

ARTIKEL CV

Artikel 21 van de Wet arbeid vreemdelingen vervalt.

Y

Artikel CXIV (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet) vervalt.

Z

Aan artikel CXIX (Ontgrondingenwet) wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

D

In artikel 29a wordt «de artikelen 26 tot en met 29» vervangen door: de artikelen 26 tot en met 28.

AA

In artikel CXXII (Tracéwet) wordt «artikel 20a» vervangen door «artikel 21» en wordt «artikel 25a» vervangen door: artikel 25.

BB

Artikel CXXIV (Waterschapswet) wordt gewijzigd als volgt:

a

Onderdeel B komt te luiden:

B

Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2.Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

2. In het derde lid wordt «artikel 8:41, tweede lid» vervangen door: artikel 8:41, vijfde lid.

b

In onderdeel C wordt «artikel 51, vijfde lid» vervangen door: artikel 41, vijfde lid.

c

Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

In artikel 123, vijfde lid, vervalt «in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29a van de Algemene wet en».

CC

In artikel CXXIX (Wet luchtvaart) komt onderdeel C te luiden:

C

Artikel 12.1 vervalt.

DD

Artikel CXLI komt te luiden:

ARTIKEL CXLI

Artikel 17 van de Wet geneesmiddelenprijzen vervalt.

EE

In artikel CXLVII (Zorgverzekeringswet), onder B, wordt «122a, twaalfde lid,» vervangen door: 122a, veertiende lid,.

FF

Artikel CXLIX komt te luiden:

ARTIKEL CXLIX

De Interimwet stad-en-milieubenadering wordt gewijzigd als volgt:

1. Artikel 18 vervalt.

2. Het eerste lid van artikel 19 vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste en tweede lid.

GG

Na artikel CLII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL CLIIa

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 6.5, eerste lid, vervalt de tweede volzin.

B

Artikel 6.5a vervalt.

HH

Artikel CLIX (Wet milieubeheer) wordt gewijzigd als volgt:

a

Onderdeel A (artikel 16.32) vervalt.

b

In onderdeel B (opschrift hoofdstuk 20) wordt «Beroep bij de bestuursrechter» vervangen door: Inwerkingtreding en rechtsbescherming.

c

In onderdeel C (artikel 20.1), onder 2, wordt «het het eerste lid» vervangen door «het eerste lid» en vervalt «– met uitzondering van een besluit ten aanzien waarvan op grond van deze wet een andere beroepsgang is opengesteld –».

d

Onderdeel D (artikel 20.2) wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel 2 wordt «een aanwijzing, een verklaring of een verzoek als bedoeld in de artikelen 5.23, eerste lid, 8.31a, eerste lid, 8.36a, 8.39, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 17.5, eerste lid, door het bevoegd gezag ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing, de verklaring of het verzoek betrekking heeft» vervangen door: een aanwijzing of een verzoek als bedoeld in artikel 5.23, onderscheidenlijk artikel 17.5, eerste lid, door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing of het verzoek betrekking heeft.

2. Onderdeel 3 komt te luiden:

3. In het tweede lid (nieuw) wordt «derde lid» vervangen door «eerste lid» en «de verklaring of het verzoek» door: de aanwijzing of het verzoek.

e

Onderdeel E komt te luiden:

E

De eerste volzin van artikel 20.3, eerste lid, komt te luiden:

Een besluit op grond van:

deze wet;

de artikelen 34, 39 en 40 van de Mijnbouwwet, met uitzondering van een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning voor een mijnbouwwerk te plaatsen of geplaatst aan de zeezijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn en een winningsplan of opslagplan, voor zover het winnen van delfstoffen of het opslaan van stoffen geschiedt vanuit of in een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn;

de Kernenergiewet;

de Wet geluidhinder;

de Wet inzake de luchtverontreiniging;

de Wet bodembescherming;

de Wet bescherming Antarctica;

de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen;

de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluit betrekking heeft op handhaving van het bepaalde bij of krachtens andere wetten dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarop hoofdstuk 5 van laatstgenoemde wet van toepassing is,

waartegen ingevolge artikel 2 van de bij de Algemene wet bestuursrecht behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden ingesteld, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift afloopt, dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt, met ingang van de dag na de dag waarop de termijn voor het indienen van een beroepschrift afloopt.

f

Aan het slot van onderdeel F (artikel 20.4) vervalt: dan wel de Ontgrondingenwet.

g

De onderdelen G (artikel 20.5) en H (artikel 20.6) vervallen.

II

Artikel CLXI (Wet ruimtelijke ordening) wordt gewijzigd als volgt:

a

In onderdeel A (artikel 3.36a) wordt «3.35, eerste lid, onder a» vervangen door: 3.35, eerste lid, onder b.

b

Onderdeel C (artikel 8.2) wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid wordt «een bestemmingsplan of inpassingsplan» vervangen door «een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid,» en wordt «voor zover deze betrekking heeft» vervangen door: waarop dat besluit berust, voor zover deze aanwijzing betrekking heeft.

2°. Het tweede lid wordt gewijzigd als volgt:

1. In onderdeel a wordt «een bestemmingsplan of inpassingsplan» vervangen door «een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid,.

2. In onderdeel d wordt «artikel 3.11, tweede lid» vervangen door: artikel 3.26, tweede lid.

3. In onderdeel f wordt na «bestemmingsplan,» ingevoegd: inpassingsplan.

3

Na deel B wordt een deel ingevoegd, luidende:

DEEL Ba SAMENLOOP MET ANDERE WETSWIJZIGINGEN

Artikel I (Beperkingengebied buitenlandse luchthaven, 31 898)

Indien artikel I, onderdeel F, van het bij koninklijke boodschap van 20 maart 2009 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet luchtvaart met betrekking tot de gevolgen van buitenlandse luchthavens voor de ruimtelijke ordening op Nederlands grondgebied (Beperkingengebied buitenlandse luchthaven, 31 898) nadat die wet tot wet is of wordt verheven:

a. op dezelfde datum in werking treedt als, of eerder in werking treedt dan deze wet, wordt in deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, bijlage 2, artikel 2, in de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart na «8a.50a,» ingevoegd: 8a.54,;

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt in die wet na artikel II een artikel IIa toegevoegd, luidende:

Artikel IIa

In artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart na «8a.50a,» ingevoegd: 8a.54,.

Artikel II (Elektriciteitswet 1998, 32 588)

Indien het bij koninklijke boodschap van 3 maart 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en enkele andere wetten (verbeteringen en aanvullingen, 32 588) tot wet is of wordt verheven en:

a. op dezelfde datum in werking treedt als, of eerder in werking treedt dan deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet, vervalt in bijlage 2, artikel 1, van dat onderdeel in de zinsnede met betrekking tot de Elektriciteitswet 1998 «9e, vijfde lid,»;

b. later in werking treedt dan deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet, komt artikel II van die wet te luiden:

Artikel II

In bijlage 2, artikel 1, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt in de zinsnede met betrekking tot de Elektriciteitswet 1998 «9e, vijfde lid,».

Artikel III (Herziening EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, 32 667)

Indien artikel I, onderdeel D, van het bij koninklijke boodschap van 26 februari 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PbEU L 140) en de uitvoering van verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU L 302) en verordening (EU) nr. 920/2010 van de Commissie van 7 oktober 2010 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 270) (herziening EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, 32 667) nadat die wet tot wet is of wordt verheven:

a. op dezelfde datum in werking treedt als, of eerder in werking treedt dan deze wet, vervalt in deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, bijlage 2, artikel 1, van deze wet in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer «en artikel 16.23, eerste lid» en wordt «artikel 16.29, eerste lid» vervangen door: artikel 16.24, eerste lid;

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet gewijzigd als volgt:

1°. artikel I, onderdeel D, onder 1, wordt gewijzigd als volgt:

1. in onderdeel a wordt «tweede lid» vervangen door «eerste lid» en «zesde lid» door: vierde lid;

2. in onderdeel b wordt «vijfde lid» vervangen door: derde lid;

2°. artikel I, onderdeel D, onder 2, vervalt;

3°. na artikel V wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel Va

In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer «en artikel 16.23, eerste lid» en wordt «artikel 16.29, eerste lid» vervangen door: artikel 16.24, eerste lid.

Artikel IV (Huisvestingswet 20.., 32 271)

Indien artikel 47, eerste lid, van het bij koninklijke boodschap van 23 december 2009 ingediende voorstel van wet houdende nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad (Huisvestingswet 20.., 32 271) nadat die wet tot wet is of wordt verheven:

a. op dezelfde datum in werking treedt als, of eerder in werking treedt dan deze wet, wordt deze wet gewijzigd als volgt:

1°. in deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, bijlage 1, en bijlage 2, artikel 2, vervalt de zinsnede met betrekking tot de Huisvestingswet;

2°. in deel B vervalt artikel CXLVIII;

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt in die wet na artikel 45 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 45a

In bijlage 1 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Huisvestingswet.

Artikel V (Invoeringswet geluidproductieplafonds, 32 625)

Indien artikel III, onderdeel F, van het bij koninklijke boodschap van 4 februari 2011 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van ... tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van de geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds, 32 625) nadat die wet tot wet is of wordt verheven:

a. op dezelfde datum in werking treedt als, of eerder in werking treedt dan deze wet, wordt in deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, bijlage 2, artikel 1, van deze wet in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer «11.2, derde lid, onderdelen b en c,» vervangen door: 11A.2, derde lid, onderdelen b en c, 11.5, 11.18;

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet gewijzigd als volgt:

1°. artikel III, onderdeel F, vervalt;

2°. na artikel IX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel IXa

In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in de zinsnede met betrekking tot de Wet milieubeheer «11.2, derde lid, onderdelen b en c,» vervangen door: 11A.2, derde lid, onderdelen b en c, 11.5, 11.18.

Artikel VI (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens, Stb. 2008, 561 )

Indien de zinsnede

«a. 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol, en

b. artikel 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, van die wet en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol»

in artikel IV van de wet van 18 december 2008 (Stb. 561) tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens):

a. eerder in werking treedt dan deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet of op dezelfde datum in werking treedt als dat onderdeel, wordt bijlage 2 in dat onderdeel als volgt gewijzigd:

1°. in artikel 1 komt de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart te luiden:

Wet luchtvaart:

a. de artikelen 8.4 en 8.15

b. artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

c. artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

2°. in artikel 2 komt de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart te luiden:

Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar met uitzondering van een besluit op grond van:

a. artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

b. artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

b. later in werking treedt dan deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet, komt artikel IV van die wet te luiden:

ARTIKEL IV (WIJZIGING ALGEMENE WET BESTUURSRECHT)

Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

1. In artikel 1 komt de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart te luiden:

Wet luchtvaart:

a. de artikelen 8.4 en 8.15

b. artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

c. artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

2. In artikel 2 komt de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart te luiden:

Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar met uitzondering van een besluit op grond van:

a. artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

b. artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol

Artikel VII (wijziging Telecommunicatiewet, 31 412)

Indien het bij koninklijke boodschap van 9 april 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota frequentiebeleid 2005 (31 412) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt of is getreden:

a. vervalt artikel II van die wet;

b. komt in artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet te luiden:

Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid

Artikel VIII (Warmtewet, 29 048)

Indien het bij geleidende brief van 15 september 2003 ingediende voorstel van wet van de leden Ten Hoopen en Samsom tot het stellen van regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers (Warmtewet, 29 048) tot wet is of wordt verheven en in werking treedt of is getreden:

a. komt artikel 23 van die wet te luiden:

Artikel 23

Een representatieve organisatie wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet.

b. wordt in artikel 4 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht in de alfabetische volgorde ingevoegd:

Warmtewet, met inbegrip van een op grond van artikel 5, eerste lid, genomen besluit tot vaststelling van een maximumprijs

Artikel IX (Wet College voor de rechten van de mens, 32 467)

Indien artikel 32 van het bij koninklijke boodschap van 30 augustus 2010 ingediende voorstel van wet houdende de oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens, 32 467), nadat die wet tot wet is of wordt verheven,

a. eerder in werking is getreden of treedt dan, of op dezelfde datum in werking treedt als deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet, vervalt in bijlage 2, artikel 1, van dat onderdeel de zinsnede met betrekking tot de Algemene wet gelijke behandeling en wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Wet College voor de rechten van de mens, met uitzondering van de artikelen 14 tot en met 18

b. later in werking treedt dan deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet, komt artikel 32 van de Wet College voor de rechten van de mens te luiden:

Artikel 32

In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht:

a. vervalt de zinsnede met betrekking tot de Algemene wet gelijke behandeling;

b. wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Wet College voor de rechten van de mens, met uitzondering van de artikelen 14 tot en met 18

Artikel X (Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten, 32 157)

Indien het bij koninklijke boodschap van 2 oktober 2009 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de naleving van Europese regelgeving door publieke entiteiten (Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten, 32 157), nadat die wet tot wet is of wordt verheven:

a. op dezelfde datum in werking treedt als of eerder in werking treedt dan deze wet, wordt deze wet gewijzigd als volgt:

1°. deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, wordt gewijzigd als volgt:

1. in bijlage 1 en in artikel 2 van bijlage 2 wordt ingevoegd:

Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5

2. in artikel 1 van bijlage 2 wordt ingevoegd:

Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten:

a. artikel 2, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven

b. artikel 3, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven

c. artikel 5, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen

2°. in deel B wordt na artikel IXa een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel IXb

Artikel 6 van de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten vervalt.

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt die wet gewijzigd als volgt:

1°. artikel 6 vervalt;

2°. artikel 9 wordt gewijzigd als volgt:

1. voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst;

2. er worden twee leden toegevoegd, luidende:

2. In bijlage 1 en in artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt ingevoegd:

Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5

3. In artikel 1 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt ingevoegd:

Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten:

a. artikel 2, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven

b. artikel 3, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven

c. artikel 5, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen

Artikel XI (Wet revitalisering generiek toezicht, 32 389)

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht, 32 389) tot wet is of wordt verheven en artikel 1.2, onderdeel A, van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel CCCCC, wordt deze wet gewijzigd als volgt:

A

Deel A, artikel I, onderdeel CCCCC, wordt gewijzigd als volgt:

1. In bijlage 1 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet na «87a, eerste lid,» ingevoegd: 124i,.

2. In bijlage 1 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet na «83, tweede lid,» ingevoegd: 121g,.

3. In artikel 1 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet gewijzigd als volgt:

a. onderdeel b wordt geletterd e;

b. onderdeel a wordt vervangen door vier onderdelen, luidende:

a. artikel 49

b. artikel 124, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester

c. artikel 124a, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

d. de artikelen 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a

4. In artikel 1 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet gewijzigd als volgt:

a. onderdeel b wordt geletterd d;

b. onderdeel a wordt vervangen door drie onderdelen, luidende:

a. artikel 49

b. artikel 121, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

c. de artikelen 167, derde lid, en 179, derde lid

5. In artikel 1 van bijlage 2 worden in de zinsnede met betrekking tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de onderdelen b, c en d vervangen door één onderdeel, luidende:

b. artikel 5.8, eerste lid, laatste volzin

6. In artikel 2 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet gewijzigd als volgt:

a. de onderdelen c en d worden geletterd e en f;

b. er worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

c. artikel 124, voor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester

d. artikel 124a, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

7. in artikel 2 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet gewijzigd als volgt:

a. de onderdelen b en c worden geletterd c en d;

b. er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. artikel 121, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

B

In deel B wordt artikel V gewijzigd als volgt:

Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

Artikel 124i vervalt.

C

In deel B wordt artikel VII gewijzigd als volgt:

Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

aA

Artikel 121g vervalt.

D

In deel B vervalt artikel IX, onderdeel B.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 20 mei 2010 ingediende voorstel tot wijziging van de Provinciewet, de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met de revitalisering van het generiek interbestuurlijk toezicht (Wet revitalisering generiek toezicht, 32 389) tot wet is of wordt verheven en artikel 1.2, onderdeel A, van die wet later in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel CCCCC, van deze wet:

a. vervallen in die wet:

1°. artikel 121g in artikel 1.1, onderdeel B;

2°. artikel 124i in artikel 1.2, onderdeel B;

3°. artikel 1.6;

b. wordt de Algemene wet bestuursrecht gewijzigd als volgt:

1. In bijlage 1 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet na «87a, eerste lid,» ingevoegd: 124i,.

2. In bijlage 1 wordt in de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet na «83, tweede lid,» ingevoegd: 121g,.

3. In artikel 1 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet gewijzigd als volgt:

a. onderdeel b wordt geletterd e;

b. onderdeel a wordt vervangen door vier onderdelen, luidende:

a. artikel 49

b. artikel 124, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester

c. artikel 124a, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

d. de artikelen 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a

4. In artikel 1 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet gewijzigd als volgt:

a. onderdeel b wordt geletterd d;

b. onderdeel a wordt vervangen door drie onderdelen, luidende:

a. artikel 49

b. artikel 121, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

c. de artikelen 167, derde lid, en 179, derde lid

5. In artikel 1 van bijlage 2 worden in de zinsnede met betrekking tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de onderdelen b, c en d vervangen door één onderdeel, luidende:

b. artikel 5.8, eerste lid, laatste volzin

6. In artikel 2 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Gemeentewet gewijzigd als volgt:

a. de onderdelen c en d worden geletterd e en f;

b. er worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

c. artikel 124, voor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester

d. artikel 124a, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

7. in artikel 2 van bijlage 2 wordt de zinsnede met betrekking tot de Provinciewet gewijzigd als volgt:

a. de onderdelen b en c worden geletterd c en d;

b. er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. artikel 121, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning

Artikel XII (Wet strategische diensten, 32 665)

Indien het bij koninklijke boodschap van 26 februari 2011 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake de controle op diensten die betrekking hebben op strategische goederen (Wet strategische diensten, 32 665) tot wet is of wordt verheven en artikel 18 van die wet in werking treedt of is getreden:

a. wordt dat artikel gewijzigd als volgt:

1°. in het tweede lid wordt «27, 27a, 27b» vervangen door: 27a

2°. het vierde en vijfde lid vervallen;

b. wordt de Algemene wet bestuursrecht gewijzigd als volgt:

1°. in artikel 4 van bijlage 2 vervalt de zinsnede met betrekking tot de In- en uitvoerwet;

2°. in artikel 8 van bijlage 2 wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid, een lid toegevoegd, luidende:

5. Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet strategische diensten kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Haarlem.

3°. in artikel 12 van bijlage 2 wordt in de alfabetische volgorde toegevoegd:

Wet strategische diensten: artikel 18, derde lid

4

In deel C (Overgangs- en slotbepalingen) komt artikel 1 te luiden:

Artikel 1

1. Het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op:

a. bezwaar of beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit;

b. hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak;

c. een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak;

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.

3. Het oude recht blijft van toepassing op het hoger beroep, indien:

a. dat recht ingevolge het eerste lid van toepassing is op het beroep,

b. ingevolge dat recht hoger beroep kon worden ingesteld, en

c. toepassing van het nieuwe recht zou leiden tot het vervallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

4. Indien artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht ingevolge het eerste lid niet van toepassing is op het beroep, is het artikel evenmin van toepassing op het hoger beroep.

TOELICHTING

Deze nota van wijziging bevat enkele inhoudelijke wijzigingen, zoals een voorstel voor een nieuw artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een nieuwe tekst voor artikel 8:72 Awb, beide bedoeld als stimulans voor de bestuursrechter om het hem voorgelegde geschil definitief te beslechten. Inhoudelijk is ook het voorstel om artikel 11:1 Awb te schrappen (verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb).

Daarnaast bevat deze nota van wijziging talrijke actualiseringen en correcties. Vooral in de drie bijlagen bij de Awb (deel A, artikel I, onderdeel CCCCC) bleken vele kleine wijzigingen noodzakelijk, bijvoorbeeld in de indeling van die bijlagen naar ministerie. Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de bijlagen alfabetisch te ordenen zonder onderverdeling naar ministerie. Dat maakt de bijlagen toegankelijker en vermindert de noodzaak van toekomstige wijzigingen.

Onderdeel 1 van deze nota van wijziging bevat wijzigingen van drie wetten in deel A van het wetsvoorstel: de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State en de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Onderdeel 2 wijzigt deel B van het wetsvoorstel (Wijziging van andere wetten).

Onderdeel 3 voegt aan het wetsvoorstel na deel B een deel Ba toe, dat de samenloop regelt met andere aanhangige wetswijzigingen.

Onderdeel 4 strekt tot aanvulling van het overgangsrecht bij het wetsvoorstel (deel C).

Deze nota van wijziging is opgesteld mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1 (deel A, Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten)

A (artikel I, Algemene wet bestuursrecht)

a (onderdeel P, artikel 6:19)

Het tweede lid is aangepast aan de terminologie van artikel 1:5 Awb. De formulering van het derde lid is vereenvoudigd.

b (onderdeel R, artikel 6:24)

Deze wijziging stelt buiten twijfel dat de regels van hoofdstuk 6 Awb ook gelden voor het incidenteel beroep in cassatie.

c (onderdeel T, artikel 7:1)

De gegrondverklaring van een beroep tegen een besluit leidt tot vernietiging van dat besluit (artikel 8:72, eerste lid). In beginsel moet het vervangende besluit op dezelfde wijze worden voorbereid als het vernietigde besluit. Voor besluiten die moeten worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) kan de rechter sinds begin 2010 (Wet bestuurlijke lus Awb, Stb. 2009, 570) echter bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet of niet geheel overeenkomstig afdeling 3.4 hoeft te geschieden (artikel 8:72, vierde lid, onder b). Heeft de rechter dat gedaan, dan kan een letterlijke uitleg van artikel 7:1, eerste lid, Awb aanleiding geven tot de gedachte dat tegen het nieuwe besluit bezwaar moet worden gemaakt. Dit is niet de bedoeling. Die uitleg leidt namelijk tot vertraging en niet – zoals met de bevoegdheid is beoogd – tot een versnelling van besluitvorming. Ter vermijding van mogelijke misverstanden is het wenselijk om buiten twijfel te stellen dat toepassing van de hier besproken bevoegdheid het volgen van een nieuwe bestuurlijke voorprocedure overbodig maakt.

De hier besproken bevoegdheid wordt overigens ingevolge deze nota van wijziging geïncorporeerd in een algemener geformuleerd vierde lid (onder a) van artikel 8:72. Deze bevoegdheid geldt ook bij toepassing van de bestuurlijke lus (zie de wijziging van artikel 8:80a, derde lid).

d (onderdeel Z, artikel 7:28)

De formulering is aangepast aan die van het voorgestelde artikel 7:15, vijfde lid.

e (onderdeel CC, afdeling 8.1.1, artikelen 8:2, 8:4 en 8:7)

Artikel 8:2:

• Eerste lid, onderdeel a, onder 3° («een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig»): Deze uitbreiding van de rechtsbescherming geldt nu al, via artikel 15 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Deze wijziging brengt dat ook in de Awb tot uitdrukking. Het gaat om personeel in dienst van een zelfstandig bestuursorgaan van de centrale overheid dat geen deel uitmaakt van de rechtspersoon Staat. Zie ook de wijziging van artikel 8:4, derde lid, onder a, en artikel 10 van bijlage 2.

• Eerste lid, onder b: Dit is geen inhoudelijke wijziging maar een verplaatsing. Deze uitbreiding van de rechtsbescherming naar andere handelingen van publiekrechtelijke openbare lichamen volgt uit het huidige artikel 18, eerste lid, onder b, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie en was in het wetsvoorstel geregeld via artikel 4, onderdeel A, van bijlage 2 (Beroep in eerste en enige aanleg bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB)).

• Tweede lid: De formulering is verduidelijkt.

Artikel 8:4: Deze toevoeging is nodig vanwege dezelfde toevoeging aan artikel 8:2, eerste lid, onderdeel a; zie de toelichting daarbij.

Artikel 8:7:

• Eerste lid: In deze zinsnede ontbrak het woord bestuursorgaan.

• Derde en vijfde lid: Deze wijzigingen verwerken in het wetsvoorstel een voorziening die is totstandgekomen bij de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Kamerstukken 32 021).

f (onderdeel CCa, opschrift afdeling 8.1.2)

Het opschrift is aangepast aan het voorgestelde artikel 8:10a (grote kamer).

g (onderdeel DDa, artikel 8:11)

Het artikel is aangepast aan het voorgestelde artikel 8:10a (grote kamer). Het tweede lid doelt op de bevoegdheden van de voorzitter, geregeld in de artikelen 8:44, derde lid, 8:50, vijfde lid, 8:61, eerste en zesde lid, 8:65, derde lid, 8:67, derde lid, en 8:77, derde lid. In samenhang met de wijziging van artikel 8:11 wordt in die bepalingen na «de voorzitter» telkens geschrapt: van de meervoudige kamer.

h (onderdeel RR, artikel 8:41)

Het artikel is aangepast aan de met ingang van 1 januari 2012 geldende bedragen.

i (onderdeel RRa, afdeling 8.2.1a, artikel 8:41a)

Dit artikel regelt een algemene verplichting voor de bestuursrechter om het hem voorgelegde geschil zo veel mogelijk definitief te beslechten. Deze verplichting is voorgesteld in het rapport «Versnelling besluitvorming in het ruimtelijk domein».2 Aanvankelijk zou deze wijziging worden meegenomen in een wetsvoorstel over de regiezitting in het bestuursrecht.3 Bij nader inzien vinden wij echter incorporatie in dit wetsvoorstel, dat reeds voorziet in een aanscherping van artikel 8:72 mede ter bevordering van finale geschilbeslechting, meer voor de hand liggen. Verwacht mag worden dat van deze algemene bepaling een verdere stimulans uitgaat naar de bestuursrechter om zoveel mogelijk tot definitieve geschilbeslechting te komen. Met het voorgestelde artikel 8:41a wordt tevens reeds gevormde jurisprudentie wettelijk vastgelegd. Zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State4 als de Centrale Raad van Beroep5 nemen aan dat op de bestuursrechter een plicht rust om de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken. In de Agenda van de Rechtspraak 2011–2014 (van de gerechtsbesturen en de Raad voor de rechtspraak) staat als concreet voornemen: «In de bestuursrechtspraak vindt, waar mogelijk, finale geschillenbeslechting plaats.»6 De Raad van State schrijft over dit onderwerp in zijn jaarverslag over 2010:

«(...) er ligt een verdere ontwikkeling van het bestuursrecht in het verschiet in de richting dat ieder geschil, net als dat het geval is bij een ongegrondverklaring, ook bij een vernietiging zoveel mogelijk tot een einde komt en als dat al niet kan, zo duidelijk mogelijk is hoe de zaak verder moet. Met de uitspraak van de bestuursrechter moet het geschil zoveel mogelijk uit de wereld zijn. Dat vergt dat de bestuursrechter zich niet alleen afvraagt of een besluit moet worden vernietigd, maar ook wat er daarna moet gebeuren. De bestuursrechter moet niet op «de stoel van het bestuur» gaan zitten, maar kan ook met respect voor de machtenscheiding meer dan vroeger werd gedacht.»7

De bepaling wordt ingevoegd tussen artikel 8:41 over het griffierecht en de artikelen over het vooronderzoek, waarmee tot uitdrukking komt dat de bepaling een leidraad geeft voor het handelen van de bestuursrechter vanaf het moment dat hij de zaak in behandeling neemt.

Het houden van een «regiezitting» in een vroeg stadium van de procedure is een van de instrumenten die de bestuursrechter heeft om het geschil definitief te beslechten. In de sectoren bestuursrecht van enkele rechtbanken en bij de Centrale Raad van Beroep is in pilots onderzoek gedaan naar de wijze waarop zaaksdifferentiatie kan bijdragen aan hoogwaardige en op finale geschilbeslechting gerichte bestuursrechtspraak. Hieruit is duidelijk naar voren gekomen dat het op een zo vroeg mogelijk moment in de procedure introduceren van een «contactmoment» tussen de rechter en partijen (regiezitting, comparitie) de sleutel is tot succes. Verder is gebleken dat in een substantieel aantal zaken op of kort na de regiezitting of comparitie de rechter de zaak definitief kan afdoen. Daardoor worden in die zaken de doorlooptijden belangrijk verkort.

Artikel 8:41a doet uiteraard niet af aan artikel 8:69; onveranderd blijft dus dat de bestuursrechter in beginsel gebonden is aan de omvang van het geschil zoals door de indiener van het beroepschrift – en mogelijke derden-belanghebbenden – aan hem voorgelegd.

j (onderdeel TT, artikel 8:45)

De verwijzing naar de EU-verordening is aangepast aan aanwijzing 89 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (na de negende wijziging, Stcrt. 2011, 6602).

m (onderdeel III, artikel 8:55c)

Door toevoeging van de tweede volzin is verduidelijkt dat de in dit artikel bedoelde dwangsom, net als de dwangsom, bedoeld in de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid (nieuw), kan worden tenuitvoergelegd overeenkomstig de genoemde regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat betekent onder meer dat de rechterlijke uitspraak niet hoeft te worden betekend aan het bestuursorgaan (want artikel 611a, derde lid, Rv is niet van toepassing) en dat die uitspraak een executoriale titel oplevert (artikel 611c Rv).

o (onderdeel PPP, artikel 8:61)

In het belastingrecht, waar beroep in cassatie openstaat, kan het voorkomen dat de Hoge Raad voor de behandeling van het beroep in cassatie alsnog behoefte heeft aan een proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, ook als het gerechtshof daaraan voor het hoger beroep geen behoefte had. Het derde lid voorziet daarom in de verplichting van de rechtbank om alsnog een proces-verbaal op te maken indien de Hoge Raad daarom verzoekt.

Indien het proces-verbaal op verzoek van een hoger rechter wordt opgemaakt, is in de praktijk soms onduidelijk wie het proces-verbaal aan partijen moet toezenden: de griffier van het gerecht dat het proces-verbaal heeft opgemaakt, of die van het gerecht dat er om heeft gevraagd. Het voorgestelde negende lid maakt duidelijk dat deze verplichting in alle gevallen berust bij de griffier van het gerecht dat het proces-verbaal heeft opgemaakt.

q (onderdeel AAAA, artikel 8:72)

Bij zijn keuze uit de hem ter beschikking staande instrumenten moet de bestuursrechter binnen zijn taak rechtsbescherming te bieden aan de burger in ieder geval drie belangen behartigen:

– hij moet zo finaal mogelijk beslissen (het nu voorgestelde artikel 8:41a);

– hij moet in de verhouding bestuur – rechter niet méér ingrijpen in de bestuursbevoegdheid dan nodig is;

– hij moet snellere geschilbeslechting voorrang geven boven tragere (en dus moet hij niet bijvoorbeeld eerst nog een bestuurlijke lus toepassen als hij ook op dat moment al de zaak finaal kan afdoen).

Voordat hij tot vernietiging concludeert, beziet de bestuursrechter daarom eerst of hij het geconstateerde gebrek kan passeren met artikel 6:22. Als hij dat artikel toepast, komt hij niet toe aan artikel 8:72. Dit wetsvoorstel bevat een voorstel tot vergroting van de reikwijdte van artikel 6:22, zie deel A, artikel I, onder Q.

Als het gebrek niet kan worden gepasseerd, moet de rechter het besluit vernietigen. Het oorspronkelijk voorgestelde artikel 8:72 gaf als hoofdregel dat het bestuursorgaan na de vernietiging een nieuw besluit moet nemen. Het nemen van een nieuw besluit is echter minder «finaliserend» dan instandlating van de rechtsgevolgen of zelf in de zaak voorzien. Om de wenselijkheid van finale geschilbeslechting te benadrukken vinden wij het beter om de volgorde om te draaien.8

Als de bestuursrechter tot vernietiging concludeert, beziet hij dus eerst of hij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kan laten (derde lid, aanhef en onder a). Die mogelijkheid grijpt het minst in de bestuursbevoegdheid in.

Als echter het dictum van het bestreden besluit anders moet komen te luiden, is dat niet mogelijk. Dan beziet de bestuursrechter of hij zelf in de zaak kan voorzien (derde lid, aanhef en onder b).

Als ook dat niet mogelijk is, beziet de bestuursrechter of het alsnog mogelijk is de benodigde informatie in zijn dossier te krijgen door een bestuurlijke lus toe te passen (artikelen 8:51a-8:51c en 8:80a en 8:80b). Hij doet dan dus nog geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak. Dat kost op zichzelf meer tijd en daarvan ziet hij dus af als een van de bovenstaande mogelijkheden ook zonder zo'n bestuurlijke lus mogelijk is.

Als de bestuurlijke lus zeer succesvol is, kan het zijn dat het geschil «verdampt»: het beroep wordt dan bijvoorbeeld ingetrokken. In andere gevallen levert de bestuurlijke lus nieuwe standpunten en nieuwe informatie op. Op grond daarvan kan de bestuursrechter wellicht alsnog de rechtsgevolgen in stand laten of zelf in de zaak voorzien.

Pas als dat alles niet mogelijk is,9 komt de bestuursrechter toe aan de mogelijkheid om het bestuursorgaan op te dragen om een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten. In het nieuw voorgestelde vierde lid komt dat tot uitdrukking door de zinsnede «indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is». De rechter voorziet zijn opdracht bij voorkeur van aanwijzingen (zie hierna).

Het huidige artikel 8:72 biedt de rechter de bevoegdheid om te bepalen dat het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen (vierde lid, onder a). Het bestuursorgaan is daartoe in de meeste gevallen (vernietiging van een besluit op aanvraag of van een beslissing op bezwaar of op administratief beroep) ook verplicht als de uitspraak hierover niets vermeldt, omdat bijvoorbeeld met de vernietiging het bezwaar weer «openvalt» en het bestuursorgaan dus verplicht is daarop te beslissen.10 Het oorspronkelijke wetsvoorstel beoogde dit uitdrukkelijk te regelen door te bepalen (in het eerste en derde lid) dat het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen, tenzij (derde lid, onderdeel a) de rechter zelf in de zaak heeft voorzien, (b) de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten of (c) heeft bepaald dat het bestuurorgaan geen nieuw besluit hoeft te nemen. De memorie van toelichting geeft een voorbeeld van een situatie waarin de bestuursrechter verplicht kan zijn, ter vermijding van een te ingrijpende invloed op de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan, om onderdeel c toe te passen, namelijk als hij een ambtshalve genomen besluit, zoals een verkeersbesluit of een tracébesluit, vernietigt (blz. 56). Dat betekent dat de rechter in zo’n geval in zijn uitspraak uitdrukkelijk moet bepalen dat het bestuursorgaan geen nieuw besluit hoeft te nemen. Er is een risico dat hij dat onbedoeld niet doet. Dat nadeel vinden wij bij nader inzien zwaarder wegen dan het voordeel dat de wet het nemen van een nieuw besluit voorschrijft ook als de rechter verzuimt om dat expliciet te bepalen. Dat laatste is immers al geldend recht op basis van de jurisprudentie; daar is geen wettekst voor nodig. Wij stellen dan ook voor om de huidige regeling te handhaven: de rechter kan het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen (vierde lid, eerste volzin).

In het vierde lid is tevens hersteld (huidig artikel 8:72, vierde lid, onder a) dat de bestuursrechter kan bepalen dat het bestuursorgaan (naast of in plaats van een nieuw besluit) een andere handeling dan een besluit moet verrichten. Ook deze bevoegdheid kan nuttig zijn voor een effectieve geschilbeslechting. Voorbeelden zijn het doen van onderzoek, het vaststellen van een ontwerpbesluit of het verrichten van betalingen ter uitvoering van het nieuw te nemen besluit.

In het vierde lid is ongewijzigd gebleven het eerdere voorstel dat het bestuursorgaan bij het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling de aanwijzingen van de rechter moet opvolgen («met inachtneming van zijn aanwijzingen»). De bevoegdheid van de rechter om dergelijke aanwijzingen te geven, is vergelijkbaar met artikel 8:80a, tweede lid (bestuurlijke lus). Die bepaling draagt de rechter op om in de tussenuitspraak zoveel mogelijk te vermelden op welke wijze het gebrek kan worden hersteld. Het gaat in beide gevallen om bindende instructies (een bindende opdracht) over inhoud of procedure van het nieuwe besluit of de andere handeling.11 (Zie overigens voor een specifiek soort procedurele instructies ook de hierna te bespreken nieuwe tweede volzin (aanhef en onder a) van het vierde lid.) Dergelijke aanwijzingen kunnen in het dictum worden opgenomen, maar ze kunnen ook worden opgenomen in de overwegingen, waarbij de beslissing vermeldt dat het bestuursorgaan die aanwijzingen in acht moet nemen. Hoewel het geven van deze aanwijzingen in de einduitspraak, anders dan bij de bestuurlijke lus, geen verplichting is maar een bevoegdheid, ligt het voor de hand, om te voorkomen dat ook het nieuwe besluit geen einde maakt aan het geschil (artikel 8:41a), dat de rechter deze bevoegdheid daar waar mogelijk toepast.12

Ook de nieuw voorgestelde tweede volzin (aanhef en onder a) van het vierde lid beoogt de rechter meer mogelijkheden te geven voor een snelle en effectieve geschilbeslechting. Op grond van het huidige artikel 8:72, vierde lid, onder b (en het oorspronkelijk voorgestelde artikel 8:72, vierde lid), kan de rechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, bepalen dat de voorbereiding van het nieuwe besluit niet of niet geheel hoeft te geschieden overeenkomstig afdeling 3.4 (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). De nieuw voorgestelde tweede volzin van het vierde lid (aanhef en onder a) verbreedt die bevoegdheid tot «wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling». Naast afdeling 3.4 kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan afdeling 7.2, als het bestuursorgaan een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, maar ook aan de verplichting om een nieuw welstandsadvies te vragen of om nieuw feitenonderzoek te doen. Deze bevoegdheid kan ook worden toegepast in de tussenuitspraak, bedoeld in artikel 8:80a (bestuurlijke lus). Zie de wijziging van het derde lid van dat artikel.

Overigens zij erop gewezen dat als de rechter bepaalt dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft, dat uiteraard niet tot gevolg moet hebben dat tegen het nieuwe besluit bezwaar moet worden gemaakt. Voor de duidelijkheid stellen wij voor om dat expliciet te regelen (zie de wijziging van artikel 7:1).

Bij toepassing van de bestuurlijke lus is de rechter verplicht om in zijn tussenuitspraak het bestuursorgaan een termijn te stellen voor het nieuwe besluit (artikel 8:51a, tweede lid). Voor de einduitspraak volstaat het vierde lid van artikel 8:72 met een bevoegdheid om een dergelijke termijn te stellen. Om discussies over het einde van de beslistermijn te voorkomen, verdient het aanbeveling dat de rechter ook in zijn einduitspraak, als hij het bestuursorgaan opdraagt een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten, zo mogelijk een bindende termijn stelt.

In het vijfde lid (zesde lid in het oorspronkelijke wetsvoorstel) is geschrapt: «Artikel 8:87 is van overeenkomstige toepassing.» Samen met een wijziging van het eerste lid van artikel 8:87 zelf wordt hiermee alsnog gevolg gegeven aan het advies van de Raad van State (blz. 17, punt 12a). Strekking van beide wijzigingen is dat de voorzieningenrechter (en niet de bodemrechter) bevoegd is om een bij einduitspraak gegeven voorlopige voorziening te wijzigen of op te heffen.

Ten slotte is de voorgestelde tekst van artikel 8:72 vereenvoudigd door te schrappen dat de bestuursrechter kan bepalen dat een – eerder door de voorzieningenrechter getroffen – voorlopige voorziening vervalt op een later tijdstip dan het tijdstip waarop hij uitspraak doet (het huidige zesde lid; in het oorspronkelijke wetsvoorstel het zevende lid). Als de bodemrechter niet wil dat de voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:85, tweede lid, onder c, vervalt, dan kan hij immers met toepassing van het vijfde lid (nieuw) een eigen voorlopige voorziening treffen met dezelfde inhoud.

r (onderdeel FFFF, artikel 8:75)

De formulering van het derde lid is aangepast aan die van de voorgestelde artikelen 7:15, vijfde lid, en 7:28, derde lid.

t (onderdeel KKKK, artikel 8:80a)

Het derde lid is aangepast aan de gewijzigde indeling van artikel 8:72 en aan de vernummering van artikel 8:88 tot 8:119. Door de verwijzing naar artikel 8:72, vierde lid, gaat de voorgestelde verruiming van dat lid (ten opzichte van het huidige vierde lid, onder b) ook voor de bestuurlijke lus gelden.

u (onderdeel PPPP, artikel 8:84)

Het vijfde lid is aangepast aan de gewijzigde indeling van artikel 8:72.

v (onderdeel QQQQ, artikel 8:85)

Aan de eerder voorgestelde wijziging van dit artikel is toegevoegd een wijziging van het tweede lid, onderdeel c. Deze wijziging hangt samen met het schrappen in artikel 8:72 van het huidige zesde lid (het zevende lid in het oorspronkelijke wetsvoorstel). Zie de laatste alinea van de toelichting bij de wijziging van dat artikel.

w (onderdeel SSSS, artikel 8:87)

Aan de eerder voorgestelde wijziging van dit artikel is toegevoegd een wijziging van het eerste lid. Deze wijziging hangt samen met het schrappen in artikel 8:72, vijfde lid (zesde lid in het oorspronkelijke wetsvoorstel) van de zin: «Artikel 8:87 is van overeenkomstige toepassing.» Zie de voorlaatste alinea van de toelichting, hierboven, bij de wijziging van artikel 8:72.

x (onderdeel TTTT, titel 8.5, artikelen 8:104–8:112)

Artikel 8:104

• Aan het tweede lid is toegevoegd dat geen hoger beroep openstaat tegen een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87). Dit is een codificatie van geldend recht.13

• In het derde lid is een overbodige zinsnede geschrapt.

• Het vierde lid is verduidelijkt en aangepast aan de gewijzigde indeling van artikel 8:72.

Artikel 8:106

Het toegevoegde tweede lid regelt dat het hoger beroep geen opschortende werking heeft als de uitspraak van de rechtbank een beroep betreft tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit lid vervangt het gelijkluidende tweede lid van artikel 19 van de Beroepswet, dat is toegevoegd met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen.

Artikel 8:109

Het artikel is aangepast aan de met ingang van 1 januari 2012 geldende bedragen.

Artikel 8:110

De rechter kan de termijn voor het indienen van een verweerschrift in hoger beroep verlengen (artikel 8:42, tweede lid, in samenhang met artikel 8:108). In dat geval kan er behoefte aan bestaan om ook de termijn voor het indienen van incidenteel hoger beroep te verlengen, zodat deze gelijk loopt met die voor het indienen van een verweerschrift.

Artikel 8:112

Dit betreft een verduidelijking, die zeker stelt dat de indiener van een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep op de hoogte wordt gesteld als zijn hoger beroep vervalt doordat het principaal hoger beroep is ingetrokken.

y (onderdeel ZZZZ, artikel 11:1)

Door deze wijziging vervalt de verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb. Inmiddels is ruim 17 jaar ervaring opgedaan met de Awb en is de wet drie keer geëvalueerd. De vierde evaluatie loopt.14 In het kader van deze evaluaties is een groot aantal onderwerpen onderzocht en is veel informatie vergaard. Ook los van de wettelijk voorgeschreven vijfjaarlijkse evaluatie is en wordt echter veel onderzoek gedaan naar de werking van de Awb, soms in opdracht van de regering, maar vaker in het kader van dissertatie- en ander onderzoek, zoals de jaarlijkse preadviezen van de Vereniging voor Bestuursrecht (VAR). Ook in vakliteratuur, zoals het Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht en in talrijke annotaties bij rechterlijke beslissingen wordt veelvuldig en vaak diepgaand ingegaan op onderdelen uit de Awb. Bovendien wordt bij de parlementaire behandeling van wijzigingen van de Awb soms om een specifieke evaluatie verzocht. Zo heeft de regering evaluaties toegezegd van de geldschuldentitel, de «lex silencio positivo» en de bestuurlijke lus (in 2012/2013). Gezien al deze onderzoeken en alle ervaring die inmiddels met de wet is opgedaan, is een verplichte vijfjaarlijkse evaluatie van de Awb niet langer nodig. In plaats daarvan is het zinvoller bij specifieke wijzigingen waar nodig te voorzien in een evaluatieplicht.

z (onderdeel AAAAA, artikel 11:2)

De verwijzing naar artikel 1 van bijlage 3 bij de Awb is gepreciseerd.

aa (onderdeel CCCCC, drie bijlagen bij de Algemene wet bestuursrecht)

Bijlage 2: Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak

Artikel 1 Geen beroep

Burgerlijk Wetboek, Boek 2: De verwijzingen zijn aangepast aan een op 1 juli 2011 in werking getreden wijziging.15 Zie artikel VIA van die wetswijziging.

Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren: De verwijzing is aangepast aan artikel 47 zoals dat luidt sinds 1 juli 2010.

Artikel 2 Beroep in eerste en enige aanleg bij ABRS

• Mijnbouwwet:

– Aan de uitzonderingen op de rechtsmacht van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) tegen besluiten die van toepassing zijn op het continentaal plat zijn besluiten op grond van afdeling 5.4 toegevoegd. Die afdeling gaat over de mogelijkheid dat de Minister van EL&I een mijnbouwonderneming vraagt zekerheid te stellen voor de voldoening van een mijnbouwafdracht. Het ligt niet in de rede dat een dergelijke zekerheidstelling een andere rechtsgang volgt dan de (fiscale) rechtsgang die openstaat tegen de afdracht zelf (ter voldoening waarvan de zekerheid is gesteld). In het huidige artikel 142 Mijnbouwwet valt afdeling 5.4 onder de fiscale rechtsgang (hoofdstuk V AWR).

– Aan de opsomming is toegevoegd een besluit tot instemming met een opslagplan. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat hiervoor dezelfde rechtsgang geldt als voor een besluit tot instemming met een winningsplan. Overigens wordt die rechtsgang reeds gevolgd via een «bloc de compétence»-redenering. De rechter heeft dit (impliciet) geaccepteerd.16

• Wet milieubeheer: Toegevoegd is de zinsnede «met inbegrip van een besluit dat betrekking heeft op handhaving». Deze toevoeging vormt het complement van de vermelding van artikel 5:32 Awb aan het begin van artikel 2.

Artikel 3 Beroep in eerste en enige aanleg bij Centrale Raad van Beroep (CRvB)

Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren: De verwijzing is aangepast aan artikel 47 zoals dat luidt sinds 1 juli 2010. De zinsnede «of een andere handeling» is geschrapt, omdat de rechtsbescherming tegen dergelijke andere handelingen (dan besluiten) jegens rechterlijke ambtenaren, al volgt uit de artikelen 1:1, derde lid, en 8:2, eerste lid, onder a, Awb.

Artikel 4 Beroep in eerste en enige aanleg bij CBB

• «een besluit van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan of van een kamer als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Kamers van koophandel en fabrieken 1997»:

– Het gaat hierbij niet alleen om besluiten op grond van deze twee wetten; een voorbeeld van een besluit van een kamer van koophandel op grond van een andere wet is het besluit over wijziging van in het handelsregister opgenomen gegevens (artikel 34 Handelsregisterwet).

– De uitbreiding van de rechtsbescherming naar andere publiekrechtelijke handelingen (dan besluiten) is verplaatst naar artikel 8:2, eerste lid, onder b; daarbij is hersteld dat die uitbreiding net als onder het huidige recht (artikel 18, eerste lid, onder b, Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie) alleen geldt voor handelingen van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan, dat wil zeggen: de Sociaal-Economische Raad, product- en bedrijfschappen en de lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

– Tegen een besluit, een mondelinge beslissing, een feitelijke handeling of een privaatrechtelijke rechtshandeling van een pbo-lichaam of kamer van koophandel jegens een ambtenaar staat onder het huidige recht beroep open bij de rechtbank (zie het huidige artikel 8:1, eerste en tweede lid, van de Awb) en hoger beroep bij de CRvB (zie het huidige artikel 18, eerste lid, onder a, van de Beroepswet). Besluiten en andere handelingen jegens ambtenaren moeten dus worden uitgezonderd van de rechtsmacht van het CBB. Daarin voorziet onderdeel b voor zover het gaat om besluiten. Op grond van artikel 8:2, eerste lid, onder a, Awb geldt die uitzondering echter ook voor andere handelingen jegens ambtenaren. Zie ook de gewijzigde formulering van de rechtsmacht van de CRvB aan het begin van artikel 10 van bijlage 2 bij de Awb.

• Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek: De verwijzingen zijn aangepast aan een op 1 juli 2011 in werking getreden wijziging.17 Uit artikel VI, tweede lid, van die wijzigingswet blijkt dat voor oude gevallen de voorheen geldende rechtsgang blijft gelden, dat wil zeggen beroep in één instantie bij het CBB.

• Elektriciteitswet 1998: Toegevoegd is een zinsnede over algemeen verbindende voorschriften («met inbegrip van ...»). Deze zinsnede vervangt het huidige artikel 82, derde lid.

• Loodsenwet: Tegen een besluit als bedoeld in artikel 27f (vaststelling door de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit van loodsgeldtarieven en andere tarieven en vergoedingen) staat volgens het huidige recht beroep open bij het CBB. Artikel 60, tweede lid, Loodsenwet wijkt daartoe expliciet af van artikel 8:2 Awb, dat regelt dat geen beroep openstaat tegen algemeen verbindende voorschriften (artikel 8:3, eerste lid, onder a (nieuw) Awb). Het wetsvoorstel schrapt weliswaar artikel 60 Loodsenwet (zie deel B, artikel CXVIII), maar daarmee wordt geen materiële wijziging beoogd. Plaatsing van artikel 27f Loodsenwet in artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb maakt reeds voldoende duidelijk dat wordt beoogd om dezelfde rechtsbescherming te bieden als onder het huidige recht.

• EU-verordening 1435/2003: de toevoeging van deze verordening aan artikel 4 is nodig door het schrappen van artikel 6, eerste lid, tweede volzin, van de Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap; zie ook de wijziging van artikel LX in deel B.

• EU-verordening 2157/2001: de toevoeging van deze verordening aan artikel 4 is nodig door het schrappen van artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap; zie ook de wijziging van artikel LXI in deel B.

• Gaswet:

– Toegevoegd is een zinsnede over algemeen verbindende voorschriften («met inbegrip van ...»). Deze zinsnede vervangt het huidige artikel 61, derde lid.

– Aan de uitzonderingen zijn toegevoegd besluiten op grond van artikel 60ac Gaswet (last onder dwangsom). Evenals in de Elektriciteitswet 1998 is het de bedoeling dat tegen een besluit over een last onder dwangsom beroep openstaat bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het CBB, dus niet rechtstreeks bij het CBB. Artikel 60ac ontbreekt per abuis in het huidige artikel 61, tweede lid, Gaswet. In samenhang met deze wijziging is artikel 60ac ook toegevoegd aan de artikelen 7 en 11 van bijlage 2.

• Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp):

– Deze wet is toegevoegd aan artikel 4, omdat geneesmiddelenfabrikanten die door de rechter in eerste aanleg (op dit moment: de rechtbank Den Haag) in het ongelijk worden gesteld, vrijwel altijd in hoger beroep gaan. Zowel de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) als de geneesmiddelenfabrikanten krijgen bij rechtspraak in één instantie sneller uitsluitsel. Dat is van belang omdat de Minister van VWS op grond van de artikelen 2 en 3 Wgp ieder halfjaar een herijking van de maximumgeneesmiddelenprijzen dient vast te stellen. Zolang een geschil niet defnitief beslecht is, dient daar in deze halfjaarlijkse herijkingen rekening mee te worden gehouden, hetgeen tot onduidelijkheid kan leiden. Gelet op artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten18 is een uitzondering gemaakt voor het beroep tegen een bestuurlijke boete (artikel 11 Wgp): daartegen staat beroep open bij de rechtbank Rotterdam (artikel 7 van bijlage 2 bij de Awb) en hoger beroep bij het CBB (artikel 11 van bijlage 2).

– De zinsnede «met inbegrip van een besluit tot vaststelling van een maximumprijs» vervangt het huidige artikel 17, eerste lid, dat in afwijking van het huidige artikel 8:2 Awb (artikel 8:3, eerste lid, onder a (nieuw)) beroep openstelt tegen een dergelijk besluit. Zie ook de wijziging van artikel CXLI in deel B.

• Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: de uitzondering voor het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) is geschrapt, aangezien het UWV op grond van die wet geen besluiten meer neemt.

• Winkeltijdenwet: Toegevoegd is een zinsnede over algemeen verbindende voorschriften («met inbegrip van ...»). Deze zinsnede vervangt het huidige artikel 10 (zie deel B, artikel XXXIX).

Artikel 7 Beroep in eerste aanleg bij rechtbank Rotterdam

• Burgerlijk Wetboek, Boek 2: Sinds een op 1 juli 2011 in werking getreden wijziging17 staat tegen besluiten op grond van de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 van Boek 2 BW beroep open bij de rechtbank Rotterdam (en hoger beroep bij het CBB, zie de wijziging van artikel 11 van bijlage 2 bij de Awb). De toevoeging van deze drie bepalingen aan artikel 7 van bijlage 2 vervangt respectievelijk de artikelen 63k, 174a en 284a van Boek 2 BW.

• Gaswet: Toegevoegd zijn besluiten op grond van artikel 60ac (last onder dwangsom). Deze wijziging is toegelicht bij artikel 4 van bijlage 2.

• Wet geneesmiddelenprijzen: tegen besluiten op grond van die wet staat beroep in één instantie open bij het CBB, behalve tegen besluiten op grond van artikel 11 Wgp (bestuurlijke boete): daartegen staat beroep open bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het CBB (zie artikel 11 van bijlage 2). Zie ook de toelichting bij artikel 4 van bijlage 2.

• Wet op het notarisambt: Bij de (overeenkomstige) toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling op grond van artikel 113c van de Wet op het notarisambt is dezelfde rechtsgang van toepassing als bij de rechtstreekse toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Voor de kenbaarheid is dit in de bijlage opgenomen.

• Wet privatisering APB: Bij de overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet privatisering ABP is dezelfde rechtsgang van toepassing als bij de rechtstreekse toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Voor de kenbaarheid is dit in de bijlage opgenomen.

Artikel 8 Beroep in eerste aanleg bij andere rechtbank (Overige)

Tweede lid:

• Algemene wet inzake rijksbelastingen: Overeenkomstig het huidige recht geldt de concentratie bij vijf rechtbanken van geschillen over belastingen alleen voor rijksbelastingen. Voor geschillen over decentrale heffingen geldt de hoofdregel van artikel 8:7, eerste lid, Awb: bevoegd is de rechtbank in het arrondissement waar het bestuursorgaan zijn zetel heeft.

• Mijnbouwwet: Toegevoegd zijn besluiten op grond van afdeling 5.4. Deze wijziging is toegelicht bij de wijziging van artikel 2 van bijlage 2.

Artikel 10 Hoger beroep bij CRvB, zonder schorsende werking

Tegen een besluit of andere handeling van een bestuursorgaan jegens een ambtenaar staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de CRvB. De uitbreiding naar «een andere handeling» is hier geschrapt want zij volgt al uit artikel 8:2, eerste lid, onder a (nieuw). Toegevoegd is een verwijzing naar artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Deze wijziging is toegelicht bij de wijziging van artikel 8:2.

Artikel 11 Hoger beroep bij CBB

• Burgerlijk Wetboek, Boek 2: Sinds een op 1 juli 2011 in werking getreden wijziging17 staat tegen besluiten op grond van de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 van Boek 2 BW beroep open bij de rechtbank Rotterdam (zie de wijziging van artikel 7 van bijlage 2 bij de Awb) en hoger beroep bij het CBB. De toevoeging van deze drie bepalingen aan artikel 11 van bijlage 2 vervangt de verwijzing naar deze bepalingen in de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

• Gaswet: Toegevoegd zijn besluiten op grond van artikel 60ac (last onder dwangsom). Deze wijziging is toegelicht bij artikel 4 van bijlage 2.

• Wet geneesmiddelenprijzen: Tegen besluiten op grond van die wet staat beroep in één instantie open bij het CBB, behalve tegen besluiten op grond van artikel 11 (bestuurlijke boete): daartegen staat beroep open bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het CBB. Zie de toelichting bij artikel 4 van bijlage 2.

• Wet op het notarisambt en Wet privatisering APB: Zie de toelichting bij artikel 7 van bijlage 2.

• Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft): Deze wet stond ook in het oorspronkelijke wetsvoorstel al genoemd in artikel 11, maar in de memorie van toelichting (blz. 27, 28 en 30) staat dat de Wwft volgens het huidige recht nog valt onder de rechtsmacht van de ABRS als hogerberoepsrechter. Gezien de jurisprudentie over de voorgangers van de Wwft, de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij dienstverlening, mag worden aangenomen dat de Wwft nu al valt onder de rechtsmacht van het CBB als hogerberoepsrechter.21

Artikel 12 Hoger beroep bij een gerechtshof

Mijnbouwwet: Toegevoegd zijn besluiten op grond van de afdelingen 5.4 en 5.5. De toevoeging van afdeling 5.4 is toegelicht bij de wijziging van artikel 2 van bijlage 2. Afdeling 5.5 bevat o.a. een grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen aan een afdrachtensysteem voor andere vergunningen dan die voor het winnen en opsporen van koolwaterstoffen. De afdeling werd al genoemd in de artikelen 2 en 8 van bijlage 2 en artikel 2 van bijlage 3 bij de Awb. De afdeling valt ook onder het huidige artikel 142 Mijnbouwwet.

Bijlage 3: Regeling verlaagd griffierecht

In artikel 2 zijn bij de Mijnbouwwet toegevoegd besluiten op grond van afdeling 5.4 van die wet. Deze wijziging is toegelicht bij de wijziging van artikel 2 van bijlage 2.

C (artikel V, Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Artikel 27h AWR

In belastingzaken heeft het hoger beroep schorsende werking. De regeling daarvan was in het wetsvoorstel abusievelijk weggevallen en wordt hierbij hersteld.

Artikel 28a AWR

Indien beroep in cassatie wordt ingesteld, heeft de Hoge Raad in alle gevallen behoefte aan een proces-verbaal van de zitting van het gerecht dat de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Het nieuwe derde lid verduidelijkt dat de griffier van laatstgenoemd gerecht verplicht is dit proces-verbaal alsnog op te maken indien dit niet reeds eerder is gedaan.

Artikel 29 AWR

Aan de opsomming van Awb-bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn op het fiscale beroep in cassatie zijn enkele bepalingen toegevoegd:

• Artikel 8:40a: Dit artikel staat sinds 1 juli 2010 (Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter) al in het huidige artikel 29 AWR.

• De artikelen 8:44 en 8:45 Awb: Hoewel de Hoge Raad slechts sporadisch de behoefte zal hebben om zelf in belastingzaken feitenonderzoek te doen, kan dit zich bij ontvankelijkheidskwesties wel eens voordoen.

• Artikel 8:113, tweede lid, Awb: Indien een uitspraak van de Hoge Raad ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen – dit komt overigens maar sporadisch voor – is het doelmatig dat de Hoge Raad kan bepalen dat tegen dit nieuwe besluit direct beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof.

• Artikel 8:114 Awb: Er is bij nader inzien geen reden om de bepaling over vergoeding van griffierecht niet ook van overeenkomstige toepassing te verklaren op het fiscale beroep in cassatie.

Artikel 29g AWR

Dit artikel is geschrapt vanwege de toevoeging van artikel 8:114 Awb aan artikel 29 AWR.

2 (deel B, Wijziging van andere wetten)

Artikel XVIII, Elektriciteitswet 1998: Aan de vermelding van deze wet in artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb is een zinsnede toegevoegd over algemeen verbindende voorschriften («met inbegrip van ...»). Deze zinsnede vervangt het huidige artikel 82, derde lid.

Artikel XIX, Gaswet: Aan de vermelding van deze wet in artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb is een zinsnede toegevoegd over algemeen verbindende voorschriften («met inbegrip van ...»). Deze zinsnede vervangt het huidige artikel 61, derde lid.

Artikel XXIV, artikel 142 Mijnbouwwet:

• Eerste lid (nieuw): Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat voor een besluit tot instemming met een opslagplan dezelfde rechtsgang geldt als voor een besluit tot instemming met een winningsplan. Zie ook de toelichting bij de wijziging van artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb.

• Tweede lid (nieuw):

– Toegevoegd zijn besluiten op grond van de afdelingen 5.4 en 5.5. Deze wijzigingen zijn toegelicht bij de wijziging van artikel 2, respectievelijk artikel 12, van bijlage 2 bij de Awb.

– In de verwijzing naar de AWR is hersteld dat ook de bepalingen over cassatie in de Mijnbouwwet van overeenkomstige toepassing dienen te zijn (afdeling 3 (nieuw) van hoofdstuk V AWR).

Artikel LIV, Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: de wijziging van artikel 30, vierde lid, is overbodig geworden nu het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geen besluiten meer neemt op grond van die wet.

Artikel LX, Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap: de wijziging van het tweede lid van artikel 6 is nodig door het schrappen van de tweede volzin van het eerste lid. Die volzin wordt overgeheveld naar artikel 4 van bijlage 2 bij de Awb (rechtstreeks beroep bij het CBB tegen het verzet van de Minister van Veiligheid en Justitie tegen een zetelverplaatsing van een Europese coöperatieve vennootschap naar een andere lidstaat van de EU). In samenhang daarmee wordt ook de in artikel 6, tweede lid, genoemde bepaling van de betrokken EU-verordening toegevoegd aan artikel 4 van bijlage 2 (verzet van de nationale financiële toezichthoudende autoriteit tegen een zetelverplaatsing).

Artikel LXI, Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap: de wijziging van het tweede lid van artikel 5 is nodig door het schrappen van de tweede volzin van het eerste lid. Verder is het hiervoor gestelde over de Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap van overeenkomstige toepassing.

Artikel CLIX, Wet milieubeheer: In artikel 20.3, eerste lid, is in het onderdeel over de Mijnbouwwet aan de uitzonderingen toegevoegd een besluit omtrent een opslagplan. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat voor een dergelijk besluit dezelfde rechtsgang geldt als voor een besluit tot instemming met een winningsplan. Zie ook de toelichting bij de wijziging van artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb.

4 (deel C, Overgangs- en slotbepalingen)

Artikel 1

In het eerste lid is een overgangsregeling toegevoegd voor verzet, beroep in cassatie, een verzoek om herziening en een verzoek om voorlopige voorziening.

In het tweede lid wordt een overgangsregeling getroffen voor verzoeken om een voorlopige voorziening. De strekking daarvan is dat daarop hetzelfde recht van toepassing is als op de hoofdzaak. Indien dus hangende beroep tegen een besluit dat voor de inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, een voorlopige voorziening wordt gevraagd, is nog oud recht van toepassing. Maar als vervolgens na de inwerkingtreding van deze wet uitspraak op het beroep wordt gedaan, hoger beroep wordt ingesteld en hangende hoger beroep een voorlopige voorziening wordt gevraagd, is op laatstgenoemd verzoek om voorlopige voorziening het nieuwe recht van toepassing.

Het derde lid bevat een regeling voor de situaties waarin dit wetsvoorstel ertoe leidt dat beroep in twee instanties wordt vervangen door beroep in één instantie. Het gaat om de volgende regelingen:

• Kaderwet LNV-subsidies;

• Landbouwkwaliteitswet (kent deels al beroep in één instantie);

• Winkeltijdenwet;

• Wet geneesmiddelenprijzen (met uitzondering van besluiten tot oplegging van een bestuurlijke boete);

Uit het eerste lid volgt dat het nieuwe recht van toepassing is op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die na inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, ook als deze uitspraak betrekking heeft op een besluit dat voordien is bekendgemaakt en de uitspraak dus is gedaan (ingevolge het eerste lid, onder a) met toepassing van het oude recht. In afwijking daarvan regelt het derde lid dat het oude recht van toepassing blijft op het hoger beroep als het beroep in eerste aanleg is behandeld op grond van het oude recht en het nieuwe recht zou leiden tot het vervallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Eenvoudshalve is ervoor gekozen om in een dergelijk geval over de hele linie het oude recht te laten gelden, dus niet alleen wat betreft de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

Ook het vierde lid bevat een uitzondering op de hoofdregel dat het nieuwe recht geldt voor het hoger beroep als voor het beroep in eerste aanleg nog het oude recht gold maar de uitspraak in dat beroep is bekendgemaakt na inwerkingtreding van deze wet. Het vierde lid regelt dat als het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a Awb) ingevolge het eerste lid niet geldt in beroep, het evenmin geldt in hoger beroep, ook als de uitspraak van de rechtbank dateert van na inwerkingtreding van deze wet. Deze overgangsregeling is inhoudelijk gelijk aan die in artikel 5.3 van de Crisis- en herstelwet.

Overigens wekt de memorie van toelichting wellicht de indruk dat het oude recht alleen zou gelden voor een bezwaar- of beroepsprocedure die op de datum van inwerkingtreding van de wet al aanhangig is. Dat is onjuist. Ingevolge het eerste lid, onder a, geldt het oude recht ook als het besluit is bekendgemaakt vóór inwerkingtreding van de wet, maar het bezwaar of beroep wordt ingesteld na inwerkingtreding.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Herdruk o.a. i.v.m. het eerder niet afdrukken van de bronvermelding in de toelichting.

X Noot
2

Bijlage bij Kamerstukken 29 279, nr. 111, blz. 18.

X Noot
3

Kamerstukken 29 279, nr. 111, blz. 11, en nr. A, blz. 12.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld ABRS 10 december 2008, 200 802 431, LJN BG6401, JB 2009/39.

X Noot
5

CRvB 3 november 2010, LJN BO3642, AB 2010, 341 en LJN BO4110, JB 2011/11.

X Noot
6

www.rechtspraak.nl/Organisatie/Raad-Voor-De-Rechtspraak/Agenda-van-de-Rechtspraak-2011–2014, blz. 23.

X Noot
7

www.raadvanstate.nl/publicaties/jaarverslagen, blz. 153. Zie over finale geschilbeslechting ook blz. 151–152 en (met vermelding van jurisprudentie) 169–171.

X Noot
8

Vgl. D.A. Verburg, «Finale geschilbeslechting en haar stiefkind, de «aangeklede» opdracht om een nieuw besluit te nemen», JBplus 2010, p. 154–155. Zie ook D.A. Verburg, «De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt», Zeist: Uitgeverij Kerckebosch 2008, p. 189–199, B.J. van Ettekoven en A.P. Klap, «De bestuurlijke lus als rechterlijke (k)lus», JBplus 2010, p. 188?189, J.E.M. Polak, «Effectieve geschillenbeslechting: bestuurlijke lus en andere instrumenten», NTB 2011, 2, en L.M. Koenraad en J.L. Verbeek, «Finaliseren doe je zo! De rol van de bestuursrechter bij het vaststellen van feiten na de constatering dat het bestreden besluit een gebrek kent», NTB 2011, 12, § 3.1.

X Noot
9

Zie bijvoorbeeld ABRS 9 februari 2011, 201 005 324, LJN BP3670, AB 2011, 65, JB 2011/69, en CBB 2 maart 2011, LJN BP7002, JB 2011/111.

X Noot
10

ABRS 31 juli 2002, 200200028, JB 2002/277, CRvB 16 januari 2003, LJN AF3636, JB 2003/72.

X Noot
11

Bij het beroep in eerste aanleg is het bestuursorgaan niet verplicht om mee te werken aan de bestuurlijke lus, maar als het eraan meewerkt, is het verplicht zich te houden aan de in de tussenuitspraak gegeven aanwijzingen.

X Noot
12

Zie met name het in noot 1 van pag. 59 genoemde artikel van Verburg.

X Noot
13

CRvB 11 december 2001, LJN AD8373, AB 2002, 82.

X Noot
14

Zie Kamerstukken 29 279, nr. 111, blz. 12.

X Noot
15

Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van onder meer Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet documentatie vennootschappen in verband met het vervallen van de verklaring van geen bezwaar en het verbeteren en uitbreiden van de controle op rechtspersonen met het oog op de voorkoming en bestrijding van misbruik van rechtspersonen (Stb. 2010, 280).

X Noot
16

Vz. ABRS 30 augustus 2010, 201 007 729, LJN BN5559.

X Noot
17

Zie noot 2 van pag. 63 (toelichting bij artikel 1 van bijlage 2).

X Noot
18

«Een ieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldigverklaring en veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.»

X Noot
21

CBB 23 november 2009, LJN BK4209, en ABRS 8 juni 2011, 201 009 051, LJN BQ7426.

Naar boven