31 066 Belastingdienst

Nr. 275 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 mei 2016

Hierbij stuur ik u de brief die ik heb toegezegd tijdens het mondelinge vragenuur van 26 april 2016 (Handelingen II 2015/16, nr. 81, item 5) plus de antwoorden op de aanvullende vragen die via de Commissie Financiën aan mij zijn gesteld over het bericht dat de Belastingdienst informatie achterhield voor het gerechtshof en de Hoge Raad1.

Inleiding

Kort geleden hebben de Minister van Financiën en ik aangegeven dat het net rond belastingontduikers zich aan het sluiten is. Ik heb daarbij opnieuw belastingontduikers opgeroepen zich te melden bij de Belastingdienst. Vanaf 2017 krijgt de Belastingdienst uit ongeveer honderd landen informatie over bankgegevens. Daarbij zitten ook landen waar nu geld verstopt zit. Dit betekent niet dat de strijd tegen de Belastingdienst door een kleine groep vermoedelijke belastingontduikers niet hard wordt gevoerd. Dit is ook zo in de procedure van een zwartspaarder in de tipgeverszaak waarop het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 betrekking heeft.

In deze zaak wordt gesuggereerd en veelal zelfs gesteld – en daarom begrijp ik goed de aandacht van uw Kamer hiervoor – dat er een tegenstelling bestaat tussen de door de Belastingdienst onlangs in een fiscale procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgegeven passages van het contract met de tipgever en de uitlatingen tot nu toe hierover. De Belastingdienst wordt verweten zelfs rechters te hebben misleid door ten onrechte informatie achter te houden.

Een zuivere werkwijze van een overheidsorganisatie als de Belastingdienst is zo mogelijk van een nog hogere orde dan de jacht op belastingontduikers. Daarom geef ik graag een uitvoerige toelichting op de gang van zaken in de genoemde procedure.

Is er een tegenstelling?

In het contract met de tipgever is opgenomen dat het contract uitsluitend betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen de tipgever en de Belastingdienst. Met het contract met de tipgever probeert de Belastingdienst enerzijds de gerechtvaardigde belangen van de Staat zo goed mogelijk te behartigen, anderzijds heeft de Belastingdienst uitvoering gegeven aan de zorgplicht die hij heeft als overheidsinstantie voor de tipgever. Dit klemt temeer omdat de risico’s voor tipgevers reëel zijn. Zo heeft in Duitsland een tipgever zelfs een andere identiteit moeten aannemen. De Belastingdienst wil dan ook tot het uiterste gaan om de tipgever anoniem te houden, en daardoor ook eventuele nieuwe tipgevers niet af te schrikken.

Het contract is een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat/Belastingdienst en de tipgever. Voor de uitleg van een civielrechtelijke overeenkomst is niet alleen de juridische vormgeving van belang, maar ook de bedoeling van partijen. Inzet van de Belastingdienst is altijd geweest de bescherming van de identiteit van de tipgever. In gesprekken met de tipgever is ook uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat de Belastingdienst zich tot het uiterste zal inspannen om de anonimiteit te waarborgen. In de uitzending van De Wereld Draait Door van 5 november 2009 merkt Staatssecretaris van Financiën De Jager hierover op: «We hebben besloten om zo lang als mogelijk de identiteit van deze meneer ook zoveel mogelijk geheim te houden...»

Ik wijs in dit verband ook op de brief van Staatssecretaris van Financiën Weekers van 13 februari 2012 op een vraag van het lid Omtzigt (Kamerstuk 31 066, nr. 119). In antwoord op vragen van de leden van Klaveren en Bontes heb ik dit nog een keer aangehaald in mijn brief van 18 december 2014(Kamerstuk 31 066, nr. 226), waarin staat: «De beleidslijn houdt in dat de Belastingdienst zich ten doel stelt de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken.» Daarbij merkte ik nog op: «Deze beleidslijn is bij alle bij dit dossier betrokken medewerkers van de Belastingdienst bekend en dus ook bij de getuigen.»

De uitlatingen van de medewerkers en getuigen in de verschillende procedures moeten ook altijd tegen de achtergrond van deze gepubliceerde beleidslijn worden gezien. Dat de anonimiteit ultiem niet met absolute zekerheid in een civielrechtelijke overeenkomst kan worden gegarandeerd, doet aan deze zwaarwegende inzet op anonimiteit niet af. Er is dus geen tegenstelling tussen wat in het contract staat (namelijk geen garantie op anonimiteit en de verplichting te moeten getuigen) en de uitlatingen tot nu toe van de zijde van de overheid.

Is er sprake van misleiding?

In de Algemene wet bestuursrecht is geregeld dat partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken kunnen weigeren of de bestuursrechter kunnen mededelen dat uitsluitend hij kennis mag nemen van de inlichtingen of de stukken. De bestuursrechter beslist of de weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Het wettelijk systeem brengt met zich mee dat een partij wiens beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming is verworpen de mogelijkheid heeft om te blijven weigeren de desbetreffende stukken te overleggen. Deze mogelijkheid is ook onderkend in de parlementaire toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstuk 22 495, nr. 3, blz. 119–120) en bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2015. Deze mogelijkheid is ook door de rechtbanken opgenomen in artikel 13, zesde lid, Procesregeling bestuursrecht 20132. Daarbij wordt wel een procesrisico – hier dus in het nadeel van de Belastingdienst – gelopen. De rechter mag in dat geval de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Het is dus volledig aan de rechter of hij belang en betekenis toekent aan de geheimhouding van stukken en passages, en zo ja, welk belang en welke betekenis. Dit is onderdeel van zijn afweging.

De Belastingdienst heeft zich altijd actief bereid getoond de rechterlijke macht het volledige, ongeschoonde (behoudens om veiligheidsredenen de naam van de tipgever) contract te overleggen. Ook heeft de Belastingdienst aangeboden om de tipgever anoniem te laten getuigen en om de naam vertrouwelijk aan de rechter te melden. Van dit aanbod is door de geen enkele rechter gebruik gemaakt. De rechter heeft er echter voor gekozen om uitspraak te doen zonder ongeschoond contract en zonder anonieme getuigenis door de tipgever. De Belastingdienst heeft altijd geopereerd binnen de beleidslijn de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) – voor anderen dan de rechter – geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken. Er is geen tegenstelling tussen de beleidslijn, het contract en de uitlatingen van de medewerkers en getuigen. De beleidslijn is gepubliceerd en is dus ook bekend bij de rechterlijke macht en is ook bekend of had ook bekend kunnen zijn bij de advocaat van de belastingplichtige in kwestie. Als deze een tegenstelling had gezien tussen de beleidslijn en de uitlatingen van de zijde van de Belastingdienst had hij dit onder de aandacht van de rechter kunnen brengen. Het is, anders dan de president van het hof suggereert in zijn brief aan Nieuwsuur, aan de rechter (rechtbank en hof) om de feiten vast te stellen en hierover te oordelen. Dat doet hij in het proces verbaal van de zitting en in de uitspraak. Er is gelet op bovenstaande dan ook geen sprake van misleiding van de rechterlijke macht door de Belastingdienst.

Waarom zijn er passages in het contract weggelakt?

Het weglakken van sommige passages in het contract heeft verschillende redenen. Allereerst zijn er passages weggelakt die de identiteit van de tipgever direct prijsgeven. Daarnaast gaat het om passages die, al dan niet in samenhang met andere passages, informatie bevatten aan de hand waarvan de identiteit van de tipgever mogelijk kan worden herleid. Het weglakken van deze passages is een direct gevolg van de beleidslijn om de identiteit van de tipgever zolang als mogelijk is te beschermen vanwege zijn veiligheid en om andere tipgevers niet af te schrikken.

Verder zijn er passages weggelakt waarin informatie staat over individuele ambtenaren. Dit is gebeurd in verband met hun recht op privacy. Desondanks zijn twee FIOD-medewerkers die als getuigen hebben opgetreden bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op hun privéadres benaderd door Nieuwsuur.

Om calculerend gedrag van zwartspaarders te voorkomen zijn de passages in het contract waardoor inzicht ontstaat in de methoden en werkwijzen van de Belastingdienst weggelakt. Het gaat hierbij om informatie over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt, onderzoekt en zijn werkprocessen inricht en om passages die inzicht geven in de jaren waarop de informatie van de tipgever betrekking heeft.

Op enkele plaatsen in het contract staan passages die betrekking hebben op de economische en financiële belangen van de Staat. Het staatsbelang is er niet mee gediend wanneer bekend wordt wat de vergoeding is die de tipgever voor de door hem verstrekte informatie zal kunnen ontvangen. Dergelijke informatie kan premiejagers aantrekken. Bovendien zijn gelet op de economische en financiële belangen van de Staat ook de passages gelakt die toekomstige tipgevers zouden kunnen afschrikken. Hierbij gaat het dan om de passages waaruit blijkt dat de anonimiteit niet kan worden gegarandeerd en dat de tipgever verklaart mee te werken aan een getuigenverhoor. Deze passages zouden, in isolatie bezien en zonder nadere toelichting, een verkeerde indruk kunnen wekken over de kwetsbaarheid van een tipgever, met het genoemde afschrikkende effect tot gevolg.

Na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016, tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, waaruit immers volgt dat de identiteit van de tipgever beschermd kan blijven, heeft de Belastingdienst besloten bepaalde passages niet langer weg te lakken, zodat deze passages in de verdere procedure aan alle betrokkenen kenbaar zijn.

De afwegingen die in 2011 zijn gemaakt bij de beslissingen over het weglakken, zijn nog steeds valide en zijn alle gekoppeld aan gerechtvaardigde belangen. Op dat moment was immers nog geenszins duidelijk of de anonimiteit van de tipgever en van toekomstige tipgevers kon worden gegarandeerd. In het licht van het arrest van 18 december 2015 had een andere afweging kunnen worden gemaakt, maar dat is oordelen met de kennis van nu.

Voor een beter begrip schets ik hieronder het verloop van deze complexe zaak. Daarbij geef ik een overzicht van het tipgeverdossier tot nu toe. Daarna beantwoord ik de aanvullende vragen die zijn gesteld door de leden van de vaste commissie voor Financiën. Ik ga er vanuit dat met deze brief ook de vragen van de leden Omtzigt, Van Weyenberg en Van Vliet zoals gesteld in het mondelinge vragenuur d.d. 26 april 2016 worden beantwoord. De aanvullende vragen 6, 7, 8 en 35 van de leden van de fractie van het CDA zijn beantwoord door de Minister van Veiligheid en Justitie en de aanvullende vraag 1 van de leden van de fractie van het CDA beantwoord ik mede namens hem.

Feitenrelaas tipgever en procedure zwartspaarder Arnhem

Begin 2009 is de FIOD benaderd door een tipgever die stelde over informatie te beschikken over bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij drie in Luxemburg gevestigde banken. Met de tipgever is overeengekomen dat hij deze informatie aan de Belastingdienst verstrekt tegen een beloning die een percentage beloopt van de IB/PVV, VB en de heffingsrente die wordt betaald op belastingaanslagen die met behulp van deze informatie kunnen worden opgelegd. Met het sluiten van een contract met een tipgever vindt er geen uitruil plaats in relatie tot zijn eigen fiscale positie.

Met behulp van zijn informatie zijn 76 (vermeende) zwartspaarders achterhaald, daarvan hebben inmiddels 71 zwartspaarders opening van zaken gegeven en erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Deze 71 zaken zijn in verschillende stadia van afwikkeling. Bij een aantal lopen er nog procedures over de lengte van de navorderingstermijn en over de hoogte van de opgelegde boeten. Daarnaast bestaat er nog een groep van vijf niet-meewerkende (vermoedelijke) belastingontduikers. Daaronder is ook de (inmiddels overleden) zwartspaarder waarover het hier gaat. In geen enkel geval is gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is. Ook de belanghebbenden zelf (beide kinderen van de erflatende zwartspaarder) behoren tot degenen die in dit dossier als zwartspaarder zijn opgespoord en inmiddels hebben erkend dat de informatie van de tipgever ten aanzien van henzelf juist is.

Rechtbank

Aan de zwartspaarder zijn eind 2010 en begin 2011 belastingaanslagen opgelegd over de jaren 1997 t/m 2008. Vervolgens is na bezwaar beroep aangetekend bij de rechtbank Arnhem (na herziening van de gerechtelijke kaart: de rechtbank Gelderland).

Lopende de bezwaarfase heeft de zwartspaarder nog een voorlopige voorziening gevraagd bij de rechtbank om op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd te krijgen. Dit verzoek is door de rechtbank toegewezen. De Belastingdienst heeft aan dit vonnis gehoor gegeven.

Tijdens de beroepsprocedure heeft de zwartspaarder een tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, omdat hij van mening was dat de Belastingdienst aan de eerste voorlopige voorziening geen gehoor had gegeven. Bij de mondelinge behandeling van dit tweede verzoek heeft hij dit tweede verzoek ingetrokken.

Gedurende de beroepsprocedure heeft de rechtbank een geheimhoudingskamer bijeengeroepen om onder meer te oordelen in hoeverre het contract met de tipgever moet worden overgelegd in de beroepsprocedure. De Belastingdienst heeft daarom (de geheimhoudingskamer van) de rechtbank een kopie van het volledige contract verstrekt met om veiligheidsredenen uitsluitend de naam van de tipgever weggelakt. Indien gewenst kon dan tijdens de zitting van de geheimhoudingskamer ook de naam van de tipgever vertrouwelijk aan de rechter worden gemeld. De geheimhoudingskamer heeft echter geen zitting gehouden. Het oordeel van de geheimhoudingskamer is neergelegd in een tussenvonnis. Daarbij is het verzoek van de inspecteur om het contract deels zwartgelakt te mogen overleggen afgewezen. De Belastingdienst heeft geweigerd de desbetreffende stukken (in niet zwartgelakte vorm) te overleggen. De Belastingdienst is met deze weigering binnen het wettelijk systeem gebleven. Daarbij werd wel een procesrisico gelopen, in het nadeel van de Belastingdienst. Op basis van artikel 8:31 Awb mag de rechter in dat geval de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De rechter moet daarbij wel alle omstandigheden van het geval meewegen.

De rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 6 juni 2013 de beroepen ongegrond verklaard en daarmee dus de inspecteur volledig in het gelijk gesteld. De rechtbank merkte daarbij expliciet op in dit geval geen aanleiding te zien om aan de weigering van de inspecteur om de betreffende stukken in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank uiteindelijk beschikte, heeft de rechtbank de betreffende gegevens voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig gehad. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat belanghebbenden door de weigering van de inspecteur om de betreffende gegevens te verstrekken in hun procesbelangen zijn geschaad. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de Belastingdienst het bewijsaanbod gedaan om de tipgever als getuige te horen. De rechtbank heeft het niet nodig geoordeeld van dit bewijsaanbod gebruik te maken.

Gerechtshof

Tegen de uitspraak van de rechtbank is door belanghebbenden hoger beroep aangetekend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Overigens was het voor de inspecteur niet mogelijk om hoger beroep aan te tekenen tegen het tussenvonnis van de geheimhoudingskamer, omdat de inspecteur in de fiscale procedure door de rechtbank geheel in het gelijk was gesteld. De inspecteur had derhalve geen belang bij het aantekenen van hoger beroep.

Ook tijdens de procedure bij het hof heeft de Belastingdienst actief toegezegd mee te werken aan een verhoor van de tipgever op een zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld.

De Belastingdienst heeft het hof aangeboden (ten behoeve van een in te stellen geheimhoudingskamer) een ongeschoonde versie van het contract met de tipgever toe te sturen met uitsluitend de naam van de tipgever om veiligheids- en privacyredenen weggelakt. De inspecteur heeft het hof daarbij laten weten ook inzage te willen verlenen in een ook op dat punt ongeschoonde versie. Het hof heeft in verband met de procesorde geen kennis meer willen nemen van de ongeschoonde versie van het contract. Lopende de procedure bij het hof heeft de Belastingdienst aangeboden twee FIOD-medewerkers die betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen met de tipgever als getuigen te horen. Dat is gebeurd. De FIOD-medewerkers hebben met een beroep op hun geheimhoudingsplicht geweigerd de naam van de tipgever aan het hof vrij te geven. Het hof heeft geoordeeld dat zij tot antwoorden waren verplicht. Tegen dit oordeel van het hof zijn de FIOD-medewerkers opgekomen in twee cassatieprocedures. Voorafgaand aan de uitspraak in de procedure van de zwartspaarder heeft de president van het gerechtshof aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie van een misdrijf, zoals bedoeld in artikel 285a Wetboek van Strafrecht. Dit strafbare feit in de vorm van het beïnvloeden van getuigen zou zijn gepleegd door (medewerkers en of hulppersonen van) het Ministerie van Financiën. De president heeft zoals bekend, lopende de procedure, de publiciteit gezocht met een persbericht en met een optreden in Nieuwsuur. Het hof heeft op 3 februari 2015 uitspraak gedaan en daarbij de inspecteur volledig in het ongelijk gesteld. In de procedure is overigens ook de voormalig Staatssecretaris van Financiën De Jager als getuige gehoord.

De Hoge Raad heeft (zie ook hieronder) de twee medewerkers later in het gelijk gesteld, waarbij uit het arrest van de Hoge Raad bleek dat de president van het gerechtshof zich heeft gebaseerd op «een onjuiste rechtsopvatting»3

Hoge Raad

De procedure bij het hof heeft geleid tot drie cassatieverzoeken aan de Hoge Raad. Twee verzoeken van de FIOD-medewerkers die onterecht door het hof werden verplicht om de naam van de tipgever vrij te geven, en een normale cassatieprocedure over het fiscale geschil. De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 drie arresten gewezen. De FIOD medewerkers zijn tweemaal niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoepen. Overigens hebben zij uiteindelijk wel inhoudelijk gelijk gekregen van de Hoge Raad; in een rechtsoverweging die was opgenomen in het arrest over de fiscale hoofdzaak merkt de Hoge Raad op dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, niet kunnen worden gedwongen om informatie prijs te geven die de inspecteur niet wil verstrekken.

In de fiscale hoofdzaak heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. Daarbij vond de Hoge Raad het volgende van belang. De inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen over wie de tipgever informatie had gegeven, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Ook is in geen enkel geval gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is. De belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld. In het licht van deze feiten en de door de inspecteur gedane toezegging, hoeft de onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever niet zonder meer tot vernietiging van de bestreden belastingaanslagen te leiden.

Na het arrest van de Hoge Raad geattendeerd op zijn onjuiste rechtsopvatting4heeft de president van het hof zijn aangifte bij het Openbaar Ministerie ingetrokken. Overigens zal het Openbaar Ministerie zijn eigen afweging maken wat het met de aangifte en de intrekking daarvan doet.

De passages uit het contract die zijn vrijgegeven naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 zijn voor belanghebbenden aanleiding geweest een verzoek om herziening van het arrest van 18 december 2015 bij de Hoge Raad in te dienen. Naar de mening van belanghebbenden zouden deze passages, indien zij bekend waren geweest bij de rechter, tot een andere uitspraak hebben geleid. Het team Cassatie van het departement is inmiddels, daartoe uitgenodigd door de Hoge Raad, bezig met een reactie richting Hoge Raad. Nu de Belastingdienst inmiddels bepaalde passages uit de overeenkomst heeft vrijgegeven is die informatie in de verdere procedure kenbaar voor alle betrokkenen.

Ten slotte

Ook terugkijkend op deze zaak constateer ik dat de Belastingdienst, met uiterste inspanningen en met grote inzet, jacht heeft gemaakt op zwartspaarders, en zich daarbij tegelijkertijd heeft geconformeerd aan de geldende rechtsvoorschriften en niet buiten de paden is getreden die een overheidsorganisatie passen. Ik hoop dat ook deze laatste casussen in deze tipgeverszaak leiden tot een uitkomst die recht doet aan alle keurige belastingbetalers en die ondersteunend is aan onze belastingmoraal.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

Vragen en antwoorden

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

Vraag 1

Wat staat er exact in het contract c.q. de overeenkomst met de tipgever over afspraken met betrekking tot geheimhouding, zoals inspanningsverplichting, wel of geen garanties, et cetera? Ofwel wat is precies afgesproken over anonimiteit?

Antwoord

Ik verwijs naar het in de bijlage opgenomen contract zoals dat is gelakt na de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 20165.

Vraag 2

Wat hebben de personen vanuit de belastingdienst (FIOD-ambtenaren, landsadvocaten, et cetera) die zijn opgeroepen dan wel zijn betrokken in deze procedure aangegeven, met name als het gaat om afspraken met de tipgever over anonimiteit?

Vraag 3

In hoeverre is er in de juridische procedures aangegeven dat er geheimhouding gegarandeerd was aan de tipgever?

Antwoord op de vragen 2 en 3

De genoemde personen hebben zich met betrekking tot vragen over de identiteit van de tipgever beroepen op hun geheimhoudingsplicht. De aard van de verplichting die in het contract is opgenomen is hierbij niet aan de orde gekomen.

Vraag 4

Waarom zit er geen tegenstelling tussen de overeenkomst en hetgeen is aangegeven in de juridische procedure?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar hetgeen in mijn begeleidende brief is opgenomen in het tekstblok «Is er een tegenstelling?».

Vraag 5

Wat is de reden van het weglakken van sommige passages in de overeenkomst?

Antwoord

Het weglakken van sommige passages in het contract kan verschillende redenen hebben. Deze redenen zijn in het contract aangegeven met een letter die ik hierna per reden zal weergeven. Allereerst gaat het hierbij om passages die de identiteit van de tipgever direct prijsgeven (A1). Daarnaast gaat het om passages die, al dan niet in samenhang met andere passages, informatie bevatten aan de hand waarvan de identiteit van de tipgever mogelijk kan worden herleid (A2).

Passages waarin informatie staat over individuele ambtenaren zijn gelakt in verband met hun recht op privacy (C). In de overeenkomst staat informatie over methoden en werkwijzen van de Belastingdienst (D1 en D2). Het gaat hierbij om informatie over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt, onderzoekt en zijn werkprocessen inricht. Deze passages zijn weggelakt alsmede passages die inzicht verschaffen in de jaren waarop de informatie van de tipgever betrekking heeft. Hiermee wordt calculerend gedrag van de zwartspaarders voorkomen (E).

Op enkele plaatsen in het contract staan passages die betrekking hebben op de economische en financiële belangen van de Staat (F). Het staatsbelang is er niet mee gediend wanneer bekend zou worden wat de vergoeding is die de tipgever voor de door hem verstrekte informatie zal kunnen ontvangen. Dergelijke informatie kan een aanzuigende werking hebben op premiejagers. Bovendien zijn gelet op de economische en financiële belangen van de Staat ook de passages gelakt die toekomstige tipgevers zouden kunnen afschrikken.

Vraag 6

Welke passages zijn er zwart gelakt in het contract dat aan de verschillende rechters ter beschikking is gesteld en waarom?

Antwoord

Tot de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 is aan de verschillende rechters (niet zijnde de geheimhoudingskamers) het contract voorgelegd zoals dat was geschoond totdat de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat meer passages ongeschoond moeten worden overgelegd («versie 1»). Naar aanleiding van de uitspraak van 4 februari 2016 wordt het contract waarin minder passages zijn weggelakt aan de rechters ter beschikking gesteld («versie 2»). Voor beide versies van het contract verwijs ik u naar de bijlagen6. Bij de verschillende passages in de contracten staan de redenen opgenomen zoals in het antwoord op vraag 5 van de leden van de fractie van de VVD is aangegeven.

Vraag 7

Wat is er in de juridische procedure waar de Hoge Raad uiteindelijk uitspraak in heeft gedaan zwart gelakt in het contract?

Antwoord

Hiervoor verwijs ik u naar het in de bijlage opgenomen contract zoals dat was gelakt tot de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016.

Vraag 8

Welke invloed heeft het weglakken van bepaalde passages uit het contract met de tipgever (gehad) op de uitspraken van de verschillende rechters (rechtbank, gerechtshof, Hoge Raad)?

Antwoord

Op basis van artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter indien een partij niet voldoet aan zijn verplichting om inlichtingen te geven of stukken over te leggen, daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Voor wat het belastingrecht betreft kan dat inhouden dat de rechter de belastingaanslagen vernietigt. Van de verschillende rechters die hebben geoordeeld over het niet ongeschoond aanleveren van het contract heeft alleen het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak van 3 februari 2015 hieraan het gevolg verbonden dat de aanslagen moesten worden vernietigd. Deze gevolgtrekking berustte volgens de Hoge Raad op een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs in dit verband naar het overzicht in de antwoorden op de vragen 11 en 13 van de leden van de fractie van de VVD.

Vraag 9

Waarom heeft de Belastingdienst in de eerste procedure sommige passages wel weggelakt en in latere procedures niet meer?

Antwoord

Na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016, tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, waaruit immers volgt dat de identiteit van de tipgever beschermd kan blijven, achtte de Belastingdienst het niet langer noodzakelijk om bepaalde passages weg te lakken, zodat deze passages in de verdere procedure aan alle betrokkenen kenbaar zijn. Het gaat hier bijvoorbeeld om passages die betrekking hebben op de anonimiteit van de tipgever en het mogelijkerwijs getuigen van de tipgever. De kans dat nieuwe tipgevers worden afgeschrikt door het feit dat hun identiteit bekend moet worden gemaakt, is hiermee immers vervallen. Verder is er van de gelegenheid gebruik gemaakt om in enkele passages over de vergoeding minder weg te lakken omdat dit bij nader inzien mogelijk bleek zonder dat informatie vrij zou worden gegeven die premiejagers zou uitlokken.

Vraag 10

Wat is de rol van de Geheimhoudingskamer?

Antwoord

In artikel 8:29 Awb is bepaald dat een partij (hier: de inspecteur) het recht heeft om het overleggen van op de zaak betrekking hebbende stukken te weigeren of de rechter mede te delen dat alleen de rechter kennis zal mogen nemen van de stukken. Uit de tekst en parlementaire geschiedenis van artikel 8:29 Awb zijn aanwijzingen te putten dat de wetgever zich heeft voorgesteld dat de kamer van de rechtbank of gerechtshof die de fiscale hoofdzaak behandelt aan de hand van de (ongeschoonde) stukken tevens beslist of een partij in een procedure terecht een beroep doet op dit artikel. In het laatste geval kan de rechter alleen met toestemming van de andere partij (hier: de belastingplichtige) zijn uitspraak op deze stukken baseren. Als die andere partij toestemming weigert, moet de zaak verwezen worden naar een andere kamer van de rechtbank of het gerechtshof voor de behandeling van de fiscale hoofdzaak op basis van de gelakte stukken.

De rechtbanken en gerechtshoven volgen in het algemeen een hiervan afwijkende werkwijze. De kamer die de fiscale hoofdzaak behandelt, verwijst de zaak naar een andere kamer (de geheimhoudingskamer), opdat deze (bij uitsluiting van de kamer die de fiscale hoofdzaak behandelt) kennis neemt van de geheimgehouden stukken, en vervolgens beslist of deze geheimhouding terecht is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet zich er niet tegen verzet dat een andere kamer – de geheimhoudingskamer – het beroep op artikel 8:29 beoordeelt (HR 10 augustus 2007, nr. 42715, ECLI:NL:HR:2007:BA0582).

Of de rechter die uitspraak doet in de fiscale hoofdzaak kennis heeft genomen van het ongelakte contract is dus gelet op bovenstaande in eerste instantie afhankelijk van de door deze rechter gekozen werkwijze en op de tweede plaats van de toestemming van belanghebbende. Ook in dat licht bezien kan er niet worden gesproken van misleiding van de rechterlijke macht omdat de Belastingdienst altijd het gehele contract (met uitsluitend de naam van de tipgever om veiligheidsredenen weggelakt) ongelakt aan de rechter heeft overgelegd.

Vraag 11

Wat zijn de uitspraken van de Geheimhoudingskamers in de verschillende procedures rondom deze tipgever geweest?

Antwoord

Geheimhoudingskamer Rechtbank Arnhem (thans: Gelderland) 7 februari 2012, nrs. 11/01635 en 11/01636, ECLI:NL:RBARN:2012:BV2902 («de» tipgeverszaak):

De rechtbank wijst het verzoek van de inspecteur af om beperkte kennisneming van het contract met een tipgever en diens verklaring in het zogenoemde «Project Derde Categorie». Ook processen-verbaal en ambtsedige verklaringen met betrekking tot gesprekken met de tipgever dienen openbaar te worden gemaakt. Het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van het plan van aanpak, het memo «Tipgever Luxemburg» en de PowerPoint presentatie dienaangaande alsmede vaktechnische memo's over het onderwerp wordt toegewezen.

Het opvolgen van deze uitspraak zou betekenen dat de identiteit van de tipgever wordt prijsgegeven.

Geheimhoudingskamer Rechtbank Gelderland 15 januari 2014, nr. 12/06179, ECLI:NL:RBGEL:2014:143:

De rechtbank wijst het verzoek van de inspecteur tot geheimhouding van de identiteit van de tipgever in de zin van artikel 8:29 Awb toe. Het verzoek van de inspecteur tot beperkte kennisneming van de stukken die zien op het zogenoemde «Project Derde Categorie» wordt eveneens toegewezen.

Hiermee is het volledige verzoek toegewezen. De identiteit van de tipgever blijft dus beschermd.

Geheimhoudingskamer Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 januari 2013, nr. 12/01430, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ3190:

De inspecteur heeft aan de rechtbank stukken overgelegd die zien op het zogenaamde project «Derde categorie» en daarbij een beroep op geheimhouding in de zin van artikel 8:29 van de Awb gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank draagt in een tussenuitspraak de inspecteur op enkele gedeelten van de stukken alsnog openbaar te maken. Voor het overgrote gedeelte is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het beroep op beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

De identiteit van de tipgever blijft beschermd.

Geheimhoudingskamer Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 februari 2016, nr. 15/02273, ECLI:NL:RBZWB:2016:561:

De rechtbank bepaalt dat een deel van de door de tipgever aan de Belastingdienst verstrekte stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in de zin van artikel 8:42 Awb. Het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van stukken wordt toegewezen, met uitzondering van gedeelten van het contract met de tipgever en gedeelten van een tweetal ambtsedige verklaringen.

De identiteit van de tipgever blijft beschermd.

Vraag 12

Hoe heeft de rechter het feit gewogen dat niet het hele contract met de tipgever beschikbaar was door het weglakken van enkele passages?

Antwoord

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8 van de leden van de fractie van de VVD. Hieraan wil ik nog toevoegen dat de Hoge Raad specifiek over de door het hof vermeende onzekerheid over de betrouwbaarheid van de tipgever (als gevolg van het niet vrijgeven van bepaalde onderdelen van het contract) heeft geoordeeld dat dit enkele feit niet zonder meer tot vernietiging van de aanslagen leidt.

Vraag 13

Welke andere juridische procedures hebben er gelopen rondom of in relatie met deze tipgever voor zwartspaarders?

Antwoord

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 februari 2014, nr. 14/00615, ECLI:NL:RBZWB:2014:618

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 05 februari 2014, nr. 13/6821, ECLI:NL:RBZWB:2014:609 (verzoek voorlopige voorziening)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 februari 2015, nrs. 14/00683 tot en met 14/00691, ECLI:NL:GHSHE:2015:626

Hoge Raad 25 maart 2016, nr. 15/01642, ECLI:NL:HR:2016:485:

Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting opgelegd, met 100% boete en is een informatiebeschikking gegeven in verband met (vermeende) buitenlandse bankrekeningen. De correcties zijn gebaseerd op informatie van een tipgever. Belanghebbende is in kort geding veroordeeld informatie te geven over zijn buitenlandse bankrekeningen. Hij heeft dat niet gedaan. De rechtbank verklaart het beroep wegens niet tijdig doen van uitspraak ongegrond. De vertraging bij het doen van uitspraken op bezwaar kan aan belanghebbende worden toegerekend, zodat de termijn voor het doen van uitspraken op bezwaar van rechtswege is opgeschort. Toen belanghebbende de inspecteur in gebreke stelde, was de termijn voor het doen van uitspraken op bezwaar dus nog niet verstreken, zodat het beroep niet-ontvankelijk is.

De rechtbank wijst tevens het verzoek van belanghebbende af om de inspecteur op straffe van dwangsom te bevelen alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken.

Het hof geeft in hoger beroep belanghebbende gelijk. De Inspecteur heeft geen goede gronden om de uitspraken op de bezwaren – voor onbepaalde tijd – aan te houden en later dan na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken uitspraak te doen. De Inspecteur is een dwangsom verschuldigd. Daarnaast bepaalt het hof, dat de Inspecteur alsnog binnen twee weken de uitspraken op de bezwaren moet doen. Als de Inspecteur dit niet doet kan hij een dwangsom verschuldigd worden van maximaal € 1.620.000. De inspecteur heeft binnen genoemde twee weken alsnog de uitspraken op bezwaar gedaan.

De Hoge Raad bevestigt in cassatie het oordeel van het hof, behoudens op het punt van het aantal dwangsommen:voor het bepalen van de dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar gelden de op één biljet vermelde beslissingen op de bezwaren tegen de (navorderings)aanslag, tegen de vergrijpboete en tegen de belastingrente als één beschikking.

Rechtbank ’s-Gravenhage (Civiele Kamer), 3 april 2012, nr. 414044 – KG ZA 12/204, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0703

Gerechtshof ’s-Gravenhage 24 april 2012, nr. 200.104.848/01, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4595

Hoge Raad, 25 oktober 2013, nr. 12/03379, ECLI:NL:HR:2013:1042

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 februari 2015, nr. HD 200.146.443/01, ECLI:NL:GHSHE:2015:454

Gerechtshof Den Haag 3 november 2015, nr. 200.176.541/01, ECLI:NL:GHDHA:2015:2987 (executiegeschil; hoger beroep tegen Rechtbank Den Haag 21 juli 2015, nr. C-09–488954-KG ZA 15–701; verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging afwijzend vonnis voorzieningenrechter) en 10 mei 2016, eveneens nr. 200.176.541/01 – nog – niet gepubliceerd; verzoek tot vernietiging vonnis voorzieningenrechter)

Gerechtshof Den Haag 26 januari 2016, nr. 200.170.127/01, ECLI:NL:GHDHA:2016:123 (executiegeschil; hoger beroep tegen Rechtbank Den Haag 9 april 2015, nr. C-09–482386- KG ZA 15–157, ECLI:NL:RBDHA:2015:4916):

Belastingplichtigen vorderen – in kort geding – vrijgave van geheimgehouden (passages uit) stukken waaruit de identiteit van de tipgever, alsmede diens betrouwbaarheid kan worden afgeleid, waarbij zij zich baseren op een uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Arnhem in een vrijwel identieke zaak. Daarbij is het verzoek van de Belastingdienst tot beperkte kennisneming ex artikel 8:29 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor wat betreft de door die belastingplichtigen gewenste stukken afgewezen. De vordering wordt afgewezen omdat uit de uitspraak van de geheimhoudingskamer geen absolute gehoudenheid van de Belastingdienst voortvloeit om de betreffende (passages uit de) stukken openbaar te maken. De Belastingdienst kan er voor kiezen om die passages/stukken niet in de (belasting)bodemzaak over te leggen, waarna het aan de belastingrechter is om daaraan de gevolgen te verbinden die hem geraden voorkomen. Onder die omstandigheid past het niet dat de civiele rechter de Belastingdienst op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht om de geheimgehouden passages te openbaren. In reconventie is ten aanzien van twee van de vier eisers de vordering van de Belastingdienst tot nakoming van hun informatieplicht ex artikel 47 lid 1 AWR onder een dwangsom toegewezen.

Het hof bevestigt in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank.

De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof met dien verstande dat voor zover in reconventie gegeven veroordelingen betrekking hebben op materiaal waarvan het bestaan van de wil van eisers afhankelijk is, dit materiaal zal worden verstrekt met de restrictie dat het slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

Aangezien één van de eisers (nog steeds) niet aan zijn informatieplicht voldeed eiste de Belastingdienst in kort geding een hogere dwangsom. Deze is toegewezen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant (uitspraak niet gepubliceerd).

Op het hoger beroep van de belastingplichtige besliste het hof conform het oordeel van de rechtbank. Belanghebbende heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld.

Tevens hebben twee van de eisers in kort geding de tenuitvoerlegging van het arrest van de Hoge Raad bestreden. Beide eisen zijn door het hof Den Haag afgewezen.

Procedure over een Wob-verzoek. De Minister van Financiën heeft aan eiser een contract tussen de Belastingdienst en een tipgever van 16 september 2009 verstrekt waarin de identiteit van de tipgever en een groot aantal passages onleesbaar zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister van Financiën in redelijkheid kunnen beslissen om het economische belang van de Staat te laten prevaleren boven het algemene belang van openbaarheid en zodoende het verzoek tot (verdere) openbaarmaking van het contract kunnen weigeren.

De Raad van State heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Rechtbank Gelderland, 25 februari 2016, nr. 13/06411, ECLI:NL:RBGEL:2016:981:

Navorderingsaanslagen IB/PVV en VB over buitenlandse tegoeden als gevolg van informatie van tipgever. De inspecteur heeft zich ten aanzien van een aantal stukken van het geding op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb beroepen en slechts geschoonde versies overgelegd. Belanghebbende heeft verzocht om openbaarmaking van de stukken. De rechtbank gaat ervan uit dat de inspecteur, ook indien de rechtbank van oordeel is dat de stukken openbaar dienen te worden gemaakt, de stukken niet openbaar zal maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de weigering van de inspecteur om de betreffende stukken in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de overige gegevens waarover de rechtbank beschikt, heeft de rechtbank de betreffende gegevens voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende door de weigering van de inspecteur om de betreffende gegevens te verstrekken in zijn procesbelangen is geschaad. De vraag of de inspecteur zich op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb kan beroepen, behoeft derhalve geen beantwoording.

Rechtbank ’s-Gravenhage 20 november 2009, nr. 351983 / KG ZA 09–1547, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK3928:

De rechtbank oordeelde in kort geding dat een uitlating van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën De Jager over eiser in het televisieprogramma «De Wereld Draait Door» onrechtmatig was. De voorzieningenrechter gebiedt de Staat/het Ministerie van Financiën de gedane uitlating dat mr. drs. S. Bharatsingh in de krant schrijft dat hij dit soort zwartspaarders adviseert in sommige gevallen om gewoon illegaal te blijven werken, te rectificeren.

Voor de volledigheid ook «de» tipgeverszaak:

Rechtbank Arnhem, 22 maart 2011, nrs. 11/00322 en 11/00324, ECLI:NL:RBARN:2011:BP8580 (verzoek om voorlopige voorziening)

Rechtbank Arnhem, 02 oktober 2012, nrs. 11/01635, 11/01636, 11/03379 tot en met 11/03385, 11/03387, 11/03389, 11/03392 en 11/03394 e.a., ECLI:NL:RBARN:2012:BX9429 (Wrakingszaak)

Rechtbank Gelderland 6 juni 2013, nrs. 11/01 635, 11/01636, 11/03379, enz., ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1888

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 februari 2015, nrs. 13/00748 tot en met 13/00760 , ECLI:NL:GHARL:2015:645

Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600:

Voorlopige voorziening: De inspecteur dient alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Verzoeker heeft een fundamenteel belang bij een tijdige en volledige informatieverstrekking. Dit is niet mogelijk zonder volledige inzage in alle relevante stukken, waaronder ook – nu sprake is van het opleggen van boetes – voor verzoeker ontlastende informatie en stukken. Dit geldt ook voor de bezwaarfase, die een volledige heroverweging van de primaire besluitvorming impliceert en dus een volledig en volwaardig debat tussen verzoeker en de inspecteur. Dit debat zou illusoir worden indien verzoeker pas in de beroepsfase de beschikking zou krijgen over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Verzoek wordt toegewezen.

Wrakingszaak: Belanghebbende heeft (tijdig) een wrakingsverzoek gedaan. Het verzoek houdt verband met de beslissing van de rechtbank om vooralsnog geen getuigen op te roepen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een beslissing die de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven kan rechtvaardigen. Wrakingsverzoek afgewezen.

Rechtbank: Navorderingsaanslagen IB/PVV en VB. Geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan de weigering van de inspecteur om ongeschoonde versies van stukken met betrekking tot de tipgever te overleggen (8:31 Awb). Rechtmatigheid van het bewijs. Gebruik van gegevens van tipgever toelaatbaar. Verkrijging van gegevens niet door de inspecteur geïnitieerd of gefaciliteerd. Dat de tipgever een vergoeding ontvangt doet daaraan niet af, nu het informatie betreft die in de aangifte had dienen te worden verstrekt en deze informatie niet op andere wijze kon worden verkregen. De gegevens worden betrouwbaar geacht, de rechtbank acht het niet nodig tipgever en/of FIOD-ambtenaren te horen.

Hof: De inspecteur voldoet niet aan de verplichting de naam van de tipgever bekend te maken. Het hof vernietigt daarom de belastingaanslagen. Proceskostenvergoeding van € 75.000.

Hoge Raad: De inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen over wie de tipgever informatie had gegeven, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Ook is in geen enkel geval gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is. De belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld. In het licht van deze feiten en de door de inspecteur gedane toezegging, hoeft de onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever niet zonder meer tot vernietiging van de bestreden belastingaanslagen te leiden. De Hoge Raad merkt daarbij op dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, niet kunnen worden gedwongen om informatie prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. De getuigen waren dus niet verplicht om de naam van de tipgever bekend te maken.

Ook de proceskostenvergoeding van € 75.000 kan niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof.

De passages uit het contract die zijn vrijgegeven naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 zijn voor belanghebbenden aanleiding geweest een verzoek om herziening van het arrest van 18 december 2015 bij de Hoge Raad in te dienen. Naar de mening van belanghebbenden zouden deze passages, indien zij bekend waren geweest bij de rechter, tot een andere uitspraak hebben geleid. Het team Cassatie van het departement is inmiddels, daartoe uitgenodigd door de Hoge Raad, bezig met een reactie richting Hoge Raad.

Vraag 14

Hoeveel geld van zwartspaarders is er opgespoord met behulp van de tipgever? En hoeveel extra inkomsten heeft dit uiteindelijk opgeleverd?

Antwoord

Het totale vermogen uit de informatie bedroeg € 33.272.601.

In totaal zijn aanslagen opgelegd tot een totaalbedrag van € 6.937.178 aan enkelvoudige belasting plus € 2.131.205 aan heffingsrente.

Het totale bedrag aan opgelegde boeten bedraagt € 1.629.756.

Vraag 15

Welke juridische procedures lopen er nog rondom de desbetreffende tipgever dan wel als gevolg van deze zaak, naast de procedure die door de Hoge Raad is terug verwezen naar de rechtbank/Hof in Den Bosch en het strafrechtelijk onderzoek naar het mogelijk illegaal instrueren van FIOD-getuigen?

Antwoord

Naast de procedure die door de Hoge Raad is verwezen naar het hof te ’s Hertogenbosch lopen thans nog de volgende fiscale procedures:

  • 2 procedures bij de rechtbank Gelderland;

  • 3 procedures bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant;

  • 1 pro forma hoger beroep van belanghebbende bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;

  • 2 uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarvan de hoger beroepstermijn nog niet verstreken is.

Volledigheidshalve merk ik op dat niet in alle gevallen sprake is van een ontkenning rekeninghouder te zijn, maar dat (met name) ook wordt geprocedeerd over formele aspecten.

Daarnaast speelt nog het verzoek om herziening, genoemd in het antwoord op vraag 13 van de leden van de fractie van de VVD.

Vraag 16

Welk gevolg heeft het eventueel wel openbaar maken van de naam van tipgevers op de effectiviteit van de aanpak van zwartspaarders?

Antwoord

De aanpak van zwartspaarders met inzet van de (afbouw van de) inkeerregeling, via het buitenland verkregen cd’s en dvd’s met gegevens over zwartspaarders en via de tipgever is de afgelopen jaren succesvol gebleken. Er is sinds 2009 al bijna voor 10 miljard aan zwart vermogen ingekeerd en dat heeft meer dan 1,7 miljard aan opbrengsten (belasting, rente en boete) gegenereerd. De ervaren pakkans, de hoogte van de boete en de maatschappelijke norm inzake zwart geld zijn belangrijke succesfactoren bij de aanpak van zwartspaarders. Het openbaar maken van de naam van tipgevers zal een deel van de potentiële tipgevers die anoniem willen blijven, doen afhaken.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

Vraag 1

De leden van de PvdA-fractie spreken de wens uit de rechtsgang niet in de weg te willen zitten, temeer omdat de advocaat van de zwartspaarders uitgesproken heeft een herzieningsverzoek in te dienen bij de Hoge Raad. Zij vragen zich af welke obstakels er vanuit dat oogpunt zijn voor een open debat over deze kwestie?

Antwoord

Er zijn nog verschillende procedures onder de rechter van zwartspaarders die met behulp van de tipgever zijn opgespoord. Om die reden is enige terughoudendheid van mijn kant gepast en geboden. In dit verband wijs ik op mijn antwoord op vraag 4 van de leden van de fractie van de PvdA met betrekking tot de argumenten van de advocaat van de zwartspaarders, zoals in Nieuwsuur geuit. Wel voel ik mij vrij om het beeld weg te nemen dat door de uitzending van Nieuwsuur is ontstaan als zou er een tegenstelling bestaan tussen wat in het contract staat (namelijk geen garantie op anonimiteit en de verplichting te moeten getuigen) en de uitlatingen tot nu toe van de zijde van de overheid en als zou de rechterlijke macht zijn misleid door de Belastingdienst.

Vraag 2

De leden van de PvdA-fractie vragen of in de brief nader kan worden ingegaan op de noodzaak van het zwartlakken in de betreffende stukken. Is in de afweging om passages zwart te lakken naast het belang van de tipgever ook het publieke belang gewogen dat van zwartlakken een boodschap uit gaat van politieke/ambtelijke afkeer van transparantie naar de samenleving?

Antwoord

De Belastingdienst treedt zo transparant mogelijk richting de samenleving op. Uitgangspunt is dan ook dat van de mogelijkheid die artikel 8:29 Awb geeft om stukken niet over te leggen dan wel uitsluitend aan de rechter te verstrekken zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt. Per passage in de van de tipgever afkomstige stukken, is vervolgens bekeken of de passage ingebracht kon worden in de fiscale procedure of dat er dermate gewichtige redenen waren dat de passage alleen aan de rechter ter kennis mocht worden gebracht.

Na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016, tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, waaruit immers volgt dat de identiteit van de tipgever beschermd kan blijven, heeft de Belastingdienst een aantal passages «ontlakt».

Vraag 3

Welke argumenten gaven in deze afweging de doorslag? De leden vragen daarbij nader in te gaan op de verhouding van deze zaak tot mogelijke toekomstige vergelijkbare zaken.

Antwoord

Allereerst is van belang om op te merken dat een fiscale procedure weliswaar niet openbaar is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat belastingplichtigen of hun adviseur de verstrekte stukken vervolgens wel openbaar maken. Gelet hierop en op de zorgplicht die de Staat heeft tegenover de tipgever alsmede de signalen die er waren dat hij een aanzienlijk risico liep, zijn de passages die de identiteit van de tipgever prijsgeven zwart gelakt. In verband met hun recht op privacy zijn passages waarin informatie staat over individuele ambtenaren gelakt. Informatie over methoden en werkwijzen van de Belastingdienst zijn weggelakt alsmede passages die inzicht verschaffen in de jaren waarop de informatie van de tipgever betrekking heeft. De doorslaggevende argumenten hiervoor zijn dat deze informatie de controlestrategie van de Belastingdienst raakt en dat calculerend gedrag van zwartspaarders moet worden voorkomen. Bovendien is het staatsbelang er niet mee gediend wanneer toekomstige tipgevers worden afgeschrikt. Dit geldt evenzeer voor passages die aanleiding kunnen zijn om premiejagers aan te trekken.

Ten aanzien van mogelijk toekomstige vergelijkbare zaken zou de keuze voor het weglakken van passages die toekomstige tipgevers kunnen afschrikken, wellicht anders kunnen uitpakken. Hiervoor is dan wel nodig dat onomstotelijk komt vast te staan dat de Belastingdienst de anonimiteit van een tipgever kan garanderen, ook tijdens een getuigenverhoor.

Vraag 4

De leden van de PvdA-fractie vragen tenslotte het kabinet uitgebreid en puntsgewijs in te gaan op de argumenten die door de advocaat van de zwartspaarders alsmede vertegenwoordigers van de rechtspraak en hoogleraren staatsrecht zijn genoemd in de uitzending van Nieuwsuur en volgens welke de staat niet zuiver of zelfs onrechtmatig zou hebben gehandeld.

Antwoord

Nu nog zaken onder de rechter zijn vind ik het niet gepast en gewenst op de argumenten van de advocaat van de zwartspaarders in te gaan. De discussie met de advocaat zal bij de rechtbank en het gerechtshof door de inspecteur en bij de Hoge Raad door mijn team cassatie worden gevoerd.

In de uitzending van Nieuwsuur zijn enkele quotes van professor Bovend’Eert, hoogleraar staatsrecht aan de Radbouduniversiteit, uitgezonden. Ik heb zijn opmerkingen zo geduid dat uitgaande van een aantal premissen (tegenstelling en misleiding) er sprake is van onbehoorlijk handelen door de overheid. Zoals ik in mijn begeleidende brief aan uw Kamer aangeef, is er geen sprake van een tegenstelling tussen wat in het contract staat en mededelingen van de zijde van de overheid hierover en ook is de rechterlijke macht niet misleid. In de uitzending kwam overigens niet aan bod dat de inspecteur volgens het wettelijk systeem van de Awb de mogelijkheid heeft om wegens gewichtige redenen bepaalde stukken in weerwil van de beslissing van de geheimhoudingskamer niet te overleggen. Daarbij wordt wel een procesrisico – in het nadeel van de Belastingdienst – gelopen. Op basis van artikel 8:31 Awb mag de rechter in dat geval de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De rechter moet daarbij wel alle omstandigheden van het geval meewegen.

Op de reactie van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ga ik in bij mijn antwoord op vraag 24 van de leden van de fractie van D66.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

Vraag 1

De leden van de CDA-fractie vinden het zeer belangrijk dat de regering alle legale mogelijkheden gebruikt om belastingontduiking op te sporen en de ontduikers (navorderings)aanslagen, boeten en andere straffen op te leggen. Deze mensen en bedrijven hebben immers de Nederlandse wet overtreden, die door de wetgevers, regering en parlement is voorgesteld en goedgekeurd. Bij de opsporing en vervolging van belastingontduiking dienen de Belastingdienst, de FIOD-ECD en het OM over voldoende mogelijkheden en middelen te beschikken.

De eerste vraag van deze leden is dan ook of deze instanties over voldoende mogelijkheden en middelen beschikken op dit moment.

Indien het kabinet van mening is dat dat niet het geval is, kan zij dan aangeven welke middelen en mogelijkheden zij nodig heeft om belastingontduiking moeilijker te maken, beter op te sporen en te bestraffen.

Antwoord

Met de leden van de CDA-fractie ben ik van mening dat de Belastingdienst en opsporingsinstanties over voldoende mogelijkheden moeten beschikken om de fiscale wet- en regelgeving te handhaven. Deze instanties staat reeds een arsenaal aan handhavingsmiddelen ter beschikking.

Mede gelet op recente ontwikkelingen klinkt de roep om belastingontduiking tegen te gaan en aan te pakken steeds luider. In dit kader zal nauwgezet worden bezien of het genoemde arsenaal ten aanzien van de Belastingdienst afdoende is.

Vraag 2

In een rechtsstaat dient de overheid zich aan de wetten te houden. De overheid heeft zowel een monopolie op belastingheffing als op geweld. Zij dient zich correct te gedragen ten opzichte van haar burgers. De aantijgingen en de aangifte die bijvoorbeeld gedaan zijn door de president van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn dan ook zeer serieus. Wanneer een president van een hof het handelen van de overheidsdienaren in een rechtbank schokkend noemt en in 2014 zelfs namens het Hof aangifte gedaan heeft tegen het Ministerie van Financiën wegens het beïnvloeden van getuigen, is er sprake van een ernstige zaak. Het feit dat deze aangifte eerder dit jaar is ingetrokken betekent nog niet dat de zaak minder ernstig geworden is. Integendeel, de reden voor formele intrekking was juist gelegen in het de uitkomst van de procedure bij de Hoge Raad. De feiten, zoals ze gepresenteerd zijn in de uitzending van Nieuwsuur van 25 april 2016, werpen namelijk een nieuw licht op deze zaak. In de ogen van de leden van de CDA-fractie heeft de Staatssecretaris deze zaak eerder gebagatelliseerd. Toen de leden van de CDA-fractie op 8 december 2014 vroegen: «Deelt u de mening dat dit [de aangifte van het Hof Arnhem-Leeuwarden tegen het Ministerie van Financiën] een zeer ernstige zaak is en dat u hierover de Kamer zo spoedig mogelijk had moeten informeren, zeker gezien het feit dat de Belastingdienst wel uitgebreid in de pers op deze zaak reageerde?» kregen zij het antwoord «Er lopen vrijwel continu gerechtelijke procedures tussen de Belastingdienst en belastingplichtigen waarbij het de gewoonte is dat ik de Kamer niet per geval informeer. Ik beoordeel deze casus dan ook niet als een casus welke proactief had moeten worden gemeld.» (Aanhangsel bij de handelingen 892, 2014/2015). Deze leden vinden dit niet getuigen van een groot rechtsstatelijk besef. Hoe kijkt de Staatssecretaris nu op dit antwoord terug?

Antwoord

Ik heb de vraag destijds naar eer en geweten beantwoord, zoals ik dat met alle vragen van uw Kamer doe. Ik heb daar niets aan toe te voegen.

Het contract met de tipgever

Vraag 3

De leden van de CDA-fractie ontvangen graag het gehele contract van de Belastingdienst met de tipgever, waarbij alleen de namen van personen en persoonskenmerken zwart zijn gemaakt. Is dit het enige contract met deze tipgever? Zo nee, kan de Tweede Kamer dan alle contracten ontvangen?

Antwoord

Dit is het enige contract. Het contract kan ik niet verder openbaar maken dan de geschoonde versie die thans in fiscale procedures wordt gebruikt. Dit houdt verband met de redenen, vermeld bij de weggelakte passages in het contract.

Voor de betekenis van de daarbij gebruikte codes verwijs ik naar het antwoord op vraag 5 van de leden van de fractie van de VVD.

Ik wijs ook nog op de uitspraak van de Raad van State van 11 september 2013, nr. 201206154/1/A3, ECLI:NL:RVS:2013:1058. In deze uitspraak werd de weigering van de Minister van Financiën om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur het contract openbaar te maken, bevestigd. Een samenvatting van deze procedure is opgenomen in het antwoord op vraag 13 van de leden van de fractie van de VVD.

Vraag 4

In de uitzending van Nieuwsuur bleek dat er in dat contract twee passages staan, die zwart gemaakt waren voor de rechtbank, het Hof en de Hoge Raad. Onder andere de volgende passage: «dat de tipgever in de gesprekken met de Belastingdienst heeft aangegeven anoniem te willen blijven maar dat de Belastingdienst heeft aangegeven dat op dit punt geen garanties worden verstrekt dat de tipgever ondanks het ontbreken van een garantie van anonimiteit bereid is de informatie waarover hij beschikt tegen een vergoeding aan de Belastingdienst over te dragen»

Deelt de Staatssecretaris de mening dat uit dit contract klip en klaar blijkt dat anonimiteit geen voorwaarde was voor het sluiten van deze overeenkomst?

Antwoord

Anonimiteit was wel degelijk voor de tipgever een belangrijke voorwaarde voor het sluiten van het contract. Absolute garantie op anonimiteit is niet mogelijk. Ook buiten de schuld van de Belastingdienst zou de identiteit van de tipgever bekend kunnen raken. Deze garantie heeft de Belastingdienst dan ook nooit gegeven. Wel heeft de Belastingdienst toegezegd zich tot het uiterste in te spannen om de identiteit van de tipgever geheim te houden. Dit is met de tipgever besproken en was voor hem voldoende om toch de informatie over te dragen. Dit is ook in de geciteerde considerans van het contract opgenomen.

Vraag 5

De Staatssecretaris stelt dat het vast beleid is dat de identiteit van tipgevers niet bekend wordt gemaakt. Volgens de Staatssecretaris staat dit als zodanig verankerd in de overeenkomst. Waaruit blijkt dit uitgangspunt in de genoemde overeenkomst, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Hoe is met dit uitgangspunt te rijmen dat in de overeenkomst met zoveel woorden is vastgelegd dat (1) de Belastingdienst geen garantie kan verstrekken inzake anonimiteit van de tipgever (pagina 1 overeenkomst) en dat (2) de tipgever verplicht is medewerking te verlenen als getuige in juridische procedures en voor verhoren ten overstaan van rechterlijke autoriteiten? Impliceert deze overeenkomst naar de inhoud en strekking dat het beleid van de Belastingdienst inzake anonimiteit van de tipgever niet meer inhoudt dan dat de identiteit van de tipgever niet bekend wordt gemaakt, voor zover de tipgever niet verplicht is om in een juridische procedure geen verklaringen af te leggen?

De Staatssecretaris stelt dat de Belastingdienst bij het maken van de overeenkomst ultiem moet duidelijk maken dat absolute garanties inzake anonimiteit niet bestaan. «Immers dingen kunnen uitlekken of er kunnen procedurefouten gemaakt worden», zo stelt de Staatssecretaris. Waaruit leidt de Staatssecretaris blijkens de tekst van de overeenkomst af dat alleen met het oog op dergelijke bijzondere situaties geen garantie van anonimiteit is gegeven? Hoe is met dit standpunt van de Staatssecretaris te rijmen dat volgens de tekst van de overeenkomst de tipgever niet slechts ingeval van voornoemde «calamiteiten», maar zonder meer – in het algemeen – gehouden is medewerking te verlenen aan zijn verhoor als getuige in het kader van een juridische procedure die betrekking heeft de heffing van belasting ten aanzien van buitenlands vermogen?

Antwoord

Het contract met de tipgever is een civielrechtelijke overeenkomst. Voor de uitleg van een civielrechtelijke overeenkomst is niet uitsluitend de puur taalkundige uitleg van belang maar vooral de bedoeling van partijen. De bedoeling van de Belastingdienst was en is om de identiteit zo lang mogelijk geheim te houden.

Ik verwijs in dit verband naar de opmerking van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën De Jager in de uitzending van De Wereld Draait Door van 5 november 2009:

«We hebben besloten om zo lang als mogelijk de identiteit van deze meneer ook zoveel mogelijk geheim te houden...»

De Belastingdienst heeft zich steeds in lijn met deze opmerking uitgelaten.

Ik wijs in dit verband ook op de brief van de Staatssecretaris Weekers van 13 februari 2012 op een vraag van het lid Omtzigt (TK 2011–2012, 31 066, nr. 119). In antwoord op vragen van de leden van Klaveren en Bontes heb ik deze nog een keer aangehaald in mijn brief van 18 december 2014, waarin staat:

«De beleidslijn houdt in dat de Belastingdienst zich ten doel stelt de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken.»

Artikel 2, eerste lid, van het contract regelt de inspanningsverplichting die de Belastingdienst op zich neemt dat de identiteit van de tipgever niet openbaar wordt. De frase «voor zover redelijkerwijze feitelijk en rechtens mogelijk» benadrukt enerzijds nog een keer dat het geen absolute garantie op anonimiteit is die wordt afgegeven en anderzijds dat de Belastingdienst alles wat redelijkerwijs mogelijk is zal doen om de anonimiteit van de tipgever te borgen. Deze frase is op te vatten als een algemene disclaimer. Het is op voorhand niet te zeggen wanneer sprake is van onvoorziene feiten en omstandigheden.

Overigens hoeft de identiteit van de tipgever niet per definitie te worden prijsgegeven als de situatie zich voor mocht doen dat de rechter hem wil horen. De Belastingdienst heeft in verschillende procedures aangeboden om de tipgever anoniem te laten horen.

Vraag 6

Klopt het dat de overeenkomst met de tipgever is getekend door de toenmalig DG op het Ministerie van Financiën?

Vraag 7

Klopt het dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten op het Ministerie van Financiën nu plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de voormalige DG Belastingdienst, momenteel als waarnemend DG Rechtspleging en Rechtshandhaving, die zelf de overeenkomst getekend heeft?

Vraag 8

Vindt de Staatssecretaris het een probleem dat de toenmalige DG Belastingdienst nu verantwoordelijk is voor een dossier waarin hij mogelijk zelf als verdachte kan worden aangemerkt?

Antwoord op de vragen 6 tot en met 8

De overeenkomst is in september 2009 gesloten tussen de Belastingdienst en de tipgever. Deze overeenkomst is ondertekend door de toenmalig Directeur-Generaal Belastingdienst. De toenmalig Directeur-Generaal Belastingdienst is thans werkzaam als waarnemend Directeur-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (DGRR) bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Momenteel doet het OM onderzoek naar aanleiding van de aangifte die de President van het Hof Arnhem-Leeuwarden in november 2014 heeft gedaan. Die aangifte betrof de vermeende beïnvloeding van twee ambtenaren die als getuigen hebben verklaard in de procedure van een vermeende zwartspaarder. Het is aan het OM te beslissen of op basis van de uitkomsten van dit onderzoek tot vervolging wordt overgegaan. De waarnemend DGRR van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft met die beslissing geen bemoeienis.

De reden voor zwartmaken van het contract

Vraag 9

De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering een lijst op te stellen met elke passage in het contract die is zwartgemaakt en per passage de reden die de rechtbank gehad heeft om die passage geheim te houden. Verder verzoeken de leden van de CDA-fractie een toelichting per passage wanneer de code voor geheimhouding (zoals F) niet onmiddellijk duidelijk is en strookt met de zwartgemaakte tekst.

Antwoord

Zowel het contract dat aan de verschillende rechters is verstrekt voorafgaand aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016, als het contract met minder geschoonde passages naar aanleiding van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt aan u als bijlage meegezonden. Bij de verschillende passages in de contracten staan de redenen opgenomen zoals deze in het antwoord op vraag 5 van de leden van de fractie van de VVD zijn aangegeven en toegelicht. Ik verwijs tevens naar het gedeelte van de begeleidende brief «Waarom zijn er passages in het contract weggelakt?».

Vraag 10

De leden van de fractie van het CDA vernemen graag van de Staatssecretaris of hij vindt dat voor elke passage die is zwartgemaakt een juiste en geldige reden gegeven is.

Antwoord

De redenen die zijn gegeven op het moment van zwart maken zijn naar mijn mening juist en geldig. Dit neemt niet weg dat er inmiddels enige tijd is verstreken en er nieuwe inzichten en jurisprudentie zijn, waardoor de afweging, en daaraan gekoppeld een reden, om zwart te maken anders kan uitvallen en ook al anders is uitgevallen na het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 en de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016.

Vraag 11

Met name verzoeken deze leden om een uitgebreide toelichting op welke wijze code F (staatsbelang c.q. financieel belang van de Staat) een reden kan zijn om de passage over anonimiteit zwart te maken.

Antwoord

Op enkele plaatsen in het contract zijn passages die betrekking hebben op de economische en financiële belangen van de Staat (F) weggelakt. Zo ook bij de passage waarin de Belastingdienst aangeeft geen garantie op anonimiteit te kunnen verstrekken. Deze bepaling is opgenomen, omdat een absolute garantie op anonimiteit niet bestaat. Immers, dingen kunnen uitlekken of er kunnen procedurefouten worden gemaakt. In dit specifieke geval bestond er ook nog de onduidelijkheid of de Hoge Raad belastingaanslagen die zijn opgelegd op basis van informatie van een anonieme tipgever in stand zou laten. Om toekomstige tipgevers hiermee niet af te schrikken is deze passage weggelakt. Ook de passage dat de tipgever verklaart mee te werken aan een getuigenverhoor is gelet op de economische en financiële belangen van de Staat weggelakt.

Door het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 werd duidelijk dat het enkele feit dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever niet wilde vrijgeven, niet meebracht dat de aanslagen werden vernietigd. Aangezien hiermee de kans dat toekomstige tipgevers worden afgeschrikt aanzienlijk is verkleind, is de passage over het niet kunnen garanderen van anonimiteit inmiddels niet meer weggelakt.

Vraag 12

Nieuwsuur meldt op haar website: «De identiteit van de tipgever kon niet worden bekendgemaakt vanwege veiligheidsredenen». De leden van de CDA-fractie begrijpen de redenering die daaraan ten grondslag ligt en gaan er zonder tegenbericht vanuit dat de Belastingdienst dit ook zo heeft meegedeeld aan Nieuwsuur. Er is echter een procedure in de Geheimhoudingskamer gevoerd over de identiteit van de tipgever (ECLI:NL:RBARN:2012:BV2902). In de uitspraak staat onder punt 14: «14. Ten aanzien van de naam van de tipgever beroept verweerder [de Belastingdienst] zich uitsluitend op het belang van diens privacy...». De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet uit te leggen waarom veiligheidsredenen niet zijn ingebracht als redenen voor geheimhouding van de identiteit van de tipgever, toen dit aan de orde was in de Geheimhoudingskamer en waarom de mogelijke gevolgen voor andere potentiele tipgevers niet aan de orde gekomen zijn.

Antwoord

In onderdeel 16 van de genoemde uitspraak overwoog de geheimhoudingskamer:

Met betrekking tot het belang van privacy voor de tipgever overweegt de rechtbank als volgt. De enkele stelling dat een aanmerkelijke kans aanwezig bestaat dat zich bedreigingen en represailles voor zullen doen tegen de tipgever en/of gezins- en familieleden is onvoldoende om reeds daarom een belang bij beperkte kennisneming op die grond aanwezig te achten. Vereist is dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de mogelijkheid van bedreiging en represailles in dit concrete geval aanwezig is. Verweerder heeft dit op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt zodat deze stelling hem niet kan baten.

De Belastingdienst heeft dus wel degelijk veiligheidsredenen naar voren gebracht als onderdeel van de privacy, en de geheimhoudingskamer heeft dat ook als zodanig begrepen, doch niet gehonoreerd. Uit de uitspraak maak ik op dat de mogelijke gevolgen voor potentiële tipgevers niet nadrukkelijk aan de orde zijn gesteld. Dat argument is vermoedelijk aan de aandacht van de inspecteur ontsnapt.

Beroepsmogelijkheid

Vraag 13

De leden van de CDA-fractie merken op dat het Hof de Belastingdienst feitelijk de gelegenheid bood om alsnog het oordeel van de geheimhoudingskamer feitelijk opnieuw te herzien. In paragraaf 4.5 van ECLI:NL:GHARL:2015:645 staat: «4.5. Ter zitting van 11 februari 2014 is aan de Inspecteur gevraagd of hij wenste dat het Hof op de voet van artikel 8:29 van de Awb in hoger beroep opnieuw zou beoordelen of er gewichtige redenen zijn slechts geschoonde stukken over te leggen waarin de naam van de tipgever is verwijderd en aldus de naam van de tipgever niet bekend te maken. Na een schorsing van de zitting, teneinde de Inspecteur gelegenheid te geven voor beraad, heeft de Inspecteur verklaard dat de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Arnhem van 7 februari 2012 in hoger beroep niet wordt aangevochten en dat wordt berust in dit oordeel.»

Indien de geheimhouding van de naam van de tipgever zo belangrijk is, waarom heeft de Belastingdienst de uitspraak van de geheimhoudingskamer tijdens het hoger beroep op uitnodiging van het Hof dan niet aangevochten zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde tekst, zo vragen de leden van de CDA-fractie aan de Staatssecretaris. Immers het kabinet had aan de Kamer meegedeeld dat zij voornemens is de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk geheim te houden. De leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris waarom hij op 8 december 2014 de Kamer geïnformeerd heeft dat de Belastingdienst niet in hoger beroep was gegaan tegen de beslissing van de Geheimhoudingskamer, omdat tegen dit tussenvonnis geen hoger beroep openstond, terwijl het Hof de Belastingdienst ter zitting wel een herkansing heeft geboden.

Antwoord

Op de vraag waarom niet tegen het tussenvonnis in beroep is gegaan heb ik geantwoord dat tegen het tussenvonnis van de geheimhoudingskamer van de rechtbank geen hoger beroep open staat. Uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank in de fiscale hoofdzaak is hoger beroep mogelijk mits er een (financieel) belang is. Dat belang was er niet voor de inspecteur want in de fiscale procedure heeft de Belastingdienst gelijk gekregen. Dat antwoord is juist. Procederen is mensenwerk en mensen maken wel eens fouten. Dat blijkt ook hier. De verklaring van de inspecteur dat de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank in hoger beroep niet werd aangevochten, waarbij van de zijde van de inspecteur ook werd medegedeeld dat het dossier ook na een nieuwe procedure voor een geheimhoudingskamer van het hof niet zou veranderen, is achteraf bezien te kenschetsen als een inschattingsfout. De inspecteur heeft nog geprobeerd dit te herstellen maar het hof is hierin niet meegegaan.

Getuigenissen van ambtenaren

Vraag 14

In 2014 getuigde een van de ambtenaren van de FIOD-ECD, die in contact staat met de tipgever (ECLI:NL:RBZWB:2014:5503): «Ik heb nog contact met de tipgever. Hij is niet ondergebracht bij de CIE. De anonimiteit is gebaseerd op de civielrechtelijke overeenkomst en de AWR voor wat betreft de Belastingdienst zelf. Anonimiteit was één van de voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst. De directeur-generaal Belastingdienst heeft het besluit genomen de overeenkomst met de tipgever te sluiten.»

Hoe verhoudt dit citaat zich met de passage uit het contract «dat de tipgever in de gesprekken met de Belastingdienst heeft aangegeven anoniem te willen blijven maar dat de Belastingdienst heeft aangegeven dat op dit punt geen garanties worden verstrekt».

Antwoord

Voor het antwoord verwijs ik naar het gedeelte van de begeleidende brief «Is er een tegenstelling?».

Vraag 15

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de anonimiteit van de tipgever gebaseerd is op een civielrechtelijke overeenkomst en zo ja, welke civielrechtelijke overeenkomst dat betreft.

Antwoord

Ja. Het gaat hier om het contract met de tipgever.

Instructies aan ambtenaren, die optreden als getuigen

Vraag 16

De leden van de CDA-fractie verzoeken het kabinet een overzicht te geven van alle zaken waarin de Belastingdienst betrokken is en waar belastingambtenaren onder ede gehoor zijn en deze belastingambtenaren instructies gekregen hebben.

Kan de Staatssecretaris per casus aangeven welke instructies de ambtenaren gekregen hebben als getuige en wat daarvoor de beleidslijn is.

Antwoord

De Belastingdienst houdt over het horen van getuigen geen bestuurlijke informatie bij. Het is gebruikelijk dat in gevallen waarin een ambtenaar als getuige moet worden gehoord, de ambtenaar wordt voorgelicht over de gang van zaken tijdens een getuigenverhoor, over de geheimhoudingsplicht die op hem rust, over de bevoegdheid van een getuige om op die geheimhoudingsplicht een beroep te doen en de (on)mogelijkheden om dit in voorkomend geval te doen. Ik verwijs in dit verband naar mijn antwoorden van 18 december 2014 aan uw Kamer op vragen van het lid Omtzigt.

De uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden

Vraag 17

Tijdens het vragenuur van 26 april meldde de Staatssecretaris: «Wij weten allemaal dat het Hof Arnhem-Leeuwarden via allerlei kanalen een andere opvatting heeft geventileerd». De leden van de CDA-fractie zouden graag vernemen op welke opvatting en welke kanalen deze uitspraak van de Staatssecretaris betrekking heeft. Ook vernemen zij graag van de Staatssecretaris of het Hof ook een uitspraak gedaan heeft en waarom hij daar niet naar verwijst.

Antwoord

Mijn uitspraak heeft betrekking op:

  • De aangifte die de president van het gerechtshof bij het Openbaar Ministerie heeft gedaan;

  • Het op deze aangifte gevolgde optreden van de president van het gerechtshof in de uitzending van Nieuwsuur van 28 november 2014, lopende de procedure;

  • De uitspraak van het hof van 3 februari 2015, nrs. 13/00748 tot en met 13/00760, ECLI:NL:GHARL:2015:645;

  • Het persbericht van het hof bij deze uitspraak.

In alle vier de gevallen wordt naar het oordeel van de Hoge Raad de onjuiste rechtsopvatting7 uitgedragen dat de Belastingdienst onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren de naam van de tipgever bekend te maken.

Voorts is er de brief aan de redactie van Nieuwsuur van de president van het hof van 21 april 2016, waarin hij de Belastingdienst bekritiseert.

Vraag 18

Kan de Staatssecretaris verder aangeven of de raadsheren in het Hof de beschikking gehad hebben over het gehele contract met de tipgever?

Antwoord

De raadsheren in het hof hebben de beschikking gehad over het in de bijlage opgenomen contract zoals dat was gelakt tot de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016. De Belastingdienst heeft het hof aangeboden (ten behoeve van een in te stellen geheimhoudingskamer) een ongeschoonde versie van het contract met de tipgever toe te sturen met uitsluitend de naam van de tipgever om veiligheids- en privacybelangen weggelakt. De inspecteur heeft het hof daarbij laten weten ook inzage te willen verlenen in een op dat punt ongeschoonde versie. Het hof heeft in verband met de procesorde geen kennis meer willen nemen van de ongeschoonde versie van het contract.

Vraag 19

Kan de Staatssecretaris elk van de volgende versies van het tipgeverscontract, inclusief de zwartgelakte passages, aan de Kamer doen toekomen:

  • het contract dat de rechtbank onder ogen kreeg;

  • het contact dat het Hof in Arnhem onder ogen kreeg;

  • het contract dat de Hoge Raad onder ogen kreeg;

  • het contact dat de Geheimhoudingskamer te zien kreeg?

Antwoord

Ik verwijs voor alle genoemde gevallen naar het in de bijlage opgenomen contract zoals dat was gelakt tot de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016.

Vraag 20

De leden van de CDA-fractie verzoeken de Staatssecretaris bij elk van deze contracten precies de versies te sturen die de rechters te zien kregen. Ook ontvangen zij graag bij elk van deze versie de reden waarom bepaalde stukken zijn zwartgemaakt.

Antwoord

Zowel het contract dat aan de verschillende rechters is verstrekt voorafgaand aan de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016, als het contract met minder geschoonde passages naar aanleiding van de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant is aan uw Kamer als bijlage meegezonden. Bij de verschillende passages in de contracten staan de redenen opgenomen zoals deze in het antwoord op vraag 5 van de leden van de fractie van de VVD zijn aangegeven en toegelicht.

Vraag 21

De leden van de CDA-fractie zijn verbaasd dat de Belastingdienst bij de juridische procedures bij de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad niet open kaart gespeeld heeft door aan de rechter de integrale inhoud van de overeenkomst te overleggen en daarbij de beleidslijn uit te leggen dat de Belastingdienst nochtans anonimiteit wenst te garanderen?

Antwoord

De Belastingdienst speelt binnen het wettelijk systeem van artikel 8:29 Awb open kaart met de rechterlijke macht. De Belastingdienst heeft zich altijd actief bereid getoond aan de rechterlijke macht het volledige, ongeschoonde contract met daarin uitsluitend om veiligheidsredenen de naam van de tipgever weggelakt te overleggen en om mee te werken aan het anoniem te laten getuigen van de tipgever. Dit is in alle procedures bij geheimhoudingskamers ook daadwerkelijk gebeurd: al die geheimhoudingskamers hebben kennis kunnen nemen van de weggelakte passages. Van het aanbod om de tipgever anoniem te laten getuigen is nooit gebruikt gemaakt.Voorts heeft de Belastingdienst zich steeds actief bereid getoond om de naam van de tipgever vertrouwelijk aan de rechter mee te delen.

Vraag 22

Waarom heeft de Belastingdienst de rechter niet op deze wijze in staat gesteld om in de aanhangige procedures een afweging te maken op basis van de beschikbare feiten, inclusief de volledige tekst van de overeenkomst?

Antwoord

De Belastingdienst heeft zich altijd actief bereid getoond aan de rechterlijke macht het volledige, ongeschoonde contract over te leggen (met daarin om veiligheidsredenen alleen de naam van de tipgever weggelakt) en om mee te werken aan het anoniem te laten getuigen van de tipgever. Wat de Belastingdienst niet wil is dat bepaalde passages uit het contract waaronder de naam van de tipgever bekend raken bij de zwartspaarders of algemeen bekend raken.

Het zwartlakken van passages

Vraag 23

De leden van de CDA-fractie vernemen graag wie het besluit genomen heeft om bepaalde passages in het tipgeverscontract voor een fors deel zwart te lakken voordat zij aan de rechters gestuurd zijn en wie de codes voor de geheimhouding op de stukken heeft aangebracht. De leden van de CDA-fractie vernemen graag voor elk van de instanties dat het contract is ingebracht wie het besluit genomen heeft en wie dat besluit heeft goedgekeurd. Waren de (toenmalige) directeur-generaal van de Belastingdienst en de Staatssecretaris bij elk van de rechterlijke procedures hiervan op de hoogte en hebben zij hiermee ingestemd?

Antwoord

De inspecteur heeft de passages zwart gelakt en van codes voorzien, onder raadpleging van ambtenaren van mijn departement. De (toenmalige) directeur-generaal van de Belastingdienst en de Staatssecretaris zijn niet in de beslissing van de inspecteur betrokken.

De rol van de landsadvocaat

Vraag 24

Klopt het dat de landsadvocaat die betrokken is geweest bij de opstelling van het contract ook de persoon is die gesprekken gevoerd heeft met de ambtenaren die als getuigen opgetreden hebben en hen, volgens een van deze ambtenaren, instructies gegeven heeft? Indien dit dezelfde persoon is, was het dan niet verstandig geweest om een andere advocaat in te schakelen namens de staat?

Antwoord

Een advocaat werkzaam bij het kantoor van de Landsadvocaat die betrokken is geweest bij het opstellen van het contract met de tipgever is vanwege de dossierkennis ingeschakeld bij de belastingprocedure. In antwoord op de vragen van de leden Van Klaveren en Bontes heb ik op 18 december 2014 aan uw Kamer geantwoord dat de getuige de beleidslijn om de tipgever zo lang mogelijk geheim te houden heeft benoemd als instructie.

Ik merk in dit verband op dat de Hoge Raad in het arrest van 18 december 2015 heeft geoordeeld:

«De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling zou van deze werking worden ontdaan indien zou worden aanvaard dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Tot het verstrekken van die informatie kunnen deze getuigen dan ook niet worden gedwongen. ’s Hofs oordeel dat de FIOD-ambtenaren als getuigen verplicht zijn die informatie te verstrekken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.»

Zonder dat de inspecteur vooraf de desbetreffende getuigen inlicht inzake zijn eigen standpunt en de gevolgen die dat standpunt heeft voor de getuigenverklaring is deze overweging onuitvoerbaar (tenzij de getuigen zouden beschikken over een glazen bol). De Hoge Raad oordeelt hier dus impliciet dat de inspecteur de getuigen inlichtingen mag geven.

Vraag 25

De Landsadvocaat heeft tijdens de zitting bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden medegedeeld, dat voor de beslissing dat de identiteit van de tipgever geheim moest blijven, afstemming op het hoogste niveau had plaatsgevonden. Kan de Staatssecretaris deze uitspraak van de Landsadvocaat nader duiden?

Antwoord

In antwoord op de vragen van de leden Van Klaveren en Bontes heb ik op 18 december 2014 aan uw Kamer geantwoord dat met deze opmerking werd gedoeld op de beleidslijn om de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk geheim te houden.

Uitspraak van de Hoge Raad

In december 2015 deed de Hoge Raad twee uitspraken die van belang waren voor deze zaak.

(ECLI:NL:HR:2015:3604 en ECLI:NL:HR:2015:3600).

De Hoge Raad schrijft in haar vonnis:

« In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

... Bij de met de tipgever gesloten overeenkomst heeft de Belastingdienst zich verplicht de identiteit van de tipgever niet bekend te maken.»

De leden van de CDA-fractie willen graag van de Staatssecretaris graag het volgende weten:

Vraag 26

Wat is het oordeel van de Staatssecretaris over dat bij de Hoge Raad het beeld van een «verplichting» is ontstaan?

Vraag 27

Deelt de Staatssecretaris de mening dat een «verplichting» juridisch gezien verder gaat dan een inspanningsverplichting en dat een «verplichting» juridisch gezien een garantie inhoudt?

Vraag 28

Is dit een correcte weergave van de feiten? Ofwel, bestond er een resultaatverplichting om de identiteit van de tipgever niet bekend te maken?

Antwoord op de vragen 26 tot en met 28

Een inspanningsverplichting is een contractuele verplichting om zich ergens voor in te spannen, een resultaatsverplichting is een contractuele verplichting om een bepaald resultaat te bereiken.

Uit de benamingen volgt onomstotelijk dat in beide gevallen sprake is van een verplichting.

«Zich verplichten», oftewel een verplichting aangaan, kan dus zowel zien op een inspannings- als een resultaatsverplichting, en houdt dan ook niet per definitie een garantie in.

Daar komt bij dat de leden van de fractie van het CDA aan de omschrijving van de feiten door de Hoge Raad in onderdeel 2.1.1. van zijn arrest een lading meegeven die deze omschrijving naar mijn mening niet heeft.

Ik verwijs in dit verband naar de Advocaat-Generaal die in zijn conclusie in dezelfde procedure, op basis van hetzelfde procesdossier, de feiten als volgt omschrijft (cursivering van mijn hand):

In januari 2009 heeft een tipgever zich gemeld bij de FIOD-ECD, die stelde over informatie te beschikken met betrekking tot Nederlandse belastingplichtigen die rekeningen aanhielden bij drie banken, te weten Rabobank Luxemburg, Generale Bank en Van Lanschot. Deze tipgever heeft informatie aan de Belastingdienst verstrekt in ruil voor een deel van de IB/PVV, VB en de heffingsrente die zou worden betaald op belastingaanslagen opgelegd met behulp van deze informatie. Een en ander is vastgelegd in een overeenkomst tussen de tipgever en de Belastingdienst, gesloten in september 2009. Daarbij heeft de Belastingdienst beloofd de identiteit van de tipgever niet bekend te maken.

Hieruit blijkt, duidelijker nog dan uit de bewoordingen van de Hoge Raad, dat sprake was van een inspanningsverplichting, en dat de Belastingdienst nooit heeft willen doen voorkomen dat sprake was van een resultaatsverplichting, en dus van een garantie dat de identiteit van de tipgever tot elke prijs geheim zou blijven.

Ik merk overigens nog op dat de Hoge Raad oordeelt over het recht, niet over de feiten. Verder mag worden aangenomen dat de Hoge Raad bekend is met de beleidslijn waarin de Belastingdienst zich ten doel stelt de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken.

Vraag 29

Waardoor heeft de Belastingdienst dit beeld laten ontstaan?

Vraag 30

Heeft de Belastingdienst enige poging ondernomen om dit beeld bij te stellen?

Antwoord op de vragen 29 en 30

Ik verwijs in dit verband naar de opmerking van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën de Jager in de uitzending van De Wereld Draait Door van 5 november 2009:

«We hebben besloten om zo lang als mogelijk de identiteit van deze meneer ook zoveel mogelijk geheim te houden...»

De Belastingdienst heeft zich steeds in lijn met deze opmerking uitgelaten.

Ik wijs in dit verband ook op de brief van de Staatssecretaris Weekers van 13 februari 2012 op een vraag van het lid Omtzigt (Kamerstuk 31 066, nr. 119). In antwoord op vragen van de leden van Klaveren en Bontes heb ik deze nog een keer aangehaald in mijn brief van 18 december 2014, waarin staat:

«De beleidslijn houdt in dat de Belastingdienst zich ten doel stelt de identiteit van de tipgever zo lang mogelijk (eventueel tot in hoogste instantie) geheim te houden, niet alleen voor zijn eigen veiligheid maar ook om mogelijk toekomstige tipgevers niet af te schrikken.»

Daarbij merkte ik nog op:

«Deze beleidslijn is bij alle bij dit dossier betrokken medewerkers van de Belastingdienst bekend en dus ook bij de getuigen.»

De gepubliceerde beleidslijn is, naar mag worden aangenomen, ook bekend bij de Hoge Raad.

Er bestaat dus ook geen aanleiding om enig beeld bij te stellen.

Integriteit van de overheid

De Staatssecretaris stelde in het vragenuurtje van 26 april 2016 dat «het ultiem aan de Belastingdienst zelf is om te bepalen welke informatie zij openbaar aan het dossier toevoegt».

Vraag 31

Deelt de Staatssecretaris het standpunt dat de Belastingdienst daarbij overeenkomstig de Gedragscode Integriteit rijksambtenaren in beginsel verplicht is om een volledig en objectief beeld te schetsen bij het verstrekken van beschikbare informatie, en geen informatie dient achter te houden of te manipuleren?

Vraag 32

Deelt de Staatssecretaris het standpunt dat slechts op bijzondere zwaarwegende gronden informatie buiten beschouwing mag blijven?

Antwoord op de vragen 31 en 32

Ik onderschrijf het beginsel dat de Belastingdienst overeenkomstig de Gedragscode Integriteit rijksambtenaren een volledig en objectief beeld dient te schetsen bij het verstrekken van beschikbare informatie.

Dit beginsel is echter niet absoluut. Zo rekent de Gedragscode tot de integriteitswaarden betrouwbaarheid, onder meer tot uitdrukking komend in zorgvuldigheid met betrekking tot mensen. Voorts wijst de Gedragscode op artikel 125a, derde lid, van de Ambtenarenwet:

De ambtenaar is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt.

Deze bepaling wordt als volgt toegelicht:

Als ambtenaar heb je toegang tot veel informatie, soms ook vertrouwelijke informatie. Informatie kan bijvoorbeeld politiek gevoelig, of privacy gevoelig zijn. Het is de bedoeling dat zulke informatie bij jou veilig is. Daarom heb je een geheimhoudingsplicht.

Voorts zijn (onder meer) ambtenaren van de Belastingdienst gebonden aan de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 AWR. Dit houdt in dat het verstrekken van beschikbare informatie zijn grenzen vindt in de noodzaak van die verstrekking voor de uitvoering van de belastingwet.

In procedures vindt het verstrekken van beschikbare informatie zijn begrenzing in onder meer het begrip «op de zaak betrekking hebbende stukken». Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en BB5868, volgt dat dit stukken zijn die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld dan wel daarbij van enig belang kunnen zijn geweest.

Geheimhouding op grond van artikel 67 AWR en/of artikel 125a Ambtenarenwet kan de mogelijkheid van verstrekking echter verder beperken.

Waar het begrip «op de zaak betrekking hebbende stukken» botst met deze geheimhoudingsbepalingen kan er sprake zijn van gewichtige redenen om bepaalde informatie niet te verstrekken, dan wel alleen aan de rechter ter kennis te brengen. De inspecteur kan zich dan beroepen op artikel 8:29 Awb. Het is vervolgens aan de rechter om te beoordelen welk belang prevaleert. Als de rechter beslist dat de desbetreffende informatie verstrekt moet worden en de inspecteur (of in voorkomend geval: de wederpartij) weigert dat vervolgens dan geeft artikel 8:31 Awb de rechter de mogelijkheid om aan die weigering de gevolgen te verbinden die hem geraden voorkomen, op voorwaarde dat alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding8.

Binnen de grenzen van dit wettelijke systeem is de Belastingdienst in de onderhavige zaak steeds open geweest over de aard van de niet-verstrekte informatie en het belang om die informatie niet te verstrekken. Daarbij heeft de Belastingdienst meermaals aangeboden de tipgever anoniem als getuige te laten horen.

Vervolgens is het aan de rechter om, mede in het licht van de uitspraak van de door hem ingeschakelde geheimhoudingskamer, het gewicht van alle betrokken belangen te bepalen en mee te wegen in zijn oordeel.

Vraag 33

Welke bijzondere zwaarwegende gronden zijn aan te voeren om de passages inzake de verplichting van de tipgever om medewerking te verlenen in juridische procedures weg te lakken en aldus niet aan de rechter in de betrokken juridische procedures ter beschikking te stellen?

Antwoord

Op enkele plaatsen in het contract zijn passages die betrekking hebben op de economische en financiële belangen van de Staat (F) weggelakt. Zo ook bij de passage waarin de tipgever zich verplicht om medewerking te verlenen in juridische procedures. De Belastingdienst heeft zich altijd ingespannen om de identiteit van de tipgever niet te hoeven prijsgeven. Gelet hierop is het aanbod gedaan voor een getuigenverhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld. Dit is niet alleen van belang voor de tipgever, maar ook om toekomstige tipgevers niet af te schrikken.

Door het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 werd duidelijk dat het enkele feit dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever niet wou vrijgeven, niet meebracht dat de aanslagen werden vernietigd. Hierdoor wordt ook een verhoor zonder dat de identiteit wordt onthuld mogelijk. Aangezien hiermee de kans dat toekomstige tipgevers worden afgeschrikt aanzienlijk is verkleind, is de passage over verlenen van medewerking in juridische procedures inmiddels niet meer weggelakt.

Vraag 34

Deelt de Staatssecretaris de mening dat de Belastingdienst te allen tijde uitsluitend feitelijk juiste gegevens aan de rechter dient te verstrekken?

Antwoord

In beginsel dient de Belastingdienst feitelijk juiste gegevens aan de rechter te verstrekken. Er zijn echter situaties denkbaar waarin de Belastingdienst niet kan instaan voor de juistheid van de verstrekte informatie, namelijk in gevallen waarin belastingplichtigen zelf geen of onjuiste informatie aan de Belastingdienst verstrekken. De Belastingdienst zal in een dergelijk geval op basis van de wél bekende gegevens en (bijvoorbeeld) ervaringscijfers en/of feiten van algemene bekendheid tot een zo juist mogelijk feitencomplex moeten komen. De AWR kent hiertoe de zogenaamde «omkering van de bewijslast».

Uit het voorgaande volgt dat de Belastingdienst zich er te allen tijde van dient te onthouden om bewust feitelijk onjuiste gegevens aan de rechter te verstrekken.

Het onderzoek van het OM

Vraag 35

De leden van de CDA-fractie merken op dat het Openbaar Ministerie nog altijd onderzoek doet naar deze zaak. Het is mogelijk dat bewindspersonen in deze zaak gehoord worden. Op welke wijze garandeert het kabinet dat het Openbaar Ministerie absoluut zelfstandig besluiten neemt in deze zaak en niet onder druk gezet wordt of zich onder druk gezet voelt worden op enige wijze?

Immers de Minister van Veiligheid en Justitie heeft een aanwijzingsbevoegdheid om bijvoorbeeld niet over te gaan tot vervolging. Indien hij gebruik maakt van die bevoegdheid moet hij daarvan wel melding maken aan de Tweede Kamer, maar het enkele feit dat deze bevoegdheid bestaat en dat het OM ressorteert onder de Minister van Veiligheid en Justitie betekent dat er vooral in dit soort zaken grote terughoudendheid betracht dient te worden.

Antwoord

De wetgever heeft aan het OM de bevoegdheid toegekend om te besluiten of in een concreet geval tot vervolging wordt overgegaan. Besluit het OM tot vervolging over te gaan, dan zullen de overwegingen die aan die beslissing ten grondslag liggen worden getoetst door de rechter aan wie de zaak ter beoordeling wordt voorgelegd.

Deze zelfstandige positie van het OM laat onverlet dat de Minister van Veiligheid en Justitie volledige politieke verantwoordelijkheid draagt voor het OM. Hij kan door uw Kamer ter verantwoording worden geroepen voor beleidsonderwerpen die het Openbaar Ministerie betreffen, maar in incidentele gevallen ook voor individuele strafzaken. Deze politieke verantwoordelijkheid voor het OM, brengt mee dat de Minister van Veiligheid en Justitie door het OM wordt geïnformeerd over de stand van zaken in individuele dossiers.

De Minister van Veiligheid en Justitie betracht uiterste terughoudendheid bij het geven van aanwijzingen aan het OM in individuele zaken. Dat geldt ook bij de aanwijzing om in een concreet geval af te zien van vervolging. Het geven van een dergelijke aanwijzing is uitsluitend mogelijk binnen de grenzen die worden gesteld door de wet, internationale verdragen en algemene rechtsbeginselen. Dat betekent onder meer dat de aanwijzing tot niet-vervolging uitsluitend kan worden gegeven op gronden die zijn ontleend aan het algemeen belang. Deze aanwijzing dient dan ook uitsluitend in zeer uitzonderlijke gevallen te worden gegeven. Het geven van een dergelijke aanwijzing dient te worden voorgelegd aan het College van procureurs-generaal, teneinde dit in de gelegenheid te stellen hierover zijn zienswijze kenbaar te maken. Daarnaast dient de Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer uit eigen beweging te informeren over een aanwijzing tot het niet of niet verder opsporen of vervolgen in een concreet geval.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

Vraag 1

Hoeveel belastingplichtige personen staan in de dossiers van deze geheime tipgever?

Antwoord

De overgelegde informatie heeft 76 te behandelen posten opgeleverd.

Vraag 2

Hoe groot is het vermogen dat met deze dossiers is gemoeid?

Antwoord

Het totale vermogen dat bleek uit de informatie bedroeg € 33.272.601.

Vraag 3

In welke bandbreedte liggen die vermogens?

Antwoord

De vermogens varieerden van € 28.655 tot € 3.953.128.

Vraag 4

Hoeveel van deze belastingplichtige personen zijn bij de aanslagoplegging betrokken?

Antwoord

Bij 50 belastingplichtigen zijn (navorderings)aanslagen opgelegd.

Bij 26 belastingplichtigen zijn geen (navorderings)aanslagen opgelegd, om de volgende redenen:

  • Bij het grootste deel van deze personen waren de bedragen al opgenomen in de vermogens in de aangiften;

  • Er waren personen die zich al hadden gemeld als inkeerder;

  • De bankrekening was al opgeheven vóór het oudste navorderbare jaar.

Vraag 5

Hoeveel aanslagen zijn er in het totaal aan die belastingplichtige personen opgelegd?

Antwoord

In totaal zijn 279 aanslagen opgelegd.

Daarbij dient te worden bedacht dat met veel belastingplichtigen een vaststellingsovereenkomst is gesloten op grond waarvan alle mogelijke navorderingsaanslagen over de gehele periode in één aanslag zijn betrokken.

Vraag 6

Wat is het totale aanslagbedrag dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen is gemoeid?

Antwoord

In totaal zijn aanslagen opgelegd tot een totaalbedrag van € 6.937.178 aan enkelvoudige belasting plus € 2.131.205 aan heffingsrente. Met betrekking tot de boeten verwijs ik naar het antwoord op vraag 9 van de leden van de fractie van de PVV.

Vraag 7

Wat is het gemiddelde bedrag per aanslag dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen is gemoeid?

Antwoord

Het gemiddelde bedrag per aanslag bedraagt € 24.864 aan enkelvoudige belasting plus € 7.638 aan heffingsrente.

Vraag 8

Wat is het gemiddelde bedrag per persoon dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen is gemoeid?

Antwoord

Het gemiddelde bedrag per persoon bedraagt € 138.743 aan enkelvoudige belasting plus € 42.624 aan heffingsrente

Vraag 9

Hoeveel verhogingen en boeten zijn er aan deze groep opgelegd, in totaal, per aanslag en per belastingplichtige?

Antwoord

Het totale bedrag aan opgelegde boeten bedraagt € 1.629.756. Dit is € 5.841 per aanslag en € 32.595 per belastingplichtige.

Vraag 10

Heeft er nog strafvervolging plaats gevonden tegen zwartspaarders uit het dossier van de geheime tipgever?

Antwoord

Nee.

Vraag 11

Hoeveel belastingplichtige personen hebben zich naar aanleiding van de bekendmaking van de dossiers van deze geheime tipgever gemeld, hoe groot was dus deze bijvangst?

Vraag 12

Hoe groot is het vermogen dat met deze bijvangst is gemoeid?

Vraag 13

In welke bandbreedte liggen die vermogens van de bijvangst?

Vraag 14

Hoeveel van deze belastingplichtige personen van de bijvangst zijn bij de aanslagoplegging betrokken?

Vraag 15

Hoeveel aanslagen zijn er in het totaal aan die belastingplichtige personen van de bijvangst opgelegd?

Vraag 16

Wat is het totale aanslagbedrag dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen van de bijvangst is gemoeid?

Vraag 17

Wat is het gemiddelde bedrag per aanslag dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen van de bijvangst is gemoeid?

Vraag 18

Wat is het gemiddelde bedrag per persoon dat met de aanslagoplegging van deze belastingplichtige personen van de bijvangst is gemoeid?

Vraag 19

Hoeveel verhogingen en boetes zijn er aan deze bijvangst groep opgelegd, in totaal, per aanslag en per belastingplichtige?

Vraag 20

Heeft er nog strafvervolging plaats gevonden tegen zwartspaarders uit de bijvangst van het dossier van de geheime tipgever?

Antwoord op de vragen 11 tot en met 20

De aanpak van zwartspaarders met inzet van de (afbouw van de) inkeerregeling, via het buitenland verkregen cd’s en dvd’s met gegevens over zwartspaarders en via de tipgever is de afgelopen jaren succesvol gebleken. Er is sinds 2009 al bijna voor 10 miljard aan zwart vermogen ingekeerd door ruim 26.000 inkeerders en dat heeft meer dan 1,7 miljard aan opbrengsten (belasting, rente en boete) gegenereerd. Welk gedeelte daarvan als bijvangst van het werken met de tipgever kwalificeert is onbekend.

Vraag 21

Over welke belastingjaren gaan deze dossiers?

Antwoord

Het project is begonnen in 2009. Doordat gebruik kon worden gemaakt van de verlengde navorderingstermijn als genoemd in artikel 16 lid 4 AWR (in samenhang met eventueel verleend uitstel) konden belastingaanslagen worden opgelegd vanaf het belastingjaar 1996.

Vraag 22

Waarom zijn de gegevens van die «zwartspaarders» niet gewoon gewisseld tussen de Nederlandse en de Luxemburgse belastingdienst?

Antwoord

Omdat de Luxemburgse belastingdienst over de betreffende jaren geen gegevens over zwartspaarders uitwisselt.

Vraag 23

Had Luxemburg destijds een bankgeheim?

Antwoord

Ja.

Vraag 24

Waarom was er geen informatie-uitwisselingsverdrag met Luxemburg overeengekomen waarin Luxemburg verplicht werd deze gegevens te uit wisselen?

Vraag 25

Als er geen uitwisseling van die gegevens mogelijk was, waarom is er dan destijds toch een belastingverdrag gesloten?

Antwoord op de vragen 24 en 25

Het verdrag tussen Nederland en Luxemburg is in 1968 ondertekend en in 1969 in werking getreden. In die tijd was er sprake van een bankgeheim in Luxemburg. In het Protocol van het verdrag is op verzoek van Luxemburg opgenomen dat de verdragspartijen niet verplicht zijn informatie, verkregen van banken, uit te wisselen. Meer belastingverdragen die dateren uit die periode bevatten een beperking voor informatie verkregen van banken. Een voorbeeld is het belastingverdrag met Duitsland uit 1958. In 2009 is een wijzigingsprotocol tussen Nederland en Luxemburg gesloten waarbij bovengenoemde bepaling is vervallen en is in het belastingverdrag een standaard informatie-uitwisselingsbepaling opgenomen.

Een belastingverdrag wordt gesloten ter voorkoming van dubbele belastingheffing en biedt rechtszekerheid voor belastingplichtigen. Daarnaast bevordert een belastingverdrag de handelsstromen tussen de landen. In de toelichtende nota bij het belastingverdrag tussen Luxemburg en Nederland is opgenomen dat als gevolg van de toenemende vervlechting van de economie van beide landen, Luxemburg en Nederland destijds een belastingverdrag wilden sluiten.

Vraag 26

Waarom heeft het kabinet er niet opgestaan dat Luxemburg die gegevens bekend maakte?

Vraag 27

Waarom heeft Nederland er niet bij de EU op aangedrongen dat Luxemburg verplicht werd die gegevens te wisselen?

Antwoord op de vragen 26 en 27

Voor gegevensuitwisseling van bancaire informatie moet een juridische basis zijn. In de jaren voor 2009 was deze juridische basis er niet met Luxemburg. Luxemburg maakte ook bij de EU Spaarrenterichtlijn gebruik van een uitzondering op dit punt. Deze gegevens konden daarom niet worden uitgewisseld onder het belastingverdrag en niet onder de EU spaarrenterichtlijn. De afgelopen jaren is onder internationale druk het bankgeheim in Luxemburg langzaam afgebrokkeld. In 2009 heeft Nederland met Luxemburg een protocol gesloten, met een standaard informatie-uitwisselingsbepaling, die informatie-uitwisseling op verzoek mogelijk maakt.9 Ook heeft Luxemburg het Protocol bij het WABB verdrag10 ondertekend en in 2014 geratificeerd, waarmee de juridische basis voor automatische gegevensuitwisseling, ook van bancaire gegevens, was gelegd. Luxemburg heeft net als Nederland de EU Richtlijn 2014/107/EU die ziet op verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied11, de richtlijn tot implementatie van de Common Reporting Standard, geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Luxemburg wisselt daarmee financiële gegevens uit vanaf 2017 over de jaren 2016 en verder. Luxemburg voldoet hiermee dus aan de internationale standaarden voor uitwisseling van informatie en daarmee zijn er veel meer mogelijkheden om informatie uit te wisselen dan voorheen.

Vraag 28

Heeft Nederland nooit overwogen om tot sancties of maatregelen over te gaan tegen Luxemburg?

Antwoord

Nederland heeft een actieve rol gespeeld in de internationale gremia waarin landen gezamenlijk hebben ingezet op het vergroten van transparantie en daarmee druk hebben gezet op landen als Luxemburg. Met name FATCA en het ontwikkelen van de Common Reporting Standard en de Europese Richtlijn waarin deze Common Reporting Standard is neergelegd hebben ertoe geleid dat Luxemburg zijn bankgeheim heeft opgegeven.

Vraag 29

Wie was destijds de eerste Minister van Luxemburg? Is dat dezelfde persoon als de voorzitter van de huidige commissie die zo hard van de toren blaast op het punt van de BEPS? Ziet u hierin geen probleem ten aanzien van integriteit?

Antwoord

De leden van de fractie van de PVV refereren aan de heer Juncker (in het verleden Minister president van Luxemburg, en op dit moment president van de Europese Commissie) en vragen zich af of dit geen integriteitprobleem met zich brengt. Ik zie geen verband tussen beide functies en daarmee is een integriteitprobleem niet aan de orde.

Vraag 30

Acht u het legaal en legitiem om in een dergelijke situatie, waarin gegevens niet via een reguliere gegevensuitwisseling verkregen kunnen worden, om die gegevens dan als nog via een weg te verkrijgen, waarbij men niet op voorhand kan stellen dat alles geheel legaal is?

Antwoord

De Hoge Raad heeft in 1992 in belastingzaken het «zozeer indruist – criterium» geïntroduceerd: Gebruik van op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen bewijsmiddelen door de inspecteur is slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht12. In 2015 nog oordeelde de Hoge Raad geen aanleiding te zien om terug te komen op dit criterium en van de rechtspraak die aan de hand daarvan tot ontwikkeling is gekomen13.

Gegevensverkrijging die plaatsvindt binnen de grenzen van dit criterium acht ik, met de Hoge Raad, legaal en legitiem.

Vraag 31

Was er bij de wijze waarop de gegevens door de geheime tipgever zijn verkregen sprake van een strafbaar feit?

Antwoord

De FIOD-ambtenaren die contact met de tipgever hebben gehad, hebben zich er niet van vergewist of de gegevens al dan niet van misdrijf afkomstig zijn. Ook anderszins is mij daaromtrent niets bekend. Ik kan dan ook geen oordeel geven over de wijze waarop de gegevens door de tipgever zijn verkregen.

Vraag 32

Acht u het gepast om voor gegevens die op strafrechtelijk laakbare wijze zijn verkregen geld te betalen?

Antwoord

In een brief aan de Kamer van 2 februari 2010 (Kamerstuk 31 066, nr. 85) heeft mijn voorganger in dit kader opgemerkt:

(...)

Alvorens die contouren te schetsen is het goed om vast te stellen dat in een beschaafde samenleving als de onze de norm is dat burgers de overheid informeren bij vermoedens van ernstige vormen van criminaliteit, zonder daarvoor een tegenprestatie te vragen. Deze norm behoort tot het geheel van algemeen aanvaarde normen van moraal en fatsoen en het zonder tegenprestatie melden behoort daarmee dan ook tot de normale vervulling van de burgerplicht in ons land.

Niettemin kwam en komt de overheid regelmatig in aanraking met situaties waarin informatie die belangrijk is voor het (kunnen) achterhalen van ernstige vormen van criminaliteit, slechts tegen betaling kan worden verkregen. In die gevallen wordt de overheid gedwongen om een keuze maken tussen wel of niet betalen en de daaraan verbonden consequenties.

Vraag 33

In hoeverre zou hier in strafrechtelijke zin sprake zijn van onrechtmatig verkregen bewijs?

Antwoord

Ik verwijs naar het antwoord op vraag 31 van de leden van de fractie van de PVV.

Vraag 34

Hoeveel is er voor die gegevens betaald?

Antwoord

Het staatsbelang is er niet mee gediend wanneer bekend raakt wat de vergoeding is die de tipgever voor de door hem verstrekte informatie ontvangt. Dergelijke informatie kan een aanzuigende werking hebben op premiejagers.

Om deze redenen zijn ook in het in de bijlage opgenomen contract zoals dat is gelakt na de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 gegevens over de hoogte van de vergoeding onleesbaar gemaakt.

Vraag 35

Maakt het in uw optiek nu wel of niet uit of er al dan niet anonimiteit aan de geheime tipgever is beloofd?

Antwoord

De algemene zorgplicht van de Staat/Belastingdienst voor de tipgever brengt met zich dat er bij de tipgever geen onduidelijkheid mag bestaan over het feit dat de Belastingdienst anonimiteit niet kan garanderen.

Vraag 36

Is er nu wel of niet anonimiteit beloofd?

Vraag 37

Is er nu wel of niet anonimiteit in de overeenkomst toegezegd?

Antwoord op de vragen 36 en 37

In het contract is toegezegd dat de Belastingdienst zich ervoor in zal spannen dat de identiteit van de tipgever niet openbaar wordt.

Vraag 38

Wat zouden de financiële consequenties zijn van het opgegeven van deze anonimiteit?

Antwoord

In artikel 2, lid 4, van het in de bijlage opgenomen contract zoals dat is gelakt na de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 is opgenomen dat ingeval de identiteit van de tipgever wordt geopenbaard de Belastingdienst overeenkomstig de algemene zorgplicht van de staat de geëigende instanties binnen de Staat zal benaderen met het oog op de bescherming van de veiligheid van de tipgever. Welke kosten hiermee gemoeid zijn, is niet te zeggen.

Vraag 39

Is er over het tipgeld belasting ingehouden?

Vraag 40

Is het tipgeld op een bankrekening gestort? Was dit een Nederlandse bankrekening?

Als het geen Nederlandse bankrekening was, waar dan wel?

Antwoord op de vragen 39 en 40

In verband met de fiscale geheimhoudingsplicht kan ik niet op individuele zaken ingaan. Wel kan ik opmerken dat de inspecteur van de tipgever op de hoogte is van (de inkomsten uit) het contract.

Vraag 41

Zijn de verschuldigde belastingen en de daarbij behorende boeten en verhogingen al voldaan?

Antwoord

De belastingplichtigen die niet (meer) procederen14 hebben alle verschuldigde bedragen voldaan: de enkelvoudige belasting, de heffingsrente/belastingrente en de boete.

Vraag 42

Hoeveel mensuren zijn er met deze gehele operatie gemoeid?

Vraag 43

Hoeveel heeft een mensuur in deze gehele operatie opgeleverd?

Antwoord op de vragen 42 en 43

In het tipgeversdossier zijn verschillende werkstromen/activiteiten van belang. Het betreft onder andere aanslagoplegging, behandelen van bezwaar en behandelen van beroep. De tijdregistratie betreft dus verschillende werkstromen over een langere periode (2009 tot en met 2016). Daarbij is de tijdsregistratie op de betreffende werkstromen niet specifiek op dit project geschreven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

Vraag 1

Kunt u een feitenrelaas naar de Kamer sturen vanaf 2009, waarin het gehele proces uiteengezet wordt en waaruit duidelijk wordt wanneer deze Staatssecretaris voor het eerst op de hoogte werd gesteld van de afspraken met de tipgever?

Antwoord

Ja. Ik verwijs naar mijn begeleidende brief. Daarbij merk ik op dat ik kort na mijn aantreden als Staatssecretaris van Financiën op 4 februari 2014 van het tipgeverdossier op de hoogte gesteld. Op 12 februari 2014 heb ik vragen beantwoord van het lid Omtzigt (CDA) over fiscale tip- en toongelden, samenwerking door de fiscus met criminelen en het opvolgen van de aanbevelingen van de commissie-Van Traa.

Vraag 2

Kunt u in het feitenrelaas tevens aangeven wanneer de Staatssecretaris voor het eerst op de hoogte werd gesteld van de keuze om de betwiste passages al dan niet openbaar te maken in het stuk dat werd toegevoegd aan het dossier voor de juridische procedure?

Antwoord

Nee. De keuze om de betwiste passages al dan niet openbaar te maken is niet aan de Staatssecretaris voorgelegd.

Ik wijs in dit verband ook op het antwoord op vraag 23 van de leden van de fractie van het CDA.

Vraag 3

Kunt u bevestigen dat de overeenkomst met de tipgever, zoals gepubliceerd door Nieuwsuur, authentiek is?

Antwoord

Nieuwsuur heeft aangegeven de stukken van de Belastingdienst via de advocaat van zwartspaarders te hebben gekregen.

Vraag 4

Kunt u de overeenkomst met zwartgelakte passages, zoals deze is toegevoegd aan het dossier voor de juridische procedure, aan de Kamer doen toekomen?

Antwoord

Ja, ik verwijs hiervoor naar de bijlage.

Vraag 5

Kunt u bevestigen dat de passages op pagina 1 waarin expliciet staat dat de Belastingdienst de tipgever geen garanties kan geven dat de tipgever anoniem zou blijven, in de processtukken zijn zwartgelakt?

Antwoord

Tot de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016 is de passage op pagina 1 van het contract waarin expliciet staat dat de Belastingdienst de tipgever geen garanties kan geven dat hij anoniem zou blijven zwartgelakt. Inmiddels is deze passage niet meer weggelakt.

Vraag 6

Waarom heeft de Belastingdienst de passage waarin staat dat de Belastingdienst geen garantie kon geven op anonimiteit zwartgelakt en geweigerd om de overeenkomst zonder zwartgelakte passages aan de rechter voor te leggen?

Antwoord

Op enkele plaatsen in het contract zijn passages die betrekking hebben op de economische en financiële belangen van de Staat (F) weggelakt. Zo ook bij de passage waarin de Belastingdienst aangeeft geen garantie op anonimiteit te kunnen verstrekken. Deze bepaling is opgenomen omdat een absolute garantie op anonimiteit niet bestaat. In dit specifieke geval bestond er ook nog de onduidelijkheid of de Hoge Raad belastingaanslagen die zijn opgelegd op basis van informatie van een anonieme tipgever in stand zou laten. Om toekomstige tipgevers hiermee niet af te schrikken is deze passage weggelakt.

Door het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 werd duidelijk dat het enkele feit dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever niet wou vrijgeven, niet meebracht dat de aanslagen werden vernietigd. Tevens blijkt uit dit arrest dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, niet kunnen worden gedwongen om informatie prijs te geven die de inspecteur niet wil verstrekken. Aangezien hiermee de kans dat toekomstige tipgevers worden afgeschrikt aanzienlijk is verkleind, is de passage over het niet kunnen garanderen van anonimiteit inmiddels niet meer weggelakt.

Vraag 7

Waarom staat naast de weggelakte stukken op de eerste pagina van het contract de letter F?

Antwoord

De F betekent dat de passages zijn weggelakt met het oog op de economische en financiële belangen van de Staat. In casu is dat het belang te voorkomen dat toekomstige tipgevers niet worden afgeschrikt uit angst dat hun identiteit openbaar kan worden.

Vraag 8

Waarom bent u van mening dat het zwartlakken van deze passages acceptabel is en dat hierdoor de procesgang niet is geschaad?

Antwoord

Artikel 8:29 Awb biedt de mogelijkheid om, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, (delen van) stukken niet over te leggen. De rechter (geheimhoudingskamer) beslist in dat geval aan de hand van de (ongeschoonde15) stukken of dit gerechtvaardigd is. Het is dus aan de rechter om te bepalen of de passages weggelakt mogen worden. De geheimhoudingskamer van de rechtbank Arnhem (thans:Gelderland) in de procedure waar alle publiciteit betrekking op heeft, heeft geoordeeld dat het niet integraal verstrekken van het contract niet gerechtvaardigd is.

Het wettelijk systeem biedt de Belastingdienst vervolgens de mogelijkheid om niet aan deze uitspraak te voldoen, waarna de rechter hieruit de gevolgtrekkingen kan maken die hem geraden voorkomen, waarbij alle omstandigheden van geval moeten worden meegewogen (artikel 8:31 Awb).

In de procedures die zijn voortgevloeid uit de informatie van de tipgever hebben meerdere geheimhoudingskamers, waaronder ook een geheimhoudingskamer bij de rechtbank Gelderland in een latere procedure, overigens beslist dat het weglakken van de passages acceptabel is en er dus verder geprocedeerd kan worden op basis van geschoonde stukken. Deze uitspraak is opgenomen in het jurisprudentieoverzicht bij het antwoord op vraag 11 van de leden van de fractie van de VVD.

Vraag 9

Heeft de rechtbank, het gerechtshof of de Hoge Raad gevraagd naar de inhoud van de zwartgelakte passages? Zo ja, wat is hierop tijdens de procedure de reactie geweest van de Belastingdienst?

Antwoord

Nee, daar hebben rechtbank, hof en Hoge Raad niet naar gevraagd. Rechtbank en hof hebben de inspecteur wel gevraagd om de stukken overeenkomstig de beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank in te brengen. De Belastingdienst heeft niet in alle procedures volledig aan dit verzoek voldaan. Het wettelijk systeem maakt dit mogelijk. Dit is ook onderkend in de parlementaire toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstuk 22 495, nr. 3, blz. 119–120), en bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2015. Deze mogelijkheid is ook door de rechtbanken opgenomen in artikel 13, zesde lid, Procesregeling bestuursrecht 201316. Daarbij wordt wel een procesrisico – hier dus in het nadeel van de Belastingdienst – gelopen. De rechter mag in dat geval de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Het is dus volledig aan de rechter of hij belang en betekenis toekent aan de geheimhouding van stukken en passages, en zo ja, welk belang en welke betekenis. Dit is onderdeel van zijn afweging.

Vraag 10

Heeft de Hoge Raad kennis kunnen nemen van de inhoud van de zwartgelakte passages in de overeenkomst?

Antwoord

De Hoge Raad heeft de beschikking gehad over het in de bijlage opgenomen contract zoals dat was gelakt tot de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016.

Vraag 11

Kunt u bevestigen dat door een FIOD-ambtenaar ter zitting onder ede het volgende is verklaard:

«Anonimiteit was één van de voorwaarden voor het sluiten van de overeenkomst»?

Uit welke delen van de overeenkomst blijkt dit?

Antwoord

De desbetreffende FIOD-ambtenaar heeft dit verklaard in een procedure voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2014:5503).

In het contract is hierover de passage opgenomen:

  • dat de tipgever in de gesprekken met de Belastingdienst heeft aangegeven anoniem te willen blijven maar dat de Belastingdienst heeft aangeven dat op dit punt geen garanties kunnen worden verstrekt;

Volledigheidshalve wijs ik in dit verband op de inspanningsverplichting die is opgenomen in artikel 2, eerste lid, van het contract.

Vraag 12

Waarom bent u van mening dat het niet meer nodig is om de passages onleesbaar te maken, nu de Hoge Raad bepaald zou hebben dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever niet hoeft vrij te geven?

Antwoord

Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 blijkt dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, niet kunnen worden gedwongen om informatie prijs te geven die de inspecteur niet wil verstrekken. Naar aanleiding hiervan is het niet langer noodzakelijk om passages die betrekking hebben op de anonimiteit van de tipgever en het mogelijkerwijs getuigen van de tipgever weg te lakken. De kans dat nieuwe tipgevers worden afgeschrikt door het feit dat hun identiteit bekend raakt, is hiermee vervallen.

Vraag 13

Kunt u de exacte passage in het arrest van de Hoge Raad aangeven waarin de Hoge Raad naar uw opvatting aangeeft dat de Belastingdienst de identiteit van de tipgever niet hoeft vrij te geven, ongeacht hetgeen schuilgaat onder de zwartgelakte passages in de civiele overeenkomst met de tipgever?

Antwoord

De Hoge Raad overweegt in het arrest van 18 december 2015, nr. ECLI:NL:HR:2015:3600:

  • 2.7.1. Ten overvloede merkt de Hoge Raad nog het volgende op met betrekking tot de positie van de getuigen. De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling laat de procespartij wiens beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming is verworpen de mogelijkheid om te volharden in zijn weigering tot overlegging (in ongeschoonde vorm) van de desbetreffende stukken, en de uit toepassing van artikel 8:31 Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan te aanvaarden. Deze mogelijkheid is ook onderkend in de parlementaire toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstuk 22 495, nr. 3, blz. 119–120). Die mogelijkheid verloor de Inspecteur niet doordat de Rechtbank bij de behandeling in beroep oordeelde dat er geen of onvoldoende gewichtige redenen zijn om de identiteit van de tipgever verborgen te houden. Die mogelijkheid zou de Inspecteur evenmin verloren hebben indien het Hof zelfstandig de redenen had getoetst die de Inspecteur ook in hoger beroep heeft aangevoerd voor zijn weigering de naam van de tipgever bekend te maken en de desbetreffende stukken (ongeschoond) over te leggen, en na die toetsing dezelfde beslissing had bereikt als de Rechtbank.

  • 2.7.2. De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling zou van deze werking worden ontdaan indien zou worden aanvaard dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Tot het verstrekken van die informatie kunnen deze getuigen dan ook niet worden gedwongen. ’s Hofs oordeel dat de FIOD-ambtenaren als getuigen verplicht zijn die informatie te verstrekken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Vraag 14

Wat betekent het dat in de overweging van de Hoge Raad is meegewogen dat de Belastingdienst zich heeft verplicht de identiteit van de tipgever niet bekend te maken, terwijl het nu enkel blijkt te gaan om een inspanningsverplichting?

Antwoord

Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 26 tot en met 28 van de leden van de fractie van het CDA.

Vraag 15

Wanneer zal het Gerechtshof in Den Bosch deze zaak behandelen, nu de zaak door de Hoge Raad voor verdere behandeling naar dit Hof is verwezen?

Antwoord

De behandeling bij het gerechtshof in Den Bosch is inmiddels gestart.

Vraag 16

Maakt de overeenkomst zonder zwartgelakte passages deel uit van de processtukken voor de behandeling van de zaak door het Gerechtshof in Den Bosch? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

In de zaak voor het gerechtshof in Den Bosch is het contract ter beschikking gesteld zoals het is gelakt na de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2016.

Mocht het hof besluiten tot het instellen van een geheimhoudingskamer in deze zaak dan zal de Belastingdienst aan de geheimhoudingskamer een ongeschoond contract verstrekken, waarbij alleen de identiteit van de tipgever is weggelakt. Hierbij zal worden aangeboden om de identiteit mondeling en vertrouwelijk aan het hof te verstrekken.

Vraag 17

Bent u, na de uitspraak van de Hoge Raad, van mening dat de Belastingdienst tipgevers wel anonimiteit kan garanderen?

Antwoord

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, niet kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. In het vragenuur van 26 april 2016 heb ik reeds aangegeven dat absolute garanties tot anonimiteit niet bestaan, aangezien dingen kunnen uitlekken of (andere) fouten kunnen worden gemaakt.

Vraag 18

In het vragenuur d.d. 26 april heeft u uiteengezet dat de passages niet waren zwartgelakt «omdat het voor de rechter niet zichtbaar zou mogen zijn, maar omdat het anders mogelijkerwijs in de openbaarheid zou komen en daardoor nieuwe tipgevers zou kunnen afschrikken». Waarom kiest u ervoor om na de uitspraak van de Hoge Raad deze passages wel in de openbaarheid te brengen?

Waarom worden tipgevers nu niet meer afgeschrikt door het ontbreken van een garantie op anonimiteit?

Antwoord

Door het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 is duidelijk geworden dat ambtenaren van de Belastingdienst niet kunnen worden gedwongen de identiteit van de tipgever prijs te geven, zolang de inspecteur dat niet wil. Daarmee neemt de zekerheid voor tipgevers dat zij anoniem kunnen blijven toe.

Vraag 19

Hoe moet artikel 2, eerste lid, van het contract met de tipgever worden uitgelegd? Daarin staat dat de Belastingdienst zich ervoor zal inspannen dat de identiteit van de tipgever niet openbaar wordt, voor zover redelijkerwijs feitelijk en rechtens mogelijk. Wanneer is deze inspanning van de Belastingdienst niet langer «redelijkerwijs feitelijk en rechtens mogelijk»?

Antwoord

Het contract is een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Belastingdienst en de tipgever. Artikel 2, eerste lid, van het contract regelt de inspanningsverplichting die de Belastingdienst op zich neemt dat de identiteit van de tipgever niet openbaar wordt. De frase «voor zover redelijkerwijze feitelijk en rechtens mogelijk» benadrukt enerzijds nog een keer dat het geen absolute garantie op anonimiteit is die wordt afgegeven en anderzijds dat de Belastingdienst alles wat redelijkerwijs mogelijk is zal doen om de anonimiteit van de tipgever te borgen. Deze frase is op te vatten als een algemene disclaimer. Het is op voorhand niet te zeggen wanneer sprake is van feiten en omstandigheden die het niet langer mogelijk maken de anonimiteit te handhaven.

Vraag 20

Bent u van mening dat aanpassing van wet- en regelgeving gewenst is, om tipgevers beter te kunnen beschermen?

Antwoord

Ik wijs erop dat artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een algemene geheimhoudingsbepaling bevat voor alle informatie die opkomt in het proces van belastingheffing. Deze geheimhoudingsplicht geldt voor al degenen die daarbij betrokken zijn. Ook zijn ambtenaren gebonden aan de geheimhoudingsplicht ex artikel 125a, derde lid, van de Ambtenarenwet. Van de kant van de Belastingdienst is gedurende de verschillende procedures dan ook steeds een beroep gedaan op deze wettelijke bepalingen die bekendmaking van fiscale gegevens verbieden. Uiteraard is de Belastingdienst als procespartij gehouden ten behoeve van een evenwichtige procedure ten overstaan van de rechter de relevante op de zaak betrekking hebbende stukken voor te leggen ten behoeve van een gelijkwaardige positie van partijen. De Algemene wet bestuursrecht bevat daartoe een aantal bepalingen. Deze bepalingen laten overigens ruimte voor een eigen afweging aan het betrokken bestuursorgaan over de vraag welke stukken relevant zijn. Inmiddels is genoegzaam bekend op welke wijze de Belastingdienst omgaat met dit stelsel van wettelijke bepalingen. De Belastingdienst betracht de uiterste zorgvuldigheid op het punt van het bekend maken van de identiteit van een mogelijke tipgever. Het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600 vormt, naar mijn mening, een stevige onderbouwing van deze handelwijze van de Belastingdienst. Mogelijke toekomstige tipgevers kunnen er dan ook op vertrouwen dat deze beleidslijn van de Belastingdienst, gebaseerd op relevante wettelijke bepalingen, zal worden gecontinueerd. Ik acht daarom vooralsnog geen redenen aanwezig voor aanpassing van wet- of regelgeving en wacht de uitkomst van de verschillende rechterlijke procedures met belangstelling af.

Vraag 21

Heeft de tipgever belasting afgedragen over de vergoedingen die de tipgever van de Belastingdienst heeft ontvangen in het kader van deze overeenkomst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welk percentage?

Is er een vrijstelling van toepassing op de vergoeding?

Antwoord

In verband met de fiscale geheimhoudingsplicht kan ik niet op individuele zaken ingaan. Wel kan ik opmerken dat de inspecteur van de tipgever op de hoogte is van (de inkomsten uit) het contract.

Ik verwijs in dit verband naar artikel 5 van het contract.

Op de inkomsten uit het contract zijn de normale, wettelijke bepalingen van toepassing.

Vraag 22

Had de tipgever zelf tegoeden op een buitenlandse rekening staan, buiten het zicht van de Belastingdienst, die niet waren opgegeven door de tipgever? Zo ja, heeft de tipgever over deze tegoeden inmiddels belasting afgedragen?

Antwoord

In verband met de fiscale geheimhoudingsplicht kan ik niet op individuele zaken ingaan. Wel kan ik in algemene zin opmerken dat bij het sluiten van een contract er geen uitruil plaatsvindt met een tipgever in relatie tot zijn eigen fiscale positie.

Voor dit concrete geval verwijs ik in dit verband naar artikel 5 van het contract.

Vraag 23

Kunt u ingaan op de reactie van hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert die aangeeft dat de Belastingdienst de rechters heeft misleid?

Antwoord

Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4 van de leden van de fractie van de PvdA.

Vraag 24

Kunt u ingaan op de reactie van de president van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die aangeeft dat de wijze waarop de Belastingdienst het Hof heeft geïnformeerd over de beloofde anonimiteit van de tipgever «zeer teleurstellend, en zelfs schokkend» is?

Antwoord

Dit is de tweede keer dat de president van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich via de media mengt in de strijd van de Belastingdienst tegen zwartspaarders, die nog onder de rechter is. Nieuwsuur gaf op 28 november 2014 bij de eerste uitzending over de tipgever aan dat de president grote woorden niet schuwt. In die uitzending was het betoog van de president gebaseerd op de volgens de Hoge Raad onjuiste rechtsopvatting17 dat de FIOD-ambtenaren als getuigen verplicht zijn de informatie te verstrekken die de inspecteur niet wenst vrij te geven. Ook nu lijkt de president uit te gaan van een onjuiste rechtsopvatting18 door de weigering van de inspecteur de gevraagde gegevens betreffende de tipgever te verstrekken – door overlegging van ongeschoonde stukken of op andere wijze – teleurstellend, zelfs schokkend te noemen. De handelwijze van de inspecteur past binnen het wettelijk systeem. Overigens is van verstrekking van onjuiste gegevens door de inspecteur aan de rechterlijke macht geen sprake:

de Belastingdienst is steeds open geweest over de aard van de niet-verstrekte informatie en het belang om die informatie niet te verstrekken. Daarbij heeft de Belastingdienst meermaals aangeboden de tipgever anoniem als getuige te laten horen. Vervolgens is het aan de rechter om het gewicht van alle betrokken belangen te bepalen en mee te wegen in zijn oordeel.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.7.1. en 2.7.2.

X Noot
4

Aldus Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.7.1. en 2.7.2.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
6

In bijlage 2 is ten opzichte van de oorspronkelijke versie in de marge een nummering toegevoegd ten behoeve van de uitleg in bijlage 4

X Noot
7

Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.7.1. en 2.7.2.

X Noot
8

HR 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600

X Noot
9

Trb. 2009, 100. Protocol tot wijziging van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocollen.

X Noot
10

Het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken en het Protocol tot wijziging van het verdrag, getekend in Straatsburg op 25 januari 1988 (Trb. 1991, 4 en Trb. 1997, 10) zoals gewijzigd op 27 mei 2010 (Trb. 2010, 221 en 314).

X Noot
11

Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied.

X Noot
12

HR 1 juli 1992, nr. 26331, BNB 1992/306

X Noot
13

HR 20 maart 2015, nr. 13/03959, ECLI:NL:HR:2015:643

X Noot
14

Voor een overzicht van nog lopende procedures verwijs ik naar het antwoord op vraag 15 van de leden van de fractie van de VVD

X Noot
15

In het concrete geval is wél de naam van de tipgever weggelakt

X Noot
17

Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.7.2.

X Noot
18

Hoge Raad 18 december 2015 nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.3.4.

Naar boven