Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331389 nr. 132

31 389 Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

Nr. 132 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 14 augustus 2013

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken hebben enkele fracties de behoefte enkele vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 10 juni 2013 houdende een reactie op de motie van de leden Ouwehand en Dekken over het verbod op ingrepen in de pluimveesector (Kamerstuk 31 389, nr.129) en over de brief van 19 juni 2013 over Uitkomsten van het Bestuurlijk overleg pluimveesector – ingrepen bij pluimvee (Kamerstuk 21 501-32, nr. 129)

De op 25 juni 2013 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de staatssecretaris bij brief van 12 augustus 2013 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Hamer

De Adjunct-griffier van de commissie, Peen

Inhoudsopgave

I

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

4

 

Vragen van de leden van de CDA-fractie

4

 

Vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie

7

 

Vragen van de leden van de SGP-fractie

8

 

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

9

     

II

Antwoord / Reactie van de staatssecretaris

11

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de staatssecretaris ten aanzien van de motie van de leden Ouwehand en Dekken over het verbod op ingrepen in de pluimveesector en de aanvullende brief van de staatssecretaris naar aanleiding van een brief van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders over het besluit. De leden van de VVD-fractie hebben daarbij de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de staatssecretaris besloten heeft na overleg met de sector de ingrepen zoals het snavelbehandelverbod ondanks eerdere afspraken versneld uit te faseren? De sector krijgt een paar jaar om alternatieven te onderzoeken. Kan de staatssecretaris toelichten waarom zij van mening is dat de sector hiermee voldoende tijd heeft om alternatieven te onderzoeken om te komen tot een pluimveehouderij zonder ingrepen terwijl de sector aangeeft dat dit geen realistische termijn is?

De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen eenvoudige oplossingen zijn om te stoppen met ingrepen die nu nog op pluimvee worden verricht. Het doel van deze ingrepen is om ernstig ongerief door verenpikkerij en tijdens het paren van ouderdieren in de huidige houderijsystemen te voorkomen. Deze leden vragen of het nemen van meerdere maatregelen op het gebied van huisvesting, management en fokkerij (het fokken van socialere kippen) voldoende is om deze risico’s te mitigeren en of we toch niet beter vast kunnen houden aan de oorspronkelijke afspraken? Welke overweging ligt ten grondslag om de ingreep van de achterste tenen bij moederdieren in de vleesvermeerdering wel te handhaven?

De leden van de VVD-fractie merken op dat er geen vergelijkbare eisen worden gesteld aan producten uit omringende landen zoals Duitsland en België. Daar blijft snavelbehandelen gewoon mogelijk. Deelt de staatssecretaris de opvatting van deze leden dat dit geen wenselijke ontwikkeling is aangezien hiermee de concurrentiepositie van de Nederlandse pluimveehouderij en het gelijke speelveld onevenredig wordt aangetast? Zo ja, kan de staatssecretaris toelichten hoe zij hiermee om wil gaan? De leden van de VVD-fractie zijn bang dat de economische en financiële achterstand van de Nederlandse pluimveehouderij nog groter wordt, doordat de huidige EU-maatregelen in andere landen niet of nauwelijks wordt gehandhaafd zoals bijvoorbeeld Spanje en Italië. De leden van de VVD-fractie vinden dan ook dat het voornemen van de staatssecretaris om te streven naar Europees verbod een mooi streven is maar niet haalbaar en niet realistisch. Zo heeft Nederland zich in juni vorig jaar onthouden van stemming in de Europese raad van landbouwministers omdat de nieuwe strategie voor dierenwelzijn niet ambitieus genoeg was. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de Europese lidstaten nu wel verder zouden willen gaan op het gebied van dierenwelzijn.

De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot grote economische gevolgen zowel voor de pluimveevleessector als de leghennensector. Kan de staatssecretaris toelichten wat de economische gevolgen voor de schakels in de pluimveevleesketen zijn (fokbedrijven met grootouderdieren en broederijen, opfok vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren (vermeerderaar), broederijen, vleeskuikenhouders en slachterijen)? Kan de staatssecretaris toelichten wat de economische gevolgen voor de schakels in de leghennensector zijn (fokbedrijven, bedrijven met legouderdieren, legbroederijen, opfok jonge hennen, leghennenhouders en eierpakstations)? Kan de staatssecretaris ook aangeven wat de economische gevolgen zijn voor de vaccinsector en vleeskalkoenen? De leden van de VVD-fractie zijn ook bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris ten koste gaat van de werkgelegenheid omdat de economische gevolgen groot zullen zijn en bedrijven zich gaan verplaatsen naar het buitenland waar wel ingrepen worden toegepast. Kan de staatssecretaris toelichten hoeveel banen per schakel in de pluimveevleesketen en in de leghennensector verloren zullen gaan als gevolg van dit besluit?

De leden van de VVD-fractie merken op dat de staatssecretaris een «quick scan» heeft laten uitvoeren door het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Deze quick scan laat zien welke economische gevolgen het verbod op ingrepen zal kunnen hebben op basis van aannames. De leden van de VVD-fractie zouden graag inzage hebben in de quick scan van het LEI. Is de staatssecretaris bereid om de quick scan alsnog naar de Kamer te sturen?

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot nadelige gevolgen voor onze export positie. Deze leden hebben dan ook twijfels over het voornemen van de staatssecretaris om een verbod in te stellen voor het houden van pluimvee met ingrepen. Nederland is koploper als het gaat om (de export van) pluimvee. Er wordt over meer dan 60 landen fokmateriaal aan eendagskuikens geëxporteerd. Deze afnemers vragen om behandelde dieren en deze afnemers zullen straks gedwongen worden op zoek te gaan naar andere leveranciers of in importerende landen worden dan alsnog de ingrepen door ondeskundigen uitgevoerd. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris weten wat precies de (financiële) gevolgen zijn voor de export van Nederland? Nederland staat nu nog op de tweede plaats als het gaat om de uitvoer van de agrarische producten. De leden van de VVD-fractie willen deze positie vasthouden, zeker in een tijd van economische crisis. Deze leden zijn bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot een afname van de export van agrarische producten. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij onze exportpositie gaat vasthouden als zij vasthoudt aan haar besluit?

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de Europese notificatieprocedure voor technische voorschriften. Kan deze procedure ingezet worden door een lidstaat voor nationale koppen op Europees beleid? En hoe staat deze procedure tot het Verdrag van Schengen dat regelt dat er vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen is in Europa? De leden van de VVD-fractie willen weten waarom de staatssecretaris niet overwogen heeft eerst het nieuwe EU-wetgevingskader voor dierenwelzijn af te wachten alvorens nationale koppen op het Europees beleid in Nederland door te voeren.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dit besluit niet bijdraagt aan de opdracht in het regeerakkoord om te komen tot lastenverlichting voor het bedrijfsleven. De sector wordt met dit besluit geconfronteerd met bovenwettelijke eisen ten aanzien van de Europese regelgeving. Deze leden willen van de staatssecretaris weten hoe zij de opdracht gaat uitvoeren om te komen tot lastenverlichting voor de pluimveesector in relatie tot haar voornemens om extra regels te stellen op het gebied van dierenwelzijn.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben instemming en enthousiasme kennis genomen van het besluit van de staatssecretaris om een aantal ingrepen bij pluimvee op den duur te verbieden.

De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen waarop ze de staatssecretaris verzoeken in te gaan.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris nader in te gaan op de omvang van de verbetering van het dierenwelzijn door het verbieden van de ingrepen.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd waarom er niet net als bij het snavelkappen voor wordt gekozen om al met ingang van 2018 in plaats van in 2021 het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen in de vleesvermeerdering te verbieden.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd welke acties de staatssecretaris zal ondernemen om tot alternatieven te komen voor het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de staatsecretaris om nader in te gaan op de wensen van de Nederlandse consument als het gaat om dierenwelzijn bij pluimvee en specifiek met betrekking tot de te verbieden ingrepen.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben procedurele en inhoudelijke vragen over de brief van de staatssecretaris van 9 juni 2013 «ingrepen pluimvee». Vervolgens heeft de staatssecretaris een tweede brief doen uitgaan op 19 juni 2013. De leden steunen het streven van de staatssecretaris om ingrepen bij pluimvee te voorkomen en zodoende het welzijn van kippen en kalkoenen te verbeteren. Met onderstaande vragen willen de leden ingaan op het proces en de onderbouwing van de in de brief voorgestelde wijzigingen van het ontwerpbesluit diergeneeskundigen.

Wat betreft het proces, in de brief van de staatssecretaris wordt gerefereerd aan de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 613). Deze motie is echter niet in stemming gebracht. Bedoelt de staatssecretaris niet de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 630), een wijziging van de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken?

In de brief haalt de staatssecretaris aan dat er overleg is geweest met de Stuurgroep ingrepen bij pluimvee. De leden van de CDA-fractie achten het van groot belang dat gezamenlijk met de Stuurgroep, waaraan de pluimveesector en de Dierenbescherming sinds 2006 deelnemen, een redelijke en economische haalbare oplossing wordt gevonden. Heeft de staatssecretaris de Stuurgroep betrokken bij het nemen van het voorgestelde besluit? Heeft de staatssecretaris met de Stuurgroep een overeenstemming kunnen bereiken over het door u voorgenomen besluit? Is de staatssecretaris voor de uitvoering van de wijzigingen die zij voorstelt in deze brief een plan van aanpak overeengekomen met de Stuurgroep?

De leden van de CDA-fractie zouden het betreuren als de Stuurgroep ingrepen pluimvee die zich al jaren inzet om tot een verantwoorde stop van ingrepen bij pluimvee te komen nu opeens voor een voldongen feit wordt gesteld. Vindt de staatssecretaris ook niet dat een voorstel om de vrijstelling op te heffen beter overeengekomen kan worden met de Stuurgroep die daarvoor is opgericht en zich daarvoor sinds 2006 intensief inspant? Vindt de staatssecretaris ook niet dat het wenselijk zou zijn om met de Stuurgroep tot een deugdelijk plan van aanpak te komen waarin er geen losse eindjes zijn betreffende wetenschappelijke haalbaarheid en waarin de economisch gevolgen worden meegewogen? Heeft de staatssecretaris gezamenlijk met de Stuurgroep naar een gedragen besluit gezocht waarin de economische gevolgen en haalbaarheid van onderzoeksinspanningen en andere maatregelen zijn meegewogen?

Uit de brief van 19 juni 2013 blijkt dat de staatssecretaris in gesprek is getreden met de sector op 17 juni 2013, nadat zij het voorgenomen besluit heeft kenbaar gemaakt aan de Kamer. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er in dat gesprek niet is gesproken over een stappenplan met eventuele financiële ondersteuning, noch dat de staatssecretaris daar andere toezeggingen heeft gedaan. Acht zij het niet verstandiger om met de sector tot goede afspraken te komen waarbij mogelijkheden van onderzoek- en andere maatregelen en economische gevolgen worden meegewogen? Vindt de staatssecretaris ook niet dat de Nederlandse sector pluimveesector en haar economische toegevoegde waarde voor Nederland behouden moet blijven?

Met de brief legt de staatssecretaris een wijziging voor van het ontwerpbesluit diergeneeskundigen. Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen is behandeld door de Tweede Kamer bij het notaoverleg in maart 2013. Waarom heeft de staatssecretaris de aanpassingen die zij in de onderhavige brief voorstelt niet betrokken in het ontwerpbesluit dat voorlag in maart 2013, gezien de motie waarop zij reageert dateert van juli 2012? Waarom is er haast geboden om deze aanpassingen aan het ontwerpbesluit Diergeneeskundigen in het voorliggende voorstel met spoed aan te brengen gezien de vrijstellingen voor de ingrepen volgens het voorstel over 18 maanden en voor snavelingrepen over 4,5 jaar worden opgeheven? Ligt de reden voor een snelle behandeling erin dat deze wijziging de inwerkingtreding van het besluit diergeneeskundigen in de weg zit? Waarom kunnen de in de brief voorgestelde aanpassingen aan het ontwerpbesluit Diergeneeskundigen niet gedaan worden nadat deze van kracht is en er een plan gereed is met haalbare onderzoeksvoorstellen om ingrepen bij pluimvee overbodig te maken?

Naast deze vragen over het gevolgde proces, hebben de leden van de CDA-fractie vraagtekens bij de inhoud van de brief van de staatssecretaris.

Het streven naar een situatie waarin ingrepen niet langer noodzakelijk zijn staat al geruime tijd hoog op de agenda en destijds is met de dierenbescherming en de pluimveehouderijsector overeengekomen om een verbod op ingrepen bij pluimvee in te laten gaan vanaf 2021 na een vrijstelling van 10 jaar. Zodoende werd de sector meer tijd gegeven om door middel van onderzoek en maatregelen ingrepen overbodig te maken. Dit besluit volgde uit de rapportage van de Stuurgroep van 2011 waarin werd aangegeven nog 5 jaar nodig te hebben voordat ingrepen voor het verwijderen van sporen en nog 10 jaar voor ingrepen van het inkorten van de snavel en het verwijderen van het achterste deel van de tenen van hanen. De in de brief voorgelegde opheffingen van de vrijstellingen verkorten de huidige vrijstellingsperiode met 1 jaar voor het verwijderen van sporen bij hanen in de vaccinssector, met vijf jaar voor het verwijderen van sporen en dubben van kammen, en met drie jaar voor snavelbehandeling.

De leden van de CDA-fractie vinden dat de opheffingen van de vrijstellingen zorgen voor rechtsonzekerheid bij de pluimveehouders. Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat pluimveehouders zich overgeleverd voelen aan de grillen van de politiek?

Bovendien vinden deze leden dat als tijdelijke besluiten worden gewijzigd, zoals in het voorgenomen besluit in de brief van 9 juni, er een goede onderbouwing dient te zijn. Echter, de wetenschappelijke haalbaarheid en economische gevolgen komen enkel summier aan bod in de brief. Uit de brief van de staatssecretaris van 19 juni 2013 blijkt eveneens dat de ingangsdatum, 01-01-2018, van het verbod op snavelingrepen enkel gebaseerd is op een politieke afweging zonder economische gevolgen en wetenschappelijke haalbaarheid mee te wegen. Vindt de staatssecretaris niet dat de onderzoeksmogelijkheden en economische gevolgen moeten worden betrokken in deze afweging?

Wat betreft de onderbouwing van het voorgenomen besluit, richten deze leden zich op het verkorten van de opheffing voor snavelbehandeling omdat de moeilijkst op te lossen en economisch ingrijpendste beslissing is. Wat betreft het nog plaats te hebben onderzoek, wordt in de brief volstaan met «het laatste vraagt een aantal jaren voordat resultaten geboekt kunnen worden». Zou een specifiekere uitleg gegeven kunnen worden over de onderzoeken die plaats gaan hebben en noodzakelijk zijn in deze «aantal jaren»? Heeft de staatssecretaris gegronde redenen voor de inkorting van de vrijstelling met drie jaar? Zijn er plannen voor gezamenlijke extra onderzoeksinspanningen om het opheffen van de ingreep bij snavels goed te laten verlopen? Zo ja, gaat de staatssecretaris hieraan financiële ondersteuning geven? Er zijn geen garanties dat de onderzoeken goede uitkomsten gaan hebben. Welke consequenties zijn er als er tegenvallers zijn bij het praktijkonderzoek en de fokkerijontwikkelingen?

Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat uit onderzoeken blijkt dat het percentage dood gepikte leghennen flink zal toenemen als de leghennen niet worden behandeld aan de snavel? Is zij bekend met de uitspraken van de heer Van Horne van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in de Gelderlander van 15-6-2013, die dit besluit afraad juist voor het welzijn van de kip? Heeft u uitvoerig contact gehad met de Dierenbescherming over het onderhavige besluit, aangezien de Dierenbescherming akkoord was met een vrijstelling tot 2021 omwille van het dierenwelzijn van de kip? Is de staatssecretaris bekend met het onderzoek in het kader van het Europese project Low Input Breeds waaruit naar voren kwam dat er in Nederland tweemaal zoveel biologische leghennen, die geen snavelbehandeling hebben gehad, prematuur dood gaan (12%) als vrije uitloop leggenhennen die wel behandeld zijn in Nederland (6,5%) en dat biologische leghennen in Frankrijk, waar een snavelbehandeling ook bij biologische pluimvee is toegestaan, een gelijke uitval (6%) vertonen als vrije uitloop leghennen met een snavelbehandeling (zie artikel in de Pluimveehouderij van 11 februari 2011)? Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat indien er geen grote vooruitgang wordt geboekt in het onderzoek om pikgedrag te voorkomen er grote risico’s zijn voor ernstige welvaartsaantasting van kippen?

Het bovenstaande meewegend, is de staatssecretaris voornemens om voor 2018 nog één of meerdere evaluatiemomenten met de pluimveesector en de Dierenbescherming in te stellen om de haalbaarheid van de datum 01-01-2018 en de voortgang van de ontwikkelingen te bepalen?

Daarnaast vrezen de leden van de CDA-fractie dat de opheffing van de vrijstellingen voor de ingrepen grote gevolgen kunnen hebben voor de concurrentiepositie van de Nederlandse pluimveesector in Europa. Als de opheffing van de vrijstelling op de snavelbehandeling versneld wordt doorgevoerd, zonder dat er nieuwe maatregelen of/en nieuwe vriendelijkere rassen voorhanden zijn, zou dat grote financiële gevolgen hebben voor vele ondernemende families in de Nederlandse pluimveesector. In de brief stelt de staatssecretaris dat het verbieden van ingrepen bij pluimvee gevolgen kan hebben voor de export van eendagskuikens als de afnemer in de ontvangende landen kippen wil waarbij ingrepen zijn toegepast. Uit de quick scan die de staatssecretaris heeft uit laten voeren door het LEI blijkt dat de staatssecretaris kennis heeft van de grote economische gevolgen van het intrekken van de vrijstelling voor snavelingrepen. Uit de quick scan van het LEI blijkt dat het voorgenomen besluit van haar brief van 9 juni jl. grote gevolgen heeft voor de pluimveesector. De kans is groot dat de helft van de sector zich naar het buitenland verplaatst wat een ramp is voor vele families in de pluimveesector, waardoor de Nederlandse economie tientallen miljoenen toegevoegde waarde verliest en er werkgelegenheid in het landelijk gebied verloren gaat. De leden van de CDA-fractie vinden dat dit voorkomen zou moeten worden.

Als het gevolg is dat ingrepen dan net over de grens plaatshebben voor de export, wat is dan de welzijnswinst van deze maatregel? Is de staatssecretaris zich bewust dat indien onbehandelde eendagskuikens dan alsnog worden behandeld aan hun snavel in het buitenland en dit dus later plaatsheeft en minder is voor het dierenwelzijn van het kuiken?

Kan de staatssecretaris een inschatting geven voor de gevolgen van het opheffen van de vrijstelling in het geval er geen nieuwe ontwikkelingen zijn voor 01-01-2018 betreffende de productieprijs van eieren? Wat betekent dit voor de concurrentiepositie van Nederlandse leghennenhouders van scharrel- en vrije uitloopeieren ten opzichte van leghennenouders uit andere Europese landen waar de leghennen wel een snavelbehandeling krijgen?

De leden van de CDA-fractie zien een tegenstelling in het belang dat de staatssecretaris hecht aan een snelle totstandkoming van de opheffing van de vrijstelling voor het verrichten van ingrepen bij pluimvee in Nederland en de toezegging die zij doet om een verbod op Europees niveau te gaan bepleiten, wat waarschijnlijk wel veel tijd gaat vergen. Voor de leden van de CDA-fractie is het heel belangrijk dat er een Europees gelijk speelveld is omdat er immers een gemeenschappelijke markt is voor landbouwproducten.

Zijn er voorbeelden waarbij nationale maatregelen zijn toegestaan die een belemmering zijn voor de intracommunautaire handel en die gericht zijn op dierenwelzijn zoals een verbod op de import van pluimvee met snavelbehandelingen? Hoe lang zou het duren om de Europese notificatieprocedure voor een Nederlands verbod op import van pluimvee met ingrepen te realiseren? Zijn er voorbeelden van nationale maatregelen waarbij het instellen van een dergelijk verbod niet was toegestaan? Hoe schat de staatssecretaris de realisatie van het positief verlopen van deze notificatieprocedure in? Hoe lang verwacht de staatssecretaris dat het gaat duren voordat er een dergelijk verbod is? Overweegt de staatssecretaris dan ook om producten van behandelde kippen (vlees en eieren) de lidstaten van de EU of uit derde landen te gaan weren op de Nederlandse markt?

De staatssecretaris zegt in de brief van 9 en 19 juni toe dat zij gaat pleiten voor een verbod op ingrepen bij pluimvee op Europees niveau. Hoe schat zij de haalbaarheid van dit verbod in? Wanneer zal dit verbod gerealiseerd worden? Weegt de staatssecretaris mee dat er momenteel al vervalsing is van de Europese concurrentie doordat in sommige Europese lidstaten er niet wordt opgetreden tegen het verbod op legbatterijen? Ten behoeve van de economische positie van de sector, is het niet beter als een opheffing van de vrijstelling gekoppeld wordt aan de invoering van een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee?

Vragen van de leden van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken over het verbod op ingrepen in de pluimveesector en de aanvullende brief over het bestuurlijk overleg met de pluimveesector. Genoemde leden hebben naar aanleiding hiervan nog een paar vragen en opmerkingen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hechten zeer aan het belang van een gelijk speelveld in Europa, waarbij Nederland als Europese koploper inzet op het verhogen van de Europese dierenwelzijnsstandaarden, zodat de Nederlandse prestaties algemene normen worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris hoe zij het vervroegen van het verbod op het behandelen van snavels van 2021 naar 2018 ziet in relatie tot haar inzet in Brussel voor een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee. Kan de staatssecretaris aangeven wat het traject en tijdspad is voor het nieuwe EU-wetgevingskader voor dierenwelzijn? En is de staatssecretaris bereid om het Nederlandse verbod in samenhang te blijven zien met het Europese traject dat zij voorstaat? Hoe wil de staatssecretaris voorkomen dat het uitblijven van een Europees gelijk speelveld leidt tot onevenredig grote nadelen voor de Nederlandse pluimveesector?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI) heeft becijferd dat het verbod op het behandelen van snavels mogelijke leidt tot economische schade van tientallen miljoenen euro’s per jaar. Zij vragen de staatssecretaris een appreciatie te geven van de onderzoeksresultaten van deze «quick scan». Is de staatssecretaris bereid om aanvullend onderzoek te laten verrichten door het LEI om de economische gevolgen van een verbod in 2015, 2018 en 2021 goed in kaart te laten brengen?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er momenteel nog geen effectief maatregelpakket is om verenpikkerij bij niet snavelbehandelde koppels te voorkomen. Zij vragen de staatssecretaris wanneer de voorgestelde toolkit van managementmaatregelen die stuurgroep gaat ontwikkelen gereed zal zijn. Genoemde leden vragen of het wel realistisch is om aan te nemen dat in relatief korte tijd effectieve maatregelen kunnen worden ontwikkeld?

Vragen van de leden van de SGP

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI) de mogelijke economische schade als gevolg van het versneld invoeren van het verbod op ingrepen in de pluimveehouderij in kaart heeft gebracht, maar dat dit rapport geheim is gehouden. Is dit juist? Zo ja, waarom moest dit rapport geheim blijven? Is de staatssecretaris bereid dit rapport openbaar te maken? Heeft zij de uitkomsten van deze analyse in haar overwegingen meegenomen?

De leden van de SGP-fractie vrezen grote welzijnsproblemen als het verbod op snavelbranden eerder ingevoerd wordt dan 2021. Via fokkerij en allerlei preventieve maatregelen kan de verenpikkerij teruggedrongen worden, maar er lopen nog allerlei onderzoeken die daarvoor van groot belang zijn. Invoering van het verbod per 2018 is daarom te snel. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken welke risico’s de Stuurgroep ziet bij versnelde invoering van het genoemde verbod? Is de veronderstelling juist dat de staatssecretaris in haar ethische afweging het achterwege blijven van de relatief pijnloze infraroodbehandeling zwaarder laat wegen dan de grote risico’s als gevolg van verenpikkerij? Is de staatssecretaris in ieder geval bereid eind 2016 een evaluatiemoment in te plannen om te kijken of de voortgang van fokkerij en van praktijkonderzoek rond preventieve maatregelen voldoende garanties biedt voor het voorkomen van grote welzijnsproblemen na invoering van het verbod? Is de staatssecretaris bereid, indien de uitkomst van de evaluatie negatief is, de versnelde invoering te heroverwegen?

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van de brief van de staatssecretaris aangaande de uitvoering van de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken waarin de regering verzocht wordt de vrijstelling van het verbod op ingrepen in de pluimveesector tot 2021 te herroepen en het verbod op 1 januari 2015 onherroepelijk van kracht te laten worden. Zij hebben hier nog enkele vragen over.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn verheugd dat de staatssecretaris mede met het oog op dierenwelzijn tot een pluimveehouderij zonder ingrepen wil komen. In de vee-industrie moeten kippen voor de laagst mogelijke kostprijs zo snel mogelijk groeien en zoveel mogelijk produceren. Dit gaat ten koste van het dierenwelzijn. Doordat er in overvolle stallen voor dieren niets te beleven is, lijden dieren aan stress en vertonen ze ernstig gestoord gedrag. Hierdoor worden dieronvriendelijke ingrepen zoals snavelkappen toegepast.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat hun aangenomen motie in ieder geval voor een deel wordt uitgevoerd. De overgangstermijn voor de pluimveesector zal verkort worden en niet meer tot 2021 duren. Zij merken op dat dit ook meer dan terecht is, aangezien het Ingrepenbesluit al in 1996 bekend was en vanaf 2001 de verboden tot op heden maar liefst drie maal uitgesteld zijn. De sector weet zodoende al meer dan zestien jaar dat er een verbod komt op de ingrepen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de opvallende traagheid van de sector om hun huisvestingsysteem, management en fokkerij aan te passen aan de nieuwe normen die zij al zestien jaar geleden kenden? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren het zeer dat dit verbod op ingrepen niet per 2015 zal gaan gelden voor het kappen van snavels bij kippen en kalkoenen en het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen, en dat deze sector daarmee een verdere verlenging van de overgangstermijn van drie jaar krijgt. Kan de staatssecretaris bevestigen dat een groot deel van de problemen in deze sector opgelost kan worden te investeren in kwaliteitsproductie door minder dieren te houden op hetzelfde oppervlak, door de dieren meer afleiding te geven en door ze uitloop naar buiten te bieden? Deelt zij de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een hogere percentage integraal duurzame stallen zou zijn gerealiseerd als de overheid het verbod op ingrepen niet telkens had uitgesteld? Zo nee, waarom niet? Op welke termijn en op welke wijze wil zij ervoor zorgen dat er geen huisvestingssystemen meer in Nederland bestaan waarbij het nodig is om delen van de te houden dieren af te knippen of weg te laseren om er dieren in te houden?

De staatssecretaris geeft aan dat er nog geen alternatief is voor het verwijderen van de achterste tenen bij hanen gezien de risico's voor moederdieren in de vleesvermeerdering. Aan welke criteria dienen de alternatieven voor het verwijderen van de achterste tenen bij hanen te voldoen volgens de staatssecretaris? Wat gaat zij doen om de sector haast te laten maken met het beëindigen van deze ingreep? Hoe beoordeelt de staatssecretaris de traagheid van de sector om met alternatieven te komen terwijl zij daarvoor meer dan zestien jaar de tijd hebben gekregen (in 1996 was bekend dat er een verbod op deze ingreep zou komen)?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat wederom wordt ingezet op een foktraject om een enkel onderdeel van het dier zo aan te passen dat het dier in de bestaande huisvestingssystemen gehouden kan worden. Deze leden wijzen erop dat dit al jaren de bestaande praktijk is, waarbij dieren selectief op een klein aantal eigenschappen worden geselecteerd, wat weer ten koste gaan van onder andere de weerbaarheid van dieren tegen ziekten. Deelt de staatssecretaris de mening dat het nu tijd is om de omstandigheden aan te passen aan de behoeften van het dier, en om uitsluitend robuuste rassen te fokken? Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat de fokkerij gericht moet zijn op het fokken van gezonde en weerbare kippen in plaats van een zo hoog mogelijke productie binnen de bestaande verouderde systemen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden dat kippen gehuisvest en verzorgd moeten worden in overeenstemming met hun aard en gedrag. Deelt de staatssecretaris de mening dat voor het welzijn van hennen, hanen en kalkoenen uitgegaan dient te worden van het soorteigen gedrag van de dieren? Uit diverse rapporten (WUR: Effect van bezettingsdichtheid op (de ontwikkeling van) het paargedrag en de technische resultaten bij vleeskuikenouderdieren, april 2011) is gebleken dat snavelpikken en kannibalisme een gevolg is van het niet kunnen uitvoeren van natuurlijk gedrag. Onder natuurlijk gedrag wordt scharrelen en het nemen van een stofbad verstaan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het uitvoeren van natuurlijk gedrag alleen maar mogelijk als pluimvee de mogelijkheid heeft tot een vrije uitloop. Erkent de staatssecretaris de conclusies van de Wageningen Universiteit (WUR) en welke consequenties verbindt zij hieraan? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennis genomen van het rapport «Van Kuiken tot Kip» wat in 2011 door de WUR is gepubliceerd. Hierin is weergegeven dat om pikkerij te voorkomen, afleiding moet worden gegeven door middel van een buitenuitloop. Is de staatssecretaris bereid om wettelijke eisen te stellen aan huisvesting door het invoeren van een vrije buitenuitloop voor pluimvee? Zo nee, waarom niet?

Is de staatssecretaris tevreden over de gangbare huisvestingssystemen voor kippen in de vee-industrie? Welke elementen van deze gangbare huisvestingssystemen vindt de staatssecretaris acceptabel en welke niet? Wat vindt de staatssecretaris ervan dat het fokprogramma in de legkippensector de afgelopen jaren gericht was op selectie van kippen die extreem veel eieren leggen? Hoe beoordeelt zij dit in het ligt van het dierenwelzijn? Deze leden ontvangen graag een reactie.

Naast het voorkomen van ongerief bij kippen om het welzijn te verbeteren, dienen kippen ook positief, natuurlijk gedrag te vertonen als welzijnsindicatie. Kan de staatssecretaris de leden van de Partij voor de Dieren-fractie een aantal voorbeelden geven van natuurlijk, positieve gedrag bij kippen in de vleeskuiken- en leghennenindustrie? Zo nee, hoe beoordeelt de staatssecretaris dit? Hoe beoordeelt de staatssecretaris bijvoorbeeld het feit dat de kippen in de intensieve veehouderij hun vleugels niet kunnen uitslaan omdat zij te dicht op elkaar leven? Is de staatssecretaris van mening dat de groepsgrootte van kippen moet worden beperkt? Zo ja, op welke manier zal zij er voor zorgen dat de kippenhouderij in snel tempo dusdanig wordt omgevormd dat er geen dieren meer gehouden worden in dergelijke stressvolle omstandigheden dat zij elkaar gaan verwonden?

Kan de staatssecretaris aangeven of het verwijderen van sporen bij hanen, het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen en het dubben van kammen bij hanen in bepaalde sectoren nog is toegestaan en zo ja in welke sectoren? Kan de staatssecretaris ook aangeven of er na 1 september 2018 nog snavels verwijderd zullen worden in Nederland?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat het verwijderen van de kammen van witbevederde hanen gewoon toegestaan blijft. De ingreep is niet ter voorkoming van ongerief in de stallen maar dient slechts ter identificatie. De redenering dat bepaalde ingrepen ter voorkoming van ongerief bij de kippen nog dienen te worden toegestaan gaat bij deze ingreep niet op. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat er geen argument bestaat dat deze verminking van het dier rechtvaardigt. Graag een reactie. Is de staatssecretaris voornemens om, eerder dan 2023 deze ingreep te verbieden? Zo nee, waarom niet, zo ja, op welke termijn?

Een veehouderij zonder ingrepen in 2023 is door de vorige staatssecretaris als één van de uitdagingen van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij genoemd. Wat is de visie van deze staatssecretaris hierover? Is zij van plan ervoor te zorgen dat er inderdaad voor 2023 geen dieronvriendelijke ingrepen meer zullen worden toegepast in de veehouderij en welke stappen gaat zijn zetten om dit te realiseren? Zal dit ook inhouden dat koeien hun horens mogen houden, en dat er hoge boetes worden opgelegd wanneer bij varkens staarten worden afgeknipt? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat dit laatste officieel al verboden is, maar dat dit verbod op grote schaal geschonden wordt. Wanneer zal de staatssecretaris de volledige naleving van de bestaande verboden met betrekking tot ingrepen in de veehouderij gaan afdwingen? Hoe gaat zij het verbod op ingrepen in de pluimveesector handhaven? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie willen graag van de staatssecretaris weten hoeveel controles op reeds verboden ingrepen in de veehouderij er het afgelopen jaar geweest zijn. Hoeveel overtredingen zijn er geconstateerd en welke maatregelen zijn genomen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn verheugd dat de staatssecretaris heeft toegezegd bij de EU te willen pleiten voor een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee, en willen graag geïnformeerd blijven over de voortgang van dit traject.

II ANTWOORD / REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Met deze brief reageer ik op de vragen en opmerkingen van de leden van enkele fracties betreffende de brieven die ik recentelijk naar uw Kamer heb gestuurd over mijn inzet voor wat betreft ingrepen bij pluimvee (Kamerstuk 31 389, nr. 129 en Kamerstuk 21 501-32 nr. 721).

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de staatssecretaris ten aanzien van de motie van de leden Ouwehand en Dekken over het verbod op ingrepen in de pluimveesector en de aanvullende brief van de staatssecretaris naar aanleiding van een brief van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders over het besluit. De leden van de VVD-fractie hebben daarbij de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de staatssecretaris besloten heeft na overleg met de sector de ingrepen zoals het snavelbehandelverbod ondanks eerdere afspraken versneld uit te faseren?

Zoals aangegeven in mijn brief van 9 juni jl. (Kamerstuk 31 389, nr. 129) vraagt de motie Ouwehand/Van Dekken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 630) om de vrijstelling van het verbod op ingrepen in de pluimveesector tot 2021 te herroepen en het verbod op 1 januari 2015 onherroepelijk van kracht te laten worden. Ik vind het van belang om te komen tot een diervriendelijke en economisch verantwoorde pluimveehouderij met in beginsel zo min mogelijk of geen ingrepen. Bij mijn besluit heb ik rekening gehouden met de resultaten van het bestuurlijke overleg met de pluimveesector en de Dierenbescherming op 13 maart jl. en 9 april jl. Daarbij heb ik de noodzaak om de risico’s op ernstige aantasting van het dierenwelzijn te beperken en de mogelijke economische gevolgen op basis van de quick-scan van het Landbouw Economisch Instituut meegewogen. Het verbod op het behandelen van de snavels wordt drie jaar eerder ingevoerd dan beoogd. Het verbod wordt van kracht per 1 september 2018. Deze fasering biedt de sector de komende vijf jaren de mogelijkheid zich voor te bereiden.

De sector krijgt een paar jaar om alternatieven te onderzoeken. Kan de staatssecretaris toelichten waarom zij van mening is dat de sector hiermee voldoende tijd heeft om alternatieven te onderzoeken om te komen tot een pluimveehouderij zonder ingrepen terwijl de sector aangeeft dat dit geen realistische termijn is?

De tot nu toe verkregen resultaten uit het onderzoek en uit de monitoring van koppels vleeskuikenmoederdieren en leghennen met hele snavels op praktijkbedrijven zijn dusdanig dat ik er vertrouwen in heb dat in de resterende periode tot september 2018 pluimveehouders voldoende gelegenheid krijgen om ervaring op te doen met onbehandelde koppels. In deze periode kunnen ze van elkaar leren en gebruik maken van de ervaring van voorloperbedrijven.

De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen eenvoudige oplossingen zijn om te stoppen met ingrepen die nu nog op pluimvee worden verricht. Het doel van deze ingrepen is om ernstig ongerief door verenpikkerij en tijdens het paren van ouderdieren in de huidige houderijsystemen te voorkomen. De leden vragen of het nemen van meerdere maatregelen op het gebied van huisvesting, management en fokkerij (het fokken van socialere kippen) voldoende is om deze risico’s te mitigeren en of we toch niet beter vast kunnen houden aan de oorspronkelijke afspraken?

Gelet op de ervaringen tot nu toe en na overleg met de Stuurgroep ingrepen in de pluimveehouderij heb ik er vertrouwen in dat de komende jaren door het treffen van managementmaatregelen op het terrein van afleidingsmateriaal, opfok, huisvesting, klimaat, voer en fokkerij onverantwoorde risico’s voor het dierenwelzijn kunnen worden voorkomen. Voorts kan het verbod op deze ingrepen ook economisch verantwoord worden ingevoerd.

Welke overweging ligt ten grondslag om de ingreep van de achterste tenen bij moederdieren in de vleesvermeerdering wel te handhaven?

Per 1 september 2021 wordt deze ingreep verboden bij het Besluit diergeneeskundigen, thans nog ontwerp, onder de Wet dieren. De pluimveesector en de fokkerij geven aan dat er op dit moment nog geen alternatief is voor deze ingreep. Er is een groot risico op ernstige welzijnsaantasting bij het paren voor ongeveer 5 miljoen moederdieren in de vleesvermeerderingsector indien de achterste tenen van de hanen intact zouden blijven. In de huidige situatie lopen deze moederdieren een groter risico op verwondingen tijdens het paren zonder deze ingreep. De bestaande vrijstellingstermijn (2021) voor deze beperkte groep dieren zal meer mogelijkheden bieden om tot alternatieve oplossingen te komen.

De leden van de VVD-fractie merken op dat er geen vergelijkbare eisen worden gesteld aan producten uit omringende landen zoals Duitsland en België. Daar blijft snavelbehandelen gewoon mogelijk. Deelt de staatssecretaris de opvatting van deze leden dat dit geen wenselijke ontwikkeling is aangezien hiermee de concurrentiepositie van de Nederlandse pluimveehouderij en het gelijke speelveld onevenredig wordt aangetast? Zo ja, kan de staatssecretaris toelichten hoe zij hiermee om wil gaan?

Er worden in steeds meer Europese landen eisen gesteld t.a.v. ingrepen. In Noord Europa is het behandelen van de snavels verboden in Finland, Zweden en Noorwegen. In Denemarken is de ingreep ook verboden, met een mogelijke uitzondering indien er problemen zijn. In Duitsland is de ingreep ook verboden, waarbij uitzonderingen mogelijk zijn indien de dierenarts in een verklaring de noodzaak van de ingreep aangeeft. In sommige Duitse deelstaten beperkt de overheid deze uitzonderingen sinds begin 2013. In Oostenrijk is de ingreep onder voorwaarden toegestaan, maar minder dan 5% van de hennen worden behandeld. Het Verenigd Koninkrijk heeft een verbod op de snavelbehandeling bij leghennen aangekondigd voor 2016. Omdat ik naar een gelijk Europees speelveld streef zal ik in de Landbouwraad pleiten voor een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee.

De leden van de VVD-fractie zijn bang dat de economische en financiële achterstand van de Nederlandse pluimveehouderij nog groter wordt, doordat de huidige EU-maatregelen in andere landen niet of nauwelijks wordt gehandhaafd zoals bijvoorbeeld Spanje en Italië. De leden van de VVD-fractie vinden dan ook dat het voornemen van de staatssecretaris om te streven naar Europees verbod een mooi streven is maar niet haalbaar en niet realistisch. Zo heeft Nederland zich in juni vorig jaar onthouden van stemming in de Europese raad van landbouwministers omdat de nieuwe strategie voor dierenwelzijn niet ambitieus genoeg was. De leden van de VVD-fractie vragen waarom de Europese lidstaten nu wel verder zouden willen gaan op het gebied van dierenwelzijn.

Nederland heeft in de Landbouwraad van juni vorig jaar gepleit voor een meer ambitieus dierenwelzijnsbeleid. Zoals ik in de beantwoording van de vorige vraag heb aangegeven zal ik pleiten voor een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee. In dat kader zal ik steun zoeken bij andere lidstaten.

Ik verwacht eventuele voorstellen van de Europese Commissie in het nieuw algemeen EU-wetgevingskader inzake dierenwelzijn op zijn vroegst in 2014. Mogelijk zal het een aantal jaren duren om een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee te kunnen implementeren.

De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot grote economische gevolgen zowel voor de pluimveevleessector als de leghennensector. Kan de staatssecretaris toelichten wat de economische gevolgen voor de schakels in de pluimveevleesketen zijn (fokbedrijven met grootouderdieren en broederijen, opfok vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren (vermeerderaar), broederijen, vleeskuikenhouders en slachterijen)? Kan de staatssecretaris toelichten wat de economische gevolgen voor de schakels in de leghennensector zijn (fokbedrijven, bedrijven met legouderdieren, legbroederijen, opfok jonge hennen, leghennenhouders en eierpakstations)? Kan de staatssecretaris ook aangeven wat de economische gevolgen zijn voor de vaccinsector en vleeskalkoenen?

De leden van de VVD-fractie zijn ook bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris ten koste gaat van de werkgelegenheid omdat de economische gevolgen groot zullen zijn en bedrijven zich gaan verplaatsen naar het buitenland waar wel ingrepen worden toegepast. Kan de staatssecretaris toelichten hoeveel banen per schakel in de pluimveevleesketen en in de leghennensector verloren zullen gaan als gevolg van dit besluit? De leden van de VVD-fractie merken op dat de staatssecretaris een «quick scan» heeft laten uitvoeren door het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Deze quick scan laat zien welke economische gevolgen het verbod op ingrepen zal kunnen hebben op basis van aannames. De leden van de VVD-fractie zouden graag inzage hebben in de quick scan van het LEI.

Is de staatssecretaris bereid om de quick scan alsnog naar de Kamer te sturen?

Met mijn brief van 19 juni jl. (Kamerstuk 21502–32, nr 721) heeft uw Kamer de quick scan ontvangen, die het Landbouw Economisch Instituut (LEI) op mijn verzoek heeft uitgevoerd. In deze quick scan worden de mogelijke economische gevolgen van het vervroegen van het ingrepenverbod naar 2015 geïnventariseerd op basis van aannames. Overigens zou een verbod in 2021, het jaar waarin in de oorspronkelijke plannen een verbod zou komen, ook leiden tot economische gevolgen voor de pluimveesector.

Voor de economische gevolgen voor de schakels in de pluimveevleesketen en in de leghennensector verwijs ik u naar de quick scan van het LEI. Dit geldt ook voor de gevolgen voor de werkgelegenheid. In de quick scan is een mogelijk houdverbod niet meegenomen.

De economische gevolgen voor de vaccinsector zijn niet becijferd door een gebrek aan kwantitatieve gegevens voor deze deelsector. Ook voor de vleeskalkoenensector ontbraken deze gegevens voor de quick-scan. Op basis van nadere informatie geeft het LEI aan dat de economische gevolgen van het ingrepenverbod voor de kalkoenensector als gevolg van extra uitval en een hoger voerverbruik door een slechtere bevedering voor de gehele sector € 2,3 miljoen per jaar bedragen.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot nadelige gevolgen voor onze export positie. Deze leden hebben dan ook twijfels over het voornemen van de staatssecretaris om een verbod in te stellen voor het houden van pluimvee met ingrepen. Nederland is koploper als het gaat om (de export van) pluimvee. Er wordt over meer dan 60 landen fokmateriaal aan eendagskuikens geëxporteerd. Deze afnemers vragen om behandelde dieren en deze afnemers zullen straks gedwongen worden op zoek te gaan naar andere leveranciers of in importerende landen worden dan alsnog de ingrepen door ondeskundigen uitgevoerd. De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris weten wat precies de (financiële) gevolgen zijn voor de export van Nederland? Nederland staat nu nog op de tweede plaats als het gaat om de uitvoer van de agrarische producten. De leden van de VVD-fractie willen deze positie vasthouden, zeker in een tijd van economische crisis. Deze leden zijn bezorgd dat het besluit van de staatssecretaris leidt tot een afname van de export van agrarische producten. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij onze exportpositie gaat vasthouden als zij vasthoudt aan haar besluit?

De gevolgen van het ingrepenverbod voor de export betreffen mogelijk de export van ouderdieren in de vleesvermeerdering en in mindere mate de legsector. De ontwikkelingen in de EU en in andere afzetlanden zullen de komende jaren bepalend zijn voor de bereidheid van buitenlandse afnemers om onbehandelde dieren te importeren uit Nederland. Voor een inschatting van de financiële gevolgen voor de export verwijs ik u naar de quick scan van het LEI.

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de Europese notificatieprocedure voor technische voorschriften. Kan deze procedure ingezet worden door een lidstaat voor nationale koppen op Europees beleid? En hoe staat deze procedure tot het Verdrag van Schengen dat regelt dat er vrij verkeer van kapitaal, goederen, diensten en personen is in Europa?

Nationale ontwerpmaatregelen met eisen aan goederen, zoals in casu (dieren worden gelijkgesteld aan goederen), en eisen aan elektronische diensten dienen voorafgaand aan hun inwerkingtreding in ontwerp aan de Europese Commissie te worden gemeld. Deze plicht vloeit voort uit richtlijn 98/34/EG, de zogenoemde notificatierichtlijn1. Deze richtlijn maakt preventieve controle mogelijk door de Europese Commissie op nationale regels die handelsbelemmerend kunnen zijn. Dit betreft dus ook nationale koppen op Europees beleid.

De notificatierichtlijn staat los van het Verdrag van Schengen en werkt onverkort.

De leden van de VVD-fractie willen weten waarom de staatssecretaris niet overwogen heeft eerst het nieuwe EU-wetgevingskader voor dierenwelzijn af te wachten alvorens nationale koppen op het Europees beleid in Nederland door te voeren.

Voor mijn overwegingen verwijs ik u naar de beantwoording van de eerste vraag van uw fractie.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dit besluit niet bijdraagt aan de opdracht in het regeerakkoord om te komen tot lastenverlichting voor het bedrijfsleven. De sector wordt met dit besluit geconfronteerd met bovenwettelijke eisen ten aanzien van de Europese regelgeving.

De leden van de VVD-fractie willen van de staatssecretaris weten hoe zij de opdracht gaat uitvoeren om te komen tot lastenverlichting voor de pluimveesector in relatie tot haar voornemens om extra regels te stellen op het gebied van dierenwelzijn.

Het verbod op ingrepen bij pluimvee zal geen stijging van de administratieve lasten veroorzaken. Ik ga er van uit dat de pluimveehouders hogere productiekosten als gevolg van het verbod steeds beter zullen beheersen door hun management. Naast de regelgeving ondersteun ik de pluimveesector om te investeren in nieuwe diervriendelijkere huisvestingssystemen.

Vragen van de leden van de PvdA fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming en enthousiasme kennis genomen van het besluit van de staatssecretaris om een aantal ingrepen bij pluimvee op den duur te verbieden. De leden van de PvdA-fractie hebben enkele vragen waarop ze de staatssecretaris verzoeken in te gaan. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de staatssecretaris nader in te gaan op de omvang van de verbetering van het dierenwelzijn door het verbieden van de ingrepen.

Door het verbieden van de ingrepen bij pluimvee wordt het ongerief door de ingreep zelf voorkomen. De dieren hebben geen chronische napijn, de tastzin van de dieren verbetert en ze kunnen gerichter pikken. Voor de verbetering van het dierenwelzijn van onbehandelde dieren in de productieperiode zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om risico’s op verenpikkerij en beschadiging van moederdieren te voorkomen. Daarbij gaat het om maatregelen op het gebied van afleidingsmateriaal, voeding, opfok, huisvesting, licht, klimaat en fokkerij. De belangrijkste ingreep, de snavelbehandeling, betreft ongeveer 54 miljoen hennen en hanen per jaar en bijna 2 miljoen kalkoenen.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd waarom er niet net als bij het snavelkappen voor wordt gekozen om al met ingang van 2018 in plaats van in 2021 het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen in de vleesvermeerdering te verbieden.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd welke acties de staatssecretaris zal ondernemen om tot alternatieven te komen voor het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen.

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van leden van de VVD fractie.

Daarnaast blijft in het kader van zijn plan van aanpak de Stuurgroep ingrepen bij pluimvee zoeken naar alternatieven voor deze ingreep en naar mogelijkheden om vermindering van het welzijn van moederdieren in de vermeerderingssector te voorkomen. Het feit dat er nog geen alternatief is voor deze ingreep is recentelijk gebleken bij een proef in het Verenigd Koninkrijk die vroegtijdig moest worden afgebroken vanwege onverantwoorde schade aan de hennen.

De leden van de PvdA-fractie vragen de staatsecretaris om nader in te gaan op de wensen van de Nederlandse consument als het gaat om dierenwelzijn bij pluimvee en specifiek met betrekking tot de te verbieden ingrepen.

De Nederlandse consumenten hebben in toenemende mate keuzemogelijkheden voor pluimveeproducten die met meer aandacht voor dierenwelzijn zijn geproduceerd. De aankopen van scharrel en vrije uitloop/biologische eieren bedragen circa 81% respectievelijk 11% van de totale aankopen. Het aandeel vrije uitloop/biologische eieren is de afgelopen jaren geleidelijk licht gestegen, mede onder invloed van het Beter Leven Kenmerk (BLK) van de Dierenbescherming. De aankopen van welzijnsvriendelijkere pluimveevleesproducten (scharrel, biologisch) zijn in 2012 volgens de Monitor Duurzaam Voedsel met 38% gestegen, maar maken circa 6% van de totale aankopen van pluimveevlees uit.

Op dit moment is de snavelbehandeling niet toegestaan voor leghennen in het 3 sterren segment van het Beter Leven Kenmerk. De Dierenbescherming is voornemens het achterwege laten van de snavelbehandeling ook op te nemen in de andere segmenten van het BLK.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben procedurele en inhoudelijke vragen over de brief van de staatssecretaris van 9 juni 2013 «ingrepen pluimvee». Vervolgens heeft de staatssecretaris een tweede brief doen uitgaan op 19 juni 2013. De leden steunen het streven van de staatssecretaris om ingrepen bij pluimvee te voorkomen en zodoende het welzijn van kippen en kalkoenen te verbeteren. Met onderstaande vragen willen de leden ingaan op het proces en de onderbouwing van de in de brief voorgestelde wijzigingen van het ontwerpbesluit diergeneeskundigen.

Wat betreft het proces, in de brief van de staatssecretaris wordt gerefereerd aan de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 613). Deze motie is echter niet in stemming gebracht. Bedoelt de staatssecretaris niet de motie van het lid Ouwehand (Kamerstuk 21 501-32, nr. 630), een wijziging van de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken?

De bedoelde motie, de motie van de leden Ouwehand/ Van Dekken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 613) dateert van 14 juni 2012. De stemming over de motie is aangehouden. Vervolgens is op 5 juli 2012 over een gewijzigde motie Ouwehand/ Van Dekken (Kamerstuk 21 501-32, nr. 630) gestemd. Deze motie is aangenomen. De brieven van 9 juni jl. en van 19 juni jl. hebben betrekking op de uitvoering van laatst genoemde motie.

In de brief haalt de staatssecretaris aan dat er overleg is geweest met de Stuurgroep ingrepen bij pluimvee. De leden van de CDA-fractie achten het van groot belang dat gezamenlijk met de Stuurgroep, waaraan de pluimveesector en de Dierenbescherming sinds 2006 deelnemen, een redelijke en economische haalbare oplossing wordt gevonden.

Heeft de staatssecretaris de Stuurgroep betrokken bij het nemen van het voorgestelde besluit?

Heeft de staatssecretaris met de Stuurgroep een overeenstemming kunnen bereiken over het door u voorgenomen besluit?

Is de staatssecretaris voor de uitvoering van de wijzigingen die zij voorstelt in deze brief een plan van aanpak overeengekomen met de Stuurgroep?

De leden van de CDA-fractie zouden het betreuren als de Stuurgroep ingrepen pluimvee die zich al jaren inzet om tot een verantwoorde stop van ingrepen bij pluimvee te komen nu opeens voor een voldongen feit wordt gesteld.

Vindt de staatssecretaris ook niet dat een voorstel om de vrijstelling op te heffen beter overeengekomen kan worden met de Stuurgroep die daarvoor is opgericht en zich daarvoor sinds 2006 intensief inspant?

Vindt de staatssecretaris ook niet dat het wenselijk zou zijn om met de Stuurgroep tot een deugdelijk plan van aanpak te komen waarin er geen losse eindjes zijn betreffende wetenschappelijke haalbaarheid en waarin de economisch gevolgen worden meegewogen? Heeft de staatssecretaris gezamenlijk met de Stuurgroep naar een gedragen besluit gezocht waarin de economische gevolgen en haalbaarheid van onderzoeksinspanningen en andere maatregelen zijn meegewogen?

Uit de brief van 19 juni 2013 blijkt dat de staatssecretaris in gesprek is getreden met de sector op 17 juni 2013, nadat zij het voorgenomen besluit heeft kenbaar gemaakt aan de Kamer. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er in dat gesprek niet is gesproken over een stappenplan met eventuele financiële ondersteuning, noch dat de staatssecretaris daar andere toezeggingen heeft gedaan. Acht zij het niet verstandiger om met de sector tot goede afspraken te komen waarbij mogelijkheden van onderzoek- en andere maatregelen en economische gevolgen worden meegewogen? Vindt de staatssecretaris ook niet dat de Nederlandse sector pluimveesector en haar economische toegevoegde waarde voor Nederland behouden moet blijven?

Ter voorbereiding van mijn besluit heb ik twee keer overleg gevoerd met de Stuurgroep ingrepen in de pluimveehouderij. De Stuurgroep kon zich, gegeven de door uw Kamer aangenomen motie, in hoofdlijnen vinden in de voorgestelde uitfasering van de ingrepen in de pluimveehouderij met de aantekening dat dit het maximaal haalbare is. In het bestuurlijk overleg met de Stuurgroep heb ik afgesproken dat de voortgang van de maatregelen om te komen tot het verantwoord stoppen met de snavelbehandeling, in 2017 wordt geëvalueerd. Bij de besluitvorming heb ik naast de aangenomen motie Ouwehand/Van Dekken, de risico’s voor ernstige aantasting van het dierenwelzijn door het achterwege laten van ingrepen en de economische gevolgen voor de pluimveeketen op basis van een quick-scan van het LEI meegewogen.

De Stuurgroep had op verzoek van mijn toenmalige ambtsvoorganger in 2012 een nieuw plan van aanpak opgesteld voor het uitfaseren van de ingrepen tot 2021. Dit plan van aanpak betreft acties op het gebied van onderzoek en kennisverspreiding om de pluimveehouders de nodige instrumenten te geven om te zijner tijd de ingrepen achterwege te kunnen laten zonder verslechtering van het dierenwelzijn. Op dit moment werkt de Stuurgroep aan een herziening van de acties in dit plan naar aanleiding van het besluit.

Met de brief legt de staatssecretaris een wijziging voor van het ontwerpbesluit diergeneeskundigen. Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen is behandeld door de Tweede Kamer bij het notaoverleg in maart 2013. Waarom heeft de staatssecretaris de aanpassingen die zij in de onderhavige brief voorstelt niet betrokken in het ontwerpbesluit dat voorlag in maart 2013, gezien de motie waarop zij reageert dateert van juli 2012?

Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen is opgesteld met inachtneming van de overgangstermijn in de Vrijstellingsregeling Dierenwelzijn, een termijn tot 2021. Het ontwerpbesluit is op dezelfde dag (14 juni 2012) als die van de indiening van de motie aan de Kamer aangeboden teneinde te voldoen aan de voorhangverplichting voorzien in artikel 10.10 van de Wet dieren.

Vervolgens is het overleg met de Kamer over het ontwerpbesluit en de motie gevoerd in het notaoverleg van 25 maart 2013 (Kamerstuk 31 389, nr. 125). In mijn brief van 21 maart 2013 (Kamerstuk 31 389, nr. 124) heb ik gemeld dat het bestuurlijk afstemmingsproces met de sector en de dierenbescherming over de uitvoering van de motie nog niet was afgerond en dat ik voor de zomer de Tweede Kamer zou informeren over mijn besluit.

Waarom is er haast geboden om deze aanpassingen aan het ontwerpbesluit Diergeneeskundigen in het voorliggende voorstel met spoed aan te brengen gezien de vrijstellingen voor de ingrepen volgens het voorstel over 18 maanden en voor snavelingrepen over 4,5 jaar worden opgeheven?

Ligt de reden voor een snelle behandeling erin dat deze wijziging de inwerkingtreding van het besluit diergeneeskundigen in de weg zit?

Waarom kunnen de in de brief voorgestelde aanpassingen aan het ontwerpbesluit Diergeneeskundigen niet gedaan worden nadat deze van kracht is en er een plan gereed is met haalbare onderzoeksvoorstellen om ingrepen bij pluimvee overbodig te maken?

Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen is gebaseerd op de Wet dieren. Deze wet, een samenhangend kader voor onderwerpen rond dieren die worden gehouden, is thans slechts in werking gesteld voor de onderwerpen diervoeders, diergeneesmiddelen en dierlijke producten. Ik hecht eraan dat ook voor de onderdelen dierenwelzijn en diergeneeskundigen de wet snel in werking kan worden gesteld. Dit is onder meer van belang voor de bestuurlijke boete op deze terreinen. Dat is de reden dat ik haast wil maken met de totstandkoming van het ontwerpbesluit diergeneeskundigen en het ontwerpbesluit houders van dieren.

Omdat de discussie over de termijn van de afbouw van ingrepen bij pluimvee vervolgens in het kader van de voorhang is gevoerd en de afspraken volgend op het notaoverleg konden worden gemaakt, heb ik er de voorkeur aan gegeven ook deze afspraken, nog hangende de voorhang van het ontwerpbesluit, mee te nemen in het ontwerpbesluit diergeneeskundigen als onderdeel en voortzetting van de «voorhang» van dat ontwerpbesluit.

Naast deze vragen over het gevolgde proces, hebben de leden van de CDA-fractie vraagtekens bij de inhoud van de brief van de staatssecretaris.

Het streven naar een situatie waarin ingrepen niet langer noodzakelijk zijn staat al geruime tijd hoog op de agenda en destijds is met de dierenbescherming en de pluimveehouderijsector overeengekomen om een verbod op ingrepen bij pluimvee in te laten gaan vanaf 2021 na een vrijstelling van 10 jaar. Zodoende werd de sector meer tijd gegeven om door middel van onderzoek en maatregelen ingrepen overbodig te maken. Dit besluit volgde uit de rapportage van de Stuurgroep van 2011 waarin werd aangegeven nog 5 jaar nodig te hebben voordat ingrepen voor het verwijderen van sporen en nog 10 jaar voor ingrepen van het inkorten van de snavel en het verwijderen van het achterste deel van de tenen van hanen. De in de brief voorgelegde opheffingen van de vrijstellingen verkorten de huidige vrijstellingsperiode met 1 jaar voor het verwijderen van sporen bij hanen in de vaccinssector, met vijf jaar voor het verwijderen van sporen en dubben van kammen, en met drie jaar voor snavelbehandeling.

De leden van de CDA-fractie vinden dat de opheffingen van de vrijstellingen zorgen voor rechtsonzekerheid bij de pluimveehouders. Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat pluimveehouders zich overgeleverd voelen aan de grillen van de politiek?

Bovendien vinden deze leden dat als tijdelijke besluiten worden gewijzigd, zoals in het voorgenomen besluit in de brief van 9 juni, er een goede onderbouwing dient te zijn. Echter, de wetenschappelijke haalbaarheid en economische gevolgen komen enkel summier aan bod in de brief. Uit de brief van de staatssecretaris van 19 juni 2013 blijkt eveneens dat de ingangsdatum, 01-01-2018, van het verbod op snavelingrepen enkel gebaseerd is op een politieke afweging zonder economische gevolgen en wetenschappelijke haalbaarheid mee te wegen. Vindt de staatssecretaris niet dat de onderzoeksmogelijkheden en economische gevolgen moeten worden betrokken in deze afweging?

Voor de overwegingen omtrent het besluit ten aanzien van het verbod op ingrepen bij pluimvee verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van de VVD fractie.

Wat betreft de onderbouwing van het voorgenomen besluit, richten deze leden zich op het verkorten van de opheffing voor snavelbehandeling omdat de moeilijkst op te lossen en economisch ingrijpendste beslissing is. Wat betreft het nog plaats te hebben onderzoek, wordt in de brief volstaan met «het laatste vraagt een aantal jaren voordat resultaten geboekt kunnen worden». Zou een specifiekere uitleg gegeven kunnen worden over de onderzoeken die plaats gaan hebben en noodzakelijk zijn in deze «aantal jaren»? Heeft de staatssecretaris gegronde redenen voor de inkorting van de vrijstelling met drie jaar? Zijn er plannen voor gezamenlijke extra onderzoeksinspanningen om het opheffen van de ingreep bij snavels goed te laten verlopen? Zo ja, gaat de staatssecretaris hieraan financiële ondersteuning geven? Er zijn geen garanties dat de onderzoeken goede uitkomsten gaan hebben. Welke consequenties zijn er als er tegenvallers zijn bij het praktijkonderzoek en de fokkerijontwikkelingen?

Zoals eerder aangegeven heeft de Stuurgroep een plan van aanpak opgesteld dat momenteel herzien wordt vanwege mijn besluit. Het doel van dit plan is dat de meeste ingrepen uitgefaseerd kunnen worden voor september 2018. Voorbeelden van acties in dit plan zijn waarnemingen bij onbehandelde praktijkkoppels van moederdieren en leghennen, definiëren van «best practices» om verenpikken en kannibalisme te voorkomen, onderzoek naar de ontwikkeling van pikgedrag en preventie in praktijkkoppels kalkoenen, en kennisverspreiding. Tot en met 2013 zijn afspraken gemaakt over de financiering van het onderzoek door de sector en de overheid in het kader van het topsectorbeleid. Over de financiering van het plan van aanpak vanaf 2014 voor wat betreft de bijdrage van de sector en die van de overheid zal de komende maanden meer duidelijkheid moeten komen.

De zin «het laatste vraagt een aantal jaren voordat resultaten geboekt kunnen worden» betreft de fokkerij van socialere kippen. De vooruitgang op dit gebied zal enige tijd kosten.

Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat uit onderzoeken blijkt dat het percentage dood gepikte leghennen flink zal toenemen als de leghennen niet worden behandeld aan de snavel?

Zonder aanvullende managementmaatregelen op het terrein van afleidingsmateriaal, veevoer, opfok, klimaat, huisvesting en fokkerij is er een risico dat de uitval zal toenemen. De komende jaren zijn de inspanningen van het pluimveebedrijfsleven erop gericht om de pluimveeketen voor te bereiden door onderzoek, monitoring van praktijkbedrijven met onbehandelde koppels dieren en verspreiding van kennis over managementmaatregelen waarmee ongewenste effecten kunnen worden voorkomen.

Ernstige pikkerij kan ook door stress of andere onvoorziene omstandigheden plotseling optreden. De pluimveehouders zijn verantwoordelijk om maatregelen te nemen om dit soort situaties zo veel mogelijk te voorkomen. Hiervoor wordt in opdracht van de Stuurgroep een «toolkit» ontwikkeld met mogelijke correctiemaatregelen bij ernstige pikkerij.

Is zij bekend met de uitspraken van de heer Van Horne van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) in de Gelderlander van 15-6-2013, die dit besluit afraad juist voor het welzijn van de kip?

Ja.

Heeft u uitvoerig contact gehad met de Dierenbescherming over het onderhavige besluit, aangezien de Dierenbescherming akkoord was met een vrijstelling tot 2021 omwille van het dierenwelzijn van de kip?

De Dierenbescherming is een volwaardige deelnemer in de Stuurgroep. De Dierenbescherming kan instemmen met een verbod op de snavelbehandeling in 2018 indien een goede managementstrategie beschikbaar is om schade door pikkerij te voorkomen alsmede een «toolkit» van maatregelen die ingezet kunnen worden bij ernstige pikkerij.

Is de staatssecretaris bekend met het onderzoek in het kader van het Europese project Low Input Breeds waaruit naar voren kwam dat er in Nederland tweemaal zoveel biologische leghennen, die geen snavelbehandeling hebben gehad, prematuur dood gaan (12%) als vrije uitloop leggenhennen die wel behandeld zijn in Nederland (6,5%) en dat biologische leghennen in Frankrijk, waar een snavelbehandeling ook bij biologisch pluimvee is toegestaan, een gelijke uitval (6%) vertonen als vrije uitloop leghennen met een snavelbehandeling (zie artikel in de Pluimveehouderij van 11 februari 2011)?

Ja. Volgens resultaten van de online managementprogramma LegManager (artikel in de Pluimveehouderij van 11 mei 2012) is het uitvalpercentage in 2011 flink gedaald bij de gevolgde koppels biologische kippen (waar de snavels heel blijven) in Nederland. De uitval (10,5%) was in dat jaar lager dan de uitval in reguliere pluimveebedrijven met buitenuitloop en snavelbehandelde hennen (12,1%).

Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat indien er geen grote vooruitgang wordt geboekt in het onderzoek om pikgedrag te voorkomen er grote risico’s zijn voor ernstige welvaartsaantasting van kippen?

Het bovenstaande meewegend, is de staatssecretaris voornemens om voor 2018 nog één of meerdere evaluatiemomenten met de pluimveesector en de Dierenbescherming in te stellen om de haalbaarheid van de datum 01-01-2018 en de voortgang van de ontwikkelingen te bepalen?

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van deze fractie.

Daarnaast vrezen de leden van de CDA-fractie dat de opheffing van de vrijstellingen voor de ingrepen grote gevolgen kunnen hebben voor de concurrentiepositie van de Nederlandse pluimveesector in Europa. Als de opheffing van de vrijstelling op de snavelbehandeling versneld wordt doorgevoerd, zonder dat er nieuwe maatregelen of/en nieuwe vriendelijkere rassen voorhanden zijn, zou dat grote financiële gevolgen hebben voor vele ondernemende families in de Nederlandse pluimveesector. In de brief stelt de staatssecretaris dat het verbieden van ingrepen bij pluimvee gevolgen kan hebben voor de export van eendagskuikens als de afnemer in de ontvangende landen kippen wil waarbij ingrepen zijn toegepast. Uit de quick scan die de staatssecretaris heeft uit laten voeren door het LEI blijkt dat de staatssecretaris kennis heeft van de grote economische gevolgen van het intrekken van de vrijstelling voor snavelingrepen. Uit de quick scan van het LEI blijkt dat het voorgenomen besluit van haar brief van 9 juni jl. grote gevolgen heeft voor de pluimveesector. De kans is groot dat de helft van de sector zich naar het buitenland verplaatst wat een ramp is voor vele families in de pluimveesector, waardoor de Nederlandse economie tientallen miljoenen toegevoegde waarde verliest en er werkgelegenheid in het landelijk gebied verloren gaat. De leden van de CDA-fractie vinden dat dit voorkomen zou moeten worden.

Als het gevolg is dat ingrepen dan net over de grens plaatshebben voor de export, wat is dan de welzijnswinst van deze maatregel?

Is de staatssecretaris zich bewust dat indien onbehandelde eendagskuikens dan alsnog worden behandeld aan hun snavel in het buitenland en dit dus later plaatsheeft en minder is voor het dierenwelzijn van het kuiken?

Zie mijn antwoord op vragen van de leden van de VVD fractie.

Kan de staatssecretaris een inschatting geven voor de gevolgen van het opheffen van de vrijstelling in het geval er geen nieuwe ontwikkelingen zijn voor 01-01-2018 betreffende de productieprijs van eieren? Wat betekent dit voor de concurrentiepositie van Nederlandse leghennenhouders van scharrel- en vrije uitloopeieren ten opzichte van leghennenouders uit andere Europese landen waar de leghennen wel een snavelbehandeling krijgen?

In de quick scan van het LEI worden de extra kosten als gevolg van extra uitval, slechtere productieresultaten en hoger voerverbruik bij achterwege laten van de snavelbehandeling geschat op 0.65 euro per henplaats per jaar in de vermeerderingsector en op 0.15 euro per henplaats per jaar in de legsector. Door de verbetering van het management en de opfok en door ontwikkelingen in de fokkerij kan een afname van deze extra kosten worden verwacht.

De leden van de CDA-fractie zien een tegenstelling in het belang dat de staatssecretaris hecht aan een snelle totstandkoming van de opheffing van de vrijstelling voor het verrichten van ingrepen bij pluimvee in Nederland en de toezegging die zij doet om een verbod op Europees niveau te gaan bepleiten, wat waarschijnlijk wel veel tijd gaat vergen. Voor de leden van de CDA-fractie is het heel belangrijk dat er een Europees gelijk speelveld is omdat er immers een gemeenschappelijke markt is voor landbouwproducten.

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie. Het gaat hier om een besluit uit 1996 waarvan de meest recente verlenging (met 10 jaar) verkort wordt met 3 jaar. Omdat een Europees gelijk speelveld mijn voorkeur heeft ga ik pleiten voor een Europees verbod.

Zijn er voorbeelden waarbij nationale maatregelen zijn toegestaan die een belemmering zijn voor de intracommunautaire handel en die gericht zijn op dierenwelzijn zoals een verbod op de import van pluimvee met snavelbehandelingen? Hoe lang zou het duren om de Europese notificatieprocedure voor een Nederlands verbod op import van pluimvee met ingrepen te realiseren? Zijn er voorbeelden van nationale maatregelen waarbij het instellen van een dergelijk verbod niet was toegestaan?

Mij zijn geen zodanige maatregelen of voorbeelden bekend van nationale toegestane maatregelen die een belemmering zijn voor de intracommunautaire handel en die gericht zijn op dierenwelzijn. Ik wil u er op wijzen dat ik niet pleit voor een importverbod. Voor zo ver pluimvee wordt gehouden voor productiedoeleinden, zal ik het houden van die dieren verbieden als daarbij ingrepen zijn verricht die in Nederland niet zijn toegestaan.

Hoe schat de staatssecretaris de realisatie van het positief verlopen van deze notificatieprocedure in? Hoe lang verwacht de staatssecretaris dat het gaat duren voordat er een dergelijk verbod is?

De notificatieprocedure betreffende een ontwerp van een besluit neemt ten minste drie maanden in beslag, gedurende welke periode de Europese Commissie en de lidstaten opmerkingen kunnen maken. Indien een uitvoerig gemotiveerde mening (UGM) wordt ingediend, wordt de »standstill»-termijn bij goederen verlengd tot in totaal zes maanden. Indien de Europese Commissie een voorstel ter zake van de materie doet of het voornemen daartoe aankondigt, geldt een «standstill»-termijn van twaalf maanden; de termijn is achttien maanden indien de Raad van Ministers een gemeenschappelijk standpunt aanneemt.

Een garantie op een positieve uitslag kan ik uiteraard niet geven.

Overweegt de staatssecretaris dan ook om producten van behandelde kippen (vlees en eieren) uit de lidstaten van de EU of uit derde landen te gaan weren op de Nederlandse markt?

Nee, daarop gerichte maatregelen overweeg ik niet.

De staatssecretaris zegt in de brief van 9 en 19 juni toe dat zij gaat pleiten voor een verbod op ingrepen bij pluimvee op Europees niveau. Hoe schat zij de haalbaarheid van dit verbod in? Wanneer zal dit verbod gerealiseerd worden?

Het realiseren van een verbod op ingrepen bij pluimvee op Europees niveau is een uitdaging die ik graag wil aangaan.

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie.

Weegt de staatssecretaris mee dat er momenteel al vervalsing is van de Europese concurrentie doordat in sommige Europese lidstaten er niet wordt opgetreden tegen het verbod op legbatterijen?

In alle Europese lidstaten is of wordt opgetreden tegen overtreding van het verbod op legbatterijen. Er zijn twee lidstaten waartegen de Europese Commissie een inbreukprocedure heeft lopen.

Ten behoeve van de economische positie van de sector, is het niet beter als een opheffing van de vrijstelling gekoppeld wordt aan de invoering van een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee?

De beslissing om deze ingrepen eenzijdig te verbieden in Nederland is al in 1996 genomen. Ik acht het uit dierwelzijnsoogpunt niet gewenst om het stoppen in Nederland met deze ingrepen afhankelijk te maken van het mogelijk instellen van een Europees verbod. Met mijn besluit geef ik uitvoering aan de motie Ouwehand/Van Dekken.

Vragen van de leden van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken over het verbod op ingrepen in de pluimveesector en de aanvullende brief over het bestuurlijk overleg met de pluimveesector. Genoemde leden hebben naar aanleiding hiervan nog een paar vragen en opmerkingen. De leden van de ChristenUnie-fractie hechten zeer aan het belang van een gelijk speelveld in Europa, waarbij Nederland als Europese koploper inzet op het verhogen van de Europese dierenwelzijnsstandaarden, zodat de Nederlandse prestaties algemene normen worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris hoe zij het vervroegen van het verbod op het behandelen van snavels van 2021 naar 2018 ziet in relatie tot haar inzet in Brussel voor een Europees verbod op ingrepen bij pluimvee. Kan de staatssecretaris aangeven wat het traject en tijdspad is voor het nieuwe EU-wetgevingskader voor dierenwelzijn?

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie.

En is de staatssecretaris bereid om het Nederlandse verbod in samenhang te blijven zien met het Europese traject dat zij voorstaat? Hoe wil de staatssecretaris voorkomen dat het uitblijven van een Europees gelijk speelveld leidt tot onevenredig grote nadelen voor de Nederlandse pluimveesector?

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI) heeft becijferd dat het verbod op het behandelen van snavels mogelijk leidt tot economische schade van tientallen miljoenen euro’s per jaar. Zij vragen de staatssecretaris een appreciatie te geven van de onderzoeksresultaten van deze «quick scan».

Is de staatssecretaris bereid om aanvullend onderzoek te laten verrichten door het LEI om de economische gevolgen van een verbod in 2015, 2018 en 2021 goed in kaart te laten brengen?

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie. Ik zie geen meerwaarde in het laten verrichten van aanvullend onderzoek door het LEI.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er momenteel nog geen effectief maatregelpakket is om verenpikkerij bij niet snavelbehandelde koppels te voorkomen. Zij vragen de staatssecretaris wanneer de voorgestelde toolkit van managementmaatregelen die stuurgroep gaat ontwikkelen gereed zal zijn. Genoemde leden vragen of het wel realistisch is om aan te nemen dat in relatief korte tijd effectieve maatregelen kunnen worden ontwikkeld?

De Stuurgroep heeft al veel onderzoek laten doen sinds 2006. De inzet is om preventieve maatregelen en correctiemaatregelen klaar te hebben voordat het ingrepenverbod ingaat. Ik vind het wenselijk dat (preventieve) maatregelen tijdig klaar zijn om praktijkbedrijven te stimuleren alvast ervaring op te doen met koppels zonder ingrepen.

Vragen van de leden van de SGP

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat het Landbouw Economisch Instituut (LEI) de mogelijke economische schade als gevolg van het versneld invoeren van het verbod op ingrepen in de pluimveehouderij in kaart heeft gebracht, maar dat dit rapport geheim is gehouden. Is dit juist? Zo ja, waarom moest dit rapport geheim blijven? Is de staatssecretaris bereid dit rapport openbaar te maken? Heeft zij de uitkomsten van deze analyse in haar overwegingen meegenomen?

Zoals aangegeven in mijn antwoorden op een soortgelijke vraag van de leden van de VVD fractie heeft uw Kamer met mijn brief van 19 juni jl. de quick scan ontvangen die het LEI op mijn verzoek heeft uitgevoerd. In deze brief leg ik uit dat dit verzoek aan het LEI is gedaan om de besluitvorming inzake ingrepen te ondersteunen en de economische gevolgen van een verbod van de ingrepen per 2015 in kaart te laten brengen. Dit tegen de achtergrond dat met grote regelmaat in het kader van «kennis voor beleid» aan Wageningen Universiteit en Researchcentrum om informatie wordt gevraagd ter ondersteuning van de

besluitvoorbereiding. Deze quick scan is zoals gebruikelijk niet gepubliceerd, maar op verzoek naar de Stuurgroep Ingrepen bij pluimvee gestuurd. Zoals ook het LEI zelf aangeeft, geeft het document bouwstenen voor het Ministerie van Economische Zaken en is dus niet geschreven als een zelfstandig onderzoek.

De leden van de SGP-fractie vrezen grote welzijnsproblemen als het verbod op snavelbranden eerder ingevoerd wordt dan 2021. Via fokkerij en allerlei preventieve maatregelen kan de verenpikkerij teruggedrongen worden, maar er lopen nog allerlei onderzoeken die daarvoor van groot belang zijn. Invoering van het verbod per 2018 is daarom te snel. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken welke risico’s de Stuurgroep ziet bij versnelde invoering van het genoemde verbod? Is de veronderstelling juist dat de staatssecretaris in haar ethische afweging het achterwege blijven van de relatief pijnloze infraroodbehandeling zwaarder laat wegen dan de grote risico’s als gevolg van verenpikkerij?

Voor mijn overwegingen ten aanzien van de invoering van het verbod in 2018 verwijs ik naar mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de VVD fractie. De risico’s van een versnelde invoering van het verbod op snavelbehandeling heb ik in mijn brief van 9 juni jl. uiteengezet. Het gaat om het risico van ernstige verenpikkerij bij niet snavelbehandelde koppels, met als mogelijk gevolg hogere uitval en kannibalisme. De Stuurgroep ingrepen bij pluimvee zal een «toolkit» van correctiemaatregelen die ingezet kunnen worden in dergelijke situaties, laten ontwikkelen.

Is de staatssecretaris in ieder geval bereid eind 2016 een evaluatiemoment in te plannen om te kijken of de voortgang van fokkerij en van praktijkonderzoek rond preventieve maatregelen voldoende garanties biedt voor het voorkomen van grote welzijnsproblemen na invoering van het verbod? Is de staatssecretaris bereid, indien de uitkomst van de evaluatie negatief is, de versnelde invoering te heroverwegen?

Zie mijn antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de CDA fractie.

Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van de brief van de staatssecretaris aangaande de uitvoering van de motie van de leden Ouwehand en Van Dekken waarin de regering verzocht wordt de vrijstelling van het verbod op ingrepen in de pluimveesector tot 2021 te herroepen en het verbod op 1 januari 2015 onherroepelijk van kracht te laten worden. Zij hebben hier nog enkele vragen over.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn verheugd dat de staatssecretaris mede met het oog op dierenwelzijn tot een pluimveehouderij zonder ingrepen wil komen. In de vee-industrie moeten kippen voor de laagst mogelijke kostprijs zo snel mogelijk groeien en zoveel mogelijk produceren. Dit gaat ten koste van het dierenwelzijn. Doordat er in overvolle stallen voor dieren niets te beleven is, lijden dieren aan stress en vertonen ze ernstig gestoord gedrag. Hierdoor worden dieronvriendelijke ingrepen zoals snavelkappen toegepast.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat hun aangenomen motie in ieder geval voor een deel wordt uitgevoerd. De overgangstermijn voor de pluimveesector zal verkort worden en niet meer tot 2021 duren. Zij merken op dat dit ook meer dan terecht is, aangezien het Ingrepenbesluit al in 1996 bekend was en vanaf 2001 de verboden tot op heden maar liefst drie maal uitgesteld zijn. De sector weet zodoende al meer dan zestien jaar dat er een verbod komt op de ingrepen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de opvallende traagheid van de sector om hun huisvestingsysteem, management en fokkerij aan te passen aan de nieuwe normen die zij al zestien jaar geleden kenden?

Op verzoek van de Stuurgroep ingrepen bij pluimvee is al veel onderzoek gedaan. Er loopt nog steeds onderzoek, het gaat nu vooral om waarnemingen bij onbehandelde koppels op praktijkbedrijven. De verenpikkerij is een multifactorieel probleem gebleken waarvoor geen eenvoudige oplossingen bestaan die niet leiden tot grote welzijnsaantasting van dieren in de productiefase.

Verder zijn de fokkerij organisaties al een aantal jaren bezig met het fokken van socialere kippen. Ze geven aan dat de vooruitgang op dit aspect langzaam gaat en nog jaren vraagt.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren het zeer dat dit verbod op ingrepen niet per 2015 zal gaan gelden voor het kappen van snavels bij kippen en kalkoenen en het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen, en dat deze sector daarmee een verdere verlenging van de overgangstermijn van drie jaar krijgt. Kan de staatssecretaris bevestigen dat een groot deel van de problemen in deze sector opgelost kan worden door te investeren in kwaliteitsproductie door minder dieren te houden op hetzelfde oppervlak, door de dieren meer afleiding te geven en door ze uitloop naar buiten te bieden?

Deelt zij de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een hogere percentage integraal duurzame stallen zou zijn gerealiseerd als de overheid het verbod op ingrepen niet telkens had uitgesteld? Zo nee, waarom niet?

Naast stalmaatregelen zijn managementmaatregelen van doorslaggevend belang om risico’s op ernstig ongerief door verenpikkerij en tijdens het paren van ouderdieren te voorkomen. Bij managementmaatregelen gaat het om een combinatie van onder andere de kwaliteit van de opfok, voeding, voldoende afleidingsmateriaal, klimaat en licht in de stal en fokkerij (socialere dieren). Deze maatregelen zijn nodig voor de pluimveehouders om op een verantwoorde manier te komen tot een houderij zonder ingrepen. Naast dierenwelzijn gaat het bij integraal duurzame stallen ook om een verbetering van andere houderijaspecten zoals milieu (ammoniak, fijnstof), energieverbruik, diergezondheid en inpassing in het landelijk gebied.

Op welke termijn en op welke wijze wil zij ervoor zorgen dat er geen huisvestingssystemen meer in Nederland bestaan waarbij het nodig is om delen van de te houden dieren af te knippen of weg te laseren om er dieren in te houden?

Zoals ik in mijn brief van 9 juni jl. (Kamerstuk 31 389 nr 129) heb aangegeven is mijn voornemen dat per 1 september 2018 geen ingrepen bij pluimvee meer zijn toegestaan met uitzondering van het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen in de vleesvermeerdering. Daarnaast zal ik een verbod voorbereiden op het houden van pluimvee als op dat pluimvee ingrepen zijn verricht die in Nederland niet zijn toegestaan. Het voornemen daartoe zal dienen te worden genotificeerd als technisch voorschrift. Indien deze procedure in positieve zin zal kunnen worden afgerond, zal een dergelijk verbod kunnen worden geïmplementeerd.

De staatssecretaris geeft aan dat er nog geen alternatief is voor het verwijderen van de achterste tenen bij hanen gezien de risico's voor moederdieren in de vleesvermeerdering. Aan welke criteria dienen de alternatieven voor het verwijderen van de achterste tenen bij hanen te voldoen volgens de staatssecretaris? Wat gaat zij doen om de sector haast te laten maken met het beëindigen van deze ingreep?

De alternatieven voor het verwijderen van de achterste tenen bij hanen in de vleesvermeerdering moeten voorkomen dat het verenkleed en de huid van de moederdieren meer schade ondervinden van het paren dan nu het geval is. Ik heb er alle vertrouwen in dat de Stuurgroep hier serieus mee aan het werk gaat.

Hoe beoordeelt de staatssecretaris de traagheid van de sector om met alternatieven te komen terwijl zij daarvoor meer dan zestien jaar de tijd hebben gekregen (in 1996 was bekend dat er een verbod op deze ingreep zou komen)?

Zie mijn antwoord op de eerste vraag van de leden van deze fractie.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat wederom wordt ingezet op een foktraject om een enkel onderdeel van het dier zo aan te passen dat het dier in de bestaande huisvestingssystemen gehouden kan worden. Deze leden wijzen erop dat dit al jaren de bestaande praktijk is, waarbij dieren selectief op een klein aantal eigenschappen worden geselecteerd, wat weer ten koste gaan van onder andere de weerbaarheid van dieren tegen ziekten. Deelt de staatssecretaris de mening dat het nu tijd is om de omstandigheden aan te passen aan de behoeften van het dier, en om uitsluitend robuuste rassen te fokken?

Deelt de staatssecretaris de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat de fokkerij gericht moet zijn op het fokken van gezonde en weerbare kippen in plaats van een zo hoog mogelijke productie binnen de bestaande verouderde systemen?

Ik ben van mening dat in een duurzame veehouderij het welzijn en de zorg voor dieren centraal moeten staan. Daarbij zijn stallen en bedrijfsvoering om het dier heen gebouwd op een wijze die wordt gedragen door de samenleving. In deze stallen kunnen robuuste gezonde kippen (mede door fokkerij) natuurlijk gedrag vertonen. Ook in het kader van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij hebben de partijen uitgesproken dat de houderij en de fokkerij een bijdrage moeten leveren aan de weerstand van het dier. Op dit moment zetten de Initiatiefgroep Duurzame Fokkerij en de PPS Breed4Food stappen om de hieraan verbonden innovatieopgaven te kunnen realiseren. De relatie dier-houderijsysteem is hierbij een nadrukkelijk aandachtspunt.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden dat kippen gehuisvest en verzorgd moeten worden in overeenstemming met hun aard en gedrag. Deelt de staatssecretaris de mening dat voor het welzijn van hennen, hanen en kalkoenen uitgegaan dient te worden van het soorteigen gedrag van de dieren?

Uit de Wet Dieren (artikel 1.2 over de intrinsieke waarde van dieren) volgt dat in verband met de zorg dat dieren redelijkerwijs behoeven, dieren gevrijwaard zijn van beperking van hun natuurlijk gedrag voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd. Dit sluit aan bij één van de vrijheden van Brambell waarbij dieren vrij moeten zijn om hun normale gedrag te kunnen tonen. Voor de huisvesting van leghennen zijn Europese regels van toepassing, waarbij de legbatterijhuisvesting verboden is sinds 1 januari 2012. Nederland gaat verder op dit gebied met een verbod op de verrijkte kooien per 2021 na een transitieperiode sinds 2008. De koloniehuisvesting zal daarna als enige kooisysteem overblijven. In de alternatieve systemen hebben de leghennen meer ruimte dan in kooisystemen om gedrag als scharrelen en een stofbad nemen uit te voeren.

Uit diverse rapporten (WUR: Effect van bezettingsdichtheid op (de ontwikkeling van) het paargedrag en de technische resultaten bij vleeskuikenouderdieren, april 2011) is gebleken dat snavelpikken en kannibalisme een gevolg is van het niet kunnen uitvoeren van natuurlijk gedrag. Onder natuurlijk gedrag wordt scharrelen en het nemen van een stofbad verstaan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het uitvoeren van natuurlijk gedrag alleen maar mogelijk als pluimvee de mogelijkheid heeft tot een vrije uitloop.

Erkent de staatssecretaris de conclusies van de Wageningen Universiteit (WUR: Effect van bezettingsdichtheid op (de ontwikkeling van) het paargedrag en de technische resultaten bij vleeskuikenouderdieren, april 2011) en welke consequenties verbindt zij hieraan?

Uit het genoemde rapport van WUR blijkt dat een lagere dierbezetting tijdens de productieperiode leidde tot een beter paargedrag, meer geslaagde paringen en betere productieresultaten. Daarnaast concludeert WUR dat het welzijn van de moederdieren, gemeten aan het paargedrag en aan veer- en huidbeschadigingen gebaat is bij een lagere dierbezetting tijdens de productieperiode, maar dat alle moederdieren even kaal waren aan het einde van deze periode. Ik verbind hieraan de conclusie dat alleen een lagere bezetting niet voldoende is om te kunnen stoppen met de ingrepen bij hanen in de vleesvermeerdering.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennis genomen van het rapport «Van Kuiken tot Kip» wat in 2011 door de WUR is gepubliceerd. Hierin is weergegeven dat om pikkerij te voorkomen, afleiding moet worden gegeven door middel van een buitenuitloop. Is de staatssecretaris bereid om wettelijke eisen te stellen aan huisvesting door het invoeren van een vrije buitenuitloop voor pluimvee? Zo nee, waarom niet?

Nee. Risico’s op verenpikkerij worden door een veelheid van factoren beïnvloed zoals kwaliteit van de opfokperiode, voeding, afleidingsmateriaal, klimaat in de stal en fokkerij (socialere dieren). Alle factoren die invloed kunnen hebben, moeten optimaal zijn om verenpikkerij van niet behandelde dieren te voorkomen. Buitenuitloop kan de risico’s verder verkleinen maar is niet doorslaggevend. Dit blijkt ook uit het feit dat in de huidige vrije uitloophouderij nog behandelde dieren worden gehouden.

Mijn beleid is er op gericht om onder andere via marktsturing de pluimveeproductie verder te verduurzamen. De supermarkten hebben hierbij een doorslaggevende rol, waarbij consumenten bereid moeten zijn te betalen voor de extra inspanningen die geleverd worden om te voldoen aan de wensen en vragen vanuit de markt.

Is de staatssecretaris tevreden over de gangbare huisvestingssystemen voor kippen in de vee-industrie? Welke elementen van deze gangbare huisvestingssystemen vindt de staatssecretaris acceptabel en welke niet?

De toegepaste huisvestingssystemen in de pluimveehouderij voldoen aan de wettelijke normen. Een deel van de legpluimveehouders speelt in op de toenemende vraag vanuit de markt naar eieren met een toegevoegde waarde, die onderscheidend duurzamer zijn geproduceerd en waarvoor consumenten bereid zijn te betalen. Deze tendens is ook in belangrijke exportmarkten waar te nemen, waar Nederlandse ondernemers op inspelen.

Wat vindt de staatssecretaris ervan dat het fokprogramma in de legkippensector de afgelopen jaren gericht was op selectie van kippen die extreem veel eieren leggen? Hoe beoordeelt zij dit in het licht van het dierenwelzijn?

Zie mijn antwoord op een eerdere vraag van deze fractie over een duurzame fokkerij.

Naast het voorkomen van ongerief bij kippen om het welzijn te verbeteren, dienen kippen ook positief, natuurlijk gedrag te vertonen als welzijnsindicatie. Kan de staatssecretaris de leden van de Partij voor de Dieren-fractie een aantal voorbeelden geven van natuurlijk, positieve gedrag bij kippen in de vleeskuiken- en leghennenindustrie? Zo nee, hoe beoordeelt de staatssecretaris dit? Hoe beoordeelt de staatssecretaris bijvoorbeeld het feit dat de kippen in de intensieve veehouderij hun vleugels niet kunnen uitslaan omdat zij te dicht op elkaar leven?

Voorbeelden van natuurlijk, positieve gedrag bij kippen in de vleeskuiken- en leghennenhouderij zijn het scharrelen en het nemen van een stofbad. In alternatieve huisvestingssystemen voor leghennen en in de scharrelvleeskuikenhouderij kunnen de kippen hun vleugels beter uitslaan.

Is de staatssecretaris van mening dat de groepsgrootte van kippen moet worden beperkt? Zo ja, op welke manier zal zij er voor zorgen dat de kippenhouderij in snel tempo dusdanig wordt omgevormd dat er geen dieren meer gehouden worden in dergelijke stressvolle omstandigheden dat zij elkaar gaan verwonden?

Nee. Zie mijn antwoord op een eerdere vraag van de leden van deze fractie.

Kan de staatssecretaris aangeven of het verwijderen van sporen bij hanen, het verwijderen van een deel van de achterste teen bij hanen en het dubben van kammen bij hanen in bepaalde sectoren nog is toegestaan en zo ja in welke sectoren?

Zie mijn antwoorden op de vraag van de leden van de VVD fractie hieromtrent.

Kan de staatssecretaris ook aangeven of er na 1 september 2018 nog snavels verwijderd zullen worden in Nederland?

Met mijn besluit zullen er na 1 september 2018 geen snavelbehandelingen in Nederland meer worden uitgevoerd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat het verwijderen van de kammen van witbevederde hanen gewoon toegestaan blijft. De ingreep is niet ter voorkoming van ongerief in de stallen maar dient slechts ter identificatie. De redenering dat bepaalde ingrepen ter voorkoming van ongerief bij de kippen nog dienen te worden toegestaan gaat bij deze ingreep niet op. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat er geen argument bestaat dat deze verminking van het dier rechtvaardigt. Graag een reactie. Is de staatssecretaris voornemens om, eerder dan 2023 deze ingreep te verbieden? Zo nee, waarom niet, zo ja, op welke termijn?

Ik ben niet voornemens deze ingreep te verbieden. Zoals aangegeven in mijn brief van 9 juni jl. wil ik deze ingreep bij een beperkte groep hanen (wit bevederde hanen in de legvermeerdering en in de vaccinsector) blijvend toestaan als ingreep ter identificatie. Bij deze groep hanen wordt deze ingreep specifiek gebruikt om sexfouten in grote groepen dieren te kunnen identificeren en daarmee verkeerde kruisingen te voorkomen. Daarnaast dient deze ingreep om welzijnsproblemen bij de volwassen hanen te voorkomen. Zonder deze ingreep worden de kammen heel groot en ondervinden de hanen hier forse hinder van omdat ze niet goed kunnen zien, eten en drinken. Het risico is groot dat dieren met grote kammen door andere dieren worden aangepikt.

Een veehouderij zonder ingrepen in 2023 is door de vorige staatssecretaris als één van de uitdagingen van de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij genoemd. Wat is de visie van deze staatssecretaris hierover?

Dit is een ambitie van het samenwerkingsverband Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) waar naast de sectoren en de maatschappelijke organisaties ook het ministerie van Economische Zaken deel van uitmaakt. Deze ambitie wordt door mij dus ook onderschreven en geldt voor alle veehouderijsectoren.

Is zij van plan ervoor te zorgen dat er inderdaad voor 2023 geen dieronvriendelijke ingrepen meer zullen worden toegepast in de veehouderij en welke stappen gaat zijn zetten om dit te realiseren? Zal dit ook inhouden dat koeien hun horens mogen houden, en dat er hoge boetes worden opgelegd wanneer bij varkens staarten worden afgeknipt?

Het uitfaseren van ingrepen is geen eenvoudige opgave zeker niet als deze direct samenhangen met de wijze waarop het houderijsysteem is vormgegeven.

Zoals ook aangegeven tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de ontwerpbesluiten houders van dieren en diergeneeskundigen zal ik in mijn beleidsbrief dierenwelzijn ook ingaan op ingrepen bij andere diersoorten.

Wat betreft het couperen van varkensstaarten het volgende. LTO, NVV en Dierenbescherming hebben samen de Verklaring van Dalfsen opgesteld en ondertekend. De Verklaring focust op het voorkomen van bijterij, het stapsgewijs minder kort couperen van de biggenstaart en het op termijn verantwoord stoppen met couperen. Deze Verklaring is op 10 juni jl. aan mij overhandigd en deze verklaring onderschrijf ik van harte. Het is een belangrijke stap in de goede richting.

Wanneer zal de staatssecretaris de volledige naleving van de bestaande verboden met betrekking tot ingrepen in de veehouderij gaan afdwingen? Hoe gaat zij het verbod op ingrepen in de pluimveesector handhaven? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie willen graag van de staatssecretaris weten hoeveel controles op reeds verboden ingrepen in de veehouderij er het afgelopen jaar geweest zijn. Hoeveel overtredingen zijn er geconstateerd en welke maatregelen zijn genomen?

De NVWA inspecties op het ingrepenbesluit vinden plaats in verschillende handhavingprogramma’s. In het kader van de Wet dieren zal bestuursrechtelijke handhaving als extra instrument kunnen worden ingezet. Dit zal ook gelden voor het verbod op ingrepen dat geregeld is in het ontwerpbesluit Diergeneeskundigen, zodra dit besluit in werking treedt.

Uit de analyse door NVWA van de gegevens van 2012 blijkt dat 1693 inspecties zijn uitgevoerd met vermoeden van verstoring van dierenwelzijn. Deze inspecties hebben mede betrekking op ingrepen.

In 2012 is bij 25 inspecties overtreding gerapporteerd op het onderdeel ingrepen. Bij 7 inspecties is proces-verbaal opgemaakt.

Naast de hiervoor genoemde inspecties wordt bij inspecties op de naleving van het Varkensbesluit, Legkippenbesluit, I&R schapen/runderen en overige inspecties bij dierhouderijen aandacht geschonken aan niet toegestane ingrepen. Bij overtredingen wordt een proces-verbaal aangezegd, tenzij het om een verhoudingsgewijs klein aantal dieren gaat of geen verwijtbaar handelen aan de orde is. In deze gevallen wordt waarschuwend opgetreden of nalevingshulp geboden. In alle gevallen volgt een melding aan Dienst Regelingen. Overtreding van de welzijnsregelgeving kan leiden tot een korting op de GLB-inkomenssteun.


X Noot
1

Richtlijn 98/34/EG en 98/48/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische

voorschriften regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, PbEG 1998, L 204.