30 234 Toekomstig sportbeleid

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 251 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2020

COVID-19 heeft een grote impact op iedereen, zo ook de sportsector. Juist in deze tijd merken we hoe belangrijk bewegen is voor onze gezondheid en realiseren we ons des te meer dat sport ook een groot sociaal aspect heeft. Ik ben er trots op dat de sport één van de dragende partijen is gebleken bij het weer opstarten van Nederland en ik waardeer het enorm dat de sportsector zich inzet om Nederland in beweging te krijgen, gezond te maken en te houden. Binnen deze sector is plek voor iedereen. Het is daarom van belang dat we samen onze unieke sportinfrastructuur gezond houden. Daar waren we al druk mee bezig en door een crisis als deze, zijn we eens te meer van het belang daarvan doordrongen.

Met deze brief informeer ik u over de voortgang op het lopende beleid en beantwoord ik de door uw kamer gestelde vragen (Kamerstuk 30 234, nr. 252). Bijgevoegd ontvangt u de Voortgangsrapportage juni 2020 van de Monitor Sportakkoord1, met hierin de voortgang op de ambities die beschreven staan in het sportakkoord2. De beleidsreactie op de monitor volgt voor het volgende Wetgevingsoverleg Sport.

Ik kom in deze brief ook terug op de ingediende moties en door mij gedane toezeggingen, welke ik waar mogelijk per onderwerp gecategoriseerd heb.

Eerder informeerde ik u al over het steunpakket aan de sportsector.3 Later deze week worden ook de eerste bevindingen van het Mulier onderzoek naar de gevolgen van de coronamaatregelen voor de sportsector gepubliceerd. Deze zal ik u zo snel mogelijk doen toekomen.

Monitor Sport en Corona

Het Mulier Instituut en Kenniscentrum Sport en Bewegen zijn verenigd in het kennisconsortium Sport en corona. Het kennisconsortium is opgericht om de sportsector, beleid en kennisinstellingen bij elkaar te brengen. Dit heeft als doel om zo kortcyclische uitwisseling en afstemming mogelijk te maken van beschikbare data en kennis, opkomende beleidsvragen en ervaringen met ingezet beleid en getroffen steunmaatregelen.

De rapportage die u deze week ontvangt is een ruime bundeling van (financiële) gegevens die een tussentijds inzicht geeft in de gevolgen van de coronamaatregelen voor de sportsector. De volgende stap die het kennisconsortium in de komende maanden neemt, is de inzichten uit deze rapportage toetsen en waar mogelijk verrijken bij de vele betrokken veldpartijen. Het consortium hoopt deze inbreng te kunnen integreren in een vernieuwde versie van de Monitor in september. Ik verwacht uiterlijk voorafgaand aan het WGO van 2020 een beleidsreactie te geven.

Voortgang Nationaal Sportakkoord

In de afgelopen twee jaar is in verschillende fasen het Nationaal Sportakkoord «Sport verenigt Nederland» ondertekend. Met het Sportakkoord wordt samen met de sport(verenigingen), gemeenten, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties de handen ineengeslagen om de kracht van sport de komende jaren beter te kunnen benutten en alle Nederlanders te verenigen via sport en bewegen4. Uw Kamer is geïnformeerd over de implementatiestrategie van de eerste vijf deelakkoorden5 en de ondertekening van deelakkoord zes: «Topsport die inspireert»6. De implementatie gaat zoals u in de Monitor Sportakkoord 2020 kunt lezen voortvarend.

Inmiddels is men in 343 gemeenten in Nederland aan de slag met een lokaal sportakkoord. Gemiddeld ondertekenen meer dan 26 organisaties het akkoord, waarbij sportverenigingen het best vertegenwoordigd zijn en is er in veel gevallen afstemming met andere werkterreinen, waaronder in 59% met het preventieakkoord7. Ook op de sportlijn zijn er veel ontwikkelingen gaande. Aan alle gemeenten is een adviseur lokale sport gekoppeld die zorgt voor een goede vertegenwoordiging van de lokale sport bij het sportakkoord, het versterken van de sportaanbieders en de lokale samenwerking. Het versterken van sportaanbieders gebeurt onder meer door het aanbieden van diensten; ondersteuningsprojecten of trajecten die worden toegekend aan sportclubs. Over de periode 1 september – 31 maart 2020 zijn er 754 diensten toegekend.

Naast de voortgang in de lokale lijn en de sportlijn, is er ook op de nationale lijn veel gerealiseerd. Er zijn zes challenges uitgezet waaronder op inclusief sporten en bewegen, buitenspelen en vrijwilligers. Ook zijn er subsidies verstrekt op de deelthema’s van de deelakkoorden en er zijn twee communities of practice gaande; één op het thema buurtsportcoaches en één over de lokale sportakkoorden. Tot slot worden er vanuit de middelen voor kennis- en validatievraagstukken twee trajecten opgestart. Deze trajecten gaan over het menselijk kapitaal in de sport en over organisatie en financiering van de sport.

Daarnaast heeft ook deelakkoord 6 verdere uitwerking gekregen8. Ik heb u toegezegd om u ten aanzien van de uitwerking van het laatste deelakkoord «Topsport die inspireert» te informeren. De missie van deelakkoord 6 is het vergroten van de inspirerende waarde van topsport. Dit gebeurt langs de lijnen uit het deelakkoord: topsportklimaat, talentontwikkeling, evenementenbeleid, media, kennis, innovatie en internationaal.

Overkoepelend geldt dat presteren een cruciale waarde van topsport is, en daarmee een belangrijk uitgangspunt blijft van het landelijke topsportbeleid. Met de strategische partners hebben we vastgesteld dat om te kunnen presteren en daarmee te inspireren, we meer aandacht moeten hebben voor de maatschappelijke waarde van topsport. Meer mensen bereiken met topsport en het beter zichtbaar maken van de maatschappelijke waarde van topsport worden, net als presteren, belangrijke pijlers in het topsportbeleid.

Met de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), NOC*NSF/sportbonden en andere betrokkenen werken we uit hoe we deze bovenliggende missie verankeren in onze beleidsinstrumenten en financiële middelen voor alle lijnen uit het deelakkoord. Zo zijn de eerste stappen gezet met NOC*NSF als het gaat om de financiering van de topsportprogramma’s vanaf de nieuwe Olympische cyclus. Vanwege het uitstellen van de Olympische en Paralympische Spelen maakt dat dit vanaf 2022 wordt geëffectueerd. Voorafgaand aan het Wetgevingsoverleg Sport kan ik uw Kamer nader informeren over de voortgang op verschillende onderwerpen van het deelakkoord, waaronder de aanpak om de nationale competities voor teamsporten te versterken, het zoveel mogelijk wegnemen van beperkingen voor talentvolle sporters en de ontwikkeling van een evenementenstrategie voor sportevenementen.

Veilige Sport en Positieve Sport Cultuur

Via deze weg wil ik u informeren dat NOC*NSF de aanbevelingen van commissie De Vries heeft uitgevoerd. Veel van de aanbevelingen, zoals preventiebeleid en het krachtig opvolgen en administreren van meldingen, zijn geborgd in het Centrum Veilige Sport (CVS) en bij de sportbonden. Het jaarverslag van het CVS zal deze zomer gepubliceerd worden op de website van NOC*NSF. In dit verslag zijn de laatste cijfers opgenomen met betrekking tot de signalen over grensoverschrijdend gedrag die binnen zijn gekomen bij het CVS en de sportbonden.

De cijfers laten zien dat het aantal signalen en meldingen van grensoverschrijdend gedrag in de sport stijgt. Daarom zal er, zowel vanuit de sport als vanuit het Ministerie van VWS, extra financiële ondersteuning komen om ook bij een stijging van het aantal meldingen adequate opvolging te kunnen blijven geven aan grensoverschrijdend gedrag. Het CVS zal vanaf heden jaarlijks voorafgaand aan de Algemene Ledenvergadering van NOC*NSF de voortgang publiceren. De toezegging om u jaarlijks te informeren over de aanbevelingen van commissie De Vries beschouw ik hiermee als afgedaan.

Ook wil ik u informeren over de voortgang van het prevalentieonderzoek seksuele intimidatie en misbruik in de sport van NOC*NSF9. Na twee jaar onderzoek zijn er nauwelijks significante verschillen te zien, daarom is ervoor gekozen om het onderzoek één keer in de vier jaar uit te voeren. Ik zal u voortaan dus ook eens in de vier jaar informeren. De uitkomsten van het eerstvolgende prevalentieonderzoek worden deze zomer gepubliceerd op de website van het CVS.10 In het prevalentieonderzoek zijn specifieke cijfers opgenomen t.a.v. slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag met een lichamelijke of fysieke beperking. In welke mate LHBT-ers slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag kon niet worden uitgevraagd vanwege privacy regelgeving. Hiermee beschouw ik de nader gewijzigde motie van het lid Westerveld c.s.11 als afgedaan.

Racisme

Gekoppeld aan het plan «Ons voetbal is van iedereen. Samen zetten we racisme en discriminatie buitenspel» wordt een monitoringplan opgesteld waarmee het bereik en het effect van de maatregelen wordt gemeten. Daarbij wordt ook bezien of het aantal incidenten op en rond de voetbalvelden daadwerkelijk terugloopt. In het eerste kwartaal van 2021 verwacht ik hier de eerste uitkomsten van. Op voornoemde wijze geef ik hiermee invulling aan de motie van het lid Westerveld12 over het aantal incidenten en de maatregelen om de meldingsbereidheid bij racisme en discriminatie te verhogen. Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

Zwemveiligheid

Met plezier heb ik het «Witboek De rol van de school bij zwemveiligheid» mogen ontvangen. Dit document biedt een waardevol overzicht van de wijze waarop verschillende stakeholders met schoolzwemmen om kunnen gaan. Bovendien is het document niet alleen informerend maar ook inspirerend door de vele voorbeelden die gegeven worden.

De auteurs beschrijven dat «een succesvolle invulling van schoolzwemmen ontstaat door intensieve lokale samenwerking». De lokale lijn van het Nationaal Sportakkoord is ingericht om deze intensieve lokale samenwerking aan te moedigen en te ondersteunen. Ik stimuleer dat het thema zwemveiligheid een plek krijgt in de lokale akkoorden die worden of zijn afgesloten. Ik zal het witboek daarom onder de aandacht brengen bij het Kenniscentrum Sport en Bewegen zodat lokale coalities er kennis van kunnen nemen en het in hun voordeel kunnen benutten. Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

Daarnaast wil ik u informeren over de uitkomst van het gesprek met de Nationale Raad Zwemveiligheid inzake de ondersteuning vanuit het Rijk.13

De Nationale Raad Zwemveiligheid heeft een concreet werkplan met bijbehorende begroting voor de periode 2021–2024 in ontwikkeling waarin ook de benodigde bijdrage van de rijksoverheid staat beschreven. De eenmalige aanvullende ondersteuning (€ 100.000,–) wordt ingezet op het vergroten van het zwemveiligheidsbewustzijn, met name onder doelgroepen die door eerder onderzoek beschreven zijn als risicogroepen. Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

Vitale Sportaanbieders

Uw kamer heeft het afgelopen jaar meermaals benadrukt het belang te zien van een gezonde arbeidsmarkt in de sport. Ik ben het met u eens dat dit, tezamen met een gezond vrijwilligersklimaat, van vitaal belang is voor de sportsector. Zoals ik voorafgaand aan het WGO in 201914 heb aangegeven wil ik de sector faciliteren om tot een gedragen «Human Capital Agenda» (HCA) voor de sport te komen. Hierin staat een gezamenlijk visie van de sector op menselijk kapitaal, aangevuld met actiepunten om daar naartoe te werken. Het doel van deze HCA is een gezonde sportsector met voldoende en bekwame (betaalde en onbetaalde) mensen.

In november 2019 heb ik een startsymposium georganiseerd en ben ik met de aandachtspunten die hier gedeeld zijn aan de slag gegaan. Ook heb ik het Mulier Instituut gevraagd om alle data over de huidige arbeidsmarkt samen te brengen, hierbij wordt ook naar toekomstige ontwikkelingen gekeken. In gesprekken met ruim 20 stakeholders over onder andere scholing, arbeidsmarktperspectief en een leven lang leren komt dat zij zelf een belangrijke rol spelen in het oplossen van de knelpunten, maar dat ze de faciliterende rol van de rijksoverheid daarbij nodig hebben. Na de zomer worden er verschillende (online) bijeenkomsten georganiseerd om samen tot een gemeenschappelijke visie op een gezonde arbeidsmarkt te komen. Samen met de huidige stand van het menselijk kapitaal dat uit het onderzoek van het Mulier Instituut komt leidt al deze input tot de Human Capital Agenda van en voor de sportsector.

Inclusief Sporten

Dit voorjaar zou ik u informeren15,16 over de resultaten van de pilots sporthulpmiddelen. Dit heeft vanwege de coronacrisis vertraging opgelopen. De pilothandreiking sporthulpmiddelen heb ik bij deze brief gevoegd. De pilots zijn inmiddels gestart, maar om conclusies te kunnen trekken is het op dit moment nog te vroeg. De uitkomsten van de pilots worden eind 2020 verwacht. De concepthandreiking op basis waarvan de pilots lopen is als bijlage toegevoegd bij de Kamerbrief17. Hiermee is de toezegging afgedaan. Deze handreiking is een conceptversie en zal in de pilots worden getest. Op basis van de pilots kan de handreiking worden aangepast. In het voorjaar van 2021 ontvangt de Kamer de definitieve handreiking, die dan ook met alle gemeenten in Nederland gedeeld wordt.

Verder zou ik u dit voorjaar een update geven over de realisatie van de vervoerdersopdracht van de vervoersvoorziening voor lichamelijk gehandicapte teamsporters18. Deze is inmiddels aanbesteed en gegund aan vervoersbedrijf Qarin. Stichting Special Heroes zal de komende jaren de vervoersvoorziening coördineren en door middel van lokale en regionale samenwerking de uitbreiding van de vervoersvoorziening vormgeven.

De verkenning van de Alliantie Sport en bewegen voor iedereen naar een vergelijkbaar fonds als het Jeugdfonds Sport & Cultuur, maar dan gericht op volwassenen die leven op of rond het bestaansminimum heeft geresulteerd in de oprichting van het Volwassenenfonds Sport & Cultuur. Momenteel onderzoeken we of nadere betrokkenheid van VWS nodig is. Hiermee beschouw ik de toezegging19 als afgedaan.

Ten aanzien van zwangerschapsregelingen, ouderschapsverlof en gelijke behandeling voor mannen en vrouwen gelden voor werkenden in de sportsector dezelfde wettelijke bepalingen als voor iedere andere werkende in Nederland. De wetgeving rondom zwangerschap is geregeld in de Wet arbeid en zorg. Daarnaast is in verschillende cao’s in de sportsector extra aandacht voor zwangerschaps- en bevallingsverlof voor zowel vrouwen als mannen.

Ten aanzien van topsporters is er sprake van maatwerk20. Een inventarisatie door NOC*NSF geeft aan dat er geen knelpunten zijn voor topsporters, behalve de fysieke uitdaging om na een zwangerschap weer topfit te worden. Hiermee beschouw ik de toezegging21 als afgedaan.

Dan ten aanzien van de vergoedingen van de Pace Pro voor sportende kinderen22; Een pacemaker valt onder medisch specialistische zorg (ziekenhuiszorg/geneeskundige zorg) en wordt door het ziekenhuis uit een DBC bekostigd. Wanneer permanente bescherming van het implantaat noodzakelijk is, dan kan de pace-pro een optie zijn. Omdat een pacemaker niet valt onder één van de functiegerichte aanspraken uit de paragraaf hulpmiddelenzorg van de Regeling zorgverzekering, bestaat er geen zorgplicht van de zorgverzekeraar. Enkele zorgverzekeraars vergoeden in individuele gevallen dit mogelijk uit coulance.

Ik zou mevrouw Westerveld graag willen verzoeken alsnog de signalen die zij heeft ontvangen mij te doen toekomen. Op die manier kan ik gericht zowel bij de zorgbemiddeling van verzekeraars als bij de beroepsgroep (ziekenhuizen) dit punt nog eens onder de aandacht te brengen.

Onderzoek dopinggebruik topsport

Ik heb in 2015 toegezegd u eens in de vier jaar te informeren over de prevalentie van dopinggebruik in de topsport; dit onderzoek heb ik in 2019 laten uitvoeren. Ik heb u bij brief23 van 25 november 2019 reeds geïnformeerd dat het gevraagde prevalentiecijfer niet geleverd kan worden o.a. vanwege een lage respons. In bijlage 1 van deze brief vindt u mijn reactie op de rapportage van het onderzoek, die eind maart 2020 aan mij is aangeboden. Het onderzoek stuur ik mee met deze brief24.

Ondersteuning BES-eilanden

Tijdens het algemeen overleg Koninkrijksrelaties/BES25 op 13 juni 2019 en het wetgevingsoverleg Sport26 heeft uw Kamer vragen gesteld over de ondersteuning die (sporters van) Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) krijgen voor talentontwikkeling en over de toegang tot regionale sporttoernooien. Ik heb toen toegezegd u te informeren over de stand van zaken over deze twee onderwerpen. Deze vindt u in bijlage 2. Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

Openstaande moties en toezeggingen

Voor een aantal moties en toezeggingen geldt dat ik uw kamer daarover later zal informeren. Dit vanwege de vertraging die is ontstaan door de corona crisis.

Dit najaar zal ik u informeren over het nieuwe beleidskader evenementen, hier zal ik ingaan op de motie van het lid Rudmer Heerema over een interdepartementaal sportevenementenloket27 en de motie van het lid Von Martels over innovaties voor het verduurzamen van sportevenementen28. In de brief voorafgaand aan het eerstvolgend wetgevingsoverleg zal ik u informeren over de navraag die ik bij NOC*NSF heb gedaan over de regeldruk bij amateursportverenigingen29. De Verkenning van NOC*NSF bij de bonden loopt, maar is door de komst van het COVID-19 virus vertraagd. Ook informeer ik u in deze brief over deontwikkelingen rondom topsporters die een uitkering én een stipendium hebben alsook het niet kunnen deelnemen aan stages en toernooien buiten Europa30. Dit verplaats ik in verband met de wetswijziging Wajong en de huidige Corona crisis. Tot slot zullen mijn collega’s van het Ministerie van JenV en IenW u informeren over het onderzoek naar verkeersveiligheid bij wielerwedstrijden op de weg31.

Zoals ik in het begin al zei, merken we in deze tijd de belangrijke rol die sport speelt in onze samenleving. Ik ben dan ook zeer verheugd dat we weer samen van sport kunnen genieten en dat ik u weer in de kamer hierover bij kan praten.

De Minister voor Medische Zorg, M.J. van Rijn

Bijlage 1: Prevalentie van dopinggebruik in de topsport

Het onderzoek naar prevalentie van dopinggebruik in de topsport is uitgevoerd door Mulier Instituut, en is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met de Dopingautoriteit, NOC*NSF en de NOC*NSF Atletencommissie. De onderzoeksgroep bestond uit sporters met een topsportstatus (statussporters) en voormalige statussporters. Het is de onderzoekers niet gelukt om, op basis van de ingevulde vragenlijsten, te komen tot een betrouwbare schatting van de prevalentie van dopinggebruik in de Nederlandse topsport. De voornaamste reden daarvoor lijkt te liggen in de gebruikte onderzoeksmethode die met de aanpassingen na het onderzoek in 2015 te complex te zijn geworden. Ook lag door het moment van uitvragen de respons vrij laag. Een nieuw onderzoek om tot het prevalentiecijfer te komen, is reeds gestart. Hierbij wordt een vergelijkbare onderzoeksmethode als die uit 2015 gebruikt. Ik verwacht de uitkomsten daarvan voor het einde van dit kalenderjaar aan u te kunnen melden.

Toch zijn de onderzoeksresultaten van de studie in 2019 ook zonder prevalentiecijfer waardevol; Het vertrouwen onder sporters dat wedstrijduitslagen in Nederland niet door dopinggebruik beïnvloed zijn lijkt gegroeid, net zoals het vertrouwen in een juiste uitvoering van dopingcontroles. De verplichting voor een bepaalde groep sporters om hun whereabouts door te geven kan op steun rekenen. Echter, geven sporters aan dat de digitale applicatie waarmee dit gebeurt, veel gebreken vertoond. Het Wereld Anti-Doping Agentschap WADA heeft deze kritiek ter harte genomen en heeft inmiddels een nieuwe app gelanceerd waarmee deze gegevens kunnen worden doorgegeven.

Ook is er grote bekendheid met de mogelijkheid om dispensatie aan te vragen voor het gebruik van medicijnen waar bestanddelen in zitten die op de WADA Dopinglijst staan, indien dat medisch noodzakelijk is. Onder oud-topsporters is die afwijzing beduidend hoger, wat mogelijk duidt op een verschuivende norm onder sporters. Dit vind ik zorgelijk. De Vereniging Sportgeneeskunde VSG, NOC*NSF en de Dopingautoriteit zijn met mij van mening dat medicijngebruik zonder medische noodzaak geen plaats heeft in de sport. Het is belangrijk dat (sport-)artsen deze middelen niet voorschrijven als dat niet medisch noodzakelijk is, dat is vervat in medische richtlijnen. Ook vormt het een gezondheidsrisico voor sporters en kan daarnaast een opmaat zijn naar dopinggebruik. NOC*NSF besteedt hier aandacht aan in de richting van sportartsen, sportbonden en topsporters. Ook in de voorlichting van de Dopingautoriteit gericht op sporters is hier aandacht voor. Het is goed dat die aandacht er is, en met het oog op het signaal uit dit onderzoek roep ik NOC*NSF en de Dopingautoriteit op om die aandacht voor dit onderwerp in de toekomst vast te houden, ook in nog te ontwikkelen vormen van voorlichting.

Bijlage 2: Talentontwikkeling en toegang tot regionale sporttoernooien op de BES

Tijdens het algemeen overleg Koninkrijksrelaties/BES op 13 juni 2019 en het wetgevingsoverleg Sport op 2 december 2019 heeft uw Kamer vragen gesteld over de ondersteuning die (sporters van) Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) krijgen voor talentontwikkeling en over de toegang tot regionale sporttoernooien. Ik heb toen toegezegd u te informeren over de stand van zaken over deze twee onderwerpen.

Talentontwikkeling

Bonaire, Sint Eustatius en Saba werken sinds 2019 op basis van het Sport- en Preventie akkoord BES. Ieder eiland heeft eigen accenten, waarbij de nadruk ligt op het bouwen van de basis voor sport door de verenigingen en de algemene sportstructuur te versterken. Ik vind het belangrijk om eerst te zien hoe de maatregelen uit dit Akkoord zich zullen gaan ontwikkelen en welke uitwerking dat heeft op de ontwikkeling van sporttalent op de eilanden.

Er is er nu geen formele link tussen verenigingen of sportorganisaties op de BES-eilanden en de talentontwikkelingsprogramma’s van de Nederlandse sportbonden, waarin talentvolle sporters kunnen doorgroeien tot topsporters van internationaal niveau. De reden is dat verenigingen op de BES-eilanden voor 10 oktober 2010 onder het Nederlands Antilliaans Olympisch Comité (NAOC) vielen. Na ontbinding van het NAOC heeft geen van deze verenigingen zich aangesloten bij Nederlandse sportbonden.

Ik vind het belangrijk dat de mogelijkheid er is om door te ontwikkelen, waarbij een sporter kan kiezen welke route hem of haar het beste past, of dit nu in Amerika gebeurt of in Nederland. Talentvolle sporters kunnen zich melden bij NOC*NSF, hun verzoek wordt doorgeleid naar de betreffende bond, die uiteindelijk een besluit neemt over toelating tot het programma indien de betreffende sporter zich daarvoor kwalificeert. Een aanvullende stap zou voor verenigingen zijn om zich formeel aan te sluiten bij een Nederlandse sportbond. Daarmee komen ook, indien toepasbaar, diverse instrumenten voor het versterken van verenigingen beschikbaar. Het is aan de verenigingen op de BES-eilanden om de afweging te maken of zij een lidmaatschap aanvragen bij een Nederlandse sportbond. Als dat het geval is, is er vanuit NOC*NSF praktische ondersteuning beschikbaar.

Toegang tot regionale sporttoernooien

Ten aanzien van de toegang die de BES-eilanden hebben tot regionale sporttoernooien ontstaat in de inventarisatie een gemengd beeld. Een groot deel van de sporten is het wel gelukt om te participeren in sporttoernooien op andere eilanden. In sommige gevallen lukt het echter niet om in de regio aan sporttoernooien deel te nemen. Per eiland betreft het enkele teams en individuele sporters in een handvol sporten.

Regionale sportdeelname komt nu vaak tot stand door inzet van individuen. De niet-autonome status van de eilanden is een drempel voor formele aansluiting. Omdat er op de eilanden geen sprake is van sportbonden op nationaal niveau is contact afhankelijk van de regionale bond. Ook zijn de kosten van het reizen naar die regionale toernooien hoog. Regionale sportdeelname is daarmee afhankelijk van sponsoracties of lokale subsidies.

Ik vind het mooi te zien dat het de eilanden, ondanks de genoemde uitdagingen, vaak lukt om met teams deel te nemen aan regionale sporttoernooien. Het beperkt aantal gevallen waarin dat niet lukt is heel divers en het is lastig om dit precies in kaart te brengen. Het is mij dan ook niet duidelijk geworden wat ik daarin nu zou kunnen betekenen. Ik heb de eilanden gevraagd om contact op te nemen wanneer dit in de toekomst weer speelt en zij een concrete vraag hebben.


X Noot
1

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 30 234, nr. 244

X Noot
4

Kamerstuk 30 234, nr. 185

X Noot
5

Kamerstuk 30 234, nr. 211

X Noot
6

Kamerstuk 30 234, nr. 235

X Noot
7

Bron: Tussenstand Lokale sportakkoord, Mulier instituut

X Noot
8

Kamerstuk 30 234, nr. 235

X Noot
9

Handelingen II 2017/18, nr. 81, item 8

X Noot
11

Kamerstuk 30 234, nr. 194

X Noot
12

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 127

X Noot
13

Kamerstuk 30 234 nr. 240

X Noot
14

Kamerstuk 30 234, nr. 240

X Noot
15

Kamerstuk 30 234, nr. 240

X Noot
16

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
17

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
18

Kamerstuk 30 234, nr. 240

X Noot
19

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
20

Zie ook reactie op gewijzigde motie van het lid Diertens Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 101

X Noot
21

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
22

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
23

Kamerstuk 30 234, nr. 240

X Noot
24

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
25

Kamerstuk 35 000 IV, nr. 67

X Noot
26

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
27

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 129

X Noot
28

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 136

X Noot
29

Kamerstuk 35 300 XVI, nr. 153

X Noot
30

Kamerstuk 30 234, nr. 240

X Noot
31

Kamerstuk 30 234, nr. 240

Naar boven