31 839 Jeugdzorg

Nr. 61 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 7 juni 2010

De algemene commissie voor Jeugd en Gezin1 heeft op 11 mei 2010 overleg gevoerd met viceminister-president, minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

  • de brief van minister voor Jeugd en Gezin d.d. 16 februari 2010 met verslag van een schriftelijk overleg inzake plan van aanpak arbeidsmarkt jeugdzorg (29 544, nr. 230);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 25 november 2009 inzake professionalisering van de jeugdzorg: wettelijk verplichte registratie en tuchtrecht (31 839, nr. 23);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin. d.d. 1 september 2009 inzake Plan van aanpak arbeidsmarkt jeugdzorg (29 544, nr. 202);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 27 mei 2009 met reactie op motie-Dezentjé Hamming-Bluemink c.s. (31 700 XVII nr. 15) over een actieplan voor de arbeidsmarkt voor de jeugdzorg, alsmede beleidsmaatregelen om de mogelijke tekorten aan zorgverleners in de jeugdzorg, d.d. 27 mei 2009 (31 700-XVII, nr. 43);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 2 november 2009 inzake Inhoud en uitvoering van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg en informatie over hoe niet BIG-geregistreerde medewerkers meelopen in het Actieplan Professionalisering Jeugdzorg (31 001, nr. 83);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 23 maart 2010 met verslag van een schriftelijk overleg over de brief van 27 november 2009 inzake het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 (31 839, nr. 52);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 23 maart 2010 inzake Wachtlijsten in de jeugdzorg (31 839, nr. 51);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 30 maart 2010 met antwoorden op vragen gesteld tijdens het algemeen overleg over gesloten jeugdzorg van 17 maart 2010 (31 839, nr. 53);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 13 april 2010 met reactie op rapporten Inspectie Jeugdzorg over de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming en risicomanagement bij Bureaus Jeugdzorg (31 839, nr. 58);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 13 april 2010 met reactie op handboek NFI over forensisch post-mortem-onderzoek bij minderjarigen (31 015, nr. 47);

  • de brief van de minister voor Jeugd en Gezin d.d. 1 april 2010 met reactie op motie-Langkamp om voortaan alle rapporten van de Inspectie Jeugdzorg direct naar de Kamer te sturen en over toezicht in de pleegzorg (31 839, nr. 55).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Heijnen

De griffier van de algemene commissie voor Jeugd en Gezin,

Teunissen

Voorzitter: Heijnen

Griffier: Sjerp

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Dezentjé Hamming-Bluemink, Dibi, Dijsselbloem, Langkamp, Van Toorenburg, Voordewind en Heijnen,

en minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Goedemiddag. Ik wens de mensen op de tribune, de minister, de medewerkers en de leden van de commissie voor Jeugd en Gezin van harte welkom. Wij hebben vanmiddag, voor het verkiezingsreces dat volgende week ingaat, een soort verzameloverleg over verschillende onderwerpen. Daarvoor hebben we maximaal zeven minuten spreektijd per lid van de commissie. Volgens de agenda duurt het overleg tot half acht, maar ik weet niet of de voorzitter het zo lang met een lege maag uithoudt, dus we gaan echt proberen om het wat te bekorten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Voorzitter. Het is inderdaad een heel AO geworden, dus ik ga maar gauw van start, te meer daar het debat dat eigenlijk plenair zou zijn, er ook in is opgenomen.

In een pleeggezin in Zeeland misbruikt de zoon des huizes vier pleegzusjes seksueel. Hij zit twee jaar in de bak, maar de kwetsbare kinderen die het overkwam, hebben levenslang, zoals in februari in De Telegraaf tot uitdrukking is gebracht. Voor de tweede keer verloren zij hun vertrouwen in volwassenen. Vanavond besteedt Netwerk aandacht aan een ander beest, om het zo maar te noemen, namelijk een pleegvader die zijn pleegzonen stelselmatig bedreigde en verkrachtte. Hoeveel weten we over wat er gebeurt in de samenleving? Kijk maar eens naar de actualiteit rondom de kerken en internaten. Dat is ook schokkend. Kan de minister aangeven hoe erg het is gesteld met seksueel misbruik binnen pleeggezinnen? Ik kan mij voorstellen dat dit niet bekend is, omdat er nooit onderzoek naar is gedaan. Ik vraag de minister in dat geval een onderzoek te gelasten naar misbruik binnen pleeggezinnen en de rol van de Raad voor de Kinderbescherming daarin mee te nemen. Als de minister hiertoe niet bereid is, overweeg ik hierover een motie in te dienen.

Pleegkinderen hebben recht op een veilige plek in het pleeggezin waarin zij moeten opgroeien. Het zijn kwetsbare kinderen, met vaak op jonge leeftijd al een beroerde geschiedenis achter de rug. Als de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen zelf ook de alarmklok luidt over slecht toezicht en slechte screening voor pleeggezinnen, is er echt wat aan de hand. De NVP meldt dat er wispelturig wordt gescreend en dat de procedures wel eens afgeraffeld worden, onder andere wegens de wachtlijsten. Kan de minister hierop reageren? Ik begrijp dat de screening in verband met een goede matching niet overal hetzelfde is, maar dat mag natuurlijk nooit tot gevaarlijke situaties leiden. Overweegt de minister om een onafhankelijke organisatie eenduidig werving, selectie en screening te laten uitvoeren? Dit is een open vraag wat mij betreft.

Pleegkinderen staan onder de hoede van de overheid en de minister voor Jeugd en Gezin is dus eindverantwoordelijk voor hun veiligheid, al helemaal tegenover de ouders die niet zelf voor hun kinderen kunnen zorgen. Er zijn schrijnende gevallen naar buiten gekomen die wat mij betreft nooit meer mogen voorkomen. Er zijn volgens de VVD-fractie meer maatregelen nodig. Wat blijkt? De inspectie heeft in mei vorig jaar al vastgesteld dat toezicht en screening op veel plaatsen onvoldoende waren. Kan de minister uitleggen welke acties hij heeft ondernomen en hoe de veiligheid van de pleegkinderen nu is gewaarborgd?

Het meest idiote wat ik ooit heb gehoord, is dat er in een pleeggezin in Zeeland waar ooit misbruik plaatsvond, nog steeds kinderen worden geplaatst. De directeur van Bureau Jeugdzorg verklaarde dit met de uitleg dat de kinderen anders helemaal naar Brabant moeten. Dit krijg ik niet aan mijn buurvrouw uitgelegd. Heeft de minister inmiddels landelijk beleid ingevoerd, zodat pleegouders in wier gezin misbruik heeft plaatsgevonden, gediskwalificeerd worden en nooit meer pleegkinderen kunnen opvangen? Dat zou ik heel logisch vinden. Heeft de minister dit al geregeld? Zo nee, is hij dan bereid om dat te doen? Ik overweeg hierover een motie.

Ook blijkt vaak dat signalen over misbruik niet goed worden opgepakt. Het helpt niet als een gezinsvoogd maar twee keer per jaar langskomt of als een pleegzorgbegeleider één keer per jaar even opbelt en vraagt hoe het gaat, zoals blijkt uit informatie van de NVP. Het schijnt beleid te zijn dat kinderen nooit alleen worden gehoord, of in ieder geval niet vaak genoeg. Kan de minister regelen dat er betere begeleiding komt en dat de kinderen ook apart, dus zonder pleegouders, hun zegje kunnen doen? Ik overweeg een motie in te dienen om dit als landelijk beleid in te voeren. Hoe kan het dat screening en toezicht hebben gefaald? Wat kan de minister nu zeggen om de ouders die een kind hebben dat in een pleeggezin verblijft, gerust te stellen?

Een onderwerp wat mij zeer na aan het hart ligt, en de minister ook, is kindermishandeling. Wij hebben hierover een heel kort debat gehad in het vragenuurtje. Wat mij betreft was dat toch niet bevredigend. Heeft de minister inmiddels van gedachten gewisseld met minister Klink om betere herkenning van kindermishandeling binnen de artsenopleiding goed te verankeren? Dat geldt trouwens voor iedereen die met jongeren werkt. Als kindermishandeling niet goed wordt herkend, wordt de verkeerde diagnose gesteld, met als gevolg dat ouders of wie er dan ook mee te maken heeft gehad, ten onrechte worden beticht van kindermishandeling, of dat de kindermishandeling waar die kinderen mee worden geconfronteerd, door blijft gaan. Dat moet echt onmiddellijk stoppen.

Die opleiding moet worden verbeterd. Graag een antwoord.

Verder hebben we gehoord dat het Nederlands Forensisch Instituut capaciteitsgebrek heeft. Het heeft te weinig mensen om goed forensisch onderzoek te doen. Dat geldt voor gevallen waarin bewezen moet worden dat kinderen inderdaad zijn mishandeld. Erger nog, dat geldt ook voor kinderen die zijn overleden, maar dat willen we natuurlijk voorkomen. Als er een wachtlijst is van maanden, heeft dat tot gevolg dat kinderen waarschijnlijk ook veel te lang bij pleegouders verblijven, terwijl dat misschien helemaal niet hoeft, omdat zij gewoon in hun gezin kunnen blijven, als blijkt dat het allemaal ten onrechte was. Ik heb begrepen dat dit voor €700.000 per jaar in redelijke mate kan worden opgelost. Kan de minister erin voorzien dat dit afschuwelijke gebrek aan capaciteit kan worden opgelost?

Ik heb een selectie gemaakt, want ik kan niet op alle agendapunten ingaan in zeven minuten. Dit zal wel een van de laatste debatten zijn met de minister voor Jeugd en Gezin. Ik zal niet gaan terugblikken, maar mijn slotvraag is of de minister uiteen kan zetten wat het bestaansrecht is van het ministerie voor Jeugd en Gezin. Ik heb begrepen dat hij in een interview met De Telegraaf heeft gezegd dat het programmaministerie vooral moet blijven bestaan. Daar kan ik mij iets bij voorstellen omdat heel veel nog niet klaar is. Er is nog heel veel niet bereikt. Ik wil hierover graag een slotakkoord horen van de minister.

De voorzitter: Dat geeft mij aanleiding om te veronderstellen dat u heel optimistisch bent over het tempo van de formatie, want anders zitten wij nog enkele weken of maanden met deze minister voor Jeugd en Gezin, hoewel demissionair. Daar zit geen enkele connotatie van appreciatie bij, want een voorzitter doet dat niet, zoals bekend. Ik moet mevrouw Koşer Kaya, die in een plenair debat zit, verontschuldigen.

Mevrouw Langkamp (SP): Voorzitter. Nagenoeg iedereen is er inmiddels wel van overtuigd dat wij de vele problemen in de jeugdzorg eigenlijk alleen maar echt kunnen oplossen als wij de hele jeugdhulpverlening radicaal anders organiseren. De verkokering moet worden opgeheven, perverse prikkels moeten verdwijnen, de bureaucratie moet drastisch worden bestreden, hulpverleners moeten veel meer tijd krijgen om hulp te verlenen en minder om achter hun computer door te brengen en zij moeten meer vertrouwen krijgen in plaats van gewantrouwd te worden. Er moet ook fors meer worden ingezet op preventieve en vroegtijdige eerstelijnszorg. Zelfs de minister durft eindelijk te vinden dat het anders moet. Daarmee erkent hij impliciet dat hij met zijn beleid tot nu toe vooral bezig is geweest met gerommel in de marge. Sinds het aantreden van de eerste minister voor Jeugd en Gezin in de Nederlandse geschiedenis, in maart 2007, zijn de structurele problemen in de jeugdzorg niet echt aangepakt, laat staan opgelost. Daarmee zijn drie kostbare jaren verloren gegaan en dat betreurt mijn fractie.

De wachtlijsten zijn natuurlijk een van de grootste ergernissen in de jeugdzorg. Het leek erop dat de minister zijn lot had verbonden aan het wegwerken van die wachtlijsten, maar vanaf dit jaar is het gedaan met de extra incidentele middelen. Je zult zien dat de wachtlijsten weer gaan oplopen, en dat zien we ook, want de problemen dienen zich al aan, bijvoorbeeld bij het Bureau Jeugdzorg in Utrecht. De provincie moet daar fors zelf bijlappen om dit bureau financieel overeind te houden. Bij een andere jeugdzorgorganisatie in Utrecht, Trajectum, worden op dit moment mensen ontslagen, zodat er veel minder mensen geholpen kunnen worden.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Hebt u de financiële bijlage bij de brief over het afsprakenkader gezien en het financiële beeld dat daaruit voortkomt, inclusief de incidentele middelen?

Mevrouw Langkamp (SP): Dat is mij bekend.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dan begrijp ik niet dat u zegt dat het allemaal zoveel minder wordt. Ik heb vastgesteld dat de budgetten weer zijn toegenomen, zoals ze jaar in, jaar uit zijn toegenomen.

Mevrouw Langkamp (SP): U weet net zo goed als ik dat wij de afgelopen jaren iedere keer weer de wachtlijsten zagen oplopen en dat er dan extra incidenteel geld van de landelijke overheid bijgelegd werd om die wachtlijsten omlaag te krijgen, en dat werd ook een doel op zich. Als u het afsprakenkader goed leest, is die mogelijkheid vanaf dit jaar echt voorbij. Dat is waar ik op doel. Vandaar mijn analyse dat de wachtlijsten weer verder zullen oplopen als de problemen in de jeugdzorg niet structureel worden aangepakt. Daar begon ik mijn betoog mee.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dit is feitelijk niet juist. Het structurele budget wordt weer opgehoogd, zoals het jaar in, jaar uit is opgehoogd, en er blijven ook nog incidentele middelen in deze tabel staan. Als we bij de feiten blijven, kunnen we daarna snel doorpraten over de structurele verbeteringen.

Mevrouw Langkamp (SP): Ik herhaal dat in het afsprakenkader heel duidelijk is gesteld, los van wat in de financiële bijlage te lezen is, dat de tijd van de mogelijkheid om daarnaast, daar bovenop, weer extra landelijk te gaan bijspringen echt voorbij is. Dat is waar ik op doel.

De heer Voordewind (ChristenUnie): U hebt volgens mij ook ingestemd met de prestatieafspraken die wij in de Kamer hebben gemaakt over 2008–2009. Daarbij zijn strikte afspraken gemaakt om het met dat budget te doen, uitgaande van een groei van 8%, geloof ik. Daar gaat ook een werking vanuit, zodat de zorginstellingen hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Dezelfde stimulans zit in dit afsprakenkader. Waarom loopt u nu weg voor deze afspraken?

Mevrouw Langkamp (SP): Ik loop helemaal niet weg voor afspraken. Begrijp mij niet verkeerd, ik zit hier niet te verdedigen dat wij iedere keer weer extra geld naar de jeugdzorg moeten brengen. Als we willen dat het anders wordt in de jeugdzorg, pleit ik ervoor dat wij de structurele problemen die er zijn, zullen moeten aanpakken in plaats van iedere keer met extra geld te komen. Omdat die structurele problemen tot nu toe nog niet zijn aangepakt, gaan we nu tegen die financiële grenzen aanlopen, waardoor we zullen zien dat vanaf dit jaar de wachtlijsten weer zullen oplopen, als we niet tot het inzicht komen dat alleen maar extra geld geven niets oplost.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Er is een werkgroep die er een jaar mee bezig is geweest en die dat heeft afgerond. De minister is er een jaar mee bezig geweest in het verlengde van de invoering van de Wet op de jeugdzorg in 2005. Hij heeft de evaluatie naar voren gehaald. We hebben nu een heel structureel pakket van maatregelen, waarbij we hopen de vraag naar jeugdzorg te kunnen indammen door veel meer op preventie in te zetten. U bent daar zelf bij betrokken geweest. Wat ontbreekt er nu bij de Kamer en bij de minister?

Mevrouw Langkamp (SP): Het enige wat ik hier beweer, is dat vanaf dit jaar de mogelijkheid is gestopt om incidenteel extra geld bij te leggen voor het bestrijden van de wachtlijsten en dat we in de praktijk al zien dat dit tot knelpunten leidt. Er worden mensen ontslagen of hun contract wordt niet verlengd. Dan zullen de wachttijden weer gaan oplopen. Dat is het enige wat ik zeg.

Voorzitter. Bij de wachtlijsten voor de jeugd-lvg en -ggz heeft de minister tot op heden geen enkel resultaat geboekt. Ik noem de laatste cijfers voor de jeugd-ggz nog maar eens: er staan 28.800 kinderen op de wachtlijst. Als gevolg van een door de Kamer aangenomen motie is de minister inmiddels gelukkig wel druk bezig met het stimuleren van de succesvolle doorbraakmethode in de jeugd-ggz. Er is ook een motie-Dezentjé-Hamming c.s. aangenomen om die doorbraakmethode ook in de jeugdzorg te stimuleren, maar ik heb gehoord dat dit tot op heden nog niet echt van de grond is gekomen. Hoe komt dat? Het is toch treurig dat de Kamer steeds eerst moties moet aannemen, voordat de minister op zo’n belangrijk punt in actie komt, en dat zijn inzet dan nog te wensen overlaat?

Mevrouw Dezentjé zei al dat de deskundigheid bij velen ontbreekt, zodat kindermishandeling vaak niet wordt herkend of een verkeerde diagnose wordt gesteld. Er is een motie van de SP-fractie aangenomen, waarin de minister wordt verzocht om iedereen die met kinderen werkt, te scholen in het herkennen, bespreekbaar maken en melden van kindermishandeling. De minister geeft uitvoering aan deze motie door een training aan te bieden via de computer. Slappe hap. Het aanpakken van kindermishandeling vergt een veel actievere houding van de minister. Als het hem echt aan het hart zou gaan, zou hij er persoonlijk voor zorgen dat iedere hulpverlener en onderwijzer hierin echt wordt geschoold.

Het is een verzamel-AO, dus ik spring een beetje van de hak op de tak. Als wij goede kwaliteit willen in de zorg, moet er natuurlijk flink worden geïnvesteerd in opleiding en scholing van jeugdhulpverleners. Op dat punt valt er nog een hoop te doen. Het is bijvoorbeeld heel lastig om een GZ-registratie te behalen. Dit is slechts mogelijk voor een heel kleine groep, omdat er enorme kosten mee gepaard gaan en omdat die scholing door een beperkt aantal erkende instellingen wordt geboden. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat er meer GZ-geregistreerde psychologen en orthopedagogen komen? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat het personeel in de jji’s en in de gesloten jeugdzorg hbo-geschoold is?

De SP-fractie is heel positief over het registreren van alle jeugdhulpverleners. Dat is een belangrijke stap vooruit, maar waarom zijn er maar liefst drie verschillende beroepsregisters? Waarom wordt de verkokering ook op dit gebied niet doorbroken met één beroepsregister voor alle jeugdhulpverleners? Wanneer komt dat tuchtrecht nu eindelijk? Waarom moet dat allemaal zo lang duren?

Dan kom ik op de bureaucratie en het beter horen van de stem van de jeugdhulpverlener. De SP-fractie heeft geprobeerd die stem te laten horen door haar onderzoek «De jeugdhulpverlener aan het woord». De Kamer heeft dit ook gedaan met de parlementaire werkgroep die hoorzittingen heeft georganiseerd, waarvoor ook veel jeugdhulpverleners zijn uitgenodigd. De heer Voordewind refereerde hier ook al aan. Hoe belangrijk is de stem van de jeugdhulpverleners voor deze minister? Meer dan 80% van hen heeft last van bureaucratie en ervaart deze als een grote bedreiging voor de jeugdzorg. Waarom heeft de minister niet veel forser ingezet op de bestrijding hiervan? Wordt inmiddels alle ambulante hulpverlening zonder indicatiestelling en zonder indicatiebesluit gegeven? Drie kwart van de jeugdhulpverleners ervaart een te hoge werkdruk. In de jeugdbescherming is te weinig geld beschikbaar om de Delta-caseloadnorm van 15 zaken per gezinsvoogd op peil te kunnen houden. Als gevolg daarvan zien de gezinsvoogden hun caseload weer groeien. Kan de minister garanderen dat we wel aan die norm vasthouden, zodat gezinsvoogden hun functie naar behoren kunnen blijven uitoefenen?

Dan de eerstelijnszorg. Ik was laatst op werkbezoek bij het project Opvoeden in de buurt, hier in Den Haag. Dat is een heel mooi voorbeeld van laagdrempelige hulp in de buurt, bij de mensen thuis. De jeugdzorg, de jeugd-ggz en de jeugdgezondheidszorg werken daarin heel succesvol samen. Het probleem bij zo’n mooi project is dat de gemeenten nogal huiverig zijn om langetermijnafspraken te maken over de financiën, want zij staan ook voor de nodige bezuinigingen als gevolg van de economische crisis. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat dit soort succesvolle projecten zo meteen niet weer een stille dood sterven? Zou het langer oormerken van de brede doeluitkering hiervoor een oplossing kunnen zijn?

Mevrouw Dezentjé heeft uitvoerig aandacht besteed aan de pleegzorg, dus ik kan het kort houden. Ik ben het in grote lijnen eens met haar pleidooi. Er worden heel minimale wettelijke eisen gesteld waaraan aspirant-pleegouders moeten voldoen voordat zij pleegouder kunnen worden. Ik denk dat heel duidelijk is geworden dat er echt aanvullend landelijk beleid nodig is als het gaat om het screenen, begeleiden en trainen van pleeggezinnen. Is de minister bereid om daarop in te zetten?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. In dit verzamel-AO komen veel onderwerpen aan bod; een aantal losse eindjes, maar ook enkele principiële punten. Het zal een uitdaging zijn om alles te proberen te bespreken.

We hebben al aangegeven dat we tevreden zijn dat er politieke en bestuurlijke rust wordt gecreëerd, nu er duidelijkheid is over de financiën bij het afsprakenkader voor de jeugdzorg. We hebben ook afgesproken te gaan bekijken hoe we een verschuiving in de richting van de gemeenten wat meer kunnen vormgeven. Het afsprakenkader is een voorproefje van waar we uiteindelijk mogelijk naartoe willen. In veel gemeenten is er al een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Ziet de minister al een beweging in het veld in de richting van preventie en wat minder doorschuiven naar de zwaardere geïndiceerde zorg?

We hebben veel discussies gevoerd over de wachtlijsten. We zijn gelukkig op het punt gekomen dat de wachtlijsten wat zijn uitgezuiverd, maar we schrikken toch wel dat in de brief van de minister staat dat er in de komende tijd anders zal worden gekeken naar die cijfers en dat de informatievoorziening pas in 2011 geïmplementeerd zal zijn. Het kan toch niet zo zijn dat we voorlopig geen cijfers hebben?

We hebben een uitvoerig debat gehad over de gesloten jeugdzorg, waarin we een aantal principiële punten naar voren hebben gebracht. De reactie van de minister in de schriftelijke antwoorden is wat mager. Het lijkt alsof hij niet verder komt dan te zeggen dat de medewerkers iemand wel mogen tegenhouden, ook in de rechtbank, en dat wordt bekeken hoe dat allemaal is geregeld. We hebben als principiële vraag aan de orde gesteld of voldoende wordt gekeken naar de fase waarin een kind is, zodat we niet steeds incidenten tegenkomen. Wanneer is gezegd dat het kind niet veilig is bij de ouders en dat het naar een gesloten setting moet, moeten de ouders er ook van uit kunnen gaan dat het een gesloten setting is. De ervaring in andere settings waar deze kinderen lang verblijven is ook dat juist het dwingende dat iemand om de zoveel weken recht krijgt op verlof, te knellend kan zijn en dat daarmee eigenlijk geen recht kan worden gedaan aan de fase waarin een kind zit. Hierop horen wij graag een reactie van de minister.

Ik kan kort zijn over kindermishandeling, omdat de belangrijke punten al in de mondelinge vragen aan de orde zijn geweest. We willen ook graag weten of de minister inmiddels met minister Klink heeft gesproken om te bezien of artsen beter geëquipeerd kunnen worden om te zien wat er aan de hand is. Als zich een drama heeft voltrokken, moet uiteindelijk een strafrechtelijk traject goed worden doorlopen. Wat zijn daarin de bevindingen? We hebben gelezen dat de procedure die moet worden gevolgd als er een constatering is van onverklaard overlijden, nog altijd niet is afgerond. De minister schrijft dat enkele bepalingen over het onderzoek naar de doodsoorzaak bij onverklaard overlijden bij afzonderlijk besluit in werking moeten treden en dat deze nog niet voldoende zijn voorbereid. Wij vinden dat dit te lang duurt. Wanneer denkt de minister dat hij hier voldoende mee klaar is om de Kamer te informeren over het zorgvuldiger volgen van die procedures?

Dan de relatie van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg bij het terugplaatsen van kinderen die door een kinderrechter uit huis zijn geplaatst. Wij zien dat de minister zeer ontevreden is over hoe dat allemaal gaat. Het is heel ingrijpend om een kind al dan niet terug te plaatsen in het gezin. Dat moet zorgvuldig gebeuren, maar dat gaat niet goed op dit moment. Hoe zorgen we ervoor dat dit beter gaat? Wij willen toch wat meer informatie over de goede suggestie om de kinderrechter daarin een rol te geven, waar de minister eigenlijk vrij snel aan voorbijgaat.

Het blijft tobben met de integrale visie op de professionalisering en het arbeidsmarktbeleid. De minister schrijft dat de overheid wel een belang heeft bij borging, toegankelijkheid en kwaliteit, maar dat deze hiervoor niet verantwoordelijk is en dat het personeelsbeleid van de sector is. Dat snappen we wel, maar het is te versnipperd. Kan de minister ingaan op onze wens om te komen tot een landelijke registratie van het jeugdwerk zoals in de BIG? Als zoiets wordt ingesteld, vergelijkbaar met de gezondheidszorg, weet je beter dat iemand gecertificeerd is om met jeugdigen te werken.

Het toezicht op de pleegzorg is een heel fundamenteel punt en geen los eindje. Er is in 2008 intensief onderzoek gedaan naar de veiligheid van pleegkinderen in pleeggezinnen. De conclusie was dat hieraan door de aanbieders van pleegzorg te weinig systematisch aandacht wordt besteed. Wij horen graag welke verbeterslagen er inmiddels zijn gemaakt. De overheid heeft een heel grote verantwoordelijkheid, wanneer kinderen onder haar toezicht in een pleeggezin of in een gezinshuis worden geplaatst. Het moet zo zijn dat een kind daar veilig is. Het is vaak uit een onveilige situatie gehaald en dan kan het niet zo zijn dat iedereen eigen selectiecriteria hanteert. Bij de gastouders is een enorm bouwwerk opgezet, en terecht, zodat we weten wanneer iemand gastouder mag zijn, terwijl die mensen maar een paar uurtjes op een kind passen. In vergelijking daarmee hebben we bijna geen zware criteria om recht te doen aan het feit dat hier mensen gaan over heel kwetsbare, vaak beschadigde kinderen. Je moet heel goed opgeleid zijn om heel beschermend met hen om te gaan. Als ik lees dat er instellingen zijn die werken met franchisenemers, krijg ik het idee dat er ondernemers zijn die hun boterham verdienen met het in huis hebben van kinderen met problemen. Daar krijg ik een beetje de rillingen van. Hoe gaat dat in die sector? Is daar toezicht op? Ik heb daar geen goed gevoel bij.

Een heel belangrijk punt van zorg is de ongelijkheid van ouders ten opzichte van de voogden, wanneer kinderen in een pleeggezin zijn geplaatst. Mijn collega Ine Aasted-Madsen en ik zijn de laatste tijd een aantal malen benaderd door ouders die zeggen dat zij bijna niet meer durven aan te geven dat het fout gaat met hun kind in een pleeggezin, omdat zij als de dood zijn dat zij er niet meer mogen komen of dat de omgangsregeling wordt ingeperkt, want dat zien ze gebeuren. Wanneer ouders iets melden bij de inspectie, wordt dat direct op naam doorgegeven. Wanneer een voogd dat doet, is dat niet het geval. Kan de minister iets doen aan die ongelijkheid? Wij denken dat het een groot probleem is, wanneer ouders, die hun kind natuurlijk heel goed kennen, zien dat het niet goed gaat en dat het kind wordt mishandeld of misbruikt. De ouders spreken de kinderen inderdaad niet alleen. Kan de minister specifiek aandacht besteden aan die ongelijke situatie ten opzichte van voogden? Daarover maken wij ons grote zorgen.

Mevrouw Langkamp (SP): Vindt u ook dat er een uniform, landelijk beleid moet komen, aanvullend op wat er is, als het gaat om het screenen of toezicht op de veiligheid van pleegkinderen? De MOgroep heeft een richtlijn ontwikkeld naar aanleiding van dat onderzoek. De aanbieders van pleegzorg moeten nu een verbeterplan opstellen, waar de inspectie op toeziet. Vindt u dat afdoende of vindt u dat de minister moet komen met uniforme maatregelen en landelijk beleid voor de veiligheid van pleegkinderen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Na alle berichten over ellende die ons hebben bereikt, zult u mij niet horen zeggen dat het op dit moment voldoende is. Wij zien gewoon dat kinderen in heel onveilige situaties terecht kunnen komen. Ze kunnen niet zelf met hun ouders spreken. Ouders voelen zich niet eens vrij om aan de bel te trekken. Er wordt nauwelijks op gereageerd. Mijn antwoord op deze vraag is dus dat het niet voldoende is. Ik hoor graag van de minister hoe wij ervoor kunnen zorgen dat deze kinderen, in die heel kwetsbare situatie, veilig zijn. Laten we wel zijn, bepaalde kinderen hebben ook heel lastig gedrag. Je kunt ook maken dat mensen daar hulp voor willen zoeken. De situatie waarin die kinderen zich bevinden, moet veilig zijn. Op dit moment krijgen wij te veel signalen dat dit niet zo is. Het kan niet zo zijn dat ouders als de dood zijn om aan de bel te trekken om te zeggen dat het niet goed gaat met hun kind en dat zij nergens terecht kunnen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. In diezelfde context lezen we ook dat een alleenstaande man pleegouder zou kunnen zijn. Wat vindt de CDA-fractie ervan dat die mogelijkheid wordt geboden voor kinderen die uit huis worden geplaatst omdat zij in een onveilige situatie zitten? Vindt de CDA-fractie het nog steeds wenselijk dat zij vervolgens in een eenoudergezin terechtkomen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik vind dit een heel lastige vraag. Ik denk dat een kind dat in zijn ontwikkeling is bedreigd, erbij gebaat is om een zo rustig en evenwichtig mogelijke omgeving te hebben. Dat wil niet zeggen dat ik per definitie vind dat iemand die mogelijk heel goed voor een kind kan zorgen, dat niet mag, alleen omdat het een alleenstaande man is. Ik begrijp de aarzelingen, maar ik kijk ook naar netwerkpleegouders. Ik ken toevallig iemand die heel goed voor een kind heeft gezorgd, toen de moeder dat niet kon. Dan ga ik niet zonder meer roepen dat hij dat als man alleen niet mag doen. Ik begrijp de vraag, maar ik vind dat iets te kort door de bocht.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mijn vraag ging niet zozeer over een netwerkplaatsing, die heel goed bij een oma of een opa kan, maar over een bestandsplaatsing. Een kind dat heel kwetsbaar is, of misschien misbruikt is, kan geplaatst worden bij een alleenstaande man. Ik speculeer niet op een situatie, maar vanavond komt Netwerk met een reportage waar ik erg van ben geschrokken. De vraag is natuurlijk of we dit als samenleving willen en moeten toestaan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik vind het nog steeds te snel om te zeggen dat dit per definitie niet moet kunnen, maar het is niet mijn ideale situatie, omdat we weten dat een kind zich in verschillende fasen van zijn leven spiegelt en optrekt aan verschillende mensen. Het kan beter zijn om een stabiel, evenwichtig gezin te hebben met twee mensen dan met één, dus dat heeft mijn voorkeur, maar ik wil niet direct alleenstaande mannen demoniseren en zeggen dat we dat niet moeten hebben, omdat het allemaal mis zou gaan. Dat vind ik ook niet goed. Dat is mijn aarzeling in de reactie.

De voorzitter: Ik zie dat dit punt bij meerdere sprekers reacties oproept, maar het voornemen is om het vanmiddag een beetje strak te doen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik wil mevrouw Van Toorenburg een beetje helpen. Ik hoop dat zij hier niet wil uitdrukken dat tweeoudergezinnen te prefereren vallen boven het eenoudergezin. Ik wil geen kwalificatie of norm, en ik denk dat mevrouw Van Toorenburg dat ook niet wil, dat een eenoudergezin eventueel minder ideaal zou zijn dan een tweeoudergezin, etc. Het stoort mij in ieder geval dat dit zo naar buiten komt en ik denk dat zij dat niet zo bedoelt.

De heer Dibi (GroenLinks): Misschien moet ik haar ook even helpen. Het gaat om een goede, veilige omgeving voor het kind, ongeacht wat de toevallige situatie is van het gezin of de alleenstaande ouder. Ik vind het een beetje een rare opmerking van de heer Voordewind om op basis van een reportage dan maar alle alleenstaande mannen in een verdacht hoekje te plaatsen. Dat wil ik toch even gezegd hebben.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Het is altijd heerlijk als je geholpen wordt. Het beeld dat door deze twee collega’s wordt geschapen, is terecht, maar laat ik wel één ander ding zeggen. Wanneer het gaat om heel kleine kinderen in een heel kwetsbare situatie die je bij een pleeggezin moet plaatsen, is het niet heel raar om bij een bestandspleeggezin in eerste instantie te bekijken of je een gezin hebt met misschien meer kindjes. Dat is een gebruikelijke situatie. Bij heel problematische kinderen is het goed als twee ouders samen kunnen overleggen over hoe zij dat samen aanpakken. Mijn ideale situatie is dus inderdaad een tweeoudergezin, met een of twee andere kinderen, maar dat wil niets zeggen over een minder gekwalificeerd gezin dat er anders uitziet. Ik ken die kwetsbare kinderen. Ik heb er jaren mee gewerkt. Ik gun ze een heel stabiele omgeving, zodat mensen zich kunnen terugtrekken en zeggen: nu ben jij even, want die kinderen nemen vaak heel grote problemen mee. Dan is het wel eens goed als je het samen kunt bespreken. Het is een heel zware, maar heel dankbare taak, waarbij je een veilige omgeving moet scheppen, dus ik heb liever mensen die er prima toe in staat zijn, die we met elkaar selecteren en die het aankunnen.

De voorzitter: Ik geloof dat het nauw luistert, want een van de helpers heeft de niet te onderdrukken neiging om er nog een aanvullende opmerking over te maken.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik wil even benadrukken dat het aankomt op goede matching. Het is ook wel eens een probleem dat pleegouders niet altijd goed op de hoogte zijn van de anamnese van het kind, dus het probleem waar het kind mee zit. Verder gaat het om de veiligheid van de omgeving waarin het kind wordt geplaatst. Ik verwerp echt dat hier gesproken wordt over al of niet gekwalificeerd of gediskwalificeerd vanwege de gezinssamenstelling. Daarover zijn we het zeker niet eens.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Volgens mij heb ik daar helemaal niets over gezegd en wil mevrouw Dezentjé gewoon nog extra spreektijd en die heeft zij gekregen. Alstublieft.

Ik heb nog een korte opmerking over onderzoeken die nu lopen van de commissie-Deetman naar de kerk en van mevrouw Samson-Geerlings. Daarin wordt een paar keer aangegeven dat het belangrijk is dat slachtoffers een plaats hebben waar zij kunnen melden dat er iets is gebeurd, zodat zij daadwerkelijk hulp kunnen krijgen. Kan de minister deze zaken ineenvlechten om ervoor te zorgen dat kinderen die in een pleegsituatie verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, zich ergens kunnen vervoegen, zodat zij ook de hulp kunnen krijgen waar zij altijd al recht op hebben, maar die zij door ellende niet hebben gekregen?

Tot slot nog iets over de campussen. Wij krijgen signalen dat campussen helemaal in nood zijn, omdat zij weten dat zij geëvalueerd worden en denken dat de gelden dan ophouden. Wanneer straks blijkt dat zij wel werken, hoe gaan we er dan voor zorgen dat zij door kunnen gaan? Wat zijn de concrete plannen van de minister wat betreft de financiële middelen gedurende de tijd dat de campussen worden geëvalueerd? Alles komt eigenlijk samen op één datum. Het kan niet zo zijn dat de goede dingen die zijn gebeurd, uiteindelijk wegvloeien, alleen maar omdat het zo onhandig bij elkaar kwam in de tijd.

Tot zover mijn inbreng. Het is een verzameling van kleine punten, zo aan het staartje, waarbij de minister in de Kamer over jeugdzorg spreekt en nog net wat punten op de i kan zetten. Een heel belangrijk punt is dat kinderen niet veilig zijn in pleeggezinnen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. We zouden vandaag plenair spreken over de pleegzorg, dus ik begin ook maar met dat onderwerp. Als ik de onderwerpen overzie, zijn ze allemaal belangrijk, maar het punt van seksueel misbruik in pleeggezinnen springt er voor mij toch wel uit. Ik wil niet generaliseren, maar misbruik van een kind is altijd schokkend en in een pleeggezin, is het extra schokkend. Daarom is het goed dat we er vandaag over praten. Naar aanleiding van het inspectierapport en andere signalen maak ik mij grote zorgen over de veiligheid van die kinderen. De inspectie schrijft dat 11 van de 28 pleegzorginstellingen een dikke onvoldoende krijgen wat betreft de veiligheid van de kinderen. Acht instanties kregen een onvoldoende wat betreft de screening van de veiligheidsrisico’s. Dat is nogal wat. De minister is ermee bezig geweest. De inspectie heeft allerlei aanbevelingen gedaan aan de instellingen. Als het goed is, zijn de instellingen daarmee bezig.

Ik heb nog een paar vragen over de brief van de minister. Wie is er verantwoordelijk wanneer zich signalen voordoen van misbruik van pleegzorgkinderen? Bij een geval in Zeeland werd dat toch een beetje heen en weer geschoven tussen de gezinsvoogd en de medewerker bij de pleegzorgaanbieder. Wie moet deze signalen oppikken en er een klacht over indienen? Het moet niet langs elkaar heengaan. Het moet niet zo zijn dat de gezinsvoogd denkt dat de pleegzorgmedewerker dat wel doet en andersom. Hierover krijg ik graag meer duidelijkheid van de minister.

Een andere vraag is waar zo’n pleegkind terecht kan als zich misbruik van een pleegkind voordoet, terwijl de relatie met de biologische ouders niet goed is en de gezinsvoogd niet wil erkennen wat er met dat kind aan de hand is. Waar kan hij met zijn verhaal naartoe? Ik kan zelf alleen bedenken dat hij misschien de kindertelefoon kan bellen. Ik denk dat kinderen van 10 of 11 jaar niet in eerste instantie aan het AMK denken. Kan de minister duidelijkheid geven waar die kinderen hun verhaal kwijt kunnen?

Een andere vraag is waarom sommige gezinsvoogden de signalen van misbruik en mishandeling te weinig herkennen en erkennen. Ik heb de verhalen in de kranten gelezen en gezien wat vanavond in Netwerk wordt verteld. De signalen waren voor de biologische ouders heel duidelijk. Het kind wilde na het weekend niet meer terug en dan zegt de gezinsvoogd dat het daar even overheen moet of dat het misschien buikpijn heeft omdat het iets verkeerds heeft gegeten. In de opleiding moet worden meegenomen dat dit soort signalen snel herkend en niet gebagatelliseerd moeten worden.

Er doen zich ook situaties voor dat niet bekend is bij andere gezinsvoogdijinstellingen dat er seksueel misbruik door pleegouders heeft plaatsgevonden. Is er voldoende uitwisseling van informatie tussen de verschillende gezinsvoogdijinstellingen wanneer dit heeft gespeeld?

Ik zie in de verslaglegging dat de opleiding voor de toerusting van aspirant-pleegouders kan verschillen en niet eenduidig is, bijvoorbeeld omdat sommige delen worden overgeslagen. Kunnen er landelijke protocollen komen of een landelijk onafhankelijk instituut dat trainingen en cursussen geeft voor de toerusting van aspirant-pleegouders, zodat we zeker weten dat zij alle elementen hebben doorlopen? De minister heeft hiervoor een verbeterplan opgesteld. We wachten die verbeteringen af.

Volgens de wet is pleegzorg in een eenoudergezin mogelijk. Ik wil absoluut niet stigmatiseren door te zeggen dat één ouder dat niet alleen aan zou kunnen, maar ik vraag hierbij wel terughoudendheid. Ik weet dat er wachtlijsten zijn voor pleegouders en dat er in die gevallen ook creatief wordt nagedacht, maar ik hoop toch dat de minister het met mij eens is dat bij voorkeur moet worden gezocht naar een stabiele situatie waarbij de zorgtaken gedeeld kunnen worden en waarbij er iemand thuis is, als er nog gewerkt wordt, juist voor deze kwetsbare kinderen, die uit een heel moeilijke situatie komen.

De voorzitter: Ik moet nu ook toestaan dat de heer Dibi u gaat helpen, of althans, dat moeten we even zien.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ga hem niet helpen, want volgens mij heeft hij geen hulp nodig bij het formuleren van zijn standpunt, maar ik wil wel een antwoord op een vraag. Hij zegt wel dat hij niet wil stigmatiseren, maar dat doet hij wel, omdat hij zegt dat de voorkeur uitgaat naar een gezin van man en vrouw, neem ik aan. Of zegt hij dat het ook man-man of vrouw-vrouw mag zijn? Hij zegt ook: liever geen alleenstaande ouder, maar ik ken ontzettend veel kinderen die opgegroeid zijn in een eenoudergezin. Ik ben er zelf ook een van. Het gaat erom dat je in een veilige omgeving opgroeit en niet om wie of wat erin zit. In het beleidsprogramma van de minister voor Jeugd en Gezin, Opgroeien doe je in een gezin, staat ook letterlijk: Er zijn vele vormen van gezinnen; gezinnen met veel kinderen of met één kind, gezinnen met een of twee ouders, nieuw samengestelde gezinnen, gezinnen waarin de grootouders of pleegouders opvoeden. We moeten kinderen waar dan ook opvangen. Kan de heer Voordewind even uitleggen of hij dat ook vindt?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik zal dat even proberen te doen. Er zijn grote verschillen tussen biologische ouders. Natuurlijk kan het zo zijn dat een huwelijk uit elkaar valt. Dat is triest, maar dan blijft een kind nog altijd achter bij de biologische vader of moeder. We hebben het hier over kinderen die niet meer thuis kunnen blijven. Dan zoek je toch naar de meest ideale situatie, als het gaat om het creëren van veiligheid en geborgenheid, met aandacht voor kinderen die het al ontzettend moeilijk hebben. Dan is het toch niet zo heel raar dat je de voorkeur geeft aan een gezinssituatie, waarbij twee ouders de zorgtaken op zich kunnen nemen? Ik zou niet kunnen bedenken dat je de redenering om kunt draaien en dat je de voorkeur zou moeten geven aan een eenoudergezin. Ik begrijp de moeite niet van de heer Dibi. Ik stel een heel rustige vraag of daar de voorkeur aan gegeven kan worden. Ik neem aan dat dit gebeurt, maar ik wil dit wel extra onder de aandacht brengen. Ik begrijp de huivering en de kritiek van GroenLinks niet.

De voorzitter: Ik geloof niet dat u elkaar zult naderen. Ik geloof dat het verschil van mening voor iedereen helder is, maar maakt u nog even uw punt.

De heer Dibi (GroenLinks): De fractie van GroenLinks spreekt geen voorkeur uit. Wij zeggen dat het gewoon een veilige omgeving moet zijn. Ik heb een vraag aan de heer Voordewind, die wel een voorkeur uitspreekt. Hij zegt dat te prefereren is dat er twee ouders zijn die de zorgtaken kunnen delen, boven één ouder. Stel dat een kind geplaatst kan worden in een gezin van een alleenstaande man of vrouw of in een gezin van man-man of vrouw-vrouw. Welke voorkeur heeft hij dan?

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dat is een heel andere discussie. Ik heb gezegd dat het mij gaat om twee ouders, die de zorgtaken kunnen delen, die de problemen en dilemma’s die zich ongetwijfeld voordoen bij pleegkinderen, met elkaar kunnen bespreken en een stabiele situatie kunnen creëren voor deze kwetsbare kinderen. Ik ga die andere discussie hier niet voeren, maar u kent onze voorkeur voor het huwelijk zoals dat ook in de Bijbel wordt voorgestaan, dus dat mag niet als onbekend worden gezien.

Voorzitter. De minister heeft op 23 maart een brief gestuurd over de prestatieafspraken. We hebben hier jarenlang gesproken over de wachtlijsten. Ik complimenteer hem ermee dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om deze naar beneden te krijgen en daar extra geld voor heeft vrijgemaakt. Mevrouw Dezentjé Hamming kan erom lachen, maar dat is wel gebeurd. De wachtlijsten zijn met 71% naar beneden gegaan ten opzichte van 2008. Ik wil ook gezegd hebben dat dit toch geen gerommel in de marge is geweest, om mevrouw Langkamp te citeren, maar dat het structureel werk is geweest om die kinderen de zorg te bieden die zij hard nodig hebben. We hebben het nieuwe overzicht gehad met de prestatieafspraken. Ik zie dat Zuid-Holland daarin nog ontbreekt. Zuid-Holland was een probleemprovincie. Kan de minister hier inmiddels wat meer over zeggen? Wordt het beeld daardoor nog vertroebeld of bemoeilijkt?

We hebben gesproken over extra incidentele middelen. In de prestatieafspraken wordt hiervoor inderdaad weer 20 mln. extra gereserveerd. Ik hoor graag een inschatting van de minister. We hebben het over 1,1 mld. Er is sprake van een constante groei van gemiddeld 7,5%. Misschien moeten we deze voorlopig maar even accepteren. Gaan wij dat redden met 1,1 mld.? Zijn de prestatieafspraken en de begroting gebaseerd op 7,5% groei? Dat kon ik niet goed terugvinden in de brief.

Wij maken ons toch wel grote zorgen over het arbeidsmarktbeleid in de jeugdzorg. 50% van de medewerkers vindt het geestelijk en emotioneel zwaar werk. Dan denk ik met name aan de gezinsvoogden die net afgestudeerd zijn en die 21 of 22 jaar oud zijn. Zij krijgen direct de verantwoordelijkheid voor 15, 17 of 18 gezinnen. Is het niet een idee om afgestudeerde gezinsvoogden een paar jaar te laten meelopen met iemand die al veel meer ervaring heeft, om de uitstroom in de eerste twee jaar tegen te gaan? Graag een reactie van de minister.

De voorzitter: Uw tijd is om.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dan heb ik nog twee heel korte opmerkingen. We hebben een uitgebreid debat gehad over de Raad voor de Kinderbescherming. De hele Kamer heeft er grote verontwaardiging over uitgesproken dat de wettelijke taak van de raad niet wordt uitgevoerd door de raad. Ik lees dat er nog steeds grote problemen zijn. Hoe kan het dat nog steeds niet alle zaken door de raad worden getoetst?

Het allerlaatste punt is de jeugdgezondheidszorg. We hebben eerder gesproken over flexibilisering van de contactmomenten voor adolescenten van 15–16 jaar. Naar ik meen heeft de CDA-fractie een motie ingediend, die wij hebben gesteund, over het onderzoeken van psychische problemen van deze jongeren. Zijn de uitkomsten van het onderzoek dat ZonMw hiernaar heeft uitgevoerd er al?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Voorzitter. Allereerst ga ik in op het afsprakenkader dat de minister heeft gemaakt. Ik denk dat het verstandig is om afspraken te maken voor 2010 en 2011, gegeven de politieke periode waar we voor staan. Dit creëert rust en stelt ons in staat om op langere termijn de structurele aanpassing die we allemaal nodig vinden, op de rails te krijgen. Ik stel vast dat in het afsprakenkader een aantal inhoudelijk interessante omslagen zijn gemaakt, die in mijn visie passen bij de structurele omslag die we moeten maken. Ik noem er enkele. Ambulante zorg is vanaf nu zonder indicatie mogelijk. We hebben daarover een motie ingediend en dit is meteen in het afsprakenkader terechtgekomen. Omvang en duur van de zorg hoeven niet meer per se in een indicatiebesluit te worden vastgelegd, dus daar komt ook enige flexibiliteit in. De schotten tussen doeluitkeringen verdwijnen. Belangrijk is ook dat de doeluitkering voor de jeugdzorg die naar de provincies gaat, ook aan gemeenten kan worden gegeven, als zij extra hebben geïnvesteerd in eerstelijnszorg en zo de druk op de achterliggende zwaardere zorg hebben verlicht.

Ik heb een vraag over de betrokkenheid van de gemeenten bij deze afspraken, waar mijn collega van het CDA ook naar heeft gevraagd. De aanname dat de gemeenten dat meer zullen gaan doen en daarmee de druk van het systeem af zullen halen, is heel belangrijk om dit pakket overeind te houden. Op die aanname is gebaseerd dat we de komende jaren niet weer oplopende wachtlijsten zullen krijgen. Ik heb in de schriftelijke voorbereiding de vraag gesteld waarom de minister hierover niet meteen ook afspraken met de gemeenten heeft gemaakt. Dan verwijst hij naar een eerder bestuursakkoord met de gemeenten, maar ik kan mij niet herinneren dat er taakstellende afspraken zijn gemaakt op dit concrete punt. Hij zegt dat de provincies zelf die afspraken met de gemeenten moeten gaan maken; dat dit op een lager niveau moet gebeuren, binnen de provincies. Mijn vraag is wat er inmiddels is afgesproken. Kent de minister voorbeelden van provincies die met gemeenten hebben afgesproken dat zij extra gaan investeren in eerstelijnszorg? De aanname is dat dit leidt tot een verlichting van de druk op de provinciale jeugdzorg, zodat de provincie geld kan terugploegen naar die eerstelijnszorg door geld over te maken aan de gemeenten. We zijn een eind op streek. Ik kan mij voorstellen dat er al afspraken zijn gemaakt en ik ben benieuwd of die systematiek, die heel belangrijk is bij dit afsprakenkader, zich nu voordoet.

Dan heb ik enkele vragen over de financiële bijlage, die ons inzicht geeft in de verdeling van de middelen, maar ook in de loop van de tijd. Allereerst valt op hoeveel extra geld er weer naar de jeugdzorg gaat. Als we 2008, 2009, 2010 en 2011 vergelijken, zien we stijgingen van het structurele budget tot 22%. Er zijn wel grote verschillen tussen provincies wat betreft de procentuele groei. Kan de minister daar iets over zeggen? In sommige provincies is deze 9% in die periode van vier jaar en in andere 22%. In absolute aantallen kan ik dat begrijpen, want Gelderland is veel groter dan Zeeland, maar ik begrijp niet goed hoe die uiteenlopende procentuele groei in budgetten verklaard kan worden, anders dan op basis van wachtlijsten. Ik vind het altijd kwetsbaar om de structurele verdeling van budgetten daarop te baseren.

De minister schrijft dat bij de kolom 2011 al voor 50% de nieuwe verdeelsystematiek is verwerkt, dus 50% historisch en 50% nieuw. Er gaat dus een herverdeling plaatsvinden. Je zou verwachten dat het budget dan bij een aantal provincies zal stijgen, als een correctie op het historische beeld, en dat bij andere provincies een correctie naar beneden plaatsvindt. De enige provincie die er slecht uitspringt en in 2011 fors omlaag gaat, is Limburg. We wisten al dat Limburg niet goed uit het nieuwe verdeelmodel kwam, maar het verbaast mij dat Limburg de enige is en dat alle andere provincies van 2010 naar 2011 weer een aanzienlijke groei van het budget, met ettelijke miljoenen, tegemoet kunnen zien. Kan de minister iets zeggen over het feit dat alleen Limburg erop achteruitgaat? Dat verbaast mij zeer.

Dan is er nog het terugkerende discussiepunt over de eigen middelen die de provincies erin steken. Dat is ook nu weer het geval en dat zal in de komende jaren ook vast het geval zijn. Het punt daarbij is dat de stadsregio’s geen autonome middelen hebben. Zij hebben geen eigen belastinggebied en kunnen dus geen eigen middelen uit de reserves of wat dan ook in de jeugdzorg steken, terwijl er in die gebieden wel heel veel jeugdzorgklantjes wonen. We willen toch niet dat de jeugdzorg als gevolg van dit gegeven in de grootstedelijke gebieden slechter of minder zou zijn voor de kinderen die deze net zo goed nodig hebben? Ik vind dat de minister daar iets te makkelijk omheen loopt. Hij zegt: dat is aan de provincies, ik ga daar niet over. Wij hebben het als rijksoverheid zo geregeld dat provincies in dit land een eigen belastinggebied hebben en dus eigen middelen kunnen genereren en dat stadsregio’s dat niet hebben. Dat is een gevolg van het wettelijk kader dat wij hun meegeven. Het blijf mij steken dat de consequentie hiervan is dat er in de provincies gewoon meer geld per jeugdzorgkind beschikbaar is dan in de grootstedelijke gebieden. Ik hoor hierop graag een reactie van de minister. We moeten er nog even over denken hoe we daar verder mee omgaan.

Er is ook een brief gekomen over het toezicht in de jeugdzorg, waarover al veel is gesproken. Ik zou ervoor willen waken dat er nu weer heel veel nieuwe regels en criteria worden opgetuigd bij de toetsing van pleegouders. De minister beschrijft op pag. 3 van zijn brief hoe de pleegzorgregeling nu werkt. Daarbij wordt een screening opgezet aan de hand van formele criteria, waarbij er drie aandachtspunten zijn. Een daarvan is de verklaring van geen bezwaar door de Raad voor de Kinderbescherming. Mijn vraag aan de minister is wat deze verklaring behelst. Is dat een materieel vrijwel lege verklaring, bijvoorbeeld dat iemand geen strafblad heeft of dat er geen antecedenten bekend zijn die ertoe leiden dat deze persoon niet geschikt is, of zit er meer aan vast? Wat is de precieze betekenis van die verklaring van geen bezwaar? Ik vraag dit vooral omdat die verklaring elke keer opnieuw moet worden afgegeven, dus bij het eerste pleegkind en bij de komst van elke nieuwe inwonende in het pleeggezin en als een pleegouder na twee jaar opnieuw pleegouder wordt. Dat suggereert dat die verklaring van geen bezwaar heel vaak nodig is, maar tegelijkertijd is het beeld dat deze materieel niet zo heel veel voorstelt. De vraag is of dit niet de onafhankelijke landelijke instantie moet zijn die een wat zwaardere rol krijgt in het beoordelen van de kwaliteit en de kwalificaties.

De voorzitter: Wilt u afronden?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik hoor graag een reactie van de minister op mijn vraag om voordat wij weer allerlei nieuwe regelingen optuigen, vooral te kijken of de regelingen en de criteria die er nu zijn, goed en adequaat zijn. Of zijn deze vooral bureaucratie?

Ik heb ook nog een vraag over de toetsende taak van de raad. Ik heb een wat andere insteek dan de collega’s. Als wij werkelijk vinden dat wij meer vertrouwen moeten hebben in het professionele beoordelingsvermogen van mensen die bijvoorbeeld bij Bureau Jeugdzorg werken, vraag ik mij af waarom wij er dan voor zouden pleiten om de procedure bij terugplaatsing in gezinnen nog zwaarder te maken. Ik weet wel dat de toetsende taak is vastgelegd in de wet, maar als wij werkelijk vertrouwen hebben in de werkers in de jeugdzorg, zouden we moeten zeggen dat dit vertrouwen voorop staat en dat controle achteraf kan. De terugplaatsing kan volgens mij in dat denkmodel worden ontdaan van die toets vooraf. Ik wil al helemaal niet terug naar de situatie van vroeger, toen je eerst naar de rechter moest, voordat je een kind kon terugplaatsen. Dat hebben we zeer bewust veranderd. Ik huiver als ik collega’s ervoor hoor pleiten om weer terug te gaan naar die rechterlijke toetsing, want deze maakt de procedure weer zwaarder. Dat is zo strijdig met het vertrouwen in de professionals waar diezelfde collega’s elke keer voor pleiten. Wij hebben zelf dat vertrouwen echt veel te weinig.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb niemand ervoor horen pleiten dat de terugplaatsing met een rechterlijke toets moet plaatsvinden. Het kan net zo kwetsbaar zijn voor een kind om uit huis geplaatst te worden als om teruggeplaatst te worden naar huis, als we niet zeker weten dat die terugplaatsing veilig kan gebeuren bij de biologische ouders. De wetgever vindt dat minder zwaar, omdat het niet om vrijheidsberoving gaat, maar het gaat om de kwetsbaarheid van die kinderen die terug worden geplaatst. Vindt de fractie van de Partij van de Arbeid het verstandig om de gezinsvoogd, die misschien dicht tegen de ouders aanzit, een monopolie te geven bij die terugplaatsing? Het is verstandig om dat nog eens netjes, objectief, afstandelijk door de raad te laten toetsen, zoals we nu doen.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Je kunt altijd de procedures en toetsen zwaarder optuigen om te streven naar volledige veiligheid, waarin alle risico’s worden afgedekt. In die situatie zijn wij de afgelopen jaren terechtgekomen met de jeugdzorg. Ik pleit ervoor om na te denken over hoe we een aantal stappen terug kunnen zetten. Een redenering daarbij kan zijn dat er binnen de Bureaus Jeugdzorg een kwaliteitssysteem of een extra check komt, alvorens een kind wordt uitgeplaatst, zodat de professionaliteit die bij Bureau Jeugdzorg aanwezig is, wordt ingeschakeld, in plaats van alleen maar een papieren check van het dossier, want dat is het veelal, bij de Raad voor de Kinderbescherming te verlangen. Dat is in mijn ogen in hoofdzaak een bureaucratische maatregel, terwijl ik veel liever wil werken vanuit vertrouwen, waarbij controle achteraf wordt georganiseerd.

De heer Dibi (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter. Dit is het allerlaatste debat met de allereerste minister voor Jeugd en Gezin van Nederland. Het was altijd iets tussen de christelijke partijen, die ...

De voorzitter: Dit moet ik toch corrigeren. Ik hoop nog ten minste een paar maanden voorzitter van deze commissie te zijn, aannemende dat de kiezer mij daartoe in staat stelt.

De heer Dibi (GroenLinks): Sorry, sorry, sorry, maar dit is volgens mij het laatste debat over het terrein waarvoor deze vakminister echt verantwoordelijk is, namelijk de jeugdzorg.

De voorzitter: Mijnheer Dibi, de kiezer gaat 9 juni naar de stembus en dan gaan enkele partijen met elkaar onderhandelen over het maken van een nieuw kabinet. Totdat die regering aantreedt, bepaalt dit demissionaire kabinet zijn werkwijze. Dat kan betekenen dat deze minister voor Jeugd en Gezin ook na 9 juni door de Kamer ter verantwoording wordt geroepen voor iets wat in de sfeer van de jeugdzorg aan de orde is.

De heer Dibi (GroenLinks): Oké, u hebt gelijk.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Dat lijkt me een welkome rustperiode voor de sector.

Minister Rouvoet: Ik begrijp nu juist dat dit een belofte was van de heer Dibi om dat niet meer te doen.

De heer Dibi (GroenLinks): Eerlijk gezegd kijk ik uit naar een volgend kabinet als het gaat om de jeugdzorg, maar niet om heel zuur te doen. Volgende week wordt een toekomstverkenning gepresenteerd voor de jeugdzorg die door alle politieke partijen is ondertekend. Die kan zo worden opgenomen in een coalitieakkoord, ongeacht welke partijen daar deel van uitmaken. De voorzitter heeft gelijk dat dit niet het laatste debat is, maar zo voelt het wel, omdat het zo’n groot verzamel-AO is met deze minister.

Ik wil dit debat ook een beetje aangrijpen om de balans op te maken. Wat waren de concrete doelstellingen van dit programmaministerie en wat zijn de prestaties? De verwachtingen waren hooggespannen, ook bij de fractie van GroenLinks, niet zozeer omdat het gezin de hoeksteen is van de samenleving, als wel omdat het programmaministerie een einde zou maken aan de verkokering in het jeugdbeleid en kinderen en gezinnen die in de knel zijn gekomen, hoog op de politieke agenda zou brengen.

Laat ik beginnen met een groot compliment. Dankzij deze minister zijn enkele heel belangrijke onderwerpen op de agenda gezet. Ik noem de grote aandacht die de jeugdzorg vandaag de dag geniet. In plaats van ergens bij iemand in een kabinet zat hij nu echt prominent bij een minister en kreeg ook de zwaarte die dit onderwerp verdient. Dat geldt ook voor de aandacht voor kindermishandeling. Er zijn dingen in gang gezet waarover mijn fractie erg verheugd is. Ik noem de betere en vroegere signalering van kindermishandeling, de verlaging van de werkdruk voor jeugdwerkers, de professionalisering en niet te vergeten de langgekoesterde wens van heel veel partijen om een scheiding aan te brengen tussen civielrechtelijk en strafrechtelijk geplaatste jongeren.

Als ik mijn rol als Tweede Kamerlid serieus neem, moet ik ook kijken naar wat de concrete doelstellingen waren van dit programmaministerie en wat de concrete resultaten zijn. Ik heb een aantal beloften van de minister eruit gelicht. Ik heb het boekje altijd bij me waarin staat wat de ambitie van het programmaministerie is. Daarin is heel makkelijk te zien wat de minister aan het begin wilde en waar we nu zijn.

Allereerst de verlaging van de caseload naar 15 zaken in 2008. De MOgroep gaf al in het najaar van 2009 aan dat deze niet haalbaar was. Er is te weinig geld beschikbaar voor jeugdbescherming, zodat Bureau Jeugdzorg onvoldoende gezinsvoogden kan inzetten. In 2010 zullen de extra middelen waarschijnlijk wegvallen, waardoor de caseload van de gezinsvoogden weer zal stijgen. Daarnaast vindt mijn fractie het enigszins merkwaardig dat de minister ineens spreekt van een gemiddelde caseload. In dit boekje stond gewoon de harde eis: 15 zaken, niet meer dan dat, en nu wordt eigenlijk de ruimte gelaten om in verschillende regio’s te werken met veel meer dan 15 gezinnen per voogd.

Tegelijkertijd weten we dat het personeelsverloop onder startende gezinsvoogden enorm is en dat maar liefst 60% aangeeft af te haken vanwege de te hoge werkdruk. Kan de minister ingaan op de resultaten op dit terrein?

Met ingang van 2009 zou de nieuwe financieringssystematiek ingevoerd worden. Na het jarenlange ritueel van wachtlijsten, extra geld, wachtlijsten, extra geld, zou er eindelijk een nieuwe wijze van financieren komen; niet meer op basis van historische budgetten, maar gewoon de reële zorgvraag berekenen en reëel financieren op basis van een aantal ramingen. Begin 2009 bleken deze ramingen echter te rammelen en werd het nieuwe model van tafel geveegd. Een halfjaar later is de demissionaire minister weer in gesprek met het SCP over een nieuw model. Kan de minister daarop ingaan?

Diversiteit in het jeugdbeleid wordt altijd met de mond beleden. Iedereen vindt dit hartstikke belangrijk, omdat we zien dat allochtone kinderen oververtegenwoordigd zijn in de zwaardere kant van de jeugdzorg. Ga maar eens op bezoek bij een jeugdgevangenis. Je weet niet wat je ziet. Tegelijkertijd zijn ze zwaar ondervertegenwoordigd aan de meer preventieve kant van de jeugdzorg, maar ook bij de jeugd-ggz. In het boekje van de minister stond letterlijk: Het jeugdbeleid moet alle kinderen en ouders, ongeacht hun culturele achtergrond, even goed bereiken. Kan de minister ingaan op de resultaten op dit terrein? Wat is er verbeterd?

Verder zouden de wachtlijsten in 2010 weggewerkt zijn. De vraag stijgt almaar, dus het is begrijpelijk dat het geen makkelijke klus was om die wachtlijsten weg te werken, maar de doelstelling van de minister is verre van waargemaakt. Het klopt wat mevrouw Langkamp zei. Deze minister is ook verantwoordelijk voor de licht verstandelijk gehandicapte jongeren en de jongeren in de geestelijke gezondheidszorg. Ik denk dat ik de aantallen jongeren die daarvoor op de wachtlijst staan, maar beter niet kan noemen. Het is een jarenlang gevecht geweest om met deze minister afspraken te maken over het formuleren van concrete, afrekenbare doelstellingen voor deze doelgroepen. We hebben het heel vaak gehad over de kinderen die op de wachtlijst staan van de provinciaal gefinancierde jeugdzorg, maar deze waren toch steeds het ondergeschoven kindje. Kan de minister aangeven wat de resultaten zijn op dit terrein?

De minister zou de wachttijden in 2010 tegen het licht houden. Dat heeft hij inderdaad gedaan. De uitkomst kan echter niet rekenen op de instemming van de fractie van GroenLinks, want deze demissionaire minister geeft Bureaus Jeugdzorg nu ineens de vrijheid om een kind langer dan negen weken te laten wachten op zorg, als zij dat noodzakelijk achten. Kan de minister daarop ingaan? Volgens mij hadden we juist afgesproken dat we dat absoluut niet zouden toelaten. Sterker nog, we zouden dit gaan verkorten.

Verder zou er in 2011 een landelijk dekkend netwerk zijn van Centra voor Jeugd en Gezin.

De voorzitter: Mijnheer Dibi, de agenda voor vandaag kent een aantal onderwerpen, maar het boekje van deze programmaminister voor Jeugd en Gezin staat er niet in zijn volledige omvang op, dus de CJG’s, die u nu aan de orde stelt, en de diversiteit staan niet op de agenda. Ik heb u die vraag nog even laten stellen, maar ik denk dat het goed is om u toch een beetje bij de les te houden, omdat van de minister niet zonder meer gevraagd kan worden om daar nu antwoord op te geven, want dat was niet geagendeerd.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik zou het heel raar vinden als de minister geen antwoord kan geven op vragen over de Centra voor Jeugd en Gezin. Dat is namelijk zijn stokpaardje.

De voorzitter: Hij zal het ongetwijfeld kunnen, maar deze voorzitter probeert toch een beetje de orde in de gaten te houden, zowel bij u als bij de minister.

De heer Dibi (GroenLinks): Laat ik dan nog even een heel korte opsomming geven, zonder inhoudelijk op elke belofte in te gaan. Ik noem het landelijk dekkend netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin, dat er helaas niet is. Het gaat niet om de aantallen, maar om de effectiviteit van die centra. We weten niet hoe het daarmee staat. Ik noem de kindermishandeling. Het NFI staat wel op de agenda, dus die belofte kan ik wel meepakken. Ik ben begonnen met een compliment over de kindermishandeling. Ik wil eigenlijk niets afdoen aan dat compliment, want de fractie van GroenLinks is wel tevreden met de inzet van de minister op dat terrein. Alleen zijn wij geschrokken door de alarmbellen die zijn geluid door het NFI, omdat wij in Nederland maar vier forensische artsen kennen. Zij komen eigenlijk niet toe aan alle complexe zaken waaraan zij aandacht en tijd zouden moeten besteden. Weet de minister hoeveel zaken er blijven liggen? Hoe kunnen we deze capaciteit vergroten? Zijn er andere professionals in de jeugdzorg die het werk zouden kunnen doen dat nu door die forensische artsen wordt gedaan?

Ik zal het niet hebben over de pilots voor de heropvoedingskampementen van de minister of de uitstroom van ervaren professionals. Er zijn ontzettend veel dingen die wat ons betreft niet de aandacht hebben gekregen die ze hadden moeten krijgen. Dat heeft deels te maken met iets wat ik ook maar gewoon wil zeggen, namelijk dat de minister als politieke leider ook in het kabinet zit, tegelijk vicepremier en vakminister is en ook heel vaak aanschuift bij allerlei debatten, zoals over alcohol en seksualisering, waar hij eigenlijk niet over gaat. Ik heb heel vaak het gevoel gehad dat de jeugdzorg te weinig aandacht heeft gekregen van deze minister.

Wij staan nu aan de vooravond van ingrijpende wijzigingen in het hele stelsel van jeugdzorg. Er ligt eindelijk een kabinetsvisie over dat stelsel. Volgende week komt de toekomstverkenning voor de jeugdzorg van de commissie-Heijnen. Ik beschouw dit ministerie als een helaas mislukt experiment, maar wat mij betreft is een winstpunt dat wij nu wel een Kamerbreed gedragen analyse hebben waar we naartoe willen met de jeugdzorg. We gaan veel vragen van alle professionals in de jeugdzorg in de komende jaren, maar in ieder geval zijn wij eruit welke kant we op moeten gaan. Dat is het grote winstpunt van dit hele programmaministerie, maar los daarvan denk ik dat het een mislukt experiment is geweest.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik hoorde de heer Dibi zeggen dat hij het heel goed vond dat er nu eindelijk een minister was die jeugdbeleid als kerntaak had. Hij heeft ook gezegd dat het eigenlijk jammer is dat deze minister zoveel tijd aan andere dingen moest besteden. Hij had nog meer tijd moeten besteden aan de jeugdzorg. Eigenlijk zegt hij dus dat het fantastisch is dat er een programmaminister voor jeugdbeleid is. Begrijp ik het goed dat hij heel enthousiast is over het fenomeen van een programmaministerie?

De heer Dibi (GroenLinks): Totaal niet. Toen het programmaministerie tot stand kwam, dachten wij inderdaad dat dit wat zou kunnen worden met het oog op de verkokering van het jeugdbeleid. Uiteindelijk hebben we gezien dat deze minister verantwoordelijk was voor kinderen die dan weer onder de Zorgverzekeringswet vielen, dan weer onder de AWBZ. Het was een niet-voldragen ministerie, dat niet kon doorpakken waar het wel moet kunnen doorpakken. Al met al zeg ik dat wij niet meer moeten werken met programmaministeries, maar met ministers die daadkracht kunnen tonen, die over het geld gaan en die wetgeving kunnen maken. De jeugd-lvg en de jeugd-ggz zijn goede voorbeelden hiervan. We praten constant met de minister over deze doelgroep, maar hij heeft het geld en de wetgeving niet in handen. Dan is het een soort rituele dans waarbij je denkt: waarom hebben we dit debat eigenlijk met elkaar? Dat heeft mij wel eens ontmoedigd. Dan vraag je je af of je het zo moet regelen. Al met al denk ik dat het winstpunt van dit experiment is dat we weten waar we naartoe moeten gaan, maar dat het te lang het ministerie van wachtlijsten is geweest. We hebben het constant over wachtlijsten gehad en te weinig over het doorbreken van de verkokering.

De heer Voordewind (ChristenUnie): U zegt dat deze minister niet kon beschikken over financiën, maar u hebt de opzet gezien. Hij had de beschikking over 5 mld. Dat is toch een substantieel bedrag voor een minister. Moet ik het zo verstaan dat u zegt dat dit een experiment is geweest dat smaakt naar meer, omdat de minister eigenlijk over meer portefeuilles zou moeten gaan, zoals de lvg en de jeugd-ggz? Ziet u dit als een opstapje naar een minister die nog meer te zeggen krijgt? Is dat wat u wilt zeggen?

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb willen zeggen: als je het doet, moet je het goed doen. Toen het programmaministerie tot stand kwam, had alles goed geregeld moeten worden in de onderhandelingen. Deze minister heeft in de onderhandelingen een aantal dingen niet voor elkaar gekregen. Ik vind dat hij een portefeuille heeft gekregen waarmee hij een aantal dingen kon doen, maar ook heel veel dingen niet. Dat werd in heel veel debatten zichtbaar. Ik noem de jeugd-lvg en de jeugd-ggz als voorbeeld, dat wat mij betreft heeft bewezen hoe je het dan wel zou moeten doen. Als je het doet, moet je er een echt ministerie van maken, maar wat mij betreft gaan we in de komende kabinetsperiode niet naar meer maar naar minder ministeries en hoeft zo’n minister niet terug te komen in een volgend kabinet.

De voorzitter: Ik heb met de minister afgesproken dat we hem in de gelegenheid stellen om per blokje zijn verhaal af te ronden en dan te bekijken of er behoefte bestaat aan interrupties en zo de onderwerpen van dit verzamel-AO systematisch door te nemen.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik zal de woordvoerders een beeld geven van de thema’s die ik in ieder geval langs zal lopen. Na een paar algemene opmerkingen zal ik ingaan op de wachtlijsten, het afsprakenkader, de gesloten jeugdzorg, de pleegzorg, kindermishandeling, professionalisering en arbeidsmarkt, de toetsende taak, de campussen en overige onderwerpen. Dit is grofweg het stramien dat ik zal aanhouden.

Mevrouw Dezentjé Hamming en de heer Dibi hebben vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over het programmaministerie als zodanig. Zij zullen mij niet kwalijk nemen dat ik nog volop bezig ben en geen idee heb hoe lang dat nog zal zijn. Dat hangt van vele factoren af. Zoals ik al even liet doorschemeren, ben ik uiteraard volop tot de beschikking van de Kamer tot de laatste dag dat dit demissionaire kabinet de zaken waarneemt. Ik hoop dat dit niet het laatste debat over de jeugdzorg zal zijn, want het is van belang om met elkaar te doen wat we nog behoren te doen. Dat betekent dat ik nog helemaal niet toe ben aan balansen.

Ik heb goed kennisgenomen van de opmerkingen die hierover zijn gemaakt. De verleiding is natuurlijk groot om observaties en appreciaties van fracties over nut en noodzaak van het verschijnsel programmaministerie in het algemeen met elkaar te laten contrasteren. Ik ben het eens met degenen die zeggen dat het een experiment is. Zo is het ook gepresenteerd. Het is een vorm van bestuurlijke vernieuwing waarvoor dit kabinet heeft gekozen. Op andere momenten moet er nog maar eens goed naar worden gekeken wat er de pro’s en contra’s van zijn. Ik heb me daar nooit tegen verzet. Integendeel. Door onafhankelijke instanties zoals de Raad voor het openbaar bestuur en de Nationale Ombudsman wordt gezegd: ga in ieder geval door met het concept van programmatisch werken op het terrein van jeugd en gezin. Maar goed, het staat iedere fractie vrij om te zeggen dat het niet hun vorm van bestuurlijke vernieuwing is en dat zij kiest voor de oude, vertrouwde, verkokerde manier van werken van departementen. Wij hebben heel bewust op deze twee terreinen gekozen voor deze vorm van programmatisch werken, maar er zal ongetwijfeld op een ander moment en wellicht ook in ander verband worden gesproken over de manier waarop dat in een volgende kabinetsperiode al of niet voortgezet gaat worden.

Als ik even uit mijn hart mag spreken, het was van meet af aan mijn overtuiging dat een programmaministerie voor Jeugd en Gezin een tijdelijk verschijnsel zou moeten zijn, omdat in andere tijden andere thema’s zich lenen voor een programmaministerie. Ik ben er wel van overtuigd dat we nog niet klaar zijn, en niet alleen omdat het kabinet voortijdig aan zijn einde is gekomen. Daarmee heb ik veel van de observaties en vragen van de heer Dibi beantwoord. We zijn nog niet in 2012 of in mei 2011, als het gaat om de CJG’s, dus we waren en zijn nog niet klaar. Ik ben daar overigens heel onbevangen over en ik sta open voor een eerlijke evaluatie van successen en minder geslaagde elementen van de afgelopen jaren, maar we moeten geen onrecht doen aan het enthousiasme dat ik in het veld heb ontmoet voor de integrale manier van werken en aan de mensen die hieraan hebben gewerkt, niet alleen mijn medewerkers, maar de medewerkers van verschillende departementen die rechtstreeks onder het programmaministerie vielen.

Het onderwerp kindermishandeling is hierbij een van de meest in het oog springende thema’s. Ik herinner mij nog goed dat de zaal vol zat met mensen uit verschillende disciplines die zich allemaal bezighielden met kindermishandeling. Zij zeiden dat dit probleem alleen kan worden beetgepakt door dwars door die departementale kokers heen te breken, programmatisch te werken en eindelijk tot een integrale aanpak te komen. Je kunt erover discussiëren of we meer hadden moeten bereiken of dat het breder had moeten zijn, maar dat vind ik niet zo zinvol. Het zou mij een lief ding waard zijn als het programmatisch werken op dit thema in ieder geval nog één kabinetsperiode behouden zou blijven, maar dat zal onderwerp zijn van de kabinetsformatie door wie er dan ook aan tafel zitten tegen die tijd.

Mevrouw Langkamp heeft een heleboel opmerkingen gemaakt in evaluerende zin, die ik vandaag overigens niet voor het eerst hoorde. Zij kwalificeert het werk dat in de afgelopen jaren is verzet, niet alleen door de minister, maar ook door het veld, als «gerommel in de marge». Ik heb haar al eerder gezegd dat ik dit bijna beschouw als een diskwalificatie voor de sector. Er is natuurlijk heel hard gewerkt op al die terreinen die langskomen. Ik heb diep respect voor het werk dat in drieënhalf jaar is verzet binnen de bestaande wettelijke kaders, waaraan wij gehouden waren omdat de Kamer als medewetgever had gekozen voor een evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. Ik wens dat zelf niet af te doen als gerommel in de marge. Dat is mij te makkelijk.

Mevrouw Langkamp (SP): Sorry, hoor, maar dat heb ik ook echt niet gedaan. Sterker nog, in mijn bijdrage heb ik net opgenomen dat mijn partij onderzoek heeft gedaan onder de jeugdhulpverleners. Wij hebben zeer veel respect voor de inzet van alle werkers in de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening, dus ik laat mij niet in de mond leggen door de minister dat ik die mensen diskwalificeer met mijn opmerking over gerommel in de marge, die gericht was op het beleid van deze minister voor Jeugd en Gezin en niets meer of minder dan dat.

Minister Rouvoet: Voorzitter. Ik pak het echt breder op, want ik heb het niet in mijn eentje gedaan. Het meeste werk is verzet niet alleen door mijn medewerkers, maar door het veld. Mevrouw Langkamp heeft een aantal onderwerpen genoemd, zoals bestrijding van bureaucratie. Ik heb een actieplan opgesteld, in het volle besef dat daar keihard aan gewerkt zou moeten worden door de mensen die bij de Bureaus Jeugdzorg en de jeugdzorginstellingen zelf werken. Zij kan het eens of oneens zijn met de constatering dat we daar slagen hebben gemaakt, maar wanneer zij de term «gerommel in de marge» gebruikt, kan zij die niet alleen reserveren voor de minister die uiteindelijk verantwoordelijk is voor het stelsel, daar waar in de afgelopen drie jaar keihard is gewerkt. Dan neem ik het op voor al die mensen die hard gewerkt hebben. Ik wens dat niet afgedaan te zien als gerommel in de marge, maar daarover mogen we van mening verschillen.

Ik ga ook niet breed in op de redenen om er tot dusverre van af te zien om het stelsel aan te pakken. Ik heb vaak genoeg aan de Kamer voorgehouden dat dit te maken heeft met de keuze van de wetgever. Er ligt een evaluatie van de wet. Er ligt een perspectief van het kabinet; een kabinetsvisie. Ik ben het zeer eens met degenen die zeggen dat we niet alleen steeds incidenteel geld beschikbaar moeten stellen, maar de problemen structureel moeten aanpakken. Ik had ook graag met de Kamer doorgepakt wat betreft de visie die er nu ligt, onder andere op basis van de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg. Ik had de afspraak willen nakomen om voor de zomer tot besluitvorming te komen, maar het is anders gelopen. Er is iets tussengekomen, zal ik maar zeggen, maar tegen degenen die nu vragen wat ik ga doen aan dit en aan dat, zeg ik dat het wel van tweeën een is: of we pakken door en we pakken de discussie over de toekomst van de jeugdzorg alsnog aan of we accepteren dat we in deze setting die slagen niet meer kunnen maken. Ik heb ook aangegeven dat ik beschikbaar ben voor ieder debat, ook over de langere termijn, in het besef dat we te maken hebben met een demissionair kabinet, wat vanzelfsprekend zijn beperkingen meebrengt.

Ik ben natuurlijk ook in gespannen afwachting van de aanbevelingen van de werkgroep-Heijnen. Ik ken die niet. Ik heb gehoord dat enkele woordvoerders aan de minister vragen om het landelijk te regelen terwijl die verantwoordelijkheden op dit moment elders zijn belegd. Dat geldt zowel voor de pleegzorg als voor een aantal andere zaken. Ik ben benieuwd of de wens om het naar het landelijke niveau te trekken ook zal terugkeren in de aanbevelingen van de werkgroep. Dat raakt aan het stelseldebat. Ik wacht de aanbevelingen van de werkgroep af. Als de Kamer daarover nog wil spreken, zal ik graag mijn visie inbrengen. Er zijn allerlei zaken waarover de voorzitter heeft gezegd dat zij niet als zodanig geagendeerd staan. Ik kom daar vast nog wel eens op terug om de balans op te maken, maar daarvoor lijkt het me nu niet het moment. Ik ben op ieder moment beschikbaar om over welk onderwerp dan ook verantwoording aan de Kamer af te leggen, want dat is mijn taak.

Er zijn vragen gesteld over het afsprakenkader en alles wat daarmee samenhangt en over de cijfers van de wachtlijsten. Mevrouw Langkamp heeft opmerkingen gemaakt over incidenteel en structureel geld. Kortheidshalve verwijs ik naar de financiële bijlage, net als de heer Dijsselbloem. Daaruit blijkt dat er niet alleen incidenteel maar ook structureel geld is bijgekomen, in wisselende hoeveelheden. Dat blijkt ook in algemenere zin als wij terugkijken op de afgelopen drieënhalf jaar. In de tabel is te zien dat er uiteindelijk steeds meer geld naar de provinciale jeugdzorg gaat. Dat heeft iets te maken met de toenemende groei. Daarover hebben we in 2008–2009 en in 2010–2011 opnieuw afspraken kunnen maken en dat is goed. Volgens mij laten de cijfers in de tabel heel duidelijk zien hoe de totaalbedragen zijn opgebouwd. Het gaat om een bedrag van ruim 1,5 mld. dat naar de provinciale jeugdzorg gaat. Er is dus ook structureel meer geld beschikbaar gesteld voor de jeugdzorg. Het is waar: er zijn incidentele middelen, maar ook structurele middelen; daar is de Kamer altijd in gekend.

De heer Dijsselbloem heeft een paar vragen gesteld over de verdeling. Ik breng in herinnering dat de minister een verdeelsleutel vaststelt op basis van een voorstel van het IPO. De provincies worden het in IPO-verband eens over een voorstel aan de minister, die dit uiteindelijk vaststelt en dienovereenkomstig geld beschikbaar stelt aan de provincies. Limburg is de enige provincie die er in absolute zin op achteruitgaat. Bij de andere provincies is een herverdeling in relatieve zin zichtbaar. De ene provincie krijgt op basis van het IPO-verdelingsvoorstel procentueel meer middelen dan de andere.

De heer Dijsselbloem heeft ook een vraag gesteld over de grootstedelijke regio’s en de eigen middelen. Deze afspraken zien op het budget dat van rijkswege beschikbaar wordt gesteld aan de vijftien provincies, inclusief de drie regio’s; tezamen noemen wij die «de provincies». De mogelijkheid dat provincies er eigen middelen in steken, wordt niet bij de afspraken betrokken. Uitgangspunt is dat dit budget toereikend moet zijn. De afspraken zijn erop geënt om de voorziene groei op te vangen en alle kinderen de zorg te geven die nodig is. Die formulering vindt de Kamer ook terug in het afsprakenkader. Het staat provincies vrij om daar onder bepaalde omstandigheden ook nog eigen middelen voor uit te trekken. Daar gaan de gedeputeerde staten van de provincies uiteindelijk zelf over. Ik onderstreep dat dit geen deel uitmaakt van het afsprakenkader, waarin ervan uit wordt gegaan dat de voor 2010–2011 beschikbaar gestelde middelen voldoende zijn om alle kinderen de benodigde zorg te geven.

Zoals de heer Dijsselbloem zei, hebben de grootstedelijke regio’s op zichzelf geen eigen middelen. Hierover hebben wij in 2008–2009 een dispuut gehad, waardoor het langer heeft geduurd voordat die afspraken tot stand konden komen, maar ook deze regio’s hebben ingestemd met het afsprakenkader. Ik ga ervan uit dat het op zichzelf mogelijk moet zijn om deze reductie tot stand te brengen en te voorzien in voldoende en tijdige zorg. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van de wachtlijsten in de grootstedelijke regio Haaglanden de afgelopen jaren.

De heer Dijsselbloem vroeg of ik voorbeelden ken van samenwerking tussen provincies en gemeenten, die wordt genoemd in het afsprakenkader. Dat vind ik ook wel een belangrijke randvoorwaarde. Ik maak afspraken met de provincies over de provinciale jeugdzorg en het daarvoor beschikbaar te stellen budget. Ik heb er wel voor gezorgd dat de VNG aangehaakt was en wist wat er gebeurde, omdat we de inzet van gemeenten op het terrein van bijvoorbeeld preventie nodig hebben, maar de VNG zat niet aan tafel bij het vaststellen van de afspraken over de provinciale jeugdzorg. Dat hoort ook niet, want die afspraken maak ik met de provincies.

Tegen het IPO en de provincies heb ik gezegd dat wij weliswaar het nodige van gemeenten verwachten, maar dat de VNG ervan uit mag gaan dat ik in het kader van afspraken met de provincies geen nieuwe afspraken toevoeg aan het bestuursakkoord van 2007 dat ik met de VNG heb gesloten. Ik spreek de VNG wel krachtig aan op de gemaakte afspraken. Ik heb mevrouw Jorritsma apart gesproken en ik heb gezegd: denk erom, wat wij toen hebben afgesproken, staat nog steeds; inzetten op preventie moet echt gebeuren. Toen is al 200 mln. aan extra middelen voor preventie en opvoedondersteuning beschikbaar gesteld en dat moet resulteren in een afname van de vraag naar geïndiceerde jeugdzorg. Over die cijfers beschikken wij nog niet, want het betreft de lange termijn. Als je er extra geld in pompt, zie je de wachtlijsten echt niet binnen een paar maanden teruglopen, maar dat moet natuurlijk wel het effect zijn. Verder zie ik een beweging om meer bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de provincies over te hevelen naar de gemeenten, zoals opgenomen in de kabinetsvisie. Door een en ander in één hand te brengen worden prikkels naar de verkeerde kant eruit gehaald en wordt voorkomen dat de provincies de vruchten plukken van investeringen in preventie. De Kamer signaleerde dat ook bij de discussie over de bestuurlijke verantwoordelijkheden in het kader van het stelseldebat.

Een voorbeeld van samenwerking is Overijssel. Daar zie je heel sterk dat de provincie inzet op het stimuleren van de eigenkrachtbenadering, ook op het lokale niveau. Een ander voorbeeld is Noord-Brabant, waar veel en goed wordt samengewerkt tussen provincie en gemeenten en waar heel vaak gezamenlijke initiatieven worden ontplooid. Dat zijn goede voorbeelden waar wij ons aan kunnen spiegelen.

De heer Voordewind heeft gevraagd naar cijfers over Zuid-Holland, die in een voetnoot stonden of niet volledig waren opgenomen. De cijfers zijn inmiddels volledig bekend, maar ik heb ze hier niet. In de brief aan de Kamer waren ze nog niet gemeld. Misschien mag ik dat onderwerp even parkeren. Die cijfers zijn beschikbaar en de Kamer zal ze ook krijgen.

Mevrouw Van Toorenburg heeft een opmerking gemaakt over de informatievoorziening in 2011. Die klopt voor de stroomlijning en de organisatie, maar wij hebben ook afgesproken dat de frequentie van de wachtlijstrapportages teruggaat naar een keer per jaar, om de organisaties en de Bureaus Jeugdzorg niet met te veel bureaucratie op te zadelen. Dat is ook opgenomen in het afsprakenkader. De afspraken zijn helder en tweejarig. Ik onderstreep het belang van deze afspraken, waar een van de commissieleden ook op heeft gewezen. Los van het feit dat het kabinet demissionair is geworden, hebben wij gezegd dat het van belang is om twee jaar bestuurlijke rust te creëren in afwachting van het debat over de toekomst van het stelsel dat zal plaatsvinden wanneer de evaluatie er ligt. Dan kan die discussie over het stelsel in alle rust plaatsvinden, zonder dat deze belast wordt met moeizame discussies over budgetten. Wij wilden twee jaar financiële en bestuurlijke rust in de provincies wat betreft de budgetten voor jeugdzorg, overigens wel in het besef dat dit geen garanties biedt voor de uitkomst van het debat over de bestuurlijke verantwoordelijkheden.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik wil even doorvragen over de voorbeelden die de minister geeft van afspraken tussen provincies en gemeenten. De aanname in zijn brief is dat er afspraken tot stand komen waarbij gemeenten, als zij investeren in eerstelijnszorg, middelen kunnen krijgen uit de doeluitkering jeugdzorg die naar de provincies gaat. Zijn de voorbeelden die de minister geeft projectmatige samenwerkingsvormen of zit daar die omgekeerde prikkel al in? Nu is het afschuifmechanisme: als ik niets doe, wordt het vanzelf een probleem en gaat het naar de provinciale jeugdzorg. In de brief schrijft de minister dat hij wil dat het andersom werkt: als je investeert in eerstelijnszorg, kun je geld krijgen uit het jeugdzorgbudget. Is dat het type afspraken dat is gemaakt in bijvoorbeeld Overijssel en Noord-Brabant?

Minister Rouvoet: Nee. Op basis van dit afsprakenkader hebben we gezegd dat het aan de verantwoordelijke gedeputeerden is om daarover met hun gemeenten in hun provincie afspraken te maken. Een belangrijk onderdeel van het afsprakenkader is de gezamenlijk in te stellen commissie van deskundigen, waarover ik gisteren nog met het IPO heb gesproken. De leden van deze commissie gaan precies na wat eerste- of tweedelijnszorg is. De Kamer kan zich voorstellen dat de discussie over het stelsel daar wel boven hangt. Desondanks heb ik gisteren met het IPO vastgesteld dat we inhoudelijk verder moeten met de commissie van deskundigen, met betrokkenheid van de VNG, om te bekijken wat bij de eerste en wat bij de tweede lijn hoort. Daar krijgen wij nog een terugkoppeling van, maar de bal ligt bij de gedeputeerden, die met hun gemeenten goede afspraken moeten maken om te voorkomen dat er te weinig gebeurt. Zij zijn het aanspreekpunt. Zij zijn ook degenen die het merken als de gemeenten te weinig doen. Op verzoek van het IPO hebben wij het initiatief heel bewust bij de provincies gelegd, want zij hebben te maken met de gemeenten en zien of zij actief zijn op het gebied van preventie en investeringen in vroege interventies. De provincies zullen voor 1 oktober rapporteren over de effecten van de nieuwe afspraken. Ik zal de Kamer daarover informeren.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik ben het zeer eens met de intentie en het idee erachter, maar als ik het zo hoor, vrees ik dat de bodem onder het afsprakenkader zal uitvallen. Er zal immers een aanhoudende druk zijn op de vraag naar jeugdzorg. De groei vlakt wel af, maar is bepaald nog niet weg. De bodem van het afsprakenkader is dat op lokaal niveau meer gedaan zal worden aan eerstelijnszorg. Daarvoor mogen de provincies geld inzetten via de gemeenten, maar dat lijkt tot nu toe nog niet van de grond te zijn gekomen, en het jaar is al half voorbij. Dat mechanisme moet echt vorm krijgen, anders zullen gemeenten niet het risico nemen om extra geld te stoppen in eerstelijnszorg. De gemeenten zitten financieel ook krap, dus niet is afgesproken dat de gemeenten geld krijgen van de provincies als zij met succes investeren in eerstelijnszorg, zakt de bodem onder het afsprakenkader vandaan. Dat is mijn vrees. Ik snap dat het volgens de minister aan de provincies is, maar weet wel dat als het een jaar kost voordat de eerste afspraak tot stand komt ...

Minister Rouvoet: Nee, nee. De heer Dijsselbloem heeft mij niet horen zeggen dat er nog geen afspraken zijn gemaakt. De provincies zijn daarmee bezig. Essentieel onderdeel van het afsprakenkader is dat gemeenten doen wat zij moeten doen, mede omdat zij er in het bestuursakkoord van 2007 extra middelen voor hebben gekregen. Ik ben het met de heer Dijsselbloem eens dat helderheid in het belang van provincies en gemeenten is. De individuele gedeputeerden moeten volstrekte helderheid creëren over de wijze waarop de provincie en de gemeenten zich tot elkaar verhouden. Het is ook een belang van de provincie zelf om te bepalen of het opportuun is om middelen aan de gemeenten te geven. Daarom moet het initiatief bij de gedeputeerden liggen. Ik weet dat alle provincies hiermee hard aan de gang zijn gegaan, maar ik heb nog geen totaalbeeld. Ik kan er dus niet over rapporteren, maar dat wil niet zeggen dat mensen op hun handen zitten.

Mijn bijdrage betreft het meehelpen aan de totstandkoming van de commissie van deskundigen, die gaat bekijken wat eerste en tweede lijn is. Dat is iets anders dan het overdragen van middelen aan de gemeenten. Dat kan pas als gedeputeerden en gemeenten helderheid hebben over de inspanningen van gemeenten. De gemeenten zijn daartoe in staat gesteld doordat zij krachtens het bestuursakkoord 200 mln. extra voor opvoedingsondersteuning hebben ontvangen. Het aansporen van gemeenten maakt ook deel uit van mijn gesprekken met het bestuur van de VNG. De gemeenten moeten er niet alleen voor zorgen dat er Centra voor Jeugd en Gezin komen – hoe belangrijk ook – maar ook dat deze effectief functioneren en extra opvoedingsondersteuning geven. Daar waren die middelen voor bedoeld. Dat moet bij elkaar komen en daar krijgt de Kamer de terugkoppeling van.

De heer Dibi (GroenLinks): Wij weten in ieder geval dat de Centra voor Jeugd en Gezin de eerste lijn betreffen. Op heel veel terreinen weten wij natuurlijk wel wat de eerste lijn en de preventieve zorg zijn. Daar hebben wij helemaal geen commissie van deskundigen voor nodig, tenzij je echt heel strak wilt afbakenen waar je wel of geen geld naartoe stuurt. Wij kunnen nu toch al prikkels inbouwen om ervoor te zorgen dat gemeenten hun preventieve functie oppakken? Nu zijn er te weinig prikkels en hebben gemeenten er te weinig belang bij om te voorkomen dat kinderen naar de zwaardere jeugdzorg gaan. Wil de minister het allemaal laten afhangen van afspraken tussen provincies en gemeenten en wat dies meer zij – dat verhaal kennen we al uit de afgelopen debatten – of gaat hij dit zelf oppakken en regelen?

Minister Rouvoet: De heer Dibi zegt: «dat verhaal kennen we al». Ik weet ook al heel lang dat de heer Dibi van mening is dat de jeugdzorg een taak van de gemeenten is. Dat vindt hij ook terug in het perspectief van het kabinet. Mijn gedachte was: laten wij er werk van maken. Dat is echter ook aan de Kamer. Dat hoort er natuurlijk wel bij.

De gemeenten moeten de kabinetsvisie oppakken en daar zijn wel degelijk prikkels voor. De gemeenten hebben immers extra geld gekregen om te investeren in opvoedingsondersteuning. Zij moeten aan de slag met de Centra voor Jeugd en Gezin, die er niet dit jaar, maar eind volgend jaar allemaal moeten zijn. Dat is de afspraak in het bestuursakkoord met de VNG waarmee de Kamer heeft ingestemd. De gemeenten moeten daarover verantwoording afleggen in een jaarlijkse rapportage over de ontwikkelingen en in een verantwoording van de brede doeluitkering aan het eind van de periode. Als het niet op orde is, dan gaat het geld niet naar het Gemeentefonds, maar dan houden we de regie nog centraal. Er zijn dus wel degelijk prikkels. Wij moeten niet de indruk wekken dat de gemeenten op hun handen zitten en er geen belang bij hebben om de preventie voor jongeren op orde te krijgen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik ben het niet eens met die laatste opmerking. De gemeenten zitten misschien niet op hun handen, maar van alle deskundigen horen wij dat er veel te weinig prikkels zijn om de gemeenten hun preventieve functie echt te laten oppakken. Het klopt dat GroenLinks altijd al voorstander is geweest van het overbrengen van het grootste gedeelte van de jeugdzorg naar de gemeenten. Er zijn stapels rapporten geschreven die teruggaan tot ik weet niet wanneer waarin dezelfde oproep wordt gedaan. Ik begrijp dat de minister staat te popelen om met de Kamer over zijn kabinetsvisie te debatteren. Wij zullen wel zien wat ervan komt. Ik heb er echter een beetje moeite mee dat de minister, als Kamerleden hem aanspreken op zijn verantwoordelijkheid, verwijst naar de rol van de provincies en de gemeenten. Dat komt vaker voor in debatten met de minister. Dat is terecht, zo is het allemaal ook wel geregeld ...

Minister Rouvoet: Nou dan!

De heer Dibi (GroenLinks): Als wij dit echter willen veranderen en als wij hier een einde aan willen maken, moet de minister soms ook gewoon voorbij de wetgeving denken. Hij moet zich afvragen wat noodzakelijk is om kinderen de juiste zorg te geven. Misschien moet hij dan iets anders doen. Ik vraag de minister om te bekijken of de gemeenten veel meer door de rijksoverheid kunnen worden gestimuleerd om de preventieve functie op te pakken.

Minister Rouvoet: Het is kiezen of kabelen, ook voor GroenLinks en de heer Dibi. Hij kan niet zeggen dat de minister voorbij de wettelijke regelingen en meer richting gemeenten moet gaan als de Kamer het debat over de toekomst van de jeugdzorg controversieel heeft verklaard. Ik ben beschikbaar voor dat debat. Het kabinet heeft zijn inzet aangegeven. Het heeft ervoor gekozen om de gemeenten daarvoor verantwoordelijk te maken. De Kamer heeft er tot nu toe voor gekozen om er niet over te debatteren en niet door te pakken. Dat is haar goed recht, want het kabinet is demissionair, maar dan moet zij niet ondertussen aan de minister vragen om door te pakken. Ik wil best doorgaan op die weg, maar dan moeten we het debat ook voluit aangaan. Daar ben ik voor beschikbaar.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil dat debat wel voeren, maar dan wil ik ook antwoord op mijn vraag.

De voorzitter: Ik heb het idee dat er nu breder gediscussieerd wordt dan de bedoeling is. Het onderwerp dat wij nu bij de kop hebben, betreft de wachtlijsten, het afsprakenkader en de vraag of er al dan niet structureel geld beschikbaar is. Dat blokje hebben wij nu bijna afgerond. Mevrouw Van Toorenburg wilde daarover nog een vraag stellen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik begreep een en ander niet zo goed. De minister gaf aan dat hij in oktober de terugkoppeling van de provincies krijgt en dat hij dan weet in hoeverre zij met de gemeenten afspraken hebben gemaakt over het eventueel doorschuiven van middelen als de gemeenten extra werk maken van preventie. Heb ik dat goed begrepen? Zo ja, wil de minister de Kamer dan informeren zodra hij van de provincies heeft gehoord hoe dat proces verloopt?

Minister Rouvoet: Het antwoord is twee keer «ja».

Mevrouw Langkamp (SP): Ik had een vraag gesteld over het stimuleren van de doorbraakmethode in de jeugdzorg. Kan de minister daarop reageren?

Minister Rouvoet: Die vraag van mevrouw Langkamp was opgenomen in een wat breder betoog. Als ik mij goed herinner, heb ik de motie hierover als ondersteuning van beleid aanvaard. Er zijn goede ontwikkelingen op het gebied van de doorbraakmethode in de jeugd-ggz. Ik heb de Kamer gemeld dat een aantal Bureaus Jeugdzorg al met deze methode is begonnen. Dat volgen wij goed, omdat het goed heeft gewerkt in de jeugd-ggz en omdat wij daar ook in de jeugdzorg goede mogelijkheden voor zien. In het zorgaanbod kun je daar ook wel iets van terugvinden. Volgens mij is er geen verschil van mening tussen mevrouw Langkamp en mij over het belang van de doorbraakmethode om effectief te werken en een snelle doorstroom mogelijk te maken.

De heer Dijsselbloem legde als enige de vinger niet zozeer op de feiten en cijfers, als wel op de omslagen die met het afsprakenkader worden gerealiseerd. Dat vind ik een heel belangrijke observatie. Samen met de provincies, die verantwoordelijk zijn voor de jeugdzorg, hebben wij goed gekeken naar de omslagen die wij kunnen maken. De provincies houden zich niet alleen in bestuurlijke zin met het stelsel van jeugdzorg bezig. Ik vind het belangrijk om te onderstrepen dat er ruimte is bij de provincies om middelen ter beschikking stellen aan de gemeenten, als de gemeenten werk maken van preventie en de kinderen daarmee beter af zijn. Dat is winst. Er worden omslagen gemaakt zoals ambulante zorg zonder indicatie, de omvang en duur, waarover wij al eerder hebben gesproken, de regelgeving die wat dit betreft inmiddels is aangepast, en één doeluitkering. Daarmee zijn belangrijke slagen gemaakt in de afspraken met provincies. Deze zijn pure winst voor de effectiviteit van de jeugdzorg.

Over de gesloten jeugdzorg zijn ook enkele opmerkingen gemaakt. Mevrouw Langkamp vroeg naar de scholing van het personeel in de gesloten jeugdzorg. In verband met het opleidingsniveau van de medewerkers in de gesloten jeugdzorg heb ik in 2007 besloten om structureel extra middelen ter beschikking te stellen aan de instellingen om de kwaliteit in de gesloten jeugdzorg te bevorderen. Dat hing samen met het streefbeeld, het kwaliteitskader en het toetsingskader van de inspectie, waarover wij uitvoerig hebben gesproken. Wij hebben de instellingen voor gesloten jeugdzorg de gelegenheid gegeven om zelf te bezien op welke wijze zij daar invulling aan geven. Dat kan onder meer door het personeel daarin te scholen. Afhankelijk van de zorgzwaarte kan bij het professionaliseringsproces begeleiding op hbo-niveau worden afgedwongen. Dit hangt samen met de stuurgroep van mevrouw Kalsbeek en alles wat daaruit is voortgevloeid en waarvan de Kamer op de hoogte is gesteld. Instellingen worden verplicht hbo’ers aan te trekken voor werk op hbo-niveau; alleen hbo-geregistreerden mogen dat werk verrichten. Als er hbo-eisen worden gesteld, mag er niet onder dat niveau worden gewerkt, dat is duidelijk.

Mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd of voldoende wordt gekeken naar de fasering. Dat is essentieel. De gefaseerde trajectbenadering is een wezenlijk onderdeel van de gesloten jeugdzorg. Dat is niet helemaal zonder risico’s. Als je jongeren niet alleen wilt opsluiten, maar wilt terugbegeleiden, moet je daar een goed plan voor maken. Het zit in het streefbeeld en het kwaliteitskader om jongeren vanuit de gesloten setting langzaam maar zeker terug te brengen naar een meer open instelling of zelfs naar een leven zonder zorg, maar dat kan ook naar de ambulante zorg zijn, als laagste niveau. Net als in andere sectoren vergt dit precisie en maatwerk. Er wordt voortdurend nagegaan wat er voor de individuele jeugdige in zijn of haar behandelplan is aangewezen. Ik aarzelde wat bij mevrouw Van Toorenburg formulering dat de gesloten jeugdzorg ook echt een gesloten setting moet zijn. In het begin moet dat inderdaad zo zijn, maar tegelijkertijd is er de trajectbenadering. Volgens mij zijn wij het daarover eens. Er moet ook echt een onderscheid zijn met de justitiële jeugdinrichtingen. De gesloten jeugdzorg is niet alleen een gesloten setting, maar leidt juist terug naar meer reguliere vormen van zorg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik herinner mij nog heel goed dat jongeren in justitiële jeugdinrichtingen het recht hadden om de zo veel tijd met verlof te gaan, ook al waren zij daar niet aan toe. Het beeld is ontstaan dat dit voortduurt, ook in de gesloten jeugdzorg. Kan de minister ons melden dat dit absoluut niet aan de orde is? Het is gemakkelijk: als in het behandelplan wordt aangegeven dat een kind er niet aan toe is, dan mag hij of zij niet met verlof. Wij krijgen daar andere signalen over. Kan de minister ons geruststellen? Mag een kind inderdaad slechts met verlof als in het behandelplan door de deskundigen wordt gemeld dat hij of zij het aankan? We zien bijvoorbeeld dat bij de loverboyproblematiek heel schrijnende situaties zijn ontstaan.

Minister Rouvoet: In essentie is dat waar. Mevrouw Van Toorenburg formuleert het heel nauwkeurig. Het is van belang om te benadrukken dat het regime precies omgekeerd is. In de justitiële jeugdinrichting is het uitgangspunt dat je dingen niet mag, tenzij zij apart zijn afgesproken in het behandelplan. Dat hangt samen met het detentieregime. In de gesloten jeugdzorg is het omgekeerd: in principe heb je alle rechten, tenzij in het behandelplan beperkingen zijn opgenomen. In de Wet op de gesloten jeugdzorg en de Wet op de jeugdzorg is opgenomen welke beperkingen dat kunnen zijn. Deze beperkingen mogen alleen worden opgelegd aan de betreffende jeugdige als ze in het individuele behandelplan zijn opgenomen. Het regime is dus omgekeerd. De term «verlof» wordt ook iets anders geduid dan in de justitiële jeugdinrichting. Mevrouw Van Toorenburg doelt op datzelfde fenomeen. Meer vrijheden en een meer open setting worden alleen mogelijk als die voor een bepaalde jeugdige in het behandelplan worden aangewezen. Het behandelplan kan tussentijds worden bijgesteld als het nog niet goed gaat met de jongere of als hij of zij nog niet toe is aan de volgende fase.

Over de pleegzorg zijn enkele specifieke vragen gesteld. Ik heb in april een uitvoerige brief over de casus aan de Kamer gestuurd die op de agenda staat van dit debat. De conclusie van die brief is dat ik de observatie deel van alle woordvoerders die hierover hebben gesproken, namelijk dat pleegzorg juist is bedoeld om een veilige plek te geven aan kinderen die deze thuis om de een of andere reden niet hebben gehad. Dat is niet altijd in een gedwongen kader, maar zeker als het in een gedwongen kader is, moet een kind in het pleeggezin veilig zijn als het thuis niet veilig is. Zijn er garanties dat het altijd goed gaat en dat het altijd veilig is? Nee, die zijn er niet. Hebben wij de mechanismen op orde om het te ontdekken als het ergens niet goed gaat? Ja, in beginsel wel. Worden er fouten gemaakt door gezinsvoogden en door pleegzorgbegeleiders? Ja, die worden gemaakt. Is dat erg? Ja, dat is heel erg, zeker als het fout gaat. Natuurlijk!

Daarom is het van belang dat ook in deze sector zaken als het tuchtrecht op orde zijn. Het zelfreinigend vermogen van de sector geldt ook voor de pleegzorg. Niet voor niets heb ik in mijn brief duidelijk gemaakt dat het mechanisme van screening en begeleiding in de pleegzorg op zichzelf wel werkt. Daar doet de ernst van het incident in Zeeland niets aan af. Als het niet goed gaat, moeten er signalen komen. De inspectie ziet toe op de kwaliteit, waarvoor de pleegzorgaanbieder in eerste instantie verantwoordelijk is, want zoals in alle zorginstellingen zijn de zorgaanbieders verantwoordelijk voor de kwaliteit, en moet beoordelen of deze in orde is. Is dat niet het geval, dan moet een verbeterplan worden opgesteld. Voldoet een pleegzorgaanbieder daar niet aan, dan kan hij niet goed meer functioneren. Dat mechanisme heeft in deze situatie precies zo gefunctioneerd.

Net als de heer Voordewind en anderen schrik ook ik van de bevinding dat veel pleegzorgaanbieders hun zaken niet op orde hebben. Het systeem op zichzelf werkt echter wel, al realiseer ik mij dat dit afstandelijk klinkt. Als de inspectie zegt dat het niet deugt of niet goed gaat, dat er een verbeterplan moet worden ingesteld en dat zij daarop toeziet, onder de primaire bestuurlijke verantwoordelijkheid van de provincies, moet de desbetreffende pleegzorgaanbieder de zaken wel weer op orde krijgen. Dat sluit incidenten dus niet honderd procent uit. Iemand vroeg of er waarborgen zijn, of het een waterdicht systeem is. Nee. Het is echter wel van belang dat wij er met elkaar voor zorgen dat de screening zo goed mogelijk wordt gedaan.

Een aantal commissieleden heeft gevraagd of het beter is om het op landelijk niveau te regelen. De Regeling pleegzorg is overigens een landelijke regeling waaraan voldaan moet worden. Ik val de heer Dijsselbloem, die een ander geluid heeft laten horen, bij in zijn observatie dat de regelingen goed moeten functioneren. Als er iets moet worden verbeterd in het toezicht, moeten wij dat niet nalaten. De inspectie moet erop toezien dat de verbeterplannen worden uitgevoerd. Dat is precies de manier waarop de inspectie moet optreden. Ik ben net als de heer Dijsselbloem een beetje voorzichtig met de uitspraak dat wij met landelijke kwaliteitsregels of nieuwe voorschriften heen moeten gaan over de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit, omdat ik denk dat er nog veel winst valt te behalen op de manier waarop het nu gaat en dat we waar nodig verbeteringen kunnen aanbrengen. Dat neemt niet weg dat ik wel wil bekijken of er met uniformere richtlijnen of regels voor screening winst te boeken is, in de zin van afspraken met de pleegzorgaanbieders, zij het onder verantwoordelijkheid van de provincie. Ik weet niet of de screening van een individueel pleeggezin beter zou verlopen wanneer wij een onafhankelijke landelijke instelling zouden toevoegen aan wat al bestaat, want de screening verloopt goed, mits we daar goed op toezien.

Op het punt van screening en matching wil ik een opmerking maken over een onderwerp dat onder de commissieleden onderling nogal wat discussie veroorzaakte: is er verschil tussen een een- en tweeouderpleeggezin? Ik ben van mening dat wij niet op de stoel moeten gaan zitten van de pleegzorgaanbieders die deze keuze maken. De matching vindt niet plaats door de wetgever of de provincie, maar door de pleegzorgaanbieders. Het woord «matching» is de sleutel, zoals mevrouw Dezentjé al zei. In algemene zin is niet te zeggen in welke situatie een bepaald kind het beste af is. Als minister en wetgever zou ik daar buiten willen blijven, omdat je anders gaat zitten op de stoel van de professional die je nu juist de ruimte wilt geven. De pleegzorgaanbieders en de professionals zelf, zoals de pleegzorgbegeleiders, de medewerkers, de gezinsvoogden, zijn verantwoordelijk voor de geleverde kwaliteit. Iedereen heeft zijn eigen verantwoordelijkheid, maar uiteindelijk is de pleegzorgaanbieder als aanbieder van jeugdzorg verantwoordelijk voor de kwaliteit van het werk. De provincies zijn bestuurlijk verantwoordelijk voor het inkopen van kwalitatief goede zorg en daaronder valt ook de pleegzorg. Bij aarzeling of twijfel ziet de inspectie toe op de kwaliteit van de geleverde zorg.

Ik zou zelf geen algemene uitspraken willen doen over de vraag of een individueel kind bij matching beter af is in een een- of tweeoudergezin. Al ken ik de reportage van vanavond nog niet, het incident dat zich heeft voorgedaan, is verschrikkelijk. Bij het andere incident waarover wij ons zorgen hebben gemaakt, de casus in Zeeland, was echter geen alleenstaande man betrokken. Laten wij er voorzichtig mee zijn om op basis van één incident algemene regels op te stellen voor de plek waar een kind het beste af is. Laten wij dat overlaten aan de professionals, die ervoor toegerust zijn om een goede keuze te maken. Welke ouder of welk gezin ook pleegouder of pleeggezin wil worden, in welke situatie of samenstelling ook, de ouder of het gezin moet voldoen aan de Regeling pleegzorg en de criteria van de screening. De screening moet in orde zijn.

De heer Voordewind heeft gevraagd waar kinderen terecht kunnen. Binnen het gedwongen kader is de gezinsvoogd de aangewezen instantie. Mevrouw Van Toorenburg heeft een aantal opmerkingen gemaakt over ouders die geen signalen meer durven af te geven. Ik moet even ideaaltypisch spreken. Als de uithuisplaatsing in een gedwongen kader plaatsvindt, is de verantwoordelijkheid van de ouders overgenomen door de gezinsvoogd. Deze is dan ook verantwoordelijk voor het oppikken van signalen, eventueel met de pleegzorgbegeleider. Dat neemt niet weg dat de natuurlijke ouders ermee voor de draad kunnen komen als zij signalen ontvangen dat het niet goed gaat. Dat hangt heel erg van de individuele situatie af.

De heer Voordewind vroeg hoe het kan dat nog niet alle gezinsvoogden alle signalen oppikken. Dat is precies het hart van het werkterrein van de professional. Dat geldt breder, ook voor het signaleren van kindermishandeling. Het is geen hogere wiskunde. Je moet heel precies nagaan wat voor signalen het kind afgeeft. Heeft het kind buikpijn omdat het in het pleeggezin niet goed gaat? Niet ieder kind dat na het weekend zegt dat het buikpijn heeft en liever daar wil blijven, zit immers in een pleeggezin waar het niet veilig is? Dat is precies de moeilijkheid van het werk van de jeugdhulpverlener. Laten wij oppassen dat wij niet te snel conclusies trekken. Er kunnen foute taxaties worden gemaakt, dat is waar, maar deze moeilijkheid is wel de kern van het werk van professionals. Ik was het zeer eens met degenen die hebben gezegd: pas op met daar te snel conclusies aan te verbinden.

Soms doen zich incidenten voor, ook in de pleegzorg, maar wij moeten niet het beeld neerzetten dat de pleeggezinnen in Nederland niet deugen. Dat zeg ik ook op de vraag van mevrouw Dezentjé hoe ik als de minister de ouders gerust kan stellen. Laten wij niet het beeld oproepen dat het niet goed gesteld is met de pleegzorg in Nederland, omdat zich een of twee of misschien meer ernstige casussen hebben voorgedaan. Die waarschuwing mogen wij elkaar best geven.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Gezinstherapeut Wolbink beweert dat het om 100 casussen per jaar gaat. Ik neem dat soort signalen serieus. De minister gaat niet in op de door mij voorgestelde maatregelen om de veiligheid van pleegkinderen beter te waarborgen. Ik heb voorgesteld om eerst eens te bekijken hoe erg het ermee is gesteld, want dat is nu een beetje gissen. De minister zegt dat het incidenten zijn. Ik weet niet waar hij dat op baseert. Als er onderzoek naar is gedaan, hoor ik dat graag, maar anders wil ik graag dat er onderzoek naar wordt gedaan.

Volgens de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen komt een gezinsvoogd soms maar twee keer per jaar langs en belt een pleegzorgwerker maar één keer per jaar om te vragen hoe het gaat. Dat zijn zaken die echt moeten veranderen. Ik wil ook graag dat de kinderen apart worden gehoord, los van de pleegouders. Dat is nu ook niet het geval. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Minister Rouvoet: Laten wij elkaar geen onzorgvuldigheid in de schoenen schuiven. Ik heb niet gezegd dat het gelukkig maar een paar incidenten zijn. Ik dacht dat ik vrij zorgvuldig had gesproken over de manier waarop wij veiligheid proberen te borgen voor kinderen die niet in het eigen gezin maar in een ander gezin worden ondergebracht. De inspectie let op de kwaliteit. Als een gezinsvoogd zijn verantwoordelijkheid niet neemt of zich er met een jantje-van-leiden van afmaakt, moet dat worden gesignaleerd en moet de voogdijinstelling daarop worden aangesproken. Dat is zo klaar als een klontje! Wij moeten echter niet de indruk wekken dat het helemaal niets is met de pleeggezinnen in Nederland en dat ouders heel erg beducht moeten zijn omdat hun kind ergens in een pleeggezin terechtkomt. Pas op! Ik ben ontzettend blij dat wij heel veel ouders bereid vinden kinderen in hun gezin op te nemen als pleegkinderen. Ik ben iedere keer weer blij als ik rond 30 april een aantal pleegouders een onderscheiding mag uitreiken omdat zij ongelooflijk belangrijk werk doen. Dat moeten wij voortdurend bewaken. Het is geen professionele hulpverlening. Pleegzorg is een andere vorm van jeugdzorg dan de zorg in een residentiële instelling. Het is een ander type zorg, dat moeten wij goed in de gaten houden, maar de kwaliteit moet wel geborgd zijn. Ik heb aangegeven hoe wij daarop toezien.

Op zichzelf is de vraag terecht of wij weten hoe vaak het fout gaat. Nee. Wij weten dat er meldingen zijn van onveilige situaties. Daarop kan een vorm van toezicht worden losgelaten en indien nodig kan de relatie met een pleeggezin worden beëindigd. Dat gebeurt ook af en toe. Mevrouw Dezentjé vroeg concreet hoe vaak dat voorkomt, omdat er ook een overheidsverantwoordelijkheid in het spel kan zijn. Het is waar dat er in het gedwongen kader sprake is van overheidsverantwoordelijkheid. De pleegzorg wordt betrokken bij het onderzoek dat minister Hirsch Ballin en ikzelf hebben aangekondigd, zeker in het gedwongen kader en het kader van de Raad voor de Kinderbescherming. Volgens mij is destijds in een brief aan de Kamer gemeld en in een overleg besproken dat de pleegzorg wordt betrokken bij het onderzoek dat wordt opgezet door de minister van Justitie en mij.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Sinds kort is de minister ook de portefeuillehouder voor kinderopvang. Hij heeft gezien wat de selectiecriteria voor gastouders zijn. Wil de minister eens kijken naar het verschil? Vindt de minister het ook niet bijzonder dat er zoveel verschillende selectiecriteria worden gehanteerd? Wij willen graag dat de minister daarop ingaat.

Ik heb in eerste termijn gezegd dat er een wezenlijke zorg bestaat bij ouders als zij niet merken dat de gezinsvoogd optreedt nadat zij hebben gezien dat er iets aan de hand is. Er bestaat ongelijkheid tussen ouders en voogden. Als ouders bij de inspectie aangeven dat er iets aan de hand is, wordt hun opmerking ofwel niet in behandeling genomen ofwel met naam en al doorgespeeld aan het pleeggezin of het gezinshuis waar de desbetreffende kinderen zitten. Dat willen wij niet. Wij willen dat de inspectie dat opneemt en er onderzoek naar doet, maar het niet direct doorgeeft. Als andere ouders eenzelfde signaal afgeven, moet er worden gematcht om te bekijken of er iets aan de hand is. Wij merken dat de minister heel erg betrokken is, en daar zal ik niets van zeggen, maar wij willen dat er een tandje bij wordt gezet wat betreft de onevenwichtigheid tussen ouders en gezinsvoogden. Die laatste kunnen namelijk wel anoniem aangifte doen of anoniem melden dat er iets aan de hand is, maar de eerste kunnen dat niet. Dat zou wel zo moeten zijn.

Minister Rouvoet: Ik wil best bekijken hoe dat precies zit. Ik maak er alvast de kanttekening bij dat bij ouders die de boodschap krijgen dat hun kind niet meer in het eigen gezin kan blijven maar naar een pleeggezin moet, allerlei mechanismen kunnen ontstaan omdat zij dat eigenlijk helemaal niet willen en zich achtergesteld voelen, zeker als het in het gedwongen kader gebeurt en de rechter heeft uitgesproken dat een kinderbeschermingsmaatregel op zijn plaats is. Ik snap heel goed dat je dan belangentegenstellingen krijgt tussen aan de ene kant pleegouders, instanties, begeleiding en gezinsvoogd en aan de andere kant de natuurlijke ouders. Dat moeten wij niet onderschatten. De inspectie is overigens geen instelling waarbij je in de eerste lijn een klacht kunt indienen waarop zij dan moet acteren. Tegen deze achtergrond wil ik wel kijken of daar onevenwichtigheden in zitten. Als je spreekt over ongelijke behandeling tussen ouders en voogden is echter wel de grondnotie van belang dat er een voogd is, omdat er iets aan de hand is waardoor de ouders niet meer de bevoegdheden kunnen uitoefenen die zij daarvoor uitoefenden. De gezinsvoogd is er niet voor niets gekomen. Ik wil echter graag bekijken of er voldoende mogelijkheden zijn zodat ouders die signalen krijgen, deze ergens kwijt kunnen en dan kom ik graag bij de Kamer terug. Dat punt begrijp ik.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik geloof niet dat ik de minister hoef te overtuigen, maar mijn collega’s misschien wel. Wij moeten ons niet elke keer als zich een incident voordoet of als er iets fout gaat – en er zullen dingen fout gaan – afvragen of het een incident is of dat het veel meer voorkomt. Dit patroon doet zich in de Kamerdebatten bijna elke dag voor, waardoor de semipublieke sector voortdurend met dit soort onderzoeken achterna wordt gezeten. Elke keer wanneer in een mediaprogramma of ergens anders een incident wordt blootgelegd, is er een Kamerlid dat zegt: wij weten niet of het een incident is, minister, licht alstublieft de hele sector door. Wij moeten daar echt kritischer en eigenstandiger mee omgaan. Dat is mijn opvatting.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Daar wil ik graag op reageren. Wij spreken hier niet over incidenten, al vormen die wel de aanleiding. Wij spreken hier onder andere over het inspectierapport over de veiligheidssituatie en de veiligheidsrisico’s in pleeggezinnen. De cijfers hierover zijn heel schokkend: 11 van de 28 pleegzorginstellingen hebben een dikke onvoldoende gescoord wat betreft de inzichten in de veiligheidsrisico’s. Dat geeft dus wel degelijk aanleiding om hier heel serieus mee om te gaan. Ik ben het ook niet met de minister eens als hij spreekt over incidentenpolitiek ...

Minister Rouvoet: Ik maak bezwaar. Ik heb het woord «incidentenpolitiek» niet gebruikt.

De voorzitter: Wij hebben de minister net laten uitpraten toen mevrouw Langkamp zich aangesproken voelde, nu doen wij dat ook met de heer Voordewind. Hij zal zijn betoog afmaken en dan mag de minister reageren.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De minister sprak over eenoudergezinnen. Wij hoeven hier niet heel lang over te spreken, maar het verbaast mij een beetje dat hij zegt dat we het vooral aan de professionals moeten overlaten. Natuurlijk moeten wij dat doen, maar het is toch niet zo raar als de minister zegt dat hij de voorkeur geeft aan een tweeoudergezin voor de opvang van deze heel kwetsbare kinderen? Ik neem aan dat het veld het daarmee eens is. Ik kan mij niet goed indenken dat de minister zegt: daar moeten wij geen voorkeur over willen uitspreken.

In de cijfers en rapportages over trainingen zien wij grote verschillen tussen de verschillende pleegzorginstanties. Kunnen wij niet in gesprek treden met de provincies, die daar uiteindelijk verantwoordelijk voor zijn, en de pleegzorginstellingen daarop aanspreken? Dat is toch niet zo’n vreemde vraag aan de minister?

Ten slotte ...

De voorzitter: U hebt nu al drie vragen gesteld: over incidenten, trainingen en eenoudergezinnen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter, ik heb gewacht tot de minister het blokje «pleegzorg» had afgerond. Mijn belangrijkste inbreng in eerste termijn betrof ook de pleegzorg.

Mijn laatste punt betreft de kinderen. In eerste instantie is de gezinsvoogd het aanspreekpunt, dat weet ik. Dat geeft echter een probleem als er spanning is tussen de gezinsvoogd en het kind zelf. Waar kan het kind terecht als er ook geen goede relatie is met de biologische ouders?

Minister Rouvoet: Ik wil niet dat er misverstanden bestaan over wat ik heb gezegd over pleegzorg in relatie tot incidenten. Onder «incidenten» kun je verschillende dingen verstaan. Je zult mij niet horen zeggen dat het «maar» incidenten zijn, zoals ik af en toe in de opmerkingen beluister. Als zich een situatie voordoet zoals in Zeeland, is dat buitengewoon ernstig. Op de televisie wordt vanavond wellicht nog zo’n situatie onthuld. Dat weet ik niet, want ik ken die uitzending niet. Het is echter niet verkeerd om wat zich voordoet en waarmee wij ons hebben te verstaan, een incident te noemen. Ik vraag de Kamer in de persoon van de heer Voordewind, omdat hij zich op dit punt tot mij richt, om het verhaal af te maken. Is hij het met mij eens dat het van belang is om ervoor te zorgen dat het toezicht op orde is als zich zoiets voordoet? Dat is overigens de letterlijke vertaling van «incident». Wij moeten ervoor zorgen dat de inspectie erop toeziet en dat een verbeterplan wordt gevolgd. Als dat geen verbetering oplevert, moet de tent gesloten worden, om het maar even plat te zeggen. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor de aanbieder en voor de provincie en uiteindelijk delen wij die verantwoordelijkheid in het kader van het stelsel met elkaar.

Volgens mij zijn de Kamer en ik als minister, het hartgrondig eens over de ernst van zo’n situatie. Wij zijn het er ook hartgrondig over eens dat dit moet worden gesignaleerd en dat de medewerkers daarvoor moeten worden toegerust. Verder zijn wij het er volgens mij over eens dat er toezicht moet zijn van de inspectie en dat er maatregelen moeten kunnen worden genomen als de zaak niet deugt. Het is schrikwekkend dat een flink aantal van de pleegzorgaanbieders de zaken niet op orde had, dat ben ik met de heer Voordewind eens. Dan is het dus goed dat de inspectie dat signaleert, dat een verbeterplan wordt ingezet en dat de inspectie erop toeziet dat het beter gaat. Zo niet, dan moet worden opgetreden. Daar moeten wij het toch over eens zijn met elkaar? Dat is het antwoord op de eerste vraag van de heer Voordewind.

Ik heb niet veel toe te voegen aan wat ik al heb gezegd over de ruimte voor matching die de professional moet worden gegeven. Ik ben het op dat punt niet met de heer Voordewind eens. Ik ben echt van mening dat een professional daarin de ruimte moet hebben en dat het niet aan ons is om algemene voorkeuren uit te spreken. Er kunnen goede redenen zijn, bijvoorbeeld door de ervaringen van het kind, om niet te kiezen voor een tweeoudergezin, om wat voor reden dan ook. Ik wil niet op die stoel gaan zitten. Ik vind dat wij dat aan de professionals moeten laten en dat wij ons moeten hoeden voor algemene uitspraken.

De heer Voordewind vroeg waar kinderen terecht kunnen. Ik heb inderdaad verzuimd die vraag te beantwoorden. Hij zegt terecht dat de gezinsvoogd het eerste aanspreekpunt is. Het kan zijn dat het niet botert, maar alle jeugdzorgaanbieders en instellingen hebben een vertrouwenspersoon en een klachtencommissie waar je eventueel terecht kunt. Een kind kan natuurlijk altijd bij zijn natuurlijke ouders terecht, maar er kunnen ook omstandigheden zijn dat het heel verstandig is om geen contact met de natuurlijke ouders te hebben, want het kind zit vaak niet voor niets in een pleeggezin. Om een melding te doen kan het kind dus terecht bij een klachtencommissie of vertrouwenspersoon, of anders bij het AMK, maar ik geef toe dat dit een hogere drempel heeft. Daarnaast hebben wij de kindertelefoon als algemene voorziening. Er zijn dus mogelijkheden waar een kind dat zich niet gehoord weet door de gezinsvoogd, alsnog terecht kan.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Mijn vragen over veiligheid in pleeggezinnen zijn onbeantwoord gebleven. Als in een pleeggezin misbruik heeft plaatsgehad, moet het pleeggezin gediskwalificeerd worden en nooit meer pleegkinderen herbergen. Is de minister dat met mij eens? En vindt hij ook dat kinderen los van de pleegouders gehoord moeten kunnen worden? Nu blijkt dit niet te kunnen. De gezinsvoogd zou signalen moeten kunnen oppikken als hij alleen is met het kind, dus zonder de pleegouders die wellicht misbruik van ze maken.

Minister Rouvoet: Ik wil wel naar dat laatste punt kijken, maar het is mij niet bekend dat er een probleem mee is. Aangezien mevrouw Dezentjé het signaleert, zal ik ernaar kijken. Ik weet niet of er een specifieke casus is en of er echt belemmeringen zijn. Toen ik nog in de Kamer zat, ben ik weleens een dag met een gezinsvoogd mee op pad geweest. Toen heb ik wel gesprekken met pleegkinderen bijgewoond. Of het in alle situaties gebeurt, weet ik niet, maar volgens mij is er in ieder geval geen belemmering. Ik zal laten natrekken of er problemen bekend zijn bij de instanties die zich hiermee bezighouden. De Kamer hoort ervan als ik er meer over te melden heb.

Het eerste punt hangt samen met de vraag van de heer Dijsselbloem over de verklaring van geen bezwaar. Deze is geen lege verklaring, maar houdt in dat de Raad voor de Kinderbescherming het justitieel documentatieregister kan raadplegen. Gevallen van eerder misbruik staan daar natuurlijk in. De raad kan een pleeggezin specifiek screenen naar aanleiding van een eventueel aanwezig dossier van dat gezin. Dit recht staat opgenomen in de Regeling pleegzorg. Bij incest en mishandeling wordt de mogelijkheid tot pleegzorg door het betreffende pleeggezin of de betreffende pleegouder direct afgewezen. Geweldsdelicten worden beoordeeld naar ernst, datum waarop ze gepleegd zijn en de hoogte van de veroordeling. Het is dus een inhoudelijke toets op antecedenten in het verleden. Als eerder sprake is geweest van misbruik, blijkt dat bij raadpleging van het justitieel documentatieregister.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dat is dus in Zeeland niet gebeurd. Dit is zorgwekkend. Kennelijk is er toch iets nodig om het goed te waarborgen en vast te leggen. Hoe kan het dat het in Zeeland is misgegaan?

Minister Rouvoet: Ik weet niet of dit de plaats is om de individuele casus Zeeland en wat daar al dan niet gebeurd is, te beoordelen. Ook weet ik niet of men daar het justitieel documentatieregister geraadpleegd heeft. In antwoord op de vraag naar de betekenis van een verklaring van geen bezwaar zeg ik alleen dat de mogelijkheid om het justitieel documentatieregister te raadplegen bestaat. Als er wordt getoetst op een verklaring van geen bezwaar, mag ik aannemen dat er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om na te gaan of er antecedenten zijn. Over de casus Zeeland kan ik wel zeggen dat het misbruik pas na en dus niet voor de plaatsing is geschied. Er wordt natuurlijk niet voortdurend tijdens de plaatsing getoetst of er incidenten zijn. Dat zou ook wonderlijk zijn. Als er iets plaatsvindt, moet de plaatsing direct beëindigd worden. Ten tijde van de plaatsing wordt er getoetst voor de afgifte van de verklaring van geen bezwaar en bestaat de mogelijkheid tot inzage in het justitieel documentatieregister. Bij de casus Zeeland lag het dus anders.

De voorzitter: We hebben het blokje pleegzorg gehad. Een aantal mensen heeft geïnterrumpeerd, maar nu zie ik dat sommigen voor de tweede keer willen interrumperen op dit blokje. Mevrouw Dezentjé heeft een precedent geschapen, dus ik kan het de heer Dijsselbloem niet ontzeggen om voor de tweede keer te interrumperen. Het is wel raar als dit blijft gebeuren.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Het zal niet meer voorkomen. Toch wil ik nog ingaan op de verklaring van geen bezwaar. De minister zegt dat de antecedenten worden onderzocht en dat wordt gekeken naar wat er in het justitiële kader is gebeurd. De vraag is of een pleegzorgaanbieder op basis van klachten en verdenkingen waarbij justitie niet is ingeschakeld, mag beslissen om van een bepaald pleeggezin geen gebruik meer te maken. Wordt dat pleeggezin dan «afgemeld» bij de Raad voor de Kinderbescherming? De situatie schijnt zich te hebben voorgedaan dat hetzelfde pleeggezin kon toen via een andere pleegzorgaanbieder weer aan de slag kon. Er was geen sprake van aangifte of vervolging, dus van een justitieel kader, maar bij een eerdere pleegzorgaanbieder is dat kind wel uit het bestand gezet. Op de vraag of we het nog beter moeten regelen kan ik alleen bedenken dat er een soort afmelding moet komen bij de Raad voor de Kinderbescherming, in de zin van: «Raad, weet dat wij geen gebruik meer maken van dit gezin om die en die redenen», ook als er geen justitiële vervolging of justitieel onderzoek is geweest.

Minister Rouvoet: Ik vind dit een lastige kwestie. Ik hoop dat de heer Dijsselbloem mij toestaat om hiernaar te kijken. Ik begrijp het punt en de zorg waaruit het voortkomt. Als een pleegzorgaanbieder of een instelling onder de maat presteert, is het helder. Dan zit er een oordeel bij en dat kun je vastleggen. Pleeggezinnen worden geworven op vrijwillige basis. We zijn blij als pleeggezinnen zich melden en dan vindt er een screening plaats. Het is inderdaad heel goed denkbaar dat een pleeggezin dat eerder door een andere pleegzorgaanbieder niet is gecontracteerd, zich op grond van zijn vurige wens om pleegzorg aan te bieden, meldt bij een andere pleegzorgaanbieder, die ondanks een vergelijkbare screening tot een andere conclusie komt. Het moeizame vind ik dat er justitieel kennelijk niets is vastgesteld en dat het dus te maken heeft met de beoordeling door de pleegzorgaanbieder. Een pleegouder kan zeggen: bij ons is er echt niets aan de hand, waarom zouden wij geen pleegkind kunnen krijgen? Een pleeggezin heeft niet per se recht op een pleegkind, maar de vraag is of de taxatie van de ene pleegzorgaanbieder per definitie beter is dan die van de andere. Als zich iets heeft voorgedaan in juridische zin, doet deze vraag zich volgens mij niet voor, want dan wordt een pleeggezin afgewezen. Ik wil wel kijken naar wat er mogelijk is als bij een aanbieder het gevoel bestaat dat het niet pluis is, om die term maar even te gebruiken. Dit vergt nauwkeurigheid, dus ik wil het er ook over hebben met de pleegzorgaanbieders en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP), om te bekijken hoe we hier in de praktijk mee omgaan. Ik kom er graag bij gelegenheid op terug.

De voorzitter: Ik stel voor dat u overgaat tot het blokje kindermishandeling.

Minister Rouvoet: Er is natuurlijk uitvoerig gesproken over het NFI, waarover bij twee gelegenheden een brief aan de Kamer is gestuurd. Bij het vragenuur van 9 maart hebben mevrouw Dezentjé Hamming en mevrouw Van Toorenburg hierover vragen gesteld. Ik heb toegezegd, hierover met minister Klink te spreken en samen met hem te kijken naar de aandacht voor kindermishandeling op de opleidingen. Ik heb toen ook gezegd dat de beroepsgroepen verantwoordelijk zijn voor de vormgeving van de opleidingen. Verder heb ik de Kamer toegezegd dat zij voor de zomer, dus op korte termijn, op de hoogte wordt gesteld van de stand van zaken op de opleidingen. Sinds dat vragenuurtje hebben er gesprekken plaatsgevonden met onder andere het Emma Kinderziekenhuis AMC, het MCH Westeinde, het NFI, de Augeo Foundation for Children, andere ziekenhuizen, instellingen en huisartsen, zoals is gevraagd. Er volgen nog gesprekken met de KNMG, de Landelijke Huisartsen Vereniging en enkele andere organisaties. Ik kan hier nu nog geen conclusies uit trekken, maar ik kom de toezegging om de Kamer hierover te informeren uiteraard na zodra ik het overzicht compleet heb.

De heer Dibi heeft gevraagd hoeveel zaken er blijven liggen. Bij het vragenuurtje hebben we uitvoerig besproken dat het cijfer van 500 moet worden beschouwd als schatting en niet als een concreet aantal dossiers dat ligt te wachten. Het OM is hiervoor verantwoordelijk, maar heeft geen totaaloverzicht van het aantal zaken dat wordt gehinderd door de innamestop die men heeft moeten afstemmen. Er is sprake van prioritering en van een innamestop bij het NFI, gelet op de ernst van de zaken waarnaar dat instituut zou moeten kijken. De strafzaken blijven niet liggen. Het OM en de politie gaan door met een andere manier van bewijsvergaring, zoals door middel van getuigenverhoren en anderszins. Onlangs heeft mevrouw Arib hierover nadere vragen gesteld, die binnenkort uiteraard worden beantwoord. Mevrouw Van Toorenburg vroeg naar de NODO-procedure. Die heeft te maken met de wijziging van de Wet op de lijkbezorging, waarvoor de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is, maar het komt natuurlijk allemaal bij elkaar. Binnenkort worden die vragen, zoals beloofd, beantwoord. De aspecten die hier naar voren zijn gebracht, worden daarbij in aanmerking genomen.

Mevrouw Dezentjé zei dat het capaciteitsprobleem met 7 ton op te lossen was. Ik verwees al naar de toezegging om erop terug te komen. Zoals bekend valt het NFI onder het ministerie van Justitie, ook waar het gaat om de capaciteit ervan. Het NFI heeft ook afspraken met OM en politie gemaakt over de inzet op de verschillende deskundigheidsgebieden, wat ook daar met het verschrikkelijke woord «productie» wordt aangeduid. Forensische pediatrie, waarover wij tijdens het vragenuurtje uitvoerig hebben gesproken, is een van de ongeveer dertig deskundigheidsgebieden die daarbij relevant zijn. Vastgesteld is dat de huidige capaciteit voor forensische pediatrie onvoldoende is. Het NFI stelt daarom met OM en politie vast aan welke lopende zaken prioriteit moet worden verleend. In juni, dus komende maand, worden nieuwe afspraken gemaakt over de inzet op deze deskundigheidsgebieden. Ook daarover informeer ik de Kamer voor de zomer nog. Zaken liggen niet stil, zoals ik net al zei, maar er moet wel nagegaan worden hoe ze met de huidige capaciteit kunnen worden behandeld.

De heer Dibi (GroenLinks): Het is vrijwel zeker dat er complexe zaken blijven liggen, al is het exacte aantal niet bekend. Het NFI heeft er een schatting van gemaakt. Is de minister bereid om in de informatie aan de Kamer op te nemen of bekend is hoeveel zaken zich per jaar aandienen, hoeveel er worden afgehandeld en hoeveel er niet of telefonisch worden afgehandeld? Is de inzet van de minister om de capaciteit te vergroten? Ziet de minister dat als toekomstperspectief of zegt hij dat het NFI de zaken wel kan afhandelen? Hij zei net dat het NFI onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie viel. Dat klopt, maar het gaat nu om kindermishandeling en daarvoor is hij verantwoordelijk. Hoe ziet hij zijn rol hierin?

Minister Rouvoet: Ik heb net gezegd dat ik de Kamer voor de zomer over de capaciteit en de nieuwe afspraken informeer. Dit hoort daarbij. Ik loop er niet op vooruit. De verantwoordelijkheid voor het NFI en de capaciteit ervan draagt de minister van Justitie. Ik heb gezegd dat de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd over capaciteit en alles wat daarmee samenhangt.

De voorzitter: Het lijkt me het goed om over te gaan tot de resterende punten.

Minister Rouvoet: Daarbij hoort in ieder geval de toetsende taak. Ik kan daar betrekkelijk kort over zijn, want we hebben er eerder over gesproken en een duidelijke lijn getrokken. Aan de orde was dat we hebben vastgesteld dat een aantal Bureaus Jeugdzorg hun zaken niet op orde hebben, zeker richting de Raad voor de Kinderbescherming. De heer Dijsselbloem heeft terecht woorden gewijd aan de beslissing om ten principale niet voor een gang naar de kinderrechter te kiezen. Mij lijkt het goed om terug te gaan naar de reden om de kinderrechter erbij te laten zijn zodra een kind uit een gezin wordt geplaatst. Dan wordt er ingegrepen in het ouderlijk gezag en in de bevoegdheden van de natuurlijke ouders. Dat kan alleen met tussenkomst van een overheidsinstantie, in dit geval de rechter. Dat is een zorgvuldigheidswaarborg. Als we een kind op basis van de informatie van een gezinsvoogd via Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming terugplaatsen, moet het deugen. Daar moet echter nog een tandje bij, zoals we hebben vastgesteld.

Ik ben hierover niet onduidelijk geweest in mijn brief aan de Kamer: de taak om te toetsen moet deugen en daarop moet worden toegezien. Het is cruciaal dat de raad de juiste informatie krijgt om die taak te kunnen uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming oordeelt over een eventuele terugplaatsing in het gezin. Daar hoeft de kinderrechter niet tussen te worden gezet, omdat daarbij niet wordt ingegrepen in de bevoegdheid en het ouderlijke gezag van de natuurlijke ouders, maar die bevoegdheid en dat gezag juist worden hersteld. Destijds was dat de reden om niet voor tussenkomst van de kinderrechter te kiezen. Daaraan wil ik vasthouden, al ben ik het met iedereen eens die heeft gezegd dat de taak om te toetsen wel goed moet worden uitgevoerd door de raad. In mijn brief heb ik duidelijk gesteld dat het dossier en de informatie goed moeten zijn en dat het geen «stempeloperatie» mag zijn. Bureau Jeugdzorg en de gezinsvoogden moeten daartoe hun werk goed doen en de Raad voor de Kinderbescherming moet zijn taak om te toetsen goed kunnen uitvoeren. Dat is van groot belang. Juist omdat dit naar ik meen bij zes Bureaus Jeugdzorg nog te wensen overlaat, heb ik tegen het IPO gezegd dat ik het belangrijk vind om er bovenop te zitten en ervoor te zorgen dat dit wel in orde komt.

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik wil een stap verdergaan, aan de hand van twee vragen. Wat is nu precies de aard van de toets die de raad uitvoert? Is dat echt een fysiek huisbezoek aan het gezin of is het vooral een dossieronderzoek? Wat is er precies de meerwaarde van? Is het ook denkbaar om in de toekomst in het kader van intern kwaliteitsbeleid bij Bureau Jeugdzorg een intercollegiale check in te bouwen, een laatste check op de mogelijkheid om terug te plaatsen? Kunnen we de schakel van die extra, in mijn ogen papieren toets van de raad kunnen vervangen door een materiële, inhoudelijke toets, maar dan intercollegiaal binnen Bureau Jeugdzorg. Dat zou volgens mij «werken uit vertrouwen» zijn. Voor mijn part doen we dan eens in de zoveel tijd onderzoek om na te gaan of een en ander goed is gegaan. Dan stellen we vertrouwen voorop en gaan we achteraf na of het goed is gegaan.

Minister Rouvoet: Bij mijn beste weten maken heel veel gezinsvoogden nu al geen solotaxatie. Dat heb ik toen aan den lijve ondervonden. Het uitgangspunt is ook hier vertrouwen in de professional, dus de gezinsvoogd. Ik val hiermee de heer Dijsselbloem in zijn interventies bij. Niet voor niets wordt in de rapporten heel veel aandacht besteed aan zaken als risicotaxatie en -management. Dat is natuurlijk van groot belang. De gezinsvoogd moet zijn werk goed doen, want hij komt bij het kind over de vloer en moet ervoor zorgen dat er voldoende informatie in het dossier komt voor de Raad voor de Kinderbescherming, die aanvankelijk heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel. De raad doet het werk van de gezinsvoogd thuis niet over, maar laat onderzoek doen, vaak naar aanleiding van een signaal van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, en beslist op basis van de informatie uit dat onderzoek tot een maatregel. Het omgekeerde geldt idem dito, maar dan moet het voortraject goed zijn. Daarover bestaan zorgen. De informatie op basis waarvan de raad zijn formele beslissing neemt, moet in orde zijn en niet halfhalf. Daarin is een slag te maken. Bureau Jeugdzorg moet de Raad voor de Kinderbescherming van goede informatie voorzien, zodat het nemen van een beslissing ook formeel met gerust hart aan de raad kan worden overgelaten. We horen wel of een intercollegiale toetsing nodig is. Uiteindelijk is de gezinsvoogd de enige die de persoonlijke situatie van het kind thuis en in het pleeggezin echt goed kent.

De heer Dijsselbloem (PvdA): U beschrijft hoe het nu wettelijk geregeld is: er is een toets en de beslissing ligt uiteindelijk bij de raad. Het moet netjes gebeuren, dus het dossier moet compleet worden aangeleverd en de inhoud ervan moet van goede kwaliteit zijn. U bent bezig met het beter borgen daarvan. Mijn vraag is alleen of de kwaliteitszorg binnen Bureau Jeugdzorg zo goed kan worden geborgd, intercollegiaal et cetera, dat we de toets van de raad die voorafgaat aan eventuele terugplaatsing, achterwege kunnen laten en of we vertrouwen voorop kunnen stellen, met controle achteraf.

Minister Rouvoet: Daar ben ik niet voor. Met de Deltamethode is de verbetering van de kwaliteit van de gezinsvoogdij in gang gezet. Die moet op orde zijn. Er moet ook voortdurend aandacht zijn voor risicomanagement en risicotaxatie. Dat is van groot belang. Ik hecht wel aan de toets door de Raad voor de Kinderbescherming, die de maatregel heeft opgelegd. Als de gezinsvoogd die het kind begeleidt, het pleeggezin kent, maar ook de ouders en de thuissituatie, zegt dat het dossier op orde is, moet de raad de conclusie trekken dat de maatregel kan worden beëindigd en dat het kind kan worden teruggeplaatst.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik heb een vraag in het verlengde hiervan. Wij begrijpen dat de inspectie heeft aangegeven, er geen vertrouwen meer in te hebben dat het goed komt dankzij de nieuwe afspraken. Daarom vraagt de inspectie zelf of de minister opnieuw kan nagaan of de kinderrechter hier op de een of andere manier een rol in zou kunnen spelen. Hoe plaatst de minister deze uitspraak van de inspectie, die er gewoon geen vertrouwen in heeft? We horen de minister zeggen dat hij een plan voor de verbetering heeft en dat het dan wel goed gaat, maar het is nogal een uitspraak! Wil de minister daarop nog even ingaan?

Minister Rouvoet: Ik wil het dan wel iets preciezer hebben, want de keuze voor de verschillende verantwoordelijkheden inclusief de taak om te toetsen die de Raad voor de Kinderbescherming heeft, is gemaakt. Het is aan de inspectie om te kijken of het goed werkt. Deze heeft vastgesteld dat de informatie op grond waarvan de Raad voor de Kinderbescherming toetst, in een aantal provincies niet goed is. Daarom moeten wij aan de bak om het wel goed te laten worden. De inspectie zegt in algemene zin dat dit systeem niet werkt en zij er geen vertrouwen in heeft, maar dat is niet mijn waarneming. Laten we even heel precies nagaan wat hier precies over staat in het rapport van de inspectie.

De voorzitter: Het een roept het ander op en dat is niet zo verwonderlijk, dus ik geef het woord aan de heer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks): Bovendien is dit een belangrijk onderwerp. Ik wil de heer Dijsselbloem wel bijvallen, alleen vind ik dat er altijd iemand tussen de ouders en de gezinsvoogd moet staan omdat de beslissingen ingrijpend zijn en er een diepgeworteld wantrouwen bestaat tussen die twee partijen. Dat is eigen aan de sector. De vraag of het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming geen nutteloze exercitie is omdat deze eigenlijk nooit afwijkt van het standpunt van de gezinsvoogd en het dus een soort dubbeltelling is, vind ik wel heel relevant. We proberen namelijk juist de bureaucratie te verminderen, alles te stroomlijnen en effectiever te werken. Heeft de minister inzicht in de vraag of het onderzoek van de raad echt een toegevoegde waarde heeft?

Minister Rouvoet: Ik denk van wel. De gezinsvoogd zit er heel dicht op. Dit heeft zo zijn voordelen, maar het heeft ook een keerzijde. De gezinsvoogd is heel erg gecommitteerd aan een bepaald kind, zijn gezin en een bepaalde situatie. Hij of zij moet de feitelijke informatie leveren. De Raad voor de Kinderbescherming is onafhankelijk en moet daar boven staan. Deze moet een objectief oordeel vellen op basis van de hem door de gezinsvoogd beschikbaar gestelde informatie. De raad kent de feiten en neemt aanvankelijk de formele beslissing. Ik zeg het volgende niet om me ervan af te maken, maar ik zie wel de meerwaarde van de aparte rol van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook in de kabinetsvisie over de toekomst van jeugdzorg staan opmerkingen over overlappen in het systeem waar het gaat om de AMK’s en de Raad voor de Kinderbescherming. Ik kan mij goed voorstellen dat deze vraag terugkeert in de discussie over hoe wij een en ander organiseren in de toekomst.

De voorzitter: Het laatste punt.

Minister Rouvoet: Daarover kan ik heel kort zijn. Het betreft de vraag van mevrouw Van Toorenburg over de campussen, die door de heer Dibi hardnekkig heropvoedingskampementen worden genoemd, maar campussen is de juiste aanduiding. De vraag is terecht, omdat wij afspraken hebben gemaakt over de financiering en de evaluatie van negen pilots. Ik heb toen al gezegd dat het uitgesloten was dat er lopende de evaluatie onduidelijkheid zou ontstaan over de financiering. Als ik mij niet vergis, heb ik de Kamer vorig jaar november ook toegezegd dat de financiering in ieder geval tot 1 juli te borgen. Binnenkort ligt de evaluatie op tafel, maar door de huidige politieke situatie mogen we daaruit nog geen definitieve conclusies trekken. Ik realiseer mij goed dat dit aan een nieuw kabinet zal zijn. We weten niet hoe lang het gaat duren, dus ik heb ervoor gekozen om de financiering van de lopende pilots ook voor de tweede helft van 2010 te borgen. Dan heeft een nieuw kabinet de ruimte om na de evaluatie te concluderen om met alle of een paar pilots door te gaan, al dan niet in deze vorm. Dat betekent dat ik in de begroting bij de Voorjaarsnota zal voorzien in de enkele miljoenen die nodig zijn om ook de tweede helft van de pilots veilig te stellen, zodat hierover te zijner tijd in alle rust beslissingen kunnen worden genomen. Daarbij is de Kamer natuurlijk volop betrokken.

Over professionalisering en arbeidsmarkt zijn uitvoerige brieven geschreven, dus daar kan ik kort over zijn. Er zijn vragen gesteld over beroepsverenigingen en beroepsregistraties. Mevrouw Langkamp heeft gevraagd waarom er drie beroepsregisters zijn. Dat heeft ermee te maken dat het gaat om beroepsgroepen die echt van elkaar verschillen. Het is ook van belang om verschillende beroepsregisters te hebben. Het veld kiest er zelf ook nadrukkelijk voor om niet alles in één register op te nemen, maar om drie registers aan te houden op het op zichzelf nog brede terrein van jeugdhulpverlening en jeugdzorg.

Mevrouw Langkamp vroeg ook hoe belangrijk de stem uit het veld voor mij als minister is. Ik laat de stem uit het veld zwaar wegen, getuige het feit dat mijn programmaministerie in de afgelopen jaren een professionaliseringstraject heeft gesteund waaraan de sector zelf behoefte had. Hieraan is mede via de beroepsregistratie gewerkt. Wij volgen die keuze en sluiten aan op wat er gaande is. De inzet op tuchtrecht is hierbij ook van belang. Ik heb daar vaker over gesproken, onder andere toen de stuurgroep van mevrouw Kalsbeek aan haar werkzaamheden begon. Deze stuurgroep is gekomen met het Actieplan professionalisering in de jeugdzorg en is nu met hernieuwde financiële steun van mijn ministerie omgezet in de Stuurgroep implementatie professionalisering in de jeugdzorg, die met een andere opdracht doorgaat met het implementeren ervan. Bij de start is al aangegeven dat tuchtrecht het sluitstuk is van alles wat er wordt gedaan aan professionalisering door beroepsverenigingen en beroepregistratie, zo nodig verplicht. Ik heb de Kamer hierover geïnformeerd.

De voorzitter: We houden een korte tweede termijn waarin ieder commissielid een spreektijd van anderhalve minuut krijgt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Ik wil nog even zeker stellen dat ik goed heb begrepen dat de minister heeft toegezegd dat het misbruik in pleeggezinnen mede wordt onderzocht door de commissie-Deetman.

Minister Rouvoet: Nee.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dan is het goed dat ik het nog even navraag.

Minister Rouvoet: Het kabinet gaat niet over het onderzoek van de commissie-Deetman naar de katholieke kerk. Ik heb toegezegd dat het wordt betrokken bij het onderzoek dat de ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin zelf hebben aangekondigd en in gang gezet.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Dat bedoel ik ook eigenlijk. Dat is waar. Dus in dat onafhankelijke onderzoek wordt dat in aanmerking genomen?

Minister Rouvoet: Ja, in het onderzoek van mevrouw Samson-Geerlings.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Prima. Ik weet niet wanneer de rapportage daarvan komt, maar het is in ieder geval goed dat dit onderwerp daarbij in aanmerking wordt genomen.

Ik vraag de minister om vooral haast te maken met de gesprekken met het NFI over het zo snel mogelijk oplossen van de capaciteitsproblemen. Dat lijkt mij ontzettend belangrijk.

Mijn conclusie uit dit debat is dat de werving, selectie en screening van pleeggezinnen beter kunnen en vooral beter moeten. Ik vraag de minister om hierop goed toe te zien. Er doen zich grote problemen voor bij het toezichtkader en het systematisch toezicht houden van de inspectie, niet in de laatste plaats vanwege het verhaal over de zogenaamde zwarte lijst. Kan de minister nog even duidelijkheid scheppen over hoe hij het probleem wil tackelen van de rol van de raad en de verklaring van geen bezwaar bij plaatsing in een gezin waar al iets niet in orde was?

Mevrouw Langkamp (SP): Ik kan het kort houden. De minister heeft over een heleboel punten betreffende de pleegzorg gezegd dat hij er nog eens naar gaat kijken. Dat lijkt mij op zichzelf positief. Ik ben vooral benieuwd wanneer hij de Kamer gaat informeren over zijn bevindingen, bijvoorbeeld over meer uniforme landelijke richtlijnen, over de vraag of ouders hun klachten voldoende kwijt kunnen en of er belemmeringen zijn om pleegkinderen los van de pleegouders te horen. Ook ben ik benieuwd naar zijn bevindingen over de informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders over pleeggezinnen met wie de overeenkomst is beëindigd en de vraag of deze pleeggezinnen dan weer bij een andere pleegzorgaanbieder door kunnen gaan. De minister heeft gezegd dat hij best nog eens naar die punten wil kijken. Wanneer komt het resultaat daarvan naar de Kamer?

Ik heb aandacht gevraagd voor de problemen met het behalen van een GZ-registratie, namelijk de hoge kosten en de schaarse mogelijkheden om een dergelijke registratie te behalen. Wil de minister hierop nog kort reageren?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik dank de minister voor zijn beantwoording. We zijn blij met de toezegging dat we meer inzicht krijgen in het verloop van het transitieproces in het afsprakenkader. We zijn ook blij met de toezegging van de minister om nog even extra te kijken naar het verschil in positie van biologische ouders en voogden bij kinderen die in pleeggezinnen of in gezinstehuizen verblijven. We moeten ons heel goed realiseren dat ouders de rapporten kennen waarin staat dat het met het toezicht op de veiligheid van hun kinderen in een pleeggezin bar gesteld is. We kunnen wel zeggen dat we er extra aandacht aan besteden, maar ik vind het belangrijk dat we aan die ouders laten zien dat we begrijpen dat zij daarvan vreselijk overstuur zijn geraakt. Die ouders wenden zich tot ons en zeggen dat zij eigenlijk als de dood zijn, te worden beperkt in hun omgang indien zij aangeven dat er iets aan de hand is. Het is dus heel goed dat de minister extra kijkt naar wat hij in die positie nog kan doen.

In stuk nr. 31839 staat letterlijk dat de Inspectie jeugdzorg aangeeft, geen vertrouwen meer te hebben in de hernieuwde afspraken met de Bureaus Jeugdzorg om tot verbetering te komen en dat zij daarom in overweging geeft om de kinderrechter weer een rol te geven. Ik wil het ook liever niet, maar het is nogal een uitspraak! De minister zegt dat hij wel begrip heeft voor de reactie, maar dat hij dit niet in overweging neemt. De inspectie zegt zoiets natuurlijk niet zo maar, dus we horen graag gemotiveerd waarom de minister dat niet wil.

Tot slot vind ik het helemaal super dat de campussen eindelijk van hun onrust verlost zijn. We willen evalueren om te weten of ze werken. Werken ze niet, dan moet je er niet mee doorgaan, maar ze moeten de kans krijgen zolang ze nog gewoon in evaluatie zijn.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik dank de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn. De inspectie heeft een aantal verbeterplannen bij de pleegzorginstellingen uitgezet. Daar zijn ze al sinds 2009 mee bezig. Nu zijn we een jaar verder. Ik stel het op prijs als de minister een terugkoppeling geeft of de verbeterplannen inderdaad zijn doorgevoerd bij de pleegzorginstellingen. Wil hij de Kamer hierover informeren?

Collega Langkamp zei dat de minister heeft toegezegd, de uniformering van de trainingen te gaan bespreken. Ik heb dit niet helemaal gehoord. Is dit toch het geval, dan krijg ik hiervan graag de bevestiging.

In eerste termijn heb ik in het kader van het arbeidsmarktbeleid gevraagd naar pas afgestudeerde gezinsvoogden die meteen als 21- of 22-jarigen in het diepe worden gegooid en verantwoordelijk worden gesteld voor zeer complexe gezinssituaties. Is het niet verstandig om deze net afgestudeerden enkele jaren te laten meelopen? Ik heb ook een vraag over de flexibilisering van de contactmomenten in de jeugdgezondheidszorg gesteld. Wil de minister daarover nog wat zeggen?

De heer Dijsselbloem (PvdA): Ik ben in grote lijnen zeer content met de antwoorden van de minister, en ik heb nog slechts twee zorgpunten, waarvan ik niet weet of de minister ze kan wegnemen. Het afsprakenkader geldt nu sinds twee jaar, maar ik sluit niet uit dat we meer tijd nodig hebben om alle veranderingen die we met elkaar aan het uitdenken zijn, in wetgeving et cetera om te zetten. Misschien krijgt het dus een vervolg om meer tijd te creëren. De vraag is of we, vooruitlopend op de structurele veranderingen, al de slag kunnen maken naar de eerstelijnszorg, om daarmee de druk op de wachtlijsten in de zwaardere zorg te laten afnemen. De minister heeft de mogelijkheid gecreëerd dat provinciaal geld voor eerstelijnszorg in de gemeenten wordt ingezet. Toch is de houding van de minister wel afwachtend. Daar ben ik kritisch over en maak ik mij zorgen om.

Mijn tweede zorg betreft de toets door de Raad voor de Kinderbescherming. Ik heb grote aarzelingen over de meerwaarde van deze dossiertoets, die puur op grond van informatie, aangeleverd door de gezinscoach, wordt uitgevoerd. Sommige collega’s zeggen dat de gezinscoach te dicht op het gezin zit en niet objectief is, etc. Daarom ben ik er voorstander van om inhoudelijk, professioneel «meekijken» te organiseren, bijvoorbeeld binnen Bureau Jeugdzorg. De minister zegt dat dit al gebeurt. Als er een zwakke schakel tussen zit, moet die wellicht worden versterkt. In ieder geval zou die meer toegevoegde waarde hebben dan een papieren toets door de Raad voor de Kinderbescherming. Dat is mijn opvatting.

Ik maak de minister overigens mijn compliment voor het formuleren van de cruciale vraag en het antwoord daarop in dit debat: «worden er fouten gemaakt? Ja». Het is cruciaal dat we dat onder ogen zien. De vraag is hoe wij, politici en beleidsmakers, omgaan met fouten die in de sector gemaakt worden.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik dank de minister voor zijn beantwoording en in het bijzonder voor de terechtwijzing van de heer Voordewind wat betreft de vraag waar al of niet kinderen worden geplaatst.

Is het programmaministerie revolutionair geweest? Ik ben totaal niet overtuigd door wat de minister hier heeft verteld, maar het debat over nut en noodzaak van programmaministeries voeren wij waarschijnlijk nog op een later moment. In de beantwoording van de minister viel mij op dat hij niet kan wachten om met de Kamer over zijn kabinetsvisie op jeugdzorg te praten. Dat staat in schril contrast met de afgelopen jaren, waarin wij heel graag met hem over het stelsel van de jeugdzorg wilden praten, en hij ons steeds verwees naar de evaluatie. Wat mij betreft, kan er na volgende week, als de commissie-Heijnen met het rapport komt, gewoon een debat met de minister plaatsvinden. Dan zullen we zien of we er iets moois van kunnen maken.

Ik ben nog enigszins ontevreden over de preventieve functie bij de gemeenten, een onderwerp dat ook door de heer Dijsselbloem is aangesneden. Hij verbaasde zich over de afwachtende houding van de minister, maar ik vind die eerder kenmerkend voor hem. In de debatten over de wachtlijsten is wel gebleken hoe goed hij de kunst verstaat om te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van provincies, gemeenten en andere spelers in het veld. Zo werkt het allemaal ook wel, maar de oplossing wordt daardoor niet dichterbij gebracht. Kan de minister niet meer doen dan hij nu doet?

Verder heb ik gevraagd of de Kamer nog wordt geïnformeerd over de wachtlijsten bij de jeugd-lvg en -ggz. Wil de minister hierop ingaan? Wil hij ook ingaan op het model voor de financieringssystematiek? Wat zijn de laatste vorderingen op dat gebied?

Ik vind de heropvoedingskampementen allemaal onzin. Het geld daarvoor kun je steken in allerlei projecten die bewezen hebben effectief te zijn, zoals Kamers met Kansen, begeleid kamerwonen en leerwerktrajecten. We hoeven dus niet meer af te wachten of een of andere evaluatie uitwijst dat ze niet werken. De vorige evaluatie van de heropvoedingskampementen was ook al niet zo rooskleurig, dus waarom zouden we hier geld in steken, terwijl we allang weten wat wel effectief is voor dit soort jongeren?

De voorzitter: Ik moet mevrouw Van Toorenburg even toestaan om hierover een opmerking tegen u te maken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik had toch gehoopt dat de heer Dibi zich echt verdiept had in sommige campussen. Laat hij kijken naar de academie in de Achterhoek waar heel gericht met scholing en begeleiding tot een arbeidsplaats wordt geknokt om kinderen die daar intens dankbaar voor zijn, terug te leiden naar een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan. Die kinderen zijn daar dolgelukkig mee, net als de ouders en de hele hulpverlening. Laat de heer Dibi dus niet zeggen dat het een heropvoedingskamp is, want daar krijg ik een beetje een sik van. Laat hij zich verdiepen in de kansrijke dingen die op die academie geboden worden. Uit dingen die niet goed zijn, trekt hij voor mijn part morgen de stekker. We hebben hoe dan ook gezegd dat we het evalueren. Iedereen is er blij mee, dus laat hij het niet voortijdig de nek omdraaien, alleen omdat er een beeld over ontstaat.

De voorzitter: Er is hier een verschil van mening. De heer Dibi mag reageren.

De heer Dibi (GroenLinks): Graag, voorzitter. Ik vind het wel bemoedigend dat het CDA niet meer voor de heropvoedingskampementen is. Het heeft deze nu een ander naampje gegeven. Mevrouw Van Toorenburg zegt dat het om scholing en arbeidstoeleiding gaat. Daarover zijn wij het direct eens, want dat is precies mijn punt. Het optuigen van allerlei nieuwe pilots en van campussen die in het verleden al hebben bewezen ineffectief te zijn, vind ik zonde van het geld. We weten allang wat werkt: scholing, Kamers met Kansen, arbeidstoeleiding. Daar moeten we geld in steken, niet in allerlei prestigeprojecten.

De voorzitter: Volgens mij gaat u met elkaar op een dergelijk kamp afspreken om te kijken hoe het werkt.

De heer Dibi (GroenLinks): Er is een aantal goede, dat weet ik.

Minister Rouvoet: De verleiding is groot om met het laatste punt te beginnen, maar ik begin toch maar vooraan bij het langslopen van de woordvoerders.

Over werving, selectie en screening heb ik al enkele opmerkingen gemaakt. Ik heb gezegd dat we moeten nagaan of op enkele specifieke punten verbetering mogelijk is. Ik heb niet toegezegd te gaan werken aan uniforme landelijke richtlijnen op gebieden waarop al een heleboel bestaat. Wel heb ik gezegd dat ik in overleg met betrokken instanties wil nagaan of een zekere uniformering mogelijk en wenselijk is bij de regels die nu worden gehanteerd. Om te beginnen is er een landelijke Regeling pleegzorg. Op basis daarvan wil ik wel bekijken of er in de praktijk reden en ruimte is voor nadere uniformering, maar ik benadruk dat we niet op de stoel moeten gaan zitten van degenen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing daarvan. Ik wil het gesprek met de instanties wel aangaan.

Het is misschien het zorgvuldigst en het gemakkelijkst om de over de pleegzorg gestelde vragen te beantwoorden in een brief, waarin ik uitschrijf wat mij voor ogen staat. In de brief die ik in april aan de Kamer heb gestuurd, wordt vooral ingegaan op de bevindingen van de inspectie, maar in deze brief kan ik iets meer vooruitkijken. Ik wil alleen niet in de stelseldiscussie verzeild raken. Daar dreigt het vroeg of laat op uit te draaien. Ik zal precies uitschrijven wat mij voor ogen staat over bij de punten rondom pleegzorg die we vandaag bij de kop hebben gehad. Dan is duidelijk wat ik voor ogen heb en kan de Kamer er een oordeel over vellen.

Mevrouw Dezentjéheeft concreet gevraagd of ik er strenger op ga toezien. Ik wil de verwachtingen daarover temperen, want zoals ik al heb geschetst, is het niet de minister die toeziet op de screening, maar instanties zoals de pleegzorgaanbieders. De inspectie moet nagaan of de kwaliteit van de aanbieders deugt. In het kader van dat systeem wil ik met de provincies als verantwoordelijke bestuurslaag bezien of er mogelijkheden tot verbetering zijn.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Kan de minister hierbij ook het toezichtskader onder de loep nemen en in overleg treden met bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen dan wel vergelijkbare verenigingen? Dat heb ik liever dan dat hij alleen met instanties praat.

Minister Rouvoet: Dat zijn ook instanties. Ik heb toegezegd dat ik er met de betrokken instanties naar kijk. Mag ik mevrouw Dezentjé vragen waar volgens haar het toezichtskader tekortschiet? Volgens mij illustreert de brief die ik de Kamer geschreven heb juist dat het hem niet in het kader zit. Er zijn dingen misgegaan, zoals de inspectie heeft gesignaleerd, maar ik weet niet goed op welk punt zij vindt dat het huidige toezichtskader van de inspectie tekortschiet.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD): Mijn vraag is of de minister wil onderzoeken of het voldoende is. Laat ik het zo omdraaien.

Minister Rouvoet: Ik wil van alles onderzoeken, maar dan moet ik wel aanwijzingen hebben dat het toezichtskader ontoereikend is. Mijn stelling is nu juist dat uit de manier waarop het is gegaan, is gebleken dat de inspectie heel goed in staat is om op grond van het huidige toezichtskader te signaleren welke pleegzorgaanbieders wel goed waren en welke niet. Ik geloof dus niet dat het probleem in het gehanteerde toetsingskader schuilt. Als mevrouw Dezentjé echter concrete gedachten heeft over punten waarop het tekortschiet, hoor ik dat graag, want dan kan ik daarop ingaan. Ik heb zelf geen aanwijzingen dat het kader van de inspectie tekortschiet.

In de brief kan ik dieper ingaan op de vraag van mevrouw Langkamp. Daarin schrijf ik ook wat ik voor ogen heb als het gaat om het contact. Ik heb een vrij ingewikkeld verhaal voor mij liggen over hoe het met de GZ-registratie zit. Ik wil dat wel voorlezen, maar ik kan het ook keurig uitschrijven in de brief over de pleegzorg die de Kamer toch al krijgt. Ik zeg toe dat ik het laatste doe.

Ik ben ingegaan op de vragen en opmerkingen van mevrouw Van Toorenburg over pleeggezinnen. Ik begrijp haar compassie met de natuurlijke ouders, maar ik vind dat we voorzichtig moeten zijn met uitspraken als: met de veiligheid in pleeggezinnen is het bar gesteld. Hiervoor moeten we echt waken. In specifieke situaties moet er kunnen worden opgetreden. Daar is een mechanisme voor. Bovendien ben ik gruwelijk blij met al die gezinnen die hun huizen en harten openstellen voor een pleegkind.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik zei dat het met het toezicht bar gesteld was. Dat heeft de inspectie gezegd. Het gaat niet om de veiligheid, maar om het toezicht erop.

Minister Rouvoet: Ja, waar het ging om de concrete gevallen. Goed.

Over de taak om de toetsen heb ik in feite al gezegd wat ik erover te zeggen had. Ik zie er de meerwaarde van in. De kritiek van de inspectie betreft niet de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming, maar de inspectie vraagt zich alleen af of de manier waarop de Bureaus Jeugdzorg hun taak uitoefenen kan worden verbeterd. Dit is waarschijnlijk de oorzaak van de verwarring bij de Kamer. Voor mij was dit de aanleiding om te zeggen dat we er echt bovenop gaan zitten. Daarom wil ik in gesprek gaan met de betreffende directeuren en gedeputeerden. Het is echt zaak dat dit gebeurt.

Dit staat even los van de toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming, waarover vragen zijn gesteld en opmerkingen zijn gemaakt. De heer Dijsselbloem heeft een uitgesproken opvatting over de meerwaarde daarvan. De opmerkingen van de inspectie gaan over de manier waarop wij omgaan met het risicomanagement. Deze staan in het tweede rapport. Als de Deltamethode inclusief het risicomanagement voortreffelijk tussen de oren zit en in het hele veld goed is geïmplementeerd, kan ik mij voorstellen dat een nieuw zinnig debat mogelijk is over de vraag of de Raad voor de Kinderbescherming nog een toegevoegde waarde heeft. In de huidige situatie werkt het bij een aantal bureaus nog niet goed en is het risicomanagement voor verbetering vatbaar. Daarbij zie ik de meerwaarde wel. Ik kan mij voorstellen dat de rol van de Raad voor de Kinderbescherming aan de orde wordt gesteld in het bredere debat over het perspectief en waar we naartoe willen, maar wat mij betreft is een voorwaarde dan wel dat het risicomanagement overal echt heel goed verankerd is.

De heer Voordewind vroeg hoe het zit met beginnende gezinsvoogden die meteen in het diepe worden gegooid. Dit is onderdeel van het implementatieplan professionalisering. Beginnende gezinsvoogden moeten gaandeweg de casussen gaan beheren. Iemand vroeg waarom er nu sprake is van een gemiddelde caseload, maar dat is altijd het geval geweest. Het gaat om de gemiddelde caseload voor een bepaalde voogdijinstelling. Het kan zijn dat de ene gezinsvoogd er 17 heeft en de andere 13. Het is geen landelijk gemiddelde, maar het gaat om de gezinsvoogdijinstellingen. Je rekent altijd in gemiddelden. Dat kan niet anders, omdat een gezinsvoogd er zomaar een zaak bij kan krijgen. We vinden dat een gezinsvoogd gemiddeld niet meer dan 15 zaken moet beheren. Dat een beginnende, pas afgestudeerde gezinsvoogd niet meteen de zwaarste gevallen krijgt en niet meteen 15 gevallen, ligt voor de hand. Afgestudeerden krijgen een juniorregistratie. Daar gaan twee jaren aan vooraf. In het ene jaar, dat de juniorfase wordt genoemd, worden ze door een mentor begeleid. Het andere jaar is het praktijkjaar. Er verstrijken dus twee jaren voordat ze de volwaardige registratie krijgen die ze nodig hebben om gezinsvoogd te worden.

De heer Voordewind heeft ook nog gevraagd naar de jeugdgezondheidszorg (jgz), waarover ik de Kamer eerder heb geïnformeerd. Jeugdgezondheidszorg hoort niet bij de jeugdzorg waarover wij vandaag spreken. Ik heb dus geen nieuwe informatie over het onderzoek van ZonMw. De toezegging staat dat ik de Kamer daarover informeer, maar op dit moment heb ik er niets aan toe te voegen. Dit onderwerp staat ook niet op de agenda voor het overleg van vandaag. Jeugdgezondheidszorg is echt lokaal beleid. De toezegging dat ik de Kamer over het onderzoek van ZonMw informeer, staat en die kom ik na.

De heer Dijsselbloem kwam terug op het afsprakenkader. Ik heb goed gehoord wat zijn opvatting is over wat de bodem daarvan is voor mij en de provincies. Het is belangrijk dat wij de provincies in staat hebben gesteld om in de twee cruciale jaren waarin het debat plaatsvindt over de toekomst van de zorg voor jeugdigen, in een situatie van bestuurlijke en financiële rust verder te gaan met het voorzien in jeugdzorg en met het wegwerken van de laatste wachtlijsten na de slag die dankzij de vorige afspraken is gemaakt. Gemeenten hebben dankzij de commissie van deskundigen zelf voorzien in preventie en ik heb provincies in staat gesteld om zorg en geld aan die gemeenten te geven. Dat is van belang. De heer Dijsselbloem zegt dat de minister te afwachtend is, maar het is wel geld dat ik aan de provincies heb toegekend. Verder is het hun verantwoordelijkheid. Ik snap heel goed dat zij precies willen weten hoe ver gemeenten zijn met de preventie voordat zij geld overmaken om daarmee verder aan de slag te gaan. De gedeputeerden zijn verantwoordelijk en worden door provinciale staten aangesproken op hoe zij met het provinciale budget zijn omgegaan.

De heer Dibi heeft het over een terechtwijzing. Ik heb ook impliciet een aantal andere terechtwijzingen aan zijn adres geuit. Hij heeft die volgens mij goed gehoord en geïncasseerd. De Kamer heeft het budgetrecht. Als er bij de begroting geld wordt gevoteerd voor campussen, heb ik het mandaat om dat geld daaraan te besteden. Dit is niet buiten de heer Dibi omgegaan; de Kamer heeft hiermee ingestemd. Hij heeft er nooit iets in gezien, maar ik heb diverse campussen bezocht en telkens wanneer ik er ben, ben ik onder de indruk van de resultaten die worden geboekt met misschien wel de moeilijkste groepen jongeren. Dankzij deze campussen, die nog in de pilotfase zijn en nog niet allemaal even goed werken, en daarom is die evaluatie ook zo belangrijk, krijgen zij kansen die ze anders niet zouden hebben gekregen. De uitspraak «laatste campus, laatste kans» wordt vaak gehanteerd, maar ik vind het erg gemakkelijk om campussen af te schrijven met de stelling dat ze voortkomen uit een oud initiatief, dat ze eerder niet gewerkt hebben en dat iets ouds in een nieuw jasje is gestoken. Ik ben onder de indruk van de manier waarop de mensen die daar werken, jongeren een laatste kans geven. Anders zouden ze die niet hebben gekregen.

De heer Dibi zegt dat er meer gedaan kan worden aan huisvesting, zoals wordt gedaan met Kamers met Kansen. Het begint met de aanpak van het schoolverzuim, daarna volgen er andere dingen en de campussen vormen het sluitstuk. Natuurlijk moeten zij nog worden geëvalueerd. De Kamer wordt daar volop bij betrokken. Zij kan meebeslissen over de vraag of ze in de huidige vorm moeten voortbestaan. Als ik de heer Dibi was, zou ik niet graag op grond van een gevoel van drieënhalf jaar geleden, toen met de pilots met campussen is begonnen, willen zeggen dat ze nog steeds niet deugen en dat het niets is. Ik adviseer de heer Dibi dan ook om de uitnodiging van mevrouw Van Toorenburg aan te nemen en een paar van die campussen te bezoeken. Dan is hij misschien net zo onder de indruk als ik van wat daar wordt neergezet in het belang van de jeugdigen. De Kamer heeft bij de evaluatie het laatste woord.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik wil best erkennen dat ik dat doe. Ook om te plagen heb ik van die campussen een beetje een karikatuur gemaakt. Ik was erop tegen toen de minister ermee begon, omdat de ervaring al had geleerd dat ze niet zo effectief waren. Uit de eerste evaluatie kwam ook niet zo’n rooskleurig beeld naar voren. De kern van mijn verhaal is in ieder geval dat we aan de ene kant jeugd- en jongerenwerk wegbezuinigen en het moeilijker maken om projecten te doen en aan de andere kant dit soort dingen optuigen. Mijn stelling is dat je niet per se een campus hoeft op te tuigen als je al weet wat werkt. Je kunt ook projecten met arbeidstoeleiding, scholing en dergelijke regelen zonder ze campus te noemen. Ik wilde alleen maar zeggen dat ik er een beetje een karikatuur van heb gemaakt, maar dat ik de mensen die daar natuurlijk ook heel goede dingen doen, geen onrecht wil aandoen.

De voorzitter: Waarvan akte.

Minister Rouvoet: Ik incasseer het graag en ga er verder niet op in. Uiteraard staat het iedereen vrij om op basis van de evaluatie een eindoordeel te geven. Dat spreekt voor zich. Ik laat het daar op dit moment bij.

De heer Dibi heeft een opmerking gemaakt over de provincies en mijn verwijzing daarnaar. Ik zeg voor de laatste keer dat een minister geacht mag worden, zich te houden aan wetgeving over de toedeling van verschillende verantwoordelijkheden. Het zou geen pas geven als ik daar met of zonder evaluatie dwars doorheen ging, zeggend: de Kamer heeft mij verzocht om er dwars doorheen te gaan en om op de stoel van de provincies te gaan zitten, terwijl de wetgever de keuze heeft gemaakt om provincies en gemeenten eigen verantwoordelijkheden te geven. De Kamer mag van de minister verwachten dat hij zich daaraan houdt, en dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt als het stelsel in het geding is. Daar heeft het de afgelopen jaren niet aan ontbroken. Op basis van de door de wetgever gewenste evaluatie staan we op het punt te beslissen over de toekomst van dit stelsel en over de vraag of het nodig is om naar de wettelijke kaders te kijken en om te overwegen de bestuurlijke verantwoordelijkheden anders toe te delen. De visie van het kabinet is bekend, want die ligt voor bij de Kamer. Ik ben bereid om erover te debatteren, wanneer de Kamer maar wil, al besef ik dat het niet tot besluitvorming zal leiden.

De heer Dibi stelde nog een concrete vraag over het financieringsmodel. In de periodes 2008–2009 en 2010–2011 hebben we gekozen voor bijzondere afspraken met de provincies, omdat het bijzondere periodes waren. Het ramingsmodel was nog niet perfect toen het werd vastgesteld door de commissie-Linschoten, de Commissie Financiering Jeugdzorg (CFJ), dus daar wordt verder aan gewerkt. Gisteren heb ik dat met het IPO herbevestigd. Het ramingsmodel wordt doorontwikkeld, omdat het beter kan en moet, ongeacht waar uiteindelijk de bestuurlijke verantwoordelijkheid ligt. De raming van jeugdzorg en het budget dat daarbij hoort, blijven van belang. In plaats van het financieringssysteem à la Kaiser, zoals het destijds heette, zijn er nu twee keer afspraken voor twee jaar met provincies gekomen. De provincies en ik hebben gisteren herbevestigd dat we gezamenlijk in charge blijven voor een verbeterd ramingsmodel en dat we de opdrachtgever blijven van de CFJ en het SCP. Ik wil nog wel even kijken naar de precieze rol van de CFJ in deze fase, waarin er al afspraken zijn gemaakt voor 2010–2011. Dat heb ik gisteren ook met de provincies besproken. Hierbij kan ik het laten.

De heer Dibi (GroenLinks): Dit wordt mijn allerlaatste vraag, voorzitter. De minister zei dat hij verantwoordelijk is voor het stelsel. Ik weet niet of de minister het door heeft, maar dat stelsel kraakt een beetje in zijn voegen. Dat komt doordat de instroom in de jeugdzorg en zeker in de zwaardere jeugdzorg jaar in, jaar uit groeit. Daardoor gaat er steeds meer geld naar de jeugdzorg toe. Of gemeenten hun preventieve taak beter gaan uitvoeren of niet, de minister blijft de eindverantwoordelijke. Hij is dus verantwoordelijk voor het feit dat die instroom niet daalt. Hij kan wel zeggen dat de wetgever allerlei verantwoordelijkheden en taken heeft overgeheveld naar provincies en gemeenten, en dat klopt, maar we moeten ook iets doen aan die instroom. Hij lijkt daar een heel passieve houding in aan te nemen.

Minister Rouvoet: Dan moet ik bijna tot mijn spijt toch afsluiten met een terechtwijzing aan het adres van de heer Dibi. We kunnen altijd met elkaar debatteren over de vraag of het voldoende was, maar een van de eerste dingen die ik heb gedaan, is 200 mln. extra vrijmaken voor het versterken van de preventie en de opvoedingsondersteuning. De heer Dibi mag ervan vinden wat hij wil, maar het is niet fair om de suggestie te wekken dat de minister niet in de gaten heeft dat er verbeteringen in het stelsel aan te brengen zijn, terwijl de Kamer heeft gezegd: dat dossier laten we voorlopig even liggen. Toen de evaluatie er lag, heb ik gezegd wat mijn visie over de toekomst van het stelsel was. Dat was het juiste moment om dat te doen. Het was ook afgesproken. Ik accepteer het dat de Kamer niet over mijn veelomvattende visie over de toekomst van het stelsel wil besluiten zolang er een demissionair kabinet is, maar ik vraag de heer Dibi om mij niet te zeggen dat ik niet heb geïnvesteerd in preventie. In deze kabinetsperiode is er namelijk meer dan ooit in preventie geïnvesteerd. Dat is begonnen met de 200 mln. extra en met de oprichting van de Centra voor Jeugd en Gezin. Daar is niets mis mee.

De voorzitter: We gaan nu niet door. Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik stel vast dat er een geweldige behoefte bestaat om in bredere zin te praten over de jeugdzorg de minister voor Jeugd en Gezin en de maatregelen van het kabinet. Ik vermoed dat dit de komende maanden ook wel op een bepaalde plaats en tijd gebeurt. Mocht een instantie zich geroepen voelen om dat te organiseren, dan doe ik graag mee, als men een voorzitter zoekt. We zien wel. Nu doen we het in ieder geval niet. Ik vat de toezeggingen kort samen en daarna sluit ik af.

  • 1. De Kamer ontvangt op korte termijn de nog ontbrekende wachtlijstcijfers van Zuid-Holland.

  • 2. Zodra na 1 oktober 2010 de gegevens beschikbaar zijn, wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het afsprakenkader. Het gaat om de provincies, zoals de commissieleden zich wel herinneren.

  • 3. Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van mevrouw Arib over het NFI wordt de Kamer mede geïnformeerd over de prioritering bij dat instituut in verband met de forensische pediatrie.

  • 4. De Kamer ontvangt voor 21 juni aanstaande een of twee brieven – dit is mij niet helemaal helder – over de pleegzorg in brede zin en de GZ-registratie.

Minister Rouvoet: Misschien kan ik het iets preciezer stellen. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik haar informeer over de capaciteit bij het NFI en de afweging daarover van het ministerie van Justitie. Verder heb ik de Kamer gemeld dat er op dit moment sprake is van prioritering. In de brief heb ik daar niet veel meer over te melden dan dat politie en het OM in overleg met elkaar prioriteren. Het kernpunt is dat de Kamer door de minister van Justitie wordt geïnformeerd over de capaciteit en de stappen die dienaangaande worden overwogen richting het NFI. De brief over pleegzorg komt wat mij betreft zo snel mogelijk, maar dan moet er eerst een gesprek met de relevante instanties plaatsvinden. Verder ben ik best bereid om mevrouw Dezentjé tegemoet te komen waar het gaat om het toetsingskader van de inspectie. Ik heb het niet scherp, maar laat ik toezeggen dat ik het punt dat mevrouw Dezentjé aankaartte in de brief aansnijd. Ik zal daarvoor de inspectie vragen of zij vindt dat er punten in het toetsingskader voor verbetering vatbaar zijn.

De voorzitter: Ik dank de minister voor deze precisering. Ik begrijp dat mevrouw Dezentjé behoefte heeft aan het indienen van een motie. Het voorbehoud voor het VAO van morgen vier uur is hierbij weggenomen.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Dijsselbloem (PvdA), Çörüz (CDA), Gerkens (SP), ondervoorzitter, Sterk (CDA), Van Miltenburg (VVD), Van Dijken (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), Teeven (VVD), Wolbert (PvdA), Voordewind (ChristenUnie), Zijlstra (VVD), Bouchibti (PvdA), Langkamp (SP), Ouwehand (PvdD), Agema (BVV), Leijten (SP), Dibi (GroenLinks), Heijnen (PvdA), voorzitter, Van Toorenburg (CDA) en Uitslag (CDA).

Plv. leden: Heerts (PvdA), Omtzigt (CDA), Kant (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Eijsink (PvdA), Meeuwis (VVD), Biskop (CDA), Van der Ham (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Verdonk (Verdonk), Bouwmeester (PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Schippers (VVD), Timmer (PvdA), Gesthuizen (SP), Bosma (PVV), De Wit (SP), Azough (GroenLinks), Arib (PvdA), Jan de Vries (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA) en Karabulut (SP).

Naar boven