Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202031066 nr. 629

31 066 Belastingdienst

Nr. 629 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 mei 2020

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane over de brief van 13 maart 2020 inzake de kabinetsreactie op het eindrapport van de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen, het rapport van de ADR en het Zwartboek (Kamerstuk 31 066, nr. 613).

De vragen en opmerkingen zijn op 20 maart 2020 aan de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane voorgelegd. Bij brief van 28 april 2020 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Anne Mulder

De adjunct-griffier van de commissie, Freriks

Leeswijzer

In de kabinetsreactie1 heb ik toegelicht dat ik de conclusies en aanbevelingen van de Adviescommissie omarm en heb ik maatregelen aangekondigd om met deze aanbevelingen het maximale te doen om gedupeerde ouders te helpen. Daarnaast zijn er aanvullende maatregelen genomen om gedupeerde ouders verder te ondersteunen. Ook heb ik naar aanleiding van de Adviescommissie structurele veranderingen in het toeslagenstelsel aangekondigd en heb ik noodzakelijke aanpassingen in gang gezet om de dienstverlening bij Toeslagen te verbeteren. Gezien deze verscheidenheid aan onderwerpen is er bij de beantwoording van de vragen van uw Kamer gekozen om deze te bundelen naar onderwerp. De vragen die door uw Kamer zijn gesteld laten zich categoriseren naar de volgende onderwerpen:

  • A. Algemene vragen, aanleiding en context hersteloperatie

  • B. Afwikkeling interim-advies Adviescommissie uitvoering toeslagen

  • C. Herstelregeling in reactie op het eindrapport Adviescommissie uitvoering toeslagen

  • D. Verbeteringen voor de toekomst

  • E. ADR

  • F. Zwartboek

  • G. Financiële paragraaf

A. Algemene vragen

Aanleiding en context hersteloperatie

In de onderstaande vragen van uw Kamer wordt nader ingegaan op de vragen die zien op de aanleiding, signalen en context van de hersteloperatie en de lessen die daaruit voor de uitvoering (van Toeslagen) kunnen worden getrokken – mede ook – op basis van de inzichten uit de rapporten van de Adviescommissie en de ADR.

De leden van de SP-fractie vragen, kort gezegd, naar de relatie die de ADR en de Adviescommissie in hun ogen leggen tussen aandacht voor fraude in de media en de mogelijkheden om eerder de hardheid van het stelsel aan te passen. De leden van de fractie van de SP vragen voorts in te gaan op de invloed van de media/actualiteiten op politieke besluiten.

In mijn brief van 13 maart jl. als reactie op de rapporten van de Adviescommissie en de ADR heb ik aangegeven dat ouders de dupe zijn geworden van een combinatie van fraudebestrijding die in een aantal gevallen gebaseerd was op institutioneel vooringenomen handelwijzen, het ontbreken van de menselijke maat binnen Toeslagen, harde regelgeving met een buitenproportioneel «alles of niets»- karakter en een grote maatschappelijke en politieke druk om fraude te bestrijden. In 2013 is onder politieke druk van de zogenoemde Bulgarenfraude de fraudeaanpak geïntensiveerd ten koste van dienstverlening. Direct gevolg is geweest dat aan de uitvoering van toeslagen naast rechtmatigheid, dienstverlening en efficiëntie een element werd toegevoegd, namelijk fraudebestrijding. De stringente wetgeving en daarbinnen de strikte uitvoering van het toeslagenstelsel hebben geleid tot een zwart-witbenadering zonder grijstinten. Wat de gedupeerde ouders als gevolg hiervan is overkomen, had nooit mogen gebeuren. Ik dank de Adviescommissie en de ADR voor de heldere en goed gemotiveerde adviezen in haar eindrapport. Ik deel de conclusies van de Adviescommissie en de ADR dat naar aanleiding van de aandacht voor fraude in de media er geen mogelijkheden zijn geweest om eerder de hardheid van het stelsel aan te passen.

In onze brief van 4 februari jl. hebben de Minister van Financiën en ik ten slotte aangegeven het zeer te betreuren dat aan de signalen over de hardheid van de regels rondom de eigen bijdrage geen opvolging is gegeven.

De leden van de fractie van de SP vragen voorts naar de memo’s in het verleden rondom de hardheid van de regels over de eigen bijdrage.

In de Kamerbrief van 4 februari2 is mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een beschrijving gegeven van hoe wij zijn omgegaan met signalen vanuit de Belastingdienst over de eigen bijdrage en proportioneel terugvorderen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uw Kamer eerder medegedeeld dat bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een geauditeerde werkwijze zal worden gezocht naar nadere stukken om het in die brief geschetste beeld zo compleet mogelijk te maken.3 Uw Kamer wordt hierover nader geïnformeerd.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze signalen vanuit de uitvoering eerder en structureler bij de Kamer onder de aandacht worden gebracht.

Sinds het Belastingplan 2016 werkt de Belastingdienst met de openbaar te publiceren uitvoeringstoetsen. Hierbij wordt door de Belastingdienst in nauw overleg met de beleidsmakers op de diverse ministeries samengewerkt om de nieuwe (aanpassing van) wet- en regelgeving zo uitvoerbaar mogelijk te maken en transparant te zijn over de uitvoeringsgevolgen. In deze zaak had, terugkijkend, er indertijd voor gekozen moeten worden om de Kamer mee te nemen in de toen uiteindelijk bewust genomen (harde) beleidskeuze om de regels rondom de eigen bijdrage in stand te houden. Ik ben het dan ook in zijn algemeenheid met uw kamer eens dat signalen vanuit de uitvoering structureler bij de Kamer onder aandacht moeten worden gebracht. Volledigheidshalve merk ik op dat dit niet betekent dat ieder individueel signaal direct aan de Kamer wordt gemeld. Ook kunnen deze signalen worden aangemerkt als onderdeel van intern beraad. Ik kan u, samen met de voor de betreffende toeslag beleidsverantwoordelijke bewindspersoon, wel toezeggen om uw Kamer sneller mee te nemen in dergelijke lastige afwegingen. Graag wijs ik u op de lijst «schrijnende gevallen» die mijn ambtsvoorganger op 17 december jl. gestuurd heeft.4 Hierin zijn diverse voorbeelden van knelpunten opgenomen. De lijst is de basis om met de betrokken beleidsdepartementen overleg te voeren.

Aanvullend hierop staat aandacht voor de uitvoering ook op het netvlies van het kabinet. Zo is er een Ministeriële Commissie Uitvoering ingesteld en is er een Werkagenda voor de Uitvoering opgesteld. Een van de centrale elementen in deze agenda is het traject Werk aan Uitvoering. Hierover is de Kamer op 14 februari jl. ingelicht en daarbij is ook een probleemanalyse meegestuurd.5 Aanvullend op deze analyse worden handelingsperspectieven opgesteld voor structurele verbetering van de uitvoering voor de komende jaren. Dit gebeurt aan de hand van vijf invalshoeken, namelijk: toekomstbestendige dienstverlening, versnelling digitale agenda, wendbaar en toekomstbestendig beleid, wet- en regelgeving, intensivering van samenwerking en verbeteren ambtelijke sturing(sdriehoek) en vergroten statuur en aantrekkelijkheid van de uitvoering. Nadrukkelijk komt in deze perspectieven ook de verbetering van de samenwerking tussen uitvoering en beleid naar voren en het meer centraal zetten van de ervaring en kennis die wordt opgedaan in uitvoering. De planning is om de Kamer over deze handelingsperspectieven voor het zomerreces te informeren.

De leden van de fractie van D66 hebben voorts vragen over het verzanden van signalen rondom de hardheid van de regels van de eigen bijdrage bij toeslagen, vragen naar de documenten hierover en de bekendheid van de problematiek bij de politieke top.

In een recent Wob-verzoek zijn diverse stukken rondom de eigen bijdrage openbaar gemaakt.6 Tegelijkertijd heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uw Kamer geïnformeerd over de omgang van het ministerie met de signalen van Toeslagen over de eigen bijdrage voor de kinderopvang en de bekendheid van de problematiek bij de politieke top. In deze Kamerbrief is weergegeven welk beeld uit de gevonden stukken gereconstrueerd kan worden. Wij kunnen niet vaak genoeg benadrukken dat wij betreuren hoe dit is gelopen. De gevonden stukken zijn gedeeld met de Adviescommissie. Voor het delen van de stukken verwijs ik u graag naar de reactie op het commissieverzoek van 11 maart 2020. In de brief wordt ook aangegeven dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een geauditeerde werkwijze verder zal zoeken naar nadere stukken om het geschetste beeld zo compleet mogelijk te maken.7 Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd na het afronden van de zoektocht.

De leden van de fractie van de PVV vragen of er inzicht is in de mate van institutionele vooringenomenheid op andere (belasting)gebieden of dat het zich beperkt tot Toeslagen.

De Adviescommissie heeft de vraag onderzocht of er sprake was van een vergelijkbare institutionele vooringenomen handelwijze van Toeslagen in andere dossiers.8 Kenmerk daarvan was de zero tolerance-aanpak, waarbij op excessieve wijze strikt werd gehandhaafd, vanuit de gedachte dat iedere gebleken overtreding of onregelmatigheid een indicatie was van stelselmatig misbruik of fraude. De conclusie van de Adviescommissie op dat punt is dat die handelwijze helaas niet uniek was, maar (gelukkig) ook niet normaal en dat die handelwijze zich vooral voordeed in de jaren 2014–2015. In het interim-advies van de Adviescommissie is aangegeven dat de institutionele vertaling in instructies en een apart MT (management team) Fraude, alsmede de (vanuit de politiek gevoede) wens om snel daadwerkelijk wat te doen aan vermoede fraude heeft geleid tot de vooringenomenheid.9 Voeg daarbij de druk om toeslagen «snel en voortvarend» te verlenen, die kan leiden tot een defensieve houding van: «afwijzen bij twijfel», en je krijgt een situatie waarin veel goedwillende ouders lijden onder het strenge regime dat was bedoeld voor een paar «kwaden». Deze bijzondere omstandigheden in combinatie met het snel uitbetalen is specifiek voor toeslagen. Wel wordt de behandeling van signalen van fraude binnen de Belastingdienst, zoals is toegezegd in de brief van 15 november10 jl., tegen het licht gehouden. Het gaat dan om de vraag of, bij signalen van mogelijke fraude, gepaste middelen worden ingezet. Het betreft de waarborgen in de organisatie die ervoor zorgen dat we de gepaste middelen inzetten en daarmee voorkomen dat we burgers en bedrijven ten onrechte met te zware middelen benaderen. Daarbij zal ook worden bezien welke verbeteringen hier bij nodig zijn. Wanneer feiten en omstandigheden daarom vragen, moeten burgers kunnen rekenen op meer persoonlijke dienstverlening en maatwerk in het toekennen en aanpassen van het recht op een toeslag.

De leden van de SP-fractie vragen naar de door de Adviescommissie gesignaleerde oneigenlijke prikkel in de handhaving.

De opbrengst van de maatregelen bestond uit de toeslagen die te hoog of onterecht aangevraagd bleken te zijn, en die nog niet uitbetaald waren. Als uitgangspunt werd gehanteerd dat zonder de maatregelen de correcties hadden plaatsgevonden in de fase van het definitief toekennen. Als een correctie bij definitief toekennen plaatsvindt, is het te hoge voorschot reeds uitbetaald en moet daarom teruggevorderd worden. Omdat dit door de maatregelen werd voorkomen, werd een inschatting gemaakt van het bedrag aan voorkomen terugvorderingen dat oninbaar zou zijn geweest. Dit werd beschouwd als opbrengst van de maatregelen. Als bij het toezicht bleek dat een reeds uitbetaald bedrag teruggevorderd moest worden, werd dit niet meegerekend als opbrengst.

Deze benadering is ook toegelicht in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit.11 Daarin is eveneens aangegeven dat de fraudemaatregelen ertoe leiden dat ook onterechte aanvragen worden tegengehouden die niet als fraude te kwalificeren zijn.

Deze maatregelen zijn destijds in de brief van 10 mei 201312 aangekondigd ter voorkoming en bestrijding van fraude met toeslagen. Daarna is overleg gevoerd met de opdrachtgevende ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om te bezien of zij bereid waren de extra uitvoeringskosten van de Belastingdienst te dragen, omdat de «opbrengsten» (lagere programma uitgaven) bij de departementen neerslaan.

De extra uitvoeringskosten van deze maatregelen zijn berekend op € 25 miljoen voor de Belastingdienst en € 8 miljoen voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties, waarvan € 3 mln. structureel kan worden ingezet voor de gemeenten, die met het GBA-loket een belangrijke rol hebben bij het signaleren van fraude. Tussen de Belastingdienst en de departementen is afgesproken dat de implementatie en realisatie van de maatregelen intensief gemonitord zouden worden. Ook is afgesproken dat als de besparingen van de extra maatregelen lager uitvallen dan € 33 miljoen per jaar de betrokken departementen gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst. In de memorie van toelichting van de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit13 worden de uitvoeringkosten van de Belastingdienst vermeld, en wordt aangegeven dat deze worden gedekt uit de besparing op de programma-uitgaven aan toeslagen. De afspraak over de dekking en de monitoring van de € 33 miljoen aan gezamenlijke uitvoeringskosten is vermeld in de toelichting op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor 2014.14 De budgetoverheveling vanaf 2014 is structureel en geldt nog steeds, de monitoring van de opbrengsten is begin 2019 gestopt.

De leden van de fractie van de PVV vragen of en zo ja hoe uniek het is dat, op basis van onder meer gewijzigde jurisprudentie, in beginsel strikt gehanteerde wetgeving met terugwerkende kracht (gedeeltelijk) ongedaan wordt gemaakt. Verder vragen de leden of er risico op precedentwerking naar andere wet- en regelgeving bestaat.

In het bestuursrecht is het niet gebruikelijk dat er terugwerkende kracht uitgaat van jurisprudentie waarin de rechter expliciet terugkomt op een eerdere uitleg en toepassing van de wet. Het beginsel van rechtszekerheid verzet zich er in principe tegen dat besluitvorming op basis van strikt gehanteerde wetgeving met terugwerkende kracht wordt teruggedraaid als de rechter terugkomt op die eerdere uitleg. Het betreft hier aldus een unieke situatie. Echter, de andere betrokken bewindslieden en ik zijn van mening dat hier sprake is van onbillijkheden van overwegende aard waarvan het evident onredelijk is om deze voor rekening van de ouders te laten.

In navolging van de Adviescommissie heb ik de noodzaak gezien om een omvangrijk pakket aan compensatieregelingen en aanvullende maatregelen te treffen. Hierbij bestaat een risico op precedentwerking. Alle regelingen die ik heb aangekondigd in de brief15 van 13 maart jl. worden op dit moment uitgewerkt. Hierbij ga ik zorgvuldig te werk. Ongewenste precedentwerking is een factor waar ik ook rekening mee zal houden bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel malafide kinderopvangorganisaties er – voor zover bekend – er in Nederland zijn.

In 10 van de onderzochte gevallen zijn de houders/eigenaren van kinderopvangorganisaties strafrechtelijk vervolgd.

De leden van de fractie van de PVV vragen of deze malafide kinderopvangorganisaties inmiddels zijn gesloten.

Ja, deze kinderopvangorganisaties zijn allemaal gesloten.

De leden van de fractie van de PVV vragen waar de gedragingen van de malafide kinderopvangorganisaties uit bestonden.

De gedragingen bestonden, in wisselende samenstellingen, onder meer uit:

  • Het niet in rekening brengen van de eigen bijdrage bij de ouders;

  • Het met behulp van DigiD van de ouder(s) aanvragen van kinderopvangtoeslag waarbij de aanvraag niet in overeenstemming was met de werkelijkheid (al dan niet in samenwerking met de ouder(s));

  • Het vervaardigen van valse stukken waarbij meer uren worden gefactureerd en verantwoord in de jaaropgaven dan daadwerkelijk door de ouder(s) afgenomen;

  • In met name de jaren voor 2012: Het sluiten van overeenkomsten tussen de houders en de ouder(s) die niet in overeenstemming waren met de werkelijkheid.

De leden van de fractie van de PVV vragen of deze malafide kinderopvangorganisaties tevens de kinderopvangorganisaties waren die de eigen bijdrage voor de ouders voldeden.

Onder deze malafide kinderopvangorganisaties vallen tevens kinderopvangorganisaties die geen eigen bijdrage in rekening hebben gebracht bij de ouders. In de jaaropgave werd dan overigens veelal een bedrag opgenomen waaruit zou moeten blijken dat de eigen bijdrage wel zou zijn betaald door de ouder(s).

Informatievoorziening aan de Kamer

In de kabinetsreactie heb ik uw Kamer toegezegd om u voorafgaand aan het te plannen Algemeen Overleg over Toeslagen via een voortgangsrapportage te informeren over de stand van zaken ten aanzien van de afgeronde en nog openstaande moties en toezeggingen op het terrein van toeslagen16. Kort daarna zijn de strenge maatregelen om de verspreiding van COVID-19 te beperken van kracht geworden. In de tussentijd is – binnen de mogelijkheden – alles in het werk gesteld om in het belangrijke proces van de hersteloperatie toeslagen snelheid te blijven maken.

De leden van de fractie van de PVV vragen in lijn daarmee wanneer de voortgangsrapportage verwacht kan worden omtrent de afgeronde en openstaande moties en toezeggingen op het terrein van toeslagen.

Het Algemeen Overleg is vanwege de COVID-19 maatregelen vooralsnog uitgesteld, desalniettemin doe ik mijn toezegging gestand door de voortgangsrapportage als bijlage mee te sturen bij de aanbiedingsbrief van deze beantwoording (zie bijlage bij Kamerstuk 31 066, nr. 630).

De leden van de SP-fractie vragen de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang, ook van zaken die nog ingesteld of onderzocht moeten worden. Tevens zijn zij benieuwd naar hoe gedupeerden op de hoogte worden gehouden van de voortgang.

Ik zeg graag toe om uw Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken. Niet alleen met betrekking tot de compensatie voor de CAF-zaken die vergelijkbaar zijn met CAF 11, maar de algehele voortgang op dit belangrijke dossier. Ik zal u periodiek een voortgangsrapportage sturen met de voortgang, waarvan de eerste als bijlage is opgenomen bij de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.

De toeslaggerechtigden die voorkomen in de populatie «waarschijnlijk vergelijkbaar met CAF 11» en «mogelijk vergelijkbaar met CAF 11» zijn in beeld en worden in mei geïnformeerd over de mogelijkheid tot het aanvragen van een compensatie. De toeslaggerechtigden die in andere CAF-dossiers voorkomen en de zelfmelders worden geïnformeerd. De Herstelorganisatie zal actief communiceren over de wijze waarop het aanmeldingsproces en vervolg verloopt. Dit zal via persoonlijke brieven en via de landingspagina op www.toeslagen.nl geschieden.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het mogelijk is voortgangsrapportages van het strategisch crisisteam aan de Kamer te doen toekomen en/of de Kamer nader te informeren omtrent de geïdentificeerde risico’s, planning en voortgang. Daarnaast vragen deze lezen hoe de jaarlijkse uitvoeringskosten van de crisisorganisatie zijn geraamd en of deze vallen binnen de eerder aangehaalde 110 miljoen euro.

Het Strategisch Crisisteam (SCT) komt twee keer per week samen; op maandagen worden de voortgang en risico’s besproken, op donderdagen is er een langer overleg voor de inhoudelijke behandeling van voorstellen. Relevante informatie voor uw Kamer met betrekking tot de voortgang van de herstelorganisatie wordt benoemd in de voortgangsrapportage Toeslagen die is opgenomen als bijlage bij de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.

De jaarlijkse uitvoeringskosten van de crisisorganisatie bestaan grotendeels uit uitvoeringskosten voor de herstelregelingen denk hierbij aan personeelskosten, huisvesting en ICT-voorzieningen. Daarnaast zijn er kostenposten ingericht voor andere functies in de crisisorganisatie, zoals communicatie, coördinatie, bestuurlijke adviesraad en ouder- en kindpanel. De totale kosten hiervoor zijn geraamd op € 110 miljoen.

De leden van de fractie van de SP vragen zich af of het wellicht mogelijk is om via transparant maken van interne werkinstructies meer zicht op rechtsbescherming en handelwijze te mobiliseren. Hoe er wordt gehandhaafd en waarop wordt gecontroleerd hoeft goed fraudeonderzoek niet in de weg te staan.

Ook ik ben van mening dat de Belastingdienst, waar mogelijk, transparant moet zijn over de werkwijze waarop wordt gehandhaafd en gecontroleerd. Dit geldt ook in het geval van fraudebestrijding. Mede daarom wordt in het Jaarplan 2020 Belastingdienst ingegaan op fraudebestrijding. Daarnaast zijn de uitvoerings- en toezichtstrategie (ook wel handhavingstrategie)17 en het handboek controle18 openbaar. Ten slotte is er de aanmeldings- en vervolgingsrichtlijn, die ook is gepubliceerd19. In de brief van 15 november jl. heeft mijn ambtsvoorganger aangekondigd dat Belastingdienstbreed het fraudebeleid wordt onderzocht en waar nodig bijgesteld.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang van het aantal gedupeerden dat compensatie of financiële reparatie heeft ontvangen.

Ik zal uw Kamer periodiek op de hoogte houden van de voortgang door middel van een voortgangsrapportage. De eerste voortgangsrapportage is als bijlage opgenomen bij de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer het kabinet een reactie op deelrapport 1 van het IBO Toeslagen met de Kamer deelt.

Uw Kamer heeft inmiddels een uitstelbrief ontvangen waarin is aangegeven dat IBO Toeslagen deel 2 en de kabinetsreactie zo snel mogelijk, en i.i.g. voor de zomer aan de Kamer verzonden

De leden van de fractie van de PVV vragen in algemene zin nader in te gaan op de berichtgeving van Follow The Money over de toeslagenaffaire.

Hierover zijn via de vaste commissie voor Financiën nadere vragen gesteld, deze worden separaat beantwoord.

B. Afwikkeling interim-advies Adviescommissie uitvoering toeslagen

In de onderstaande vragen wordt ingegaan op de stappen die naar aanleiding van het interim-advies van de Adviescommissie reeds zijn gezet, de voortgang van de afwikkeling en vragen over de uitwerking van de compensatieregeling en de vragen die zien op de vormgeving van de aanvullende compensatie voor schrijnende gevallen.

Voortgang van de afwikkeling compensatieregeling naar aanleiding van het interim-advies

De leden van de VVD-fractie vragen of alle ouders in de CAF 11-zaak inmiddels compensatie hebben ontvangen en wanneer. Ook de leden van de PVV-fractie vragen hiernaar.

Alle ouders waarvan het rekeningnummer bekend is (geworden) hebben de compensatie ontvangen. Van vijf ouders ontbreekt nog het rekeningnummer. Zij hebben een buitenlands adres of zijn vertrokken naar een onbekende bestemming. De brieven met buitenlandse adressen zijn onbestelbaar retour gekomen. Pogingen tot opvraag van het rekeningnummer zijn tot dusverre vruchteloos gebleken. Geprobeerd wordt via buitenlandse belastingdiensten aan adresgegevens van deze burgers te komen. Indien de rekeningnummers van de vijf ouders kunnen worden achterhaald, zal ook aan hen de compensatie worden uitbetaald.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer de definitieve herstelbeschikkingen zijn verstuurd.

De definitieve compensatiebeschikkingen zijn met dagtekening 26 maart 2020 verzonden.

De leden van de fractie van de PVV vragen of de conclusie gerechtvaardigd is dat maximaal 77 personen op enigerlei wijze extra zijn gecompenseerd enkel omdat zij hebben gereageerd op de vooraankondiging.

De verzoeken van de personen die hebben gereageerd op de in de vooraankondiging opgenomen (voorlopige) berekening van de compensatie zijn allen individueel beoordeeld of aanvullende compensatie van toepassing is. De reacties zien op:

  • een andere zienswijze met betrekking tot de hoogte van de correctiebesluiten, direct verband houdend met de ingreep in het toeslagrecht;

  • aanvullende verzoeken tot vergoeding van proceskosten;

  • verzoek tot hogere vergoeding van (im)materiële schade (deze worden voorgelegd aan de «Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade»).

Voor een groot aantal burgers wordt extra compensatie toegekend en uitbetaald. Dit heeft betrekking op het berekenen van het aantal maanden vanaf het moment van de eerste verlaging tot het moment van het volledige herstel. Het is dus niet zo dat alleen deze personen die zich al reeds hebben gemeld extra worden gecompenseerd.

De leden van de fractie van de PVV vragen of ik weet of ouders betrokken bij de CAF 11-zaak als rechtstreeks gevolg betrokken waren tot gedwongen verkoop van bezittingen en hoe deze ouders dit moeten aantonen. Daarnaast vragen deze leden welke kosten zijn gemoeid met de compensatie van de gedwongen verkoop.

Bij beleidsbesluit20 is geregeld dat in het geval dwanginvordering door Toeslagen aantoonbaar heeft geleid tot gedwongen verkoop van bezittingen van de ouder, de ouder op aanvraag voor deze schade een compensatie kan krijgen. Hierbij gelden twee voorwaarden: er moet sprake zijn van gedwongen verkoop van bezittingen door Toeslagen bij de dwanginvordering van een terugvordering kinderopvangtoeslag over de berekeningsjaren 2012, 2013 en/of 2014 en de ouder maakt aannemelijk dat hij schade heeft ondervonden door de gedwongen verkoop en hoe hoog die schade is. De wijze waarop de ouder dit aannemelijk kan maken, verschilt per casus. Op dit moment zijn nog geen claims bekend, een inschatting van de totale kosten die samenhangen met compensatie van de gedwongen verkoop is nu nog niet te maken. Deze verzoeken worden, naast de andere verzoeken tot een hogere vergoeding van (im)materiële schade, voorgelegd aan de «Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade».

De leden van de fractie van de PVV vragen verder of er ouders betrokken bij de CAF 11-zaak zijn die noodgedwongen bezittingen hebben verkocht, maar hier desondanks geen schade van hebben ondervonden en hoe dit gebrek aan schade is vastgesteld.

Deze vraag wordt zo begrepen dat het gaat om ouders die zelf het initiatief hebben genomen tot verkoop van hun bezittingen. Dit is een situatie die niet valt onder de hiervoor genoemde voorwaarden uit het beleidsbesluit. Gegevens omtrent ouders die zelf het initiatief tot verkoop hebben genomen zijn niet bekend. Evenmin zijn er (nog) geen gevallen bekend op dit vlak.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom de hiervoor genoemde compensatie enkel op aanvraag is.

De benodigde gegevens om te bepalen of er recht bestaat op aanvullende compensatie zijn niet (allemaal) bij ons voorhanden, daarom is aanvullende compensatie alleen op verzoek mogelijk. In de vooraankondigingen van 17 december 2019 is expliciet gewezen op de mogelijkheid tot aanvullende compensatie, waarbij de ouder ons gegevens moet verschaffen.

De leden van de fractie van de PVV vragen of er met betrokkenen (telefonisch) contact opgenomen wordt om de hiervoor genoemde compensatie toe te lichten?

In de vooraankondigingsbrief van 17 december 2019 is melding gemaakt van de mogelijkheid tot aanvullende compensatie. De ouders die daaromtrent – vrijwel altijd telefonisch – vragen stelden zijn geïnformeerd over de achtergrond van de regeling en voorgenomen werkwijze. Daarnaast heeft met een aantal ouders een persoonlijk gesprek plaatsgevonden bij de ouders thuis of op een belastingkantoor. Met de definitieve compensatiebeschikking van 26 maart 2020 zijn de ouders, die verzocht hebben om vergoeding van hogere werkelijke schade, geïnformeerd dat dit verzoek wordt voorgelegd aan een onafhankelijke externe commissie («Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade»).

De leden van de fractie van de PVV vragen of er CAF 11-ouders zijn waar het recht op toeslag is vervallen in 2020 ten gevolge van overschrijding van de vermogensgrens. En indien dit het geval is of dit een rechtstreeks gevolg is van het niet reageren op de vooraankondigingsbrief.

Er zijn op dit moment nog geen ouders die een beroep op de regeling voor compensatie van gevolgschade voor 2020 als gevolg van het uitkeren van de compensatie hebben gedaan.

Bij de definitieve compensatiebeschikking van 26 maart 2020 is ook een extra forfaitaire vergoeding van 1% toegekend voor de mogelijk hogere vermogensrendementsheffing in box 3 en een eventueel daaruit voortvloeiende inkomensafhankelijke afbouw van de hoogte van de toeslagen.

De leden van de fractie van de PVV vragen daarnaast welke kosten er gemoeid zijn met de compensatie op verzoek.

Ook de kosten de gemoeid zijn met de eenmalige compensatie indien uitbetaling van de compensatieregeling, als gevolg heeft dat de vermogensgrens bij toeslagen wordt overschreden, zijn op dit moment niet bekend. Zoals hiervoor aangegeven zijn er nog géén ouders die een beroep op de regeling hebben gedaan. Daarnaast beschikt de Belastingdienst nog niet over gegevens over het vermogen van ouders per 1 januari 2020, die nodig zijn voor een mogelijke cijfermatige inschatting van de kosten.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar de kosten die gemoeid zijn met de extra box 3 compensatie.

Het totale bedrag dat als extra compensatie is toegekend voor mogelijke effecten in box 3 en eventueel daaruit voorvloeiende afbouw in inkomensafhankelijke toeslagen is € 42.051.

De leden van de fractie van de PVV merken op dat 287 ouders recht hadden op compensatie, tegen een totaalbedrag van € 4.232.503 daarvan hebben 282 ouders reeds de compensatie ontvangen. Deze leden vragen of dit bedrag tevens de eerdergenoemde eventueel aanvullende compensatie bevat en wat de uitvoeringskosten waren om de compensaties te bewerkstelligen.

Het totaalbedrag van € 4.232.503 is op basis van de vooraankondiging. Dit is inclusief de extra compensatie voor mogelijke effecten in box 3, maar exclusief de aanvullende compensatie voor het vervallen van het recht op toeslag als gevolg van het overschrijven van de vermogensgrens en de aanvullende schadevergoedingen. Daarnaast bestaat er nog steeds het recht op bezwaar maken, waardoor het uiteindelijke compensatiebedrag hoger kan uitvallen. Het uitkeren van de compensatieregeling voor CAF 11 is uitgevoerd binnen de bestaande capaciteit bij Toeslagen. Het is niet mogelijk om een uitsplitsing te geven van de kosten die gemoeid zijn met de inspanningen om de regeling voor CAF 11 uit te voeren. Voor de totale hersteloperatie worden de uitvoeringskosten begroot op € 110 miljoen.

De leden van de PVV-fractie vragen of de betreffende ouders naar hun tevredenheid zijn gecompenseerd en of de Staatssecretaris al reactie van de ouders heeft gehad.

De reacties van ouders op de vooraankondigingsbrief, uitbetaling van de (voorlopige) compensatie en de tot dusverre gevoerde informatieve oudergesprekken zijn overwegend positief. De mate waarin tot tevredenheid is gecompenseerd is individueel verschillend en kan nu (nog) niet worden vastgesteld. 80 ouders hebben inmiddels verzocht om een hogere vergoeding voor geleden schade. Deze verzoeken worden voorgelegd aan de «Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade».

Ik heb regelmatig contact met ouders via onder meer twitter, oudergesprekken en informatieve bijeenkomsten. Ook het serviceteam van de gedupeerdenlijn heeft veel contacten met ouders. In die contactmomenten worden reacties gedeeld.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar het aantal te verwachten bezwaren tegen de definitieve compensatiebeschikkingen?

Op dit moment is daar nog geen uitspraak over te doen. Het is mogelijk dat betrokken ouders zich niet zullen neerleggen bij de definitieve beschikking en dan is het maken van bezwaar vanzelfsprekend mogelijk. Bezwaar tegen de definitieve compensatiebeschikking (grondslag Beleidsbesluit Compensatieregeling CAF 11 d.d. 6 december 2019) wordt voorgelegd aan de onafhankelijke Bezwaarschriftenadviescommissie.

Verzoeken tot vergoeding van hogere werkelijke schade worden voorgelegd aan «Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade».

De leden van de fractie van de PVV vragen of de 22 ouders die bericht hebben gehad dat zij niet gecompenseerd zouden worden evident geen recht op kinderopvangtoeslag hebben.

De betreffende casussen zijn allemaal voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. In alle 22 casussen was er sprake van evident géén recht op kinderopvangtoeslag. Het ging hierbij bijvoorbeeld om situaties waarin er geen sprake was van een correctie van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2012, 2013 en 2014, de correctie niet het gevolg was van het CAF 11 onderzoek, dat er sprake was van een ernstige onregelmatigheid als omschreven in het rapport van de Adviescommissie, of er is geen kinderopvang afgenomen, er is niet gereageerd op uitvraagverzoeken van Toeslagen en er is ook geen bezwaar aangetekend.

De leden van de fractie van het CDA vragen om van de 22 CAF 11-ouders die geen recht hadden op compensatie per geval te specificeren wat de reden was dat er geen recht op compensatie bestond.

Ik kan hier niet ingaan op de individuele casussen. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld in antwoord op vragen van het lid Leijten21 zijn de ouders die geen recht hebben op compensatie conform het eerste advies van de Adviescommissie allen beoordeeld door een Commissie van Wijzen. Aan deze ouders is aangegeven dat er bij de volgende situaties geen recht is op compensatie als: er geen onderzoek in het kader van het CAF 11 is geweest voor de jaren 2012, 2013 en 2014, dat heeft geleid tot een verlaging van de kinderopvangtoeslag; er evident geen recht is op kinderopvangtoeslag, bijvoorbeeld omdat het kind te oud was voor de kinderopvang of omdat er geen gebruik is gemaakt van kinderopvang; ook na (herhaalde) verzoeken geen informatie is aangeleverd die het recht op kinderopvangtoeslag moet vaststellen, er geen contact met Toeslagen is opgenomen en er ook geen bezwaarschrift is ingediend. Elke ouder heeft hierbij in een brief ook de omschrijving ontvangen waarom hij/zij specifiek geen recht heeft op de compensatie. Daarbij is aangegeven dat de ouder kan reageren op deze brief met zijn/haar eigen zienswijze. Op dit moment hebben we geen reactie van deze ouders ontvangen.

Aanvullende compensatie voor eventuele hogere werkelijke schade voor schrijnende gevallen zoals aangekondigd in kabinetsreactie

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel schrijnende gevallen er worden verwacht.

In de kabinetsreactie heb ik aangegeven dat in aanvulling op de compensatieregeling en de daarin opgenomen forfaitaire bedragen voor materiële en immateriële schade ik het ook mogelijk maak dat ouders in voorkomende gevallen meer schade vergoed krijgen. Daarvoor is echter onontkoombaar dat ouders aannemelijk maken dat sprake is van aanvullende schade en dat die schade het gevolg is van het hiervoor bedoeld vooringenomen optreden van Toeslagen. De beoordeling van deze verzoeken zal door een onafhankelijke commissie plaatsvinden. Het is op voorhand niet te zeggen hoeveel ouders voor deze bijzondere vergoeding in aanmerking komen.

De leden van de fractie van de PVV vragen wanneer iemand voldoet aan de definitie van schrijnend geval en hoe ouders kunnen weten of zij gekwalificeerd worden als schrijnend geval.

Of er sprake is van een «schrijnend geval» is geen zelfstandig criterium om te beoordelen of een ouder in aanmerking komt voor een hogere schadevergoeding, maar hangt af van in welke mate de ouder gedupeerd is door de handelwijze van Toeslagen. Om in aanmerking te komen voor een hogere schadevergoeding moeten ouders aannemelijk maken dat sprake is van aanvullende schade en dat die schade het gevolg is van het hiervoor bedoeld vooringenomen optreden van Toeslagen. De beoordeling van deze verzoeken zal door een onafhankelijke commissie plaatsvinden. Bij de beoordeling van de dossiers staat een transparante en ruimhartige opstelling van Toeslagen jegens de ouders centraal. Ouders zullen altijd de mogelijkheid hebben om, na de beoordeling van een dossier, inzicht te krijgen in de afwegingen die bij medewerkers van Toeslagen centraal hebben gestaan.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de aanvulling op de compensatieregeling en de forfaitaire bedragen vormgegeven wordt door de onafhankelijke commissie. Zij vragen hierbij in het bijzonder of de commissie zelf haar werkwijze bepaalt, naar de transparantie van de werkwijze en de toetsbaarheid hiervan.

Ouders die menen dat hun werkelijke schade hoger is dan de vergoeding die uit de compensatieregeling, en de daarin opgenomen forfaitaire bedragen, voortvloeit, kunnen bij Toeslagen een verzoek tot aanvullende vergoeding indienen. Toeslagen zal deze verzoeken aan een onafhankelijke Commissie aanvullende schadevergoedingen werkelijke schade voorleggen en het advies van deze Commissie volgen. Op dit moment wordt het instellingsbesluit van deze commissie opgesteld. Zodra deze gereed is, deel ik die met uw Kamer.

Het instellingsbesluit waarmee de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade wordt ingesteld bepaalt dat de commissie zelf haar eigen werkwijze vaststelt en dat zij haar oordeel rapporteert aan Toeslagen. Ik zal de commissie wel enkele kaders meegeven om deze verzoeken in behandeling te kunnen nemen. Zodra ik deze gereed heb, zal ik ze delen met uw Kamer. Om meer schade vergoed te krijgen moet door ouders aannemelijk worden gemaakt dat sprake is van aanvullende schade – die in onvoldoende mate is vergoed met de forfaitaire bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding die op grond van de compensatieregeling zijn toegekend – en dat die schade het gevolg is van het door de Adviescommissie vastgestelde institutioneel vooringenomen optreden van Toeslagen.

C. Herstelregeling in reactie op het eindrapport Adviescommissie uitvoering toeslagen

In haar eindrapport gaat de Adviescommissie in op twee groepen. De groep ouders die op mogelijk vergelijkbare wijze als in het CAF 11-dossier zijn behandeld en de groep ouders die zijn getroffen door de hardheid van het stelsel door de reguliere werking en handhaving van de regelgeving rondom de Kinderopvangtoeslag en de uitleg die daaraan in uitvoering en rechtspraak is gegeven. Ik ga hierna in op de vragen met betrekking tot beide groepen en de vragen die zijn gesteld over de gekozen drempel van € 1.500. Vervolgens zal worden ingegaan op de planning, ondersteuning en communicatie richting de ouders en de benodigde (cultuur)veranderingen in de organisatie.

Compensatieregeling voor situaties vergelijkbaar aan CAF 11

De leden van de fractie van de VVD vragen te reflecteren op het achteraf bijstellen en handmatig afleiden van informatie, en vragen welke stappen en acties worden ondernomen op de korte en lange termijn om dit te verbeteren.

De informatie over CAF-zaken en de betrokken ouders werd vanwege de grote aantallen primair gegenereerd uit de systemen en archieven door middel van data-analyse. Omdat een deel van de informatie niet gestructureerd wordt vastgelegd in de systemen en daarmee niet oproepbaar is door middel van massale query’s, moeten de ontbrekende gegevens aangevuld worden aan de hand van handmatige analyses. Door de grote aantallen was er bij de handmatige vulling slechts een eerste beoordeling. Hierdoor was het mogelijk dat er bij een nadere, intensieve bestudering van het dossier aanvullende informatie werd gevonden. Bij de beoordeling of een ouder in aanmerking komt voor compensatie vindt echter altijd een intensieve analyse plaats op het gehele dossier.

Zoals de Adviescommissie al constateert, betekent dit niet dat de bestanden niet deugen of dat de verstrekte informatie niet betrouwbaar is, maar dat de gegevens een nadere toelichting behoeven. Desondanks heb ik besloten om nader onderzoek te laten doen naar de wijze waarop gegevensbeheer binnen Toeslagen plaatsvindt. Zodra dat onderzoek is afgerond deel ik de resultaten met uw Kamer.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer er wordt gestart met de aangekondigde acties voor de schrijnende gevallen.

Ouders kunnen zich reeds melden via het servicenummer. Ik streef ernaar om voor de zomer de loketten waar ouders zich kunnen melden gereed te hebben. Beoordeling van de dossiers zal binnen zes maanden starten. Dit is mede afhankelijk van het spoedwetgevingstraject voor de hardheidsregeling en het werven van de benodigde capaciteit voor de uitvoering bij Toeslagen. Zoals hiervoor aangegeven zijn de uitvoeringsconsequenties van de herziening en hardheidstegemoetkoming zeer fors. Hoewel ik ernaar streef om in 2020 en 2021 zoveel mogelijk ouders die in aanmerking komen voor een herziening of tegemoetkoming het daarbij behorende bedragen uit te keren, kan ik niet uitsluiten dat dit in sommige gevallen langer zal doorlopen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de vijf criteria voor vergelijkbaarheid met CAF 11 uitputtend zijn of dat er bij nader inzien nog andere criteria in acht genomen dienen te worden. Daarnaast vragen deze leden welke dit zijn en waarom, en zo nee waarom de Staatssecretaris overtuigd is dat deze uitputtend zijn.

De vijf criteria zijn uitputtend voor het beoordelen of er bij een CAF-zaak sprake is van vergelijkbaarheid met CAF-11. De vijf criteria zijn de punten waarop het toezicht bij een vooringenomen groepsbenadering afweek van de «reguliere» werkwijze, dus beoordeling op basis van deze vijf criteria zal daarom het beste duiden wanneer er sprake is van vergelijkbaarheid met CAF-11 en wanneer niet.

Door Toeslagen zal worden onderzocht of op CAF-dossierniveau sprake is geweest van een groepsgewijze, (institutionele) vooringenomen aanpak volgens de criteria van de Adviescommissie.

De «modus operandi» van Toeslagen bevat dan (één of meerdere van) de volgende indicatoren.

  • 1) collectieve stopzetting zonder voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde (»zachte stop»);

  • 2) breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;

  • 3) gevolgd door een zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden;

  • 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;

  • 5) het afwijzen of reduceren van de KOT-aanspraak bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.

Het opdrachtformulier behorend bij het betreffende CAF-(onderzoeks)dossier en daarin opgenomen instructies moeten worden onderzocht. Ook de periode waarin de CAF onderzoeken plaats hadden bevat een mogelijke aanwijzing. De «mogelijke betrokken» CAF-dossiers speelden in 2014 tot en met april 2016. Daarnaast kan steekproefsgewijze beoordeling van de in het betreffende CAF-dossier aanwezige individuele dossiers van toeslaggerechtigden waardevolle informatie bevatten om te beoordelen of er in dit geval sprake is van vergelijkbaarheid met CAF-11.

De leden van de fractie van de PVV constateren dat het een groep betreft van mogelijk meer dan 3.000 ouders en vragen wat de verwachte grootte is van deze groep.

Het genoemde aantal van 3.000 ouders is gebaseerd op het aantal toeslaggerechtigden die betrokken zijn bij dossiers waarin volgens de Adviescommissie een vergelijkbare vooringenomen behandeling als bij CAF-11 waarschijnlijk of mogelijk het geval is geweest. De commissie wijst er daarbij met nadruk op dat per zaak beoordeeld moet worden of daadwerkelijk sprake van is van een institutioneel vooringenomen aanpak. Zonder deze beoordeling kan ik niet zeggen of en hoeveel groter de groep is dan het door de Adviescommissie genoemde aantal van 3.000.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom ouders zelf een aanvraag moeten indienen voor compensatie.

Het is voor Toeslagen niet uitvoerbaar om bij alle in het verleden toegekende kinderopvangtoeslagen waarbij een nihil-stelling heeft plaatsgevonden zelf na te gaan of compensatie, herziening of tegemoetkoming zou moeten plaatsvinden. Dit zou namelijk betekenen dat zeer grote aantallen dossiers individueel en handmatig beoordeeld moeten worden. Veelal is ook de benodigde informatie niet beschikbaar. Hiermee wordt ook aangesloten bij het advies van de Adviescommissie. Het is daarom onontkoombaar dat ouders die menen in aanmerking te komen voor compensatie, herziening of tegemoetkoming zich moeten melden. We gaan ouders het wel zo gemakkelijk mogelijk maken zich te melden en de ouders zullen op verschillende manieren en via verschillende instanties de komende tijd worden gevraagd om zich te melden om een aanvraag in te dienen.

De leden van de fractie van het CDA vragen om bij het al dan niet op verzoek herzien en niet alleen juridische argumenten mee te wegen, maar ook dat wat voor ouders het meest vriendelijk is.

Ik ondersteun de opmerking van de leden van de CDA-fractie hierover en volg de aanbevelingen van de Adviescommissie hierover.

De leden van de PVV-fractie merken op dat de Staatssecretaris aangeeft nader te kijken of geconstateerde formele tekortkomingen, zoals het ontbreken van een handtekening, ook kan leiden tot matiging van de terugvordering. Deze leden vragen of een dergelijke formele tekortkoming zwaarder weegt dan bijvoorbeeld het (gedeeltelijk) niet betalen van de eigen bijdrage.

Het is niet de bedoeling om een rangorde aan te brengen in de redenen waarom een kinderopvangtoeslag kan zijn teruggevorderd. Van belang is of sprake is van een disproportionele uitkomst waarvoor we een oplossing kunnen bieden. Van een dergelijke disproportionele uitkomst zal naar mijn zeker ook sprake kunnen zijn indien in een concreet geval een onbedoelde kleine formele tekortkoming heeft geleid tot een volledige terugvordering van de toeslag waarop materieel wel recht bestond.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe wordt vastgesteld wie recht heeft op compensatie en wie niet. Deze leden vragen tevens of ik er vertrouwen in heb dat Toeslagen in alle objectiviteit kan vaststellen of er in individuele gevallen sprake is geweest van onredelijke hardheid van het toeslagenstelsel en waar dit vertrouwen op is gebaseerd.

Ik heb er vertrouwen in dat er tot een weloverwogen en onafhankelijk oordeel gekomen kan worden of een burger recht heeft op een compensatie of niet. Hetzelfde geldt bij het vaststellen of burgers slachtoffer zijn geworden van een onredelijke hardheid van het toeslagenstelsel. De Adviescommissie heeft objectieve criteria voor geformuleerd op basis waarvan de apart opgerichte Herstelorganisatie Toeslagen met de dossiers aan de slag gaat. Als volgende stap zal de herbeoordeling van dossiers plaatsvinden, waarbij gekeken wordt of herstel, reparatie of compensatie aan de orde is op basis van het eindrapport van de Adviescommissie en de kabinetsreactie daarop van 13 maart jl. Het beoordelingsproces of een CAF-zaak vergelijkbaar is met CAF 11 is gestart en wordt begin mei afgerond. De burgers worden daarover in mei geïnformeerd. Bovendien zullen de onafhankelijke Commissie van Wijzen en de Bezwaarschriftenadviescommissie de uitkomsten vanuit de Herstelorganisatie beoordelen. Medewerkers die in het verleden betrokken zijn geweest bij de beoordeling van dossiers van deze ouders, zullen deze rol in de Herstelorganisatie niet vervullen.

De processen voor herbeoordeling worden goed beschreven en vastgelegd. Hierbij worden waarborgen, zoals het vier ogen principe, ingebouwd zodat de ouders verzekerd zijn van een goede besluitvorming. De besluitvorming wordt transparant vastgelegd zowel voor de ouders als binnen de organisatie.

De leden van de van de fractie van het CDA en de leden van de fractie van GroenLinks vragen of het niet veel logischer is om alle ouders die in CAF-zaken zitten te informeren en de selectie te laten plaatsvinden op afstand van toeslagen.

Ik ben het met de leden eens dat het logisch is om ouders waarvan wij weten dat zij in een vergelijkbare CAF-zaak zitten actief te benaderen. Dit is ook mijn intentie. In mijn brief22 van 13 maart jl. heb ik aangegeven dat wanneer wordt geconcludeerd dat sprake is van een vergelijkbare behandeling als bij CAF 11, ouders actief op de hoogte moeten worden gebracht van het feit dat zij mogelijk voor compensatie in aanmerking komen. Zoals blijkt uit het onderzoek van de Adviescommissie, is echter niet in alle CAF-zaken sprake van een vergelijkbare behandeling als bij CAF 11. De door de Adviescommissie geïdentificeerde dossiers worden eerst door Toeslagen beoordeeld op een mogelijk vooringenomen behandeling. Indien Toeslagen heeft vastgesteld dat in een dossier geen sprake is van een vooringenomen behandeling wordt dit dossier voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. In de gevallen waarin geen sprake is van een vergelijkbare behandeling als bij CAF 11 kunnen ouders zich ook te melden voor beoordeling van hun dossier op hardheden. Wij zullen hen op de hoogte stellen van die mogelijkheid.

De leden van de fractie van het CDA vragen mij verder of het niet logischer is om de selectie te laten plaatsvinden op afstand van Toeslagen. De beoordeling van de dossiers vindt plaats binnen de apart hiervoor opgerichte directie Uitvoering Herstel Toeslagen. Het uiteindelijke besluit of iemand recht heeft op compensatie zal genomen moeten worden door Toeslagen. Dit doet de Belastingdienst echter niet alleen. In de eerste plaats hebben de ADR en de Adviescommissie al een eerste onafhankelijk onderzoek uitgevoerd, respectievelijk advies gegeven over de zaken die mogelijk of waarschijnlijk vergelijkbaar zijn. Hun onderzoek zag echter op alle CAF-zaken. Daarnaast heb ik het takenpakket van de onafhankelijke Commissie van Wijzen uitgebreid om ook in dit oordeel advies te geven. Op het moment dat Toeslagen heeft vastgesteld dat in een dossier geen sprake is van een vooringenomen behandeling dan wordt dit dossier altijd voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. Het oordeel van deze commissie wordt gevolgd. Tot slot stel ik een Bezwaarschriftenadviescommissie in die een advies uitbrengt als een ouder in bezwaar gaat. Ik meen dat ik hiermee voldoende garandeer dat het oordeel van de Toeslagen is getoetst door onafhankelijke adviseurs. Bovendien staan de reguliere middelen van rechtsbescherming open, zodat ouders zich ook tot de bestuursrechter kunnen wenden als zij het niet eens zijn met dit oordeel. Met alle regelingen wil ik echter zo veel mogelijk voorkomen dat ouders dit hoeven te doen.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het proces verloopt wanneer Toeslagen van mening is dat niet vooringenomen is gehandeld.

Een dossier dat als waarschijnlijk vergelijkbaar is aangemerkt maar waar na nader onderzoek blijkt dat niet vergelijkbaar is gehandeld, moet worden voorgelegd worden aan de Commissie van Wijzen. Dossiers die in eerste instantie zijn aangemerkt als mogelijk vergelijkbaar moeten altijd aan de Commissie van Wijzen worden voorgelegd, zowel bij de conclusie dat wel vergelijkbaar als bij de conclusie dat niet vergelijkbaar is gehandeld.

Aanvragers die niet door Toeslagen zijn aangeschreven maar van mening zijn dat zij wel voor compensatie in aanmerking komen, kunnen ook een beroep doen op de compensatieregeling. Indien de aanvraag wordt afgewezen kan de burger bezwaar aantekenen en daarna eventueel in beroep. Indien Toeslagen in een dergelijk dossier voornemens is de aanvraag toe te kennen of af te wijzen moet het dossier eveneens aan de Commissie van Wijzen worden voorgelegd.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze wordt beoordeeld of ouders zijn geconfronteerd met een disproportioneel hoge terugvordering. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA welk bedrag ouders ontvangen wanneer de terugvordering vijf jaar of langer heeft plaatsgevonden. Tot slot vragen deze leden of een ouder, bij ontbreken van het betalen van een eigen bijdrage, de totale toeslag minus de totale eigen bijdrage plus in rekening gebrachte invorderingsrente krijgt terugbetaald.

Er wordt op dit moment gewerkt aan de details over de beoordeling van individuele dossiers. De beoordeling volgt uit de jurisprudentie van de Raad van State die met terugwerkende kracht wordt toegepast op gevallen in het verleden. De uitkomst in individuele gevallen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De ouders worden op deze manier maximaal tegemoetgekomen. Dit houdt inderdaad in dat aan ouders – na rato van de niet betaalde eigen bijdrage – hun totale toeslag inclusief invorderingsrente betaald krijgen.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de ouders die zijn geconfronteerd met een disproportionele terugvordering alleen het disproportionele deel van het bedrag terugkrijgen en geen andere compensatie. Er zijn echter ook in deze groep ouders die gevolgschade hebben ondervonden. Deze leden vragen of deze ouders in aanmerking komen voor een vorm van schadevergoeding voor deze gevolgschade.

Voor de groep ouders die vanuit de hardheid van het systeem zijn geconfronteerd met een (volledige) terugvordering omdat bijvoorbeeld de kosten van de kinderopvang niet volledig waren betaald, is in de kabinetsreactie voorzien in herstel van die hardheid. De betrokken ouders krijgen hierbij een tegemoetkoming op basis van de toeslag waarop ze naar huidige inzichten recht zouden hebben, dus met inachtneming van de uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019.23 Het gaat dus om een tegemoetkoming ten aanzien van alleen de nadelige gevolgen van beschikkingen in het verleden voor de belanghebbende die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikkingen te dienen doelen. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet omdat in deze situaties geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen door Toeslagen, maar van een reguliere uitvoering van de wetgeving volgens de destijds geldende kaders. Voor zeer bijzondere schrijnende situaties wordt een vangnetbepaling voorgesteld. Ouders die van mening zijn met de verschillende herstelregelingen niet of onvoldoende geholpen te zijn en menen in een bijzondere, schrijnende situatie te zitten, kunnen dit gemotiveerd bij Toeslagen melden. Het gaat bij deze vangnetbepaling uitdrukkelijk niet om tegemoetkoming voor eventuele schade als gevolg van een herziening, reparatie of compensatie. Het betreft dus geen gehele of gedeeltelijke schadevergoeding. Het gaat alleen om een tegemoetkoming om leed te verzachten. Voor de beoordeling van eventuele gevolgschade wordt een commissie ingesteld die adviseert of een ouder recht heeft op compensatie van geleden gevolgschade.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen, kort gezegd, of alleen actief gekeken wordt naar de CAF-zaken die waarschijnlijk of mogelijk vergelijkbaar waren met CAF 11.

Zoals in de kabinetsreactie is opgemerkt heeft de Adviescommissie een aantal dossiers geïdentificeerd waarin Toeslagen waarschijnlijk vergelijkbaar of mogelijk vergelijkbaar heeft gehandeld als bij CAF 11. De Adviescommissie heeft vervolgens een werkwijze voorgesteld waarbij Toeslagen deze dossiers opnieuw zal beoordelen. Ik heb aangegeven deze werkwijze over te nemen.

Ouders die voorkomen in een CAF-dossier waarvan door Toeslagen niet wordt vastgesteld dat de aanpak vergelijkbaar is aan CAF 11, waaronder de dossiers die door de Adviescommissie niet als «verdacht» zijn aangemerkt, maar wel menen op vergelijkbare, institutioneel vooringenomen wijze te zijn behandeld, kunnen zichzelf melden met bewijsstukken.

Voor ouders die zijn getroffen door de reguliere werking en handhaving van de regelgeving rondom de Kinderopvangtoeslag en de uitleg die daaraan in uitvoering en rechtspraak is gegeven geldt, zoals ik in de kabinetsreactie heb aangegeven, dat zij zich eveneens bij Toeslagen zullen moeten melden.

Ouders die zichzelf eerder hebben gemeld zullen in ieder geval door Toeslagen worden benaderd en geïnformeerd op nog te organiseren bijeenkomsten. Zij hoeven zich niet opnieuw te melden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen vervolgens wat er gebeurt wanneer ouders die niet zijn betrokken bij een CAF-dossier dat eerder niet als «waarschijnlijk vergelijkbaar» of «mogelijk vergelijkbaar» is aangemerkt, zich melden en wordt geconcludeerd dat ook daar institutioneel vooringenomen is opgetreden. Zij vragen tevens of alle andere ouders in hetzelfde dossier ook worden geïnformeerd.

Wanneer ouders zich melden, zal door Toeslagen en de Commissie van Wijzen worden beoordeeld in hoeverre inderdaad sprake is van institutioneel vooringenomen handelen. Is dit het geval dan bestaat natuurlijk een aanspraak op compensatie. Indien één ouder in een door hem aangedragen CAF-dossier aannemelijk maakt dat sprake is van een groepsgewijze, (institutioneel) vooringenomen aanpak zullen alle andere betrokken ouders worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot het aanvragen van een compensatie. De individuele aanvragen zullen dan op het recht op compensatie worden beoordeeld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de betekenis van het criterium «percentage afgewezen aanspraken» mede in relatie tot het percentage «zachte stop».

Een hoog percentage «afgewezen aanspraken» is een indicatie dat er sprake is geweest van een «zero tolerance-beoordeling». Deze zero-tolerance benadering was volgens de Adviescommissie onderdeel van de institutionele vooringenomenheid. Een laag percentage «afgewezen aanspraken» is daarentegen een contra-indicatie voor een dergelijke zero-tolerance benadering.

Een zogenoemde «zachte stop» vond enkel plaats voorafgaand aan een individuele beoordeling van het dossier en diende als opschorting van de nog uit te betalen toeslag. Een zachte stop werd altijd opgevolgd door een nadere controle op de aanspraak op kinderopvangtoeslag. Indien bij die individuele controle tekortkomingen werden gevonden, werd de aanspraak afgewezen en werd de reeds uitgekeerde toeslag teruggevorderd. Als er geen tekortkomingen werden gevonden, bleef de aanspraak in stand en werd ook de opschorting van de uitbetaling van voorschotten opgeheven.

Dat neemt niet weg dat hierbij mogelijk ook zaken niet goed zijn gegaan waardoor er ten onrechte toeslagen zijn stopgezet.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar mogelijke nadelen van het aanvragen van compensatie voor ouders.

Bij de CAF 11 compensatieregeling zijn eerder de mogelijke gevolgen van een compensatie voor de vermogensgrens bij toeslagen en de mogelijke effecten in box 3 onderkend. Daarvoor is voorzien in een aanvulling op de compensatie. Die pas ik ook toe op de compensatieregeling voor ouders betrokken in andere CAF-dossiers en die getroffen zijn door hardheid van het stelsel. Ik voorzie thans geen nadelen van het aanvragen van compensatie voor ouders en indien die zich toch onverhoopt voordoen dan zullen wij hier uiteraard naar kijken.

Voor die gevallen dat ouders in de schuldhulpverlening zitten ga ik in gesprek met gemeenten en de NVVK om afspraken te maken zodat het aanvragen van compensatie voor die ouders geen nadelige gevolgen heeft.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het klopt dat ouders zich slechts voor een van de twee regelingen kunnen melden.

Ik begrijp de vraag van deze leden aldus dat zij vragen of ouders zich ofwel kunnen melden voor herziening ofwel voor de hardheidsregeling.

Dat is juist. Het onderscheid tussen beide regelingen is gelegen in de datum van de beschikking tot terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Is dat minder dan vijf jaar geleden dan kan een beroep worden gedaan op de herziening. Ligt die datum verder in het verleden dan moet een beroep worden gedaan op de hardheidsregeling. Ik benadruk dat onderscheid tussen beide regelingen (herziening voor besluiten van minder dan 5 jaar geleden en reparatie van oudere besluiten op basis van de hardheidsregeling) niet uitmaakt voor het door ouders te ontvangen bedrag.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de Staatssecretaris in staat is om het CAF-bestand alsnog volledig in te vullen zodat iedere individuele CAF-zaak goed beoordeeld kan worden voor eventuele compensatie en hoeveel extra tijd het zou kosten om dit voor alle 9.402 ouders betrokken bij een CAF-zaak te doen.

Om te beoordelen of er in een individueel dossier recht is op een compensatie, wordt het gehele dossier door een medewerker doorgenomen en worden verschillende systemen geraadpleegd. De beslissing wordt dus niet slechts genomen op basis van informatie uit het CAF-bestand. Om een volledig beeld te krijgen van de CAF-populatie worden alle ontbrekende regels alsnog handmatig ingevuld. Een voorlopige schatting is dat dit ca. 3–4 weken zal duren zodat het bestand eind april gereed is.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal vragen gesteld om meer inzicht te krijgen in de opbouw van de groep mensen die mogelijk compensatie krijgen. Deze leden hebben ook gevraagd hoeveel personen die meer dan € 10.000 moest terugbetalen vielen onder opzet / grove schuld (OGS).

De vraag van de leden van de fractie van GroenLinks gaat over personen waarbij over alle jaren heen cumulatief meer dan € 10.000 is teruggevorderd voor kinderopvangtoeslag. Deze terugvorderingen kunnen in meerdere berekeningsjaren hebben plaatsgevonden. Het drempelbedrag van € 1.500 om in aanmerking te komen voor herziening of hardheidstegemoetkoming gaat echter over één berekeningsjaar (in plaats van cumulatief over alle berekeningsjaren). In onderstaande tabel is het aantal burgers aangegeven waarbij in één berekeningsjaar een nihilstelling van meer dan € 1.500 heeft plaatsgevonden. Een nihilstelling is een terugvordering als gevolg van een bijstelling van het jaarbedrag naar € 0. Dit betreft niet 90.000 maar 109.000 personen. Een klein deel van deze groep heeft te maken gehad met de vastgestelde hardheid van het systeem en komt in aanmerking voor hardheidstegemoetkoming of herziening. Het precieze aantal personen dat hiervoor in aanmerking komt is nu nog niet bekend. We gaan hierbij uit van 5–10% van de doelgroep.

Nihilstelling in één berekeningsjaar

Aantal BSN‘s

€ 1.500 – € 4.999

50.000

€ 5.001 – € 10.000

22.500

€ 10.001 – € 25.000

23.500

€ 25.001 – € 50.000

9.500

€ 50.001 – € 75.000

2.500

€ 75.001 – € 100.000

750

Meer dan € 100.000

500

Totaal BSNs met een nihilstelling van meer dan € 1.500 in één berekeningsjaar

109.000

Binnen de groep van 109.000 zijn er ongeveer 13.400 personen waarbij cumulatief over alle jaren meer dan € 10.000 is teruggevorderd en die minstens éénmaal te maken hebben gehad met een oordeel OGS. Er kan geen conclusie getrokken worden over het terugvorderingsbedrag waarop direct het oordeel OGS van toepassing is. Ook is het mogelijk dat een oordeel OGS betrekking heeft op een andere middelen dan kinderopvangtoeslag.

In de brief van 8 november 2019 heeft mijn voorganger u laten weten dat ongeveer 8.500 personen, die in het verleden (vanaf 2010) -na onderzoek- een OGS-kwalificatie hebben gekregen, nu nog steeds kampen met een toeslagschuld.

De leden van de fractie van de SP vragen of daarbij ook aan te geven is hoeveel van die schulden nog open staan en of daarbij kan worden aangegeven hoe lang die schuld al bestaat.

Het is nog niet bekend welk deel van de ongeveer 109.000 personen in aanmerking komt voor herziening of hardheidstegemoetkoming. Hier is een individuele beoordeling van het dossier nodig. Daarom kan ook nog niet precies gezegd worden hoe groot en hoe oud de openstaande schulden zijn van de personen zijn.

Voor de hele groep van ongeveer 109.000 personen waarbij in minimaal één berekeningsjaar een nihilstelling van meer dan € 1.500 heeft plaatsgevonden geldt dat de terugvorderingen in totaal optellen tot een bedrag van € 1,3 miljard. Hierbij is inmiddels € 730 miljoen teruggevorderd en het nog openstaande bedrag is € 290 miljoen. Het overige deel van het totaalbedrag valt in de categorie «niet verder bemoeilijken».

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe ouders weten of ze wel of niet op vergelijkbare, institutioneel vooringenomen wijze zijn behandeld. Daarnaast vragen deze leden wat als afdoende bewijs constitueert om aan te tonen dat in een dossier, waarvan door Belastingdienst/Toeslagen niet wordt vastgesteld dat de aanpak vergelijkbaar is aan CAF 11, wel sprake is van een vergelijkbare institutioneel vooringenomen handelwijze. Ook de leden van de SP-fractie vragen naar de beoordelingscriteria voor de vergelijkbaarheid van CAF-dossiers met CAF 11.

De door de Adviescommissie geïdentificeerde dossiers worden eerst door Toeslagen beoordeeld op een mogelijk vooringenomen behandeling. Indien Toeslagen heeft vastgesteld dat in een dossier geen sprake is van een vooringenomen behandeling wordt dit dossier voorgelegd aan de Commissie van Wijzen. In de overige gevallen dienen de ouders zich te melden.

Er is sprake van een vergelijkbare zaak indien er ook in die zaak sprake is van geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid. Dit vergt een individuele beoordeling, waar per zaak moet worden bepaald welke bewijsstukken nodig zijn. Een ouder die van mening is dat er sprake is van een vergelijkbare zaak, kan een aanvraag tot compensatie indienen. De ouder zal in dat geval aannemelijk moeten maken dat de beoordeling van zijn aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze. In het eindrapport Omzien in verwondering geeft de Adviescommissie een aantal criteria die erop kunnen duiden dat er sprake is van deze geïnstitutionaliseerde vooringenomenheid. Het gaat om de volgende criteria:

  • 1. een collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde;

  • 2. het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren;

  • 3. gevolgd door een zero tolerance-controle;

  • 4. het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkoming daarin;

  • 5. het afwijzen of reduceren van de aanspraak op Kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.

Voor de beoordeling van de vergelijkbaarheid gaat het niet om de optelsom van deze kenmerken of het afzonderlijk aanwezig zijn daarvan, maar om het in samenhang voorkomen daarvan in een dossier. De afwezigheid van één kenmerk betekent niet dat geen sprake is van institutionele vooringenomenheid evenmin als dat de aanwezigheid van meerdere kenmerken per definitie institutionele vooringenomenheid betekent. Juist deze samenhang maakt dat niet op voorhand is te zeggen welke bewijsstukken er exact nodig zijn om een vergelijkbare aanpak aan te tonen. Het opdrachtformulier behorend bij het betreffende CAF-(onderzoeks)dossier en daarin opgenomen instructies worden onderzocht. Ook de periode waarin de CAF onderzoeken plaats hadden bevat een mogelijke aanwijzing. De «mogelijke betrokken» CAF-dossiers speelden in 2014 tot en met april 2016. Daarnaast kan steekproefsgewijze beoordeling van de in het betreffende CAF-dossier aanwezige individuele dossiers van toeslaggerechtigden waardevolle informatie bevatten om te beoordelen of er in dit geval sprake is van vergelijkbaarheid met CAF-11.

Op dit moment wordt de crisisorganisatie verder opgebouwd. De benodigde bewijsstukken die noodzakelijk zijn om aan te tonen dat een zaak vergelijkbaar is met de CAF11-zaak, is hierbij ook onderwerp van gesprek. Hoewel het mijn intentie is om hier richtlijnen voor op te stellen, kan dit nooit een limitatieve lijst vormen. Het kan immers heel goed zijn dat een ouder alleen beschikt over andere bewijsstukken dan de stukken die staan opgenomen in nog te maken richtlijnen. Ook deze ouder mag niet buiten de boot vallen. Ik zeg uw Kamer toe dat ik u hierover nader informeer als dit punt nader is uitgekristalliseerd.

De leden van de fractie van de SP vragen wat precies bedoeld wordt dat voor een deel van de ouders die nu nog vallen onder de pauzeknop geldt dat zij hun schuld kwijtgescholden zien en dat anderen een betalingsregeling krijgen. Daarnaast vragen deze leden hoe deze selectie wordt gemaakt en welke gronden daarvoor gaan gelden.

Voor een aantal groepen ouders is de dwanginvordering van toeslagschulden stopgezet: (1) de ouders betrokken in de CAF 11 zaak, (2) de ouders betrokken in alle overige CAF-zaken, (3) ouders met een toeslagschuld en de kwalificatie OGS en (4) ouders die zichzelf hebben gemeld met een problematische kinderopvangtoeslagschuld en hebben aangegeven in een vergelijkbare situatie te verkeren als de CAF 11-ouders. Schulden worden bij deze ouders kwijtgescholden als bij de beoordeling van hun persoonlijke situatie blijkt dat de schuld – met inachtneming van de in de kabinetsreactie aangekondigde maatregelen – niet meer verschuldigd is. Als bijvoorbeeld een ouder wordt gecompenseerd of toeslagen worden herzien heeft dat consequenties voor de openstaande schulden. En als gevolg daarvan ook weer voor een eventuele terugbetalingsregeling. Dit zal per geval in de beschreven groepen beoordeeld moeten worden. Voor een ander deel geldt dat de openstaande schuld alsnog moet worden afbetaald. Deze laatste groep wordt in de komende maanden geïnformeerd over de mogelijkheden van een (persoonlijke) betalingsregeling.

Werkwijze Adviescommissie

De leden van de fractie van de SP vragen of de Adviescommissie ook dossiers heeft ingezien of ouders gesproken.

De Adviescommissie ging over haar eigen werkwijze conform artikel 7, lid 1 van het instellingsbesluit.

De commissie heeft zowel in het interim-advies als in het eindadvies haar werkwijze toegelicht. Daarbij heeft zij benadrukt dat zij tot opdracht had om advies uit te brengen en niet om onderzoek te doen. De commissie geeft daarom aan bij het onderzoek niet zelf de feitelijke gang van zaken, de besluitvorming in individuele dossiers en de verdere behandeling van afzonderlijke aanvragen kinderopvangtoeslag te hebben onderzocht. Daarvoor ontbrak de beschikbare tijd, wat gelet op de aantallen dossiers die moeten worden ingezien om een betrouwbaar beeld te kunnen krijgen van de gang van zaken, begrijpelijk is. Op basis van de gevraagde en verstrekte informatie en de informatie van de ADR, heeft de commissie een beeld kunnen vormen omtrent de gang van zaken. In dat kader heeft zij ook een gesprek gevoerd met bij het CAF 11-dossier betrokken ouders.

De ADR heeft onderzoek verricht en gegevens verzameld over alle toeslaggerelateerde CAF-dossiers die bij Toeslagen in productie zijn gegaan. Dit ADR-onderzoek heeft de Adviescommissie gebruikt om te beoordelen welke dossiers waarschijnlijk of mogelijk in aanmerking kunnen komen voor de compensatieregeling zoals deze is geadviseerd voor het CAF 11-dossier. Ook het zwartboek van de SP en de gesprekken met de Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang (BOinK) hebben de Adviescommissie inzicht gegeven in de persoonlijke verhalen van vraagouders.

De leden van de fractie van de SP ontvangen graag de inventarislijst van de documenten waarover de Adviescommissie heeft beschikt gedurende het onderzoek. Daarnaast vragen deze leden of de Adviescommissie ook gegevens heeft opgevraagd welke niet zijn verstrekt en welke dit zijn.

Het secretariaat van de Adviescommissie is bezig met het afronden van de werkzaamheden. Onderdeel hiervan vormt de overdracht van archiefbescheiden aan het Ministerie van Financiën, overeenkomstig artikel 10 van het instellingsbesluit. Op basis hiervan kan ik uw Kamer voorzien van de inventarislijst.

De Adviescommissie heeft alle gegevens gekregen waar zij om heeft gevraagd.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de Adviescommissie geen uitspraak kan of wil doen over het gebruik van algoritmen. Daarnaast vragen deze leden om de opbouw van het risicoselectie-model en de gronden voor risicoselectie van voor 2012 aan uw Kamer te sturen.

Ik heb kennisgenomen van de opmerkingen van de Adviescommissie over het gebruik van algoritmen in haar eindrapport. In de afwegingen van de Adviescommissie om daaraan geen conclusies te verbinden heb ik geen inzicht.

Toeslagen hanteert het model sinds mei 2013; daarvoor werd er geen gebruik gemaakt van modellen of data-analyse om controles te doen. De door Toeslagen gebruikte risicoselectie-modellen bevatten criteria op basis waarvan wordt beoordeeld welke aanvrager van een toeslag in aanmerking komt voor een nadere of intensievere controle. Openbaarmaking van deze criteria brengt het risico met zich dat fraudeurs aanvragen gaan aanpassen op de criteria om daarmee onder de radar te blijven. Dit is uiteraard onwenselijk en werkt misbruik en oneigenlijk gebruik van toeslagen in de hand. Om die reden kan ik het risicoselectie-model niet met uw Kamer delen.

Het risicoclassificatiemodel van Toeslagen maakt op basis van beoordeelde dossiers een inschatting van de juistheid van een nieuwe toeslagaanvraag. Het model bevat duizenden voorbeelden van aanvragen die na controle moesten worden aangepast en duizenden voorbeelden van aanvragen die in controle volledig juist bleken. Door de kenmerken van deze juiste en onjuiste aanvragen te analyseren wordt duidelijk welke kenmerken maken dat een aanvraag vaak onjuist is en welke kenmerken maken dat een aanvraag vaak juist is. De kenmerken hebben zowel betrekking op de aanvrager (bijvoorbeeld inkomen, gezinssamenstelling) als op de aanvraag (aantal aangevraagde uren, afstand tussen kinderopvang en woonadres). Deze kenmerken vormen samen het «model». Door vervolgens van elke nieuwe toeslagaanvraag te kijken in hoeverre de aanvraag lijkt op een juiste of op een onjuiste aanvraag kan een inschatting worden gemaakt over de juistheid van een aanvraag en een risicoscore worden bepaald. De aanvragen met de hoogste risicoscore worden aangeboden voor controle en worden allemaal handmatig door een toeslagmedewerker behandeld, de andere aanvragen worden direct uitbetaald.

Door steeds nieuwe voorbeelden van juiste en onjuiste aanvragen toe te voegen verandert door de tijd het beeld van een gemiddelde juiste of onjuiste aanvraag. Het model «leert» als het ware van nieuwe voorbeelden die worden aangeboden en past daarop het oude beeld van een juiste of onjuiste aanvraag aan. Zo kunnen nieuwe patronen in aanvragen snel worden herkend door het model en worden meegenomen bij het bepalen of een aanvraag controle nodig heeft of niet.

De leden van de fractie van de SP spreken hun zorg uit over de rol die de voorzitter van de Adviescommissie heeft gehad ten tijde van het maken van de Wet kinderopvang en ten tijde van vele rechtszaken.

Ik deel deze zorg niet. Ik heb alle vertrouwen in de deskundigheid en onafhankelijkheid van de leden van de Adviescommissie. Dit geldt ook voor de voorzitter.

Hardheid van het stelsel

De leden van de fractie van de SP vragen of het mogelijk is om de hardheidsclausule in te zetten voor gezinnen die langdurig in armoede zijn geraakt, waarbij jarenlang loonbeslag en verrekenen van toeslagen leidden tot andere schulden, waarbij ouders en kinderen beschadigd zijn geraakt in hun vertrouwen in de overheid en zeer in hun gevoel van eigenwaarde zijn aangetast, die hun huis verloren. De leden leggen hierbij een relatie met de kwalificatie «opzet grove schuld».

Of ouders met een ten onrechte verleende OGS-kwalificatie in het verleden in aanmerking komen voor enigerlei financiële tegemoetkoming, is afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. Zij kunnen afhankelijk van die omstandigheden mogelijk in aanmerking komen voor een van de herstelregelingen op grond waarvan een tegemoetkoming kan worden geboden. Ik kan hier niet in algemene zin een uitspraak over doen. Indien de herstelregeling niet leidt tot het volledig wegnemen van een openstaande schuld, kan aan die ouders met een OGS-schuldkwalificatie in het verleden alsnog een persoonlijke betalingsregeling worden aangeboden.

De in een toekomstig wetsvoorstel op te nemen algemene hardheidsclausule voor onbillijkheden van overwegende aard zal in principe alleen gelden voor toekomstige gevallen. Voor het verleden zullen andere regelingen worden getroffen om de hardheid van het stelsel te verzachten door middel van een tegemoetkoming. Daarbij zal ook een vangnetbepaling worden voorgesteld voor bijzondere, zeer schrijnende situaties voor ouders. Ouders die met een compensatie, herziening, hardheidstegemoetkoming of vergoeding niet geholpen zijn en menen in een bijzondere, schrijnende situatie te zitten, kunnen zich melden bij Toeslagen dat hun verzoek vervolgens zal beoordelen. De afbakening hiervan neem ik mee bij de nadere uitwerking van het betreffende wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de uitwerking en reikwijdte van deze hardheidsclausule.

Aan de in de kabinetsreactie aangekondigde oplossing voor de ouders die te maken hebben gehad met de – achteraf bezien – onevenredige hardheden waartoe ook de reguliere uitvoering van de kinderopvangtoeslag kon leiden, wordt momenteel hard gewerkt. Uitgangspunt daarbij zijn de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 die het mogelijk maken in de uitvoering van de kinderopvangtoeslag meer maatwerk te bieden door een tegemoetkoming te bieden ten aanzien van de nadelige gevolgen van beschikkingen in het verleden voor de belanghebbende die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikkingen te dienen doelen. Binnen het bestaande wettelijke kader kan beleidsmatig worden toegestaan dat dit maatwerk ook wordt toegepast op onherroepelijk vaststaande beschikkingen uit het verleden (tot vijf jaar terug). Deze eerder rechtsgeldig tot stand gekomen beschikkingen kunnen dan met de inzichten van nu opnieuw worden bekeken en, waar nodig, worden herzien. Deze mogelijkheid tot herziening en de daarbij te hanteren kaders, waaronder de drempel van € 1.500, per berekeningsjaar, zijn neergelegd in een aanpassing van het Verzamelbesluit Toeslagen. Deze is op 22 april in de Staatscourant gepubliceerd. 24

De bestaande herzieningsmogelijkheid is echter beperkt tot vijf berekeningsjaren voorafgaande aan het jaar waarin die herziening plaatsvindt. Deze kan in 2020 dus nog worden toegepast op beschikkingen die betrekking hebben op het toeslagjaar 2015 en later. Voor de toeslagjaren voorafgaand daaraan zal via een wettelijke hardheidsregeling worden voorzien in de mogelijkheid voor die jaren een tegemoetkoming te bieden. Het wetsvoorstel daartoe zal op korte termijn bij uw Kamer worden ingediend.

De leden van de fractie van de PVV vragen mij in te gaan op de mogelijkheid van een herzieningsbevoegdheid die het mogelijk maakt om onherroepelijk geworden besluiten te verruimen.

De bestaande regelgeving biedt al de mogelijkheid om een onherroepelijk vaststaande toeslagbeschikking in het voordeel van belanghebbende te herzien. Hierbij geldt echter de hoofdregel dat nieuwe jurisprudentie en nieuw beleid alleen doorwerken naar de toekomst. Van deze hoofdregel kan in uitzonderingsgevallen beleidsmatig worden afgeweken door nieuwe jurisprudentie of nieuw beleid ook te laten doorwerken naar onherroepelijke vaststaande beschikking die betrekking hebben op berekeningsjaren tot, kortgezegd, vijf jaar terug. Van deze bevoegdheid wordt in het Verzamelbesluit Toeslagen gebruikt gemaakt bij de beleidsmatige invulling voor de kinderopvangtoeslag van de twee RvS-uitspraken van 23 oktober 2019. Omdat de vijfjaarstermijn, mede vanuit de rechtszekerheid, breed wordt gehanteerd in het bestuursrecht, acht ik het niet gewenst hiervan af te wijken door met de herziening van vaststaande beschikkingen verder terug te gaan. In plaats daarvan is voor de periode langer dan vijf jaar terug, in navolging van de Adviescommissie, gekozen voor een – overeenkomstige tegemoetkoming op basis van een – wettelijke hardheidsregeling

De leden van de fractie van de PVV vragen welke termijn het kabinet bedoelt met zo kort mogelijke termijn, en of dat nog voor de zomer is.

Ik werk aan een spoedwetsvoorstel met daarin de invoering van een zogenoemde hardheidsregeling in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dit voorstel zal op korte termijn bij uw Kamer worden ingediend. De reden tot spoed is dat ik beoog de maatregelen in dit wetsvoorstel in werking te laten treden met ingang van 1 juli 2020, zodat zo spoedig mogelijk kan worden begonnen met uitbetalingen aan de getroffen ouders.

De leden van de fractie van de PVV vragen mij om toe te lichten wat globaal wordt verstaan onder disproportionele beslissingen.

In wettelijke termen betreft dit besluiten waarvan de nadelige gevolgen voor de belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot met die besluiten te dienen doelen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de situatie waarin Toeslagen de regelgeving strikt heeft toegepast, maar waarbij de ouders als gevolg van deze toepassing wél in ernstige financiële problemen en daardoor nog veel meer moeilijkheden zijn gekomen. Uiteraard is discussie mogelijk over wanneer een besluit onevenredig is in een concreet geval. Bij de uitwerking van de hardheidsregeling zullen de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 en de invulling die daaraan wordt gegeven in het Verzamelbesluit Toeslagen tot uitgangspunt worden genomen. In de beleidsmatige invulling daarvan wordt bijvoorbeeld het volledig terugvorderen van de kinderopvangtoeslag als slechts een deel van de kinderopvangkosten niet is voldaan, als onevenredig gezien. Een ander voorbeeld is de situatie waarbij de gedragingen van een malafide kinderopvangorganisatie zijn toegerekend aan ouders die geheel buiten hun schuld om met die malafide kinderopvangorganisatie geconfronteerd zijn.

De leden van de fractie van de PVV vragen of de conclusie terecht is dat ouders die onder de hardheidsregeling vallen in de praktijk niet anders behandeld zullen worden dan ouders waarbij een herziening van het besluit plaats zal vinden.

In mijn brief25 van 13 maart jl. heb ik benadrukt dat het juridisch onderscheid tussen beide regelingen (herziening voor besluiten van minder dan vijf jaar geleden en reparatie van oudere besluiten op basis van de hardheidsregeling) in de praktijk in zoverre niet uitmaakt voor de materiële uitkomst en het door ouders te ontvangen bedrag. In beide gevallen krijgt de ouder datgene waarop hij of zij op basis van de huidige jurisprudentie recht heeft (als deze jurisprudentie in de betreffende berekeningsjaren al had gegolden).

De leden van de fractie van de PVV vragen mij aan te geven hoe willekeur wordt voorkomen bij een gebrek aan afbakening in de zin van algemene eisen en criteria die vervolgens eenvoudig kunnen worden toegepast.

Zoals ik in mijn brief van 13 maart jl. heb aangegeven is een dergelijke afbakening niet op voorhand te maken nu de bijzondere hardheid niet in de reden waarom Toeslagen tot een besluit is gekomen zit, maar in de bijzondere omstandigheden waarin dit besluit uitwerkte. Dit betekent dat er steeds gekeken moet worden naar de bijzondere omstandigheden van het geval. In mijn brief heb ik toegelicht hoe ik uitvoering wil geven aan de herziening van en/of tegemoetkoming met betrekking tot deze bijzondere gevallen. Hiertoe wordt een proces opgezet met de noodzakelijke checks- and balances om willekeur te voorkomen. Zo zal in dit proces worden voorzien in review en intervisie van de genomen besluiten. Tegen de uitkomst van dit oordeel staan de reguliere middelen van rechtsbescherming open, waarbij ook de Bezwaarschriftenadviescommissie en uiteindelijk de rechter zal toetsen op willekeur.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe wordt omgegaan met ouders die zich wellicht over enkele jaren nog melden.

We roepen de ouders op om zichzelf zo spoedig mogelijk te melden. Ook in het geval ouders zich pas over enkele jaren bij Toeslagen melden, zullen hun dossiers beoordeeld worden. In het wetsvoorstel wordt wel voorzien in een einddatum. Zoals ik eerder in antwoord op vragen van de VVD heb aangegeven, ligt het initiatief daarvoor bij de ouders.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom ouders die niet met een herziening of reparatie geholpen zijn, en menen in een bijzondere, schrijnende situatie te zitten zich opnieuw moeten melden bij Toeslagen. Daarnaast vragen deze leden of Toeslagen dan haar eigen conclusie, dat de ouder geen recht heeft op herziening of reparatie, tegen het licht houdt en of het niet praktischer is direct vast te stellen of er sprake is van een schrijnend geval.

Toeslagen spant zich maximaal in om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de groep ouders die menen in het verleden onrecht te zijn aangedaan, als gevolg waarvan zij mogelijk beschouwd kunnen worden als een schrijnend geval. Het is echter niet mogelijk om op basis van de informatie die Toeslagen ter beschikking staat alle schrijnende gevallen in beeld te brengen. Daarom roep ik de ouders ook op om zichzelf kenbaar te maken bij Toeslagen. Om een goede uitvoering door de crisisorganisatie niet in de knel te laten komen en omdat deze casussen een gedegen onderzoek vereisen, vergt dit een ander tijdspad dan de zaken waarin sprake is van herziening en reparatie. Ik ben voornemens uw Kamer zo spoedig mogelijk de Uitvoeringstoets te doen toekomen waarin ik de uitvoeringaspecten van deze werkzaamheden nader duid.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe wordt voorkomen dat, wanneer noch Toeslagen noch ouders beschikken over de benodigde documenten of informatie over de jaren 2005–2009, een discussie ontstaat.

Het is noodzakelijk dat de betrokken ouders over de hierboven genoemde jaren kunnen aantonen dat er sprake is geweest van kinderopvang waarvoor kosten zijn betaald. Ik besef dat het niet eenvoudig is 10 – 15 jaar na dato nog over alle noodzakelijke documenten te beschikken. Daarbij kan ook gebruik gemaakt worden van informatie die wordt verzameld via banken en kinderopvanginstellingen. Toeslagen zal zich, samen met de betrokken ouders, maximaal inspannen om tot een beeld te kunnen komen over die jaren en waar er (deels) recht op kinderopvangtoeslag bestaat dit recht aan ouders te geven.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen, kort gezegd, naar de uitwerking van de hardheidsregeling voor een situatie uit 2008. Zij vragen tevens of het juist is dat de Belastingdienst over 2008 geen gegevens meer heeft.

De hardheidsregeling wordt op dit moment nader uitgewerkt. Dit wetsvoorstel zal op korte termijn bij uw Kamer worden ingediend. Voor ouders die menen in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op basis van deze regeling wordt in ieder geval een laagdrempelige, toegankelijke voorziening gecreëerd, zowel digitaal als fysiek. Ouders die zich eerder bij Toeslagen hebben gemeld, zullen actief worden benaderd.

In de kabinetsreactie heb ik aangegeven dat de uitvoering geen eenvoudig proces is. De beschikbaarheid van informatie is daarbij een punt van aandacht. Toeslagen beschikt nog wel over gegevens over het berekeningsjaar 2008 maar het is onwaarschijnlijk dat Toeslagen voor de beginjaren van het Toeslagenstelsel (2005 tot en met 2009) over alle noodzakelijke informatie beschikt om de aanspraak op een tegemoetkoming voor alle ouders volledig te kunnen beoordelen. Mogelijk hebben ook ouders geen documenten meer uit deze periode. Het is van belang in ieder geval voor een deel van de periode waarin kinderopvangtoeslag werd ontvangen aannemelijk gemaakt kan worden dat er ook een recht bestond en opvang werd genoten. Toeslagen zal zich daarvoor, samen met ouders, maximaal inspannen. Daarbij kan ook informatie van banken en kinderopvanginstellingen worden betrokken.

De leden van de fractie van de SP vragen de Staatssecretaris in te gaan op de situatie dat ouders mogelijk in aanmerking komen voor herziening, maar die geen administratie meer hebben.

Dit is een terecht zorgpunt. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie volgt uit de beoordeling van de uitvoerbaarheid van de hardheidsregeling op hoofdlijnen dat het voor de beginjaren van het Toeslagenstelsel (2005 tot en met 2009) onwaarschijnlijk is dat Toeslagen over alle noodzakelijke informatie beschikt om het recht op reparatie voor alle ouders volledig te kunnen beoordelen. Mogelijk hebben ook ouders geen documenten meer uit deze periode. Dit heeft tot gevolg dat mogelijk voor een deel van de ouders niet kan worden vastgesteld of zij in aanmerking komen voor reparatie en dat deze niet kan worden toegekend. Voor zover hiervan sprake is, wordt nader onderzocht welke rol kinderopvangorganisaties hierbij kunnen spelen. Ook is er op dit moment overleg gaande met de banken gaande om te bezien of mogelijk met het opvragen van bankgegevens dit ondervangen kan worden.

De leden van de fractie van de SP vragen of ouders die zijn betrokken in een CAF-dossier en die menen op een met CAF 11 vergelijkbare wijze te zijn behandeld maar niet door de Adviescommissie zijn «geselecteerd» toch in aanmerking kunnen komen voor compensatie.

Verondersteld wordt dat deze vraag ziet op ouders die voorkomen in een CAF-dossier waarvan door Toeslagen niet is beoordeeld of de aanpak vergelijkbaar is aan CAF 11 maar die wel menen op vergelijkbare, institutioneel vooringenomen wijze te zijn behandeld, Deze ouders kunnen zich dan melden. Toeslagen zal dit signaal gaan onderzoeken. Hierbij zal dan, op basis van de door de AUT geformuleerde criteria, worden beoordeeld of in dit CAF-dossier sprake is van een met CAF 11 vergelijkbare institutioneel vooringenomen werkwijze. Is dat het geval dan kunnen ouders aanspraak maken op compensatie.

Ouders zullen aannemelijk moeten maken dat ook in het CAF-dossier waarin zij voorkomen sprake is geweest van met CAF-11 vergelijkbare werkwijze. Zij kunnen daarvoor informatie aandragen waaruit bijvoorbeeld blijkt dat er sprake is geweest van een stopzetting zonder voorafgaande individuele beoordeling, er een brede uitvraag heeft plaatsgevonden van bewijsstukken over één of meerdere jaren, bij een tekortkoming in de overgelegde bewijsstukken geen nadere informatie werd gevraagd, of niet expliciet werd aangegeven waaruit de tekortkoming in de bewijsstukken bestond of de aanspraak is afgewezen of verlaagd bij een minimale onregelmatigheid in de verlangde informatie.

Als Toeslagen tot het (voorlopige) oordeel komt dat ook in het betreffende CAF-onderzoek sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze dan wordt dit – overeenkomstig het advies van de AUT – voorgelegd aan de Commissie van wijzen. Komt deze Commissie tot hetzelfde oordeel dan ontvangen ook de andere bij het betreffende CAF-onderzoek betrokken ouders hiervan mededeling. Komt Toeslagen tot het oordeel dat geen sprake is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze dan wordt de aanvraag tot compensatie afgewezen. Een eventueel bezwaar van de ouder hiertegen zal worden voorgelegd aan de onafhankelijke Bezwaarschriftenadviescommissie. Ook kan deze ouder -waarbij op het niveau van het CAF-onderzoek geen sprake is van een institutioneel vooringenomen handelwijze – mogelijkerwijs een beroep doen op de herstelmogelijkheden voor de «hardheden» in het systeem (proportionele vaststelling of matiging van de terugvordering).

De leden van de fractie van de SP vragen of de «alles of niets»-benadering in de AWIR en de Wet kinderopvang ook echt zo bedoeld zijn als ze zijn uitgepakt. Ook vragen zij of hier een analyse van is gemaakt of dat deze alsnog gemaakt zou kunnen worden.

De voorwaarden die zijn gesteld aan het recht op kinderopvangtoeslag zijn een direct gevolg van de keuze voor gerichtheid (precisie) en tijdigheid (werken met de actualiteit) van de regeling.

De gerichtheid uit zich in een ingewikkeld systeem met een tal van aanvullende grondslagen waarvan de waarde moeilijk vooraf te schatten is en/of gedurende het toeslagjaar kan veranderen. Om fraude te voorkomen en efficiëntie te bevorderen is in de uitvoering strikt gehandhaafd op al deze grondslagen. Een geringe tekortkoming in bijvoorbeeld de betalingen van de opvang kon de terugvordering van alle voorschotten tot gevolg hebben. Door de systematiek van de toeslagen, waarbij hogere voorschotten worden verstrekt aan ouders met een beperktere draagkracht, pakte dit «alles-of-niets» karakter van de regelgeving (Awir en Wko) bovendien extra hard uit voor ouders die het financieel al niet ruim hadden. Dit blijkt ook uit de analyses in het rapport van de Adviescommissie, het onderzoeksrapport van de ADR en het eerste deelrapport van IBO Toeslagen. Het kabinet zal een aantal wijzigingen voorstellen om hardheden uit het stelsel te halen. Het kabinet werkt daarnaast aan opties voor een herziening van het toeslagenstelsel.

De leden van de fractie van de SP vragen of het «alles of niets» karakter in de wet in combinatie met het OGS-beleid onderdeel is geweest van de wetsgeschiedenis en de interpretatie van de wet, of dat dit een latere invulling is geweest.

Ervan uitgaande dat de leden van de SP met het «alles of niets» karakter van de wet specifiek doelen op de eigenbijdrage-problematiek van de kinderopvangtoeslag, dan geldt dat dit een interpretatie van de wet is geweest door Toeslagen die in de jurisprudentie van de Raad van State is bevestigd. De uitvoering en rechtspraak hebben elkaar op dit onderdeel als het ware versterkt.

De leden van de SP-fractie vragen of ook casussen van vóór CAF worden beoordeeld op institutionele vooringenomenheid. Voorts vragen zij of de ouders in deze dossiers zich kunnen melden voor de compensatieregeling of dat zij onder de herziening vallen.

De Adviescommissie heeft een aantal dossiers van voor CAF bezien. Zij concludeert dat uitsluitend in het dossier Eftel waarschijnlijk vergelijkbaar of mogelijk vergelijkbaar met het CAF-11 dossier is gehandeld. Daarnaast heeft de Adviescommissie overwogen dat het Bebegim- dossier nader onderzoek behoeft. Deze dossiers zullen dan ook door Toeslagen nader worden beoordeeld. De andere genoemde dossiers vooralsnog niet.

Zoals eerder is opgemerkt kunnen ouders in de andere dossiers zich wel met bewijsstukken melden, Toeslagen zal dan alsnog een beoordeling uitvoeren. Mocht blijken dat toch sprake is van een met CAF 11 vergelijkbare behandeling dan hebben de betrokken ouders een aanspraak op compensatie.

Indien er geen sprake is van een met CAF 11 vergelijkbare behandeling kan het zijn dat de betrokken ouders in aanmerking komen voor herziening of tegemoetkoming omdat zij zijn getroffen door de onredelijke hardheid van het stelsel.

De leden van de SP-fractie vragen, kort gezegd, naar het onderscheid van de ouders in CAF-dossiers die op een met CAF 11-vergelijkbare wijze zijn getroffen en ouders die zijn getroffen door de hardheid van het toeslagenstelsel. Voorts vragen deze leden of de enige reden is geweest dat de inschatting is dat de kans gering is dat rechter schadevergoeding zal toekennen.

De Adviescommissie maakt een onderscheid tussen ouders die op mogelijk vergelijkbare wijze als in het CAF 11-dossier zijn behandeld; en ouders die zijn getroffen door de reguliere werking en handhaving van de regelgeving rondom de Kinderopvangtoeslag en de uitleg die daaraan in uitvoering en rechtspraak is gegeven. Hier is in de uitvoering echter strikt genomen niets misgegaan anders dan met de blik van nu het strikt volgen van de regels onwenselijk wordt beschouwd. Dit is een cruciaal onderscheid. De inschatting in het eindrapport van de Adviescommissie dat de «kans gering is dat de rechter schadevergoeding zal toekennen» is dus niet de (enige) reden geweest voor deze vormgeving.

De eerste categorie ouders heeft recht op compensatie omdat Toeslagen op een institutioneel vooringenomen wijze heeft gehandeld en de gebruikelijke middelen van rechtsbescherming daar geen of onvoldoende bescherming tegen boden. Ouders krijgen alsnog de kinderopvangtoeslag toegekend en daarenboven een financiële tegemoetkoming voor hetgeen hen is aangedaan.

De tweede categorie ouders is getroffen door de harde regelgeving met een buitenproportioneel «alles of niets»-karakter. Zij krijgen alsnog waar zij, naar de inzichten van nu, aanspraak op hebben. In bijzondere gevallen ontvangen zij eveneens een aanvullende vergoeding.

De leden van de fractie van de SP vragen zich af hoe er omgegaan zal worden met ouders die wettelijk geen recht hadden op kinderopvang, maar die zich daarvan niet bewust waren. Bijvoorbeeld stellen waarvan één promoveert, maar daarop uitloopt en hierdoor de kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen.

Voor alle ouders geldt dat zij alleen recht hebben op kinderopvangtoeslag als aan alle voorwaarden wordt voldaan. Blijkt achteraf dat ten onrechte een voorschot is verleend, dan dient dit bedrag in beginsel in zijn geheel terugbetaald te worden. Alleen in bijzondere omstandigheden waarin een dergelijke terugvordering in de individuele omstandigheden van de ouder duidelijk onevenredig uitpakt, kan er ruimte zijn tot gehele of gedeeltelijke matiging hiervan; bijvoorbeeld als de ouder buiten zijn schuld en invloed in de omstandigheid is gekomen dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan of als deze niet wist en ook niet kon weten dat niet aan de voorwaarden werd voldaan. Dit vergt een individuele toets per geval. Bij (beurs)promovendi bepaalt de feitelijke invulling van de relatie met de universiteit de fiscale behandeling van het inkomen en het recht op kinderopvangtoeslag.26 Ook in geval van een eventuele uitloop is de feitelijke situatie van belang.

De te hanteren € 1.500-grens

De leden van de VVD-fractie vragen om de keuze om het grensbedrag van € 10.000 te verlagen naar € 1.500 te onderbouwen met een aantal concrete voorbeelden.

Ik heb ervoor gekozen om de grens van € 10.000 te verlagen naar een bedrag van € 1.500 per berekeningsjaar om te waarborgen dat een zo groot mogelijke groep ouders met een beperkte financiële armslag in aanmerking kan komen voor herziening of tegemoetkoming. Ik geef hierbij twee voorbeelden van ouders die met de voorgestelde grens van € 10.000 niet in aanmerking zouden komen voor herziening of tegemoetkoming.

Door een grens van € 10.000 te hanteren komt een groot aantal gezinnen met één kind dat voor drie dagen naar de dagopvang gaat niet in aanmerking voor herziening of de hardheidstegemoetkoming. Het maximale bedrag aan kinderopvangtoeslag dat deze ouders ontvangen is namelijk vanaf een verzamelinkomen van € 30.000 lager dan de grens van € 10.000.

Ook ouders met een gezin dat bestaat uit twee kinderen, die allebei drie dagen buitenschoolse opvang genieten, zouden buiten de boot vallen, omdat in alle gevallen – dus ook voor ouders die een verzamelinkomen hebben lager dan € 20.000 – het toegekende bedrag aan kinderopvangtoeslag lager ligt dan de grens van € 10.000.

De leden van de fractie van het CDA vragen, kort gezegd, naar de reden voor de drempel van € 1.500. Ook de leden van de D66-fractie vragen hiernaar.

In de kabinetsreactie heb ik opgemerkt dat de Adviescommissie constateerde dat niet voor iedereen die geconfronteerd is met een terugvordering in de kinderopvangtoeslag, sprake was van een disproportionele maatregel met grote gevolgen. Op basis van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State komt ook niet iedereen met een terugvordering in aanmerking voor herziening of tegemoetkoming. Een drempelbedrag brengt dit tot uitdrukking. Ik heb daarom besloten om een grens op te nemen voor het minimale bedrag waarbij ouders voor herziening of tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. De Adviescommissie sloot met de drempel van € 10.000 per berekeningsjaar aan bij de grens die sinds 2017 wordt gehanteerd voor de persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. Ik vind de grens van € 10.000 te hoog, vooral voor ouders met een beperkte financiële armslag, die vaak de hoogste toeslagen ontvangen. Ik heb daarom gekozen voor een bedrag van € 1.500 om te waarborgen dat een zo groot mogelijke groep ouders met een beperkte financiële armslag in aanmerking kan komen voor herziening of tegemoetkoming. Het betreft derhalve situaties waarin het gaat om een of meer beschikkingen tot vaststelling of tot terugvordering die leiden tot een terug te vorderen bedrag van ten minste € 1.500 per berekeningsjaar. Ter illustratie: in de situatie dat ouders één kind slechts één dag naar de buitenschoolse opvang brengen ontvangen de ouders bij een verzamelinkomen tot € 30.000 al meer dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag. Dit bedrag aan kinderopvangtoeslag stijgt wanneer er meer opvanguren worden afgenomen. Wanneer één kind drie dagen naar de buitenschoolse opvang gaat ontvangen ouders tot een verzamelinkomen van € 100.000 al meer dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag. Ik verwacht daarom vrijwel alle ouders met een beperkte financiële armslag te kunnen helpen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoeveel extra ouders in aanmerking kunnen komen voor compensatie nu het drempelbedrag niet € 10.000 (90.000 personen) maar € 1.500 bedraagt. Voorts vragen deze leden hoeveel vertraging het proces hierdoor gaat oplopen. Tevens vragen deze leden naar welke inkomensgroepen geholpen worden door het drempelbedrag te verlagen.

De Adviescommissie noemt in haar rapport het aantal van 90.000 personen waarbij over alle jaren heen cumulatief meer dan € 10.000 is teruggevorderd. Deze terugvorderingen kunnen in meerdere berekeningsjaren hebben plaatsgevonden. Het voorgestelde drempelbedrag van de Adviescommissie gaat echter over één berekeningsjaar in plaats van cumulatief over alle berekeningsjaren. Het aantal BSN-toeslagjaarcombinaties waarbij een nihil stelling heeft plaats gevonden van meer dan € 10.000 sinds de invoering van het Toeslagenstelsel is ruim 35.000. Door het drempelbedrag te verlagen naar € 1.500 komen ruim drie keer zoveel BSN-toeslagjaarcombinaties mogelijk in aanmerking voor herziening of tegemoetkoming, namelijk ruim 110.000. Daarbij merk ik voor de volledigheid op dat alleen ouders in aanmerking komen voor herziening of tegemoetkoming waarvan de neerwaartse bijstelling van de toeslag ook daadwerkelijk het gevolg was van – naar de huidige inzichten – onredelijke hardheid van het stelsel. Op basis van voorlopige inzichten schat ik in dat maximaal 5 tot 10% van de ouders die te maken hebben gehad met een nihil stelling van € 1.500 in aanmerking komt voor herziening of tegemoetkoming. Het totale aantal is daarmee naar verwachting 11.000. Zoals ook in de kabinetsreactie aangegeven vind ik de geadviseerde grens van € 10.000 te hoog, vooral voor ouders met een beperkte financiële armslag, die vaak de hoogste toeslagen ontvangen. Met de verlaging van de grens waarborg ik ook dat gedupeerde ouders in kwetsbare groepen zonder belemmeringen in aanmerking kunnen komen voor deze regeling. Aan de inrichting van de herstelorganisatie wordt op dit moment druk gewerkt. Ik informeer uw Kamer via de Uitvoeringstoets binnenkort nader.

De hoogte van de Kinderopvangtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het aantal kinderen en het soort opvang. Het is daarom niet mogelijk om in algemene termen vast te stellen welke inkomensgroepen hierdoor worden geholpen. Door het verlagen van het drempelbedrag komt een grotere groep ouders in aanmerking voor herziening of tegemoetkoming. Voor ouders met een lager verzamelinkomen is het bedrag aan Kinderopvangtoeslag hoger. Deze groep ouders wordt daarom over een bredere linie geholpen, omdat een groter aantal ouders met een laag inkomen meer dan € 1.500 aan toeslag ontvangt. Door het verlagen van het drempelbedrag komen ook meer ouders met een hoger inkomen in aanmerking voor herziening of tegemoetkoming.

In onderstaande grafiek is het recht op kinderopvangtoeslag weergegeven voor verschillende verzamelinkomens van de ouders voor vier verschillende situaties. Deze grafiek laat zien dat door het verlagen van het drempelbedrag alle inkomensgroepen in deze situaties worden geholpen en na verlaging van het drempelbedrag in aanmerking komen voor herziening of tegemoetkoming.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke mogelijkheden er bestaan voor ouder(s) om alsnog in aanmerking te komen voor compensatie wanneer zowel Toeslagen als de ouder(s) niet over de benodigde informatie beschikken.

Indien ouders menen dat zij in aanmerking komen voor een herziening of tegemoetkoming ter zake van hun kinderopvangtoeslag over deze jaren, dan kunnen zij contact opnemen met Toeslagen. Het initiatief daarvoor ligt bij de ouders. Het is daarbij wel van belang dat ouders, in ieder geval voor een deel, inzicht kunnen verschaffen in de gemaakte kosten kinderopvang over deze periode. Toeslagen zal zich maximaal inzetten om de gegevens nog te achterhalen, eventueel met stukken van de ouders of andere instanties zoals de banken en kinderopvanginstellingen. Maar als er uiteindelijk op geen enkele manier aannemelijk kan worden gemaakt dat er sprake was van onredelijke hardheid zal het in deze gevallen niet mogelijk zijn de ouders te compenseren.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom destijds is gekozen voor het verhogen van de grens voor een persoonlijke betalingsregeling van € 1.500 naar € 10.000.

Dit is gebeurd vanwege een tekort aan uitvoeringscapaciteit en naar aanleiding van een reorganisatie van het proces.

Planning, ondersteuning en communicatie richting de ouders

De leden van de fractie van het CDA vragen welke concrete maatregelen er worden voorgesteld om de bejegening van ouders te verbeteren.

Ik heb uw Kamer vorig jaar27 geïnformeerd over de wijze waarop de cultuur binnen de Belastingdienst en de vaardigheden van medewerkers verbeterd dienen te worden. Een mensgerichte werkwijze van medewerkers naar de toeslaggerechtigde is daarbij van belang. Op dit moment wordt in kaart gebracht op welke wijze de competenties van leidinggevenden en medewerkers bij Toeslagen kunnen worden versterkt om tot een meer mensgerichte aanpak van toeslaggerechtigden te komen. Ik informeer uw Kamer periodiek middels de voortgangsrapportages hoe dit traject zich ontwikkelt.

In eerdergenoemde brief aan uw Kamer werd gesproken over een serie gesprekken die binnen de organisatie gehouden zullen gaan worden om de toeslagen affaire met elkaar te evalueren, en daaruit lessen te trekken voor de toekomst. Ook heb ik hier tijdens het webinar over gesproken. Op dit moment wordt gezocht naar een goede procesbegeleider voor dit traject.

In eerste instantie zal door de begeleider en de leiding van Toeslagen met ouders gesproken worden over hoe zij Toeslagen de afgelopen jaren hebben ervaren. Deze inbreng zal gebruikt worden voor de interne gesprekken, waarbij eerst in wat kleiner verband een reconstructie gemaakt zal worden hoe het systeem heeft gewerkt wat heeft geleid tot de huidige affaire.

Vanuit deze introspectie zullen lessen getrokken worden en zal een «waardekompas» ontwikkeld worden, dat richting geeft aan onze ontwikkeling naar de toekomst. Vervolgens zal de gehele organisatie in een gespreksronde worden betrokken om de reconstructie en het waardekompas te bespreken.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe iedereen die recht heeft op compensatie wordt gewezen op het bestaan van digitale en fysieke balies om zich te melden. Tevens vragen deze leden of iedereen die recht heeft op compensatie een uitnodiging krijgt om zich te melden.

Laat ik beginnen om aan te geven dat de mogelijkheid om zich te melden al reeds door mijn ambtsvoorganger aan de Kamer is toegezegd en sinds de zomer van 2019 ingericht is. Sinds 2 januari jl. is de mogelijkheid hiervoor ingericht bij een specifiek telefoonnummer, hetgeen ook een toezegging was door mijn voorganger. Zoals ik uw Kamer heb toegezegd zal Toeslagen alle ouders die zich reeds gemeld hebben en waarvan Toeslagen beschikt over de benodigde gegevens in ieder geval een brief sturen. In deze brief informeren we ouders zo goed mogelijk onder welke omstandigheden zij mogelijk voor een tegemoetkoming in aanmerking komen en hoe zij zich kunnen melden indien dat het geval lijkt. Ik streef ernaar om de brief aan de ouders die binnen een CAF overig zaak vielen uiterlijk 31 mei te sturen. Voor de ouders die zich al gemeld hebben is het streven uiterlijk medio juni om hen te laten weten hoe het vervolgproces er uit gaat zien. Ouders uit de CAF-overig groep, ouders die OGS is verweten en ouders die zich hebben gemeld bij Toeslagen, BOinK en de SP hebben inmiddels een brief ontvangen met een uitnodiging voor een van de webinars. Daarnaast heb ik het kinderopvangveld (kinderopvangorganisaties, oudervertegenwoordigingen, Sociaal Werk Nederland) en de VNG gevraagd op hun websites aandacht te besteden aan de mogelijkheid. In de komende tijd gaan we ouders op allerlei manieren proberen te benaderen.

De leden van de D66-fractie vragen, kort gezegd, naar de termijn waarbinnen ouders een herziening of tegemoetkoming zullen ontvangen.

Een eenduidige termijn is niet eenvoudig te geven. Ik streef er naar om in 2020 en 2021 zoveel mogelijk ouders die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming deze uit te keren, maar ik kan niet uitsluiten dat dit in sommige gevallen langer zal doorlopen. De tijd die nodig is om tot een beslissing over (de hoogte van) de tegemoetkoming te komen hangt onder meer af van het aantal ouders dat een beroep doet op de regeling, de volledigheid van de gegevens die in de systemen van Toeslagen beschikbaar zijn en van de kwaliteit van de bewijsstukken die ouders kunnen aandragen.

Toeslagen zal met ouders zo helder en transparant mogelijk een tijdspad vaststellen. Ik zal erop toezien dat ouders niet onnodig in lange, tijdrovende procedures verwikkeld raken.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze de crisisorganisatie ervoor zorgt dat de zwaarst gedupeerden als eerste worden geholpen.

De CAF-vergelijkbare casussen, zoals genoemd in het rapport van de Adviescommissie, worden door de crisisorganisatie als eerste opgepakt. Het tijdspad waarop en de volgorde waarin gedupeerde ouders worden geholpen en de werkwijze daarbij worden op dit moment nog nader uitgewerkt. In de uitwerking probeer ik de uitvoering zo vorm te geven dat burgers zelf specifieke omstandigheden kunnen aandragen die behandeling met voorrang rechtvaardigheden. Ik denk daar bijvoorbeeld aan situaties als gedwongen verkoop van huis of geen leefgeld. Ook zullen we bekende schrijnende gevallen, bijvoorbeeld uit gesprekken met ouders of het Zwartboek van de SP, voorrang geven. Ik bekijk daarnaast ook naar de mogelijkheid in hoeverre bekende data-indicatoren, zoals de omvang van de terugvordering in verhouding tot de draagkracht van burgers, kunnen helpen in de prioritering.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of hoeverre ouders geïnformeerd worden over de redenen van een eerdere terugvordering.

Het uitgangspunt in alle communicatie met ouders is dat zij zo helder en inzichtelijk mogelijk worden geïnformeerd over hun situatie en hun mogelijke aanspraak op herziening of tegemoetkoming. Het antwoord op de vraag waarom zij in het verleden een bedrag aan kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen maakt daar zonder meer onderdeel van uit.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe het kabinet er concreet voor gaat zorgen dat de ouders die het hardst getroffen zijn het eerst geholpen gaan worden en of de ouders die meer dan € 10.000 zijn misgelopen het eerst aan de beurt zijn.

Er is gestart met de CAF-zaken. Details over de wijze waarop en de volgorde waarin de dossiers beoordeeld gaan worden, zijn op dit moment nog niet bekend. Het streven is om op een zo kort mogelijke termijn te starten met de uitvoering om ouders zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden.

De leden van de fractie van de PVV vragen door wie de ouders actief worden ondersteund.

Zoals ik uw Kamer heb toegezegd zal Toeslagen alle ouders die zich reeds gemeld hebben en waarvan Toeslagen beschikt over de benodigde gegevens in ieder geval een brief sturen. In deze brief informeren we ouders zo goed mogelijk onder welke omstandigheden zij mogelijk voor een compensatie, herziening of tegemoetkoming in aanmerking komen en hoe zij zich kunnen melden. Daarnaast worden bijeenkomsten gepland door het hele land om ouders te informeren. Een aantal van die bijeenkomsten zijn webinars geworden. Tot slot worden er individuele contactpersonen aangesteld per ouder of ouderpaar. Dat is een persoonlijk aanspreekpunt die de ouder of het ouderpaar begeleidt bij de aanvraag voor compensatie, herziening of tegemoetkoming.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe wordt voorkomen dat de ouders niet opnieuw in een enorme administratieve chaos terechtkomen en op welke wijze er duidelijk wordt gecommuniceerd naar de ouders. De leden van de fractie van de VVD vragen op welke manier de informatiefunctie wordt uitgevoerd in de huidige situatie – dat wil zeggen met de uitbraak van het coronavirus en de door het kabinet afgekondigde maatregelen – en welke stappen zijn gezet om de informatiestroom richting de ouders zo goed als mogelijk in te kunnen vullen. De leden van de fractie van de PVV vragen daarbij of de annulering van de ouderbijeenkomsten duidelijk gecommuniceerd is. De leden van de fractie van de PVV vragen meer specifiek of de vanaf 23 maart aangekondigde ouderbijeenkomsten nog doorgang vinden met het oog op de uitbraak van het coronavirus. De leden van de fractie van D66 vragen op welke manier de ouders nu op de hoogte worden gebracht en of de ouderbijeenkomsten op een later moment georganiseerd worden. De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaast de ouders en uw Kamer zo snel mogelijk te informeren over de verschillende manieren waarop er nu contact moet worden gelegd met Toeslagen. Deze leden vragen hierbij specifiek in te gaan op de crisisorganisatie en de gewenste taken waarbij «menselijk» contact nu bemoeilijkt wordt. De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre de compensatie van ouders vertraging oploopt vanwege het coronavirus.

Om te voorkomen dat ouders door de spreekwoordelijke bomen het bos niet meer zien in de informatie rondom toeslagen, heb ik de afgelopen weken stevig aan gestuurd op begrijpelijke, gecoördineerde en waar mogelijk persoonlijke communicatie met de ouders.

Voor de ouders is zodoende inmiddels een breed pallet aan mogelijkheden om zich te (laten) informeren. U moet dan denken aan brieven, bijeenkomsten (fysiek of als webinar), persoonlijke contactpersonen, het telefoonnummer van het serviceteam gedupeerden kinderopvangtoeslag, de website telsagen.nl/herstel en persoonlijke gesprekken met ouders.

Brieven

In de week die volgde op het verschijnen van de rapporten van de Adviescommissie en de ADR en de kabinetsreactie zijn een kleine 20.000 betrokken ouders per brief geïnformeerd. Het betreft hier een brief aan alle bij Toeslagen bekende adressen van

  • ouders die die tijdens de CAF onderzoeken aangesloten waren bij een facilitator waar door het Combiteam Aanpak Facilitators onderzoek naar werd gedaan vanwege een vermoede van georganiseerde fraude;

  • ouders die zichzelf de afgelopen maanden gemeld hebben omdat hun situatie mogelijk vergelijkbaar is met CAF11 of om zijn/haar dossier op te vragen en

  • ouders waarvoor gold dat dat ze in november 2019 een O/GS kwalificatie hadden met een openstaande toeslag- of belastingschuld. Voor wie toen invordering is gepauzeerd.

In de brief werden deze ouders geïnformeerd over de kabinetsreactie op het eindadvies van de Adviescommissie, de gevolgen voor het voorlopig uitstellen van bijeenkomsten vanwege het COVID-19 beleid en uitgenodigd voor een tweetal webinars. Daarnaast verwees de brief naar toeslagen.nl/herstel voor meer informatie.

In mei informeert Toeslagen alle ouders per brief over het vervolg. Toeslagen onderkent hiervoor vier groepen.

  • 1. CAF vergelijkbaar. Ouders die tijdens de CAF onderzoeken aangesloten waren bij een facilitator waar onderzoek naar werd gedaan vanwege een vermoede van georganiseerde fraude, en waarvoor geld dat er in dit onderzoek op een CAF vergelijkbare wijze is gehandeld. Voor deze ouders geldt dat ze (mogelijk) gedupeerd zijn door vooringenomen handelen van de Belastingdienst. Op advies van de Adviescommissie wordt deze ouders om toestemming gevraagd of de Belastingdienst hun persoonlijke dossier mag onderzoeken op recht op compensatie. De ouders die daarmee akkoord gaan krijgen vervolgens een contactpersoon toegewezen, die als persoonlijk aanspreekpunt functioneert en de ouder(s) begeleidt in het proces.

  • 2. CAF overig. Ouders die tijdens de CAF onderzoeken aangesloten waren bij een facilitator waarnaar onderzoek werd gedaan naar georganiseerde fraude, en waarvoor geld dat er in dit onderzoek op niet een CAF vergelijkbare wijze is gehandeld. Deze ouders krijgen een brief waarin hen wordt uitgelegd

    • a. dat de Belastingdienst hun persoonlijke dossier niet verder onderzoekt omdat er tijdens het onderzoek niet op een CAF vergelijkbare wijze is gehandeld;

    • b. dat ze vervolgens de Belastingdienst kunnen vragen om hun persoonlijke dossier te beoordelen of ze gedupeerd zijn doordat de wet te streng was (hardheid stelsel).

  • 3. Ouders die zichzelf de afgelopen maanden gemeld hebben omdat ze van mening zijn dat hun situatie mogelijk vergelijkbaar is met CAF11, of om hun dossier verzocht hebben. Deze ouders worden geïnformeerd dat onderzocht wordt of ze gedupeerd zijn doordat de wet te streng was (hardheid stelsel). Ook deze ouders krijgen, net als de groep CAF vergelijkbaar, een contactpersoon toegewezen, die als persoonlijk aanspreekpunt functioneert en de ouder(s) begeleidt in het proces.

  • 4. O/GS. Ouders waarvoor in november 2019 gold dat dat ze een O/GS kwalificatie hadden met een openstaande toeslag- of belastingschuld. Voor al die mensen is in november «19 de invordering gepauzeerd. Hen wordt nu alsnog een persoonlijke betalingsregeling aangeboden op basis van hun persoonlijke betalingscapaciteit. Ouders wiens persoonlijke dossier opnieuw wordt beoordeeld die bovendien tot deze groep O/GS behoren, krijgen deze brief nog niet omdat gedurende de nieuwe beoordeling, de invordering gepauzeerd blijft.

De brieven die aan ouders worden verstuurd worden zo begrijpelijk mogelijk opgesteld. Dit houdt in dat juridische termen zo veel mogelijk vermeden worden en dat er een duidelijk handelingsperspectief in de brief staat. Voor meer informatie wordt in de brieven verwezen naartoeslagen.nl/herstel waar ouders alle praktische en achtergrondinformatie te vinden is. De brieven worden voorgelegd aan het ouder- en kindpanel. Het ouder- en kindpanel wordt verder ook betrokken bij de beoordeling van de wijze waarop Toeslagen met ouders communiceert waarbij de helderheid van de boodschap een speerpunt is.

Bijeenkomsten

Toeslagen organiseert onder andere in samenwerking met gemeenten fysieke bijeenkomsten op verschillende plekken in het land en/of extra webinars. Ouders worden hierover persoonlijk of per brief geïnformeerd en kunnen zich hier laten informeren over de aanpak, vragen stellen, hun verhaal delen en eventueel op weg worden geholpen naar (schuld)hulp die door hun gemeente kan worden gegeven. Zoveel mogelijk is ook de persoonlijke contactpersoon van de aanwezige ouders hierbij aanwezig.

Webinars

De eerste twee webinars hebben op maandag 30 maart en donderdag 2 april plaatsgevonden. Deze webinars zijn goed bekeken en uit de eerste evaluatie blijkt dat ze in een behoefte voorzien. Afhankelijk van de behoefte van ouders en het geldende COVID-19 beleid volgen er mogelijk meer webinars.

Toeslagen.nl/herstel

Voorts houd ik rekening met nieuwe vragen via het speciale telefoonnummer (0800 – 2358 358), is alle algemene informatie online staat via toeslagen.nl/herstel. De informatie op toeslagen.nl/herstel wordt regelmatig geactualiseerd met nieuwe informatie over het herstelproces. Via deze website zijn bijvoorbeeld ook de webinars terug te zien. Ik breng deze informatie regelmatig actief onder de aandacht via (social)media. Daarnaast zet ik ook laagdrempelige communicatiemiddelen in zoals video’s en infographics. Zo is er al een aantal videoboodschappen voor de betrokken ouders opgenomen die zowel via social media als via toeslagen.nl/herstel zijn verspreid. Op deze manier komen er geregeld updates om ouders te informeren en procesinformatie te geven. Ik ben verheugd te zien dat zij dat ook hebben gedaan.

Serviceteam gedupeerden Kinderopvangtoeslag (telefoonnummer)

Ik hecht er groot belang aan dat individuele ouders hun vragen kunnen blijven stellen via het speciale telefoonnummer van het Serviceteam gedupeerden Kinderopvangtoeslag. Dit telefoonnummer wordt zowel in brieven als op www.toeslagen.nl vermeld. Wel moet ik opmerken dat door de maatregelen rondom COVID-19 ook bij de het Serviceteam minder medewerkers aanwezig zijn. Om zoveel mogelijk mensen goed te woord te kunnen staan, zijn de openingstijden aangepast. Het Serviceteam gedupeerden Kinderopvangtoeslag is gedurende deze periode bereikbaar van maandag tot en met vrijdag tussen 9 en 17 uur.

Balies

Bij de exacte inrichting van de in de kabinetsreactie aangekondigde fysieke balies wordt uiteraard rekening gehouden met de maatregelen rondom COVID-19. Het is op dit moment moeilijk in te schatten hoeveel mogelijke vertraging wordt opgelopen door deze maatregelen. Het contact met de ouders blijft echter een belangrijke pijler binnen de herstelorganisatie. Dit wordt nu zoveel mogelijk vormgegeven door op andere manieren, zoals telefonisch, in contact te treden met de ouders. Zodra de beperkingen vanwege COVID-19 worden opgeheven of aangepast, wordt gestart met de fysieke ouderbijeenkomsten en individuele oudergesprekken vanuit de herstelorganisatie.

Persoonlijke gesprekken

Het huidige beleid rondom COVID-19 laat onverlet dat ik nog steeds met regelmaat (zij meestal via videoverbindingen) persoonlijke gesprekken voer met gedupeerde ouders. Sinds mijn aantreden heb ik regelmatig gesproken met ouderparen en diverse malen met groepen ouders. Naar aanleiding van de webinars hebben zich nog eens een 300-tal ouders gemeld, met het verzoek mij persoonlijk te spreken. Ik ben voornemens hier de komende maanden gehoor aan te geven door in het land spreekuren te organiseren. Deze gesprekken ervaar ik keer op keer als indrukwekkend en motiveren mij om met veel energie aan de problemen te blijven werken.

Advies vanuit de gedupeerde ouders en kinderen

Daarnaast is er een ouder- en kindpanel in oprichting dat gevraagd en ongevraagd advies kan geven en mee kijkt op de communicatiemiddelen.

Uiteraard is er ook regelmatig contact met belanghebbende koepel-, branche- en belangenorganisaties. Waar mogelijk betrek ik hen bij wat er voor de ouders wordt besloten, bij de communicatie met de ouders en bij – bijvoorbeeld – het inrichten van een ouder- en kindpanel. Hierover heb ik ook advies gevraagd aan de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman.

De leden van de fractie van de PVV vragen naar de eerste resultaten van het speciale telefoonnummer, of de website veel wordt bezocht en naar de eerste reacties van koepel-, branche- en belangenorganisaties.

In het eerste kwartaal van 2020 heeft het Serviceteam bijna 5500 telefoontjes beantwoord. De bereikbaarheid was goed, de gemiddelde wachttijd was 34 seconden. De laatste weken werd het Serviceteam gedupeerden Kinderopvangtoeslag naast nieuwe aanmeldingen voor herbeoordeling vooral veel gebeld over de brieven die zijn verstuurd inzake de pauzering van de invordering en de gevolgen die dit heeft voor de burger. Ook wordt er nog geregeld gevraagd wat de stand van zaken is van de herbeoordeling. Het Serviceteam heeft vanaf december ook proactief mensen benaderd, zoals ouders die zich al bij de Belastingdienst hadden gemeld om hen te informeren dat de rapporten van de Adviescommissie en ADR later dan verwacht zouden verschijnen, ouders die een dossier hebben opgevraagd om een afspraak voor bezorging te maken, ouders die zich gemeld hebben bij BOinK of de SP om hun gegevens aan te vullen en hen voor herbeoordeling te registreren. Daarnaast heeft het Serviceteam vragen beantwoord van mensen die bij de ouderbijeenkomst met de Minister-President en de Minister van Financiën op 20 januari jl. aanwezig waren. In totaal zijn door het Serviceteam ruim 2500 personen gebeld. Sinds 1 maart wordt de klanttevredenheid op de binnenkomende telefoontjes gemeten. Het is nu nog te vroeg om daaruit resultaten af te leiden. Dit hangt samen met de korte tijd die verstreken is sinds de start van de meting van de klanttevredenheid en de tot nu toe ontvangen respons op de uitnodiging om mee te doen aan de enquête.

Vanaf 10 januari staat er op Toeslagen.nl een pagina live voor de gedupeerden van de kinderopvangtoeslag. Hierop kon actuele niet-BSN-gebonden informatie worden gevonden. Deze pagina is van 10 januari tot 18 maart 4336 maal bezocht. Op 18 maart is deze pagina uitgebreid tot een landingspagina. Hierop kan, naast alle actuele informatie, ook alle andere niet-BSN-gebonden informatie gevonden worden zoals de rapporten Donner, de kabinetsreactie, de webinars voor de gedupeerden en videoberichten vanuit de Staatssecretaris. Deze pagina is vanaf 18 maart tot 22 april 8869 maal bezocht.

Er heeft overleg met de brancheorganisaties plaatsgevonden. Zij hebben uitleg gekregen over de maatregelen die het kabinet heeft genomen naar aanleiding van het eindrapport van de Adviescommissie. Gevraagd is om samen te werken tijdens het herstel van gedupeerde ouders. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op het meedenken over het ouder- en kindpanel, het beschikbaar stellen van communicatiekanalen om ouders te bereiken en medewerking aan de fysieke ouderbijeenkomsten als deze weer van start kunnen gaan. Stakeholders zijn positief dat zij worden betrokken en hebben hun medewerking toegezegd.

De leden van de fractie van de PVV vragen of gemeenten genoeg capaciteit en financiële middelen hebben om hulp te bieden en, indien dat niet het geval is, ik voornemens ben daar geld voor beschikbaar te stellen.

De gevraagde capaciteit van gemeenten is onder andere afhankelijk van de omvang van de hulpvraag van ouders, de verdeling van de getroffen ouders over de verschillende gemeenten en de uitwerking van de werkvorm tussen Toeslagen en gemeenten. Ik kan daarom op dit moment niet precies aangeven of alle gemeenten op dit moment voldoende capaciteit beschikbaar hebben. Deze vraag is echter ook aan bod gekomen tijdens mijn overleg met de verschillende gemeenten en daar zal aandacht aan worden besteed in de uitwerking. Ik ben voornemens om hiervoor indien nodig een incidenteel bedrag te reserveren. Dit kan binnen de bestaande middelen.

De leden van de factie van de PVV vragen wie met «ons» wordt bedoeld in de passage «zij zullen samen met ons een «voorhoedegroep» vormen».

Toeslagen zal, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en een aantal gemeenten waar ouders die onderdeel waren van een CAF-zaak woonachtig zijn, samenwerken in de voorhoedegroep.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel gemeenten deel uitmaken van de voorhoedegroep.

De voorhoedegroep wordt gevormd door een aantal van de gemeenten waar veel ouders die onderdeel waren van een CAF-zaak woonachtig zijn. Dit zijn 13 gemeenten.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe groot de groep van gemeenten is die wel is benaderd, maar nog geen onderdeel vormt van de voorhoedegroep en welke redenen gemeenten hiervoor aandragen.

Op dit moment maken alle gemeenten die zijn benaderd onderdeel uit van de voorhoedegroep.

Veranderingen in de organisatie

De leden van de fractie van de PVV vragen naar het wegnemen van de institutionele vooringenomenheid door middel van een mentaliteitsverandering en of deze veranderingen gerealiseerd kunnen worden zonder personele sanering.

Ik merk vooraleerst op dat ook de Adviescommissie constateert dat in het verleden sprake was van een institutionele vooringenomenheid en dat daarvan thans geen sprake meer is. Dat neemt niet weg dat een cultuurverandering wel wenselijk is. In opmaat naar het herstel van vertrouwen in de Belastingdienst en het terugbrengen van de menselijke maat in de dienstverlening, is het essentieel om het verleden af te sluiten. Dat is niet eenvoudig; Toeslagen stond in een aantal gevallen lijnrecht tegenover burgers. Dat heeft niet alleen de getroffen ouders emotioneel en financieel geraakt, maar ook medewerkers van Toeslagen.

Hoog tijd om te werken aan nieuw perspectief. Dat kan alleen als er:

  • Wordt erkend wat fout is gegaan, wanneer en hoe keuzes zijn gemaakt die hiertoe hebben geleid, en welke intentie en patronen daaraan ten grondslag lagen.

  • Met elkaar geleerd kan worden van wat er is gebeurd en hoe er gezorgd kan worden dat Toeslagen vanuit de maatschappelijke legitimiteit het vertrouwen stap voor stap herstelt.

Deze twee uitgangspunten dragen bij aan een veilige, open en lerende cultuur die nodig is om het vertrouwen te herstellen en de geloofwaardigheid terug te krijgen.

Deze veranderingen teweegbrengen vraagt de komende jaren om veel aandacht voor cultuur en leiderschap binnen de Toeslagen. Als eerste stap daarin worden nu de voorbereidingen getroffen voor een serie gesprekken met medewerkers en leidinggevenden waarin gereflecteerd wordt op de uitvoering van de toeslagenregeling in de periode vanaf 2012 mede op basis van de ervaringen van de getroffen ouders en de rapporten van de Adviescommissie en de ADR. Deze gesprekken zijn gericht op een reconstructie van de toeslagenaffaire en de verschillende rollen daarbinnen. Daarin wordt stilgestaan bij wat er fout is gegaan en op de achterliggende waarden, keuzes, overwegingen en intenties. De uitkomsten van dit proces moeten de basis bieden voor de stapsgewijze ontwikkeling van een nieuwe cultuur en een nieuw «waardenkompas». Dat willen we vormgeven in een goede wisselwerking met de vernieuwing van de dienstverlening met meer ruimte voor maatwerk. Stap voor stap en dicht op de werkpraktijk. De ervaringen die worden opgedaan in de hersteloperatie worden daarbij benut. Meer informatie over de organisatie is opgenomen in de voortgangsrapportage.

De leden van de fractie van de SP stellen enkele vragen over de afvaardiging in de bestuurlijke adviesraad van de crisisorganisatie, de invulling van de rollen en op welke wijze verslaglegging plaatsvindt.

Op dit moment wordt het instellingsbesluit van deze Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag opgesteld. Zodra deze gereed is, deel ik die conform de daartoe geëigende voorhangprocedure met uw Kamer. Op dat moment zal ik uw Kamer ook informeren over de mensen die op persoonlijke titel zitting nemen in de Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag.

De Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag wordt een onafhankelijk orgaan die de crisisorganisatie adviseert, zowel gevraagd als ongevraagd, op beleid, uitvoering en communicatie in het kader van de hersteloperatie. De Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag zal tevens verbindingen leggen tussen de crisisorganisatie en externe actoren (denk hierbij aan KO-instellingen, gemeenten, financiële instellingen) die kunnen helpen met betrekking tot de hersteloperatie. De focus van de Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag zal gericht zijn op de hersteloperatie. Dat betekent dat interne processen en inrichtingsvraagstukken die de burger niet raken, structurele verbeteringen van het Toeslagenstelsel en het ontvlechtingstraject van de Belastingdienst buiten de scope zullen vallen van de Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag. De voorzitter van de Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag zal adviezen schriftelijk terugkoppelen aan de Directeur-Generaal Toeslagen. De verslagen en adviezen zullen tevens onderdeel uitmaken van de aanpak van Uitvoering Herstel Toeslagen. Dat zal ook zorgen voor duidelijke terugkoppeling aan de Bestuurlijke Adviesraad Kinderopvangtoeslag over wat er met de opmerkingen en adviezen concreet gebeurt.

Met betrekking tot de taken van de crisisorganisatie en het strategisch crisisteam, vragen de leden van de fractie van de SP naar de inbedding van deze organisatie in of ten opzichte van het Ministerie van Financiën alsmede van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en wordt gezorgd voor een «open lijn» voor informatie naar de ambtelijke top.

De hersteloperatie heeft sterke afhankelijkheden met Toeslagen en andere functies binnen de Belastingdienst. Daarnaast is nauwe betrokkenheid, controle en sturing van opdrachtgever (Ministerie van SZW en Ministerie van Financiën) en eigenaar (Ministerie van Financiën) essentieel. In het Strategisch Crisis Team is de ambtelijke top vertegenwoordigd door deelname van de secretaris-generaal (als voorzitter), de directeur-generaal Toeslagen, de Directeur-Generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de directeur-generaal Fiscale Zaken. Het SCT overlegt op dit moment twee keer per week met de Staatssecretaris. Ook is er nauw contact tussen de hersteloperatie en de lopende operatie van Toeslagen, zodat lessen die getrokken worden uit de crisis vertaald worden naar de lopende operatie, organisatieontwikkeling en toekomstig toeslagenbeleid. Zo krijgt de crisisorganisatie frequent sturing, om de snelheid van voortgang te waarborgen.

De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel extra capaciteit er nodig is voor de uitvoering bij Toeslagen.

Op dit moment ga ik ervan uit dat voor de uitvoering van de maatregelen circa 500 extra fte nodig zijn. De inzet van extra capaciteit is tijdelijk en is nodig in de jaren 2020, 2021 en 2022. De uitvoerbaarheid van de maatregelen is op hoofdlijnen beoordeeld, maar er heeft nog geen volledige uitvoeringstoets plaatsgevonden. Deze uitvoeringstoets moet verdere invulling geven aan de inschattingen en zal voor de zomer worden afgerond.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de actuele ontwikkelingen in de capaciteit van de Belastingdienst en de projectorganisatie om dit traject snel op te pakken en af te ronden en vragen in hoeverre het aantrekken van expertise, bijvoorbeeld van andere organisaties die veel ervaring hebben met persoonlijke dienstverlening en reparaties, is gevorderd.

Expertise wordt in verschillende lagen van de organisatie aangetrokken en benut. Allereerst heb ik een Bestuurlijke Adviesraad opgericht. In deze adviesraad is expertise en ervaring aanwezig op meerdere gebieden. Er nemen experts in de kinderopvangtoeslagproblematiek plaats in de raad. Denk hierbij aan de voorzitters van verschillende brancheverenigingen in kinderopvang en burgemeesters uit gemeentes waar veel gedupeerden wonen. Ook zijn experts in (strategisch) crisismanagement, communicatie, schuldenproblematiek, en uitvoering in tijden van crisis aangesloten. Bij Toeslagen is expertise op het gebied van organisatieontwikkeling aangetrokken voor het opzetten van de hersteloperatie. Om zo snel mogelijk van start te kunnen met het uitvoeren van de hersteloperatie moet de organisatie intern mensen werven, opleiden en inwerken en wordt een beroep gedaan op een externe partij. Hiervoor is Deloitte aangetrokken. Deloitte heeft ruime ervaring op het gebied van hersteloperaties zoals de schadevergoedingen die door banken in het kader van derivaten producten zijn uitgekeerd.

De leden van de fractie van de PVV vragen of de extra capaciteit om misbruik aan te pakken dezelfde capaciteit is als de in de kabinetsreactie aangehaalde capaciteit inzake de uitvoerbaarheid.

Dat is niet het geval. De in de kabinetsreactie bedoelde capaciteit betreft de capaciteit die benodigd is voor reparatie van het verleden. De extra capaciteit om misbruik aan te pakken betreft geheel nieuwe capaciteit die extra nodig is om evidente gevallen van misbruik of oneigenlijk gebruik via het opleggen van een vergrijpboete aan te pakken. Ook nu zet Toeslagen capaciteit in om evident misbruik te beboeten. Maar omdat in de toekomst OGS niet langer weigeringsgronden voor een persoonlijke betalingsregeling zijn en het afzien van inning van een deel van de schuld ook in die gevallen mogelijk wordt, wordt het risico dat misbruik loont groter. Ik vind het daarom belangrijk om meer capaciteit in te zetten voor onderzoek naar evident misbruik.

De leden van de SP vragen wie er in het ouder-kindpanel zal komen te zitten, hoe die geselecteerd worden en wat hun taak wordt. Verder vragen de leden van deze fractie of de leden van het ouder-kindpanel ook verslag kunnen doen aan bijvoorbeeld de Kamer.

Voor het benaderen van ouders en hun kinderen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande contacten. Dat zijn ouders die al eens in gesprek zijn geweest met mijn ambtsvoorganger, de Minister van Financiën of mijzelf. Daarnaast zijn er ouders in beeld die actief hebben deelgenomen aan de ouderbijeenkomst in januari met de Minister-President en de Minister van Financiën, hun dossier hebben opgevraagd of andere toenadering hebben gezocht tot Toeslagen, zich bij de SP hebben gemeld, of zichzelf hebben aangemeld n.a.v. de ouderswebinars.

Voor het kindpanel zijn we nog op zoek naar kinderen waarbij we ons in eerste instantie richten op de leeftijdscategorie 8 – 12 jaar. Deze kinderen waren in de periode 2013–2016 als kleuter bij de gastouder/kinderopvang en zitten nu als kind bij de BSO. Zij zijn daarmee gebruiker en ervaringsdeskundige. Veel kinderopvangorganisaties hebben een eigen actieve kinderraad. Hierin zitten vaak de meer betrokken kinderen, die ook gewend zijn actief mee te denken over verbeterprocessen. Het is mogelijk zinvol om ook via deze kanalen kinderen te werven. De opzet en wervingsmethode van de panels zal ik afstemmen met de ombudsman, kinderombudsman, Bestuurlijke Adviesraad en Stichting Missing Chapter Foundation. Zij kunnen zo nodig ook een actieve rol vervullen in het helpen werven van ouders en kinderen.

De panels hebben als functie het geven van gevraagd en ongevraagd advies aan mijzelf en de Belastingdienst over alle aspecten met betrekking tot herstel kinderopvangtoeslag. De panels zijn tevens klankbord voor mijzelf en de alle betrokken departementen. De panels bepalen zelf over welke onderwerpen zij gaan spreken. Ook zullen de panels de communicatie van Toeslagen beoordelen.

Het ouderpanel zal direct rapporteren aan de directeur-generaal Belastingdienst, de directeur Uitvoering Herstel Toeslagen, directeur-generaal Toeslagen en mijzelf, bij voorkeur in een persoonlijk overleg. Het kindpanel kan ook een eigen, passende vorm van rapportage kiezen, waar ruimte is voor creatieve ideeën en suggesties die passen bij de belevingswereld van het kind zelf. De panels zullen niet direct rapporteren aan de Tweede Kamer, de Tweede Kamer kan mij aanspreken betreffende de panels. De verslagen en adviezen zullen tevens onderdeel uitmaken van de aanpak van Uitvoering Herstel Toeslagen. Dat zal ook zorgen voor duidelijke terugkoppeling aan het ouder-kindpanel over wat er met de opmerkingen en adviezen concreet gebeurt.

D. Verbeteringen voor de toekomst

Uw Kamer heeft ook vragen gesteld over de structurele veranderingen in het toeslagenstelsel naar aanleiding van de Adviescommissie uitvoering toeslagen en de noodzakelijke aanpassingen bij Toeslagen om herhaling van dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Hierna wordt ingegaan op vragen met betrekking veranderingen die reeds in gang zijn gezet en de vragen die zien op herziening beleid OGS. Daarnaast zal worden ingegaan op vragen die zien op wijziging van het Toeslagen stelsel en de wenselijkheid van aanvullende maatregelen.

Aangekondigde verbeteringen

De leden van de VVD-fractie vragen, kort gezegd, aan te geven hoe het Verbetertraject kinderopvangtoeslag uitwerkt in de praktijk.

Het Verbetertraject is in 2018 gestart met als doelstelling om, naast de toeslagbrede maatregelen die de Belastingdienst al heeft genomen, eraan bij te dragen dat minder ouders te maken krijgen met hoge terugvorderingen als gevolg van de gehanteerde voorschotsystematiek. Om dit doel te bewerkstellingen worden er langs drie lijnen verbetermaatregelen getroffen: eerder signaleren, begeleiden van ouders en verbetering van de digitale dienstverlening.

De laatste jaren is een trendmatige daling van het aantal hoge terugvorderingen waar te nemen. Het effect van het Verbetertraject zal naar verwachting vanaf de tweede helft van dit jaar merkbaar worden. De maatregelen worden immers dit jaar geleidelijk ingevoerd.

Over de voortgang is uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd. Het meest recent in de brief van 17 oktober jongstleden die de Staatssecretaris van SZW, mede namens mij, aan uw Kamer heeft gestuurd.28 In de komende voortgangsrapportage zal ik uitgebreider ingaan op de afzonderlijke verbetermaatregelen.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke wettelijke stappen het kabinet gaat zetten om tot een meer menselijkere maat te komen bij de afweging of iemand wel of geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

In de kabinetsreactie wordt een aantal structurele verbeteringen van het toeslagenstelsel genoemd. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de stappen die door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mijn ambtsvoorganger zijn genomen om de kinderopvangtoeslag proportioneel vast te stellen. Tegelijkertijd wordt op dit moment gewerkt om in de uitvoering ook het matigen van een terugvordering in zeer bijzondere omstandigheden mogelijk te maken. Het voornemen bestaat om in samenspraak met de Staatssecretaris van SZW deze maatregelen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Wet op de Kinderopvang (Wko) te codificeren. Daarbij heb ik het voornemen om in ieder geval het proportioneel vaststellen samen met de Staatssecretaris van SZW als separaat wetsvoorstel bij het Belastingplan 2021 aan te bieden. Daarbij wil ik opmerken dat reeds uitvoering wordt gegeven aan proportioneel vaststellen door Toeslagen. Hiervoor is eind vorig jaar een Verzamelbesluit Toeslagen geslagen, met terugwerkende kracht naar 23 oktober 2019. Tevens is het beleid omtrent matiging van de terugvordering op 22 april gepubliceerd in een nieuwe versie van het Verzamelbesluit Toeslagen

Om de menselijke maat verder tot uitdrukking te brengen in het toeslagensysteem, werk ik daarnaast samen met de betrokken bewindspersonen aan een hardheidsclausule. Dit maakt het mogelijk om tegemoet te komen aan die gevallen waarin de toepassing van wet- en regelgeving op het gebied van toeslagen leidt tot niet voorziene en niet beoogde gevolgen.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom het niet opportuun is om de regelgeving met betrekking tot toeslagen te vervangen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de voorstellen ook gevolgen hebben voor andere toeslagen dan de kinderopvangtoeslag.

In de brief29 van 27 februari jl. aan uw Kamer over de aanpak van de problemen bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen is gewezen op het belang dat in de lopende uitvoering van de toeslagenregelingen geen nieuwe problemen ontstaan, achterstanden worden weggewerkt en op de noodzaak om ook fundamenteler naar het stelsel van toeslagen te kijken. Ook de Adviescommissie vraagt hier aandacht voor. Voor dit laatste aspect worden in het IBO Toeslagen verschillende opties geschetst. Binnen enkele weken ontvangt uw Kamer een reactie van het kabinet op de aanbevelingen in het IBO Toeslagen. Een kernpunt daarbij is het verzoek van uw Kamer in de unaniem aangenomen motie van het lid Bruins c.s. om varianten te onderzoeken ter vervanging van het huidige stelsel dat zicht biedt op een toekomstig beter en menselijker systeem (Kamerstuk 31 066, nr. 584). In de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen zullen we benoemen welke stappen op korte en lange termijn worden gezet en waar nader onderzoek nodig is richting een nieuw stelsel.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom het uitgesloten is dat de Raad van State in toekomstige uitspraken niet weer meer op de zogenoemde harde lijn gaat zitten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraken van 23 oktober 2019 beredeneerd waarom teruggekomen wordt van eerdere jurisprudentie. Een wijziging van jurisprudentie en praktijk die het kabinet onderstreept, gegeven mijn ambtsvoorganger samen met de Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid al voornemens was verandering aan te brengen. Toeslagen kan sinds 23 oktober 2019, in lijn met de uitspraak van de Raad van State, de kinderopvangtoeslag proportioneel vaststellen op het moment dat de ouder de eigen bijdrage niet volledig heeft betaald. De mogelijkheden om de kinderopvangtoeslag proportioneel vast te stellen en het matigen van de terugvorderingen toeslagen is reeds opgenomen in het Verzamelbesluit Toeslagen.

De leden van de fractie van de PVV vragen of met het codificeren van maatregelen zoals de introductie van praktische rechtsbescherming de wetgeving niet nog complexer wordt, terwijl die complexe wetgeving nu al het probleem is.

Het is belangrijk dat de menselijke maat wordt verankerd in het toeslagenstelsel. Het is duidelijk geworden dat de huidige wet- en regelgeving, die meermaals door jurisprudentie is onderschreven, dit onvoldoende doet. Daarom ben ik voornemens verschillende maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen van situaties zoals die zijn geschetst in het rapport van de Adviescommissie. Hierbij merk ik voor de volledigheid op dat de codificering van de maatregelen in de wet het beleid niet complexer maakt dan dat deze is zonder codificering. Dat neemt niet weg dat er ook stappen worden gezet om het toeslagenstelsel aan te passen.

Opzet/grove schuld

De leden van de fractie van de PVV vragen of het mogelijk is een uitsplitsing te maken naar de verschillende toeslagen alsmede naar de afzonderlijke kwalificatie van OGS. De leden van de fractie van de SP vragen zich af waarom nog steeds niet duidelijk is hoeveel mensen de kwalificatie OGS is toegekend.

De bepaling of er sprake is van OGS is opgenomen in een vrij tekstveld dat handmatig is gevuld. Hierdoor is het niet mogelijk de groep burgers met OGS-bepalingen precies in beeld te brengen. Op basis van zoektermen in de vrije tekstvelden komen we tot een geschatte populatie van personen die te maken hebben of hebben gehad met OGS. Bij twee derde van de personen bij wie OGS is vastgesteld is duidelijk op welke beschikking dit betrekking heeft. Van deze beschikkingen hadden 50% betrekking op de kinderopvangtoeslag; 27% op huurtoeslag; 15% op zorgtoeslag; 7% op kindgebondenbudget; en minder dan 1% op boetebeschikkingen. Bij de overige een derde is in de vastlegging onvoldoende duidelijk op welke beschikking OGS betrekking heeft. In 2017 is de grens, waarbij in het geval van een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling beoordeeld werd of er sprake was van OGS, verhoogd naar € 10.000. Daardoor zijn er vanaf 2017 (vrijwel) alleen voor de kinderopvangtoeslag verzoeken om persoonlijke betalingsregeling afgewezen in verband met OGS.

Vanwege de verslaglegging in vrije tekstvelden kunnen we niet betrouwbaar stellen welk deel te maken heeft gehad met de kwalificatie opzet en welk deel met grove schuld. Het merendeel van de OGS-bepalingen zal voor grove schuld zijn afgegeven wegens non-respons, of het niet doorgeven van wijzigingen.

De leden van de fractie van de SP vragen of een OGS-kwalificatie in het verleden een compensatie en herziening van ouders in de weg kan staan.

De compensatie- en herzieningsregelingen maken geen onderscheid tussen OGS-gevallen en niet-OGS-gevallen. OGS staat in het algemeen dus niet aan compensatie en herziening in de weg.

De leden van de fractie van de PVV vragen welke indicatie ik heb dat personen met een OGS-kwalificatie bereidwillig zijn om over te gaan tot aflossing binnen twee jaar.

Ik heb hier geen onderzoek naar gedaan. De persoonlijke betalingsregeling wordt hen aangeboden en ik verwacht dat een deel van de toeslagschuldenaren hiervan gebruik zal willen maken omdat deze regeling een bestaansminimum waarborgt en hen uitzicht geeft op een schone lei na twee jaar. Ook kan een bereidwillige houding de weg naar een (minnelijke) schuldsanering vrij maken voor schuldenaren die meer schuldeisers dan de Belastingdienst hebben. Eén van de voorwaarden daarbij is wel dat de schuldenaar te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel van de openstaande toeslagschulden er uiteindelijk niet geïnd of verrekend kunnen worden, in hoeverre ik verwacht dat de OGS-schulden binnen twee jaar daadwerkelijk zijn afgelost en hoeveel van de openstaande schuld ik verwacht in het geheel niet te kunnen innen na een periode van 5 jaar.

Op dit moment is nog niet te zeggen hoeveel van de openstaande toeslagschulden uiteindelijk niet geïnd of verrekend kunnen worden. Ik zal hier, zo mogelijk voor de zomer – als er meer zicht is op dit bedrag – in een van de voortgangsrapportages op terugkomen. Informatie hierover zal ik afstemmen met mijn collega’s van de betrokken beleidsdepartementen.

Voor toeslagschulden waarvoor alsnog een persoonlijke betalingsregeling wordt verleend, kan ik normaal gesproken nog grofweg een derde alsnog innen. Uiterlijk in de Ontwerpbegroting zal ik uw Kamer een definitieve raming van de te verwachten derving presenteren.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het hier gaat om personen die niet in enige schuldsaneringsregeling zitten. Tevens vragen deze leden in hoeverre het alsnog verlenen van een persoonlijk betalingsregeling aan OGS-gevallen dubbelop is als deze groep al gebruikmaakt van een schuldsaneringsregeling.

In het algemeen zullen toeslagschuldenaren met een OGS-kwalificatie niet snel voor een schuldsaneringsregeling in aanmerking komen. Eén van de voorwaarden voor de toegang tot een schuldsaneringsregeling is namelijk dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Toch kan niet uitgesloten worden dat er binnen de OGS-populatie personen in enige schuldsaneringsregeling zitten. Als dit het geval is, dan komt de schuldsaneringsregeling in de plaats van de persoonlijke betalingsregeling en volgt er in beginsel ook dan een schone lei. Er is dus geen sprake van een stapeling van regelingen.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom gekozen is voor een beleid om al, in beginsel, na twee jaar af te zien van invordering bij personen met een OGS-kwalificatie.

Het bestaande beleid ten aanzien van personen met een OGS-kwalificatie is dat een betalingsregeling van twee jaar kan worden toegestaan onder de voorwaarde (onder meer) dat die regeling leidt tot betaling van de volledige schuld. Als een dergelijke betalingsregeling niet wordt getroffen of nagekomen, dan wordt de schuld geheel ingevorderd. Op grond van het geldende beleid wordt de invordering in beginsel dus niet gestaakt na twee jaar, zoals bij een persoonlijke betalingsregeling wel het geval is.

In de toekomst verandert dit. Het feit dat er sprake is van OGS is dan niet langer reden voor afwijzing van een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Ook personen met een OGS-kwalificatie kunnen dan in aanmerking komen voor het afzien van invordering na twee jaar. OGS kan wel een reden zijn voor het opleggen van een (vergrijp)boete.

De achtergrond van deze voorgenomen beleidswijziging is het feit dat de gevolgen van OGS in veel gevallen disproportioneel waren. Misbruik of oneigenlijk gebruik van toeslagen zou niet moeten leiden tot het onthouden van een persoonlijke betalingsregeling, maar moet in de boetesfeer of strafrechtelijk worden aangepakt. Hierop wil ik in de toekomst dan ook meer capaciteit inzetten dan tot nu toe het geval is geweest.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel van de openstaande schulden nog kunnen worden verrekend na de tweejarige betalingsregeling.

Daar kan ik op dit moment nog geen voorspelling over doen. Hoeveel er nog na twee jaar kan worden verrekend is onder meer afhankelijk van de invloed van de hersteloperatie op de terug te betalen toeslagen en de individuele situatie waarin elke burger zich bevindt, op het moment dat de betalingsregeling afgesproken wordt.

De leden van de fractie van D66 vragen om nader toe te lichten voor welke groepen een persoonlijke betalingsregeling onmogelijk is.

Een persoonlijke betalingsregeling is onder meer afhankelijk van het inkomen en vermogen. Uitgangspunt daarbij is dat niemand onder het bestaansminimum terecht komt. Personen met voldoende inkomen – en dus voldoende betalingscapaciteit – en vermogen om de volledige schuld in twee jaar te voldoen hebben geen recht op een persoonlijke betalingsregeling gevolgd door het afzien van inning van restschuld. Wel krijgen zij de mogelijkheid om de schuld in 24 maanden te voldoen.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe er om wordt gegaan met gezinnen met een OGS-kwalificatie die nog een openstaande schuld hebben en of er, bij verzoek om uitstel, sprake kan zijn van een extra boete.

Toeslaggerechtigden met een OGS-kwalificatie in het verleden en een nog openstaande schuld krijgen, als hun inkomens- en vermogenspositie daartoe aanleiding geeft, alsnog een persoonlijke betalingsregeling van 2 jaar aangeboden gevolgd door het afzien van inning van restschuld. Als deze persoonlijke betalingsregeling niet wordt geaccepteerd of nagekomen, dan zal de Belastingdienst de openstaande schuld op andere wijze, bijvoorbeeld via verrekening en loonbeslag, invorderen. Dit kan leiden tot extra kosten, maar is geen reden voor het opleggen van een boete.

De leden van de fractie van de SP merken op dat vele ouders zich in allerlei bochten hebben gewrongen om hun schulden af te betalen. Deze leden vragen op welke wijze hieraan aandacht zal worden besteed. Ook vragen deze leden of kinderen gecompenseerd worden voor schade die in de gezinnen is geleden.

Voor de ouders die bij het toekennen van kinderopvangtoeslag zijn gedupeerd door het vooringenomen handelen van de Belastingdienst of de hardheden van het systeem wordt een aantal compensatie- en herstelmaatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn uiteengezet in de kabinetsreactie op het eindrapport van de Adviescommissie. Met deze maatregelen wordt op een vergaande wijze tegemoetgekomen aan wat er is gebeurd. Hoe dit voor de individuele ouders uitpakt, kan niet in zijn algemeen worden gezegd. Voor zeer bijzondere schrijnende situaties wordt verder een vangnetbepaling voorgesteld. Ouders die van mening zijn met de verschillende herstelregelingen niet of onvoldoende geholpen te zijn en menen in een bijzondere, schrijnende situatie te zitten, kunnen dit gemotiveerd bij Toeslagen melden. Deze meldingen zullen worden voorgelegd aan een onafhankelijke Commissie. Doel van de vangnetbepaling is om ruimte te houden om maatwerk toe te passen voor (ook onvoorziene) schrijnende situaties.

Daarnaast wijs ik in antwoord op deze vraag graag op het speciale ouder-kindpanel. Dit panel zal bestaan uit gedupeerde ouders en gedupeerde kinderen. Het panel zal advies geven vanuit het perspectief van gedupeerde ouders en kinderen. Deze adviezen worden meegewogen bij nadere besluitvorming

Aanvullende maatregelen en wijziging van het stelsel

De leden van de fractie van de PVV vragen welke aanvullende maatregelen worden genomen om het vertrouwen te herstellen en of er al een indicatie is van de kosten.

De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast of er een indicatie van de tijdspanne van dit langdurige traject kan worden gegeven en hoe de klantgerichte dienstverlening wordt verbeterd, buiten de in kabinetsreactie genoemde maatregel om.

In paragraaf 4 van de kabinetsreactie heb ik uiteengezet welke structurele veranderingen ik wil aanbrengen om herhaling van dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Ik beschouw die maatregelen als uitgangspunt waarbij de aanpak van de herstelorganisatie het instrument is om het herstel van vertrouwen waar te maken. Zoals aangekondigd in mijn brief van 14 april30 wordt in lijn met de in januari door uw Kamer unaniem aangenomen motie van het lid Lodders c.s.31 wetgeving voorbereid om verbeteringen en alternatieven door te voeren op weg naar een beter en menselijker systeem. Het kabinet streeft ernaar op Prinsjesdag, als onderdeel van het pakket Belastingplan 2021, een afzonderlijk wetsvoorstel bij uw Kamer in te dienen met maatregelen ter verbetering van de uitvoerbaarheid van Toeslagen. Verder onderzoek ik een aantal maatregelen om de door het lid Omtzigt genoemde praktische rechtsbescherming van toeslaggerechtigden wettelijk te verankeren. Daarnaast loopt sinds 2018 het Verbetertraject kinderopvangtoeslag met als doel de hoge terugvorderingen binnen de kinderopvangtoeslag te reduceren (1) door afwijkingen in het voorschot en het gebruik van kinderopvang door ouders eerder te signaleren en (2) door dienstverlening richting ouders te verbeteren. Een hoeksteen van dit verbetertraject is de gegevenslevering van kinderopvangorganisaties aan Toeslagen. In overleg met de betrokken bewindspersonen wil ik via deze wetswijzigingen de menselijke maat tot uitdrukking brengen in het toeslagensysteem. Allereerst streef ik naar het invoeren van een hardheidsclausule waardoor het mogelijk wordt om tegemoet te komen aan die gevallen waarin de toepassing van wet- en regelgeving op het gebied van toeslagen leidt tot niet voorziene en niet beoogde gevolgen. Tot slot zal ook fundamenteler naar het stelsel worden gekeken. Voor dit laatste aspect worden in het IBO Toeslagen hiervoor verschillende opties geschetst. In de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen zullen we benoemen welke stappen op korte en lange termijn worden gezet en waar nader onderzoek nodig is richting een nieuw stelsel.

Ik streef er naar om in 2020 en 2021 zoveel mogelijk ouders die daarvoor in aanmerking komen herstel respectievelijk een tegemoetkoming te bieden, maar ik kan niet uitsluiten dat dit in sommige gevallen langer zal doorlopen. Zoals ik in de kabinetsreactie heb aangegeven wordt de crisisorganisatie die deze werkzaamheden gaat uitvoeren op dit moment ingericht. In het proces van herstel respectievelijk een tegemoetkoming gaat zorgvuldigheid boven snelheid. Tegelijkertijd zal ik ervoor zorgdragen dat een goede dienstverlening door Toeslagen aan ouders centraal staat waarbij de meest schrijnende gevallen eerst worden geholpen.

Zoals mijn voorganger uw Kamer vorig jaar heeft bericht ben ik bezig om de klantgerichte werkwijze van medewerkers en leidinggevenden binnen Toeslagen te vergroten. Daartoe worden verbeteringen in de dienstverleningsprocessen voorbereid. Ik zal uw Kamer voor het zomerreces het plan van aanpak toesturen. Ook worden onder meer gesprekken gevoerd tussen medewerkers onderling en tussen medewerkers en leidinggevenden. Dat traject loopt nog en past binnen mijn bredere doel om de cultuur binnen de Belastingdienst te verbeteren.

In aanloop op de in voorbereiding zijnde verbeteringen in de dienstverleningsprocessen zijn er ten aanzien van de doelgroep die (mogelijk) gedupeerd zijn binnen de kinderopvangtoeslag al wel een aantal stappen gezet om de dienstverlening voor deze doelgroep te verbeteren. Zo is naar aanleiding van de toezegging richting uw Kamer door mijn ambtsvoorganger reeds per 2 januari een serviceteam bij de Belastingdienst operationeel waar (mogelijk) gedupeerde telefonisch contact mee kunnen opnemen. Buiten één dag waarbij er een technische verstoring was is de bereikbaarheid op dit directe nummer goed met een gemiddelde wachttijd van 34 seconden. De medewerkers die dit nummer bemensen handelen niet uitsluitend telefonie af welke geïnitieerd wordt door de klant (inbound) maar benaderen klanten ook telefonisch namens de Belastingdienst (outbound). Afgelopen maanden is er bijvoorbeeld contact opgenomen met ouders die zichzelf bij de SP of BOink hebben gemeld als mogelijke gedupeerde om hun melding te complementeren. Sinds de oprichting van het serviceteam heeft deze 5500 gesprekken inbound gevoerd en 2500 gesprekken outbound.

Om in gesprek te gaan met (mogelijk) gedupeerden had ik al eerder aangekondigd om op diverse locaties in het land ouderbijeenkomsten te organiseren. Op die wijze was het de bedoeling om ouders te informeren over het standpunt van het kabinet, maar zeker ook om vragen van ouders te kunnen beantwoorden en zorgen weg te nemen. Vanwege de maatregelen tegen het Coronavirus konden fysieke bijeenkomsten geen doorgang vinden. In plaats daarvan zijn er tot op heden twee webinars georganiseerd. In totaal hebben ruim 900 ouders de webinars bijgewoond. De webinars zijn door ouders gemiddeld als goed beoordeeld.

Sinds medio maart is de inrichting van de website aangepast. Tot medio maart stond alle informatie voor (mogelijk) gedupeerden op de pagina voor toeslagen. Daarna is er een speciale pagina gelanceerd waarbij alle informatie op een pagina voor ouders te vinden is. Deze inrichting maakt het makkelijker om alle informatie geclusterd aan te bieden.

Om de toekomstige dienstverlening richting ouders aan te laten sluiten bij hun behoeftes worden klantreizen ontworpen en gerealiseerd. Hiervoor wordt aangesloten bij de inzichten over en uitkomsten onder (mogelijk) gedupeerden. De inzichten van de klantreis worden toegepast op de in te richten processen om het herstel uit te voeren. Hiermee wordt geborgd dat de dienstverlening vanuit de herstelorganisatie zoveel als mogelijk aansluit bij de behoeften van de (mogelijk) gedupeerde ouders.

Tot slot zal een ouder- en kindpanel opgezet worden.

De leden van de fractie van de PVV vragen wat het kabinet op bladzijde 2 van de kabinetsreactie bedoelt met een wijziging van de regeling. Zij vragen of hiermee een volledig nieuw toeslagenstelsel wordt bedoeld of dat wordt gewezen op de kortetermijnmaatregelen zoals beschreven in het vervolg van de kabinetsreactie.

In de kabinetsreactie is gepoogd tot uitdrukking te brengen dat een verbetering van de dienstverlening wenselijk is. Daarnaast zijn nog meer stappen nodig. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie van 13 maart wordt in lijn met de in januari door uw Kamer unaniem aangenomen motie van het lid Lodders c.s. wetgeving voorbereid om verbeteringen en alternatieven door te voeren op weg naar een beter en menselijker systeem. Het kabinet streeft ernaar op Prinsjesdag, als onderdeel van het pakket Belastingplan 2021, een afzonderlijk wetsvoorstel bij uw Kamer in te dienen met maatregelen ter verbetering van de uitvoerbaarheid van Toeslagen waarbij maatwerk en praktische rechtsbescherming ten aanzien van de belanghebbende een centrale rol speelt. Daarnaast vindt de voorbereiding plaats van de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen. Deze kabinetsreactie staat vooral in het teken van het uitvoering geven aan de eveneens door uw Kamer unaniem aangenomen motie van het lid Bruins c.s. over de toekomst van het toeslagenstelsel.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze bij het werk aan een alternatief voor het huidige toeslagenstelsel rekening wordt gehouden met het doen-vermogen en of er ook gebruikt gemaakt wordt van de doen-vermogen-toets.

In het IBO Toeslagen deel 1 is uitgebreid aandacht besteed aan gedragsinzichten en geconstateerd dat de systematiek van het toeslagenstelsel niet goed aansluit bij het doen-vermogen van sommige groepen burgers. Het doen-vermogen zal daarom, zoals de leden van de fractie van D66 terecht vragen, ook een belangrijke factor zijn bij het werken aan een alternatief voor het huidige toeslagenstelsel. De binnenkort te verschijnen kabinetsreactie op IBO deel 1 en deel 2 zal nader ingaan op het werken aan een alternatief voor het huidige toeslagenstelsel en hoe het doen-vermogen daarbij wordt betrokken.

De leden van de fractie van D66 vragen een nadere toelichting over waar de IT-architectuur knelt bij wijzigingen in de invordering.

Het Bureau ICT-Toetsing stelt in het advies over de realisatie van de Doelarchitectuur Inning en Betalingsverkeer dat de voortgang stagneert bij wisseling van prioriteiten, zoals in het verleden is gebeurd. Prioriteit ligt dan ook bij Uitfaseren ETM, dat eind 2021 gereed is. Verder zijn andere, eveneens noodzakelijke werkzaamheden gepland, zoals het door ontwikkelen van de nieuwbouwapplicaties die ETM vervangen.

Met al deze aanpassingen ligt er vanaf begin 2020 tot eind 2022 een zeer ambitieuze agenda voor het IV-landschap van de keten Inning en Betalingsverkeer. Elke extra wens leidt naar verwachting tot onacceptabele risico’s voor tijdige realisatie van de reeds noodzakelijke aanpassingen, in ieder geval tot eind 2021 en waarschijnlijk ook tot eind 2022. Het eerstvolgende moment waarop wijzigingen van het beleid met betrekking tot kwijtschelden en verrekening mogelijk zou zijn is 1 januari 2023. Of dat ook echt kan, kan pas eind 2021 worden bepaald in een dan op te stellen uitvoeringstoets. Eerder kunnen daarover geen sluitende uitspraken worden gedaan.

De stapeling in het portfolio van de keten Inning en Betalingsverkeer kan ook gevolgen hebben voor andere dossiers. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of voorstellen voor aanpassingen de onderdelen van het IV-landschap raken die ook door de uitfasering van ETM worden geraakt. De Belastingdienst bewaakt dit bij de beoordeling van nieuwe voorstellen en maakt daarbij de mogelijk optredende beperkingen inzichtelijk met uitvoeringstoetsen.

In de Uitvoeringstoets op de voorgestelde beleidswijzigingen met betrekking tot kwijtschelden en verrekening kom ik nader terug op het onderwerp van de IT-architectuur in relatie tot herstel en compensatie kinderopvangtoeslag.

E. ADR

De ADR heeft onderzoek gedaan naar de vergelijkbaarheid van toeslag-gerelateerde CAF-zaken met de CAF 11 zaak. De ADR heeft in overleg met de Adviescommissie een aantal vergelijkbaarheidscriteria onderzocht. Voor de diverse CAF-zaken zijn die criteria in beeld gebracht in aantallen ouders en percentages per zaak bij het toezicht en bezwaarbehandeling bij Toeslagen. Uw Kamer vraagt op een aantal onderwerpen van het ADR-rapport nadere toelichting. De vragen zijn gegroepeerd naar onderwerp.

Informatiehuishouding

De leden van de fractie van de VVD vragen de Staatssecretaris te reflecteren op de conclusie van de ADR en de Adviescommissie dat de informatiehuishouding niet op orde is en hoe dit kan. De leden van de fractie van Groen Links vragen naar de oorzaak dat de ADR op onderdelen onjuiste of onvolledige informatie heeft ontvangen van de afdeling Toeslagen. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen hiernaar.

De bevindingen van de ADR omtrent onjuistheid en/of onvolledigheid zien op het CAF-bestand op persoonsniveau. Dit CAF-bestand is door Toeslagen ten behoeve van het ADR-onderzoek samengesteld, op basis van de primaire informatiesystemen. De bevonden onvolledigheid van het CAF-bestand betreft de vullingsgraad van handmatig te vullen velden; de geautomatiseerd te vullen velden zijn 100% gevuld. De onvolledigheid van de handmatig te vullen velden is te wijten aan een gebrek aan personele capaciteit.

De geconstateerde onjuistheid bevond zich binnen de door de ADR gehanteerde tolerantiegrens. De ADR plaatst daarbij de kanttekening dat bij aanvullende controles onjuistheden in het CAF-bestand zijn geconstateerd. De in het CAF-bestand op persoonsniveau bij aanvullende controle geconstateerde onjuistheden zien op het al dan niet stopzetten van een toeslag voordat onderzoek bij een burger is gedaan. In het CAF-bestand op persoonsniveau was een aantal maal opgenomen dat toeslagen waren gestopt voordat onderzoek was gedaan terwijl nadere beoordeling door de ADR uitwees dat aan de stopzetting wel nader onderzoek was voorafgegaan. De onjuistheden betroffen derhalve ten onrechte geconstateerde zogenaamde «zachte stops» die dat feitelijk niet waren. De beoordeling of er destijds sprake is geweest van een zachte stop is lastig en foutgevoelig gebleken.

Onjuistheid en/of onvolledigheid in het CAF-bestand op persoonsniveau betekent niet zonder meer dat ook de informatiehuishouding bij Toeslagen niet op orde is. De primaire informatiesystemen zijn de basis geweest van het CAF-bestand, maar het CAF-bestand is geen volledige representatie van die primaire informatiesystemen. Het CAF-bestand zal verder worden gevuld op basis van de primaire informatiesystemen. Dit is naar verwachting eind april afgerond.

De leden van de VVD-fractie vragen welke acties in gang zijn gezet om de informatiehuishouding te verbeteren. Tevens vragen deze leden of de informatievoorziening op een juist niveau is, hoe ik dit op dat niveau wil brengen. Ook vragen deze leden welke stappen ik wil ondernemen om de informatiehuishouding en het gegevensbeheer te verbeteren, wanneer hiermee wordt gestart en of ik een overzicht kan delen van die stappen. Ook de leden van de D66-fractie vragen naar ontwikkelingen in de verbeteringen van het gegevensbeheer.

Gelet op het advies van de Adviescommissie en de controle van de ADR daarop zal een volledige vulling van het CAF-bestand op persoonsniveau alsnog plaatsvinden, zodat iedere individuele zaak goed beoordeeld kan worden voor eventuele compensatie. Met deze vulling is inmiddels gestart.

Als onderdeel van de intensivering van de toeslagenuitvoering wordt actief gezocht naar verbetermogelijkheden op het terrein van gegevensbeheer, ter ondersteuning van de dienstverlening.

Daarom heb ik opdracht gegeven een intern onderzoek te doen naar verbetermogelijkheden, met name op het gebied van dossiervorming. Bevindingen uit het onderzoek naar de informatiehuishouding van Toeslagen zullen na analyse hiervan leiden tot adviezen en naar verwachting aanpassingen. Zoals toegezegd in de Kamerbrief van 27 februari 2020 zal ik de bevindingen van dit interne onderzoek met de Kamer delen. Wanneer de resultaten bekend zijn, kan ik ook een duidelijker tijdpad en plan van aanpak met uw Kamer delen.

De leden van de fractie van de VVD hebben ook gevraagd op welke termijn ik verwacht de Kamer te kunnen informeren over de bevindingen van het hiervoor genoemde onderzoek.

De resultaten worden in april opgeleverd en ik verwacht dat ik u kan informeren over deze bevindingen en de daarmee gepaard gaande aanpassingen in de voortgangsrapportage die ik voor het zomerreces aan de Kamer zal sturen.

De leden van de VVD-fractie en de leden van de CDA-fractie vragen op welke onderdelen de aan de ADR verstrekte informatie onjuist of onvolledig was en hoe vaak het is voorgekomen dat de ADR onjuiste of onvolledige informatie ontving.

De ADR is gevraagd om de informatie over toeslaggerelateerde CAF-zaken die Toeslagen heeft verzameld en geordend te beoordelen op volledigheid en juistheid, zodat herbeoordeling van ouderdossiers kan plaatsvinden. De ADR constateert dat deze informatie niet geheel juist en volledig is – maar wel voldoende om te kunnen herbeoordelen – en geeft hiermee antwoord op de aan de ADR gestelde vraag. Bij 173 burgers, behorende bij 31 CAF-zaken, is ten onrechte door Toeslagen in het CAF-bestand op persoonsniveau aangeven dat in het kader van de behandeling van de CAF-zaak toeslagen zijn stopgezet voordat onderzoek bij de burger was gedaan.

Bij het CAF-bestand op persoonsniveau was op het moment van afronding van het onderzoek 19% van de velden die handmatig aangevuld hadden moeten worden, door Toeslagen nog niet aangevuld. Het handmatig vullen is naar verwachting eind april afgerond.

De leden van de CDA-fractie vragen of de ADR, op het moment dat zij constateerde dat informatie onjuist was, alsnog de juiste informatie heeft ontvangen.

De in het CAF-bestand op persoonsniveau bij aanvullende controle geconstateerde onjuistheden zien op het al dan niet stopzetten van een toeslag voordat onderzoek bij een burger is gedaan. In het CAF-bestand op persoonsniveau was een aantal maal opgenomen dat toeslagen waren gestopt voordat onderzoek was gedaan. Nadere beoordeling van de ADR wees echter uit dat wel nader onderzoek was gedaan voorafgaand aan de stopzetting. Door nader te onderzoeken heeft de ADR de onjuistheid geconstateerd en heeft zij ook kunnen constateren wat wel juist was.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de lijst met CAF-zaken in het ADR-rapport niet volledig is, waaronder de aantallen en de namen van de CAF-zaken.

De lijst met CAF-zaken is zo compleet als mogelijk vermeld. Hierbij zijn de aantallen burgers bij alle CAF-zaken vermeld. De namen van enkele CAF-zaken waren zodanig gekozen dat deze te herleiden waren tot personen of organisaties. In die gevallen heeft de ADR de betreffende namen in het rapport weggelaten.

De leden van de PVV-fractie vragen of enkel personeelsgebrek afdoende is als excuus voor het ontbreken van, onder andere, handmatige gegevens en wat de reden is van het gebrek aan personeelscapaciteit. Voorts vragen deze leden of er tevens een gebrek aan gekwalificeerd personeel is. Tot slot vragen de leden van de fractie van de PVV wanneer de gegevens compleet zijn. Ook de leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe lang het duurt om het CAF-bestand te vullen voor alle ouders die betrokken zijn bij een CAF-zaak.

Zoals eerder is aangegeven is hetgeen dat ontbreekt in het CAF-bestand de informatie die in de handmatig in te vullen velden moet worden opgenomen. Dit CAF-bestand is gemaakt voor het ADR-onderzoek op basis van de primaire informatiesystemen. Om die reden zijn de geautomatiseerde velden wel volledig gevuld, maar de handmatig te vullen velden vanwege personeelscapaciteit niet helemaal. Deze velden worden alsnog gevuld en dit is naar verwachting eind april afgerond voor de gehele CAF-populatie. Het personeel is voldoende gekwalificeerd voor het aanvullen van de velden.

De leden van de PVV-fractie hebben tevens verzocht in dit kader nader in te gaan op de berichtgeving van Follow The Money met betrekking op de informatievoorziening.

De vragen met betrekking tot de berichtgeving van Follow The Money worden separaat van dit verslag beantwoord. Hiervoor verwijs ik naar de beantwoording van de vragen over dit onderwerp die ook als bijlage is opgenomen bij de aanbiedingsbrief van deze beantwoording (Kamerstuk 31 066, nr. 628).

De leden van de CDA-fractie vragen welke tolerantiegrens voor onjuistheden door de ADR is gehanteerd en wat het aantal onjuistheden is.

De ADR heeft een tolerantiegrens van 2% gehanteerd. Wat betreft het aantal onjuistheden heeft de ADR bij de steekproef die de ADR heeft uitgevoerd om vooraf de betrouwbaarheid van het CAF-bestand te testen, op een totaal van 413 getrokken velden, één onjuistheid geconstateerd.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ouders nogmaals schade ondervinden als gevolg van onjuistheden en onvolledigheden bij Toeslagen.

De onvolledigheden van het CAF-bestand worden door handmatige vulling de komende maand weggewerkt. In het CAF-bestand was een aantal maal onterecht opgenomen dat toeslagen waren stopgezet voordat onderzoek was gedaan. Nadere beoordeling van de ADR wees echter uit dat wel onderzoek was voorafgegaan aan de stopzetting. De betreffende zogenaamde «zachte stops» waren onjuist geregistreerd.

De leden van de D66-fractie vragen naar de mogelijkheid voor belastingplichtigen om hun eigen dossier op te vragen en in te zien, bijvoorbeeld via www.mijnbelastingdienst.nl .

Wanneer burgers het verzoek doen om «inzage dossiers», wordt gevraagd welke informatie de burger wil ontvangen. Op basis van het verzoek van de burger wordt maatwerk geleverd. Begin mei 2020 worden de burgers over deze werkwijze geïnformeerd. Het doel is om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de informatiebehoefte van de burger en dat te doen op de wijze die de voorkeur van de burger geniet. In een gesprek met de burger worden vragen zoveel mogelijk duidelijk beantwoord. Als blijkt dat daarbij behoefte is aan aanvullende informatie, wordt daar zoveel mogelijk gericht in voorzien of wordt een samenvatting van het dossier geboden. Als blijkt dat behoefte bestaat aan het gehele dossier kan dat worden verstrekt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre het mogelijk is om ouders te compenseren met een informatiehuishouding die niet op orde is.

Bij het compenseren van de CAF-11 ouders is gebleken dat er voldoende informatie beschikbaar is binnen Toeslagen om de compensatieregeling uit te voeren. Daarnaast worden de ontbrekende velden in het CAF-bestand handmatig aangevuld.

Autoriteit Persoonsgegevens en tweede nationaliteit

De leden van de VVD-fractie vragen om de bevindingen van de ADR te betrekken bij de uitkomsten van het onderzoek door de Autoriteit Persoonsgegevens.

De Autoriteit Persoonsgegevens en de ADR hebben rechtstreeks contact gehad over de bevindingen van de ADR. Aansluitend heeft de Autoriteit Persoonsgegevens een nadere informatievraag aan Toeslagen gesteld, welke is beantwoord. Uiteraard zal Toeslagen daar waar nodig de bevindingen van de ADR betrekken bij de reactie op de uitkomsten van het onderzoek door de Autoriteit Persoonsgegevens.

De leden van de VVD-fractie vragen of nu met zekerheid de conclusie kan worden getrokken dat de gegevens rondom tweede nationaliteit niet gebruikt worden bij een beoordeling van een dossier. De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaast naar verwijdering van de nationaliteit uit de systemen.

De gegevens rondom (tweede) nationaliteit vanuit de Basisregistratie Personen, zijn sinds juli 2019 niet meer raadpleegbaar binnen de systemen van Toeslagen voor medewerkers. Deze gegevens kunnen dus nu geen rol spelen bij de beoordeling van een dossier.

De verwijdering uit de systemen is vanaf juli 2019 ter hand genomen. De gegevens dienden uit 3 subsystemen te worden verwijderd; bij 2 systemen is dit per 27 september 2019 gerealiseerd. De verwijdering uit het 3e systeem is in fases gebeurd; momenteel is van 400 burgers de tweede nationaliteit nog aanwezig (van de oorspronkelijke 1,4 miljoen). Verwijdering uit deze systemen vergt zorgvuldige voorbereiding en ook specialistische handmatige uitvoering om te voorkomen dat bestaande toekenningen geraakt worden. Verwacht wordt dat voor die laatste 400 burgers de verwijdering van de tweede nationaliteit eind juni 2020 zal zijn uitgevoerd. Vanaf zomer 2019 was de info al niet meer zichtbaar/toegankelijk voor de medewerkers van Toeslagen.

De leden van de fractie van D66 vragen of in al die 100 CAF-zaken exact één onderzoeksopdracht of query is uitgevoerd waarbij onder andere de eerste en tweede nationaliteit als attribuut is gebruikt of dat het zo zou kunnen zijn dat de 100 zoekopdrachten bij de behandeling van CAF-zaken met name plaatsvonden in bepaalde CAF-zaken. Tevens vragen deze leden om wat voor zoekopdrachten het hier ging.

In de brief van 11 juni 2019 van de toenmalig Staatssecretaris van Financiën aan uw Kamer is gemeld dat bij CAF-zaken Toeslagen na het ontvangen van een signaal een zoekopdracht uitvoerde om gegevens uit de systemen op te vragen en deze te kunnen combineren.

De ADR heeft geconstateerd dat zoekopdrachten waarbij de eerste en tweede nationaliteit als attribuut werden opgevraagd zijn gevonden in 100 verschillende CAF-zaken.

Het betrof zoekopdrachten waarbij van de populatie burgers die tot een CAF-zaak behoorden data werden opgevraagd die nodig waren voor de individuele behandeling door Toeslagen. De attributen eerste en tweede nationaliteit werden opgevraagd om een beeld te vormen van de groep aanvragers en hadden voor zover wij nu weten geen specifieke gevolgen voor de behandeling.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen de Staatssecretaris wanneer er meer duidelijkheid komt over het etnisch profileren van de Belastingdienst. Tevens vragen deze leden wanneer het rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens verschijnt.

Etnisch profileren keur ik ten strengste af. Tegelijkertijd heeft mijn ambtsvoorganger reeds aangegeven dat we niet kunnen uitsluiten dat dit in het verleden heeft plaatsgevonden. Op dit punt wacht ik het rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens af. Ik heb de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd naar de verwachte publicatiedatum van het rapport, maar ik heb op dit moment geen inzicht in de werkplanning van de Autoriteit Persoonsgegevens.

Met betrekking tot het vraagstuk over etnisch profileren, concluderen de leden van de SP-fractie dat dit heeft plaatsgevonden, al schrijft de ADR dat omfloerst op en vragen waarom de Staatssecretaris deze conclusie nog niet trekt.

Er kan geen enkel misverstand over bestaan dat ik het gebruik van de tweede nationaliteit ten stelligste afwijs. Zoals eerder gemeld doet de Autoriteit Persoonsgegevens op dit moment een onderzoek of de Belastingdienst (bijzondere) persoonsgegevens waaruit ras of etniciteit blijken mogelijk onrechtmatig heeft verwerkt. Meer specifiek richt het onderzoek zich op het verwerken van gegevens omtrent tweede nationaliteit in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem en/of in het kader van controle op de toeslagen voor kinderopvang. Zodra de Autoriteit Persoonsgegevens haar onderzoek heeft afgerond zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dat onderzoek en mijn reactie daarop informeren.

Algoritmen

De leden van de D66-fractie vragen om een nadere toelichting over het zogenoemde zelflerende systeem.

Het risicoclassificatiemodel van Toeslagen maakt op basis van beoordeelde dossiers een inschatting van de juistheid van een nieuwe toeslagaanvraag. Het model bevat duizenden voorbeelden van aanvragen die na controle moesten worden aangepast en duizenden voorbeelden van aanvragen die in controle volledig juist bleken. Door de kenmerken van deze juiste en onjuiste aanvragen te analyseren wordt duidelijk welke kenmerken maken dat een aanvraag vaak onjuist is en welke kenmerken maken dat een aanvraag vaak juist is. Deze kenmerken vormen samen het «model». Door vervolgens van elke nieuwe toeslagaanvraag te kijken in hoeverre de aanvraag lijkt op een juiste of op een onjuiste aanvraag kan een inschatting worden gemaakt over de juistheid van een aanvraag en een risicoscore worden bepaald. De aanvragen met de hoogste risicoscore worden aangeboden voor controle, de andere aanvragen worden direct uitbetaald.

Door steeds nieuwe voorbeelden van juiste en onjuiste aanvragen toe te voegen verandert door de tijd het beeld van een gemiddelde juiste of onjuiste aanvraag. Het model «leert» als het ware van nieuwe voorbeelden die worden aangeboden en past daarop het oude beeld van een juiste of onjuiste aanvraag aan. Zo kunnen nieuwe patronen in aanvragen snel worden herkend door het model en worden meegenomen bij het bepalen of een aanvraag controle nodig heeft of niet.

Uitgeworpen aanvragen worden individueel door een medewerker in behandeling genomen en beoordeeld.

De leden van de fractie van D66 vragen in hoeverre controle kan worden uitgeoefend op dit zelflerende systeem.

De software rekent slechts door op basis van welke kenmerken een aanvraag juist of onjuist is gebleken. Zowel de duizenden voorbeeldaanvragen als de kenmerken waarmee het model rekent zijn toegevoegd door medewerkers van Toeslagen.

Om de uitkomst van het model te valideren zijn uitgebreide steekproeven uitgevoerd door controlemedewerkers, die beoordeeld hebben of de aanvragen die volgens het model onjuist lijken ook daadwerkelijk een controle nodig hebben. Naast deze steekproeven wordt vooraf aan elk gebruik een nieuwe steekproef getrokken op de aanvragen met de hoogste risicoscore. Ook een gedeelte van de daadwerkelijk gecontroleerde aanvragen worden als nieuwe voorbeelden teruggevoerd in het model.

Tot slot wordt cijfermatig ook elke maand bijgehouden of de posten die zijn aangeboden ter controle ook daadwerkelijk hebben geleid tot een correctie. Vanaf de inwerkingtreding van het model is dit steeds bij rond 70% van de aanvragen het geval.

De leden van de D66-fractie vragen hoe het staat met de invulling van de motie van de leden Verhoeven en Van der Molen om een voorstel uit te werken voor toezicht op het gebruik van algoritmes door de overheid, inclusief de gebruikte datasets (Kamerstuk 26 643, nr. 632).

Mede naar aanleiding van de motie van de leden Verhoeven en Van der Molen hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voor Rechtsbescherming op 20 december 2019 het onderzoeksrapport «Toezicht op gebruik van algoritmen door de overheid» aangeboden aan uw Kamer.32 De kabinetsreactie op dit onderzoeksrapport zal naar verwachting in de tweede helft van april aan uw Kamer worden aangeboden. De Belastingdienst loopt uiteraard mee in deze rijksbrede ontwikkelingen.

De leden van de D66-fractie vragen of dit zelflerende systeem als een ingrijpend algoritme moet worden beschouwd.

Na toepassing van het model wordt alle uitworp behandeld waarbij uiteindelijk een medewerker bepaalt of er extra bewijsstukken moeten worden uitgevraagd bij de aanvrager en of de aangeleverde bewijsstukken voldoen. Het model bepaalt dus niet zelf of een aanvraag wordt toegekend of niet.

Bezwaarschriften

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer er meer duidelijkheid komt over bewijsstukken die de Belastingdienst niet zou hebben aangeleverd bij de rechter.

Sinds de zomer van 2018 verstrekt Toeslagen dossierstukken naar aanleiding van de toezeggingen daarover door de Staatssecretaris aan de rechtbank. Op dit moment is een hoger beroep aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de vraag of, en in hoeverre het volledige dossier van een onderzoek bij een gastouderbureau ongelakt moet worden overgelegd.

De leden van de fractie van de VVD vragen of ik de mening deel dat het vier-ogen-principe formeel moet worden vastgesteld bij de afhandeling van bezwaarschriften om beslissingen beter af te kunnen wegen en de kans op een overhaaste beslissing te verkleinen.

De Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat de behandeling van een bezwaar gebeurt door een andere medewerker van het bestuursorgaan, dan degene die het primaire besluit heeft genomen. Dit vormt de basis voor een daadwerkelijke heroverweging van het primaire besluit. In afwachting van de implementatie van de vaktechnische structuur bij de bezwarenteams van Toeslagen, is de werkafspraak gemaakt dat als de bezwaarbehandelaar voornemens is het bezwaar geheel af te wijzen ruggespraak plaatsvindt. Zo moet bijvoorbeeld ook worden voorkomen dat een bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ik wacht de effecten van de implementatie van de vaktechnische structuur en de evaluatie daarvan af. Deze implementatie houdt in dat er gekwalificeerde vaktechnische aanspreekpunten in de teams bij Toeslagen, ook de bezwarenteams, zullen worden benoemd. Zij zijn er verantwoordelijk voor om vaktechnische vraagstukken te escaleren. Daarmee wordt een vaktechnische impuls gegeven aan de (bezwaren)teams, waar ik veel van verwacht. Ik acht de vastlegging van het vier-ogen-principe in de werkafspraken afdoende om de kans op een overhaaste beslissing te voorkomen afdoende.

De leden van de factie van de VVD vragen of ik wil reflecteren op de grote overschrijding van de bezwaartermijn door de Belastingdienst. Daarnaast vragen deze leden of ik de mening deel dat het een verkeerd beeld geeft wanneer de Belastingdienst gestelde termijnen niet nakomt en vragen naar concrete stappen tot verbetering voor het nakomen van termijnen. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de PVV of ik het eens ben met de leden van die fractie dat de overheid ook zelf het goede voorbeeld moet geven bij de naleving van termijnen.

Ik ben het vanzelfsprekend eens met deze leden dat de Belastingdienst en Toeslagen zich aan de wettelijk gestelde termijnen, artikel 7:10 Awb, moeten houden. Al meerdere jaren behandelt Toeslagen het overgrote deel van de ontvangen bezwaarschriften tijdig (2017: 96%, 2018: 94%, 2019: 92%). Vanaf kwartaal 4 van 2019 is een stijging van de voorraad bezwaarschriften en daarmee gepaard een daling van het aandeel op tijd behandelde bezwaren vastgesteld. Dit komt doordat Toeslagen naar aanleiding van recente jurisprudentie (uitspraken van de Raad van State van 23-10-2019) en de bevindingen van de Adviescommissie een koerswijziging heeft ingezet met betrekking tot haar behandelwijzen met als doel het proces menselijker en begrijpelijker te maken.

Mijn ambtsvoorganger heeft die koerswijziging aangekondigd per kamerbrief van 15 november 201933, en die omvat:

  • Uitleg (telefonisch en schriftelijk) en motivering naar de burger zorgvuldiger en uitgebreider;

  • Meer telefonisch contact met de burger om situaties te bespreken, uitleg te geven en vragen te stellen en/of beantwoorden;

  • Vaker collegiale toetsing (4-ogenprincipe) toepassen en ieder geval bij voornemen om niet als gegrond te beoordelen.

Deze koerswijzigingen hebben ook betrekking op het proces bezwaar, waar is beoogd het proces begrijpelijker en menselijker te maken door vaker in contact te treden met de burger over genomen beslissingen en de motivatie op deze beslissingen beter toe te spitsen op de situatie van de burger. Een bijgaand effect van die handelwijze is de toegenomen capaciteitsbehoefte om het bezwaarproces uit te voeren. Tegelijkertijd heeft een significante inzet plaatsgevonden in de periode juni tot en met september 2019 op herstelactiviteiten CAF en het bijstaan van beroep.

Als gevolg hiervan is Toeslagen het jaar 2020 begonnen met achterstanden. Deze achterstanden omvatten ook de hoger dan gewenste voorraad bezwaarschriften en lagere tijdigheid. Binnenkort zal hiervoor een plan van aanpak met uw Kamer worden gedeeld. Over de voortgang van de afhandeling van de bezwaarschriften wordt u geïnformeerd in de voortgangsrapportage. Intussen beperkt Toeslagen negatieve effecten voor de burger zo ver mogelijk, bijvoorbeeld door toezicht-medewerkers op te leiden om ondersteuning te kunnen leveren in de bezwaarprocedure.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de Belastingdienst bij onder andere de reactietermijn voor het aanleveren van bezwaarstukken verschillende termijnen hanteert.

Toeslagen hanteert standaard drie weken als termijn voor het aanleveren van aanvullende stukken door de burger. Deze termijn kan eventueel in overleg met de burger verlengd worden indien de burger aangeeft meer tijd nodig te hebben.

Indien sprake is van een ingebrekestelling geldt inderdaad een andere termijn. Het bezwaar moet dan vanaf ontvangst van de ingebrekestelling binnen 3 werkdagen worden afgehandeld. Toeslagen zoekt dan telefonisch contact met de burger en verzoekt eventueel ontbrekende informatie of bewijsstukken uiterlijk binnen twee werkdagen digitaal of per fax aan te leveren.

Bij de Belastingdienst is er sprake van maatwerk bij het stellen van beantwoordingstermijnen. De «standaard« termijn van drie weken wordt verkort of juist verlengd waar de medewerker al dan niet in overleg met de burger dat mogelijk respectievelijk nodig acht.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe vaak het heden nog voorkomt dat beslistermijnen worden overschreden zonder inhoudelijke motivatie.

In de jaren 2017 tot en met 2019 lag het aantal tijdig behandelende bezwaren ruim boven de norm van 90%. Vanaf het vierde kwartaal van 2019 is de voorraad echter flink gestegen door aan de ene kant een hogere instroom en anderzijds verminderde behandelcapaciteit. Inmiddels is, met het separeren van de herstel activiteiten ten aanzien van het verleden, weer een voorzichtig dalende trend te zien. In februari was het aantal tijdig behandelde bezwaren gezakt tot 60%. Binnenkort wordt een plan van aanpak opgeleverd en gedeeld met uw Kamer om de opgelopen achterstanden in het reguliere proces in te lopen.

OGS

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of bij de individuele herbeoordeling alsnog wordt onderzocht of de kwalificatie OGS al dan niet terecht is toegekend en of dit voor alle 600 burgers gebeurt.

In de kabinetsreactie op het eindrapport van de Adviescommissie is aangegeven dat de kwalificatie OGS in het kader van de invordering voor bestaande en nieuwe gevallen is komen te vervallen. Toetsen op OGS bij het toekennen van een persoonlijke betalingsregeling is komen te vervallen vanaf november 2019. Dat geldt voor alle burgers waar OGS op van toepassing was. Alle burgers met een openstaande terugvordering waarop OGS van toepassing was, krijgen een persoonlijke betalingsregeling voor twee jaar op basis van hun betalingscapaciteit. Eventuele restbedragen worden na twee jaar buiten invordering gesteld.

De leden van de fractie van de SP vragen of alsnog onderzoek kan worden gedaan naar de vraag of de kwalificatie OGS terecht is toegekend.

De kwalificatie OGS in het kader van de invordering voor bestaande en nieuwe gevallen is komen te vervallen. Een onderzoek of de kwalificatie OGS terecht is toegekend, acht ik hierdoor niet nodig.

De leden van de fractie van de VVD vragen of alle individuele gevallen in de 149 CAF-zaken in kaart worden gebracht en worden beoordeeld naar oorzaak van het stopzetten van de toeslag en vragen hoe dit in kaart wordt gebracht.

Alle nog niet in kaart gebrachte individuele gevallen zullen handmatig worden aangevuld. De handmatig te vullen velden in het CAF-bestand op persoonsniveau worden daartoe op dezelfde manier gevuld als bij de gevallen die al wel in kaart waren gebracht. De vulling geschiedt op dit moment en wordt uitgevoerd door twee teams die binnen Toeslagen hiervoor zijn vrijgemaakt.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat ik vind van de door de ADR gestelde indicatie dat de criteria waar de burger bij de CAF 11-zaak last van had zich ook kunnen hebben voorgedaan bij de behandeling van burgers buiten de toeslaggerelateerde CAF-zaken.

De leden van de fractie van de SP vragen tevens welke conclusie ik trek uit de observatie van de ADR dat de werkwijze voor CAF en «buiten CAF» dezelfde was.

De ADR doelt hiermee op de in beeld gebrachte criteria voor vergelijkbaarheid met CAF-11. Naarmate deze criteria zich in combinatie meer voordoen is er volgens de ADR sprake van grotere vergelijkbaarheid. Dat deze factoren binnen de Toeslagen afzonderlijk (kunnen) voorkomen is niet wenselijk. Om die reden werk ik ook aan structurele veranderingen om te voorkomen dat dit in de toekomst andere ouders overkomt. Een aantal van die maatregelen zijn bijvoorbeeld het inbedden van een vaktechnische structuur, het terugdringen van de bezwaartermijnen en een meer menselijke maat bij Toeslagen.

De observatie van de ADR dat de werkwijze voor CAF en buiten CAF dezelfde was voert terug op de positionering van het CAF-team. Het CAF (Combiteam Aanpak Facilitators)-team onderzoekt sinds september 2013 vermoedens van door facilitators georganiseerde fraude bij belastingontduiking en toeslagen. Het team is een samenwerkingsverband van diverse dienstonderdelen van de Belastingdienst. De behandeling van een toeslag-gerelateerde CAF-zaak bestaat uit twee fases. Fase 1 is het vooronderzoek dat door het CAF-team wordt uitgevoerd naar aanleiding van een signaal vanuit de directie Toeslagen over mogelijk misbruik van toeslagen onder regie van een facilitator. Fase 2 wordt vervolgens uitgevoerd binnen het reguliere traject van beoordeling door de directie Toeslagen van het recht op toeslag van de individuele burger. De beoordeling van andere individuele zaken («buiten CAF») vond ook plaats door de directie Toeslagen. Het team is een samenwerkingsverband van diverse dienstonderdelen van de Belastingdienst. De behandeling van een toeslag-gerelateerde CAF-zaak bestaat uit twee fases. Fase 1 is het vooronderzoek dat door het CAF-team wordt uitgevoerd naar aanleiding van een signaal vanuit de directie Toeslagen over mogelijk misbruik van toeslagen onder regie van een facilitator. Fase 2 wordt vervolgens uitgevoerd binnen het reguliere traject van beoordeling door de directie Toeslagen van het recht op toeslag van de individuele burger. De beoordeling van andere individuele zaken («buiten CAF») vond ook plaats door de directie Toeslagen. De werkwijze van deze twee soorten individuele beoordelingen was dus inderdaad dezelfde.

De leden van de fractie van de VVD vragen of ik voornemens ben dit in beeld te brengen. En zo nee, waarom niet.

Ik heb geen signalen ontvangen dat in andere gevallen dan die door de ADR en/of de Adviescommissie zijn bezien op vergelijkbaarheid met CAF-11 deze problematiek zich heeft voorgedaan. Ik zie daarom geen aanleiding om dit te gaan onderzoeken. Indien ouders vermoeden dat dit wel het geval is, dan kunnen zij zich uiteraard melden.

De leden van de fractie van de PVV vragen of er al een aanpak voor ogen is om de situatie per individuele burger in kaart te brengen en vragen of de Kamer hierover nader geïnformeerd kan worden.

Op dit moment worden de details van de aanpak nader uitgewerkt en ingericht. Ik zal uw Kamer hierover in de volgende voortgangsrapportage informeren.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat er gaat gebeuren met ouders die wel voldoen aan enkele van de vijf «CAF 11-kenmerken», maar waarbij geen sprake zou zijn van institutionele vooringenomenheid. Tevens vragen deze leden hoe een ouder kan weten of hij/zij de dupe was van een groepsgewijze aanpak en waarom het niet voldoende is wanneer een klein deel van de ouders is benadeeld in een CAF-dossier. Tot slot vragen deze leden of het individuele leed van een ouder toch niet afhankelijk is van hoeveel nadeel andere ouders hebben ondervonden in eenzelfde CAF-dossier.

Als een ouder zich meldt bij Toeslagen, zal Toeslagen onderzoeken of deze ouder in enig jaar gedupeerd is geweest door een groepsgewijze, vooringenomen aanpak. Indien sprake is geweest van slechts enkele van de vijf door de Adviescommissie onderkende «CAF 11-kenmerken», dan is geen sprake geweest van institutionele vooringenomenheid en kan geen beroep worden gedaan op compensatie. Of sprake is geweest van een vergelijkbare werkwijze kan ook door de ouder aannemelijk worden gemaakt aan de hand van specifieke signalen.

Het betreft de volgende signalen:

  • Er is sprake van een collectieve stopzetting zonder voorafgaande individuele beoordeling;

  • Er heeft een brede uitvraag plaatsgevonden van bewijsstukken over een of meerdere jaren;

  • Gevolgd door een zero tolerance onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met (soms/veelal) een tweede checkwanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden

  • Bij een tekortkoming in de overgelegde bewijsstukken werd geen nadere informatie uitgevraagd, dan wel niet expliciet aangegeven waaruit de tekortkoming in de bewijsstukken bestond;

  • De aanspraak op kinderopvangtoeslag is afgewezen of verlaagd bij een minimale onregelmatigheid in de stukken.

De collectieve aanpak in een CAF-dossier is een criterium om te constateren dat er sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid.

Naast een grote groep gedupeerden ouders in het CAF 11-dossier, zijn er in een aantal gevallen in het CAF 11-dossier grove onregelmatigheden aangetroffen. Deze ouders hebben om die reden geen compensatie ontvangen. Om die reden wordt ieder dossier individueel beoordeeld.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom specifiek in juli 2016 de stap is gezet om het stopzetten van toeslagen af te laten hangen van onderzoek in plaats van de toeslagen voor het onderzoek al stop te zetten.

In juli 2016 is de werkwijze in de CAF-zaken gewijzigd zonder dat de aanleiding daarvoor is vastgelegd. Vanaf dat moment is het voorschot kinderopvangtoeslag niet meer op vergelijkbare wijze stopgezet als in de CAF 11-zaak.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er vanaf 2016 is gekozen voor een gespecificeerde rappelbrief met welke bewijsstukken nog ontbraken. Tevens vragen deze leden wat ertoe heeft geleid dat er in 2016 verschillende kleine stappen zijn gezet om meer duidelijkheid te verschaffen aan ouders over het stopzetten van de kinderopvangtoeslag.

De werkwijze binnen Toeslagen voor 2016 was dat er geen aparte rappelbrief werd verzonden maar een gecombineerde stop-rappelbrief. In 2016 werd door Toeslagen onderkend dat burgers niet meermalen de kans hadden gevraagde informatie aan te leveren. Dit was niet volgens de geldende wet- en regelgeving. Daarom is in 2016 in de werkprocessen rondom CAF-zaken, fraude-onderzoeken en het intensief subjectgericht toezicht het rappelleren volgens de wet- en regelgeving ingericht.

De leden van de fractie van de VVD vragen tevens waarom toen niet is ingezien dat de mate van handhaving onjuist was.

Zoals in de analyse van de gang van zaken in de brief van 11 juni 2019 aan uw Kamer naar vorenkomt heeft de wens om te voldoen aan de maatschappelijke roep tot fraudebestrijding in combinatie met strikte regelgeving geleid tot het ontstaan van een «tunnelvisie». Het was een combinatie van beleid en uitvoering. In het eerdergenoemde spanningsveld tussen fraudebestrijding en dienstverlening heeft de eerste de overhand gekregen. Daarnaast is mijn beeld dat de wetgeving op onderdelen te rigide is en soms te weinig mogelijkheden biedt om tegemoet te komen aan het maatschappelijk rechtvaardigheidsgevoel in deze zaken. De «tunnelvisie» werd gestaafd door de uitkomsten van rechtszaken waarin de (juridische) interpretatie van wetgeving merendeels onderschreven werd.

Na het verschijnen van het rapport van de Nationale ombudsman in 2017 zijn de gevolgen voor de ouders duidelijk geworden en is door aanhoudende aandacht vanuit de media en uw Kamer uiteindelijk de tunnelvisie losgelaten.

De leden van de VVD-fractie vragen om de uitsplitsing van de groep «overige gronden» naar reden op basis waarvan de kinderopvangtoeslag is stopgezet.

Onder «overige gronden» zijn door de ADR verschillende categorieën van stopzettingsgronden gebracht voor de kinderopvangtoeslag en voor andere toeslagsoorten waarnaar in onderstaande tabel wordt uitgesplitst. Het veld «overige gronden» voor stopzetting uit het CAF-bestand op persoonsniveau is handmatig gevuld. Voor de categorieën «Overig KOT, Huur, Zorg of KGB» werd bij het handmatig vullen gekozen als op de betreffende stopzetting geen specifieke voorgedefinieerde keuze van toepassing was. In een toelichting werd bij de handmatige vulling dan wel de stopzettingsgrond nader uitgeschreven. Die omschrijvingen zijn te divers en gedetailleerd om die categorieën «Overig» verder uit te splitsen.

Tabel overige categorieën stopzettingsgronden voor kinderopvangtoeslag en de andere toeslagsoorten

Overig KOT

372

Overig Huur

183

Overig Zorg

127

Overig KGB

2

Woning voldoet niet aan eisen

19

Vertrokken onbekend waarheen (VOW)

19

N.V.T.

13

Preventief

9

Niet woonachtig op adres

4

Niet Zorgverzekerd

3

Een IST map gevonden

2

Niet gestopt (veelal na alsnog aanleveren stukken)

78

 

831

De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel niet-toeslaggerelateerde CAF-zaken er zijn.

Er waren 442 niet-toeslaggerelateerde CAF-zaken, de meeste daarvan zijn afgerond. Er zijn 66 zaken na een eerste beoordeling zijn afgevoerd.

De leden van de fractie van de VVD vragen waar deze CAF-zaken dan op zien.

Deze CAF-zaken zien vooral toe op systeemfraude in de inkomensheffing, het onterecht claimen van premiekortingen voor de loonheffing en onderzoeken inzake gefingeerde dienstverbanden.

De leden van de fractie van de CDA vragen om hoeveel mensen dit gaat.

Bij de aanpak systeemfraude inkomensheffing gaat het om tussen de 150 en 200 facilitators. Het aantal belastingplichtigen dat gebruik heeft gemaakt in een of meerdere jaren van een dergelijke facilitator ligt rond de 150.000.

Bij de aanpak premiekortingen gaat het om een vijftal facilitators en enkele tientallen betrokken bedrijven die in de meeste gevallen onwetend waren over de handelwijze van de facilitator.

Bij de behandeling gefingeerde dienstverbanden gaat het per saldo om een zeer beperkt aantal facilitators en ruim 70 individuele casusposities (burgers) waarin mogelijk sprake was van een gefingeerd dienstverband.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de huidige gang van zaken is wat betreft deze CAF-zaken.

Ten aanzien van de systeemfraude inkomensheffing is nog een twintigtal onderzoeken regulier in uitvoering, voor de premiekorting een tweetal en voor de gefingeerde dienstverbanden één onderzoek. Verder loopt er nog een twintigtal overige onderzoeken terwijl de rest van de zaken die zijn onderzocht zijn afgerond.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de tijdlijn tot stand is gekomen over de periode 1 januari tot en met 31 december 2019.

De tijdlijn is tot stand gekomen door het doorzoeken van de archieven van het Ministerie van Financiën en het doorzoeken van een groot aantal verslagen. Hierbij zijn ook signalen uit door de ADR gehouden interviews betrokken, voor zover die relevant waren voor de tijdlijn.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom als startmoment de start van het ADR-onderzoek naar de toeslaggerelateerde CAF-zaken is gekozen voor de tijdlijn.

Bij het opstellen van de tijdlijn bleek dat enkele relevante zaken al speelden in 2012 (zoals signalen over de disproportionele gevolgen van niet betalen eigen bijdrage), derhalve is het jaar 2012 bij het onderzoek rond de tijdlijn betrokken om een zo compleet mogelijk beeld te kunnen schetsen met de tijdlijn.

De leden van de fractie van de PVV vragen of ik van mening ben dat er in de ambtelijke of politieke top mogelijk strafrechtelijk of onrechtmatig is gehandeld, en of ik dat kan toelichten.

Ik ben niet geëquipeerd om uitspraken te doen over het al dan niet strafrechtelijk of onrechtmatig handelen van personen. Tijdens het Vragenuur in de Tweede Kamer van 14 januari jl. heeft de Minister van Financiën aangekondigd een second opinion te vragen aan een onafhankelijke buitenstaander over de verplichting aangifte te doen van ambtsmisdrijven. In mijn brief van 20 maart jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken en de in dit verband verstrekte opdracht. Ik zal u informeren over de uitkomsten hiervan.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de door de Belastingdienst opgestelde tijdlijn die door de ADR is gebruikt in haar onderzoek aan de Kamer kan worden gestuurd. Ook de leden van de fractie van de SP vragen naar deze tijdlijn.

Deze is als bijlage opgenomen34.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom de dossiers van de DG aan opvolgers in dezelfde functie, het dossier van de Staatssecretaris bij overdracht aan de opvolger in 2014 en een aantal vergaderverslagen niet aan de ADR zijn overgedragen. De leden van de fractie van het CDA vragen tevens of al deze stukken, en andere stukken waar de ADR naar vroeg, zonder zwarte teksten aan de Kamer kunnen worden verzonden. De leden van de fractie van het CDA vragen daarnaast of ik kan aangeven waarom de is geweigerd de documenten aan de ADR te verstrekken. Tot slot vragen de leden van de fractie van de SP welke documenten niet aan de ADR zijn verstrekt.

De ADR heeft volledige medewerking gekregen bij het onderzoek en er zijn geen documenten aan de ADR geweigerd. De ADR heeft inmiddels zelf aangegeven geen indicaties te hebben dat er een besluit is genomen om informatie niet te verstrekken. Wel is er om stukken verzocht die uiteindelijk niet verstrekt konden worden, omdat die niet zijn aangetroffen na intensief zoekwerk.

In een uitgebreide zoek- en verantwoordingsslag zijn de verslagen die zijn verzocht door de ADR en die zijn aangetroffen ook gedeeld, of is verantwoord waarom er geen verslag is aangetroffen. Vaak was de reden dat er geen vergadering was geweest en dus ook geen verslag.

Slechts in enkele gevallen zijn verslagen niet aangetroffen, zonder dat hiervoor een reden bekend is (1x Bestuursraad 2016, 1x MT Toeslagen 2013, 2x MT Toeslagen 2014, 1x opdrachtgevers- en opdrachtnemersoverleg Financien/Szw 2014 1x MT Fraude 2014 en enkele verslagen van de Ministerstaf).

Ook is er geen overdrachtsdossier aangetroffen van Staatssecretaris Weekers op Staatssecretaris Wiebes. De reden daarvoor lijkt de zeer korte overgangstijd tussen aftreden en aantreden te zijn.

Een overdrachtsdossier voor de Directeur-Generaal Belastingdienst werd tot het verschijnen van het ADR-rapport niet aangetroffen. Na het verschijnen van het ADR-rapport heeft de ADR een signaal gekregen dat er wel sprake zou zijn van een overdracht- of inwerkdossier. Omdat op het moment dat de ADR dit signaal ontving het onderzoek naar de toeslaggerelateerde CAF-zaken was afgesloten heeft de ADR dit signaal niet meer in haar onderzoek kunnen betrekken.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze de ADR om documenten heeft gevraagd en wie de documenten heeft geweigerd. Tevens vragen deze leden of de Directeur-Generaal en de Staatssecretaris wisten dat er documenten geweigerd zijn.

In een overleg met o.a. de SG Financiën en de DG Belastingdienst is door de ADR aangegeven welke bronnen zij wilden gebruiken voor het onderzoek. Door medewerkers van Financiën is vervolgens gezocht naar de informatie en deze is geordend in een tijdlijn. Deze tijdlijn is samen met de onderliggende informatie beschikbaar gesteld aan de ADR. Geen van de documenten die beschikbaar waren, is geweigerd.

De leden van de fractie van de SP vragen of de gehele inventarislijst van stukken die de ADR heeft ontvangen en opgevraagd naar de Kamer kan worden verzonden.

De ADR is gehouden te voldoen aan de eisen die vanuit de beroepsorganisaties35 worden gesteld. Deze eisen zien erop toe de kwaliteit, objectiviteit en onafhankelijkheid te waarborgen. Dossierstukken zijn onderwerp van intern beraad. Op grond van de vaste kabinetslijn worden stukken die zien op intern beraad geen onderdeel gemaakt van het debat met de Kamer.

Ik benadruk nogmaals dat nooit is besloten de ADR toegang te weigeren tot informatie waar de ADR naar vroeg.

De leden van de fractie van de SP vragen om een verklaring voor het uitblijven van politiek handelen.

Voor de reconstructie en verklaring verwijs ik naar de Kamerbrieven die de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik 12 maart jl. aan uw Kamer verstuurd hebben. In de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt daarbij aangegeven dat de komende periode wordt benut om het bestaande beeld zo compleet mogelijk te maken, met een geauditeerde werkwijze. Na deze zoektocht zullen wij de Kamer nader informeren.

De leden van de fractie van de SP vragen welke besluiten er zijn genomen om de Kamer niet te informeren en welke rol de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude hierbij heeft gespeeld.

Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag over het verklaren van het uitblijven van politiek handelen. Wat betreft de rol van de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude is geconstateerd dat hierover niet is gesproken. De Ministeriële Commissie Aanpak Fraude richtte zich voornamelijk op departement overstijgende onderwerpen zoals gegevensuitwisseling, mogelijke frauderisico’s met rijkssubsidies en identiteitsfraude.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom de ADR in de onderzoeksopdracht is gevraagd een onderzoeksperiode te hanteren vanaf 1 januari 2013.

Het onderzoek van de ADR is uitgevoerd overeenkomstig de opdracht zoals die op 2 september 2019 met uw Kamer is gedeeld en deze is hierin afgebakend tot toeslaggerelateerde CAF-zaken. De CAF-aanpak is gestart in september 2013. Om die reden is in de onderzoeksopdracht van de ADR een afbakening opgenomen die zich richt op de periode vanaf 2013. Mede op basis van gesprekken met ouders die ik heb gevoerd, bleek dat niet alleen ouders die CAF-zaken gedupeerd zijn geraakt. Om die reden heb ik de Adviescommissie gevraagd om haar taak uit te breiden en aandacht te besteden aan de groep ouders die geen onderdeel uitmaken van de CAF-brede groep, maar die zich wel gedupeerd voelen.

F. Zwartboek

De signalen in het Zwartboek geven een duidelijk beeld van de problemen waar een groot aantal ouders mee is geconfronteerd.

De leden van de fractie van de SP vragen om in te gaan op de aanbevelingen die nog niet van kracht zijn geworden. Hieronder zal ik nader ingaan op de door de leden van de fractie van de SP genoemde drie aanbevelingen.

  • 1. Herzie de wet en laat mensen die slachtoffer zijn van fraude bij gastouderbureaus niet betalen voor de misdaad van een ander. Verhaal de geleden schade niet op slachtoffers, maar op de dader.

    Ik deel deze aanbeveling van de leden van de fractie van de SP. In de kabinetsreactie heb ik daarom aangegeven dat ik mogelijkheden in kaart breng om burgers beter te beschermen tegen malafide partijen. Deze mogelijkheden zien onder andere op controlemaatregelen jegens die partijen. Dit stelt Toeslagen beter in staat om echte fraudegevallen te detecteren. In het verlengde hiervan kijk ik in het kader van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Toeslagen, de burger en derden, zoals genoemd door de Adviescommissie, naar de invoering van een wettelijke aansprakelijkheid waarmee bijvoorbeeld de matiging van de terugvordering (die niet hoeft te worden betaald door de burger) wordt verhaald op de verwijtbare derde.

  • 2. Erken dagbesteding en (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid als een duidelijke reden om niet de kinderen te kunnen opvangen en kort ouders niet

    Er zijn uiteenlopende redenen waardoor ook ouders die niet werken toch niet voor hun kinderen kunnen zorgen. Dit is zeer afhankelijk van de situatie en omstandigheden waarin het huishouden zich bevindt. Daardoor is het niet goed mogelijk hier een landelijk uniforme oplossing voor te bieden. Als een ouder door dagbesteding of (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid niet kan werken, is het mogelijk dat hij of zij nog wel in staat is om voor de kinderen te zorgen. Wanneer deze ouder daar niet toe in staat is, kunnen deze ouders bij de gemeente aankloppen voor tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van een sociale of medische indicatie (SMI). Doorgaans is SMI een tijdelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, bedoeld om gezinnen te ondersteunen totdat beide ouders (weer) kunnen werken en recht krijgen op kinderopvangtoeslag of één van de ouders weer voor de kinderen kan zorgen. Gemeenten krijgen vanuit het Rijk jaarlijks middelen om maatwerk te bieden aan mensen die vanwege uiteenlopende redenen kinderopvang nodig hebben, maar niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Gemeenten zijn het beste in staat om elke situatie te beoordelen en kunnen daardoor maatwerk leveren. Met deze regeling kunnen ouders gerichter geholpen worden dan met een centrale regeling zoals de kinderopvangtoeslag, die bedoeld is voor een overwegend uniforme doelgroep.

    In tegenstelling tot andere groepen die een beroep kunnen doen op een tegemoetkoming op basis van SMI, is de groep mensen met een Wlz-indicatie wel uniform. De ernstige en vooral blijvende situatie waarin personen met een Wlz-indicatie zitten, zonder uitzicht op herstel of (ander) werk, en het feit dat het gaat om een landelijk, duidelijk afgebakende groep, maakt het mogelijk hier een landelijk uniforme oplossing voor te bieden. Om ervoor te zorgen dat ook deze gezinnen arbeid en zorg kunnen combineren is het wenselijk om de wet op dit punt wel aan te passen. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een wetsvoorstel aan het voorbereiden en zal deze dit jaar aan uw Kamer toesturen.

    Naar aanleiding van onder andere vragen die gesteld zijn tijdens de begrotingsbehandeling van SZW zal er onderzoek worden gedaan naar hoe gemeenten invulling geven aan SMI (sociaal medische indicatie). Dit onderzoek wordt na de zomer verwacht.

  • 3. Breng in kaart welke grenzen er door juridische procedures zijn ontstaan en presenteer dit aan de Tweede Kamer

    Volgens de Adviescommissie zijn grote aantallen huishoudens in ernstige en soms blijvende financiële problemen gebracht, door de reguliere werking van de regelgeving rondom de Kinderopvangtoeslag, de uitleg die daaraan in uitvoering en rechtspraak is gegeven, en de handhaving ervan. Zo konden relatief kleine tekortkomingen tot gevolg hebben dat de volledige aanspraak op kinderopvangtoeslag in het betreffende jaar verviel. Bij juridische procedures is deze uitleg meermaals bestendigd, ook door de Raad van State. Op 23 oktober 2019 is de Raad van State met twee uitspraken teruggekomen op eerdere jurisprudentie. Deze uitspraken maken het mogelijk de kinderopvangtoeslag proportioneel vast te stellen en terugvorderingen op toeslagen, in bijzondere omstandigheden, te matigen.

    Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de stappen die met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn genomen om de kinderopvangtoeslag proportioneel vast te stellen. Tegelijkertijd wordt op dit moment gewerkt om in de uitvoering ook het matigen van een terugvordering in zeer bijzondere omstandigheden mogelijk te maken. Het voornemen bestaat om in samenspraak met de Staatssecretaris van SZW deze maatregelen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Wet op de Kinderopvang (Wko) te codificeren.

G. Financiële paragraaf

Uw Kamer stelt vragen over de financiële consequenties van de compensatieregelingen en aanvullende maatregelen.

De leden van de fracties van de PVV en van het CDA vragen naar een meer specifieke en nadere uiteenzetting van de totale geraamde kosten. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA of de betaling van € 360 miljoen inclusief de compensatie voor CAF 11 is en waarom de compensatie maar € 30 miljoen euro is in het licht van de vraag of een groot deel van de ouders geen compensatie krijgen.

De ingeschatte financiële gevolgen zijn gebaseerd op het verwacht aantal ouders dat onder de regelingen valt en een inschatting van het uit te betalen bedrag aan herziening, tegemoetkoming en compensatie. De kosten die samenhangen met de herziening en compensatie voor CAF-11 zijn geen onderdeel van dit bedrag en zijn reeds binnen de huidige begroting gedekt.

In de kabinetsreactie is aangegeven dat een bedrag van € 390 miljoen wordt geraamd voor een tegemoetkoming en compensatie. € 360 miljoen daarvan betreft herziening en een tegemoetkoming als gevolg van de onredelijke hardheid van het stelsel en € 30 miljoen is geraamd compensatie voor institutionele vooringenomenheid bij CAF-zaken.

De leden van de fractie van de PVV vragen welke waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat het geschatte budget niet wordt overschreden.

De uitvoerbaarheid van de maatregelen is op hoofdlijnen beoordeeld, maar er heeft nog geen volledige uitvoeringstoets plaatsgevonden. Deze uitvoeringstoets moet uitwijzen of de ingeschatte financiële middelen voldoende zijn. Mocht het geschatte budget ontoereikend blijken dan zal dit opnieuw ter besluitvorming worden voorgelegd.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de budgettering van de uitvoeringslast van 110 miljoen euro. Ook vragen deze leden of deze budgettering voor meerdere jaren is.

De uitvoeringslasten zijn als volgt over de jaren 2020 tot en met 2022 gebudgetteerd:

 

2020

2021

2022

Totaal

Uitvoeringskosten

35

55

20

110

Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat voor de uitvoering van de maatregelen wordt toegegroeid naar ruim 500 fte. De uitvoerbaarheid van de maatregelen is op hoofdlijnen beoordeeld maar er heeft nog geen volledige uitvoeringstoets plaatsgevonden. Deze uitvoeringstoets moet verdere invulling geven aan de inschattingen.

De leden van de fractie van het CDA hebben ook vragen aangaande het aantal fte, aantal gevallen per fte en de verhouding tot het aantal ouders dat recht heeft op terugbetaling van kinderopvangtoeslag. De leden van de fractie van D66 vragen om een korte reflectie ten aanzien van het feit dat de uitvoeringskosten meer dan 20% van het totale uit te keren bedrag bedragen. Deze leden vragen wat het kabinet hier een acceptabele verhouding vindt.

Potentieel hebben de maatregelen zoals in de kabinetsreactie genoemd betrekking op meer dan 20.000 ouders die in aanmerking komen voor compensatie, tegemoetkoming of kwijtschelding. Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat voor de behandeling van deze dossiers naar een organisatie van ruim 500 fte wordt toegegroeid. De uitvoerbaarheid van de maatregelen is op hoofdlijnen beoordeeld maar er heeft nog geen volledige uitvoeringstoets plaatsgevonden. Deze uitvoeringstoets moet verdere invulling geven aan de inschattingen.

Voor mij staat een zorgvuldige en persoonlijke benadering van ouders voorop. Daarbij geldt dat de complexiteit van de uitvoering voor een belangrijk deel het gevolg is van het feit dat het antwoord op de vraag of iemand getroffen is door onredelijke hardheid van het stelsel niet «met een druk op de knop» uit een systeem te halen is. Dat vergt beoordeling van elk individueel dossier. Het werk dat de herstelactie met zich mee brengt is naar verhouding complexer dan de reguliere werkzaamheden binnen Toeslagen. Het door mij gewenste maatwerk naar de ouders toe zorgt naar verwachting voor relatief hoge uitvoeringskosten. Die hoge kosten hebben we ervoor over.

De leden van de fractie van D66 merken op dat in de kabinetsreactie is opgenomen dat in de komende periode bezien wordt hoe de uitvoering vereenvoudigd kan worden om daarmee ouders zo snel mogelijk te kunnen compenseren en de uitvoeringskosten te beperken. Deze leden onderschrijven deze inzet. Deze leden vragen om een nadere toelichting over de mogelijke afruilen, bijvoorbeeld ten aanzien van het voorkomen van misbruik.

Op welke wijze de precieze uitvoering zal worden ingericht, een juiste behandeling van ouders staat voorop. Dit is geen denkbare afruil. Vereenvoudiging mag er niet toe leiden dat er makkelijk fouten kunnen worden gemaakt bij de behandeling van ouders. Indien dit het geval is, vind ik dat onwenselijk. Misbruik zal helaas nooit volledig uit te bannen zijn. Ik zal mij er wel voor inspannen dat de kans op misbruik of oneigenlijk gebruik zo klein mogelijk is.

Ook vragen de leden van de fractie van D66 waarom een dergelijke vereenvoudiging niet al eerder ingezet is als deze bijdraagt aan lagere uitvoeringskosten en een snellere oplossing voor de ouders.

Gegeven de complexiteit voor wat betreft de informatiehuishouding en de zorgvuldigheid waarmee de werkzaamheden moeten worden gedaan, vergt dit de nodige tijd. Hoe eerder stappen gezet kunnen worden in mogelijke vereenvoudiging, hoe wenselijker. Dit vraagt echter ook een zorgvuldige afweging, ook met het oog op de door de leden van de fractie van D66 in de vorige vraag genoemde afruilen.


X Noot
1

Kamerstuk 31 066, nr. 608

X Noot
2

Kamerstuk 31 066, nr. 596

X Noot
3

Kamerstuk 31 066, nr. 612

X Noot
4

Bijlage bij Kamerstuk 31 066, nr. 574

X Noot
5

Kamerstuk 31 490, nr. 271

X Noot
7

Kamerstuk 31 066, nr. 612

X Noot
8

Eindrapport Adviescommissie Uitvoering Toeslagen, p. 2

X Noot
9

Interim-rapport Adviescommissie Uitvoering Toeslagen, p. 43

X Noot
10

Kamerstuk 31 066, nr. 538

X Noot
11

Kamerstuk 17 050, nr. 435

X Noot
12

Kamerstuk 17 050, nr. 435

X Noot
13

Kamerstuk 33 754, nr. 3

X Noot
14

Kamerstuk 33 750 VII, nr. 2, Beleidsagenda (p. 14–15) en Verdiepingsbijlage (p. 52)

X Noot
15

Kamerstuk 31 066, nr. 613

X Noot
16

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
20

Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 december 2019, Stcrt. 2019, nr. 66172

X Noot
21

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1985

X Noot
22

Kamerstuk 31 066, nr. 613

X Noot
23

ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3535 en ECLI:NL:RVS:2019:3536

X Noot
24

Besluit van 17 april 2020, Stcrt. 2020, nr. 22720

X Noot
25

Kamerstuk 31 066, nr. 613

X Noot
26

Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 1925

X Noot
27

Kamerstuk 31 066, nr. 534

X Noot
28

Kamerstukken 31 322 en 31 066, nr. 406

X Noot
29

Kamerstuk 31 066, nr. 607

X Noot
30

Kamerstuk 31 066, nr. 621

X Noot
31

Kamerstuk 31 066, nr. 582

X Noot
32

Kamerstuk 26 643, nr. 657

X Noot
33

Kamerstuk, 31 066, nr. 538

X Noot
34

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
35

IIA, NBA en NOREA