Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201331389 nr. 124

31 389 Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

Nr. 124 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 maart 2013

Op 25 maart aanstaande is een notaoverleg met de vaste commissie voor Economische Zaken geagendeerd over een aantal ontwerpbesluiten onder de Wet dieren: houders van dieren, diergeneeskundigen, gezelschapsdieren en wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In deze brief wil ik u nader informeren over een aantal onderwerpen die gerelateerd zijn aan deze besluiten. Ik hoop daarmee bij te dragen aan een voorspoedige behandeling van de vier ontwerpbesluiten.

In deze brief komen de volgende onderwerpen aan de orde. In de eerste plaats ga ik in op de wenselijkheid van de beoogde inwerkingtreding van het Besluit houders van dieren en het Besluit diergeneeskundigen vanuit het perspectief van de Wet dieren. Ik besteed ook aandacht aan de positieflijst en de ingrepen bij pluimvee.

Ook het ontwerpbesluit gezelschapsdieren en het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met onbedwelmd slachten volgens religieuze riten en het verband tussen deze twee besluiten en de ontwerpbesluiten houders van dieren en diergeneeskundigen komen aan bod.

Tot slot informeer ik u in deze brief nog over de stand van zaken inzake een aantal moties en toezeggingen:

Couperen van paardenstaarten in ons omringende landen (AO moties en toezeggingen 14 maart 2012)

Verbetering opslag van in beslaggenomen dieren (motie Ouwehand, 28 973, nr. 72).

Onderzoek misstanden fokkerij en (motie Thieme 33 400-XIII, nr. 108).

Toezegging inzake «crime scene investigation» (Begrotingsbehandeling 2013)

Wet dieren; ontwerpbesluiten houders van dieren, diergeneeskundigen, gezelschapsdieren en wijziging van het besluit houders van dieren i.v.m. wijzigingen op het gebied van doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming

1. Belang van de Wet dieren

De Wet dieren en de daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving brengt de tot nu toe fragmentarische wetgeving met betrekking tot dieren samen tot een integraal geheel. Hierbij worden de nu op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) geldende regels opnieuw vormgegeven. Het gaat dus niet om een stelsel van nieuwe regels. De nieuwe systematiek biedt helderheid over geldende regelingen en is toegankelijker voor de gebruikers. De regels omtrent diergeneesmiddelen (Besluit en Regeling diergeneesmiddelen), dierlijke producten (Besluit en Regeling dierlijke producten) en diervoeders (Besluit en Regeling diervoeders) zijn per 1 januari jl. al in werking getreden.

De inwerkingtreding van de Besluiten houders van dieren en diergeneeskundigen is voorzien voor de zomer 2013. De belangrijkste reden om deze beide besluiten zo snel mogelijk in werking te laten treden is dat daarmee een voor dierenwelzijnregelgeving nieuw handhavinginstrument van kracht wordt, namelijk de bestuurlijke boete. Onder de Gwwd kan aan overtreders van dierenwelzijnregels geen bestuurlijke boete worden gegeven. Met invoering van de Wet dieren en onderliggende besluiten kan dat wel.

Een bestuurlijke boete is een sterke prikkel om een overtreder zijn gedrag te laten aanpassen en leidt tot het verhogen van de naleving van welzijnsregels en biedt een effectievere aanpak van overtreders.

Op het moment van het overleg met uw Kamer over de Wet dieren en onderhavige besluiten, maandag 25 maart a.s., zijn er nog twee punten waarover de discussie nog niet is afgerond, namelijk de positieflijst en de ingrepen bij pluimvee. Over beide onderwerpen wordt nog bestuurlijk overleg gevoerd met belanghebbenden. Zodra deze zijn afgerond zal ik uw Kamer hierover informeren en van gedachten wisselen. Naar verwachting zal dat voor de ingrepen bij pluimvee in mei en voor de positieflijst voor de zomer plaatsvinden.

Ik streef ernaar om de besluiten voor de zomer in werking te laten treden en zo spoedig mogelijk door een wijziging van besluit de wijzigingen op de ingrepen bij pluimvee door te voeren.

1.2 Besluit houders van dieren

a Stand van zaken proces

In dit ontwerpbesluit worden de huidige regels omtrent het houden van dieren (die gebaseerd zijn op de Gwwd) omgezet.

Het ontwerpbesluit houders van dieren is op 14 juni 2012 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken 2011/12/ 28 286, nr. 567).

Op 31 januari 2013 heb ik de schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken hierover beantwoord (nr. 617).

Het ontwerpbesluit is op 25 oktober 2012 aan de Raad van State (RvS) voorgelegd opdat het, met een tijdige afronding van de voorhangprocedure, nog mogelijk zou zijn het besluit met ingang van 1 januari 2013 in werking te doen treden. De RvS heeft inmiddels een positief advies uitgebracht. Het ontwerpbesluit moet opnieuw aan de RvS worden voorgelegd, indien het overleg met de Tweede Kamer tot substantiële wijzigingen zou leiden.

De onder het besluit hangende Regeling houders van dieren zal tegelijkertijd met het Besluit houders van dieren in werking treden.

b Positieflijst

Het ontwerpbesluit houders van dieren bevat de criteria (artikel 1.4) voor aanwijzing van diersoorten en/of diercategorieën op de positieflijst. Ook bepaalt dit artikel dat de positieflijst alleen voor zoogdieren geldt. De positieflijst zelf zal een bijlage worden van de Regeling houders van dieren.

Over de positieflijst ontvang ik op korte termijn advies van de WUR, op basis waarvan nog bestuurlijk overleg zal worden gevoerd met belanghebbenden.

Ik verwacht u daarover in mei te kunnen informeren en met u van gedachten te wisselen. Daarna kan het besluit en daarop gebaseerde regeling in werking treden.

1.3 Besluit diergeneeskundigen

a Stand van zaken proces

Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen bevat regels omtrent diergeneeskundigen en omtrent ingrepen bij dieren.

Het ontwerpbesluit diergeneeskundigen is op 14 juni 2012 aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken 2011/12/ 28 286, nr. 567). Op 31 januari 2013 heb ik de schriftelijke vragen van de Vaste Commissie voor Economische Zaken hierover beantwoord (nr. 617). Het ontwerpbesluit is op 22 september 2012 aan de RvS voorgelegd, die op 2 november 2012 een positief advies heeft uitgebracht. Omdat in het ontwerpbesluit diergeneeskundigen nog enkele wijzigingen met betrekking tot ingrepen zullen worden aangebracht zal het ontwerpbesluit opnieuw aan de RvS worden voorgelegd. Dit betreft een beperkte adviesaanvraag.

b Ingrepen algemeen

De Wet dieren bevat een algemeen verbod op lichamelijke ingrepen bij dieren. De wet zondert van dit verbod uit ingrepen waarvoor een geneeskundige noodzaak bestaat en ingrepen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Deze laatsten zijn opgenomen in het ontwerpbesluit diergeneeskundigen. Ingrepen die niet in het besluit zijn opgenomen, mogen dus niet worden verricht.

De ingrepen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen betreffen veelal ingrepen om erger dierenleed of onveilige werksituaties te voorkomen zoals het couperen van varkensstaarten of het onthoornen van kalveren. Over dergelijke ingrepen hebben wij tijdens de begrotingsbehandeling van 24 januari jl. gesproken. Mijn beleid is erop gericht om dergelijke ingrepen op een verantwoorde manier verder te verminderen.

In mijn beleidsbrief dierenwelzijn die ik voor het zomerreces naar de Tweede kamer zal sturen zal ik daar, zoals ook toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling, verder op ingaan.

De ingrepen die in het ontwerpbesluit zijn aangewezen, zijn dezelfde als die welke nu zijn toegestaan, met uitzondering van een drietal ingrepen. Het verkorten van de boven- en ondersnavel bij vleeskuikens is niet meer in het besluit opgenomen. Het verwijderen van bijklauwtjes bij honden zal na dit jaar niet meer toegestaan zijn en ook het leewieken na 2017 niet meer.

c Ingrepen bij pluimvee

Op 5 juli 2012 heeft uw Kamer de motie Ouwehand (PvdD)/Van Dekken (PvdA) (TK 21501-32, nr. 630) aangenomen, waarin de regering wordt verzocht de vrijstelling van het verbod op ingrepen in de pluimveesector tot 2021 te herroepen en het verbod op 1 januari 2015 onherroepelijk van kracht te laten worden.

Het bestuurlijk afstemmingsproces met de sector en dierenbescherming over de uitvoering van deze motie is gaande. Ik verwacht uw Kamer in mei te kunnen berichten over de uitkomsten van het bestuurlijk afstemmingsproces en er met uw Kamer over van gedachten te kunnen wisselen.

1.4 Ontwerpbesluit gezelschapsdieren

Met het ontwerpbesluit gezelschapsdieren wordt onder meer beoogd misstanden bij dierenfokkers en illegale handel in exotische diersoorten aan te pakken. Het ontwerpbesluit is bij brief van 22 december 2011 (TK 28 286, nr. 539) aan de Kamer gezonden in het kader van de voorhangprocedure op grond van de Wet dieren.

Proces

Na afronding van de voorhangprocedure zal het ontwerpbesluit voor advies worden voorgelegd aan de RvS.

Tegelijkertijd zal notificatie plaatsvinden in het kader van richtlijn nr. 98/34/EG1 en richtlijn nr. 2006/123/EG2.

Op basis van het ontwerpbesluit zal een ministeriële regeling worden voorbereid (wijziging Regeling houders van dieren). In deze regeling worden onder meer nadere regels gesteld over het bewijs van vakbekwaamheid waarover beheerders van inrichtingen dienen te beschikken.

Inwerkingtreding van het ontwerpbesluit en de regeling is voorzien op 1 oktober 2013.

1.5 Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met wijzigingen op het gebied van het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming

Met dit besluit wordt uitvoering gegeven aan de inspanningsverplichtingen voor de Staatssecretaris van Economische Zaken die voortvloeien uit het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. De inspanningsverplichtingen zien onder meer op het omzetten van de in het convenant gemaakte welzijnsafspraken in algemeen verbindende voorschriften en de introductie van onderwerpen als permanent toezicht tijdens het onbedwelmd slachten en de registratieplicht voor slachthuizen. Het ontwerpbesluit is bij brief van 1 november 2012 in kader van de voorhangprocedure op grond van artikel 10.10 van de Wet dieren aan de Tweede en Eerste Kamer gezonden (TK 31 571, nr. 23).

Proces

Na afronding van de voorhangprocedure zal het ontwerpbesluit worden voorgelegd aan de RvS.

Tegelijkertijd zal notificatie plaatsvinden in het kader van eerder genoemde richtlijn nr. 98/34/EG en richtlijn nr. 2006/123/EG.

Op basis van het ontwerpbesluit zal een ministeriële regeling worden voorbereid (wijziging Regeling houders van dieren). In deze regeling worden onder meer nadere regels gesteld over onder meer de registratie van slachthuizen (aanvraag, voorschriften en beperkingen, schorsing en intrekking registratie).

De ontwerp-ministeriële regeling zal worden toegezonden aan beide Kamers, overeenkomstig toezegging T01555 aan de Eerste Kamer.

Inwerkingtreding van het ontwerpbesluit en de regeling is voorzien op 1 oktober 2013.

1.6 Ontwerpbesluit circusdieren

Het verbod op wilde dieren in het circus, dat is opgenomen in het regeerakkoord, zal worden vormgegeven door middel van een separate wijziging van het Besluit houders van dieren. Dit ontwerpbesluit zal in het kader van de voorhangprocedure op grond van de Wet dieren aan de Kamer worden voorgelegd.

2. Stand van zaken moties en toezeggingen

2.1 Couperen van paardenstaarten in ons omringende landen; AO moties en toezeggingen 14 maart 2012

Het couperen van paardenstaarten is in Nederland verboden, tenzij er diergeneeskundige noodzaak is. Het tentoonstellen van dieren met een gecoupeerde staart is eveneens verboden. Belangrijk in deze is dat het College van beroep voor het Bedrijfsleven in een uitspraak uit 2002 de reikwijdte van het verbod inperkt omdat het verbod het vrij verkeer van goederen en diensten beïnvloedt (zie kader). Indien een dier legaal in Nederland (diergeneeskundig) dan wel in het buitenland is gecoupeerd, mag het daarom in Nederland toch tentoongesteld worden. Uw Kamer heeft daarom gevraagd uit te zoeken hoe het in ons omringende landen is geregeld.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft zich hier in 2002 als volgt over uitgesproken, in relatie tot het verbieden van tentoonstellen van gecoupeerde honden:

Artikel 40 van de Gwwd verbiedt alleen ingrepen in Nederland, en is dus territoriaal begrensd. Het verbieden van deelname aan keuringen, tentoonstellingen en wedstrijden met een dier waarbij een in het buitenland legale ingreep is verricht, beïnvloedt het vrij handelsverkeer van goederen en diensten en levert daarmee strijd op met het gemeenschapsrecht. Deze belemmering kan volgens het CBb niet worden gerechtvaardigd om redenen van dierenwelzijn, omdat de ingreep al is uitgevoerd bij het dier.

België en Duitsland

In beide landen geldt net als in Nederland dat het couperen van paardenstaarten verboden is tenzij er een diergeneeskundige reden is.

In België is het vanaf 1 januari 2000 verboden om deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een verboden ingreep is verricht. Paarden die legaal zijn gecoupeerd in verband met diergeneeskundige redenen mogen wel deelnemen aan deze evenementen, voor paarden die legaal in het buitenland zijn gecoupeerd geldt dit niet.

In Duitsland is er geen specifiek import-, houd- en tentoonstellingsverbod ingesteld voor paarden met gecoupeerde staarten.

Frankrijk

Frankrijk kent geen regelgeving die het couperen van paardenstaarten, of het houden of tentoonstellen van gecoupeerde paarden, verbiedt. Wel kent Frankrijk sinds januari 1996 een verbod op deelname van gecoupeerde paarden aan concoursen, tentoonstellingen en andere manifestaties die georganiseerd en/of gesubsidieerd worden door de Groupement d'Intérêt Public France Haras (GIP France Haras). Ook bestaat er een verbod op aankoop van gecoupeerde paarden door GIP France Haras, of instellingen die door GIP France Haras worden gesubsidieerd. GIP France Haras in een nationale publiek-private structuur, waarin zowel (nationale en regionale) overheid als organisaties uit de paardensector zijn vertegenwoordigd. Bovenstaande geldt alleen voor paarden geboren na 1996. Het verbod op deelname van gecoupeerde paarden aan bovengenoemde door GIP France Haras georganiseerde en/of gesubsidieerde manifestaties geldt ook voor paarden die afkomstig zijn uit andere EU-lidstaten.

Hoe verder in Nederland?

Omdat het in alle ons omringende landen of wel volledig is toegestaan,dan wel vanwege medische noodzaak is toegestaan om staarten te couperen is het voor mij, vanwege de uitspraak van de CBb, helaas niet mogelijk om de deelname van gecoupeerde paarden aan tentoonstellingen en keuringen te verbieden, indien deze paarden legaal deze ingreep hebben ondergaan. Hiermee heb ik alles onderzocht wat in mijn mogelijkheden ligt. De paardensector kan echter zelf aanvullende maatregelen nemen. Ik prijs dan ook de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond die de deelname van gecoupeerde paarden aan hun evenementen heeft verboden.

Ook de Sectorraad Paarden zet stappen door in de Gids voor Goede Praktijken op te nemen dat «Deelname van paarden met gecoupeerde staarten aan evenementen in Nederland niet langer is toegestaan indien het paarden betreft die na 2004 zijn geboren, tenzij dit het gevolg is van een veterinair noodzakelijke ingreep». Ik roep de Koninklijke Vereniging het Nederlandse trekpaard en de Haflinger (KVTH) op deze goede voorbeelden te volgen.

2.2 Verbetering opslag van in beslaggenomen dieren; invulling motie Ouwehand (28 973, nr. 72), 28 juni 2011.

Dieren die verwaarloosd of mishandeld zijn en honden die agressief gedrag vertonen, kunnen strafrechtelijk in beslag of bestuursrechtelijk in bewaring worden genomen. Dienst Regelingen draagt zorg voor de opvang van deze dieren bij opslaghouders met wie een contract is afgesloten. Indien de dieren bestuursrechtelijk in bewaring worden genomen kunnen de kosten voor opvang worden verhaald op de eigenaar.

In de motie Ouwehand is verzocht om verbetervoorstellen voor de opslag en herplaatsing van in beslag genomen dieren. Specifiek werd door de Kamer verzocht dat in beslag genomen dieren niet terug de handel in mogen als (slangen)voer. In reactie hierop (TK 28 286 nr. 540) heb ik toegezegd de kansen te willen vergroten om de dieren na juridische vrijgave goed te kunnen herplaatsen. Allereerst is het van belang dat het welzijn van dieren in opslag gewaarborgd wordt. Hiervoor zal de rol van de dierenarts tijdens de opvang worden geïntensiveerd. Indien haalbaar en noodzakelijk dient er een beoordeling uitgevoerd en een behandelplan opgesteld te worden door de dierenarts van elk individueel dier. Vervolgens is het zaak dat alle dieren na juridische vrijgave zo snel en zo goed mogelijk herplaatst worden waarbij de dieren in principe dezelfde bestemming houden als voor de inbeslagname.

Dieren die bijvoorbeeld voor inbeslagname als gezelschapsdier werden gehouden, zullen als gezelschapsdier worden herplaatst. In samenwerking met de Dierenbescherming wordt een (al ver gevorderde) procedure ontwikkeld op welke wijze dieren zo snel en zo goed mogelijk kunnen worden herplaatst waarbij de eindverantwoordelijkheid niet meer bij de opslaghouder maar bij Dienst Regelingen ligt. Indien (eenvoudige) operaties noodzakelijk zijn om dieren sneller te kunnen herplaatsen (bijvoorbeeld sterilisatie), zal dit zeker worden overwogen. Ingeval van productiedieren is de inzet gericht op herstel van de dieren en het waarborgen van het welzijn van de dieren ter voorbereiding op de volgende bestemming. Afhankelijk van het oorspronkelijke doel van het dier, zal dit verkoop aan een ander bedrijf, handel of slacht zijn.

2.3 Onderzoek misstanden fokkerij en invulling motie Thieme (33 400-XIII, nr. 108).

In een brief aan de Tweede Kamer op 11 juli 2012 (TK 28 286 nr. 582) is toegezegd dat jaarlijks onderzoek verricht zal worden naar welzijns- en gezondheidsproblemen door erfelijke gebreken, te beginnen bij de Franse Bulldog en de Chihuahua. Bij deze rassen komen ademhalingsproblemen, oogproblemen en problemen bij de geboorte van pups voor en dat levert gezondheid- en welzijnsproblemen op.

De Faculteit Diergeneeskunde voert het onderzoek uit en relevante partijen die hierbij betrokken worden zijn onder meer de Raad van Beheer, praktiserende dierenartsen en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD).

Tijdens de begrotingsbehandeling is de motie Thieme aangenomen (33 400-XIII, nr. 108) waarin de regering is verzocht het onderzoek uit te breiden met meer rassen per jaar en zo het onderzoek te versnellen.

Om aan deze motie invulling te geven is de onderzoekers verzocht de resultaten van het onderzoek van de twee reeds toegezegde rassen versneld op te leveren, namelijk eind 2013, en daarnaast zal begin 2014 de analyse van nog twee dierrassen worden afgerond.

Aan het onderzoek wordt als hondenras de Labrador Retriever toegevoegd, bij dit ras komen onder meer heup- en elleboogdysplasie en oogaandoeningen voor.

Daarnaast wordt een kattenras, de Perzische kat, aan het onderzoek toegevoegd. Dit om te benadrukken dat erfelijke gebreken en schadelijke raskenmerken door fokkerij niet louter bij honden voorkomen en ook bij andere diersoorten tot aantasting van welzijn en gezondheid leiden. Het Perzische kattenras kampt evenals de kortschedelige hondenrassen met ademhalingsproblemen. Ook komen nier- en oogproblemen voor.

Op basis van de kennis die met het onderzoek verkregen wordt kunnen betrokken rasverenigingen en houders worden aangesproken op hun rol en verantwoordelijkheid in de aanpak van problemen binnen het ras.

Tevens kan middels deze kennis controle en handhaving van de bepalingen over fokkerij in het besluit gezelschapsdieren plaats vinden.

2.4 Toezegging inzake «crime scene investigation»; Begrotingsbehandeling 2013

Ik heb de Tweede Kamer toegezegd na te gaan of «crime scene investigation» (CSI) onderzoek kan worden gebruikt bij opsporing van daders van geweld tegen dieren.

Het Openbaar Ministerie (OM) maakt in bepaalde zeer ernstige gevallen van dierenmishandeling al gebruik van deskundigen die aan de hand van forensisch onderzoek de daders van dierenmishandeling helpen op te sporen. Dit kunnen deskundigen zijn van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) of van bijvoorbeeld de faculteit diergeneeskunde in Utrecht.

Gezien de kosten van dergelijk onderzoek wordt door het OM en politie een zorgvuldige afweging gemaakt waarin zowel de ernst van de zaak en de kans op succes worden afgewogen. Dergelijk onderzoek wordt niet standaard uitgevoerd.

De staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG,L 204).

X Noot
2

Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376)