Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201231058 nr. C

31 058 Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht)

32 426 Aanpassing van de wetgeving en invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht)

C MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 1 maart 2012

1. Inleiding

De belangstelling en waardering van de leden van uw Kamer voor bovengenoemde wetsvoorstellen doen mij veel genoegen. Ook dank ik de leden van de D66-fractie voor de complimenten over de werkwijze in het voorbereidingstraject, mede namens mijn ambtsvoorgangers. Mijn dank gaat tevens uit naar de fracties van VVD en PvdA voor het attenderen op de brief van BDO aan Uw Kamer van 8 november 2011. BDO heeft enkele foutieve verwijzingen geconstateerd die bij gelegenheid zullen worden hersteld. Met de vereenvoudiging en flexibilisering van het bv-recht wordt tegemoet gekomen aan breed gedragen wensen van ondernemers in de praktijk. Oprichters en aandeelhouders krijgen meer vrijheid om hun bv naar eigen believen vorm te geven. De wetsvoorstellen voorzien er tevens in dat deze inrichtingsvrijheid gepaard gaat met verantwoordelijkheid jegens crediteuren en minderheidsaandeelhouders. De regeldruk voor ondernemers zal met de inwerkingtreding van de wetsvoorstellen aanzienlijk verminderen. Om die reden hoop ik met deze memorie van antwoord te kunnen bijdragen aan een voorspoedige behandeling van de wetsvoorstellen in uw Kamer, zodat de inwerkingtreding per 1 juli 2012 kan plaatsvinden. Graag ga ik hierna in op de vragen van de fracties van de VVD, de PvdA, het CDA, D66 en de ChristenUnie. Voor de beantwoording is de volgorde in het voorlopig verslag aangehouden.

2. Algemeen

De leden van de VVD-fractie vragen wat de regering vindt van de aanbevelingen van mr. C.D.J. Bulten in het preadvies van de Vereniging Handelsrecht uit oktober 2011, aangaande de uittreedregeling en of zij van plan is deze over te nemen.

Zoals ik heb aangekondigd op 26 september 2011 tijdens het wetgevingsoverleg over de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht in de Tweede Kamer, zullen in 2012 de voorbereidingen worden gestart voor een bredere herziening van de geschillenregeling. Daarbij zullen ook de aanbevelingen van mevrouw Bulten worden betrokken. Het is dientengevolge nog te vroeg om hierover een conclusie te trekken.

De leden van de fracties van de VVD, de PvdA en het CDA vragen een reactie van de regering op de vragen en opmerkingen die de Eerste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie heeft ontvangen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) in haar brief van 11 november 2011. De leden van de fractie van het CDA vragen in het bijzonder een reactie op aangevoerde bezwaren en voorstellen van de NOB met betrekking tot de soortbenadering in de aanmerkelijk belangregeling, het begrip «verbonden lichamen» en de vraag of het mogelijk is dat een verspreid belang meer dan 100% kan omvatten, de bezitseis «fiscale eenheid», de aansprakelijkheid als toetsingscriterium voor de vennootschapsbelastingplicht van buitenlandse rechtsvormen en de mogelijkheid van een teruggaafregeling voor geheven dividendbelasting als eindheffing over een door een aandeelhouder terugbetaald «onverantwoord» dividend.

Voor de beantwoording houd ik de volgorde van de opmerkingen van de NOB aan.

(2) Aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting

De soortbenadering in de aanmerkelijkbelangregeling in de inkomstenbelasting ziet op de situatie waarin een vennootschap verschillende soorten aandelen heeft. Ingevolge deze benadering heeft de belastingplichtige (natuurlijk persoon) ook een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een soort aandelen aandeelhouder is. Heeft een belastingplichtige een aanmerkelijk belang dan worden de reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen uit deze aandelen belast in box 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Behoren de aandelen niet tot een aanmerkelijk belang, dan worden deze belast volgens de forfaitaire rendementsregeling van box 3 van de Wet IB 2001.1

Aandelen behoren tot een aparte soort indien zij op enigerlei wijze van elkaar verschillen en daardoor niet dooreen leverbaar zijn. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor de in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001 omschreven aandelen die zich uitsluitend van andere aandelen onderscheiden doordat aan die aandelen een benoemingsrecht, het recht de naam van de vennootschap te mogen bepalen of een met die rechten vergelijkbaar recht is verbonden, dan wel doordat ter zake van die aandelen een bijzondere aanbiedingsregeling of een daarmee vergelijkbare regeling geldt. Deze aandelen worden niet als afzonderlijke soort aangemerkt. De soortbenadering is nodig om misbruik door manipulatie van het aandelenbezit tegen te gaan (Kamerstukken II, 24 761, nr. 3, p. 43).

Op 16 december 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de soortbenadering in de aanmerkelijkbelangregeling (nr. 10/00158, BN7252). In de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel is aangekondigd dat de Staatssecretaris van Financiën de gevolgen van het arrest voor het bestaande beleid en de bestaande wetgeving nader zal bezien. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van verschillende soorten aandelen niet alleen sprake is bij een bijzondere gerechtigdheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap (zoals het geval is bij letteraandelen met een eigen dividendreserve), maar ook indien tussen verschillende soorten aandelen uitsluitend een verschil bestaat met betrekking tot de besluitvorming omtrent uitkeringen van winst of vermogen van de vennootschap, omdat laatstgenoemd verschil niet van dezelfde orde is als de in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedoelde verschillen. Het arrest doet naar het oordeel van de Staatssecretaris van Financiën recht aan de ratio van de soortbenadering, te weten het tegengaan van misbruik door manipulatie van het aandelenbezit. Daarom vormt het arrest geen aanleiding tot wijziging van de wet. Het door de Hoge Raad aangelegde onderscheid in verschillen tussen aandelen die de gerechtigdheid tot of besluitvorming over uitkeringen van winst, vermogensbestanddelen of reserves van de vennootschap betreffen, en verschillen van andere orde, kan dienen als richtsnoer voor de vaststelling of sprake is van een aanmerkelijkbelangsoort. Met deze maatstaf wordt naar het oordeel van de staatssecretaris de mogelijkheid om de civielrechtelijke flexibiliteit van het bv-recht te benutten niet op ongewenste wijze door de fiscale gevolgen belemmerd, terwijl tegelijkertijd wordt vastgehouden aan het doel van de soortbenadering in het aanmerkelijk belang om misbruik door manipulatie van het aandelenbezit tegen te gaan.

De NOB meent dat de fiscale gevolgen van het flexibele bv-recht in de weg staan aan de mogelijkheid om (stemrechtloze) aandelen toe te kennen in het kader van werknemersparticipatie en stelt voor om deze aandelen bij werknemers in de vermogensrendementsheffing in box 3 te betrekken in plaats van in de aanmerkelijk belangheffing in box 2.

Uit het hierboven genoemde arrest volgt dat een verschil in stemrecht tussen aandelen leidt tot het bestaan van afzonderlijke aandelensoorten voor het aanmerkelijk belang. Die uitkomst past bij het hierboven beschreven doel van de soortbenadering, omdat een aandeelhouder met een afwijkend groot stemrecht onevenredig veel zeggenschap heeft over de winstuitkeringen en het vermogen van de vennootschap en daardoor een recht van andere orde heeft dan de in artikel 4.7, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedoelde rechten. Indien een vennootschap aandelen met stemrecht en stemrechtloze aandelen heeft, vormen deze aandelen daarom verschillende soorten. Overigens leidt de toekenning van stemrechtloze aandelen in het kader van werknemersparticipatie alleen tot belastingheffing in box 2 (in plaats van box 3), indien een werknemer daardoor een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van die soort aandelen van de vennootschap verkrijgt. Indien in de praktijk blijkt dat dit tot problemen leidt, dan biedt de wet de mogelijkheid om bij ministeriële regeling te bepalen dat dergelijke aandelen niet een afzonderlijke soort vormen.

De NOB wijst erop dat de soortbenadering in het aanmerkelijk belang ten gevolge kan hebben dat aandeelhouders bepaalde rechten en plichten niet aan het aandeelhouderschap als zodanig verbinden, maar daarover afspraken zullen maken die niet in de statuten van de vennootschap geïncorporeerd worden.

Het is inherent aan de aanmerkelijkbelangheffing dat uitsluitend aan het aandeel verbonden rechten en plichten van invloed zijn op het antwoord op de vraag of sprake is van een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort. Het door de NOB geschetste gevolg zal zich uitsluitend kunnen voordoen indien een bepaald recht of bepaalde plicht niet voor alle aandeelhouders in gelijke mate geldt; een statutaire afspraak die voor alle aandeelhouders in gelijke mate geldt, zal immers niet leiden tot het ontstaan van een afzonderlijke aandelensoort. Voorts zal niet elk aan een aandeel verbonden verschil in rechtspositie leiden tot een afzonderlijke aandelensoort, maar uitsluitend die verschillen die van zodanige orde zijn dat het gerechtvaardigd is om die aandelen als een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort te behandelen (bijvoorbeeld aandelen die recht geven op de verkoopopbrengst van een vermogensbestanddeel van de vennootschap).

De afwijkende benadering ten aanzien van enerzijds geïncorporeerde kwaliteitseisen en anderzijds aanbiedingsregelingen (al dan niet gecombineerd met een prijsbepalingsclausule), waaraan de NOB refereert, wordt weggenomen door voor de beoordeling hiervan aan te sluiten bij de in het arrest aangelegde maatstaf. Zolang de aan het aandeel verbonden rechten en plichten niet leiden tot een bijzondere gerechtigdheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap, noch tot een verschil in de besluitvorming omtrent uitkeringen van winst of vermogen van de vennootschap, is geen sprake van een afzonderlijke aandelensoort. Indien een vennootschap het houderschap van een bepaalde soort aandelen – met identieke stemrechten, winstrechten en aanspraken op het liquidatiesaldo ten opzichte van de overige aandelen – slechts openstelt voor personen met een bepaalde beroepskwalificatie, dan vormen deze aandelen geen afzonderlijke soort ten opzichte van de overige aandelen waaraan die kwalificatie niet verbonden is en die voor het overige identiek zijn. De aan het aandeel verbonden beroepskwalificatie leidt namelijk niet tot een bijzondere gerechtigdheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap, noch tot een verschil in de besluitvorming omtrent uitkeringen van winst of vermogen van de vennootschap.

In het door de NOB aangedragen geval dat een aanbiedingsregeling wordt gecombineerd met een prijsbepalingsclausule geldt dezelfde toets en zal in het algemeen geen sprake zijn van een aparte aanmerkelijkbelangsoort. Overigens kan bij vervreemding of verkrijging van een aanmerkelijkbelangaandeel een correctie naar de waarde in het economisch verkeer plaatsvinden indien een tegenprestatie ontbreekt of indien een tegenprestatie is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. Ingeval de statuten aan het aandeelhouderschap van een bepaalde soort aandelen de aansprakelijkheid voor een bepaalde bankschuld verbinden, dan is op basis van voornoemde toets wel sprake van een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort, omdat die aansprakelijkheid een bijzondere gerechtigdheid (waaronder mede wordt verstaan een bijzondere verplichting) tot een vermogensbestanddeel van de vennootschap betreft. Het effect op de waarde in het economisch verkeer van een aandeel van een daaraan verbonden verplichting is in deze benadering als zodanig echter niet relevant voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort.

Ten slotte vraagt de NOB hoe moet worden omgegaan met een aan het aandeel verbonden verplichting die niet geldt voor de huidige aandeelhouder, omdat hij een persoonlijke vrijstelling geniet, maar wel voor zijn opvolger.

Ten eerste zal moeten worden bepaald of de aan het aandeel verbonden verplichting van zodanige orde is dat deze verplichting – indien de aandeelhouder daarvan niet zou zijn vrijgesteld – zou leiden tot een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort. Als die verplichting niet van zodanige orde is, dan is geen sprake van een afzonderlijke aanmerkelijkbelangsoort. Als de verplichting wel van zodanige orde is, dan zijn de aandelen van de aandeelhouders met en zonder vrijstelling verschillende soorten. Wanneer bij de opvolgende aandeelhouder de vrijstelling vervallen is, vormen de aandelen weer één soort.

(3) Groepsbegrip in het belastingrecht (verbondenheid)

Zowel het aantal stemrechten als het aantal winstrechten in een lichaam kan niet meer dan 100% omvatten. Voor de vraag of sprake is van een verbonden lichaam in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) zijn zowel de zeggenschap in of over het lichaam als het financiële belang daarin relevant. Bij het verbondenheidscriterium gaat het om een materieel criterium, waarvan de invulling afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval. Net als bij andere open normen vindt de exacte invulling uiteindelijk plaats door de praktijk en jurisprudentie. Bij de aanwezigheid van aandelen waaraan verschillende zeggenschaps- en vermogens- of winstrechten zijn verbonden, zal een kwantificering moeten plaatsvinden. Deze kwantificering kan niet louter plaatsvinden aan de hand van de waarde in het economische verkeer van de verschillende aandelen. Het moet gaan om een kwantificering van de relatieve zeggenschap en de relatieve financiële belangen in het lichaam. Wanneer zeggenschap en financieel belang evenredig zijn verdeeld, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat niet meer dan drie (rechts)personen een kwalificerend belang in hetzelfde lichaam kunnen houden. Niettemin kan met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, nr. 10/00651, BNB 2011/156, niet worden uitgesloten dat er zich verhoudingen kunnen voordoen waarbij meer dan drie personen een kwalificerend belang hebben.2Zo beschouwd kan de optelsom van de belangen boven de 100% uitkomen wanneer de zeggenschap en de financiële belangen niet evenredig zijn verdeeld.

(4) Bezitseis fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting

De NOB vraagt of ook voldaan wordt aan de bezitseis voor de fiscale eenheid als de moedermaatschappij ten minste 95% van de winst-, vermogens-, en stemrechten bezit in de dochtermaatschappij maar niet tevens ten minste 95% van het nominaal gestorte kapitaal bezit. Het bezitsvereiste vertegenwoordigt de kern van het fiscale-eenheidsregime. Binnen een fiscale eenheid worden alle werkzaamheden en het gehele vermogen van een dochtermaatschappij toegerekend aan de moedermaatschappij. Een dergelijke vorm van «fiscale transparantie» is slechts in overeenstemming met de economische realiteit als de moedermaatschappij de dochtermaatschappij volledig beheerst. Om praktische redenen is dit ingevuld met de 95%-eis. Daarbij past het dat de moedermaatschappij niet alleen materieel ten minste 95% van de juridische en economische eigendom in de dochtermaatschappij bezit, maar ook een belang heeft van ten minste 95% van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal.

(5) Fiscale kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden

De NOB vraagt naar de houdbaarheid van de aansprakelijkheid als onderscheidend criterium bij het toetsingskader voor het kwalificeren van buitenlandse rechtsvormen voor de vennootschapsbelasting.

Het toetsingskader maakt onderdeel uit van het kwalificatiebesluit buitenlandse samenwerkingsverbanden (Besluit van 11 december 2009, CPP2009/519M, BNB 2010/58). Op basis van dit besluit wordt een buitenlands samenwerkingsverband of buitenlandse rechtsvorm voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de Wet IB 2001 en de Wet DB 1965 als een transparant of als een zelfstandig belastingplichtig lichaam aangemerkt. Hiervoor wordt, kort gezegd, op basis van de (buitenlandse) civielrechtelijke kenmerken van het samenwerkingsverband een vergelijking gemaakt met Nederlandse kapitaalvennootschappen en personenvennootschappen, en de fiscale behandeling die de vergelijkbare Nederlandse rechtsvorm heeft (rechtsvormvergelijking). In deze context zal het buitenlandse te kwalificeren samenwerkingsverband na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook met de vernieuwde bv vergeleken moeten worden. Voor de vergelijking is er in genoemd besluit een toetsingskader opgenomen, dat is uitgewerkt aan de hand van vier vragen. Het aansprakelijkheidscriterium is daar – naast het eigendoms-, aandelen- en toestemmingscriterium – één van. Voor de uiteindelijke kwalificatie dient de beantwoording van alle vier de vragen in onderlinge samenhang te worden bezien. Het aansprakelijkheidscriterium zal door het inwerkingtreden van het onderhavige wetsvoorstel geen andere betekenis krijgen.

(6) Heffing van dividendbelasting over ongeoorloofde dividenduitkering

Op basis van het voorgestelde artikel 2:216 lid 3 BW is een aandeelhouder verplicht tot vergoeding van een tekort dat is ontstaan als gevolg van een onverantwoorde (dividend)uitkering door de bv ingeval de aandeelhouder wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. De NOB merkt op dat het arrest van de Hoge Raad van 24 augustus 1999, nr. 34 547, BNB 2000/49, erop lijkt te duiden dat niet wordt teruggekomen op de over een onverantwoorde uitkering geheven dividendbelasting en verzoekt om een teruggaafregeling in de Wet DB 1965 op te nemen voor de geheven dividendbelasting over een onverantwoorde (dividend)uitkering in het geval de dividendbelasting functioneert als eindheffing.

In het aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad beslist dat ingeval het aan een uitgekeerd dividend ten grondslag liggende besluit nietig is wegens strijd met de toepasselijke bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek – het betrof het huidige artikel 2:216 lid 4, juncto artikel 2:14 lid 1 BW – en er om die reden later wordt terugbetaald, dit er niet aan in de weg staat dat de dividenduitkering een winstuitdeling vormt voor de toepassing van de Wet DB 1965. Dividenden die in strijd met de huidige kapitaalbeschermingsregels worden uitgekeerd, zijn thans dus ook onderworpen aan de heffing van dividendbelasting. Dit past bij het objectieve stelsel dat aan de Wet DB 1965 ten grondslag ligt. De Staatssecretaris van Financiën is daarom niet voornemens om voor deze specifieke situatie een teruggaafregeling in de Wet DB 1965 op te nemen.

(7) Overige fiscale aandelencriteria

De NOB vraagt naar het effect van het flexibele bv-recht voor de uitsluiting van de investeringsaftrek voor verplichtingen die zijn aangegaan tegenover gelieerde vennootschappen op grond van artikel 8, achtste lid, onderdeel b en onderdeel c, van de Wet Vpb 1969. Van gelieerdheid in de zin van dat artikel is op basis van de wettekst sprake indien een persoon voor ten minste een derde gedeelte van het nominaal gestorte kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is van de desbetreffende vennootschap.

Het gaat hier om een belang van ten minste een derde van alle aandelen waarin het kapitaal is verdeeld voor zover op die aandelen is gestort. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten aandelen. Het begrip aandeelhouder moet materieel worden getoetst. Onder aandeelhouder wordt op grond van de rechtspraak niet slechts begrepen de eigenaar van de aandelen, doch tevens degene die tot de eigenaar van de aandelen in een zodanige rechtsverhouding staat dat het gehele belang bij de aandelen hem en niet de eigenaar toekomt.

De NOB vraagt zich af wat de gevolgen zijn van het flexibele bv-recht op de in artikel 40 van de Invorderingswet 1990 geregelde aansprakelijkstelling van een gewezen aandeelhouder voor de vennootschapsbelastingschulden van een «lege vennootschap». De NOB wijst op de aandeelhouderstoets in artikel 40 van de Invorderingswet 1990, waar is geregeld dat alleen een belang van ten minste een derde gedeelte van het geplaatste aandelenkapitaal onder de werking van deze aansprakelijkheid valt.

Het maakt voor de toepassing van artikel 40 van de Invorderingswet 1990 niet uit welke soorten aandelen iemand bezit. Er wordt uitgegaan van het totale geplaatste kapitaal van de vennootschap, dus alle soorten aandelen bij elkaar.

Voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit van artikel 11 van de Wet DB 1965 wordt onder meer als voorwaarde gesteld dat de ontvangen winstuitkeringen afkomstig zijn van lichamen waarin de inhoudingsplichtige «voor ten minste 25% van het nominale gestorte kapitaal aandeelhouder» is. De NOB vraagt om een nadere toelichting op het effect van het nieuwe bv-recht op deze voorwaarde.

Artikel 11 van de Wet DB 1965 betreft een faciliteit voor buitenlandse bronbelasting die is ingehouden op door de inhoudingsplichtige ontvangen winstuitkeringen van in het buitenland gevestigde lichamen. De Staatssecretaris van Financiën voorziet daarom geen problemen in het kader van het nieuwe bv-recht.

De leden van de VVD-fractie zouden graag commentaar ontvangen van de regering op de gemaakte opmerkingen en voorstellen in de brief van BDO aan de Eerste Kamer van 8 november 2011.

De reactie volgt hieronder bij de vragen van de PvdA-fractie en voor het overige bij de artikelsgewijze beantwoording in paragraaf 4.

De leden van de PvdA-fractie hebben naar aanleiding van de brief van BDO enkele vragen. In de eerste plaats willen deze leden weten of het de bedoeling is dat ook de certificaathouder wiens vergaderrecht door een vennootschapsorgaan is toegekend, de bescherming van artikel 227 lid 4 geniet.

Het wetsvoorstel voorziet in de toekenning van vergaderrechten door een bij de statuten aangewezen orgaan, teneinde mogelijk te maken dat de vennootschap aan bepaalde certificaten wel en aan andere certificaten geen vergaderrecht toekent, terwijl men niet altijd tevoren kan voorzien wanneer toekenning van vergaderrecht wenselijk is (Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 81). Het is niet de bedoeling dat ook de certificaathouder wiens vergaderrecht door een vennootschapsorgaan is toegekend, de bescherming van artikel 227 lid 4 geniet. Reden hiervoor is dat de vennootschap op deze wijze flexibiliteit behoudt in het al dan niet toekennen, wijzigen en ontnemen van vergaderrecht. De certificaathouder weet dat hij voor de toekenning van vergaderrecht afhankelijk is van een besluit van een vennootschapsorgaan, en heeft dus geen statutair recht dat niet zonder diens toestemming kan worden gewijzigd.

In de tweede plaats vragen de leden van de PvdA-fractie of aan stemrechtloze aandelen wel stemrecht toekomt in de vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding en zij vragen of in de laatste zin van het eerste lid van artikel 175 met de formulering «aandeel met stemrecht» een aandeel met stemrecht in de algemene vergadering is bedoeld.

In artikel 228 lid 5, eerste zin, wordt bepaald dat de statuten kunnen bepalen dat aan aandelen geen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden. De zinsnede «in de algemene vergadering» is toegevoegd bij nota van wijziging, juist om mogelijk te maken dat vennootschappen statutair bepalen dat de benoeming van een bepaalde bestuurder door de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen in plaats van door de algemene vergadering geschiedt (Kamerstukken II, 31 058, nr. 6, p. 39). Ik kan deze leden derhalve bevestigen dat aan stemrechtloze aandelen wel stemrecht toekomt in de vergadering van houders van stemrechtloze aandelen. Dit heeft echter, anders dan BDO meent, geen gevolgen voor het aandeelhoudersregister. Op grond van het voorgestelde artikel 194 moet in het aandeelhoudersregister worden vermeld dat aandelen stemrechtloos zijn, indien aan aandelen ingevolge een statutaire regeling op grond van artikel 228 lid 5 geen stemrecht toekomt. Dat wil zeggen: geen stemrecht in de algemene vergadering. Evenmin zal de beoordeling van de positie van de houders van deze aandelen bij omzetting, fusie en splitsing ingewikkelder zijn dan bij andere houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. Zij zijn stemrechtloze aandeelhouders. Ik kan deze leden eveneens bevestigen dat, in de laatste zin van artikel 175 lid 1, met de formulering «aandeel met stemrecht», een aandeel met stemrecht in de algemene vergadering is bedoeld. Reden hiervoor is dat iedere vennootschap een algemene vergadering nodig heeft die besluiten kan nemen. Zonder ten minste één aandeel met stemrecht kan de algemene vergadering geen besluiten nemen.

In de derde plaats vragen de leden van de PvdA-fractie of met «winstrechtloze aandelen» alle aandelen als bedoeld in artikel 216 lid 7 worden bedoeld en dus ook aandelen die beperkt recht geven op deling in de winst. BDO vraagt of de aandelen, bedoeld in onderdelen a en b van artikel 206a lid 2, aandelen als bedoeld in artikel 216 lid 7 zijn.

Met winstrechtloze aandelen worden enkel bedoeld aandelen zonder winstrecht, dus niet aandelen met een beperkt winstrecht. Bij omzetting in een naamloze vennootschap komen winstrechtloze aandelen te vervallen, omdat de naamloze vennootschap dergelijke aandelen niet kent (vgl. artikel 105 lid 9: geen van de aandeelhouders kan geheel worden uitgesloten van het delen in de winst). Voor naamloze vennootschappen is het wel mogelijk dat aan aandelen een beperkt winstrecht is verbonden. Derhalve is er geen noodzaak voor dergelijke aandelen een bijzondere voorziening te treffen. Artikel 216 lid 7 ziet niet uitsluitend op aandelen zonder winstrecht, maar ook op aandelen die een beperkt recht op deling in de winst of de reserves geven. Hieronder vallen ook aandelen als bedoeld in onderdelen a en b van artikel 206a lid 2.

Ook vraagt BDO of het mogelijk is om een aandeel uit te geven dat niet deelt in de winst, maar wel in een liquidatiesaldo.

Het is mogelijk om een aandeel uit te geven dat niet deelt in de winst, maar wel in het overschot na vereffening. Dat moet dan statutair zo worden bepaald.

Voorts wenst BDO dat in het aandeelhoudersregister ook wordt ingeschreven in hoeverre de uitkeringsrechten beperkt of uitgesloten zijn.

In artikel 194 wordt voorgesteld dat in het aandeelhoudersregister wordt vermeld de soort of aanduiding van de aandelen (Kamerstukken I, 32 426, A, artikel I.1, A, onder f). Indien er aandelen met bijzondere rechten zijn, kan uit de vermelding in het register van de soort of de aanduiding van de aandelen met behulp van de statuten worden vastgesteld welke rechten er wel of niet aan het aandeel zijn verbonden. Die omvatten dus zowel de winst- als de stemrechten.

Ten slotte vragen de leden van de PvdA-fractie of de bepalingen in de één na laatste zin van artikel 389 lid 6 – «Deze reserve kan in kapitaal worden omgezet» – en in artikel 390 lid 2 – «De herwaarderingsreserve kan in kapitaal worden omgezet» – wel in het nieuwe systeem passen, waarin er geen sprake meer is van kapitaalbescherming.

De herwaarderingsreserve vloeit voort uit de Vierde EG Richtlijn vennootschapsrecht (78/660/EEG). Deze richtlijn staat toe dat de herwaarderingsreserve wordt omgezet in kapitaal (artikel 33). Dit betekent dat deze reserve na omzetting in kapitaal alsnog kan worden uitgekeerd, hetzij in het kader van een kapitaalvermindering op grond van artikel 208, hetzij door een uitkering op grond van artikel 216, voor zover wordt voldaan aan de overige vereisten van beide artikelen (vgl. Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 69). Ik acht het niet nodig om deze mogelijkheid te beperken. Hetzelfde geldt ten aanzien van de reserve deelnemingen.

Inwerkingtreding en overgangsrecht

De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de inwerkingtreding en het overgangsrecht. In de eerste plaats wensen zij te vernemen op welk moment de regels gaan veranderen en wat de algemene consequenties voor ondernemers zijn – los van de specifieke bepalingen die in artikel V.2 zijn verwoord. Voorts vragen zij met ingang van wanneer de regering denkt de wet in werking te laten treden. Tevens wensen zij een reactie op de vraag of het gevolg van de inwerkingtreding is dat ondernemers op dat moment hun statuten moeten hebben aangepast en wat er aan voorlichting richting ondernemers gaat gebeuren.

Zoals blijkt uit de inleiding, streef ik ernaar dat beide wetsvoorstellen op 1 juli 2012 in werking kunnen treden. Als algemeen uitgangspunt geldt bij een wetswijziging dat de nieuwe bepalingen vanaf het moment van inwerkingtreding onmiddellijk van toepassing zijn, maar enkel ten aanzien van feiten die na dat moment voorvallen (zie ook artikel 29 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Vanaf dat moment kunnen nieuwe besloten vennootschappen worden opgericht volgens de nieuwe regels, dus zonder verplicht minimumkapitaal. Bestaande besloten vennootschappen worden eveneens geregeerd door het nieuwe bv-recht. Omdat het nieuwe bv-recht veel flexibiliteit biedt, zullen in veel gevallen de bestaande statuten binnen de wettelijke regeling vallen en is er in die gevallen geen noodzaak om de statuten te wijzigen. Artikel V.2 van het wetsvoorstel voor de invoeringswet bevat enige bijzondere bepalingen van overgangsrecht, waarin een termijn wordt gesteld voor een statutenwijziging voor het aandeelhoudersregister, het vergaderrecht voor certificaathouders en belet of ontstentenis van commissarissen. Uiteraard staat het ondernemers met een bestaande bv vrij om de statuten te wijzigen om gebruik te maken van de mogelijkheden die het nieuwe bv-recht biedt. Voor voorlichting over het nieuwe bv-recht zorgen de Kamers van Koophandel.

Verschil bv en niet-beurs nv

De leden van de CDA-fractie vragen hoe lang aandelen aan toonder nog kunnen worden gehandhaafd, gelet op de internationale weerstand daartegen. Deze leden wensen voorts het standpunt van de regering te vernemen over de wenselijkheid van de verschillen tussen de bv, de niet-beurs nv en de beurs nv.

Zoals tijdens het eerdergenoemde wetgevingsoverleg op 26 september 2011 is aangekondigd, ben ik voornemens om in 2012 ook aan te vangen met de modernisering van het nv-recht. Daarin zal het onderscheid tussen de bv, niet-beurs nv en beurs nv nader worden bezien. Hierbij kan ook de vraag naar de omgang met aandelen aan toonder worden betrokken.

Keuzevrijheid rechtsvormen

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de regering denkt over het imago van de bv, ook in internationaal perspectief.

Ik meen dat de bv een betrouwbare rechtsvorm is en blijft, ook in internationaal perspectief. Met de vereenvoudiging en flexibilisering van het bv-recht is de preventieve en formele kapitaalbescherming vervangen door een repressief en materieel stelsel van aansprakelijkheid van bestuurders. Ook is het preventief toezicht bij oprichting vervangen door een doorlopend toezicht op rechtspersonen (Wet van 7 juli 2010, Stb. 2010, 280). Beide zullen naar mijn overtuiging de betrouwbaarheid van de bv ten goede komen, omdat deze vormen van toezicht respectievelijk crediteurenbescherming naar verwachting effectiever zullen zijn dan de «formele» vormen, terwijl zij de regeldruk voor ondernemers verminderen. Met de afschaffing van het minimumkapitaal wijkt de bv niet af van buitenlandse equivalente rechtsvormen. In verschillende andere landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, kan een besloten vennootschap zonder minimumkapitaal worden opgericht en worden schuldeisers beschermd door middel van aansprakelijkheidssancties.

Deze leden vragen voorts of er toch niet behoefte zal ontstaan aan een rechtspersoon met meer ingebouwde zekerheden, waarbij wel een minimuminbreng verplicht is en waarom een dergelijke rechtsvorm niet direct in de wetsvoorstellen is geregeld.

De huidige nv heeft en houdt een verplicht minimumkapitaal van € 40 000 en een op Europese leest geschoeid systeem van kapitaalbescherming. Ondernemers die aan een dergelijke vennootschap behoefte hebben, staat het vrij om een nv op te richten. De keuzevrijheid waar deze leden om vragen, bestaat dus al.

Concordantie met de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba

De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering haar visie deelt dat onderlinge concordantie van privaatrechtelijke wetgeving tussen de BES-eilanden enerzijds met de overige Caribische Rijksdelen en met Nederland anderzijds van groot belang is. Zij vragen of de regering kan bevestigen dat onderlinge concordantie en concordantie met Nederland voor het rechtspersonenrecht met kracht en voldoende middelen zal worden voortgezet.

Met deze leden acht ik concordantie in het privaatrecht van belang. Daartoe is ook een concordantiewerkgroep ingesteld die, wanneer daartoe aanleiding is, bijeenkomt om in voorbereiding zijnde wetgeving op elkaar af te stemmen. Bij de voorbereiding van de wetsvoorstellen heeft de concordantiewerkgroep verschillende keren vergaderd en aanbevelingen gedaan die de afstemming tussen het Nederlandse en het Antilliaanse bv-recht hebben verbeterd. Dit heeft ertoe geleid dat de wetsvoorstellen in belangrijke mate zijn geïnspireerd door de flexibele bv-regeling die al een aantal jaren op de Antillen bestaat. In paragraaf 3 van de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsvoorstel 31 058 is ingegaan op de aanbevelingen van de concordantiewerkgroep (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 058, nr. 6, p. 6 e.v.).

Aantal gerechtelijke procedures

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering verwacht dat de uitgebreidere aansprakelijkheid van bestuurders zal leiden tot grote aantallen gerechtelijke procedures. Zij vragen of er maatregelen worden genomen om een eventuele aanwas van gerechtelijke procedures op te vangen.

Allereerst wijs ik erop dat het nieuwe bv-recht de aansprakelijkheid van bestuurders niet uitbreidt, maar een codificatie vormt van bestaande jurisprudentie. Ik sluit niet uit dat die codificatie in de context van de overige wijzigingen in het bv-recht tot meer gerechtelijke procedures leidt, totdat het samenstel van de nieuwe wetgeving in enige mate in de jurisprudentie is uitgekristalliseerd. Overigens is de vraag of een bestuurder aansprakelijk is vaak afhankelijk van de omstandigheden in een concreet geval. Dit verandert door de wetgeving niet. Ik voorzie niet een zodanige toename van gerechtelijke procedures dat er bijzondere maatregelen nodig zijn.

Aanpassing terminologie

De leden van de VVD-fractie stellen dat op diverse plaatsen in het Burgerlijk Wetboek nog wordt gesproken over de openbare vennootschap en vragen of de terminologie zal worden aangepast, nu de regering heeft aangekondigd de wetsvoorstellen over de personenvennootschappen in te trekken.

Op 15 december 2011 heb ik, daartoe gemachtigd door Hare Majesteit de Koningin, de wetsvoorstellen inzake de vaststelling en invoering van titel 7.13 BW ingetrokken (Kamerstukken I, 28 746 en 31 065, nr. D). Daarmee blijft de huidige terminologie van maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap gehandhaafd. De door deze leden genoemde artikelen spreken slechts over «vennootschap», niet over «openbare vennootschap». Aanpassing is derhalve niet nodig.

3. Vermogen van de vennootschap en bescherming schuldeisers

Uitkeringsregeling en bestuursaansprakelijkheid

De leden van de CDA-fractie menen dat aan de uitkeringsregeling van artikel 216 een dubbele gedachte ten grondslag ligt: enerzijds, dat winst niet als hoofdregel aan de aandeelhouders toekomt, anderzijds, dat de algemene vergadering over het vermogen van de vennootschap (zowel eigen als vreemd) naar goeddunken mag beschikken door uitkeringen aan aandeelhouders vast te stellen, zolang er maar geen sprake is van crediteurenbenadeling. Deze leden vragen of dit een juiste weergave is van de aan de nieuwe regeling ten grondslag liggende gedachten. Voorts vragen deze leden of het vennootschapsbelang nog enige rol in de besluitvorming van de algemene vergadering speelt, of dat de bewaking van het vennootschapsbelang geheel wordt overgelaten aan het bestuur.

Artikel 216 stelt in de eerste plaats buiten kijf dat de winst niet kan worden uitgekeerd zonder een besluit tot winstbestemming. Dit reflecteert de bestaande praktijk.3 In de tweede plaats wordt de bevoegdheid tot bestemming van de winst door de wet beperkt tot de situatie dat het eigen vermogen groter is dan de wettelijke en statutaire reserves. Een verdere beperking blijkt uit het voorschrift dat bestuurders en ontvangers van de uitgekeerde winst aansprakelijk zijn, indien deze wisten of behoorden te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Door deze aansprakelijkheid wordt een aandeelhouder/ontvanger bij de besluitvorming over de winstbestemming aangemoedigd om de belangen van de vennootschapscrediteuren in ogenschouw te nemen. De bewaking van het belang van de vennootschap om haar schulden te kunnen voldoen wordt derhalve niet geheel overgelaten aan het bestuur. Overigens brengt de omstandigheid dat aandeelhouders een stimulans hebben om het belang van schuldeisers mee te wegen, geen verandering in de verantwoordelijkheid van het bestuur en de algemene vergadering met zich.

De leden van de CDA-fractie hebben vervolgens enkele vragen over het instemmingsvereiste in artikel 216 lid 2. Zo vragen zij of het woord «slechts» in lid 2 betekent dat het bestuur in het daar bedoelde geval verplicht is zijn goedkeuring te weigeren. Of moet de bepaling zo worden begrepen dat in het daar bedoelde geval op het bestuur de vennootschappelijke plicht rust de goedkeuring te weigeren?

Lid 2 luidt als volgt: «Het bestuur weigert slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.» Met het woord «slechts» wordt tot uitdrukking gebracht dat het bestuur uitsluitend de goedkeuring mag weigeren, indien de daarna genoemde omstandigheid zich voordoet. Het bestuur heeft daarbuiten geen discretionaire bevoegdheid tot goedkeuring. Anders gezegd: indien het bestuur bijvoorbeeld van oordeel is dat een voorziening moet worden getroffen om toekomstige investeringen mogelijk te maken, is het niet bevoegd om zijn goedkeuring aan het besluit tot bestemming van de winst te onthouden, indien de vennootschap haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat de algemene vergadering bevoegd is om de bestemming van de winst te bepalen binnen de marges van de noodzakelijke schuldeisersbescherming. Indien het bestuur geen gebruik maakt van zijn weigeringsbevoegdheid, lopen de bestuurders het risico om aansprakelijk te worden gesteld, indien zij wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van de opeisbare schulden.

Daarop aansluitend vragen de leden van de CDA-fractie of er niettemin sprake is van een geldig (onaantastbaar) goedkeuringsbesluit, als het bestuur de gevraagde goedkeuring geeft terwijl het redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.

De goedkeuring van het besluit tot winstbestemming vereist geen uitdrukkelijk besluit van het bestuur. De goedkeuring kan ook impliciet worden verleend, bijvoorbeeld door betaalbaarstelling van het dividend. Indien het bestuur wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden en toch goedkeuring verleent aan het besluit, is het bestuur aansprakelijk op grond van lid 3. Deze aansprakelijkheid komt in de plaats van de nietigheid van de besluitvorming (zie Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 31); het besluit is dus geldig en de crediteuren worden beschermd door de mogelijkheid van aansprakelijkheidsstelling. Een besluit tot winstbestemming dat niet voldoet aan het vereiste in het voorgestelde artikel 216 lid 1 dat het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden, is wel nietig.

Voorts vragen deze leden of de redelijke voorzienbaarheid naar objectieve maatstaven wordt vastgesteld en vragen zij naar de gevolgen van een besluit tot weigering van de uitkering, terwijl er naar objectieve maatstaven niet aan het criterium is voldaan.

De bewoordingen «redelijkerwijs behoort te voorzien» verwijzen naar geobjectiveerde maatstaven. Uit de formulering «redelijkerwijs te voorzien» volgt dat het oordeel van de bestuurders in de tijd beperkt zal zijn tot een redelijke periode vanaf de uitkering, in de regel één jaar na de uitkering (vgl. Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 71). Evenmin als voor de goedkeuring door het bestuur, is voor de weigering een uitdrukkelijk besluit vereist. De weigering kan ook impliciet blijken uit het niet-betaalbaarstellen van het dividend. Indien de algemene vergadering besluit tot uitkering van de winst en het bestuur weigert tot uitkering over te gaan, heeft het besluit tot uitkering geen gevolgen. Indien het bestuur weigert tot uitkering over te gaan zonder zich erop te beroepen dat redelijkerwijs is te voorzien dat de vennootschap na uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, treedt het bestuur buiten zijn bevoegdheid op grond van artikel 2:216 lid 2 (vgl. ook het antwoord op de eerdere vraag van deze leden over het woord «slechts»). De algemene vergadering zou een weigerachtig bestuur kunnen ontslaan.

Tevens willen de leden van de CDA-fractie weten of het ten onrechte verlenen van goedkeuring een zelfstandige grond voor aansprakelijkheid kan zijn, en, indien hierop bevestigend wordt geantwoord, of die aansprakelijkheid verder kan gaan dan de in lid 3 aangegeven grenzen, bijvoorbeeld omdat het verlenen van die goedkeuring als onbehoorlijke taakvervulling en een belangrijke oorzaak van een daarop volgend faillissement kan worden aangemerkt.

Het ten onrechte verlenen van goedkeuring is geen zelfstandige grond voor aansprakelijkheid. In de opzet van artikel 216 heeft een besluit van de algemene vergadering dat strekt tot uitkering geen gevolgen zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Dientengevolge zal er uitsluitend een uitkering plaatsvinden, indien het bestuur deze heeft goedgekeurd. De aansprakelijkheid van het bestuur kan derhalve niet ontstaan zonder dat het zijn goedkeuring heeft verleend. De norm van lid 2 («indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden») is geschonden, indien het bestuur ten onrechte goedkeuring heeft verleend. Dit is dezelfde norm als in lid 3, met dien verstande dat het moment dat het bestuur het besluit goedkeurt (lid 2) eerder kan liggen dan het moment waarop het bestuur uitkeert c.q. betaalbaar stelt (lid 3). Voor de aansprakelijkheid van het bestuur is steeds beslissend het moment waarop het bestuur uitkeert c.q. betaalbaar stelt.

Vervolgens vragen deze leden naar de samenloop van artikel 216 lid 3 met artikel 42 Faillissementswet. Heeft de curator ook de mogelijkheid het goedkeuringsbesluit dan wel het uitkeringsbesluit te vernietigen op grond van artikel 42 Fw, met andere en verdergaande gevolgen voor de ontvangers van de uitkering dan in artikel 216 lid 3 omschreven, zo vragen deze leden. Voorts vragen zij of onder omstandigheden hetzelfde geldt voor het door de algemene vergadering genomen uitkeringsbesluit.

Artikel 216 bevat een specifieke regeling ten opzichte van de algemene regeling van de actio pauliana. Het ligt dan in de rede dat de vennootschap, dan wel de curator, zich beroept op artikel 216 en niet op artikel 42 Fw ingeval een uitkering heeft geleid tot het niet kunnen voortgaan met het betalen van de opeisbare schulden door de vennootschap (men zie ook het antwoord op een vergelijkbare vraag van deze leden over artikel 207 in paragraaf 4 hieronder). Zoals in reactie op de vorige vraag van de leden van de CDA-fractie is vermeld, heeft het door de algemene vergadering genomen uitkeringsbesluit geen gevolgen zo lang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Na goedkeuring ontvangen de aandeelhouders de uitkering en zal de curator zich op artikel 216 kunnen beroepen om (een deel van) de uitkering terug te vorderen; ook hier zal de curator artikel 42 Fw niet nodig hebben.

In aansluiting hierop vragen de leden van de CDA-fractie of artikel 3:45 BW toepassing kan vinden.

Artikel 3:45 BW geeft de mogelijkheid aan schuldeisers om een onverplichte rechtshandeling te vernietigen die één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden benadeelt. Schuldeisers hebben geen mogelijkheid om artikel 216 in te roepen, omdat de in dat artikel geregelde aansprakelijkheid geldt jegens de vennootschap en niet jegens derden zoals schuldeisers. Voor zover een uitkeringsbesluit kwalificeert als een onverplichte rechtshandeling, staat artikel 3:45 BW open voor schuldeisers.

Ten slotte wensen de leden van de CDA-fractie te vernemen of de praktijk wel uit de voeten kan met artikel 216 leden 2 en 3 en of deze bepaling niet nog lang tot ingewikkelde vragen en meningsverschillen aanleiding zal geven.

Ik verwacht dat de praktijk goed uit de voeten zal kunnen met de nieuwe regeling. De Werkgroep Fiscaal Jaarrapport van het Nationale Taxonomieproject heeft hierover een notitie opgesteld, waarbij wordt aangesloten op de dagelijkse praktijk. In deze werkgroep zijn onder meer accountantskantoren en belastingadviseurs vertegenwoordigd. Voor de uitkering acht de werkgroep twee vragen van belang: 1) Was de onderneming de afgelopen jaren winstgevend en is dit ook de verwachting voor het lopende boekjaar (continuïteitsanalyse), en zo ja, 2) wat is op grond van de liquiditeitspositie van de vennootschap de maximale uitkeringsruimte. Dit laatste wordt bepaald aan de hand van financiële indicatoren (quick ratio en operationele kasstroom), rekening houdend met toekomstige verplichtingen, toekomstverwachtingen en overige onzekerheden.4 Ik kan niet genoeg benadrukken dat ook thans aandeelhouders en bestuurders zich rekenschap moeten geven van de verhaalsmogelijkheden die de vennootschap biedt bij het al dan niet doen van een uitkering aan aandeelhouders. Dat is niet nieuw. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag hierboven van de ChristenUnie-fractie over het aantal gerechtelijke procedures.

De leden van de D66-fractie vragen om de argumentatie ten aanzien van de bedoeling van artikel 216 samen te vatten.

Artikel 216 beoogt de bestaande jurisprudentie inzake uitkeringen aan aandeelhouders te codificeren. De aansprakelijkheid van bestuurders wordt met de nieuwe regeling niet verzwaard, maar nader ingevuld en verduidelijkt. Zo wordt het bestuur een formele positie toegekend met betrekking tot de bevoegdheid tot winstbestemming door de algemene vergadering. Voorts wordt de aansprakelijkheidsstelling van bestuurders en ontvangers van de uitkeringen begrensd tot het tekort dat door de uitkering is ontstaan.

Deze leden zouden ook graag een toelichting ontvangen op de vraag op welk moment een uitkering aan de uitkeringstest van artikel 216 dient te voldoen. Tussen het verlenen van de goedkeuring en de betaalbaarstelling van het dividend kunnen zich ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de uitkering op het moment van betaalbaarstelling niet langer aan de uitkeringstest voldoet. Moet het bestuur op dit moment wederom de uitkering toetsen aan artikel 216?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie hierboven over een ten onrechte verleende goedkeuring als zelfstandige grond voor aansprakelijkheid. Voor de aansprakelijkheid van het bestuur is steeds beslissend het moment waarop het bestuur het dividend betaalbaar stelt.

De leden van de ChristenUnie vragen of het feit dat er niet is gekozen voor omkering van de bewijslast met betrekking tot de aansprakelijkheid van bestuurders, een beperking van de bescherming van de schuldeisers betekent. Deze leden vragen voorts om een nadere precisering van de «onevenredig zware druk» op bestuurders en zij vragen of de aansprakelijkheid van recent aangetreden bestuurders niet op andere wijze was te voorkomen.

Er is niet voor gekozen om de omkering van de bewijslast voor te schrijven. Daardoor bestaat er meer ruimte om rekening te houden met de omstandigheden van het geval. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan uit de redelijkheid en billijkheid een verdeling van de bewijslast voortvloeien, die afwijkt van de hoofdregel dat de partij die stelt ook moet bewijzen. De bewijslastverdeling zal dus aan de hand van de omstandigheden van het geval door de rechter worden bepaald. Daarbij ligt in de rede dat in aanmerking wordt genomen de mate van zeggenschap die de bestuurder in de vennootschap heeft ten tijde van de procedure en ten tijde van de uitkering. Het kan in de rede liggen dat de bewijslast bij de bestuurder berust, omdat deze beschikt over de informatie die verband houdt met de totstandkoming van het besluit. Een reden om de bewijslast niet bij de bestuurder te leggen kan bijvoorbeeld gelegen zijn in de omstandigheid dat een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden tussen het moment van de uitkering en het faillissement. De voormalig bestuurder kan dan voor zijn disculpatiepleidooi onvoldoende geëquipeerd zijn. Hij heeft immers geen binding meer met de vennootschap en dus ook geen toegang meer tot de boeken en bescheiden van de vennootschap. De recent aangetreden bestuurder was ten tijde van de uitkering geen bestuurder en kan derhalve ook niet aansprakelijk worden gesteld op grond van artikel 2:216 lid 3. In dat geval ligt het meer voor de hand dat de bewijslast berust bij degene die zich op de aansprakelijkheid beroept (de vennootschap of de curator).

Voorts vragen deze leden of de regering het denkbaar acht dat ook zonder uitkering benadeling van schuldeisers kan ontstaan, bijvoorbeeld door aan te sturen op een faillissement en de failliete boedel voor een «prikkie» te laten opkopen door een andere rechtspersoon waarbij zij direct of indirect betrokken zijn. Hoe wil de regering voorkomen dat de nieuwe flex-bv op dergelijke wijze wordt misbruikt en bieden de huidige vormen van aansprakelijkheid in de praktijk wel voldoende handvatten om dit soort misstanden aan te pakken, zo wensen deze leden te vernemen.

Ik acht het van groot belang dat misbruik van besloten vennootschappen wordt tegengegaan. Het is denkbaar dat benadeling van schuldeisers op andere wijze plaatsvindt dan via een uitkering aan aandeelhouders, zoals de leden van de ChristenUnie-fractie terecht stellen. Om misbruik van besloten vennootschappen aan te pakken zijn er de volgende maatregelen. Sinds 1 juli 2011 wordt doorlopend toezicht uitgeoefend op rechtspersonen, dus ook op besloten vennootschappen (Kamerstukken 31 948, Stb. 2010, 280, Inwerkingtredingsbesluit Stb. 2011, 194). Schuldeisers kunnen zelf een actio pauliana instellen op grond van artikel 3:45 BW. In geval van faillissement kan de curator de bestuurders aansprakelijk stellen wegens onbehoorlijke taakvervulling op grond van artikel 2:248 BW en vernietiging van onverplichte rechtshandelingen vorderen op grond van artikel 42 Fw. Eén en ander biedt naar mijn mening voldoende handvatten om misstanden aan te pakken.

Hoofdelijke aansprakelijkheid aandeelhouders

De leden van de CDA-fractie vragen of artikel 192 lid 1 onder a door de nota van wijziging in die zin is veranderd dat een statutaire bepaling waarin aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk zijn voor bepaalde of alle schulden van de bv, meebrengt dat alleen de vennootschap kan afdwingen dat de betrokken aandeelhouder aan de derde betaalt, of zich daartoe jegens de derde verbindt of dat er verplichtingen ontstaan die door de betrokken derden rechtstreeks kunnen worden afgedwongen.

Door in de statuten te bepalen dat aandeelhouders hoofdelijk zijn verbonden voor de schulden van de vennootschap, kunnen aandeelhouders in dit opzicht een gelijkenis met de vennootschap onder firma bewerkstelligen. De kenbaarheid van een dergelijke verplichting blijkt uit de statutaire neerlegging ervan. Hiermee ontstaat – naast de statutaire verplichting van de aandeelhouder waarvan de nakoming door de vennootschap kan worden afgedwongen – een verplichting van de aandeelhouder van verbintenisrechtelijke aard die door een derde rechtstreeks kan worden afgedwongen, vergelijkbaar met de verbondenheid van vennoten in een vennootschap onder firma.

Minimumkapitaal

De leden van de CDA-fractie vragen naar de zin van de afschaffing van het verplichte minimumkapitaal onder de handhaving van de nominale waarde van aandelen. Zou het niet veel beter zijn de verplichting om de aandelen een nominale waarde in geld mee te geven, te schrappen, zoals dit ook op de voormalige Antillen is gebeurd, zo vragen deze leden.

Het afschaffen van de verplichting tot het bijeenbrengen van een minimumkapitaal heeft tot gevolg dat niet langer de wetgever bepaalt welk bedrag is vereist, maar de aandeelhouders zelf, afhankelijk van hun behoeften en die van de vennootschap. Er is geconsulteerd over het afschaffen van de nominale waarde. In de meerderheid van de reacties is een voorkeur uitgesproken voor de handhaving van de nominale waarde. Ook in een systeem zonder kapitaalbescherming kan de nominale waarde behulpzaam zijn bij het vaststellen van aandeelhoudersrechten. Bovendien leidt een systeem dat uitgaat van aandelen zonder nominale waarde niet noodzakelijkerwijs tot een vereenvoudiging van de wettelijke regeling.

Voorts vragen deze leden of de regering in het kader van eventuele plannen om het recht van de niet-beurs nv aan te passen aan het recht van de flex-bv zou willen toezeggen dat de vraag of aandelen een nominale waarde moeten hebben, opnieuw zal worden bekeken.

In de memorie van toelichting is gesteld dat de Europese ontwikkelingen op dit punt kunnen worden afgewacht en zonodig opnieuw bezien. Ik constateer dat er sindsdien geen concrete voorstellen van de zijde van de Europese Commissie op dit punt zijn gekomen. Bij de modernisering van het nv-recht zullen, evenals destijds bij het bv-recht, in de praktijk gesignaleerde knelpunten en lacunes worden geïdentificeerd. Indien vanuit de praktijk blijk wordt gegeven van een (hernieuwde) behoefte aan aandelen zonder nominale waarde, kan daarmee rekening worden gehouden bij eventuele voorstellen van de Europese Commissie dienaangaande.

4. Artikelsgewijs

Zoals hiervoor in paragraaf 2 is aangekondigd, zal ik in deze artikelsgewijze beantwoording tevens op verzoek van de leden van de VVD-fractie de vragen beantwoorden die zijn gesteld in de brief van BDO aan uw Kamer van 8 november 2011.

Artikel 178

De leden van de CDA-fractie vragen of de vreemde geldeenheid waarin het nominale bedrag van de aandelen op grond van artikel 178 lid 2 kan luiden, vrij verhandelbaar moet zijn.

Uit het systeem van de wet volgt dat de vreemde geldeenheid waarin het nominale bedrag van de aandelen kan luiden, vrij verhandelbaar moet zijn. Artikel 178 lid 2 bepaalt dat het bedrag van het maatschappelijke en het geplaatste kapitaal en het gestorte deel daarvan, alsmede het nominale bedrag van de aandelen in een vreemde geldeenheid kunnen luiden. Daarmee is bedoeld dat al deze bedragen in dezelfde vreemde geldeenheid kunnen luiden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat het maatschappelijk kapitaal in bijvoorbeeld dollars luidt en het gestorte kapitaal in roebels. Dat zou te ingewikkeld worden. Op grond van artikel 191a lid 3 wordt aan de stortingsplicht voldaan voor het bedrag waartegen het gestorte bedrag vrijelijk in Nederlands geld kan worden gewisseld. Bepalend is de wisselkoers op de dag van de storting. Dat betekent dat uitsluitend vrij verhandelbare valuta in aanmerking komt voor storting. En daarmee is gegeven dat ook het nominale bedrag van de aandelen vrij verhandelbaar moet zijn.

De brief van BDO suggereert dat in artikel 178 lid 1 ook aandelen «van bepaalde aanduiding» expliciet zouden moeten worden vermeld.

Artikel 178 ziet op de vermelding in de statuten van aandelen van een bepaalde soort. Als een aandeel van een bepaalde aanduiding geldt bijvoorbeeld het unieke nummer van een aandeel.

Deze toevoeging is in verschillende bepalingen opgenomen, om aan de gezamenlijke houders van dergelijke aandelen als orgaan bevoegdheden te kunnen toekennen, zonder dat hiervoor een nieuwe soort aandelen behoeft te worden uitgegeven. Zou een dergelijke aanduiding in de statuten moeten worden vermeld, dan zou de beoogde flexibiliteit niet worden gerealiseerd. Derhalve neem ik de suggestie niet over.

Artikel 178a en 178c

BDO vraagt of het nog nodig is om de beperking dat aandelen in de statuten tot maximaal twee cijfers achter de komma mogen worden weergegeven te handhaven in artikel 178a en 178c, terwijl deze is geschrapt in artikel 178 lid 1.

Dit is inderdaad niet nodig. Bij gelegenheid kan de beperking worden geschrapt.

Artikel 181

De leden van de CDA-fractie vragen of mag worden aangenomen dat het in het wetsvoorstel invoeringswet in artikel I.1.E voorgestelde artikel 181 de wijziging van artikel I.1.A, onderdeel d, van artikel 181 lid 2, terzijde stelt.

Het in artikel I.1.E voorgestelde artikel 181 is bij amendement van de leden Van der Steur en Van Toorenburg aangenomen (Kamerstukken II, 32 426, nr. 25). Daarbij is verzuimd onderdeel d van artikel I.1.A te laten vervallen. Echter, doordat in het wetsvoorstel artikel I.1.E volgt op de wijziging door artikel I.1.A, onderdeel d, zal artikel 181 lid 2 gaan luiden zoals verwoord in artikel I.1.E. De bewoordingen van artikel 181 lid 2, eerste zin, luiden derhalve na inwerkingtreding van de wetswijziging als volgt: «Na een besluit tot omzetting in een vereniging, stichting, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij kan iedere aandeelhouder, daaronder begrepen iedere houder van stemrechtloze of winstrechtloze aandelen, die niet met het besluit tot omzetting heeft ingestemd, de vennootschap schadeloosstelling vragen voor het verlies van zijn aandelen.» Dat is naar ik aanneem overeenkomstig de bedoeling van de indieners van het amendement.

Voorts vragen deze leden of het toepassingsbereik van artikel 181 lid 5 beperkt zou moeten worden, omdat de gekozen formulering naar de mening van deze leden meebrengt dat zij ook van toepassing is bij de omzetting in een nv, en er op die wijze een bres wordt geslagen in de bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen besluiten tot statutenwijziging waarbij afbreuk wordt gedaan aan hun rechten.

Artikel 181 lid 5 is oorspronkelijk als lid 6 toegevoegd bij nota van wijziging van het wetsvoorstel voor de invoeringswet, teneinde te voorkomen dat de houders van stemrechtloze aandelen dubbele bescherming genieten: met hen wordt onderhandeld over hun positie na de omzetting dan wel over schadeloosstelling en hun hoeft niet in een vergadering van houders van aandelen van een bijzondere soort – stemrechtloze aandelen – goedkeuring gevraagd te worden voor de omzetting. Het artikellid luidde oorspronkelijk als volgt: «Artikel 231 lid 4 is niet van toepassing ten aanzien van houders van de stemrechtloze of winstrechtloze aandelen in geval van een besluit tot statutenwijziging in het kader van een omzetting van de vennootschap in een andere rechtsvorm» (Kamerstukken II, 32 426, nr. 8). Na het bovengenoemde amendement van de leden Van der Steur en Van Toorenburg luid het thans voorgestelde lid: «Artikel 231 lid 4 is niet van toepassing ten aanzien van een besluit tot statutenwijziging in het kader van een omzetting van de vennootschap in een andere rechtsvorm.» Deze wijziging is niet toegelicht. De huidige formulering van artikel 181 lid 5 leidt ertoe, dat de bescherming van artikel 231 lid 4 wordt onthouden aan elke groep houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding als bedoeld in artikel 231 lid 4, dus niet uitsluitend houders van stemrechtloze of winstrechtloze aandelen. De houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding hebben recht op schadeloosstelling ingevolge artikel 181 lid 2, indien zij in de algemene vergadering niet met de omzetting in een vereniging, stichting, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij hebben ingestemd. In geval van omzetting in een naamloze vennootschap hebben houders van aandelen van een bijzondere soort of aanduiding die geen stemrechtloze of winstrechtloze aandelen zijn, geen recht op schadeloosstelling en genieten zij evenmin bescherming op basis van artikel 231 lid 4.

Tevens wensen deze leden te vernemen, waarom uitsluitend artikel 231 lid 4 buiten toepassing wordt verklaard en niet ook de artikelen 195 lid 3, 216 lid 8, 226 lid 2, 228 leden 4 en 5, 242 lid 1, 252 lid 1 en 253, die eveneens als artikel 231 lid 4 voorzien in de bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen een statutenwijziging.

Artikel 231 lid 4 is buiten toepassing verklaard om te voorkomen dat aandeelhouders dubbel worden beschermd in geval van een voorgenomen omzetting van de bv, dat wil zeggen zowel een instemmingsrecht ten aanzien van het besluit tot omzetting – dat immers steeds een statutenwijziging behelst – als een recht op schadeloosstelling. De overige genoemde artikelen bieden een bescherming tegen wijziging van specifieke statutaire bepalingen.

De leden van de CDA-fractie vragen of met houders van winstrechtloze aandelen in de artikelen 181, 330a en 334ee uitsluitend wordt gedoeld op aandelen die geen recht geven op dividend, of dat wordt gedoeld op aandelen die geen recht geven op dividend en evenmin op reserves en een aandeel in het liquidatieoverschot.

Houders van winstrechtloze aandelen hebben geen recht op dividend. Houders van aandelen die geen recht geven op dividend en evenmin op reserves en een aandeel in het liquidatieoverschot zijn derhalve ook houders van winstrechtloze aandelen.

In de brief van BDO wordt gesuggereerd om de woorden «iedere aandeelhouder, daaronder begrepen» in artikel 181 lid 2, te vervangen door «iedere aandeelhouder, daaronder mede begrepen», teneinde te voorkomen dat het uittreedrecht uitsluitend toekomt aan houders van stemrechtloze en winstrechtloze aandelen.

Met «daaronder begrepen» wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven. Hetzelfde geldt voor «daaronder mede begrepen». De niet-limitatieve opsomming dient met name ter verduidelijking dat ook stemrechtloze aandeelhouders een instemmingsrecht hebben. Aandeelhouders met beperkt stemrecht of winstrecht vallen ook onder de zinsnede «iedere aandeelhouder».

Artikel 183

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat in geval van omzetting de verklaring van geen bezwaar in artikel 183 lid 1 met ingang van 1 juli 2011 is komen te vervallen, maar in wetsvoorstel voor de vaststellingswet weer herleeft.

De herleving van de verklaring van geen bezwaar is niet beoogd. Deze fout zal zo snel mogelijk worden hersteld.

Artikel 189a

In de brief van BDO wordt erop gewezen dat in artikel 189a naar artikel 210 lid 7 zou moeten worden verwezen in plaats van naar lid 6.

Dit is correct. Bij gelegenheid zal deze fout worden hersteld.

Artikel 192

De leden van de CDA-fractie wensen te vernemen of in het geval dat een statutaire kwaliteitseis is ingevoerd en dat op een later moment bij besluit tot statutenwijziging het niet voldoen aan deze eis leidt tot opschorting van het stemrecht, de aandeelhouder op dezelfde wijze wordt beschermd als wanneer deze statutenwijziging tegelijkertijd met de invoering van de kwaliteitseis zou hebben plaatsgevonden.

Ik kan deze leden bevestigend antwoorden. Uit het oogpunt van bescherming van minderheidsaandeelhouders in artikel 192 volgt dat, ook in geval een statutaire sanctie als opschorting van het vergaderrecht, stemrecht of recht op dividend, op een later moment wordt ingevoerd dan de statutaire verplichting of kwaliteitseis waaraan de sanctie is verbonden, de minderheidsaandeelhouder op gelijke wijze wordt beschermd als bij de invoering van deze statutaire verplichting of kwaliteitseis.

Voorts vragen deze leden naar de betekenis van de woorden «tegen de wil van de aandeelhouder» in artikel 192 lid 1. Zij wensen te vernemen of een aandeelhouder die tegen de statutenwijziging heeft gestemd, desondanks aan de regeling wordt onderworpen als hij nadien aandelen koopt, of als hij nieuwe aandelen neemt bij een emissie, bijvoorbeeld ingeval het vermogen van een aandeelhouder onder bewind is gesteld, er een statutaire kwaliteitseis wordt ingevoerd dat de aandeelhouders het vrije beheer over hun vermogen dienen te hebben en wordt besloten tot een emissie.

De statutaire verplichtingen en eisen, bedoeld in artikel 192 lid 1, onder a en b, zijn verbonden aan het aandeelhouderschap, niet aan de aandelen. De verplichting tot aanbieding en overdracht, bedoeld in artikel 192 lid 1, onder c, zal steeds als sanctie gekoppeld zijn aan het niet voldoen aan een statutaire eis of verplichting. Uit het feit dat een verplichting of eis is gekoppeld aan het aandeelhouderschap, volgt dat een aandeelhouder die tegen de statutenwijziging heeft gestemd, bescherming geniet, ongeacht of hij na de statutenwijziging meer aandelen heeft verworven.

In de brief van BDO wordt gevraagd om verduidelijking van de positie van de stemrechtloze aandeelhouder bij de invoering van een statutaire verplichting.

De stemrechtloze aandeelhouder heeft dezelfde bescherming als andere aandeelhouders; een statutaire eis of verplichting kan niet tegen zijn wil worden opgelegd. Deze wil is vergelijkbaar met het instemmingsvereiste van een vergadergerechtigde, bedoeld in artikel 227 lid 4; er is geen sprake van besluitvorming, noch van het uitoefenen van stemrecht. Bij de invoering van een statutaire verplichting zal derhalve aan de stemrechtloze aandeelhouder moeten worden gevraagd of hij met de invoering instemt. Het instemmingsvereiste in het voorgestelde artikel 192 beoogt de minderheidsaandeelhouder te beschermen tegen benadeling van zijn persoonlijke vermogen. De aandeelhouder mag er immers van uitgaan dat hij niet is gebonden tot een hoger bedrag dan waartoe hij in het kader van de volstorting van zijn aandelen is gehouden. De bescherming tegen «extra» verplichtingen op grond van artikel 192 geldt derhalve ongeacht of de aandeelhouder stemrecht heeft.

Artikel 192a

De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er sprake is van «onmogelijkheid» of «uiterste bezwaarlijkheid» in de zin van artikel 192a lid 1 en of hiertoe voldoende is dat de aandeelhouder meent dat hij niet de gewenste prijs voor zijn aandelen ontvangt.

Het begrip «onmogelijk of uiterst bezwaarlijk» is ontleend aan de huidige regeling voor blokkering van aandelen in artikel 195 lid 8 (vgl. het voorgestelde artikel 195 lid 5). Artikel 192a lid 1, eerste zin, ziet op het geval dat een aandeelhouder die niet is gebonden aan een statutaire eis of verplichting, zijn aandelen wil overdragen, maar de overdracht onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is in verband met de gebondenheid van de verkrijger aan die eis of verplichting. De aandeelhouder kan in dat geval de vennootschap verzoeken om gegadigden aan te wijzen aan wie hij zijn aandelen kan overdragen volgens een regeling in de statuten. Met deze regeling wordt beoogd een evenwicht te vinden tussen enerzijds het belang van de aandeelhouder om niet te worden «opgesloten» in de vennootschap en anderzijds het belang van de vennootschap dat aandeelhouders niet vrij kunnen uittreden op kosten van de vennootschap. «Onmogelijk» betekent dat uit de eis of de verplichting zelf voortvloeit, dat hieraan niet (langer) kan worden voldaan. Van «onmogelijkheid» kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de statuten de eis stellen dat uitsluitend nakomelingen van de oprichter aandeelhouder kunnen zijn, terwijl die er niet meer zijn. Over het criterium van «uiterste bezwaarlijkheid» kan het volgende opgemerkt worden. Uit het vereiste van «uiterste bezwaarlijkheid» vloeit voort dat een aandeelhouder eerst zelf op zoek gaat naar gegadigden. Indien een aandeelhouder meent dat hij niet de gewenste prijs voor zijn aandelen ontvangt, betekent dit dat hij in ieder geval een gegadigde heeft gevonden. Of er wordt voldaan aan het criterium «uiterste bezwaarlijkheid» zal door de rechter van geval tot geval worden beoordeeld. Daarbij kan ook het verschil tussen de geboden en de gewenste prijs van belang zijn.

Voorts wensen deze leden te vernemen of de deskundigen bij het bepalen van de prijs, bij toepassing van artikel 192a, de desbetreffende verbintenis of prijsbepalingsregeling buiten beschouwing laten. Zij vragen zich af of de deskundigen in de bepalingen van de prijs mogen of moeten verdisconteren dat op de aandelen een verbintenis rust, dan wel dat er een specifieke prijsbepalingsregeling geldt indien de gegadigden, die de vennootschap aandraagt, aan de desbetreffende verbintenis dan wel prijsbepalingsregeling zijn gebonden.

De statutaire regeling volgens welke de niet-gebonden aandeelhouder zijn aandelen kan overdragen, indien de overdracht aan een gebonden aandeelhouder onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is, dient zodanig te zijn dat de aandeelhouder die dit verlangt een prijs ontvangt, gelijk aan de waarde van zijn aandeel of aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen, ingevolge artikel 192a lid 1 juncto artikel 192 lid 3. Bij de prijsbepaling moet de deskundige rekening houden met het feit dat de verkrijgende aandeelhouder gebonden is aan de verplichting of eis. Pas indien de vennootschap voor die prijs geen gegadigden kan vinden, kan de aandeelhouder zijn aandelen aan een ander overdragen en is de verkrijger niet gebonden aan de statutaire verplichting of eis (artikel 192a lid 1, laatste zin). Hetzelfde geldt indien er een specifieke prijsbepalingsregeling is.

Artikel 194

In de brief van BDO wordt de suggestie gedaan om de bestaande verplichting tot inzage van de gegevens omtrent niet-volgestorte aandelen aan eenieder in artikel 194 lid 5 (nieuw) te laten vervallen, nu het systeem van kapitaalbescherming wordt verlaten. Ook kan artikel 22 Handelsregisterbesluit worden aangepast.

Deze suggestie kan op een later moment worden bezien.

Artikel 207

De leden van de CDA-fractie vragen of de regeling in leden 3 en 4 van artikel 207 uitsluit dat, indien de schade omvangrijker is dan het tekort dat door de verkrijging is ontstaan, de bestuurder dan wel de aandeelhouder tot vergoeding van de gehele schade wordt aangesproken op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatige daad. Zo niet, wordt dan aan de positie van crediteuren niet te zeer afbreuk wordt gedaan door de voorgestelde regeling, zo vragen deze leden.

Artikel 207 lid 3 kent, vergelijkbaar met artikel 216, een bijzondere regeling voor de aansprakelijkheid indien de vennootschap na een verkrijging anders dan om niet, niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. Artikel 207 lid 3 bevat een uitputtende regeling voor de gevolgen van de verkrijging van aandelen door de vennootschap anders dan om niet. De bestuurder is jegens de vennootschap hoofdelijk gebonden tot vergoeding van het tekort dat door de verkrijging is ontstaan, terwijl de vervreemder is gehouden tot vergoeding van het tekort dat door de verkrijging van zijn aandelen is ontstaan, voor ten hoogste de verkrijgingsprijs van de door hem vervreemde aandelen. Aansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatige daad voor vergoeding van de overige schade worden aangesproken is uitsluitend aan de orde, indien andere oorzaken daaraan ten grondslag liggen dan de verkrijging van de aandelen anders dan om niet door de vennootschap. Ik meen dat de positie van crediteuren met deze regeling voldoende is gewaarborgd; de regeling vormt de weerslag van de afweging tussen de belangen van bestuurders, aandeelhouders en crediteuren.

Artikel 207a

In de brief van BDO wordt gevraagd of wettelijk zou moeten worden bepaald dat ook een verkrijging onder bijzondere titel door de vennootschap van aandelen in haar kapitaal nietig is, of ten minste voor dat geval een zelfde overgang van een aandeel met stemrecht op de gezamenlijke bestuurders moet worden geregeld als in de artikelen 207a lid 2 en 207d lid 2.

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 65) wordt gewag gemaakt van de wenselijkheid van een regeling die betrekking heeft op de situatie waarin een vennootschap als gevolg van een verkrijging van eigen aandelen onder algemene titel (bv. door erfopvolging) alle aandelen in haar eigen kapitaal zou verwerven. Hierbij is doorslaggevend dat een verkrijging onder algemene titel de vennootschap kan «overkomen», terwijl een verkrijging onder bijzondere titel een handeling van de vennootschap vereist. Voor een verkrijging onder algemene titel is het daarom van belang dat artikel 207a lid 2 een «vangnet» bevat. Voor een verkrijging onder bijzonder titel ligt dit anders. Aangezien artikel 175 bepaalt dat ten minste één aandeel met stemrecht wordt gehouden door een ander dan de vennootschap, is de verkrijging van het laatste aandeel door de vennootschap nietig op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. Het is derhalve niet nodig om dit in artikel 207a nader te regelen.

Artikel 207c

De leden van de CDA-fractie vragen of het vervallen van artikel 207c met zich brengt dat het een bv naar komend recht vrijstaat om koers- of waardegaranties ten behoeve van haar aandeelhouders af te geven, en zo ja, of hieraan grenzen worden gesteld. Zij vragen of de regering het wenselijk vindt dat de vennootschap dergelijke garanties afgeeft.

De reden voor het doen vervallen van artikel 207c is gelegen in de onduidelijkheid die deze bepaling in de praktijk oproept. In plaats van vast te stellen of een transactie al dan niet valt onder de criteria van artikel 207c, is ervoor gekozen om de algemene regels van behoorlijke taakvervulling en tegenstrijdig belang van toepassing te laten zijn. Op voorhand valt niet goed in te zien dat het geven van een koersgarantie door de vennootschap ten behoeve van haar aandeelhouders in het belang van de vennootschap zal zijn. Dientengevolge zal het geven van een koersgarantie eerder tot onbehoorlijke taakvervulling kunnen leiden dan bijvoorbeeld het verstrekken van een lening aan een aandeelhouder. In plaats van een absoluut verbod laat het vervallen van artikel 207c de mogelijkheid open dat in een concreet geval het geven van een koersgarantie geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert.

Artikel 208

De leden van de CDA-fractie vragen of artikel 208 leden 3 en 4 zich ertegen verzet dat bepaalde, nader aangeduide aandelen van een bepaalde soort worden geconverteerd in aandelen van een andere soort of aanduiding met een lagere nominale waarde dan de aandelen van de soort of aanduiding waartoe deze aandelen voor de conversie behoorden.

Artikel 208 leden 3 en 4 verzet zich niet tegen een conversie als zodanig, maar stelt voorwaarden aan een conversie. Zo schrijft artikel 208 lid 3 voor dat vermindering van het nominale bedrag van aandelen zonder terugbetaling en zonder ontheffing van de verplichting tot storting naar evenredigheid op alle aandelen van een zelfde soort of aanduiding geschiedt. Indien de vermindering van het nominale bedrag slechts ziet op een deel van de aandelen, leidt de conversie niet tot een terugbetalingsplicht, noch tot ontheffing van de stortingsplicht.

In de brief van BDO wordt gevraagd wie in artikel 208 lid 2, tweede zin, geldt als betrokken aandeelhouder in andere gevallen dan genoemd in de eerste zin.

De eerste zin van artikel 208 lid 2 ziet op de volgende gevallen: 1) aandelen of certificaten daarvan die de vennootschap zelf houdt, 2) alle aandelen van een soort of aanduiding waarvan voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden ingetrokken met terugbetaling, en 3) de uitgelote aandelen van een soort of aanduiding waarvan voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden uitgeloot met terugbetaling. De andere gevallen waarnaar de tweede zin verwijst, zijn bijvoorbeeld aandelen van een soort of aanduiding waarvan niet voor de uitgifte in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden ingetrokken met terugbetaling. De houders van deze aandelen zijn betrokken aandeelhouders als bedoeld in de tweede zin.

In de brief van BDO wordt voorts gevraagd of in artikel 208 lid 3 ook aandelen van een bijzondere aanduiding expliciet zouden moeten worden genoemd.

De voorgestelde tekst van artikel 208 lid 3 luidt: Vermindering van het nominale bedrag van aandelen zonder terugbetaling en zonder ontheffing van de verplichting tot storting moet naar evenredigheid op alle aandelen van een zelfde soort of aanduiding geschieden. Het staat er dus al.

Artikel 210

De leden van de CDA-fractie hebben bezwaren tegen artikel 210 lid 5 (vaststelling van de jaarrekening strekt onder omstandigheden tot kwijting van bestuurders en commissarissen), omdat dit artikel 210 lid 3 (vaststelling strekt niet tot verlenen van kwijting) zou doorkruisen. Zij vragen of de in artikel 210 lid 5 opgenomen regeling toelaat in de statuten te bepalen dat de vaststelling van de jaarstukken op de in dit lid beschreven wijze tevens het verlenen van kwijting impliceert.

Toegegeven kan worden aan deze leden dat het vaststellen van de jaarrekening niet intrinsiek is gekoppeld aan het verlenen van kwijting. Echter, artikel 210 lid 5 ziet op de situatie waarin alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn. Om de onnodige regeldruk van de «papieren» jaarvergadering tegen te gaan, geldt de ondertekening door alle aandeelhouders/bestuurders tezamen met de commissarissen als vaststelling van de jaarrekening. Indien een aandeelhouder geen kwijting wil verlenen, kan hij afzien van de ondertekening van de jaarrekening. Het staat aandeelhouders vrij om hierover een nadere regeling te treffen in de statuten. Ook kan op grond van de laatste zin in de statuten worden bepaald dat de in artikel 210 bedoelde alternatieve wijze van vaststelling in het geheel niet van toepassing is binnen de vennootschap.

Artikel 216

De leden van de CDA-fractie wensen te vernemen of de in artikel 216 lid 8 vervatte bescherming van de aandeelhouders aan wier winstrecht afbreuk wordt gedaan zich ook uitstrekt over de wijziging van rechten met betrekking tot het delen in een liquidatieoverschot.

Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. Onder de statutaire regeling, bedoeld in artikel 216 lid 7, vallen aandelen van een bepaalde soort of aanduiding die geen of slechts beperkt recht geven tot deling in de winst of de reserves van de vennootschap. Aangezien de reserves deel kunnen uitmaken van het overschot na vereffening, kan een statutaire regeling net zomin aan winstrecht afbreuk doen aan het recht op het liquidatieoverschot zonder de instemming van de aandeelhouder.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of artikel 216 lid 8 ook van toepassing is indien de statutenwijziging uitsluitend voorziet in een hoger winstrecht voor houders van bepaalde aandelen. Als bijvoorbeeld wordt voorgesteld om bij statutenwijziging het recht van preferente aandelen op de winst te verhogen, kunnen houders van de gewone aandelen zich dan beroepen op artikel 216 lid 8 omdat afbreuk wordt gedaan aan hun winstrecht, zo vragen deze leden. In het verlengde daarvan vragen deze leden of een winstregeling die zodanig wordt gewijzigd dat preferente aandelen gelijke rechten op de winst geven als gewone aandelen, leidt tot toepassing van artikel 216 lid 8 en zo ja, welke aandeelhouders zich daarop kunnen beroepen? Deze leden vragen daarbij te betrekken dat de vennootschap een winstpotentieel heeft dat voor de houders van gewone aandelen tot een hoger rendement kan leiden dan voor houders van preferente aandelen. Is er dan sprake van afbreuk van winstrecht van houders van preferente aandelen of juist van de houders van gewone aandelen? Zij verzoeken deze vraag ook te beantwoorden voor de situatie waarin ten aanzien van een aantal gewone aandelen de winstregeling zodanig wordt gewijzigd dat zij een preferent, doch tot een bepaald percentage van de nominale waarde gemaximeerd winstrecht kennen. Kunnen dan de aandeelhouders die gewone aandelen behouden een beroep doen op artikel 216 lid 8? Tot slot vragen deze leden of een wijziging van een regeling omtrent het winstrecht de instemming behoeft van de houders van aandelen die van de wijziging gevolgen zullen ondervinden.

Artikel 216 lid 8 geeft aandeelhouders aan wier rechten afbreuk wordt gedaan een instemmingsrecht. Het instemmingsrecht geldt voor houders van aandelen waaraan de statutenwijziging afbreuk doet. Er staat niet «mogelijk afbreuk doet», «afbreuk kan doen», of «gevolgen hebben voor». Vereist is derhalve dat de statutenwijziging afbreuk doet aan de rechten van een aandeelhouder. Een hoger winstrecht voor houders van bepaalde aandelen leidt de facto tot een lagere winstuitkering aan houders van andere aandelen. Dit moet worden gekwalificeerd als «afbreuk». Derhalve vereist een statutenwijziging die voorziet in een hoger winstrecht voor sommige aandeelhouders de instemming van de «gewone» aandeelhouder. Ingeval een wijziging weliswaar afbreuk kan doen, maar niet noodzakelijkerwijs doet, acht ik de instemming van de aandeelhouder niet vereist. Het is aan de aandeelhouder om ervoor te zorgen dat hij zonodig extra wordt beschermd, via de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst.

Ten aanzien van lid 9 vragen de leden van de CDA-fractie of deze bepaling zich ertegen verzet dat in de statuten wordt bepaald dat de vordering van de aandeelhouders na een termijn langer dan vijf jaren niet vervalt maar verjaart. Zo ja, dan vragen deze leden of het niet beter is de terminologie aan te passen.

Lid 9 is gelijk aan het huidige lid 7 van artikel 105/216. Bedoeld is om een langere verjaringstermijn mogelijk te maken, niet om in plaats van een verjaringstermijn een vervaltermijn te introduceren. De terminologie zal bij gelegenheid worden aangepast.

In de brief van BDO wordt gevraagd of aandelen waarop nog niets is gestort wel delen in het liquidatiesaldo.

Het komt mij voor dat deze situatie zich niet zal voordoen. Het delen in het liquidatiesaldo komt pas aan de orde nadat de vennootschap is geliquideerd. Voordat dit het geval is, zal de vennootschap het gestorte deel hebben opgevraagd.

Artikel 218

In de brief van BDO wordt opgemerkt dat de verwijzing in artikel 218 naar artikel 210 lid 5 dient te luiden, in plaats van naar artikel 238 lid 3.

De opmerking is juist. De verwijzing zal bij gelegenheid worden gecorrigeerd.

Artikel 227

De leden van de CDA-fractie vragen of bestuurders en commissarissen ook een raadgevende stem hebben in vergaderingen van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.

Hierop luidt het antwoord bevestigend. Gelet op het doel van de raadgevende stem in de algemene vergadering, te weten bestuurders en commissarissen de gelegenheid bieden om vanuit het belang van de vennootschap advies uit te brengen over de voorgenomen besluitvorming, en gelet op artikel 238 lid 2, laatste zin, dat ook buiten vergadering bestuurders en commissarissen in staat stelt advies uit te brengen, meen ik dat bestuurders en commissarissen ook een raadgevende stem hebben in vergaderingen van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.

Artikel 230

De leden van de CDA-fractie vragen of artikel 230 lid 1 toelaat dat een bestuurder wordt verkozen die minder dan de helft van het aantal stemmen heeft behaald en of in dat geval de statuten een specifieke bepaling hiertoe moeten bevatten, of dat hiervan bij de statuten kan worden afgeweken.

Het voorgestelde artikel 230 lid 1 bepaalt: «Alle besluiten waaromtrent bij de wet of de statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist het lot, staken de stemmen bij een andere stemming, dan is het voorstel verworpen; een en ander voorzover in de statuten niet een andere oplossing is aangegeven. Deze oplossing kan bestaan in het opdragen van de beslissing aan een derde.» Het voorgestelde artikel 230 lid 1 bevat op dit punt geen wijziging ten opzichte van het huidige artikel 120/230 lid 1. De eerste zin van lid 1 is van dwingend recht, in de zin dat er geen ruimte bestaat voor een besluit dat bij minder dan de volstrekte meerderheid van stemmen wordt genomen. De statutaire oplossing in de tweede zin verwijst uitsluitend naar de situatie dat de stemmen staken. In de consultatie is gesuggereerd om de oplossing van het opdragen van een beslissing aan een derde uit te breiden naar andere gevallen dan staking van de stemmen, maar daarvoor is niet gekozen. Het niet behalen van een meerderheid betekent dat het besluit niet rechtsgeldig tot stand kan komen. Uitzonderingen op deze regel worden niet wenselijk geacht. Besluitvorming bij meerderheid van de stemmen is een basisprincipe in het vennootschapsrecht, dat waarborgt dat alle besluiten genomen door de algemene vergadering, gedragen worden door de meerderheid van degenen die hun stem hebben uitgebracht. Dit basisprincipe is ook van toepassing bij de benoeming van bestuurders. Ook dan is het van belang dat een kandidaat-bestuurder het vertrouwen geniet van de meerderheid van de aandeelhouders. In het door deze leden genoemde voorbeeld van drie kandidaten voor één bestuursfunctie die respectievelijk 25, 35 en 40% van de stemmen behalen, zou een tweede stemming noodzakelijk zijn om de vereiste volstrekte meerderheid te bewerkstelligen.

In de brief van BDO wordt gevraagd of artikel 230 lid 4 (vastlegging van besluiten van de algemene vergadering) ook van overeenkomstige toepassing zou moeten zijn op besluiten van de vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. BDO vraagt verder of regels voor het vastleggen van besluiten van het bestuur en van de raad van commissarissen en inzake de oproeping, agendering, besluitvorming en vastlegging die voor de algemene vergadering gelden, van overeenkomstige toepassing zouden moeten worden verklaard op vergaderingen van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.

Het vereiste van het schriftelijk vastleggen van besluiten van de algemene vergadering dient ter informatie van de vergadergerechtigden. De vereenvoudiging en flexibilisering van het bv-recht beoogt onder meer om de regeldruk voor bedrijven te verminderen. Daarom wordt bijvoorbeeld in artikel 210 lid 5 voorgesteld dat, ingeval alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, de ondertekening van de jaarrekening door alle bestuurders en commissarissen geldt als vaststelling daarvan. Indien vennootschappen ervoor kiezen om de houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding bijzondere bevoegdheden toe te kennen, staat het hen vrij om de wettelijke regels van overeenkomstige toepassing te verklaren of dit anderszins te regelen. Een wettelijke «vangnetregeling» als in artikel 210 lid 5 acht ik in dit geval niet geboden, omdat de situatie in de praktijk daarmee onnodig zou worden geformaliseerd. Voor besluiten van het bestuur en de raad van commissarissen geldt hetzelfde. Het bestuur en de raad van commissarissen van iedere vennootschap kan desgewenst in een reglement vastleggen hoe de besluitvorming plaatsvindt. Een wettelijke regeling is niet nodig.

Artikel 242

De leden van de CDA-fractie wensen bevestiging dat de regeling van artikel 242 lid 1 toelaat dat het benoemingsrecht van onderscheidenlijke bestuurders kan worden toegekend aan onderscheidenlijke vergaderingen van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding en dat het bepaalde in artikel 242 lid 1, tweede volzin, van toepassing is ook ten aanzien van statutenwijzigingen die een bestaande benoemingsregeling wijzigen.

Ik kan deze leden bevestigend antwoorden. Doel van het voorgestelde artikel 242 lid 1 is om statutair te bewerkstelligen dat een bepaalde groep aandeelhouders een «eigen» bestuurder benoemt. De overeenkomstige toepassing van artikel 228 lid 4, derde volzin, houdt in dat een wijziging van de statutaire regeling in de zin van artikel 242 lid 1 slechts kan geschieden met algemene stemmen in een vergadering waarin het gehele geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd.

Voorts vragen deze leden of de regering ermee kan instemmen dat ook de invoering, wijziging en intrekking van een regeling van de instructiebevoegdheid aan een orgaan, bedoeld in artikel 239 lid 4, ingrijpende gevolgen kan hebben voor de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap en zo ja, of artikel 242 lid 1, tweede volzin, dan naar analogie dient te worden toegepast bij een statutenwijziging van die strekking.

Naar huidig recht kan aan bijvoorbeeld de houders van aandelen van een bijzondere soort de bevoegdheid worden toegekend om het bestuur aanwijzingen betreffende de algemene lijnen van het te voeren beleid te geven, zonder dat er een unanimiteitseis geldt. Dit geldt ook voor het komende recht, nu in de praktijk niet is gebleken van problemen hieromtrent. Hoewel de toekenning van een instructiebevoegdheid aan bijvoorbeeld houders van aandelen van een bepaalde soort, gevolgen kan hebben voor de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap, is artikel 242 lid 1, tweede volzin, dat verwijst naar artikel 228 lid 4, derde volzin, hier niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Ik acht een volstrekte meerderheid voor het wijzigen van een dergelijke statutaire instructiebevoegdheid afdoende. Minderheidsaandeelhouders hebben de mogelijkheid om de gevolgen van een dergelijk besluit te mitigeren (vernietiging van het besluit, recht van enquête, uittredingsrecht).

Artikel 243

De leden van de CDA-fractie vragen of artikel 243 lid 3 ertoe leidt dat, indien de statuten een bepaalde gekwalificeerde meerderheid voorschrijven voor de benoeming van een bestuurder, deze meerderheidseis terzijde kan worden gesteld indien de benoeming plaatsvindt op basis van een bindende voordracht.

Een meerderheidseis kan niet terzijde worden gesteld indien de benoeming plaatsvindt op basis van een bindende voordracht. Doel van de bepaling van artikel 243 lid 3 is om te voorkomen dat de algemene vergadering tweemaal moet stemmen: eenmaal over het al dan niet doorbreken van de bindende voordracht en eenmaal over de benoeming. Voorwaarde voor een geldige benoeming overeenkomstig lid 3 is dat aan de vereisten voor een besluit tot benoeming wordt voldaan. Dit betekent dat, indien de statuten een grotere meerderheid voor de benoeming van een bestuurder voorschrijven, deze statutaire eis in acht moet worden genomen (zie Kamerstukken II, 31 058, nr. 3, p. 93).

Artikel 252

In de brief van BDO wordt opgemerkt dat de verwijzing in de tweede zin van artikel 252 lid 1, naar artikel 228 lid 4, tweede volzin, nog gewijzigd moet worden in de derde volzin, zoals in artikel 242 en 253 wel heeft plaatsgevonden.

Dit is reeds geschied bij nota van wijziging van wetsvoorstel 32 426 (Kamerstukken II, 32 426, nr. 8).

Artikel 373

In de brief van BDO wordt opgemerkt dat het vervallen van de artikelen 178 lid 3 en 178a lid 2 en 3 meebrengt dat de verwijzing naar deze artikelen in artikel 373 lid 4 dient te worden verwijderd.

De verwijzing naar deze artikelen is reeds komen te vervallen in het wetsvoorstel (artikel 178 lid 3, Kamerstukken II, 32 426, nr. 2) respectievelijk de nota van wijziging (artikel 178a leden 2 en 3, Kamerstukken II, 32 426, nr. 8).

Artikel 394

In de brief van BDO wordt opgemerkt dat de verwijzing naar artikel 392 lid 1, onderdelen g en h, in artikel 394 lid 4 berust op een misvatting en dat de verwijzing betrekking moet blijven hebben op de onderdelen f en g, zoals het huidige artikel 394 lid 4 luidt.

Dit is correct. Artikel 394 lid 4 zou moeten blijven verwijzen naar onderdelen f en g. Bij gelegenheid zal deze fout worden gecorrigeerd.

De minister van Veiligheid en Justitie, I. W. Opstelten


X Noot
1

Hierbij is geabstraheerd van de situatie dat de aandelen tot een ondernemingsvermogen behoren.

X Noot
2

Onder omstandigheden wordt het standpunt ingenomen dat ook bij een groep samenwerkende aandeelhouders – bij elk van die aandeelhouders – sprake kan zijn van een kwalificerend belang.

X Noot
3

Vgl. Rapport expertgroep vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse bv-recht, 6 juni 2004, p. 76.

X Noot
4

Zie de notitie uitkeringstoets wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht van de Werkgroep Fiscaal Jaarrapport, onderdeel van het Nationale Taxonomie Project, van 5 november 2008, die als bijlage bij deze memorie van antwoord is gevoegd.