Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200521501-32 nr. 129

21 501-32
Landbouw- en Visserijraad

nr. 129
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juni 2005

Hierbij breng ik u verslag uit van de Landbouw- en Visserijraad die op 30 en 31 mei in Brussel plaatsvond.

De Raad heeft overeenstemming bereikt over de nieuwe financieringsmodaliteiten voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2007–2013. Hiermee is invulling gegeven aan de recente hervormingen van het landbouwbeleid en de daarmee samenhangende financiële afspraken. De discussie over het risico- en crisisbeheer heeft geen concrete actiepunten opgeleverd. Daarvoor liepen de meningen van de lidstaten te ver uiteen. Het huidige systeem van contingentering van productiequota voor aardappelzetmeel is, zoals verwacht, met twee jaar verlengd. Verder heeft de Commissie aangekondigd actieve stappen te ondernemen om de handel in honden- en kattenbont tegen te gaan. De mogelijkheden om te komen tot een importverbod en tot verplichte of vrijwillige etikettering, worden in de komende maanden onderzocht.

A-punten

Zie bijlage.

Financiering GLB

De Raad heeft overeenstemming bereikt over de nieuwe financieringsmodaliteiten voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode 2007–2013. Hiermee is invulling gegeven aan het Akkoord van Luxemburg over de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (juni 2003). Met name de introductie van het degressiviteitsinstrument (dat wordt ingezet in geval de uitgaven voor markt- en prijsbeleid het financiële plafond van Brussel voor de periode 2007–2013 dreigen te overschrijden) en de bedrijfstoeslagregeling is belangrijk voor het financieel beheer van de lidstaten. Op de tweede plaats worden ook de veranderingen in het nieuwe plattelandsfonds in het voorstel geïncorporeerd. Tot slot worden met dit akkoord de spelregels omtrent financieel beheer aangescherpt. In dit akkoord zijn de punten meegenomen, waar ik voorafgaand aan de Raad nog moeite mee had.

Risico- en crisisbeheer

De discussie over de mededeling van de Commissie over risico- en crisisbeheer in de landbouw verliep minder eensgezind. Een aantal lidstaten benadrukte de noodzaak tot een vangnet voor buitengewone omstandigheden. In reactie hierop heb ik aangegeven dat de primaire verantwoordelijkheid van risicoen crisisbeheer bij de sector ligt en dat ondernemers inkomensfluctuaties in eerste instantie zelf moeten opvangen. Ook in geval van calamiteiten en natuurrampen. Wel kan de overheid ondersteuning verlenen in de eerste fase van de ontwikkeling van private instrumenten voor risicobeheer. Daarbij heb ik benadrukt dat er voor gewaakt moet worden dat de overheid private initiatieven niet verstoort, bijvoorbeeld door onduidelijkheid te scheppen over wie verantwoordelijk is voor crisisbeheer. Dat is in de eerste plaats de ondernemer zelf.

Omdat de meningen van de lidstaten zo uiteenliepen, leverde de discussie geen concrete actiepunten op. Wel concludeerde de voorzitter dat de noodzaak tot een vangnet van geval tot geval moet worden bekeken. In ieder geval zal een dergelijk vangnet worden overwogen bij de aankomende herzieningen van de marktordeningen voor groente en fruit en voor wijn. Ten algemene concludeerde de voorzitter dat eventuele instrumenten voor crisisbeheer optioneel moeten zijn en in lijn met de mededingingswetgeving. Bovendien is het belangrijk dat ze binnen de criteria van de groene box van de WTO vallen.

Contingentering aardappelzetmeel

Zoals verwacht is het huidige systeem van contingentering van productiequota voor aardappelzetmeel met twee jaar verlengd. Een klein aantal lidstaten pleitte voor een groter quotum. In reactie hierop heb ik, daarin gesteund door enkele collega's, aangegeven dit niet het juiste moment te achten om de hoogte van de quota te herzien. Ook de Commissie was deze mening toegedaan, maar gaf wel aan de hoogte na afloop van de verlenging opnieuw te willen bekijken.

Diversen

a) Honden- en kattenbont

Op verzoek van Zweden sprak de Raad over de mogelijkheden voor communautaire maatregelen tegen de handel in honden- en kattenbond. Het Zweedse pleidooi kon op brede steun rekenen. Ook ik heb mijn steun uitgesproken en aangegeven Europese maatregelen te verkiezen boven nationale regelingen. Commissaris Kyprianou meldde dat hij op zoek gaat naar een geschikte rechtsgrondslag voor communautaire maatregelen. Daarbij denkt hij in eerste instantie aan een invoerverbod, aan verplichte of vrijwillige etikettering of aan een combinatie van beide. De Commissaris gaf aan zich bewust te zijn van moeilijkheden in WTO-kader, maar zag niettemin ruimte voor passende maatregelen.

b) Goedkeuringsprocedures voor genetisch gemodificeerde organismen

Italië had de goedkeuringsprocedures voor genetisch gemodificeerde organismen door de European Food Safety Authority (EFSA) geagendeerd. De Commissie bleek echter niet gevoelig voor het Italiaanse pleidooi, dat het ontoelaatbaar is dat goedkeuring alleen plaatsvindt op basis van onderzoeksrapporten die zijn aangedragen door de aanvrager. De Commissie is niet van mening dat de EFSA zelf testen moet uitvoeren en wees er bovendien op dat de EU-goedkeuringsprocedures in internationaal verband als een van de striktste gelden.

c) Memorandum over bio-energie en biobrandstoffen

Duitsland en Frankrijk presenteerden een memorandum over het gebruik en het stimuleren van bio-energie en biobrandstoffen. Zij vroegen om een debat over dit onderwerp tijdens een volgende Raad. Ik heb aangegeven hier positief tegenover te staan. Wel heb ik de kanttekening geplaatst dat vervolgstappen vraaggericht dienen te zijn en in het bredere perspectief van de bio-based economy moeten worden geplaatst. Dat betekent dat ook andere toepassingen dan alleen energie aandacht verdienen, zoals verven, lijmen en plastics. Commissaris Fischer-Boel gaf aan dit onderwerp zelf al opgepakt te hebben en zal hierover tegen het einde van het jaar een werkdocument presenteren. Bovendien is een actieplan voor biomassa in voorbereiding.

d) Maatregelen in de melkmarkt

Voorts is gesproken over de afbouw van de traditionele steunmaatregelen in de melkmarkt. Ierland bepleitte dat de moeizaam opgebouwde concurrentiepositie op de wereldmarkt in gevaar komt, omdat de Commissie bestaande steuninstrumenten wat al te voortvarend afbouwt. Ik heb dit pleidooi ondersteund en de Commissie gevraagd in ieder geval net zo adequaat te reageren in geval de marktsituatie verslechtert. Commissaris Fischer-Boel reageerde door te stellen dat zij slechts uitvoert wat eerder door de Raad is besloten en dat de Commissie geen grote gevolgen op de markt signaleert.

e) BSE bij kleine herkauwers

Tot slot kaartte mijn Franse collega BSE bij kleine herkauwers aan. Eind februari is in Frankrijk BSE bij een geit ontdekt. Op advies van de Franse voedselveiligheidsautoriteit worden in Frankrijk extra controles uitgevoerd. De Commissie sprak hiervoor haar steun uit, zolang deze extra controles de handel niet verstoren. De suggestie om deze extra controles communautair aan te pakken en te co-financieren, schoof de Commissie echter ter zijde.

Plattelandsontwikkeling

En marge van de Raad vonden bilaterale gesprekken met Commissie en voorzitterschap plaats over het nieuwe Plattelandsontwikkelingsfonds. Tijdens de Raad kondigde de voorzitter al aan dat de huidige definitie van probleemgebieden nog enkele jaren wordt gehandhaafd. De Commissie zal in 2008 een grondige analyse met bijbehorende voorstellen presenteren, op basis waarvan een nieuwe definitie pas in 2010 van kracht moet worden. Ten aanzien van de minimumpercentages is voorgesteld de extra reserve van 7% voor Leader-projecten te schrappen.

In mijn onderhoud met de Commissaris en de voorzitter, heb ik benadrukt dat ik de bestaande criteria voor de verdeling van de plattelandsfondsen geen juiste basis acht. Deze zijn namelijk gebaseerd op de besteding van fondsen in de jaren negentig. Gezien de omvang van de Nederlandse landbouw en gelet op de eigentijdse uitdagingen en problemen, ben ik van mening dat Nederland recht heeft op een substantieel groter aandeel. Verder heb ik opnieuw aandacht gevraagd voor meer flexibiliteit wat betreft integrale projecten en de financiering van grondverwerving. Ook heb ik gepleit voor het verbreden van de categorie van begunstigden voor betalingen in het kader van Natuur 2000 en voor meer speelruimte ten aanzien van de minimumuitgaven voor de drie assen.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

BIJLAGE

Op het gebied van landbouw en visserij zijn een viertal punten als Tapuit, dat wil zeggen zonder discussie, aangenomen:

– Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van het EU (Conclusies van de Raad);

– Aanneming van het besluit van de Raad tot goedkeuring van de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten, zoals herzien te Genève op 19 maart 1991;

– Aanneming van een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 27/2005 wat de vangstmogelijkheden in de wateren van Groenland, de Faeröer en IJsland en de visserij op kabeljauw in de Noordzee betreft, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2270/2004 wat de vangstmogelijkheden voor diepzeehaaien en grenadiervis betreft;

– Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën, wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van overgangsmaatregelen [eerste lezing] (Aanneming van het wetgevingsbesluit).