Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031753 nr. 190

31 753 Rechtsbijstand

Nr. 190 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 december 2019

Met genoegen bied ik u mijn tweede voortgangsrapportage aan. Gedurende de looptijd van het programma rechtsbijstand informeer ik uw Kamer ieder half jaar over de voortgang. In deze brief beschrijf ik welke stappen zijn gezet sinds de vorige voortgangsrapportage in juli 2019 (Kamerstuk 31 753, nr. 177). Het uitvoeringsplan dat ik de Kamer toen stuurde vormt de basis. De opbouw van de voortgangsrapportages zal steeds langs de lijnen van de drie hoofdmaatregelen zijn: versterking nulde en eerste lijn, responsieve overheid en verbetering van de kwaliteit in de tweede lijn. Tevens ga ik in deze brief in op de uitvoering van een aantal moties en doe ik enkele aan uw Kamer gedane toezeggingen gestand. Als bijlage bij deze brief vindt u een overzicht met de stand van zaken van de lopende pilots, waaronder de pilot in Rotterdam Zuid1. Daarmee geef ik uitvoering aan de toezegging (n.a.v. het Algemeen Overleg van 7 november (Kamerstuk 31 753, nr. 184) om de laatste stand van zaken van de pilot in Rotterdam-Zuid met uw Kamer te delen.

Op belangrijke onderdelen van de stelselherziening, zoals het versterken van de eerste lijn en het terugdringen van het procedeergedrag van de overheid, hebben we de afgelopen maanden stappen vooruit gezet. Met name voor het verbeteren van de tweede lijn hebben we de advocatuur nodig. In ieder stelsel spelen advocaten een belangrijke rol. Ik ben dan ook blij dat het gesprek met de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) is hervat. Met het beschikbaar stellen van tijdelijke extra middelen voor de gesubsidieerde advocatuur is met de NOvA afgesproken dat we weer met elkaar in gesprek kunnen over structurele verbeteringen.

Tijdens het Algemeen Overleg van 7 november 2019 zegde ik toe om de laatste stand van zaken rondom de piketacties en verhinderacties met de Kamer te delen. Bij brief van 15 november jl. (Kamerstuk 31 753, nr. 182) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de afspraak met de advocatuur over een tijdelijke aanvullende vergoeding voor de jaren 2020 en 2021.2 Op deze manier kunnen advocaten op een verantwoorde manier de omslag maken naar een nieuw stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, die op termijn tot hogere vergoedingen voor de advocatuur leidt. Dit maakte dat wat de NOvA betreft de voor begin 2020 aangekondigde piketacties en verhinderacties van de baan zijn. In samenspraak met de betrokken specialisatieverenigingen is dit ook actief onder de aandacht van de advocatuur gebracht. Veel advocaten hebben zich alsnog aangemeld voor het vervullen van piketdiensten in de eerste twee weken van januari. Veruit de meeste piketroosters konden hierdoor gevuld worden. Voor enkele roosters zijn aanvullende maatregelen getroffen, bijvoorbeeld het inschakelen van advocaten uit andere regio’s. In de eerste twee weken van januari 2020 is rechtsbijstand in het gehele land gewaarborgd.

Versterking eerste lijn

Een van de doelen van de modernisering van het stelsel is om onnodige escalatie van (juridische) problemen te voorkomen. We stellen daarom de rechtzoekende en zijn probleem centraal en maken de toegang tot informatie en advies laagdrempeliger. Kortom, we versterken de nulde en de eerste lijn. Binnenkort start een pilot van de NOvA, het Juridisch Loket en de Raad voor Rechtsbijstand over betere samenwerking tussen hulpverleners in de eerste lijn. Ook gaat in Heerlen de pilot Huizen van het Recht van start. In het pilotoverzicht (bijlage 3)3 is de laatste stand van zaken van deze pilots opgenomen.

Er zijn op dit terrein de afgelopen maanden drie belangrijke stappen gezet. Ten eerste is er een doelgroepenanalyse uitgevoerd, om de wensen en behoeften van mensen rondom juridische problemen beter in beeld te brengen. Daarnaast is er – in samenwerking met betrokken partijen waaronder gemeenten – een eerste ontwerp gemaakt voor de inrichting van de laagdrempelige toegang. Ten slotte is een start gemaakt met de verbetering van het online aanbod van vindbare en toegankelijke informatie. Ik licht deze stappen hieronder toe.

Doelgroepenanalyse

Voor het goed inrichten van het stelsel moeten we beter inzicht hebben in wie gebruikmaakt van rechtshulp, met welke vragen en problemen mensen kampen en hoe vaardig ze zijn in het vinden van hulp of van een oplossing. De doelgroepenanalyse (bijlage 1)4 is een eerste stap om daar meer inzicht in te krijgen. Alleen als dit goed in beeld is, kan de dienstverlening effectief ingericht worden.

De doelgroepenanalyse richtte zich op mensen onder en boven de Wrb-grens, omdat de toegang tot informatie en advies voor iedereen beter moet. Het onderzoek onderscheidt vier groepen: 1. niet tot zeer beperkt zelfredzaam, 2. beperkt zelfredzaam, 3. gemiddeld zelfredzaam en 4. geheel zelfredzaam. Belangrijke conclusie van het onderzoek is dat zelfredzaamheid situationeel kan zijn, dus iemand kan volledig zelfredzaam gedrag vertonen wanneer er een conflict met een werkgever is, maar beperkt zelfredzaam zijn wanneer het gaat om een andersoortig probleem. Ook factoren zoals de aard van het conflict en de (relatie met de) wederpartij spelen een belangrijk rol bij de zelfredzaamheid van mensen. Deze bevindingen sluiten aan bij eerdere onderzoeken van het WODC en op de uitkomsten van het Wetenschappelijke Raad voor de regering (WRR) -rapport «Weten is nog geen doen».5

De groep die niet tot zeer beperkt zelfredzaam kan worden genoemd, is door de onderzoeksmethode van focusgroepen en een online enquête, minder goed in beeld gekomen. Deze mensen vallen naar verwachting relatief vaak onder de groep mensen waar zogeheten multiproblematiek speelt. Samen met de raad voor rechtsbijstand en het CBS worden de groepen verder gekwantificeerd. Daarbij zal, conform mijn toezegging in het AO van 7 november, ook gekeken worden naar de leeftijdsopbouw van mensen die gesubsidieerde rechtsbijstand zoeken.

Met deze doelgroepenanalyse voldoe ik tevens aan de motie Van der Graaf om rekening te houden met verschillen in doenvermogen (Kamerstuk 31 753, nr. 169). Zoals ik aangaf in mijn brief van 12 juli (Kamerstuk 31 753, nr. 177) heeft de WRR aangeboden om op dit dossier (vroegtijdig) mee te denken over het vormgeven van de aansluiting op het doenvermogen van mensen. Dit naar aanleiding van het rapport «Weten is nog geen doen». Met de WRR zijn er in november en december dit jaar twee expertsessies georganiseerd. De WRR gebruikt de uitkomsten hiervan voor algemene handvatten voor beleidsmakers en wetgevers om het doenvermogen mee te nemen bij beleidsvorming en het maken van wetgeving.

Samenwerking gemeenten en Rijk rond laagdrempelige toegang

Eén van de doelen uit de contourennota is om (juridische) hulp beter aan te laten sluiten op lokale hulpverlening, om die hulp dichterbij te organiseren. Juridische en gemeentelijke partners hebben daarom in de eerste helft van 2019 gewerkt aan een eerste ontwerp van een laagdrempelige voorziening voor rechtshulp. In bijlage 2 zijn de resultaten opgenomen. De dienstverlening van deze laagdrempelige voorziening omvat ook de diagnose en triage en gaat vooraf aan het besluit dat door de raad voor rechtsbijstand wordt genomen over de rechtsbijstandsaanvraag die door de rechtzoekende wordt ingediend.

Uit het eerste ontwerp blijkt dat het Rijk en gemeenten beiden een rol dienen te spelen bij de laagdrempelige toegang. Het aanbod van diensten die een laagdrempelige voorziening zou moeten omvatten betreft: vraagverheldering, informatie, advies en hulp aan burgers en doorverwijzing. Belangrijk aandachtspunt is de onafhankelijkheid van de voorziening en de ervaring daarvan door rechtzoekenden, omdat de gemeente in sommige gevallen ook de wederpartij is. Buiten kijf staat dat de laagdrempelige voorziening moet bestaan uit zowel een online als een fysiek deel waar burgers met hun problemen terecht kunnen.

De ambitie is om voor mensen met een (juridisch) probleem in het hele land eenzelfde aanbod en kwaliteit van dienstverlening te kunnen garanderen. Die diensten worden geleverd in een laagdrempelige voorziening, waarin zowel het Juridisch Loket als gemeentelijke organisaties een rol hebben. Op korte termijn zetten we drie concrete stappen om het gezamenlijke beeld van de voorziening verder te concretiseren.

Innovatievoorziening pilots laagdrempelige toegang

Zoals aangekondigd in het AO op 7 november jl. stel ik 3 miljoen euro beschikbaar voor pilots om de aansluiting tussen juridische hulpverleners en gemeentelijke partners zoals sociale wijkteams, sociale raadslieden en andere hulpverleners op lokaal niveau beter vorm te geven. Zo kunnen gemeenten met goede ideeën ervaring opdoen voor lokale best practices om problemen van mensen sneller en effectiever op te lossen. Ik denk aan een koplopersgroep van bijvoorbeeld 10 gemeenten. Binnen die groep streef ik naar representatieve deelname van gemeenten: zowel grootstedelijk als gemeenten uit de regio, van verschillende grootte en met verschillende groepen inwoners. Zo wordt recht gedaan aan verschillen op lokaal niveau, in inwoners en de manier waarop hulp nu is ingericht. In Amsterdam-Noord ziet de aanpak er waarschijnlijk heel anders uit dan in Zeeland. Het doel is om een beperkt aantal best practices te ontwikkelen, en die te bundelen in een praktische handreiking waarmee straks alle gemeenten de voorziening in hun eigen lokale situatie kunnen inrichten. Vanaf begin 2020 selecteren we samen met Divosa de koplopersgemeenten, zodat de initiatieven in mei van start kunnen gaan.

Juridisch Loket dichterbij

Het Juridisch Loket is al bezig om de eigen dienstverlening dichter bij de burger te brengen. Zo zijn er – naast de bestaande vestigingen van het loket – al 10 extra toegankelijke voorzieningen in de wijk ingericht in bibliotheken, wijkcentra of gemeenteloketten. Om verder invulling te geven aan de samenwerking tussen juridisch en lokaal domein werkt het Juridisch Loket aan een toekomstvisie op de eigen organisatie. De stappen die zij zetten sluiten aan bij de rol die zij zullen spelen in het landelijk dekkende aanbod van eerstelijns hulp bij juridische problemen. Zo moet bijvoorbeeld de toekomstige vastgoedportefeuille goed aansluiten op de ambitie van meer innovatieve verschijningsvormen door het land, zoals de servicepunten. De samenwerking met lokale netwerkpartners in het sociaal domein wordt geïntensiveerd, ook op het gebied van innovatie en kennisuitwisseling. Om de transitie bovendien op een goede manier te kunnen maken, wordt bij het Loket een programma ingericht. Daarvoor heb ik 2,1 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de jaren 2019 t/m 2022. Bij de derde voortgangsrapportage (zomer 2020) zal ik uw Kamer nader informeren over het veranderplan van het Loket.

Betere online informatie

Er is grote eensgezindheid onder professionals dat het online aanbod van informatie en advies beter kan. Dat komt niet alleen mensen die onder de Wrb-grens vallen ten goede, maar iedereen die een juridisch probleem ervaart. Uit het gezamenlijk ontwerp voor de laagdrempelige toegang komt dat het beter ontsluiten van online informatie bij uitstek een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid is. Het einddoel is dat meer mensen terecht kunnen op een betrouwbare, begrijpelijke online omgeving, die met meer functionaliteiten op interactieve wijze helpt om problemen op te lossen. Dat kan betekenen dat je daar de informatie vindt die je nodig hebt om het probleem zelf op te lossen, of dat je via heldere wegwijzers naar de juiste hulpverlener wordt geleid. Ook vind je er advies over de juiste route voor een oplossing voor jouw specifieke probleem. Op termijn zie ik ook kansen voor online conflictoplossing. Zo’n online omgeving is er niet van vandaag op morgen. Om ervoor te zorgen dat het echt doet wat we er van verwachten, moet er doordacht en gefaseerd worden ontwikkeld en gebouwd. Begin 2020 maak ik een plan van aanpak voor de online omgeving. Voor de bouw en uitrol heb ik voor de duur van de transitieperiode 10 miljoen gereserveerd. Dit bedrag is gebaseerd op onder andere de ontwikkeling die Slachtofferhulp Nederland heeft doorgemaakt bij het verbeteren van hun dienstverlening aan slachtoffers. De veranderingen die zij hebben doorgevoerd zijn erg goed ontvangen.

In de tussentijd zitten we niet stil en wordt ook het huidige aanbod verbeterd. Ik heb het Juridisch Loket dit jaar met ruim 225.000 euro extra gesubsidieerd om de inhoud en effectiviteit van hun eigen site te verbeteren. Dit is nodig om alvast een stap te zetten en om ervaring op te doen met wat goed werkt. Ook betekent het dat rechtzoekenden snel eerste verbeteringen ervaren. Met dit bedrag zet het Juridisch Loket een aantal concrete stappen. Om de online dienstverlening op de meest effectieve manier te kunnen verbeteren, is inzicht nodig in wie de rechtzoekende is en met welke vragen hij leeft. Het Juridisch Loket brengt deze in beeld op basis van zoekwoordenonderzoek en data uit de vestigingen in combinatie met statistische informatie. Voor de zomer zet het Juridisch Loket een significante stap in het beter ontsluiten van de huidige beschikbare informatie. De site van het Juridisch Loket wordt daardoor begrijpelijker en toegankelijker voor iedereen. Een van de doelen is betere integratie van online en offline dienstverlening, bijvoorbeeld via chat, videobellen of co-browsen. Ook wordt er een verwijsapplicatie ontwikkeld, gericht op intensievere samenwerking met het juridisch en sociaal domein. Daarnaast gaat het Juridisch Loket vanaf 2020 campagnes en advertenties opzetten om mensen beter te informeren rondom herkenbare situaties als een ontslag of scheiding, op verschillende social mediakanalen zoals Facebook, YouTube, LinkedIn en Instagram.

Responsieve overheid

De samenleving is steeds complexer geworden en mensen kunnen daarin niet altijd hun weg vinden. Dat geldt ook voor de dienstverlening door de overheid. We moeten het als overheid simpeler maken, transparant zijn en in de dienstverlening rekening houden met het perspectief van burgers en bedrijven. Lang niet altijd laat de overheid zich van zijn meest responsieve kant zien. De overheid is dan ook regelmatig de wederpartij als mensen procederen met een toevoeging. Daarom richt het programma rechtsbijstand zich op minder (onnodige) juridisering tussen burger en overheid door betere dienstverlening. Het effect van deze verbeterde dienstverlening is dat geschillen tussen de overheid en burgers voorkomen worden. Als die geschillen toch ontstaan, dienen deze zo vroeg mogelijk en waar dat kan informeel te worden opgelost. Dit gaat naar verwachting leiden tot minder bezwaar- en beroepsprocedures, minder geschillen tussen burger en overheid die bij de bestuursrechter terecht komen, en dus ook minder toevoegingen bij die procedures.

Mijn aanpak loopt langs twee sporen: allereerst het aanpakken van (onnodig) procedeergedrag van en jegens de overheid. Hiervoor is in beginsel meer inzicht nodig in de prestaties van de overheid, zowel bij het Rijk (ministeries en uitvoeringsorganisaties) als bij decentrale overheden. De verwachting is dat in het bestuursrecht het aantal toevoegingen met 10% kan worden teruggedrongen. Het gaat dan om een reductie van ongeveer 4.000 toevoegingen op de ruim 40.000 toevoegingen in het bestuursrecht.

Daarnaast richt mijn aanpak zich op het meer gestructureerd in beeld brengen van de gevolgen van rijksbeleid en wet- en regelgeving op de rechtsbijstand. De stand van zaken rondom deze twee sporen licht ik hieronder op hoofdlijnen toe.

Wijziging Besluit proceskosten bestuursrecht

Als eerste stap organiseer ik de stok achter de deur. Het ontwerp van de door mij eerder aangekondigde wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in internetconsultatie gegaan en voor advies voorgelegd aan betrokken instanties. Dat conceptbesluit strekt tot een verhoging van de proceskostenvergoeding die de burger krijgt als hij met succes een overheidsbesluit aanvecht bij de bestuursrechter. Het gaat om een verhoging van de standaardbedragen met 40% als de burger procedeert met bijstand van een advocaat. In een gemiddelde zaak leidt dat tot een vergoeding van ruim 1.400 euro, in plaats van nu ruim 1.000 euro. Ook krijgt de bestuursrechter volgens het conceptbesluit een explicietere bevoegdheid om een hogere vergoeding toe te kennen dan het standaardbedrag als de rechter van oordeel is dat de overheid evident onredelijk is geweest voor de burger. Deze wijzigingen beogen om bestuursorganen te prikkelen om besluiten nog beter voor te bereiden – betere primaire besluiten en betere beslissingen op bezwaar – wat als het goed is leidt tot minder procedures bij de bestuursrechter. Dit sluit aan bij het streven van het kabinet om te voorkomen dat een meningsverschil tussen een burger en een bestuursorgaan onnodig juridiseert. Het conceptwijzigingsbesluit heeft tot 2 december 2019 opengestaan voor consultatie. Ik beraad mij nu op de ontvangen reacties.

Aanjager om geschillen overheid-burger terug te dringen

De verhoging van de proceskostenvergoeding geldt als er al een procedure is gestart. Liefst komt het niet zo ver en worden procedures voorkomen. In het Algemeen Overleg Rechtsbijstand op 23 en 31 januari jl. heb ik de Tweede Kamer toegezegd om een boegbeeld op topniveau aan te stellen om het aantal geschillen tussen burger en overheid op het terrein van het bestuursrecht terug te dringen en zo ook te zorgen voor minder beroep op rechtsbijstand(Kamerstuk 31 753, nr. 174 en 175).

Op voordracht van het overleg van Secretarissen Generaal (SGO), gaat de heer D. (Daan) Hoefsmit (onder meer oud bestuursvoorzitter van het Centraal Administratie Kantoor, hierna CAK) deze rol vervullen. Hij heeft bij het CAK veel ervaring opgedaan met het implementeren van een andere manier van omgaan met mensen door aandacht te hebben voor maatwerk, het aanpakken van de schuldenproblematiek en het terugdringen van procedures. Zo is het CAK onder zijn hoede persoonsgerichter gaan werken bij het innen van boetes voor het niet betalen van zorgpremies, vaker via een minnelijk traject. Dit is vooral van belang geweest om (een toename van) problematische schulden bij cliënten te voorkomen. De bedoeling van deze andere werkwijzen was vooral om het overheidshandelen beter af te stemmen op het perspectief en de handelingsmogelijkheden van de burger, en daarnaast om het aantal onnodige procedures snel en effectief terug te dringen.

De opdracht van de aanjager duurt in beginsel twee jaar (2020 en 2021) en richt zich primair op de rijksoverheid zelf en haar uitvoeringsorganisaties. De aanjager zal aan de hand van feiten en cijfers een aantal organisaties selecteren waarvoor de verwachting is dat het aantal zaken tussen burgers en overheid op de korte en middellange termijn naar beneden gebracht kan worden. Specifieke aandacht zal daarbij uitgaan naar JenV-organisaties. De focus zal hierbij in eerste instantie liggen op het vaker vroegtijdig afdoen van geschillen aan de voorkant. Uiteraard gebeurt dit in goed overleg met de betrokken organisaties en departementen en probeert de aanjager te komen tot maatwerkoplossingen. De aanjager zal bovendien kijken naar best practices van (overheids)organisaties, zodat organisaties elkaar kunnen stimuleren om de goede kant op te bewegen.

De eerste werkzaamheden van de aanjager zullen uitmonden in een interdepartementaal plan van aanpak, dat ik als onderdeel van de komende voortgangsrapportage zal delen. Hiermee geef ik invulling aan mijn toezeggingen van het AO van 7 november jl. om een interdepartementaal plan van aanpak naar de Kamer te sturen. Die toezegging sluit aan bij de motie Kuiken c.s. (Kamerstuk 31 753, nr. 168) om te komen met een plan van aanpak met afrekenbare doelen. Er zal in dat plan vanzelfsprekend aandacht zijn voor procedurele rechtvaardigheid, maar er zullen ook harde meetpunten zoals aantal toevoegingen, aantal bezwaarschriften, aantal beroepszaken, aantal klachten en aantal gegrondverklaringen worden geformuleerd. Aldus brengt de aanjager in 2020 eerst de belangrijkste verbeterpunten voor de burger en overheden in kaart en voorziet die van concrete verbetervoorstellen. In 2021 zullen de eerste significante verbeteringen zichtbaar worden.

Eerste inzicht in procedeergedrag van de overheid

De basis om te kunnen komen tot afrekenbare doelen is inzicht in het procedeergedrag van de overheid. Ik heb de Kamer toegezegd in kaart te brengen welke bestuursorganen de meeste toevoegingen veroorzaken. Met deze voortgangsrapportage doe ik deze toezegging gestand. Dit is een eerste stap bij het verkrijgen van meer inzicht in het procedeergedrag van en jegens de overheid, maar geeft uiteraard nog geen antwoord op de vraag in hoeverre procedures daadwerkelijk te voorkomen waren geweest. Het is daarnaast zo dat er niet altijd toevoegingen worden afgegeven voor zaken waarbij de overheid de wederpartij is. Een belastingzaak valt bijvoorbeeld niet altijd onder het bereik van gesubsidieerde rechtsbijstand, vanwege de eenvoud van de zaak. Het beantwoorden van de vraag of procedures onnodig waren vraagt nadere analyse. Ik zal gevoerde procedures in hun context beschouwen en breder kijken dan alleen rechtsbijstand.

De cijfers waar ik me op baseer zijn de afgegeven toevoegingen in het bestuursrecht gesorteerd naar de wederpartijen die veel voorkomen in de registratie van de raad voor rechtsbijstand.6 Ten behoeve van de registratie selecteren advocaten in deze zaken bij de aanvraag van een toevoeging zelf de wederpartij in een vastgestelde lijst. De verschillende keuzemogelijkheden worden vervolgens in de registratie van de raad in klassen gegroepeerd. Deze wijze van registreren kent zijn beperkingen, omdat een klasse meerdere partijen kan omvatten, advocaten niet altijd een bepaalde tegenpartij invullen of deze niet op dezelfde manier registreren en niet alle partijen onder een herkenbare noemer zijn gevat.7

Met deze beperkingen in het achterhoofd tekent zich een beeld af van bestuursorganen die vaak partij zijn als de rechtzoekende met een toevoeging procedeert. Als ik me concentreer op de rijksoverheid wordt de lijst aangevoerd door twee taakorganisaties van mijn eigen ministerie: voor wat betreft het bestuursrecht door de IND (ruim 16.000 afgegeven toevoegingen in 2018) en door de Raad voor de Kinderbescherming op personen- en familierecht (ruim 13.000).8 Buiten mijn eigen ministerie is het UWV het meest partij in procedures met burgers die juridisch worden bijgestaan door toegevoegde advocaten (bijna 9.500 in 2018). In veel mindere mate komen ook SVB (circa 1.500), de Belastingdienst (circa 1.400), DUO (circa 600), CAK (bijna 400) en CJIB (nog geen 100) naar voren uit de cijfers van de Raad voor Rechtsbijstand.9

In de ruim 40.000 bestuurszaken met toevoegingen zijn gemeenten of gemeentelijke instellingen in ongeveer de helft van de zaken partij. Ook de grote innende- en uitkerende rijksdiensten10 komen veelvuldig naar voren in de registratie van de raad voor rechtsbijstand. In ongeveer een derde van de bestuurszaken met een toevoeging is een van die organisaties partij.

De opgave

De opgave laat zich dus uitsplitsen in drie hoofdcategorieën waarop nader ingezoomd dient te worden: de JenV-organisaties, de grote innende Rijksdiensten en gemeenten. De eerste categorie vraagt om specifieke aandacht omdat het mijn eigen departement betreft en ik daarom een grote verantwoordelijkheid voel. De secretaris-generaal van JenV voert daarom ook persoonlijk het gesprek over deze thematiek met de JenV-organisaties. Beslissingen van de IND en de Raad voor de Kinderbescherming zijn ingrijpend voor mensen. Daardoor zijn niet alle procedures te vermijden, ook niet wanneer op voorhand duidelijk is dat de burger weinig kans maakt om in het gelijk gesteld te worden. Voor de IND geldt bovendien dat de asielzoeker ook recht heeft op rechtsbijstand voordat de beslissing is genomen, dus ook als de procedure leidt tot een positieve beslissing. Daarbij komt ook dat de IND in het overgrote deel van de zaken waarbij in beroep wordt gegaan in het gelijk gesteld wordt door de rechter. Ten aanzien van gemeenten heeft de raad voor rechtsbijstand een start gemaakt met datadialogen. Op de datadialogen ga ik hieronder nader in.

Ik hecht eraan om op te merken dat voor alle drie de categorieën geldt dat de bestuursorganen zich vaak al veel moeite getroosten om het aantal juridische procedures te reduceren.

Datadialogen met gemeenten

In de afgelopen tijd heeft de raad voor rechtsbijstand gesproken met 10 gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Deze gesprekken worden «data dialogen» genoemd, omdat in deze gesprekken naar aanleiding van de data van de Raad (en gemeente) een gesprek wordt gevoerd. Op basis van de data over gefinancierde rechtsbijstand is met hen gesproken over de aanpak van (dreigende) geschillen in het sociaal domein. Deze gesprekken leiden tot nieuwe inzichten en mogelijke maatregelen om een gewenst effect te bereiken. Zo is het bijvoorbeeld van belang om oog te hebben voor meervoudige problematiek, zodat de problemen bij burgers meer gericht aangepakt kunnen worden. Onderzocht wordt of het bundelen van samenhangende besluiten, zoals bijvoorbeeld een intrekking en terugvordering van een uitkering, leidt tot meer duidelijkheid voor burgers én minder toevoegingen. Ik verwacht eerste resultaten hiervan bij mijn volgende voortgangsrapportage te kunnen presenteren.

Gevolgen rijksbeleid en wet- en regelgeving voor de vraag naar rechtsbijstand

De commissie-Van der Meer bracht aan het licht dat in het verleden de effecten van nieuwe wet- en regelgeving op de rechtsbijstand onvoldoende zijn meegewogen in het aantal punten. Over die effecten, en over de wijze waarop burgers met (juridische) problemen goed geholpen kunnen worden, zijn professionals met elkaar in gesprek gegaan tijdens het congres «De burger centraal. Responsieve Overheid en Toegang tot het Recht» op 26 november.

Daarnaast zijn we gestart met het gestructureerd in beeld brengen van de effecten van wetswijzigingen voor de vraag naar rechtsbijstand. De NOvA bracht op mijn verzoek in beeld welke voorziene wetswijzigingen van invloed kunnen zijn op de vraag naar gesubsidieerde rechtsbijstand. Samen met de NOvA en de raad voor rechtsbijstand werk ik aan nieuwe werkafspraken waarmee we vooraf de impact van nieuwe wet- en regelgeving op de gesubsidieerde rechtsbijstand beter kunnen bepalen. Zo kan voor nieuwe wet- en regelgeving op meer eenduidige wijze in kaart worden gebracht wat dit betekent voor de tijd die advocaten met een zaak op dat rechtsgebied bezig zijn. Hiermee wil ik de kosten beter in beeld brengen zodat die tijdig worden meegenomen in de financiële gevolgen van wetgeving. Dit hebben ook de Commissies Wolfsen en Van der Meer geadviseerd in hun adviezen over rechtsbijstand overeenkomstig de adviezen van Wolfsen en Van der Meer. Met deze nieuwe werkwijze kunnen we voorkomen dat in de toekomst de werkzaamheden van de advocatuur zonder compensatie worden uitgebreid. De werkwijze is in het voorjaar van 2020 gereed. Met de ontwikkeling van dit instrument voldoe ik aan de motie Groothuizen c.s. (Kamerstuk 31 753, nr. 171).

Verbetering van de kwaliteit in de tweede lijn

De vergoedingen in de tweede lijn zijn achtergebleven. Met het beschikbaar stellen van tijdelijke extra middelen voor de sociale advocatuur, is het structurele probleem niet opgelost. Dit vraagt om een andere manier van werken. Dat wil ik bereiken door de invoering van rechtshulppakketten, waarmee de kwaliteit in de tweede lijn wordt verhoogd.

Ik heb de afgelopen maanden twee algemene maatregelen genomen om verbeteringen in de tweede lijn te realiseren. De eerste ziet op de ontwikkeling van nieuwe kwaliteitscriteria. De tweede maatregel is gericht op de uitvoering van pilots om de vernieuwing in de tweede lijn samen met professionals tot stand te brengen. Hiervoor heb ik een innovatievoorziening ingericht. Ik licht de maatregelen hieronder kort toe.

In het uitvoeringsplan heb ik aangegeven dat ik specifiek aandacht zal besteden aan het strafrecht en aan echtscheidingen. Ook daarop ga ik hieronder in.

Nieuwe kwaliteitscriteria

Met kwaliteitsverbetering wil ik twee problemen oplossen die door de commissie-Wolfsen aan het licht zijn gebracht. Ten eerste is de kwaliteit van dienstverlening aan de burger van wisselend niveau en soms zelfs onder de maat.11 Dit komt onder andere doordat er in het huidige stelsel onvoldoende toezicht is op het waarborgen van de kwaliteit van dienstverlening: de huidige kwaliteitseisen en inschrijvingsvoorwaarden zijn onvoldoende en liggen niet voor alle rechtsgebieden op hetzelfde niveau.12 Daarnaast heeft de rechtzoekende in het huidige systeem onvoldoende inzicht in de kosten van hulp en welke hulp de rechtzoekende mag verwachten.13

De eerste stap in de kwaliteitsverbetering is het vaststellen van kwaliteitscriteria die moeten gelden voor goede rechtshulp in het nieuwe stelsel. Het traject om met betrokken partijen en mogelijke nieuwe toetreders tot die kwaliteitscriteria te komen is in volle gang en wordt in april 2020 afgerond.

Wijziging inschrijvingsvoorwaarden raad voor rechtsbijstand

De raad voor rechtsbijstand is voornemens vanaf 2020 in de inschrijvingsvoorwaarden deskundigheidseisen voor de specialisaties arbeidsrecht, huurrecht en sociaal zekerheidsrecht te introduceren. Vanaf 1 januari 2021 mogen dan alleen advocaten die ingeschreven staan voor deze specialisaties toevoegingen op deze rechtsterreinen aanvragen.

Ook wil de Raad met ingang van 1 januari 2020 het aantal specialisaties waarvoor een advocaat bij de Raad ingeschreven kan staan, gaan beperken. De Raad zal de huidige en nieuw in te voeren specialisaties daarvoor indelen in overkoepelende «specialisatiegroepen». Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de indeling van hoofdrechtsgebieden die de Nederlandse Orde van Advocaten hanteert. Een advocaat kan vanaf 2020 voor maximaal vier specialisatiegroepen en drie piketsoorten ingeschreven staan.

Ik heb ingestemd met de nieuwe inschrijvingsvoorwaarden van de Raad per 1 januari 2020. De Raad voert momenteel nader overleg met de NOvA over de onderwerpen paralegals. Mijn inzet is dat de inschrijfvoorwaarden in de eerste helft van 2020 zodanig worden aangepast dat het mogelijk wordt om paralegals in zetten binnen het stelsel.

Innovatievoorziening verbetering kwaliteit tweede lijn

Ook in de tweede lijn loopt al een aantal pilots, op het gebied van slachtofferadvocatuur, ZSM rechtsbijstand en consumentenrecht. Deze worden toegelicht in bijlage 3. De pilotfase wordt nu geïntensiveerd. Per 1 januari 2020 is er 10 miljoen euro voor pilots in de tweede lijn beschikbaar. Met deze innovatievoorziening kan ervaring worden opgedaan met nieuwe manieren van werken in de tweede lijn. Ik nodig partijen uit om mee te doen bij de ontwikkeling van die nieuwe manieren van werken door een voorstel voor een pilot in te dienen. Met de inwerkingtreding van deze voorziening krijgt de pilotfase uit het voortgangsplan concreet vorm. Een steeds bredere groep professionals gaat zo meewerken aan de vernieuwing van het stelsel. Voor het beschikbare bedrag verwacht ik zeker 10 tot 30 pilots uit te kunnen laten voeren binnen de regeling van de innovatiesubsidie. Zo’n pilot kan bijvoorbeeld gaan over een andere manier van werken bij een scheiding, waardoor de rechtzoekende sneller en beter geholpen is. Het uiteindelijke aantal pilots is evenwel afhankelijk van de initiatieven uit de praktijk.

In het topberaad zijn criteria vastgesteld waaraan pilots moeten voldoen. Deze criteria vormen de basis van de subsidieregeling, die wordt uitgevoerd door de raad voor rechtsbijstand. De criteria stellen randvoorwaarden aan de pilots: het moet bijdragen aan duurzame oplossingen voor problemen en de rechtzoekende moet centraal staan. Ook wordt er scherp gekeken naar de doelstellingen, of er voldoende draagvlak is bij de betrokken partners en wat de financiële implicaties zijn voor de deelnemende partijen. Daarnaast wordt de eis gesteld dat er onafhankelijke monitoring en evaluatie van de pilot plaatsvindt. Hiermee voldoe ik aan de motie van Buitenweg c.s. (Kamerstuk 31 753, nr. 164).

Strafrecht

De afgelopen maanden zijn verkennende gesprekken gevoerd over rechtsbijstand in het strafrecht en de opgave die er ligt voor de ontwikkeling van het nieuwe stelsel. Er is onder andere gesproken met de raad voor rechtsbijstand, de advocatuur, de politie, het Openbaar Ministerie, de Raad voor de rechtspraak en Slachtofferhulp Nederland. Deze verkenning geeft een nadere inkleuring van de ervaren knelpunten in het huidige stelsel. Ik ga hier in op de belangrijkste knelpunten en mijn beoogde aanpak voor de komende periode.

Scheefgroei werklast i.r.t. vergoedingen extra-urenzaken (EXU)

De verhoudingen tussen de (hoogte van de) vergoedingen en de uit te voeren werkzaamheden door de rechtsbijstandverleners in deelterreinen binnen het strafrecht zijn in de loop van de tijd scheef gegroeid. Bij strafzaken die door de meervoudige kamer worden behandeld is hier bijvoorbeeld sprake van (zo blijkt uit het rapport van de commissie-Van der Meer). Ook hebben ontwikkelingen in het strafrecht (zoals de invoering van het ZSM-piketproces) tot gevolg dat de financieringssystematiek niet altijd meer bij de werkprocedures aansluit. Een substantieel deel van de toegekende extra uren-vergoedingen is niet of onvoldoende op doelmatigheid te beoordelen.

Ik heb een adequate vergoedingensystematiek en reële vergoedingen voor rechtsbijstandverleners in het strafrecht voor ogen. De pilot van de raad voor Rechtsbijstand met een Commissie Extra Uren die momenteel loopt is een eerste stap. De uitkomsten zullen inbreng zijn voor een analyse naar de extra-urensystematiek. Dit is in lijn met adviezen van de commissies-Wolfsen en -Van der Meer. Dit moet leiden tot concrete verbetervoorstellen op het gebied van de drempel, doelmatigheid, beoordeling en transparantie van deze systematiek. De analyse kan begin 2020 starten, zodra de bevindingen van de Commissie Extra Uren beschikbaar zijn.

Piketsystematiek

Om ervoor te zorgen dat er in de eerste fase van het strafproces een advocaat voor verdachten beschikbaar is wordt er gewerkt met een piketsysteem. De huidige piketsystematiek werkt (roosteren, melden), maar wordt als omslachtig ervaren en heeft tekortkomingen. Hierbij kan worden gedacht aan de administratieve lasten rondom de indiening en/of registratie van declaraties. Ik wil kijken naar de mogelijkheden om te komen tot een (administratief) eenvoudig systeem van piket dat de beschikbaarheid/ bereikbaarheid van rechtsbijstandverleners in de «piketfase» waarborgt.

ZSM-proces

Steeds meer strafzaken worden afgedaan in het ZSM-werkproces. De mogelijkheden van rechtsbijstand in het ZSM-proces worden vergroot door middel van uitbreiding van consultatiebijstand aan de voorkant en het verzorgen van rechtsbijstand bij OM-strafbeschikkingen (afdoeningsbijstand) aan de achterkant. De werkwijze sluit aan op de regionale situatie en is daardoor niet overal in het land gelijk. De vergoedingensystematiek sluit in de praktijk nog onvoldoende aan op deze verschillende werkwijzen. Ik zie de pilot ZSM als een manier om te komen tot adequate rechtsbijstand voor rechtzoekende verdachten in het ZSM-proces en tot een vergoedingensystematiek die daarbij aansluit en waarmee de (financieel) administratieve lasten worden gereduceerd. Dit gaat volgordelijk: eerst intensivering van de rechtsbescherming (met bijbehorende vergoeding) en in aansluiting hierop de ontwikkeling van een passende vergoedingensystematiek. Over de voortgang van de intensivering van de rechtsbijstand in het ZSM-proces informeer ik u separaat.

De beoogde aanpak is gebaseerd op de uitgevoerde verkenningen waarbij ook de reeds uitgevoerde onderzoeken zijn betrokken. Deze aanpak is met partijen afzonderlijk besproken. Ik hecht veel waarde aan collectief draagvlak bij de te zetten vervolgstappen in deze gezamenlijke ontwikkelaanpak. Om dat te bereiken organiseer ik als volgende stap een expertsessie om met betrokken partijen deze beoogde aanpak te bespreken, te valideren en op onderdelen uit te werken. De focus voor de korte termijn ligt met deze beoogde aanpak op het oplossen van knelpunten, vergroten van de doelmatigheid en het realiseren van kwaliteitsverbeteringen in het huidige stelsel. De resultaten van bovengenoemde onderdelen van aanpak zijn ook bouwstenen voor het nieuwe stelsel.

Scheiden

Bij het uitwerken van de contouren heeft scheiden prioriteit. Een scheiding is een aangrijpende gebeurtenis voor alle betrokkenen en daarom willen we meer duurzame oplossingen ontwikkelen in de tweede lijn. Conform de contourennota van 9 november 2018 heb ik de raad voor rechtsbijstand verzocht om als experiment de eigen bijdragensystematiek in de subsidieregeling uitelkaar.nl meer afhankelijk te maken van de kosten van rechtsbijstand om zo de financiële afwegingsfunctie van de eigen bijdrage beter tot zijn recht te laten komen (Kamerstuk 31 753, nr. 155). De raad voor rechtsbijstand zal monitoren wat de impact hiervan is op het reguliere rechtsbijstandsaanbod en op mediation. De monitor zal ook de gevolgen voor het aantal gebruikers, de tevredenheid van de gebruikers en daarmee ook de duurzaamheid van de oplossing onderzoeken.

Samen met partijen zoals NOvA (advocatuur), MfN (mediators), vFas, VVCP (Vereniging van Collaborative Professionals), en Justice42 is gesproken over verschillende typen scheidingen en voor verschillende doelgroepen. Daarnaast is gesproken over mogelijke inrichting van pilots. Betrokken experts hechten waarde aan integrale oplossingen, complete en kwalitatief hoogwaardige dienstverlening, informatievoorziening aan de voorkant en de mogelijkheid om multidisciplinair te werken. Daarnaast is de vergoedingensystematiek in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand volgens experts niet passend bij de huidige werkwijze. Procederen op tegenspraak wordt het hoogst vergoed, terwijl scheidingen die via zogenoemde viergesprekken in goede banen worden geleid, worden afgestraft met een puntverlaging. Op het gebied van multidisciplinair werken en de vergoedingensystematiek zijn nieuwe pilots in ontwikkeling (zie bijlage 3).

BrandMR

Ik heb tijdens het Algemeen Overleg op 7 november jl. uw Kamer toegezegd dat ik u over de uitkomst van het gesprek met de NOvA over de loondienstmaatregel in verband met het initiatief BrandMR zal informeren.

BrandMR is een initiatief dat zich richt op een uit onderzoek gebleken behoefte onder mensen met een middeninkomen. Ik vind dit een interessant initiatief, juist omdat het zich richt op die groep van middeninkomens. BrandMR heeft zich met ingang van 1 oktober 2019 in de markt gezet met een on demand rechtsbijstand pakket met vooraf inzicht in dienstverlening en bijbehorende prijs door juristen en advocaten in loondienst. BrandMR loopt hierbij aan tegen de Verordening van de Advocatuur (VODA). Hierin is onder andere bepaald dat advocaten in loondienst in beginsel alleen werkzaam mogen zijn in een praktijkstructuur die voor het merendeel in eigendom is van advocaten. Bij BrandMR is dit niet het geval. De Haagse deken heeft BrandMR inmiddels aangekondigd dat hij de verordening zal handhaven.

In antwoord op Kamervragen van 21 oktober jl. van het lid van Wijngaarden naar aanleiding van berichtgeving over een nieuwe toetreder in de markt van juridische dienstverleners heb ik aangegeven dat kwaliteit voorop staat bij de toetreding van nieuwe aanbieders (Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 637). Laat ik voorop stellen dat de NOvA geen rol heeft bij de juristen die in dienst zijn van BrandMR. De NOvA heeft de bevoegdheid, als publiekrechtelijke beroepsorganisatie, om eisen te stellen aan de wijze waarop advocaten hun beroep uitoefenen. Het is dan nu ook in de eerste plaats aan de NOvA om te oordelen hoe haar verordening zich verhoudt tot het mededingingsrecht. Het gaat er immers om dat de toegang tot het recht ook voor de middeninkomens mogelijk wordt. Daarbij is van belang dat de verordening innovatie niet (onnodig) belemmert.

De NOvA heeft mij begin november aangegeven zich bewust te zijn van veranderende marktomstandigheden en zich verantwoordelijk te voelen om regels bij de tijd te houden en dat wordt gekeken naar nieuwe mogelijkheden voor dienstverlening. De NOvA heeft verder aangegeven dat regulering die met zijn tijd mee gaat met behoud van de kernwaarden het leidende principe is en heeft aangegeven mij hierover te informeren.

Ik heb op 25 november jl. met de NOvA over deze kwestie gesproken. De NOvA heeft mij wederom gezegd dat zij bewust zijn van veranderende marktomstandigheden. De NOvA voelt zich verantwoordelijk om regels bij de tijd te houden. Uitgangspunt bij elke beoordeling van nieuwe vormen van dienstverlening door advocaten is de vraag of die dienstverlening de toets aan de kernwaarden (onafhankelijkheid, integriteit, deskundigheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid) kan doorstaan. De NOvA heeft mij gezegd in een breder perspectief te zullen kijken naar het initiatief BrandMR. De NOvA heeft daarbij aangegeven geen ruimte te zien om dit initiatief bij wijze van experiment toe te staan. Daarvoor moet een juridische experimenteerbasis worden gecreëerd en dat is niet mogelijk op korte termijn, aldus de NOvA.

Samen met de leden van het topberaad, waaronder de NOvA, de MfN en het Verbond van Verzekeraars, acht ik het van groot belang dat de kwaliteit van nieuwe toetreders in het stelsel gewaarborgd is. Echter, tevens is van belang dat de kwaliteitseisen die in dat verband zijn gesteld passen binnen wet- en regelgeving en geen onnodige belemmeringen opleveren. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder, ACM, om zich een oordeel te vormen over de vraag of de loondienstmaatregel in de VODA in strijd is met het mededingingsrecht. BrandMR heeft bij brief van 14 november jl. de ACM gevraagd om een onderzoek te starten naar de loondienstmaatregel in de VODA, in overleg te treden met de NOvA en te interveniëren als de Haagse deken besluit stappen te nemen tegen BrandMR. Ik volg de ontwikkelingen op de voet.

Overige ontwikkelingen

Inning eigen bijdrage

Met de inning van de eigen bijdrage door de overheid wordt het mogelijk om een betalingsregeling af te spreken die gelijk is voor alle gebruikers van het stelsel.

Voor de inning van de eigen bijdrage door de overheid is door raad voor rechtsbijstand in samenwerking met het CJIB een uitvoeringstoets gedaan. De uitvoeringstoets laat zien dat de inning door de overheid naar schatting een structurele kostenpost voor inning en incasso betekent van circa 8 euro tot circa 10 euro per opgelegde eigen bijdrage. Daarnaast wordt rekening gehouden met niet inbare eigen bijdrage, waarbij een percentage is aangehouden van tussen de 16% tot 22% niet-inbare vorderingen van de opgelegde eigen bijdrage per jaar.

De uitvoeringstoets maakt duidelijk onder welke voorwaarden dit onderdeel van de stelselvernieuwing met voorrang kan worden opgepakt. Hierover ga ik met de raad voor rechtsbijstand in gesprek.

Raad van State

Naar aanleiding van mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg over rechtsbijstand van januari 2019 heb ik verkennende gesprekken met de Raad van State gevoerd. De Raad van State heeft in deze gesprekken aangegeven dat een voorlichting op de hoofdlijnen van het stelselontwerp niet lijkt aangewezen, omdat dat als risico heeft dat de voorlichting niet alle aspecten van de gevolgen van de voorziene stelselwijziging kan omvatten. Besproken is dat het daarom niet zinvol is om een voorlichting te vragen voordat de beleidsvoornemens en -aannames nader zijn uitgewerkt en de herijking meer tastbaar is geworden.

Besproken is dat de contouren van het stelsel, zoals die nu voorliggen, de komende tijd worden geconcretiseerd. Deze concretisering zal steeds plaatsvinden met hulp van professionals en op basis van onderzoek, beleidsverkenningen, business cases, pilots en experimenten. De uitkomsten daarvan leiden tot aanscherping van de aannames en uitgangspunten van de doorrekeningen. Dat zal er toe leiden dat voorlichtingsvragen helder worden. Zodra dit het geval is zal ik mij tot de Raad van State wenden. Vanzelfsprekend zullen de uitkomsten van de voorlichting meegenomen in het verdere proces.

De Raad van State heeft aangegeven dat de voorlichting alsdan kan variëren van een rechtstheoretische beschouwing tot een voorlichting op de uitvoerbaarheid, tot de effectiviteit of de haalbaarheid van het stelsel op onderdelen.

Hiermee heb ik een begin van uitvoering gemaakt met de toezegging aan uw Kamer om aan de hand van het uitvoeringsplan rechtsbijstand te bezien wat in aanmerking zou kunnen komen voor een voorlichtingsverzoek aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Tot slot

Met deze tweede voortgangsrapportage heb ik nader inzicht willen geven in de concrete stappen die worden gezet in de realisatie van het uitvoeringsplan voor de verbetering van het stelsel van rechtsbijstand. Ik heb toegezegd de Kamer periodiek te informeren en zal u in de zomer van 2020 mijn derde voortgangsrapportage sturen. De derde voortgangsrapportage zal ik vergezeld laten gaan van een midtermreview over het programma en een actualisering van de doorrekeningen van de maatregelen van de modernisering.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Deze regeling geldt ook voor Mfn-registermediators die op toevoegingsbasis werkzaamheden doen.

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
5

WRR rapport nr.97: Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid (2017).

X Noot
6

BOPZ zaken zijn buiten beschouwing gelaten.

X Noot
7

In een vrij invulveld kan een advocaat nog aanvullende informatie over de tegenpartij opgeven, maar dit gebeurt niet altijd en niet op een eenduidige manier.

X Noot
8

Er zijn circa 60.000 geregistreerde toevoegingen op gebied van asiel- en overig vreemdelingenrecht. Hiervan is door advocaten in 16.000 zaken aangegeven dat de IND de wederpartij is. Deze registratie is niet volledig omdat de IND niet apart als wederpartij hoeft te worden geregistreerd.

X Noot
9

De genoemde aantallen in deze alinea betreffen de aantallen afgegeven toevoegingen (afgerond) over 2018, gebaseerd op een handmatige telling door de Raad voor Rechtsbijstand.

X Noot
10

Het gaat dan om organisaties als Belastingdienst, CAK, CJIB, DUO, SVB en UWV.

X Noot
11

Commissie-Wolfsen, brief d.d. 30 november 2015, Kamerstuk 31 753, nr. 110; Commissie Van der Meer, brief d.d. 25 oktober 2017, Kamerstuk 31 753, nr. 142.

X Noot
12

Commissie-Wolfsen, brief d.d. 30 november 2015, Kamerstuk 31 753, nr. 110; Commissie Van der Meer, brief d.d. 25 oktober 2017, Kamerstuk 31 753, nr. 142; blz. 45, 107 en 136.

X Noot
13

Commissie-Wolfsen, brief d.d. 30 november 2015, Kamerstuk 31 753, nr. 110; Commissie Van der Meer, brief d.d. 25 oktober 2017, Kamerstuk 31 753, nr. 142.