Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932175 nr. 64

32 175 Huwelijks- en gezinsmigratie

Nr. 64 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 november 2018

Graag bied ik hierbij de evaluatie aan inzake de uitwerking van het amendement Ten Broeke c.s. van 5 december 2016 (Kamerstuk 34 550 V, nr. 52), zoals is toegezegd in de Kamerbrief d.d. 8 juni 2017 (Kamerstuk 34 550  , nr. 75). In deze brief wordt tevens ingegaan op de (mondelinge) toezeggingen gedaan tijdens het AO consulaire zaken op 17 oktober 2018 (Kamerstuk 32 734, nr. 34) en de toezeggingen van november 2017 van Minister Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) tijdens de begrotingsbehandeling BHOS (Handelingen II 2017/18, nr. 26, items 4 en 18), en van de Minister voor Rechtsbescherming van 4 april 2018 tijdens het AO kindermishandeling, GIA en slachtoffers van loverboys (Kamerstukken 28 345, 31 015 en 31 839, nr. 186) en het AO Personen- en Familierecht van 16 mei 2018.

Uitvoering amendement Ten Broeke

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft conform het amendement Ten Broeke per 1 augustus 2017 – voor de duur van één jaar – een aparte Eenheid Huwelijksdwang (hierna «de eenheid») opgericht. Deze eenheid had tot doel om de verlening van consulaire bijstand bij huwelijksdwang- en achterlatingszaken structureel te verbeteren. De eenheid heeft hierbij actief ingezet op:

het verzamelen en uitbreiden van kennis en informatie over huwelijksdwang en achterlating en het bestendigen van bestaande en aangaan van nieuwe actieve samenwerkingsverbanden met partners in het werkveld in binnen- en buitenland;

de training van diplomatieke en consulaire medewerkers wereldwijd op het gebied van huwelijksdwang en specifiek het versterken van de capaciteit van ambassades geaccrediteerd in focuslanden Irak, Somalië, Soedan, Pakistan en Marokko;1

de (financiering van de) samenwerking met lokale non-gouvernementele organisaties (NGO’s) in het werkveld in deze focuslanden;

het opzetten van een speciale publiekscampagne vlak voor de zomervakantie om mogelijke slachtoffers te attenderen op het risico van huwelijksdwang en achterlating, die ook de komende jaren tijdens de zomerperiode ingezet zal worden.

In de annex bij deze brief worden de activiteiten van de eenheid in meer detail geëvalueerd. Zoals hierin wordt beschreven, was de inzet van de eenheid om de opgedane kennis, informatie en connecties in te bedden in de consulaire werkprocessen van de Directie Consulaire Zaken en Visumbeleid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ook voor de toekomst is het tegengaan van huwelijksdwang en achterlating een speerpunt. Dankzij het werk van de eenheid is momenteel voldoende kennis en capaciteit aanwezig binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken om zowel de uitvoering, als de beleidswerkzaamheden op dit onderwerp te garanderen. Zo is een beleidsmedewerker Familiezaken aangesteld, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van beleid en uitvoering in lijn met de inzet van de eenheid; en is het onderwerp als speerpunt ingebed over de volle breedte van de consulaire bijstand. Die aanpak is een logisch vervolg op de kleinschalige aparte eenheid binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op basis van de activiteiten en de opgedane kennis van de Eenheid Huwelijksdwang en de intensieve samenwerking met partners in binnen- en buitenland, kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden geformuleerd:

Huwelijksdwang en achterlating blijven een complex en «onzichtbaar» probleem

Hoewel in de recente jaren reeds verscheidene onderzoeken zijn uitgevoerd – onder andere in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 – blijven huwelijksdwang en achterlating complexe en «onzichtbare» problemen, die lastig in betrouwbare cijfers uit te drukken zijn. Deze visie wordt ook gedeeld door andere landen met een vergelijkbare aanpak, zoals Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. De enige «harde» cijfers van huwelijksdwang en achterlating die beschikbaar zijn, werden eerder met uw Kamer gedeeld in mijn antwoord op de Kamervragen van 21 september 2018 (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 44). Het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (verder «LHKA») kreeg in 2017 in totaal 38 meldingen van (mogelijke) huwelijksdwang en achterlating in het buitenland. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken was betrokken bij 35 van deze zaken, omdat deze een buitenlandconnectie hadden. Uiteindelijk zijn van die meldingen 20 concrete gevallen overgebleven waar Buitenlandse Zaken consulaire bijstand heeft verleend, waaronder 4 zaken van huwelijksdwang. In opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voert het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld van de Politie (hierna «LEC EGG») momenteel een onderzoek uit om inzicht te krijgen in de mate waarin en de wijze waarop door de Nederlandse politie huwelijksdwang wordt waargenomen.

Blijven inzetten op preventie

Preventie en (vroeg) signaleren als basis voor een lange termijn overheidsaanpak van huwelijksdwang is bewezen effectief en kan huwelijksdwang- en achterlatingszaken voorkomen. De inzet op training en het verhogen van de expertise van de eerstelijnshulp helpt bij het herkennen van mogelijke slachtoffers en het voorkomen van uitreis naar het buitenland, zo blijkt onder andere uit de Britse en Noorse aanpak van huwelijksdwang en achterlating. In het programma «Geweld hoort nergens thuis» is aandacht voor schadelijke traditionele praktijken. In het verlengde daarvan wordt er om tafel gezeten met experts, ervaringsdeskundigen, departementen en gemeentes om nodige vervolgacties te formuleren. Preventie kan hier mogelijk onderdeel van uitmaken. Over de uitkomsten zal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport u nader informeren. Tevens heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een 5-jarige subsidie toegekend aan de alliantie «Verandering van binnenuit». Deze alliantie gaat vanuit de gemeenschappen zelf preventieve activiteiten uitvoeren om gendergelijkheid in migrantengemeenschappen te bevorderen en daarmee onder andere huwelijksdwang tegen te gaan.

Nagaan van mogelijkheden voor financiering aanvullende hulp

Nederlandse slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating in het buitenland hebben vaak aanvullende vormen van hulp nodig, die verder gaat dan de reguliere consulaire bijstand die het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan verlenen. Tegelijkertijd blijkt deze aanvullende hulp vaak essentieel om slachtoffers veilig te houden voordat terugkeer naar Nederland mogelijk is. Het is in het belang van de slachtoffers om de mogelijkheden te verkennen om dergelijke aanvullende hulp (voor) te financieren, zoals bijvoorbeeld de kosten voor het verblijf in een safehouse.

Leren van en samenwerken met het buitenland

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft de komende jaren nauw samenwerken met andere landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, om te leren van de aanpak in die landen en daarin samen te werken.

De bovenstaande aanbevelingen zijn ingegeven door de intensieve samenwerkingsverbanden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met partners in binnen- en buitenland. Voor de uitvoering van deze aanbevelingen zal echter nauw moeten worden samengewerkt met andere departementen binnen de rijksoverheid, waaronder het Ministerie van Justitie & Veiligheid, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (o.a. in het kader van het programma «Geweld hoort nergens thuis» van VWS, JenV en de VNG) het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal zich, naast consulaire bijstand aan slachtoffers van huwelijksdwang in het buitenland, actief blijven aansluiten bij de interdepartementale inspanningen op dit terrein – ook na opheffing van de huidige aparte eenheid huwelijksdwang. Daarnaast zal het Ministerie van Buitenlandse Zaken de nauwe samenwerking met andere partners in het werkveld, waaronder met name het LHKA en het LEC EGG verder bestendigen en voortzetten. In het bijzonder zal het bevorderen van handhaving door buitenlandse overheden specifieke aandacht genieten, zowel bij betrokken landen als in het kader van internationale samenwerkingsverbanden, zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie, maar ook bij de politiegremia (Europol, Interpol).

Via de jaarlijkse consulaire Kamerbrief zal uw Kamer tot slot jaarlijks blijvend geïnformeerd worden over de ontwikkelingen ten aanzien van zowel beleid als uitvoering van de Nederlandse consulaire bijstand, waaronder die aan Nederlandse slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating.

Naast de hierboven omschreven inspanningen, zet het kabinet ingevolge de Nota «Investeren in Perspectief»3 binnen het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in op bestrijding van kindhuwelijken wereldwijd. Namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vermeld ik hierbij graag dat het Ministerie van Buitenlandse zaken de volgende programma’s en organisaties ondersteunt:

  • het «UNICEF/UNFPA Global Programme to accelerate the action to end child marriage « (20 miljoen Euro in de periode 2015–2018);

  • «Girls not Brides: the global partnership to end child marriage» (2,5 miljoen Euro voor de periode 2016–2020);

  • drie coalities van Nederlandse NGO’s (Yes, I Do; Her Choice: More than Brides Alliance) die met lokale NGO’s in een aantal ontwikkelingslanden werken aan preventie van kindhuwelijken (totaal 75,6 miljoen Euro voor de periode 2016–2020).

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken spant zich daarnaast zowel politiek als diplomatiek in om de oorzaken van kindhuwelijken te identificeren en te verminderen en om hier internationaal afspraken over te maken. Verder zet het ministerie zich in voor sterkere samenwerking en complementariteit tussen VN-organisaties, nationale en internationale NGO’s en nationale overheden bij hun inspanningen om het aantal kindhuwelijken te verminderen.

Namens de Minister voor Rechtsbescherming kan ik u tot slot het volgende melden over twee van door hem gedane toezeggingen, te weten de verzoeken om inzicht te geven in het aantal rechtszaken over genitale verminking en om in gesprek te gaan met Femmes for Freedom. Het lid Agema (PVV) vroeg op 4 april 2018 tijdens het AO kindermishandeling, GIA en slachtoffers van loverboys (Kamerstukken 28 345, 31 015 en 31 839, nr. 186) naar het aantal rechtszaken over genitale verminking. Voor vrouwelijke genitale verminking bestaat geen specifieke strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Genitale verminking is strafbaar als vorm van (zware) mishandeling (art. 300–303 WvSr). Het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak registeren enkel op delicten zoals deze in het Wetboek van Strafrecht zijn omschreven. Het is daarom niet uit de registers te halen om hoeveel rechtszaken van genitale verminking het gaat.

De Minister voor Rechtsbescherming heeft tijdens datzelfde AO toegezegd aan het lid Segers (CU) om in gesprek te gaan met Femmes for Freedom en hen te betrekken bij de aanpak van huwelijkse gevangenschap. Het gesprek tussen de Minister voor Rechtsbescherming en Femmes for Freedom heeft reeds plaatsgevonden en zij worden ook betrokken bij de vorming van nieuw beleid. Hiermee is ook voldaan aan de toezegging van gelijke strekking aan de leden Kuiken (PvdA) en Van Nispen (SP) tijdens het AO Personen- en Familierecht op 16 mei 2018 (Kamerstuk 33 836, nr. 26).

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok

BIJLAGE 1: Samenvattende conclusies

Intensiveringswerkzaamheden Eenheid Huwelijksdwang – Samenvattende Conclusies

In deze bijlage bij de Kamerbrief wordt de inzet van de eenheid huwelijksdwang in het afgelopen jaar beschreven. Voor een nadere toelichting en een overzicht van de werkzaamheden en bezoeken in het kader van de intensiveringswerkzaamheden van de eenheid verwijs ik naar de overige bijlagen. Hieronder volgt een overzicht van de conclusies die de werkzaamheden van de eenheid hebben opgeleverd.

1. Huwelijksdwang: complex en onzichtbaar probleem

  • De intensiveringswerkzaamheden van de eenheid huwelijksdwang hebben inzichtelijk gemaakt dat er geen goede en betrouwbare cijfers bestaan over de omvang van Nederlandse huwelijksdwangzaken in binnen- en buitenland. De cijfers die wel beschikbaar zijn voor Nederland – een schatting van 181 tot 1914 zaken uit onderzoek uit 2014 van het Verwey-Jonker samen met de Universiteit van Maastricht en Femmes for Freedom – maken geen expliciet onderscheid tussen huwelijksdwangzaken in Nederland en gevallen in het buitenland. Ook wordt er geen onderscheid gemaakt tussen meldingen van mogelijke zaken en het aantal daadwerkelijke slachtoffers van huwelijksdwang.

  • Niet alle slachtoffers zijn daarnaast in beeld en het probleem blijft daardoor grotendeels onzichtbaar. De cultuur en loyaliteit naar ouders en familie staan de zoektocht naar hulp vaak in de weg. Daarnaast herkennen slachtoffers zichzelf veelal niet in de omschrijving van een «slachtoffer van huwelijksdwang».

  • Om een beter beeld te krijgen van de omvang van het probleem, wordt door sommige landen (o.a. Noorwegen en het VK) overwogen om onderzoek te doen naar aantallen en de beweegredenen van betrokkenen om wél te melden. In Nederland voert het LEC EGG in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken momenteel een onderzoek uit om inzicht te krijgen in de mate waarin en de wijze waarop door de Nederlandse politie huwelijksdwang wordt waargenomen.

2. Consulaire bijstand: maatwerk in het teken van zorgvuldig, veilig en snel

  • Doel van het amendement om slachtoffers van huwelijksdwang in het buitenland beter bij te staan is uitgevoerd.

  • Iedere potentiële zaak wordt meteen opgepakt. Indien de casus zeer complex is, wordt aan de hand van regieoverleggen tussen Buitenlandse Zaken en het LKHA elke stap zorgvuldig voorbereid. Hierin beperkt de rol van Buitenlandse Zaken zich tot de verlening van consulaire bijstand en is het LKHA aan zet bij de hulpverlening. Een belangrijk onderdeel hierbij is het organiseren van de inzet die nodig is na terugkeer;

  • Veiligheid van alle betrokkenen – inclusief de hulpverleners – is de belangrijkste focus bij hulpverlening aan slachtoffers waarbij elke zaak om maatwerk en uiterste zorgvuldigheid vraagt;

  • De uitvoering van de consulaire bijstand (paspoortverstrekking en financiële bemiddeling en/of ondersteuning bij de aanschaf van vliegtickets) gebeurt in lijn met de kaders voor algemene consulaire bijstand. Voor noodgevallen is er wel een bedrag beschikbaar gesteld aan het LKHA om zo kosten voor tickets en reisdocumenten voor slachtoffers van huwelijksdwang voor te kunnen financieren;

  • Nederlandse slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating in het buitenland hebben daarnaast echter vaak aanvullende vormen van hulp nodig, die verder gaat dan de reguliere consulaire bijstand van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Tegelijkertijd blijkt deze aanvullende hulp vaak essentieel om slachtoffers veilig te houden en om terugkeer naar Nederland mogelijk te maken. Het lijkt in het belang van de slachtoffers om de mogelijkheden te verkennen om dergelijke aanvullende hulp (voor) te financieren, zoals bijvoorbeeld de kosten voor het verblijf in een safehouse.

  • De soms onoverkomelijke belemmeringen voor (consulaire) bijstand aan slachtoffers van huwelijksdwang in het buitenland zijn veelal de vaak bipatride status van de slachtoffers in combinatie met de geldende lokale wet- en regelgeving die sterk afwijkt van de Nederlandse wet- en regelgeving waar het gaat om de rechten van minderjarigen en vrouwen in het bijzonder. Autoriteiten in het land van herkomst staan niet in alle gevallen toe dat bijstand wordt verleend, bovendien moet de bijstand passen in de lokaal geldende wet- en regelgeving;

  • Door grote diaspora-gemeenschappen is er in sommige gevallen een bijkomende uitdaging omdat slachtoffers niet weten dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten; hierdoor wordt pas in een laat stadium duidelijk dat een slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezit en is het een zoekwerk om verificatie rond te krijgen.

3. Preventie is de kern

  • Preventie en (vroeg)signaleren als basis voor een lange termijn overheidsaanpak van huwelijksdwang is bewezen effectief, aldus de conclusies van het Noorse overheidsbeleid ten aanzien van familiezaken (waaronder huwelijksdwang). Deze aanpak laat zien dat een meerjarige integrale overheidsaanpak op familiezaken noodzakelijk is voor een beter bereik van (verborgen) slachtoffers (Noors actieplan 2017–2020 met focus op het tegengaan van elke vorm van negatieve sociale controle, huwelijksdwang en vrouwelijke genitale verminking «the right to decide about one’s own life»);

  • Inzet op training en verhogen van de expertise van de eerste lijnshulp helpt bij het herkennen van mogelijke slachtoffers en het voorkomen van uitreis naar het buitenland, conform de aanpak en inzet van de Forced Marriage Unit van het Verenigd Koninkrijk. Deze vroege signalering kan huwelijksdwang voorkomen bij slachtoffers die zich niet herkennen in de omschrijving van «slachtoffer van huwelijksdwang». Dit kan escalatie voor alle betrokkenen voorkomen en biedt de mogelijkheid om het contact tussen slachtoffer en familie te behouden;

  • De inzet op preventie is niet alleen om een mogelijk slachtoffer te bereiken, maar juist ook om experts te sensitiveren op het onderwerp, conform de inzet van het LKHA bij de start van de campagne in 2018.

  • De inzet op preventie is daarnaast niet alleen gericht op vrouwen en meisjes. Uit Brits onderzoek blijkt dat 20 tot 40% van de meldingen van huwelijksdwang en achterlating mannen betreft, maar dat zij zich niet herkennen in de campagnes en de hulpverlening die met name is gericht op vrouwen;

  • Als laatste punt kan met overheidscampagnes het signaal worden afgegeven dat zelfs wanneer een slachtoffer niet in Nederland hulp heeft gezocht, deze persoon ook in het buitenland bijgestaan wordt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

4. Integrale aanpak: nationaal, internationaal en lokaal niveau

Voor een efficiënte aanpak van huwelijksdwang blijft een integrale benadering op nationaal, internationaal én lokaal niveau noodzakelijk.

  • Nationaal: Op nationaal niveau worden in Nederland de resultaten zichtbaar van de rijksbrede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties bestaande uit de gecombineerde aanpak van preventie, bescherming, hulpverlening en de inzet van strafrecht (zie ook eindrapportage verkennersgroep aanpak huwelijksdwang en achterlating van 6 juni 2013, ref 2013-0000072292). Voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is het programma Geweld hoort nergens thuis afgelopen april gestart. In het najaar ontvangt uw Kamer de halfjaarlijkse voortgangsrapportage van de Minister van VWS en de Minister voor Rechtsbescherming. In dit programma wordt ook aandacht besteed aan specifieke groepen en fenomenen, waaronder huwelijksdwang als vorm van eergerelateerd geweld.

  • Internationaal: Op internationaal niveau is de tijdens het Nederlandse voorzitterschap ingezette samenwerking in Europees verband voortgezet en uitgebreid naar een bredere internationale samenwerking met onder meer Canada, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika en Australië. Conform het amendement is extra inzet gepleegd op samenwerking met het VK en Noorwegen;

  • Lokaal: Op lokaal niveau wordt in het buitenland vanuit de Nederlandse posten samengewerkt met Non-Gouvernementele Organisaties (NGO’s) die slachtoffers op een veilige en zorgvuldige wijze kunnen bijstaan in de vaak moeilijke lokale omstandigheden en de per land verschillende wet- en regelgeving.

5. Nederland actieve speler in lijn met internationale ontwikkelingen

  • Er is gesignaleerde behoefte om internationaal samen te werken. Door uitvoering te geven aan het amendement en in gesprek te gaan met onder meer het VK en Noorwegen, blijkt dat meerdere landen samenwerking nodig vinden en kennis en ervaring willen delen om de eigen aanpak aan te scherpen;

  • Elk land werkt binnen de nationale én de lokale buitenlandse wet- en regelgeving en houdt zich aan de afspraken die internationaal zijn vastgelegd (o.a. in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen);

  • Internationale beleid trends zijn daarbij de focus op samenwerking met lokale NGO’s en lange termijn investeringen met tussentijdse evaluaties om zo scherp te blijven op verbeteringen waar nodig en inzet op dat wat werkt (zeer effectieve Noorse methode). Boodschap die wordt uitgedragen is dat consulaire bijstand in het buitenland moeilijk en soms zelfs onmogelijk is;

  • Andere landen met een uitgewerkt plan van aanpak voor bestrijding van huwelijksdwang zijn Canada, Australië en de VS. Huwelijksdwang is veelal een onderdeel van de landelijke aanpak eergerelateerd geweld/huiselijk geweld met een inzet op bijstand in het buitenland. Scandinavische landen, zoals Zweden en Denemarken, zijn in de beginfase van opzet van een plan van aanpak;

  • Binnen de internationale context wordt graag met Nederland samengewerkt vanwege de praktische en pragmatische aanpak;

  • Met de EU, Canada, het VK en Noorwegen worden initiatieven voor verschillende landen uitgewerkt. Met Canada en het VK is een consular cooperation initiative («CCI»)_op huwelijksdwang in Pakistan georganiseerd. Hierbij zijn ervaringen uitgewisseld en gezocht naar gezamenlijke mogelijkheden om bijstand te verlenen aan slachtoffers van huwelijksdwang en andere vormen van eergerelateerd geweld te optimaliseren. Met deze landen wordt inmiddels gekeken in hoeverre een zelfde soort CCI georganiseerd zou kunnen worden in Kenia/Somalië waar het probleem van bijstand aan slachtoffers wordt bemoeilijkt door de lokale omstandigheden, wet- en regelgeving en het feit dat geen van bovengenoemde landen een ambassade hebben in Somalië.

6. Samenwerking met NGO’s is de sleutel

  • Voor de aanpak van huwelijksdwang is de samenwerking met lokale NGO’s essentieel, zo bleek uit de ervaringen in de vijf focuslanden. Zo zijn NGO’s – door hun lokale netwerk – beter in staat in contact te komen en blijven met slachtoffers. Ook toegang tot safehouses kan vaak via deze NGO’s worden geregeld.

  • De samenwerking met NGO’s verhoogt de veiligheid van alle betrokkenen, maar vooral ook die van de slachtoffers. Deze werkwijze met onafhankelijke en niet aan de Nederlandse overheid gelieerde organisaties legt daarnaast minder spanning op (Nederlandse) diplomatieke relaties. Dit standpunt wordt ook gedeeld door de buitenlandse partners, waaronder de Britse FMU die in het buitenland – met name Pakistan – bijna uitsluitend nog opereert door middel van intensieve samenwerking met lokale NGO’s.

7. Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating («LKHA»)

  • Het LKHA heeft de essentiële sleutelrol in het Nederlandse beleid op het gebied van huwelijksdwang en achterlating en daarmee een gelijksoortige rol als het Britse FMU. BZ werkt daarom intemsief samen met het LHKA bij het verlenen van consulaire bijstand;

  • De samenwerking tussen het LKHA en de FMU is cruciaal voor die Nederlanders die in het VK wonen en vanuit het VK worden gedwongen tot een huwelijk of worden achtergelaten in het buitenland;

  • Het LKHA heeft sinds haar oprichting (2015) haar waarde aangetoond en een extra rol gepakt voor slachtoffers van kindhuwelijken, slachtoffers met verblijfsrecht in Nederland en minderjarige slachtoffers die een gang naar de Nederlandse rechter moeten maken voor vervangende toestemming om een reisdocument te kunnen krijgen;

  • Met de kennis die het LKHA opdoet, wordt binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken gekeken naar mogelijke verbetering van bijstand aan slachtoffers van achterlating.


X Noot
1

Uit de gegevens van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA) uit 2016, blijkt dat deze vijf landen de meeste gevallen van huwelijksdwang- en achterlatingszaken van Nederlandse slachtoffers in het buitenland vertegenwoordigen.

X Noot
2

Zie ook de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 29 september 2014 (Kamerstuk 32 175, nr. 53).

X Noot
3

Kamerstuk 34 952, nr. 1.