Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202032013 nr. 225

32 013 Toekomst financiële sector

Nr. 225 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 december 2019

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 29 augustus 2019 over de verkenning markt voor groene financiering (Kamerstuk 32 013, nr. 220).

De vragen en opmerkingen zijn op 3 oktober 2019 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 29 november 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

Adjunct-griffier van de commissie, Freriks

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister en het daarbij behorende stuk. De markt voor «groene» investeringen – en maatschappelijk verantwoorde beleggingen in het algemeen – is sterk aan het groeien. Zowel bij financiers als bij ondernemingen bestaat steeds meer behoefte aan structuur en zekerheid in dit marktsegment.

Uit gesprekken met institutionele beleggers komen dan ook punten naar voren die de Minister ook benoemt: de behoefte aan transparantie, informatie en standaardisatie, bij voorkeur in de vorm van een breed gedragen Europese taxonomie.

Institutionele beleggers benoemen ook zorgen die in dit stuk niet worden benoemd. Waar dit stuk nog gaat over het «opdoen van ervaring» of het «meewegen van klimaateffecten», leert de praktijk dat het aanbod van financiering vele malen groter is dan de beschikbare investeringsprojecten. Wat kan het kabinet doen om dat volume in korte tijd te doen toenemen? Liggen er kansen in de verduurzaming van woningen en ander vastgoed? In de ontwikkeling van duurzame vervoersmodaliteiten? In andere projecten die zijn gerelateerd aan de klimaatinspanning voor het Verdrag van Parijs?

In dit kader merken de leden van de VVD-fractie ook op dat al te verstrekkende informatieverplichtingen, bijvoorbeeld met een prospectus of ecolabel, geen aanmoediging zijn voor duurzame start-ups die uitbreiding overwegen.

Een andere zorg van de leden van de VVD-fractie is dat de beoogde standaardisatie niet moet leiden tot een dichotomie tussen «groene» en «grijze» beleggingen. Een containerschip dat overschakelt van stookolie op een schonere fossiele brandstof wordt allicht aangemerkt als «grijze» investering, terwijl de milieuwinst van zo’n investering zeer groot kan zijn. Met andere woorden: in de taxonomie zou de «duurzame delta» moeten worden meegenomen. Deelt de Minister die mening?

Daarnaast hebben deze leden nog enkele praktische vragen. Zij lezen, niet voor het eerst, dat vergroening van balansen in de financiële sector zou leiden tot meer stabiliteit. Is dit een vermoeden of ligt hieraan empirisch onderzoek ten grondslag? Ook zien deze leden dat overwogen wordt de accountants een grotere rol te geven. Hoe verhoudt zich dat tot de werkzaamheden van de commissie toekomst accountancysector?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Verkenning markt groene financiering. Deze leden denken dat het belang om de klimaatdoelstellingen te halen niet alleen door overheidsbeleid kan worden gerealiseerd. Ook de samenleving kan daaraan bijdragen. De financiële markten kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren door de klimaateffecten mee te wegen in hun beleid.

De leden van de CDA-fractie willen dat groene financiering ook echt groen is. Voorkomen moet worden dat aanbieders financiële producten gaan verkopen als groen, terwijl ze dat in werkelijkheid niet zijn. Dat vraagt in eerste instantie om inspanningen van de aanbieders. Dat zal ter bescherming van de consument ook toezicht vereisen. Zijn de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) daartoe voldoende geëquipeerd? Moet de toezichtcapaciteit worden uitgebreid? En zo ja, hoe wordt dat gefinancierd? Komt dat alleen ten laste van aanbieders van groene financiële producten of wordt dat over alle aanbieders aangeslagen? En op welke wijze gaan andere EU-lidstaten daarmee om? Financiële producten zijn immers steeds meer grensoverschrijdend. Ten slotte vragen deze leden zich af hoe het zit met toezicht op producten van aanbieders die gevestigd zijn in niet EU-lidstaten. Op welke wijze kunnen consumenten van deze financiële producten verzekerd zijn van het groene karakter van deze producten?

De leden van de CDA-fractie zien het belang van een gemeenschappelijke taal. In de verkenning lezen deze leden dat de taal nu als uitgangspunt heeft het meten van en sturen op CO2-gehalte. Dat is zeker niet onbegrijpelijk, maar is dat in de ogen van het kabinet een eerste stap of is de uiteindelijke wens om ook te sturen op andere voor het klimaatverstorende elementen zoals stikstof en ammoniak?

De leden van de CDA-fractie zien grote kansen voor de Nederlandse financiële sector. Klopt het beeld dat de financiële sector in Nederland vooroploopt wanneer het gaat om kennis van groene producten? Is de vraag in Nederland naar groene financiële producten ook groter dan elders in Europa? Op welke wijze kan de kennis van Nederlandse financiële sector vermarkt worden in andere Europese landen en misschien wel daarbuiten? En kan de Nederlandse overheid daarin een rol spelen, of ziet het kabinet voor zichzelf daarin geen rol?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over groene financiering. De leden van de D66-fractie delen de inzet om verduurzaming van de investeringen van de financiële sector te stimuleren. Zij zijn van mening dat hiervoor één meet- en rapportagemethode moet komen voor de hele financiële sector, zodat de inzet van financiële instellingen vergelijkbaar is. Daarnaast hebben klanten het recht op duidelijke informatie over waar hun spaargeld in wordt geïnvesteerd, zoals door de motie van het lid Sneller (Kamerstuk 32 013, nr. 208) is voorgesteld.

De leden van de D66-fractie constateren dat DNB duurzaamheid meeneemt in het toezicht en daarmee de rol die de financiële sector kan spelen in duurzaamheid onderstreept. Hoe kan de klimaatintensiteit van leningen en investeringen van Nederlandse financiële instellingen transparanter worden? Hoe staat het met de uitvoering van de motie van het lid Sneller (Kamerstuk 32 013, nr. 208) om te komen tot een duurzame bijsluiter zodat klanten weten wat er met hun spaargeld gebeurt?

De leden van de D66-fractie constateren instemmend dat de Minister beoogd om tot één meetmethode te komen, in lijn met de motie van het lid Sneller (Kamerstuk 32 013, nr. 207), omdat een eenduidige, controleerbare meetmethode van de klimaatimpact van investeringen essentieel is voor de transparantie over de klimaatimpact van de financiële sector. Welke stappen gaat het kabinet zetten om in Nederland tot één meetmethode te komen?

De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet zich vooral richt op groene investeringen zelf, maar dat zij niet kijkt naar investeringen die niet duurzaam zijn, zoals investeringen in kolencentrales. Focust het kabinet zich ook op investeringen die niet duurzaam zijn en die de klimaatdoelen van Parijs tegenwerken? Ziet het kabinet mogelijke maatregelen om niet duurzame investeringen te verminderen?

De leden van de aan het woord zijnde fractie constateren ook dat het kabinet zich vooral focust op fossiele brandstoffen als het gaat over klimaat en niet op bijvoorbeeld ontbossing of de effecten op het klimaat van landbouw, veeteelt, transport en andere sectoren. Zal het kabinet zich breder inventariseren als het gaat om klimaatbeleid dan alleen fossiele brandstoffen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GL

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van Financiën over de toekomst van de financiële sector (Kamerstuk 32 013 nr. 220). Deze leden zijn blij dat de Minister stappen neemt om de verduurzaming van de financiële sector aan te jagen en zien hierin een hoopvolle koerswijziging ten opzichte van eerder beleid. Wel hebben zij een aantal vragen ten aanzien van de invloed van klimaat op het regelgevend kader voor de financiële sector en de manier waarop informatie over de ecologische impact van beleggingen verschaft gaat worden.

De leden van de fractie van GroenLinks zien dat de Minister aandacht besteedt aan de incorporatie van klimaatgerelateerde risico’s in regelgeving en toezicht. Deze regelgeving en dit toezicht heeft, zo zien de leden van GroenLinks, met name het karakter van monitoring, bijvoorbeeld via klimaatstresstesten. Deze leden vragen zich af of de Minister bereid is regelgevende interventies te plegen om de aantrekkelijkheid van niet-duurzame activa verder terug te dringen, mocht (bijvoorbeeld uit klimaatstresstesten) blijken dat het niet voldoende rekenschap geven van klimaatrisico’s een negatieve invloed heeft op de financiële stabiliteit dan wel noodzakelijke verduurzaming.

Is de Minister in een dusdanige context bijvoorbeeld bereid, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks zich af, zich hard te maken voor het aanscherpen van de kapitaalstandaarden voor niet-duurzame activa. Welke andere maatregelen overweegt de Minister in een dergelijke context?

Ziet de Minister dergelijke maatregelen daarnaast als bevorderend om de discrepantie te verkleinen tussen wat de Minister «de horizon van de investeerder» en termijn van de economische transitie noemt? Welke andere maatregelen ziet de Minister voor zich deze discrepantie te verkleinen?

Bovendien vragen deze leden zich af of de Minister extra redenen ziet aandeelhouders (via een bail-in) in plaats van belastingbetalers (via een bail-out) een in nood verkerende bank financieel te redden op het moment dat deze financiële nood voortkomt uit gebrek van rekenschap van klimaatrisico’s.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de Minister schrijft dat de concentratie van uitzettingen in sectoren die het leeuwendeel van de CO2-uitstoot veroorzaken het grootste is bij pensioenfondsen. Ziet de Minister een relatie tussen deze concentratie en langere termijn risico’s voor de kapitaalgedekte pensioenvoorziening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft de Minister al gezet en gaat de Minister de komende tijd zetten om deze risico’s te adresseren?

Ook geeft de Minister aan dat financiële instellingen uiterlijk in 2022 aangeven wat hun reductiedoelstelling voor 2030 zijn. Welke stappen overweegt de Minister op het moment dat het ambitieniveau van deze stappen niet proportioneel is met de in het Klimaatakkoord, waar de financiële sector zich aan gecommitteerd heeft, gestelde doelen?

Daarnaast hebben deze leden een aantal vragen over de groene taxonomie. De Minister schrijft dat hij groenwassen tegen wil gaan. De leden van de fractie van GroenLinks vinden het daarbij een goede zaak dat de standaarden om van een duurzame investering te spreken zoals deze binnen de groene taxonomie geoperationaliseerd zijn relatief streng zijn. Tegelijkertijd roept dit enkele vragen op.

Ten eerste vragen de leden van de fractie van GroenLinks zich af waarom de Minister zich beroept op het argument van het tegengaan van disproportionele administratieve lasten in zijn pleidooi tegen een uitbreiding van de taxonomie naar alle activa, maar diezelfde administratieve lasten niet als doorslaggevend problematisch beschouwt in zijn pleidooi voor een taxonomie voor groene investeringen.

Deelt de Minister de mening dat de te ontstane asymmetrie in administratieve lasten juist die financiële instellingen die nu al meer in «groen» zitten benadeelt ten opzichte van instellingen met een relatief grote «niet-groene» portfolio?

Deelt de Minister daarnaast de mening van de leden van de fractie van GroenLinks dat het gelijktrekken van administratiekosten voor alle activa een hobbel wegneemt die nu ontstaat voor instellingen om hun portfolio te verduurzamen, omdat deze gelijktrekking waarborgt dat verduurzaming niet langer voor extra lastendruk zorgt?

Hoe beziet de Minister zijn nadruk op het tegengaan van kosten door administratieve lasten in het licht van het feit dat de grootste vervuilende financiële instellingen ook de instellingen zijn met relatief hoge marges, winsten en financiële reserves?

De leden van de GroenLinks-fractie zijn zich ervan bewust dat financiële instellingen dienen aan te geven in hoeverre duurzaamheidsrisico’s zijn meegewogen in het beleggingsbeleid en beleggingsadvies, maar benadrukken dat dit vereiste minder streng is dan een «bruine taxonomie» zou zijn, omdat dit vereiste in tegenstelling tot een bruine taxonomie (1) geen transparantie biedt op het niveau van individuele investeringen en (2) instellingen de ruimte biedt aan te geven dat ze duurzaamheidsrisico’s hebben meegewogen zonder ook daadwerkelijk te verduurzamen. Daarom vragen de leden van de fractie van GroenLinks zich ten tweede af waarom de Minister vanuit duurzaamheidsoogpunt wel belang hecht aan het nemen van maatregelen die de markt voor duurzame financiering bevorderen, maar geen maatregelen van dezelfde soort neemt om de markt voor bruine financieringen transparanter te maken. Zowel «meer groen» als «minder bruin» dragen immers bij aan terugdringing van de uitstoot.

Vanuit deze lacunes vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich ten derde af hoe voorkomen gaat worden dat investeringen die niet voldoen aan de standaarden zoals uiteengezet binnen de groene taxonomie alsnog als ecologisch acceptabel in de markt gezet kunnen worden (groenwassen). De redenering is hier als volgt. De standaarden van de taxonomie zijn dusdanig streng dat investeringen die in de buurt komen van maar niet voldoen aan deze standaarden – bij gebrek aan een taxonomie over de gehele breedte van het meer groene en meer bruine spectrum – alsnog als relatief duurzaam gezien kunnen gaan worden. Hoe wil de Minister dit risico ondervangen?

Ten vierde vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af wat de voornaamste reden van de Minister is om in het kader van de definiëring van «niet-duurzame» investeringen nog drie jaar te wachten op de evaluatie van de groene taxonomie door het Europees Parlement en niet nu al een koplopersrol neemt om zich voor deze definiëring hard te maken.

De Minister schrijft dat Invest-NL helpt bij het financieren van kansrijke ondernemingen in hun investeringen, vooral ook als daarmee maatschappelijke transities kunnen worden versneld. De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich af hoe de Minister het verschil beziet tussen de doelstellingen van Invest-NL en het in de Miljoenennota aangekondigde investeringsfonds (Kamerstuk 35 300, nrs. 1 en 2).

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de Verkenning markt voor groene financiering. Zij zijn positief over het feit dat deze is uitgevoerd, omdat er in de financiële sector veel verandering nodig is om een duurzame wereld op tijd mogelijk te maken. Wel kijken zij kritisch naar de gepresenteerde stappen en de tijd die het kost om deze vooruitgang te bewerkstelligen. Volgens deze leden zou het tempo van verandering veel hoger kunnen en moeten liggen.

De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister sterk leunt op de «EU taxonomy for sustainable activities». Dit vinden zij niet in principe een probleem, maar in de praktijk zien zij hier grote tekortkomingen. Net zoals dat het geval bleek bij EU-inzet op de uitstoot van auto’s en rondom de tabaksindustrie vermoeden deze leden de invloed van lobbyisten bij deze taxonomie. Zij vragen zich af welk bewijs er is dat deze EU-inzet wel verregaand genoeg is en niet ook is afgezwakt door een lobby. Daarbij bestaat de vraag of deze taxonomie voldoende sterk geformuleerd is en of de scope niet te beperkt is. Zij vragen zich af of het kabinet dan vooral wil kijken naar wat groene investeringen zijn, maar minder naar wat er nu de wereld vervuilt. Zij vragen daarom of deze taxonomie compleet is en ons land op tijd op de benodigde vergroening zal brengen. Daarbij zijn zij benieuwd of de Europese taxonomie waar nu aan gewerkt wordt als voldoende «ambitieus» word gezien.

De leden van de SP-fractie zijn positief wanneer zij lezen dat de Minister doorheeft dat de wereld voor een transitie staat naar een economie die niet meer leunt op fossiele energie. Wanneer van financiële instellingen wordt gevraagd om klimaateffecten «sterker» te laten meewegen, vragen deze leden zich af «hoe sterk?» dan, en hoe hierop zal worden toegezien. Wanneer gevraagd wordt om meer transparantie en informatie dan vragen zij zich af «hoeveel transparantie en informatie en op welke punten precies?». De leden van de SP-fractie vragen al sinds de initiatiefnota Merkies over duurzaam bankieren uit 2014 (Kamerstuk 34 101, nr. 2) om openheid van de financiële sector over de producten waar zij in beleggen. Daarom steunen zij natuurlijk dit verzoek, maar vragen zij ook daadkracht en concretisering. Ook de uitvoering van motie van het lid Grashoff (Kamerstuk 34 101, nr. 11) laat te wensen over aangezien alsnog niet duidelijk word gemaakt in welke bedrijven de beleggingen worden gedaan. Verder vragen deze leden of en waarom deze inzet alleen gevraagd zou worden op het gebied van klimaat en CO2. Zou dit niet op alle onderwerpen moeten zoals arbeidsomstandigheden en controversiële wapens? Daarbij vragen zij ook of deze openheid slechts met betrekking tot CO2 zal worden gegeven of dat er ook gekeken wordt naar andere broeikasgassen, zoals methaan en lachgas. Ten slotte vragen zij of deze ontsluiting van informatie wettelijk verplicht zal worden en er niet op basis van vrijwilligheid gewerkt zal worden aangezien dit keer op keer niet werkt wanneer er economische belangen spelen.

De leden van de SP-fractie lezen dat er ervaring moet worden opgebouwd met groene investeringen, dat is natuurlijk goed, maar zij vragen zich af wat dit precies inhoudt en wanneer er dan voldoende ervaring is? Ook lezen zij dat de regering inzet op «commitment» vanuit de sector, zij hopen daarbij dat de regering erkent dat dat oprecht commitment in de afgelopen jaren ontbrak en dat inzetten op zelfregulering in de sector niet goed uitpakt. Daarom vragen deze leden waarom niet is gekozen voor duidelijke en daadwerkelijk ambitieuze doelstellingen met bijbehorende sancties wanneer deze niet gehaald worden. Verder lezen zij dat externaliteiten «beter» moeten worden meegewogen bij investeringsafwegingen, hierbij vragen zij waarom dit niet «volledig» zou gebeuren daar deze kosten anders belanden bij anderen of de maatschappij.

De leden van de SP-fractie lezen dat verwacht wordt dat de maatregelen zullen leiden tot een belangrijke impuls voor de markt voor groene financiering en vragen zich af waar dit specifiek op gebaseerd is. Daarbij vragen zij wat er specifiek gedaan gaat worden om «greenwashing» te voorkomen ook wie er mogen meepraten over de definitie van greenwashing. Worden NGO’s en de klimaatbeweging daarbij uitgenodigd? Ook vragen zij om daadkracht, daar we nu al weten dat enorme geldhoeveelheden in de fossiele industrie geïnvesteerd zijn en worden, maar dat dit gegeven tot nu toe nog niet veel tegenreactie van het kabinet heeft opgeleverd.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet waarom zij zo sterk inzetten op IMVO-convenanten terwijl enerzijds de beleidsevaluatie – en duidelijkheid over de effectiviteit – er nog niet is en anderzijds partijen en ngo’s op basis van hun bekende gegevens kritisch zijn over de gebrekkige effectiviteit. Daarnaast zien de leden dat veel verantwoordelijkheid op het gebied van IMVO afgeschoven wordt naar het Europese bestuursniveau, zij hopen hierbij dat dit geen ontduiking voor verantwoordelijkheden is en dat er ook op landelijk niveau en mondiaal niveau wordt doorgewerkt daar EU-inzet vaak lang duurt en sterk door de lobby wordt beïnvloed.

De leden van de SP-fractie lezen dat er ingezet gaat worden op het via meerdere wegen stimuleren van groene investeringen, echter vragen zij of ook ingezet zal worden op het duurder maken van fossiele investeringen. Daarnaast vragen zij wat er gedaan gaat worden aan investeringen die nu lopen in onwenselijke sectoren zoals fossiel, zal het kabinet inzetten op desinvestering? Daarbij zien zij ook dat sommige eisen afhankelijk worden gemaakt van het aantal medewerkers dat beursvennootschappen, banken of verzekeraars hebben. Hierover vragen deze leden waarom daarnaast niet is ingezet op ook een criterium dat de financiële omvang van de instelling en het beheerde vermogen behelst, omdat ook instellingen met weinig medewerkers grote en invloedrijke hoeveelheden geld kunnen rondschuiven. Ten slotte stelt het kabinet dat DNB voorop loopt in de vergroening van de financiële sector. Deze leden zijn tevreden dat te lezen.

II Reactie van de Minister

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

1. Wat kan het kabinet doen om het volume van beschikbare investeringsprojecten in korte tijd te doen toenemen? Liggen er kansen in de verduurzaming van woningen en ander vastgoed? In de ontwikkeling van duurzame vervoersmodaliteiten? In andere projecten die zijn gerelateerd aan de klimaatinspanning voor het Verdrag van Parijs?

Het kabinet creëert heldere kaders en zet een duidelijke stip op de horizon voor investeerders, met onder andere het Klimaatakkoord (Kamerstuk 32 813, nr. 263) en de Klimaatwet (Kamerstuk 34 534). Het Klimaatakkoord en de Klimaatwet bieden investeringszekerheid aan financiële instellingen, doordat hiermee de hoofdlijnen van het klimaatbeleid voor de komende decennia worden vastgelegd. De komende jaren zal de vertaling gemaakt worden van «doelen» naar «investeerbare projecten.» De taakgroep Financiering van het Klimaatakkoord heeft zich ingezet om de afstemming van vraag en aanbod van financiering beter op elkaar af te stemmen, en om mogelijke knelpunten te signaleren en op te lossen. Waar nuttig en nodig zal deze functie in samenwerking met Invest-NL worden verankerd. Daarnaast wordt op deelonderwerpen bezien welke partijen het beste als regisseur kunnen optreden bij het vlottrekken van investeringen in klimaatprojecten.

Verder faciliteert het kabinet de financieringsmarkt voor duurzame projecten onder andere door de uitgifte van groene obligaties. Eerder dit jaar heeft het Agentschap van het Ministerie van Financiën met succes zes miljard euro opgehaald. De opbrengst hiervan wordt geïnvesteerd in onder meer duurzame energie, het spoor en dijken. De groene obligatie zal heropend worden, zodat de doelomvang van tien miljard euro bereikt wordt.

Voor private financiers liggen er kansen, zoals in de verduurzaming van woningen en ander vastgoed. Veel woningeigenaren en verhuurders financieren de verduurzaming van hun woningen met spaargeld, door het verhogen van de hypotheek of een andere lening. De verduurzaming levert doorgaans een besparing op in de vorm van lagere energielasten voor de woningeigenaar. Ook kan verduurzaming het wooncomfort verbeteren. Soms komen energetische verbeteringen van woningen en andere gebouwen ook terug in de waarde van het gebouw. In het Klimaatakkoord staat dat er een breed palet aan toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden beschikbaar zal zijn voor alle doelgroepen, zodat ook particuliere woningeigenaren de verduurzaming van hun woning kunnen financieren.

2. Een zorg van de leden van de VVD-fractie is dat de beoogde standaardisatie niet moet leiden tot een dichotomie tussen «groene» en «grijze» beleggingen. Een containerschip dat overschakelt van stookolie op een schonere fossiele brandstof wordt allicht aangemerkt als «grijze» investering, terwijl de milieuwinst van zo’n investering zeer groot kan zijn. Met andere woorden: in de taxonomie zou de «duurzame delta» moeten worden meegenomen. Deelt de Minister de mening dat in de taxonomie de «duurzame delta» zou moeten worden meegenomen?

De inzet van het kabinet is om met de taxonomie de transitie naar een groenere en duurzamere economie te bevorderen. Het kabinet zet zich daarom in om alle economische activiteiten die noodzakelijk zijn voor het behalen van de langetermijndoelen van het Klimaatakkoord van Parijs op te kunnen nemen als «groene activiteiten» op het gebied van de klimaatdoelstellingen. Ook zogenaamde «transitionele activiteiten» zijn nodig om de klimaatdoelen te bereiken, mits deze niet leiden tot een onwenselijke «padafhankelijkheid», waarbij huidige investeringen het behalen van de klimaatdoelen in de toekomst in de weg staan (het zogeheten «lock-in»-effect). De Raadspositie bevat ook passages die het meenemen van zulke transitionele activiteiten in de taxonomie toestaat. Van het opnemen van dergelijke activiteiten in de groene taxonomie gaat een wenselijke positieve prikkel uit. Daarbij geldt dat de drempel voor deze activiteiten om in aanmerking te komen voor het predicaat «groen», mee dient te bewegen met de meest recente wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

3. Ligt aan de uitspraak dat «vergroening van balansen in de financiële sector leidt tot meer stabiliteit» een vermoeden of empirisch onderzoek ten grondslag?

Een groeiend aantal internationale instituties, waaronder van de wetenschap, het IMF, de Bank of International Settlements (BIS) en het Netwerk van Centrale Banken en Network For Greening the Financial System (NGFS) brengt de milieugerelateerde risico’s voor de financiële sector in kaart. DNB noemt risico’s als gevolg van klimaatverandering en de energietransitie «sluimerend» voor de internationale financiële stabiliteit in haar halfjaarlijkse Overzicht Financiële Stabiliteit. De mondiale afspraken om de opwarming van de aarde te beperken vereisen een transitie naar een energievoorziening met een veel lagere uitstoot van broeikasgassen. Disruptief klimaatbeleid, een snelle technologische verandering en de onzekerheid omtrent klimaatbeleid kunnen leiden tot forse afschrijvingen voor financiële instellingen, zoals DNB in haar eerste klimaatstresstest uit 2018 laat zien. Met het vergroenen van hun balans in lijn met (verwacht) milieubeleid anticiperen financiële instellingen hierop en zijn ze minder vatbaar voor dergelijke risico’s.

4. Hoe verhoudt de overweging om accountants een grotere rol te geven zich tot de werkzaamheden van de commissie toekomst accountancysector?

Zoals ik in de verkenning van de markt voor groene financiering1 schrijf, is het van belang dat er meer data, standaarden en transparantie komen op het gebied van duurzaamheid. Ik ben van mening dat er verdere stappen noodzakelijk zijn ten aanzien van het harmoniseren van het meten van klimaatimpact, alsmede ten aanzien van de kwaliteit van onderliggende data.

Accountants hebben vanouds deskundigheid met betrekking tot het beoordelen van de kwaliteit van financiële informatie. Maar ook de niet-financiële informatie in het bestuursverslag is al sinds lange tijd onderwerp van de wettelijke controle door de accountant. Dit betekent dat de accountant dient na te gaan of de niet-financiële informatie in het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening. Ook dient de controlerende accountant na te gaan of er, in het licht van de tijdens het onderzoek van de jaarrekening verkregen kennis en begrip omtrent de rechtspersoon en zijn omgeving, materiële onjuistheden in het bestuursverslag staan. De aard van de onjuistheid geeft de accountant aan in de controleverklaring.

Naarmate de rol van niet-financiële informatie (waaronder bijvoorbeeld klimaatdata) verandert, brengt dat ook vragen met zich mee rond de rol en benodigde expertise van de accountant. De Commissie toekomst accountancysector gaat in haar voorlopige bevindingen op dit vraagstuk in. De komende jaren zal, mede in het licht van eventuele aanbevelingen in het definitieve rapport van de commissie, moeten worden bezien welke rol accountants precies kunnen spelen in het verifiëren van klimaatdata, en of andere partijen, naast accountants, hierbij een rol (kunnen) hebben. Daarbij is voor mij leidend dat deze verificatie op een zo efficiënt mogelijke en juiste manier wordt vormgegeven, waarbij ook oog is voor de andere maatschappelijke taken die een accountant heeft.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van CDA

5. Zijn de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) voldoende geëquipeerd om toezicht te houden op aanbieders van financiële producten en consumenten te beschermen? Moet de toezichtcapaciteit worden uitgebreid? En zo ja, hoe wordt uitbreiding van de toezichtscapaciteit gefinancierd? Komt dat alleen ten laste van aanbieders van groene financiële producten of wordt dat over alle aanbieders aangeslagen?

Als onderdeel van het Actieplan Duurzame financiering is wetgeving in aantocht die is gericht op het vergroten van transparantie rond duurzaamheid in de financiële sector. Dit zal bij de toezichthouders ruimte vergen om op de naleving toe te zien. De toezichthouders zijn al geruime tijd aan het investeren in kennis en capaciteit op het gebied van duurzaamheid. De exact benodigde capaciteit hangt af van de uitwerking van de onder het Actieplan vallende voorstellen. Die voorstellen worden nog uitgewerkt.

Afhankelijk van de uitwerking zal worden bezien of dit consequenties heeft voor de toezichtcapaciteit. Zodra duidelijk is of meer capaciteitsinzet nodig is, zal worden bezien wat de gevolgen zijn voor de kosten van het doorlopend toezicht en of aanpassing van de verdeling van deze kosten noodzakelijk is.

6. Financiële producten zijn immers steeds meer grensoverschrijdend. Op welke wijze gaan andere EU-lidstaten daarmee om?

De verordeningen die onder het Actieplan vallen hebben een rechtstreekse werking in alle lidstaten. De bekostiging van het toezicht is een nationale competentie en varieert als gevolg daarvan per lidstaat.

7. Hoe het zit met het toezicht op producten van aanbieders die gevestigd zijn in niet EU-lidstaten. Op welke wijze kunnen consumenten van deze financiële producten verzekerd zijn van het groene karakter van deze producten?

Een financiële instelling met een zetel in een staat buiten de EU kan financiële producten in een lidstaat aanbieden, indien de financiële instelling daarvoor een vergunning heeft gekregen van de toezichthouder van de desbetreffende lidstaat. Daarbij dient de instelling te voldoen aan alle relevante wetgeving, waaronder die op het gebied van duurzaamheid, zoals de verordening «Informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico’s.» De bevoegde toezichthouder is dan verantwoordelijk voor het toezicht.

8. Is een gemeenschappelijke taal op het gebied van CO2 in de ogen van het kabinet een eerste stap, of is de uiteindelijke wens om ook te sturen op andere voor het klimaatverstorende elementen zoals stikstof en ammoniak?

De door de Europese Commissie voorgestelde taxonomie strekt breder dan klimaatdoelstellingen alleen. De gemeenschappelijke taal richt zich dus niet uitsluitend op CO2 (of andere broeikasgassen). De taxonomie bevat in de huidige opzet zes verschillende milieudoelstellingen2. Hieronder bevinden zich ook doelstellingen als «bescherming van gezonde ecosystemen» en «duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen.» Volgens het voorstel van de Europese Commissie zullen deze doelstellingen later dan de klimaatdoelstellingen per gedelegeerde handeling worden uitgewerkt. Het kabinet steunt deze benadering.

9. Klopt het beeld dat de financiële sector in Nederland vooroploopt wanneer het gaat om kennis van groene producten?

De Nederlandse financiële sector loopt internationaal gezien voorop waar het groene financiering betreft. Nederlandse instellingen zitten in de voorhoede bij de toepassing van mondiale initiatieven, zoals de Task Force on Climate Related Disclosures (TCFD) en Principles on Responsible Investment (PRI). Daarnaast vinden Nederlandse initiatieven in toenemende mate voet aan de grond in het buitenland, zoals het van oorsprong Nederlandse Platform for Carbon Accounting Financials (PCAF). Ook wordt vanuit het buitenland met interesse gekeken naar het Nederlandse klimaatcommitment van de financiële sector. Zo heeft Nederland tijdens de UN SG Summit in New York in september een evenement medegeorganiseerd rond het meten van klimaatimpact in de financiële sector, waarbij ook de inzet van de Nederlandse financiële sector is gepresenteerd. Ook in Brussel is tijdens verschillende ambtelijke commissies aandacht besteed aan Nederlandse initiatieven, waaronder aan het klimaatcommitment van de financiële sector. Recent heeft er op ambtelijk niveau ook uitwisseling plaatsgevonden met Duitsland over de werkwijze van het Nederlands commitment.

Daarnaast wordt vanuit het buitenland met interesse gekeken naar de vormgeving van de uitgifte van de groene staatsobligatie. Nederland deelt zijn kennis en ervaring met uitgevers van schuld die eveneens een groene obligatie overwegen. Erkenning hiervoor blijkt uit de prijs die de Nederlandse staatsobligatie won in de vorm van de Most Innovative Green / SRI Bond Deal of the Year bij het Global Capital Sustainable and Responsible Capital Markets Forum.

Zoals ik schreef in de verkenning zal ik mij ervoor blijven inzetten om de goede initiatieven in het buitenland onder de aandacht te brengen.

10. Is de vraag in Nederland naar groene financiële producten ook groter dan elders in Europa?

Het kabinet beschikt niet over cijfers om deze vraag kwantitatief te beantwoorden. Het ontbreekt op dit moment aan internationale, eenduidige definities die nodig zijn om het antwoord op deze vraag te geven. Feit is wel dat Nederlandse consumenten kunnen kiezen uit financiële instellingen met een uiteenlopend profiel op duurzaamheid, en de Nederlandse consument daarmee op dit terrein in verhouding tot andere landen meer te kiezen heeft.

Er zijn ook aanwijzingen dat er onder Nederlandse institutionele beleggers relatief veel vraag is naar groene financiële producten, bijvoorbeeld bij de uitgifte van de groene staatsobligaties afgelopen mei. De ervaring van de uitgifte van de groene staatsobligatie is dat er, naast in Nederland, ook relatief veel groene investeerders in Scandinavië en Frankrijk zijn.

11. Op welke wijze kan de kennis van Nederlandse financiële sector vermarkt worden in andere Europese landen en misschien wel daarbuiten? En kan de Nederlandse overheid daarin een rol spelen, of ziet het kabinet voor zichzelf daarin geen rol?

Zie het antwoord op vraag 9.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

12. Hoe kan de klimaatintensiteit van leningen en investeringen van Nederlandse financiële instellingen transparanter worden?

De Nederlandse financiële sector heeft zich in het kader van het Klimaatakkoord gecommitteerd om het CO2-gehalte te gaan meten van alle relevante beleggingen en financieringen en hierover publiekelijk te rapporteren vanaf boekjaar 2020. Ik ben van mening dat dit een belangrijke stap is in het inzichtelijker maken van de klimaatimpact van de leningen en beleggingen van Nederlandse financiële instellingen.

Verschillende Nederlandse financiële instellingen hebben zich verenigd in het Platform Carbon Accounting Financials (PCAF). PCAF heeft voor verschillende activaklassen methodes ontwikkeld om de uitstoot van die onderliggende activa te bepalen. Andere methodes, zoals PACTA, maken gebruiken van scenario’s om te bepalen welke technologische veranderingen, zoals de transitie van fossiele naar hernieuwbare energie, er in emissie-intensieve sectoren nodig zijn om de klimaatdoelen van het Klimaatakkoord van Parijs te behalen.

De meetmethodes die financiële instellingen hanteren voor het berekenen van de klimaatimpact zijn nog in ontwikkeling. Ik vind het van belang dat de resultaten van metingen vergelijkbaar worden en er stappen worden gezet om metingen te verbeteren en te verdiepen. Dat was ook de wens van uw Kamer, zoals die is geuit via de motie-Sneller. Ik ben daarom blij dat de financiële sector, als onderdeel van het bovengenoemde commitment, zich hieraan heeft verbonden.

13. Hoe staat het met de uitvoering van de motie Sneller (Kamerstuk 32 013, nr. 208) om te komen tot een duurzame bijsluiter zodat klanten weten wat er met hun spaargeld gebeurt?

Ook hier zijn recent belangrijke stappen op gezet, door middel van het akkoord in de EU op de verordening «informatieverschaffing betreffende duurzaamheid in de financiële dienstensector». Met deze verordening wordt op het gebied van beleggingsproducten invulling gegeven aan de motie-Sneller. De verordening is 15 maanden na publicatie van de verordening in het publicatieblad van de Europese Unie (naar verwachting halverwege 2021) van toepassing op aanbieders van beleggingsproducten, vermogensbeheerders en beleggingsadviseurs die onder de verordening vallen.

Op grond van deze verordening dienen financiële instellingen in de precontractuele informatie over een beleggingsproduct op te nemen in hoeverre bij beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met duurzaamheidsrisico’s en de impact van duurzaamheidsrisico’s op het rendement van het beleggingsproduct. Wanneer een financiële instelling van mening is dat de impact van duurzaamheidsrisico’s niet relevant is voor het desbetreffende beleggingsproduct, dan dient de financiële instelling dit toe te lichten.

Daarnaast dienen financiële instellingen die namens hun klanten beleggen, transparant te zijn over in hoeverre duurzaamheidsrisico’s zijn geïntegreerd in hun beleggingsbeleid. Tevens dienen deze instellingen op hun website te publiceren of er rekening wordt gehouden met de negatieve impact van investeringsbeslissingen op Environmental, Social and Governance (ESG) factoren en zo ja, dan dient het due diligence beleid te worden gepubliceerd (via een comply or explain procedure).

Indien een beleggingsproduct wordt aangeboden als een «duurzaam financieel product» dient in de precontractuele informatie te worden genoemd hoe het bijdraagt aan verduurzaming.

Ik ben van mening dat hiermee een belangrijke stap wordt gezet om consumenten meer inzicht te geven in de duurzaamheid van financiële instellingen. Tegelijkertijd zal ik mij de komende jaren er voor blijven inzetten dat transparantie voor consumenten ten aanzien van duurzaamheid verder wordt bevorderd.

14. Welke stappen gaat het kabinet zetten om in Nederland tot één meetmethode te komen?

Met het ondertekenen van het commitment van de financiële sector in het kader het Klimaatakkoord, verbinden de ondertekenaars zich aan een proces om onderling ervaringen te delen, resultaten vergelijkbaar te maken en stappen te zetten om de meting te verbeteren en te verdiepen.

Op dit moment zijn de methodieken voor het meten van CO2-impact van financiële instellingen nog sterk in ontwikkeling. Het kabinet steunt daarom een ingroeimodel, waarbij ook aansluiting wordt gezocht bij internationale ontwikkelingen. Tegelijkertijd betekent «vrijwillig» niet «vrijblijvend», en blijf ik volgen of er voldoende voortgang wordt gemaakt.

Ik zie dat de sector zelf eerste stappen zet om meetmethodes inzichtelijk te maken, en te bezien hoe deze elkaar kunnen aanvullen en versterken. Onder de vlag van de NVB is recentelijk een eerste stap gezet om verschillende meetmethodes inzichtelijker te maken. De NVB geeft in dit werkdocument ook aan dat er tussen verschillende meetmethodes wordt bezien hoe deze elkaar kunnen aanvullen en versterken.3 Ik moedig financiële instellingen en hun koepels aan om hier stappen op te blijven zetten.

15. Focust het kabinet zich ook op investeringen die niet duurzaam zijn en die de klimaatdoelen van Parijs tegenwerken?

Het commitment van de financiële sector draagt eraan bij dat instellingen scherper zicht krijgen op beleggingen en financieringen die niet bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. Financiële instellingen zullen, ook als onderdeel van hun recente commitment, uiterlijk in 2022 met actieplannen komen om bij te dragen aan het Klimaatakkoord van Parijs.

In het kader van de taxonomie heeft Nederland steun uitgesproken voor de positie van het EP, om op termijn te bezien of de taxonomie ook aangevuld kan worden met een lijst met niet-duurzame activiteiten.

16. Ziet het kabinet mogelijke maatregelen om niet duurzame investeringen te verminderen?

Zoals in de verkenning wordt aangegeven ligt het primaat om niet-duurzame investeringen terug te dringen bij beleid voor de reële economie. De verschillende maatregelen uit het Klimaatakkoord kunnen daaraan bijdragen. Daarmee worden niet-duurzame investeringen relatief onaantrekkelijk.

Tegelijkertijd deel ik de wens dat financieringsstromen in lijn worden gebracht met de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs. Daarom ben ik blij dat de financiële sector in het commitment heeft afgesproken om te komen met actieplannen om bij te dragen aan het behalen van het Klimaatakkoord van Parijs. In het kader van de taxonomie heeft Nederland steun uitgesproken voor de positie van het Europees Parlement om op termijn te bezien of een lijst kan worden gemaakt met niet-duurzame activiteiten.

17. Zal het kabinet zich breder inventariseren als het gaat om klimaatbeleid dan alleen fossiele brandstoffen?

Ik deel de mening dat aandacht nodig is voor alle aspecten van het klimaatbeleid. Duurzaamheid is een holistisch begrip. Juist daarom heeft Nederland er tijdens de behandeling van dit voorstel in de Raad op ingezet om een breed duurzaamheidsbegrip goed te bewaken, zodat naast de klimaatimpact, ook onder meer natuur, biodiversiteit en ecosysteemdiensten worden meegenomen. Een duurzame investering zou zodoende beoordeeld moeten worden op meerdere aspecten, waaronder ook op de effecten op ontbossing. Daarnaast heeft Nederland zich ook ingespannen voor opname van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UNGP’s als minimale standaarden in het voorstel van de Commissie. Deze punten zijn geïncorporeerd in het Raadscompromis en Nederland zet zich ervoor in om deze tijdens de trilogen te behouden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GL

18. Is de Minister bereid regelgevende interventies te plegen om de aantrekkelijkheid van niet-duurzame activa verder terug te dringen, mocht (bijvoorbeeld uit klimaatstresstesten) blijken dat het niet voldoende rekenschap geven van klimaatrisico’s een negatieve invloed heeft op de financiële stabiliteit dan wel noodzakelijke verduurzaming?

Ik vind het van belang dat financiële instellingen en toezichthouders voldoende aandacht besteden aan klimaatgerelateerde risico’s. Tot mijn genoegen worden deze risico’s inmiddels steeds verder geïncorporeerd in (internationale) financiële wet- en regelgeving. Zo zijn de klimaatgerelateerde risico’s meegenomen in de kapitaal- en toezichtsraamwerken voor banken en is – als onderdeel van de recente herziening van het kapitaaleisenraamwerk – de Europese bankenautoriteit gevraagd nader onderzoek te doen naar duurzaamheidsrisico’s. Daarnaast is beheersing van ESG-risico’s sinds 2019 expliciet onderdeel van de Pensioenwet.

Met de nieuwe wetgeving voor de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA’s), wordt ook expliciet mandaat gegeven om mogelijke milieugerelateerde risico’s mee te nemen in het stresstestregime. Ik ben van mening dat, wanneer toezichthouders constateren dat financiële instellingen onvoldoende aandacht besteden aan deze risico’s, zij hier in hun toezichtdialoog met instellingen aandacht aan dienen te besteden.

19. Is de Minister in een dusdanige context bijvoorbeeld bereid zich hard te maken voor het aanscherpen van de kapitaalstandaarden voor niet-duurzame activa?

Ik ben van mening dat eerst een scherper beeld moet worden gevormd van de verschillen tussen risico’s tussen duurzame en niet-duurzame investeringen. Daar doet de EBA nu ook onderzoek naar. Ook het Network of Central Banks and Supervisors for Greening the Financial System (NGFS) bekijkt deze risico’s nader.

Op dit moment hebben toezichthouders al mogelijkheden om instellingsspecifieke risico’s aan te pakken, en bijvoorbeeld te vereisen dat extra eigen vermogen wordt aangehouden, of interne risicobeheersprocessen worden aangescherpt.

Daarbij wil ik opmerken dat ik het niet verstandig vind om het prudentieel kader te gebruiken om maatschappelijk wenselijke investeringen te bevoordelen. Het prudentieel kader dient risico-gebaseerd te blijven.

20. Welke andere maatregelen overweegt de Minister in een dergelijke context? Ziet de Minister dergelijke maatregelen daarnaast als bevorderend om de discrepantie te verkleinen tussen wat de Minister «de horizon van de investeerder» en termijn van de economische transitie noemt? Welke andere maatregelen ziet de Minister voor zich deze discrepantie te verkleinen?

Zoals hierboven genoemd steun ik de inzet van het Europees Parlement ten aanzien van de taxonomie om op termijn te bezien of een lijst met niet-duurzame activiteiten wenselijk is. Ook blijf ik in Europees en internationaal verband erop inzetten dat financiële instellingen en toezichthouders een scherper beeld krijgen van de klimaatgerelateerde risico’s die financiële instellingen lopen. Deze maatregelen dragen er ook aan bij dat financiële instellingen een sterkere focus zullen hebben voor de langetermijnimpact en risico’s van investeringen.

Daarnaast werken de Europese toezichthouders op verzoek van de Europese Commissie aan een advies over de wijze waarop de nadruk op de korte termijn binnen de financiële sector kan worden teruggebracht. Ik wacht deze adviezen met interesse af.

21. Ziet de Minister extra redenen aandeelhouders (via een bail-in) in plaats van belastingbetalers (via een bail-out) een in nood verkerende bank financieel te redden op het moment dat deze financiële nood voortkomt uit gebrek van rekenschap van klimaatrisico’s.

Het principe van bail-in geldt sowieso, ongeacht door welke risico’s een bank in problemen is gekomen. Daarmee wordt zorggedragen dat de risico’s voor belastingbetalers worden beperkt als banken in problemen komen.

22. Ziet de Minister een relatie tussen de concentratie van uitzettingen in sectoren die het leeuwendeel van de CO2-uitstoot veroorzaken langere termijn risico’s voor de kapitaalgedekte pensioenvoorziening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft de Minister al gezet en gaat de Minister de komende tijd zetten om deze risico’s te adresseren?

Voor een goed pensioen is het nodig om rendement op premie-inleg te behalen. Pensioenfondsen beleggen daarom de premie van hun deelnemers. Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen is blootgesteld aan allerlei vormen van risico, waaronder ook risico’s als gevolg van klimaatverandering en de energietransitie.

Pensioenfondsen dienen in hun beleggingsbeleid te voldoen aan eisen die de Pensioenwet aan hen stelt. Op grond van de wet dienen pensioenfondsen te beleggen op basis van het prudent person-beginsel. Daarbij dienen pensioenfondsen in het risicobeheer in het bijzonder ook rekening te houden met risico’s in verband met de klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving («gestrande activa»). DNB houdt hier toezicht op. Hiernaast hebben de Europese toezichthouders expliciet mandaat gekregen om milieugerelateerde systeemrisico’s in stresstesten te benutten.

Dat laat onverlet dat zowel toezichthouders als financiële instellingen zelf meer ervaring dienen op te doen met de risico’s die instellingen lopen als gevolg van klimaatverandering en de energietransitie, zoals ik ook in mijn verkenning schrijf.

23. Welke stappen overweegt de Minister op het moment dat het ambitieniveau van deze stappen niet proportioneel is met de in het Klimaatakkoord, waar de financiële sector zich aan gecommitteerd heeft, gestelde doelen?

De financiële sector heeft zich gecommitteerd om uiterlijk in 2022 aan te geven wat hun reductiedoestelling is voor 2030. Op dit moment werk ik samen met de sector een borgingsstructuur uit. De sector geeft aan hier ambitieus in te zijn. Dit ligt ook in het verlengde van hun eigen belang. De transitie naar een groenere en duurzamere economie biedt hen immers kansen, en ook voor henzelf is het wenselijk om een toekomstbestendige balans te hebben. Ik blijf de ontwikkelingen met betrekking tot het ambitieniveau volgen.

24. Waarom de Minister zich beroept op het argument van het tegengaan van disproportionele administratieve lasten in zijn pleidooi tegen een uitbreiding van de taxonomie naar alle activa, maar diezelfde administratieve lasten niet als doorslaggevend problematisch beschouwt in zijn pleidooi voor een taxonomie voor groene investeringen.

Het doel van het voorstel is om groenwassen tegen te gaan. Kopers van groene financiële producten moeten er zeker van kunnen zijn dat de activa die met een groen financieel product gefinancierd worden ook daadwerkelijk duurzaam zijn. Met de zekerheid die hiermee gepaard gaat, wordt het aantrekkelijker voor klanten om duurzame producten aan te schaffen. Ik verwacht dat het voorstel hiermee de markt voor duurzame financiering zal bevorderen.

Bij beleggingsproducten die niet als duurzaam worden aangeboden, speelt het risico op groenwassen niet. Vanuit de proportionaliteit ten aanzien van de administratieve lasten volgt dan logischerwijs dat bij niet-duurzame producten er niet aan deze informatieverplichting te hoeft worden voldaan.

25. Deelt de Minister de mening dat de te ontstane asymmetrie in administratieve lasten juist die financiële instellingen die nu al meer in «groen» zitten benadeelt ten opzichte van instellingen met een relatief grote «niet-groene» portfolio?

Ik verwacht dat werkelijk groene partijen baat zullen hebben bij de taxonomie. Zij kunnen zich met dit voorstel objectiveerbaar onderscheiden van partijen die groenwassen. Daarnaast verwacht ik dat het marktaandeel voor «groen» als gevolg van dit voorstel zal toenemen. Met het wegnemen van onzekerheid over het daadwerkelijke gehalte duurzaamheid van een financieel product, wordt het voor klanten aantrekkelijker om dergelijke producten aan te schaffen.

Het voorstel brengt administratieve lasten met zich mee voor aanbieders van duurzame financiële producten, maar ik verwacht dat deze op termijn zullen afnemen. Ik heb zelfs de hoop dat de administratieve lasten van aanbieders van duurzame producten op termijn juist lager zullen worden als gevolg van dit voorstel, omdat één gemeenschappelijke taal de communicatie in de financiële sector over duurzaamheid eenduidiger maakt. Ook verwacht ik dat juist partijen die kunnen bogen op veel ervaring met het aanbieden van duurzame financiële producten, gemakkelijker aan de vereisten kunnen voldoen.

26. Neemt het gelijktrekken van administratiekosten voor alle activa een hobbel weg die nu ontstaat voor instellingen om hun portfolio te verduurzamen, omdat deze gelijktrekking waarborgt dat verduurzaming niet langer voor extra lastendruk zorgt? Hoe beziet de Minister zijn nadruk op het tegengaan van kosten door administratieve lasten in het licht van het feit dat de grootste vervuilende financiële instellingen ook de instellingen zijn met relatief hoge marges, winsten en financiële reserves?

Financiële instellingen maken hun investeringsbeslissingen traditioneel op basis van verwachtingen ten aanzien van kosten, risico’s en rendement. In lijn daarmee nemen financiële instellingen reeds in toenemende mate de maatschappelijke effecten van hun financieringen en beleggingen mee in hun investeringsafwegingen, mede onder druk van aandeelhouders en klanten. Het kabinet vindt het van belang dat financiële instellingen onder meer milieueffecten meewegen in hun beleid. Daartoe voert het kabinet beleid dat groene investeringen verhoudingsgewijs aantrekkelijker maakt.

Administratieve lasten die het gevolg zijn van wetgeving spelen ook een rol in investeringsbeslissingen. Ik heb oog voor de administratieve lasten die gepaard gaan met wetgeving. Administratieve lasten dienen in verhouding te staan tot het beoogde doel, en dat is bij het voorstel in de huidige vorm: het tegengaan van groenwassen. Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag aangegeven heb, verwacht ik dat juist werkelijk groene partijen daar baat zullen hebben bij dit voorstel.

27. Waarom wordt vanuit duurzaamheidsoogpunt wel belang gehecht aan het nemen van maatregelen die de markt voor duurzame financiering bevorderen, maar geen maatregelen van dezelfde soort neemt om de markt voor bruine financieringen transparanter te maken.

De financiële sector heeft zo snel mogelijk duidelijkheid nodig in welke economische activiteiten investeringen nodig zijn. Dit vormt een belangrijk deel van de Nederlandse inzet binnen de onderhandelingen over de taxonomie.

Dat laat onverlet dat ik van mening ben dat financiële instellingen inzicht dienen te krijgen in de klimaatimpact van hun financieringen en beleggingen. In het Klimaatakkoord heeft de financiële sector zich hieraan gecommitteerd door (uiterlijk) over boekjaar 2020 te rapporteren over de klimaatimpact van hun beleggingen en financieringen. Zoals aangegeven in de verkenning zal ik er ook in Europees en internationaal verband op inzetten dat hier verder aan wordt gewerkt.

Het Europees Parlement heeft bij de onderhandeling van de taxonomie de positie ingenomen dat de Commissie drie jaar na inwerkingtreding met een impactanalyse dient te komen waarin wordt gekeken of de taxonomie kan worden verbreed naar activiteiten die een negatieve milieu-impact hebben. Dit dient in samenhang te worden bezien met de doelstelling van de taxonomie. In aansluiting op het Nederlandse commitment, is dit een benadering die op steun van Nederland kan rekenen in de triloogfase.

28. Hoe wordt voorkomen dat investeringen die niet voldoen aan de standaarden zoals uiteengezet binnen de groene taxonomie alsnog als ecologisch acceptabel in de markt gezet kunnen worden (groenwassen). Hoe wil de Minister dit risico ondervangen?

De taxonomie, zoals die door de Europese Commissie is voorgesteld, is in de basis een transparantieverplichting. Financiële instellingen die een beleggingsproduct als «ecologisch duurzaam» aanbieden, moeten hun klanten informeren over hoe de beleggingen in het product zich verhouden tot de taxonomie. Met deze systematiek wordt transparant dat beleggingen die niet voldoen aan deze standaarden niet in lijn zijn met de taxonomie. Dit stelt de klant in staat om een goed geïnformeerde keuze te maken. De taxonomie kan vervolgens worden gebruikt als basis voor keurmerken, zoals een Europese standaard voor groene obligaties en een Ecolabel voor financiële producten.

29. Wat is de voornaamste reden van de Minister om in het kader van de definiëring van «niet-duurzame» investeringen nog drie jaar te wachten op de evaluatie van de groene taxonomie door het Europees Parlement en niet nu al een koplopersrol neemt om zich voor deze definiëring hard te maken.

Het kabinet zet in op een snelle inwerkingtreding van dit voorstel. De financiële sector heeft zo snel mogelijk duidelijkheid nodig in welke economische activiteiten investeringen nodig zijn. Dit vormt een belangrijk deel van de Nederlandse inzet binnen de onderhandelingen over de taxonomie.

Het analysen van de impact van het verbreden van de taxonomie naar activiteiten die een negatieve milieu-impact hebben kan ook rekenen op steun van Nederland. Het kabinet is echter van mening dat dit de snelle inwerkingtreding van de taxonomie voor duurzame investeringen niet in de weg zou moeten staan.

30. Hoe beziet de Minister het verschil beziet tussen de doelstellingen van Invest-NL en het in de Miljoenennota aangekondigde investeringsfonds?

Invest-NL zal met ontwikkelactiviteiten en financiering bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke transitieopgaven door ondernemingen en aan het bieden van toegang tot ondernemingsfinanciering, indien de markt hierin onvoldoende voorziet.

In de Miljoenennota is aangekondigd dat de Ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën onderzoeken hoe een investeringsfonds kan worden opgericht om het verdienvermogen te versterken. Zij rapporteren hierover begin 2020 aan de Kamer. Het aangekondigde investeringsfonds zal worden ingezet voor verstandige publieke investeringen ten bate van ons verdienvermogen op de lange termijn. Kennisontwikkeling, research & development (R&D) en innovatie en infrastructuur lijken de terreinen die het meest kunnen bijdragen aan productiviteitsgroei.

In het onderzoek naar het fonds zal aandacht worden besteed aan de relatie met Invest-NL. Het belangrijkste verschil tussen beide is dat Invest-NL financiert op basis van een rendabele businesscase, zij het met de nodige risico’s omgeven. Risico’s die nog te groot zijn om alleen door bestaande marktpartijen gedragen te worden. Bij het fonds gaat het in principe om bekostiging van uitgaven die niet in een private businesscase rendabel te maken zijn maar wel op maatschappelijk niveau een positief effect hebben op het verdienvermogen van Nederland als geheel.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van SP

31. Welk bewijs er is er dat de taxonomie wel verregaand genoeg is en niet ook is afgezwakt door een lobby?

Het is van belang dat er bij het definiëren van duurzame economische activiteiten wordt aangesloten bij de meest recente wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen. Hierbij past dat de Europese Commissie zich laat adviseren door experts uit zowel de wetenschap, overheidsorganisaties, stakeholders uit de private sector en het maatschappelijke middenveld. De vaststelling van de taxonomie is echter aan de overheid. Daarbij zet Nederland zich er voor in dat er een juiste balans wordt gezocht tussen delegatie aan de Commissie enerzijds en voldoende betrokkenheid van lidstaten anderzijds.

32. Kan de Europese taxonomie als voldoende «ambitieus» worden gezien?

Nederland zet zich tijdens de onderhandelingen er voor in dat de taxonomie ambitieus wordt vormgegeven. Onderdeel van deze inzet is de inzet op aansluiting bij het Klimaatakkoord van Parijs, een brede definitie van duurzaamheid (economische activiteiten die als duurzaam worden aangemerkt, dienen geen aanzienlijke negatieve impact te hebben op andere milieudoelstellingen), het dienen te voldoen minimumnormen op het gebied van MVO (de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights), en een realistische, maar snelle implementatie van de taxonomie.

Ten aanzien van de Nederlandse inzet op het gebied van de reikwijdte, verwijs ik naar het antwoord op vraag 23.

33. Hoe wordt toegezien op het «sterker» laten meewegen van klimaateffecten in investeringen?

De wereld staat voor een grote transitie naar een groene economie. Dit vraagt een bijdrage van alle economische sectoren. De middelen die banken, pensioenfondsen, verzekeraars en andere vermogensbeheerders beheren en investeren, zijn een belangrijke bouwsteen in deze vergroening.

Overheidsbeleid dat zorgt voor beprijzing van externaliteiten, zoals het Europese emissiehandelssysteem of de CO2-heffing voor de industrie, maakt het aantrekkelijker voor de financiële sector om geld te alloceren naar «groen». In het Klimaatakkoord presenteert het kabinet een afgewogen mix van maatregelen voor de energietransitie. Mijn verwachting is dat groene financieringen en beleggingen hiermee een gunstiger risico-rendementsprofiel krijgen. Daarnaast biedt helder klimaatbeleid financiële instellingen investeringszekerheid. Voor een nadere toelichting op het beprijzen van externaliteiten verwijs ik ook graag naar de brief de Staatssecretaris van Financien aan uw Kamer gestuurd heeft (Kamerstuk 32 140, nr. 47), waarin een toelichting wordt gegeven op het vergroenen van het belastingstelsels wereldwijd.

Hiernaast zet het kabinet in op het bevorderen van transparantie, informatie en standaardisatie ten aanzien van klimaatimpact.

De inspanningen van enerzijds het bredere klimaatbeleid en anderzijds het kwantitatiever maken van het in kaart brengen van klimaatimpact, zullen naar verwachting leiden tot zichtbare resultaten op allerlei terreinen. Daarbij valt te denken aan de ontwikkeling van de markt voor groene financiering en de ontwikkeling van het CO2-gehalte van de relevante financieringen en beleggingen, die in kader van het klimaatcommitment in kaart wordt gebracht.

34. Dient er alleen inzet te komen op het gebied van klimaat en CO2, of ook op andere onderwerpen zoals arbeidsomstandigheden en controversiële wapens?

Het kabinet zet zich in voor doelen die zich bevinden onder het bredere begrip van duurzaamheid. Denk daarbij aan beleid ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen. De afbakening die gekozen is in de verkenning komt voort uit de context waarbinnen uw Kamer de motie heeft ingediend, namelijk de overweging dat «de financiële sector een belangrijke rol kan spelen in het bereiken van de klimaatdoelstellingen.»

35. Dient de openheid slechts met betrekking tot CO2te worden gegeven of dat er ook gekeken wordt naar andere broeikasgassen, zoals methaan en lachgas.

Het commitment spreekt van CO2-gehalte, maar net zoals in het gehele klimaatakkoord worden daarmee ook CO2-equivalenten bedoeld.

36. Dient de ontsluiting van informatie wettelijk verplicht te worden, in plaats van op basis van vrijwilligheid?

Zie het antwoord op vraag 23.

37. Wat houdt «ervaring opbouwen met groene investeringen in»? Wanneer is er voldoende ervaring?

Het opbouwen van ervaring is een langjarig proces. Dit vraagt ook om een continue dialoog tussen alle betrokkenen over uitdagingen en oplossingen.

Wanneer financiële instellingen meer ervaring opbouwen op het gebied van groene financiering, gaan ze op een andere manier naar investeringsbeslissingen kijken. Financiële instellingen zijn gewend financieringsbeslissingen te nemen op basis van ervaringsgegevens. Maar die ervaringen uit het verleden zullen minder waarde hebben voor beslissingen ten aanzien van de energietransitie in de toekomst. Daar komt bij dat de transitie naar een groene economie mede wordt gedreven door innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen met een grote financieringsbehoefte, waarvan de bedrijfsmodellen en technologieën voor financiers nieuw zijn. Het is dus noodzakelijk dat instellingen hun ervaring uitbreiden.

Niet alleen voor financiële instellingen betekent dit een omslag. Prudentiële toezichthouders zullen kennis en ervaring moeten opbouwen ten aanzien van de risico’s die instellingen lopen als gevolg van klimaatverandering en de energietransitie. Gedragstoezichthouders zullen meer oog moeten hebben voor de wijze waarop groene en duurzame producten worden ontwikkeld en aangeboden, en zullen kennis en ervaring moeten opdoen om de processen voor de ontwikkeling van deze producten van de aanbieder en de informatievoorziening richting de klant te controleren.

Ook voor overheden geldt dat ervaring moet worden opgedaan met het faciliteren van groene financiering. De uitgifte van de groene staatsobligaties is hier een goed voorbeeld van omdat zo een bijdrage geleverd kon worden aan de verdere ontwikkeling van de groene kapitaalmarkt. Om tegemoet te komen aan de uitdagingen waar groene projecten voor staan, zal de staatsdeelneming Invest-NL bijdragen aan het meefinancieren bij investeringen op het gebied van onder andere energie en verduurzaming.

38. Waarom is niet gekozen voor duidelijke doelstellingen met bijbehorende sancties wanneer deze niet gehaald worden?

Zie het antwoord op vraag 23.

39. Waarom dienen externaliteiten «beter» te worden meegewogen bij investeringsafwegingen, en niet «volledig»?

Zie het antwoord op vraag 33.

40. Waarom verwacht het kabinet dat de maatregelen zullen leiden tot een belangrijke impuls voor de markt voor groene financiering?

Volgens het concept «de vervuiler betaalt» dient diegene die schade aanricht aan het milieu daar de kosten voor te dragen. Overheidsbeleid dat zorgt voor beprijzing van externaliteiten, zoals het Europese emissiehandelssysteem of de CO2-heffing voor de industrie, maakt het aantrekkelijker voor de financiële sector om geld te alloceren naar «groen». In het Klimaatakkoord presenteert het kabinet een afgewogen mix van maatregelen. Mijn verwachting is dat groene financieringen en beleggingen hiermee een gunstiger risico-rendementsprofiel krijgen. Daarnaast biedt helder klimaatbeleid financiële instellingen investeringszekerheid. Met het klimaatbeleid van het kabinet wordt dus een impuls gecreëerd voor de markt voor groene investeringen.

41. Wat wordt er specifiek gedaan om «greenwashing» te voorkomen en wie mogen er meepraten over de definitie van greenwashing? Worden NGO’s en de klimaatbeweging daarbij uitgenodigd?

Zie de antwoorden op vraag 28 en vraag 31.

42. Waarom zet het kabinet sterk in op IMVO-convenanten?

De IMVO-convenanten bieden sectoren en bedrijven een mogelijkheid om hun verantwoordelijkheid in te vullen om risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen te voorkomen en aan te pakken en om het initiatief te nemen deze verantwoordelijkheid samen met sectorgenoten en stakeholders verder op te pakken en te versterken.

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de Toekomst» (Bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) is afgesproken dat de IMVO-convenanten worden voortgezet en dat na twee jaar wordt bezien of, en zo ja welke, dwingende maatregelen genomen kunnen worden. Zoals reeds toegelicht per Kamerbrief van 11 juni 2019 (Kamerstuk 26 485, nr. 308), is het project «IMVO-maatregelen in perspectief» (werktitel) naar aanleiding van deze afspraak gestart.

Onderdeel van dit project is de evaluatie van de IMVO-convenanten. Deze evaluatie moet inzicht bieden in de elementen van het huidige beleid die goed werken en de elementen die verbeterd dienen te worden. De ontwikkelingen op EU-niveau worden ook meegenomen in dit project evenals de uitwerking van de algemene maatregel van bestuur voor de Wet Zorgplicht Kinderarbeid. Het project moet leiden tot hoofdlijnen voor nieuwe IMVO-maatregelen.

43. Wordt er ingezet op het duurder maken van fossiele investeringen? Zet het kabinet in op desinvestering van investeringen in onwenselijke sectoren zoals fossiel?

Zie de antwoorden op vraag 33 en vraag 40.

44. Instellingen met weinig medewerkers grote en invloedrijke hoeveelheden geld kunnen rondschuiven. Wordt ingezet op het criterium dat de financiële omvang van de instelling en het beheerde vermogen behelst?

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13, legt de verordening «informatieverschaffing betreffende duurzaamheid in de financiële dienstensector» financiële instellingen verschillende verplichtingen op ten aanzien van het transparant maken van overwegingen en risico’s rond duurzaamheid. Binnen deze verordening is op één deelonderwerp een uitzondering gemaakt op basis van het aantal medewerkers van een financiële instelling. Op deze manier wordt rekening gehouden met de nalevingskosten en capaciteit die het opstellen van een «due diligence» verklaring vergt. Financiële instellingen die meer dan 500 medewerkers hebben dienen altijd een verklaring op te stellen over hun «due diligence» beleid. Instellingen met minder medewerkers hoeven geen «due diligence» verklaring op te stellen als zij de nadelige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren niet in aanmerking nemen, het zogenaamde «comply or explain principe».