Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202030234 nr. 240

30 234 Toekomstig sportbeleid

Nr. 240 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 november 2019

Met deze brief informeer ik u over het Nationaal Sportakkoord en de voortgang op lopend beleid. Ook kom ik in deze brief terug op verschillende moties en toezeggingen, waaronder de toezeggingen die ik heb gedaan in het AO Sport van 12 juni jl. (Kamerstuk 30 234, nr. 230).

Maar eerst wil ik een ander punt benoemen. Helaas hebben we gezien dat er nog steeds racisme voorkomt in de sport, zoals afgelopen weekend tijdens de wedstrijd FC Den Bosch – Excelsior. Ik wil nogmaals stellen dat racisme en discriminatie niet thuishoren in de sport en dat dit voor mij absoluut onacceptabel is. Daarom wil ik nog voor het WGO in gesprek met de betrokken partijen. Ook wil ik samen met clubs, de KNVB en de Minister-President en de Minister van JenV kijken welke maatregelen genomen zijn en worden, maar ook stilstaan bij wat er meer nodig is om racisme en discriminatie uit de sport te bannen. Tijdens het WGO zal ik u hierover nader informeren.

Algemene update Nationaal Sportakkoord

Tijdens het AO Sport op 12 juni heb ik uw Kamer geïnformeerd dat 155 gemeenten een sportformateur hebben aangevraagd en 19 gemeenten uitvoeringsbudget. Het traject om een lokaal akkoord te ontwikkelen, is nu in 44 van de 155 gemeenten afgerond. Zij gaan nu hun lokale sportakkoord uitvoering geven en vragen daarvoor uitvoeringsbudget aan. In de 111 andere gemeenten is de ontwikkeling van het lokale sportakkoord momenteel in de afrondende fase. Deze gemeenten zullen later dit jaar hun akkoord opleveren en uitvoeringsbudget aanvragen.

Ook is een grote groep nieuwe gemeenten met veel enthousiasme aan de slag gegaan om een lokaal sportakkoord te ontwikkelen. Er zijn 165 nieuwe sportformateurs aangevraagd die binnenkort aan het werk gaan. Dat betekent dat op dit moment in maar liefst 339 gemeenten een lokaal sportakkoord is of wordt opgesteld. Ik wens al deze gemeenten veel succes met het ontwikkelen en uitvoeren van hun lokale akkoord.

Voor elk van deze 339 gemeenten heeft de sport (NOC*NSF, NLActief en de bonden) een Adviseur Lokale Sport aangesteld. Deze adviseur ondersteunt de sportaanbieders in het ontwikkelen van en uitvoering geven aan de lokale akkoorden. Ze inventariseren welke ondersteuningsbehoefte er leeft bij de sportaanbieders, zodat hierin voorzien kan worden.

Bijlage 1 laat een overzicht zien van alle activiteiten die de afgelopen maanden hebben plaatsgehad binnen de uitvoering van het sportakkoord1. Het is nog te vroeg om de effecten van deze inspanningen te kunnen meten.

Voorafgaand aan het AO Sport 2020 ontvangt u van mij, zoals eerder toegezegd, de integrale monitor Sportakkoord met daarin de voortgang op de ambities.

Op 10 oktober heb ik met gemeenten, provincies en partijen uit de sportsector, het bedrijfsleven en het onderwijs, deelakkoord 6 van het Nationale Sportakkoord ondertekend: Topsport die inspireert. Over de inhoud van het akkoord heb ik u op 4 oktober jl. geïnformeerd (Kamerstuk 30 234, nr. 236). Partijen werken nu de afspraken nader uit in concrete beleidsinstrumenten. Op basis hiervan wordt duidelijk hoe de bijdragen vanuit verschillende partijen, waaronder de rijksoverheid, gericht gaan worden. De financiële vertaling daarvan zal in de VWS-begroting 2021 zichtbaar worden. Hierover zal ik uw Kamer voor de zomer van 2020 informeren.

Innovatie

Ik heb toegezegd uw Kamer te informeren over de wijze waarop het uitvoeringsbudget voor de G5 gemeenten vorm krijgt. Met de G5 is afgesproken om bij de lokale invulling van het Nationaal Sportakkoord in te zetten op sociale en technologische innovatie van het lokale sportbeleid. Begin november jl. heeft iedere gemeente hiertoe een projectplan ingediend.

De G5 gemeenten gaan experimenteren met de vraag hoe de sport eruit kan zien in de stedelijke omgeving van morgen. In aanvulling op het bestaande lokale sportbeleid, zal iedere gemeente daarvoor een «living lab» ontwikkelen. Ieder van de gemeenten is vrij in de keuze voor de inhoud van het experiment. Er zal onder meer worden ingezet op het integreren van gaming in de sportvereniging, het ontwikkelen van de zwemles van de toekomst, en het ontwikkelen van beweeglabs in wijken met beweegachterstand. Bij ieder van de initiatieven wordt actief samengewerkt met lokale partners zoals de kennisinstelling, burger of het bedrijfsleven.

We willen het belang van innovatie van sportbeleid niet beperken tot de G5. De opbrengsten van de experimenten zullen actief worden gedeeld met andere gemeenten. Daarnaast heeft ZonMw alle gemeenten in Nederland uitgenodigd om ideeën voor «living labs» in te dienen. In 2020 zullen er naar verwachting naast de G5 nog eens zestien gemeenten kunnen starten met een duurzaam, innovatief samenwerkingsverband om aan de ambities van het Sportakkoord bij te dragen.

Vanuit zijn rol van Chief Technology Officer van het Sportakkoord heeft het Topteam Sport met zijn innovatieprogramma «Sportinnovator» het afgelopen jaar een aantal urgente vraagstukken uit het Sportakkoord opgepakt. Begin deze maand zijn twee consortia van bedrijven, met steun van Sportinnovator, gestart met het ontwikkelen van een duurzaam kunstgrasveld dat o.a. volledig recyclebaar is. Zo wordt er ingezet op het maken van de kunstgrassprieten uit mais en polyester. Ook zijn drie consortia gestart met het ontwikkelen van

methoden om het beheer van sportaccommodaties milieuvriendelijk en chemievrij te maken. Daarbij wordt ingezet op het gebruiken van elektriciteit, het automatiseren van het doorsteken van de wortels van verschillende onkruiden en het voor de sportaccommodatie toepasbaar maken van bestrijdingsmethoden met micro-organismen uit de landbouw.

Om ook in de komende jaren met meer sterke bedrijfsconsortia uitdagingen aan te gaan die binnen de scope van het Sportakkoord liggen, worden regionale bedrijvenbijeenkomsten georganiseerd. Bij deze bijeenkomsten worden bedrijven, zowel binnen als buiten de sportsector, zoveel als mogelijk gekoppeld aan de uitdagingen zoals die in het Sportakkoord beschreven zijn.

Arbeidsmarkt en sport

Bij het aannemen van de motie2 van de Kamerleden Diertens (D66) en Rudmer Heerema (VVD) heb ik gezegd met stakeholders in gesprek te gaan over arbeidsmarktvraagstukken in de sport. Ook heb ik toegezegd specifiek aandacht te hebben voor arbeidscontracten voor bondscoaches na afloop van de Olympische cyclus (na 2020), en voor kleine amateurcontracten3. En tot slot dat ik uw Kamer zal informeren over het symposium over de arbeidsmarkt in de sportsector4.

Op 4 november heb ik een startsymposium georganiseerd waarbij met alle stakeholders is geïnventariseerd wat de knelpunten zijn op het gebied van onder andere de arbeidsmarkt, contracten, scholing en opleiding in de sportsector. Als belangrijkste knelpunten kwamen naar voren:

  • Het ontbreekt in de sportsector aan een gezamenlijke strategische visie op (eisen, opleiding en doorstroming van) menselijk kapitaal;

  • Er is versnipperde kennis over de arbeidsmarkt en opleidingsbehoefte in de sportsector;

  • Om invulling te geven aan de gestelde ambities zou de kwaliteit van de begeleiding, opleiding en pedagogische vaardigheden van vrijwilligers verbeterd moeten worden;

  • De samenwerking en mobiliteit met andere sectoren (zorg, welzijn, onderwijs) is beperkt, onder andere door de verschillende functie-eisen in de sectoren;

  • Er is een hoog verloop in de sector. Genoemde oorzaken daarvan zijn onder andere de arbeidsvoorwaarden, kleine contracten en de uiteenlopende competenties die gevraagd worden.

Het vervolg is dat ik de sector ga faciliteren om te komen tot een breed gedragen visie en plan van aanpak om zowel de kwantiteit als kwaliteit van het menselijk kapitaal in de sport te verbeteren. Daarnaast levert een aantal maatregelen uit het Sportakkoord reeds een bijdrage aan het oplossen van enkele van de vraagstukken, zoals het sporttak-overstijgend samenwerken van bonden met betrekking tot opleiden. Ik zal uw Kamer voorafgaand aan het AO Sport van 2020 informeren over de verdere voortgang.

Ik heb ook toegezegd uw Kamer te informeren over arbeidscontracten van bondscoaches5. NOC*NSF heeft de sportbonden hier specifiek over bevraagd, maar dit levert geen eenduidig beeld op van de problematiek. Een sportbond met minder financiële reserves zal bijvoorbeeld eerder voor een tijdelijke aanstelling kiezen dan een grotere sportbond. Mocht dit tot grote problemen leiden, dan wordt, in goed overleg met NOC*NSF gezocht naar een passende oplossing. Daar waar het generieke problemen betreft, zal dit geagendeerd worden in het traject «Menselijk kapitaal in de sport». Hiermee beschouw ik de motie van de leden Diertens en Rudmer Heerema en de genoemde toezeggingen over dit onderwerp als afgedaan.

Amendement Heerema

Ik heb toegezegd u te rapporteren over de activiteiten die zijn voortgekomen uit het «Amendement Rudmer Heerema»6. Om verenigingsbesturen te ondersteunen, zijn acht regionale bestuurdersontmoetingen georganiseerd met in totaal ruim vierhonderd deelnemers. Hierbij is de specifieke behoefte van de verenigings-bestuurders geïnventariseerd. Vervolgens is het ondersteuningsaanbod hieraan gekoppeld. Daarnaast is er een online bestuurskalender ontwikkeld met landelijk en regionaal aanbod gericht op bestuurders van sportverenigingen (bijvoorbeeld de online module vrijwilligersmanagement). In totaal zijn zeventien nieuwe workshops voor bestuurders gerealiseerd. Vanuit de 34 verschillende sportbonden hebben inmiddels één of meerdere clubs deelgenomen aan deze workshops.

Om trainers, coaches en teambegeleiders te versterken, is trainersbegeleiding opgenomen in de kwalificatiestructuren van sport en onderwijs. Daarnaast zijn diverse handreikingen voor trainersbegeleiding ontwikkeld en zijn bestaande materialen omgezet naar e-learning-producten, zoals de modules grensoverschrijdend gedrag.

Ook op het gebied van arbitrerend kader zijn activiteiten verricht om de kwaliteit van en het respect voor scheidsrechters te vergroten. Er is een Arbitrage Informatie Systeem ontwikkeld, zodat scheidsrechters direct na de wedstrijd feedback kunnen geven en krijgen. Verder zijn promofilms gemaakt en masterclasses georganiseerd om meer vrouwelijke scheidsrechters door te laten stromen van clubniveau naar bondsniveau.

Om de kwaliteit van opleidingen te vergroten, is een vernieuwde wijze van auditen doorgevoerd, waardoor bonden meer feedback krijgen op de manier waarop hun opleidingen (volgens de Kwalificatie Structuur Sport) worden ingericht en getoetst. Bovendien is geïnvesteerd in het gezamenlijk aanbieden van sportopleidingen door sportbonden en andere stakeholders via een gemeenschappelijk portal en backoffice, genaamd www.sportopleidingen.nl.

De activiteiten uit het Amendement Rudmer Heerema hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het versterken van clubkader en worden in de uitvoering van het Sportakkoord doorgezet. Hiermee beschouw ik deze toezegging als afgehandeld.

Wijzigingen decentralisatie-uitkeringen buurtsportcoaches en Sportakkoord

Ik wil u informeren over aangescherpte eisen met betrekking tot de decentrale uitkering, een instrument dat ik benut voor zowel de buurtsportcoachregeling als voor het uitvoeringsbudget sportakkoord. Na opmerkingen van de Algemene Rekenkamer zijn, in overleg met mijn collega’s van BZK en Financiën en de VNG en VSG, in beide regelingen aanpassingen doorgevoerd die per 2020 in werking treden.

Deze wijzigingen resulteren erin dat gemeenten binnen de buurtsportcoachregeling niet langer jaarlijks de hoogte van hun aanvraag kunnen muteren maar dat zij voor de komende 3 jaar een vast budget voor de buurtsportcoach zullen ontvangen. Voor het uitvoeringsbudget Sportakkoord hebben de aangescherpte eisen tot gevolg dat de mogelijkheid vervalt om gemeenten uit te sluiten dan wel te korten op de regeling. Dit in tegenstelling tot de informatie die u tijdens de technische briefing ontvangen heeft.

Buurtsportcoaches

Voor 2019 tot en met 2022 doen 347 gemeenten mee aan de Brede regeling Combinatiefuncties. Zij realiseren samen 3.400 fte aan buurtsportcoaches, combinatiefunctionarissen en cultuurcoaches. Hiermee leveren ongeveer 5.800 professionals een bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen van het Nationaal Sportakkoord.

Gemeenten zetten buurtsportcoaches in voor verschillende doelgroepen, zoals mensen met een beperking (74% van de gemeenten), ouderen (78% van de gemeenten) en mensen met een lage SES (52% van de gemeenten). Daarnaast wordt in 99% van de gemeenten die inzetten op sport de verbinding tussen sport en onderwijs gezocht. Hierdoor zorgt de combinatiefunctionaris voor een hogere kwaliteit van sport- en beweegaanbod op en rond scholen.

Om meer verbinding te leggen tussen de buurtsportcoach en de sport- en beweegaanbieders is in januari 2019 het NOC*NSF-project Proeftuinen Clubkadercoaching van start gegaan. De clubkadercoach is een buurtsportcoach die zich richt op het verbeteren van pedagogisch-didactische aspecten van het trainerschap bij sportverenigingen. In dit project participeren zeven gemeenten en acht sportbonden. Samen hebben zij 32 proeftuinen voor Clubkadercoaching opgezet, waar 54 verenigingen gedurende een periode van 18 maanden ervaring opdoen met het inzetten van buurtsportcoaches als clubkadercoach.

Ik heb uw Kamer toegezegd jaarlijks de uitkomsten van de ex-durante evaluatie Buurtsportcoachregeling te delen7. Dit betreft de Community of Practice (CoP). Tijdens de eerste bijeenkomst zijn de volgende zaken aan de orde gekomen: de buurtsportcoach als verbinder van sectoren op lokaal niveau, het versterken van sportaanbieders en vrijwilligers en partnerschap tussen de buurtsportcoaches en de gemeente.

De CoP gaat tijdens de bijeenkomsten in op praktijkcasussen en men bespreekt met elkaar wat er goed gaat en wat beter kan. Op deze manier wordt van elkaar geleerd en kan landelijk en lokaal beleid worden bijgestuurd. Op basis van de input en gesprekken op de thema’s worden door de leden van de CoP adviezen en actiepunten geformuleerd. Voor meer informatie over de inzet van buurtsportcoaches verwijs ik graag naar de monitorrapportage die door het Mulier Instituut is gepubliceerd (bijlage 2)8.

Vervoer gehandicapte teamsporters

In het voorjaar van 2019 heb ik uw Kamer bericht9 dat de vervoersvoorziening voor lichamelijk gehandicapte teamsporters anders zal worden ingericht en dat wordt onderzocht hoe de voorziening een bredere groep sporters met een beperking kan gaan bereiken. De huidige inrichting van de vervoersvoorziening is niet toekomstbestendig genoeg gebleken vanwege mogelijke staatssteun. Daarom is gekozen om het vervoer openbaar aan te besteden en Stichting Special Heroes Nederland via een subsidie als belangenbehartiger voor gehandicapte sporters aan te wijzen.

Mijn streven was om nog dit jaar een definitieve opdracht aan een vervoerder te kunnen gunnen. Bij de uitwerking van de aanbesteding is echter gebleken dat het creëren van een gelijk speelveld voor vervoerders een grote uitdaging was. Daarom heb ik toestemming gegeven om de huidige inrichting van het vervoer (ondanks mogelijke staatssteun) éénmalig met zes maanden te verlengen. Dit gaf voldoende tijd om beheersmaatregelen op te stellen om de risico’s op problemen bij implementatie van nieuw aanbod te beperken. De openbare aanbesteding is inmiddels gepubliceerd en binnenkort zal ook Special Heroes haar onderzoek naar mogelijke verbreding van de vervoersvoorziening afronden. Als naar aanleiding hiervan uitbreiding van de vervoersvoorziening naar andere doelgroepen kan worden gerealiseerd, informeer ik uw Kamer hierover in het voorjaar van 2020. Mijn eerdere toezeggingen over dit onderwerp beschouw ik bij deze als afgedaan.

Project sporthulpmiddelen

Zoals toegezegd10, informeer ik uw Kamer bij deze graag over de eerste resultaten van het project «Sporthulpmiddelen beter beschikbaar en bereikbaar». Het project is eind 2018 van start gegaan en zal lopen tot en met 2021. Uit de eerste resultaten blijkt onder meer dat gemeenten onvoldoende kennis hebben over typen sporthulpmiddelen en over de wettelijke kaders rondom verstrekking van deze hulpmiddelen. Dit komt onder meer doordat sporthulpmiddelen deels onder de werkingssfeer van de Wmo en deels onder de Zvw vallen. In de relatie tussen gemeenten en zorgverzekeraars bestaat bovendien onduidelijkheid over de toepassing van deze wet- en regelgeving als het aankomt op de financiering van de verstrekking van hulpmiddelen.

Op basis van de uitkomsten van de enquête is een concept-handreiking opgesteld, om professionals handvatten te bieden hoe zij tussen de Wmo en Zvw kunnen bewegen om hulpmiddelen te verstrekken. De werking van deze handreiking wordt in 2020 in drie pilots getoetst. Deze pilots vinden plaats in Emmen, Den Haag en in de provincie Brabant. Daarnaast wordt in een pilot onderzocht of er één loket ontwikkeld kan worden waar sporters die in aanmerking willen komen voor een sporthulpmiddel terecht kunnen voor informatie en advies. In de pilots is er specifiek aandacht voor de verstrekking van sportprotheses aan kinderen, waarmee ik invulling geef aan de eerdere motie van het lid Diertens11. De uitkomsten van de pilots worden eind 2020 geëvalueerd, waarna een definitieve handreiking eind 2021 gereed is.

Aangepast sporten per regio

Ik heb toegezegd uw Kamer een actualisering te geven over de mogelijkheden voor aangepast sporten per gemeente en per provincie. Voor een overzicht in absolute aantallen aanbieders van aangepaste sport per gemeente verwijs ik graag naar cijfers op de website Sport op de Kaart12. Een overzicht van het aanbod van aangepast sporten per provincie en per gemeente kunt u vinden op het platform van Uniek Sporten13. Ik ben verheugd om te zien dat dit platform groeit, en steeds meer verenigingen aanhaken bij Uniek Sporten om nieuw en bestaand aanbod inzichtelijk te maken.

Een volledig overzicht kan niet worden gegeven om twee redenen. Ten eerste is het aanbod van aangepast sporten in Nederland niet altijd zichtbaar, omdat aangepast sport ook in het reguliere circuit plaats kan vinden (Van Stam, Brandsema, De Jonge, Maasdam & Van Lindert, 2018). Uit ander onderzoek blijkt dat mensen met een lichamelijke beperking die sporten dit vaker bij de fitnesscentra doen dat bij andere sportaanbieders (Van den Dool & Van Lindert, 2018). Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

Duurzaamheid

In 2016 is de Subsidieregeling Energiebesparing en Duurzame Energieopwekking Sportaccommodaties (EDS) gestart met als doel om de sportsector te stimuleren verduurzamende maatregelen te nemen. De EDS is eind 2018 beëindigd en onlangs is de evaluatie van de regeling (zie bijlage 3) afgerond14. Uit de evaluatie komt naar voren dat de EDS de doelstelling behaald heeft. In de drie loopjaren is de subsidie jaarlijks uitgeput en is gebleken dat het free rider-effect beperkt was. De regeling heeft daarmee sportverenigingen daadwerkelijk aangezet tot het investeren in verduurzaming en zodoende tot het verlagen van de energiekosten.

Het betaalbaar houden van de sport, onder andere via verduurzaming, is een belangrijke pijler in het Sportakkoord. Ruim de helft van de sportverenigingen geeft ook aan dat dit de belangrijkste reden voor hen is om te verduurzamen (zie bijlage 4)15. Ik heb de uitgangswaarden van deze regeling dan ook overgenomen in de huidige regeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties (BOSA). Uit de evaluatie blijkt bijvoorbeeld dat de verenigingen liever een voorschot ontvangen op de subsidie, dan een gelijkmatige bevoorschotting gedurende het project. Deze aanbeveling heb ik voor de BOSA 2020 overgenomen. Met de SPUK beoog ik dezelfde uitgangswaarden te bevorderen. Over de stand van zaken van de SPUK heb ik uw Kamer afgelopen september geïnformeerd16.

Naast de aanpassing in de BOSA om verenigingen beter in staat te stellen de benodigde investeringen te doen, heb ik ook het knelpunt van de financiering voor deze investeringen weggehaald. Verenigingen hebben namelijk een borgstelling nodig om een lening bij de bank af te kunnen sluiten. Hiervoor is de Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) in het leven geroepen. De extra uitdaging dit verduurzaming aan de verenigingen stelt, konden zij binnen het huidige beschikbare kapitaal voor borgstellingen niet opvangen. Daarom heb ik besloten nog dit jaar 4 miljoen euro aan het borgstellingskapitaal van SWS toe te voegen.

Ik heb uw Kamer daarnaast toegezegd17 in september 2019 de uitkomst van de afspraken rondom de Green Deal Sportvelden met de Ministeries van I&W en VWS, de sportsector en lokale overheden toe te sturen. Mijn collega van I&W heeft u op 25 oktober deze uitkomst mede namens mij naar uw Kamer verstuurd18 en ik beschouw deze toezegging daarmee als afgedaan.

Vrouwen in sportbesturen en Code Goed Sportbestuur

Tijdens het WGO Sport in 2018 heb ik uw Kamer toegezegd om u te informeren over de uitkomst van het gesprek met NOC*NSF inzake vrouwen in sportbesturen (op bondsniveau) en de concrete ontwikkelingen op dat terrein19. Uit het gesprek met NOC*NSF blijkt het volgende. De aandacht voor het thema sociale diversiteit of «inclusiviteit» in de sport is de afgelopen jaren gegroeid. De wisseling van veilig sportklimaat naar positieve sportcultuur heeft ervoor gezorgd dat diversiteitsbeleid bij de gezamenlijke sport (bonden) op de agenda staat. Daarnaast worden partijen, door de vernieuwing van de Code Goed Sportbestuur, gestimuleerd om ook in de organisatie van sport aan diversiteit te werken.

Het doel is om de sociale diversiteit onder bestuurders, trainers/coaches en scheidsrechters te vergroten. Concreet betekent dit veelal een streven naar een sterkere vertegenwoordiging van vrouwen, mensen met een beperking, jongeren en mensen met een niet-Nederlandse achtergrond. De nieuwe code is in ontwikkeling, en ik verwacht dat deze halverwege 2020 gereed is. Hiermee beschouw ik zowel de motie van het lid Diertens20 als de bovengenoemde toezegging als afgedaan.

Beweegapp analoog aan het Cultureel Jongerenpaspoort

Tijdens het afgelopen AO Sport heb ik uw Kamer toegezegd te reageren op de mogelijkheden rondom een beweegapp analoog aan het Cultureel Jongerenpaspoort21. De cijfers laten zien dat het sportlidmaatschap onder jongeren vanaf de middelbare schooltijd daalt. Op 14-jarige leeftijd is nog bijna 60% lid van een sportvereniging, op 20-jarige leeftijd is dit gedaald naar 30%. Dit betekent overigens niet dat jongeren stoppen met sporten; ze gaan juist meer sporten buiten verenigingen, zoals hardlopen of survivalrun. Over 2018 is zelfs een lichte stijging in sportdeelname te zien onder de groep 15 t/m 19 jaar.

Er zijn momenteel diverse apps op de markt om jongeren meer te laten bewegen. In 2019 heeft het Kenniscentrum Sport bijvoorbeeld in samenwerking met NCJ, Pharos en GGD Utrecht (GGDRU) de webapp «de Beweegwijzer» doorontwikkeld en in de GGD AppStore kunnen jongeren een aantal betrouwbare apps vinden die hen ondersteunen bij het starten en volhouden van bewegen.

Mede gelet op de groei van dit aanbod en de stijging van sportdeelname onder jongeren, die ik hierboven aanstipte, zie ik geen reden om daar nog iets nieuws aan toe te voegen. Hiermee beschouw ik de toezegging als afgedaan.

NL Zwemveilig 2020

In het WGO van 19 november 2018 heb ik u toegezegd met een reactie te komen op diverse onderzoeksrapporten inzake zwemveiligheid. In 2019 verschenen binnen het kader van het kennisproject NL Zwemveilig negen onderzoeken naar zwemveiligheid in Nederland. Met de conclusies van deze onderzoeken is er nu een gedetailleerd beeld van de risico’s rondom zwemveiligheid. Deze risico’s zijn onderverdeeld naar persoonlijke zwemvaardigheid (wie verdrinken?), zwemveilige omgevingen (in welke omgeving verdrinken mensen?) en risicobewustzijn (bij welke activiteiten verdrinkt men?).

Met de resultaten uit de diverse studies zijn concrete aandachtsgebieden geformuleerd zoals kinderen (0–4 jaar) in en om het huis, adolescenten tijdens sport/recreatie en (jong)volwassenen in open water. Ik ben blij om dergelijke concrete onderzoeksresultaten te mogen ontvangen, omdat met deze informatie de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) een concreet en gefundeerd Nationaal Plan Zwemveiligheid 2020–2024 heeft kunnen ontwikkelen (zie bijlage 5 en 6)22.

Het plan is opgesteld door NRZ en heeft breed draagvlak bij diverse partijen in de zwembranche die vertegenwoordigd zijn in de Raad. In dit plan worden de inspanningen van alle betrokken partijen beschreven om iedereen een leven lang plezierig en veilig te kunnen laten zwemmen. De maatregelen gaan in op leren zwemmen en blijven zwemmen, een veilige omgeving en risicobewustzijn. Daarnaast is aandacht voor kennisontwikkeling en netwerkvorming ten behoeve van lerend beleid. Bij de totstandkoming van dit plan is eveneens aandacht geweest voor het Actieplan zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland (van Nispen, 2019). In het plan is eveneens aandacht voor de rol die de rijksoverheid op dit thema heeft. Ik ga in gesprek met NRZ om de ondersteuning vanuit het Rijk concreet te maken en ik informeer uw Kamer daarover voorafgaand aan het AO Sport 2020.

Duale carrières & topsport en onderwijs

In de motie van de leden Diertens en Westerveld23 wordt de regering verzocht om de Kamer te informeren over op welke wijze in Nederland invulling is gegeven aan de aanbevelingen uit het onderzoeksproject «Gold in Education and Elite Sport (GEES)». Allereerst zijn de uitkomsten van het GEES-project vertaald naar het Nederlands en door NOC*NSF verspreid onder de duale carrièrebegeleiders en de Nederlandse onderwijsinstellingen. Hierdoor hebben de begeleiders kennis verkregen over wat topsporters nodig hebben om de duale carrière (studie en topsport) goed te kunnen combineren en welke competenties benodigd zijn bij begeleiders van deze topsporters. Vervolgens is een «Train de trainer» scholings-programma voor begeleiders ontwikkeld. In elke regio zijn één of meerdere duale carrièrebegeleiders geschoold, zodat de workshops verspreid kunnen worden over de zeven regio’s. Daarnaast organiseert NOC*NSF een tweejaarlijks kennisevent voor diverse professionals die werkzaam zijn in de sport of het onderwijs, waarin uitgebreid wordt stilgestaan bij de kansen en belemmeringen bij de combinatie topsport en onderwijs.

Naast de implementatie van de GEES-resultaten, wordt in Nederland op zowel landelijk als regionaal niveau op diverse manieren geïnvesteerd om een duale carrière voor topsporters mogelijk te maken, zowel vanuit de sport als vanuit het onderwijs. Zo bestaan diverse samenwerkingsverbanden en het actieplan FLOT (Flexibel Onderwijs en Topsport) waarin NOC*NSF, de sportbonden, en onderwijsinstellingen uit het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs en het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) vertegenwoordigd zijn. Topsporters op deze onderwijsinstellingen kunnen rekenen op speciale (financiële) ondersteuning.

Momenteel laat NOC*NSF in kaart brengen waar en hoe de combinatie topsport en onderwijs nog beter kan, kijkend naar de gehele onderwijskolom. Om het belang van een duale carrière nog eens te benadrukken, is dit expliciet opgenomen als uitgangspunt in het deelakkoord «Topsport die inspireert». Met deze beantwoording acht ik zowel de motie als eerdere toezegging24 afgedaan.

Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer jaarlijks over de besteding van topsportmiddelen door NOC*NSF. Deze vindt u in bijlage 725.

Dopingbeleid

In navolging op mijn brief over de maatregelen ter versterking van het antidopingbeleid26 ga ik hieronder in op twee toezeggingen.

Het onderzoek naar de aard, omvang en ernst van de handel in doping is in volle gang. De analyse van concrete cases kost meer tijd dan vooraf was ingeschat door de onderzoekers. De verwachting is dat het onderzoek in het voorjaar van 2020 wordt opgeleverd.

Ik heb in 2015 toegezegd u eens in de vier jaar te informeren over de prevalentie van dopinggebruik in de topsport. Dat onderzoek is in het afgelopen jaar uitgevoerd door het Mulier instituut. Recent is gebleken dat de responsgraad bij het onderzoek te laag is gebleven om de gevraagde informatie te leveren. Ik ben in overleg met het Mulier instituut om te zien waarom de respons te laag was en hoe het onderzoek alsnog kan worden opgeleverd of dat een nieuw onderzoek nodig is. Zodra de rapportage gereed is, zal ik u daarover uiteraard informeren.

Tevens heb ik toegezegd u te informeren over de financiële ondersteuning van sporters wanneer zij verwikkeld raken in complexe tuchtzaken27. Inmiddels heeft NOC*NSF, in samenwerking met NLSporter en het Instituut voor sportrechtspraak, een zogeheten juridische voorziening opgericht. Deze voorziening ondersteunt een sporter die van dopinggebruik wordt verdacht. Dit bestaat eruit dat sporters worden geholpen bij het vinden van adequate juridische ondersteuning en een bijdrageregeling om topsporters financieel te kunnen ondersteunen in complexe doping- of matchfixingszaken waarvoor de eigen rechtsbijstandsverzekering onvoldoende toereikend is. Ik heb hiervoor een eenmalige bijdrage vrijgemaakt van € 500.000,–. Deze toezegging beschouw ik hiermee als afgedaan.

Knelpunten WW, WIA, Wajong

Met de motie van het lid Diertens28 en de daaraan gekoppelde toezegging29 wordt mij verzocht in kaart te brengen welke mogelijkheden er zijn om maatwerk te bieden voor topsporters met WW-uitkeringen bij trainingskampen en de WIA- en Wajong-rechten van paralympiërs. Eerder heb ik aangegeven dat ik hier niet aan zet ben, omdat dit vraagstuk op het terrein van het Ministerie van SZW ligt.

Het gaat hier om twee knelpunten. Het ene knelpunt concentreert zich rondom de combinatie van het hebben van een uitkering én het ontvangen van een stipendium. Enkele Paralympische sporters worden ermee geconfronteerd dat, vanwege het ontvangen van een stipendium (dat als inkomen aangemerkt wordt), hun rechten op WIA of Wajong zouden kunnen wegvallen of veranderen. NOC*NSF en SZW zijn hierover constructief in gesprek en maken momenteel de analyse bij hoeveel atleten hier sprake van is, om mede op basis daarvan te kijken hoe hiermee om te gaan. Het andere knelpunt betreft stages en toernooien buiten Europa waar een atleet strikt genomen niet aan kan deelnemen. Ook hierover zijn NOC*NSF en SZW in gesprek. Enerzijds om een oplossing te vinden voor atleten die momenteel tegen deze beperking aanlopen, anderzijds om tot een structurele regeling te komen voor alle topsporters met een uitkering in Nederland. Ik zal uw Kamer voorafgaand aan het AO Sport van 2020 over de ontwikkelingen op dit vlak informeren.

Vrouwenvoetbal op tv

Zoals toegezegd30, heb ik met het Ministerie van OCW gesproken over de mogelijkheden om meer vrouwenvoetbal op televisie uit te zenden. Uitgangspunt van het mediabeleid is dat de inhoudelijke programmering de eigen verantwoordelijkheid is van de onafhankelijke media. De Minister voor Media werkt op dit moment aan het aanpassen van de evenementenlijst via een wijziging van het Mediabesluit 2008. Om te komen tot aanpassingen zijn verschillende stakeholders geconsulteerd.

De Minister voor Media heeft het voornemen om de wedstrijden van het Nederlands elftal van het eindtoernooi van de Europees- en Wereldkampioenschappen vrouwenvoetbal, evenals de halve en hele finales daarvan, toe te voegen aan de evenementenlijst. De Eredivisie Vrouwen valt niet binnen de wettelijke criteria om op de evenementenlijst te kunnen worden geplaatst. Over de aanpassing van de evenementenlijst zal de Minister voor Media u nader informeren. Hiermee heb ik bovenstaande toezegging afgedaan.

Sportevenementen op de openbare weg

Ik heb uw Kamer tijdens het Algemeen Overleg van 12 juni 2019 toegezegd om met het Ministerie van I&W en J&V te spreken om ook in de toekomst sportevenementen op de openbare weg mogelijk te blijven maken31. Dit gesprek heeft in september jl. plaatsgevonden waarbij ook vertegenwoordigers van NOC*NSF, KNWU (Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie) en de politie zijn aangesloten.

De sportsector heeft aangegeven dat wedstrijden op de openbare weg voor diverse categorieën wielrenners (talenten, beloften, elite) belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de wielersport. Verkeersveiligheid staat echter voorop.

Het moet dan ook passen binnen het kader dat wordt bepaald door de in Nederland geldende verkeersregels en de beschikbare inzet van de politie. De knelpunten worden nu verder in kaart gebracht en in een vervolggesprek worden oplossingsrichtingen nader verkend. Ik zal uw Kamer voor de zomer van 2020 nader informeren over de uitkomsten.

Nederlandse Sportraad

De NLsportraad is voor een periode van vier jaar ingesteld op basis van de Kaderwet adviescolleges. Deze termijn loopt af op 1 april 2020. De evaluatie van de NLsportraad is bijgevoegd als bijlage 832. Zoals uit deze evaluatie blijkt, is er een brede behoefte aan een onafhankelijk adviesorgaan in de sport, en ik onderschrijf deze behoefte. De evaluatie geeft ook aan dat er nog een aantal belangrijke

aandachtspunten zijn ten aanzien van de focus en positionering van de NLsportraad. Momenteel bestudeer ik deze punten, en deze bespreek ik ook met de raad. Ik zal u begin 2020 informeren over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van de toekomst van de NLsportraad.

Financiële gezondheid voetbalclubs

Tijdens het AO Sport van 12 juni jl. heb ik u toegezegd in gesprek te gaan met de KNVB over de financiële situatie van de Nederlandse betaald voetbalclubs33. Op ambtelijk niveau is met de KNVB gesproken. De KNVB heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat ze samen met clubs streeft naar gezonde, sportieve en eerlijke competities binnen het betaald voetbal. Voorts is aangegeven dat de financiële situatie van clubs in het algemeen is verbeterd ten opzichte van vorige jaren. Zowel de KNVB als de clubs waren van mening dat, ondanks bovenvermelde positieve trends, de financiële situatie van clubs nog verder verbeterd moet worden. Om de integriteit, de continuïteit van de betaald voetbalcompetities en de financiële gezondheid van de clubs zo goed mogelijk te waarborgen, is een vernieuwd licentiesysteem ingevoerd.

In het gesprek gaf de KNVB echter ook aan dat in het internationale speelveld de positie van Nederlandse clubs verslechtert en dat er een groeiende ongelijkheid tussen clubs en competities ontstaat binnen Europa. In haar ogen heeft Europa onvoldoende middelen om effectief op te treden tegen staatssteun vanuit overheden. Zoals eerder aangeven in de antwoorden op Kamervragen34 over de steun van de gemeente Enschede aan voetbalclub FC Twente, is het niet aan mij om te oordelen over de inzet van middelen door de gemeente. Dit geldt ook voor de inzet van middelen door overheden van andere landen.

Als een gemeente of een nationale overheid een voetbalclub of een ander commercieel bedrijf financieel wil ondersteunen, dient dat onder meer te gebeuren binnen de kaders van de Europese staatssteunregels en in Nederland ook binnen de kaders van de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Het correct naleven van (Europese) wet- en regelgeving is primair aan de lidstaten en de gemeenten zelf. Hiermee wordt recht gedaan aan de autonomie ten aanzien van de afbakening van de eigen publieke taak. Ik kan dan ook niet voorkomen dat clubs bij financiële problemen aankloppen bij gemeenten of hun nationale overheid. Hiermee zie ik de toezegging als afgedaan.

Het is goed om te zien dat de beweging die wij met het Nationale Sportakkoord hebben ingezet in zo veel gemeenten een lokale doorvertaling krijgt. In de komende periode wordt duidelijk op welke manier lokale sportakkoorden een positieve uitwerking hebben voor sporters en sportaanbieders. Ik volg de lokale ontwikkelingen met veel aandacht en informeer uw Kamer graag over de voortgang van het Nationale Sportakkoord. Ik kijk uit naar een prettige en constructieve samenwerking met uw Kamer.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
2

Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 102.

X Noot
3

Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 113.

X Noot
4

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
5

Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 13.

X Noot
6

Kamerstuk 34 775 XVI, nr. 31.

X Noot
7

Kamerstuk 30 234, nr. 203.

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
9

Kamerstuk 30 234, nr. 215.

X Noot
10

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
11

Kamerstuk 30 234, nr. 188.

X Noot
14

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
15

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
16

Kamerstuk 30 234, nr. 233.

X Noot
17

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
18

Kamerstuk 27 858, nr. 488.

X Noot
19

Kamerstuk 35 000 XVI, nr. 113.

X Noot
20

Kamerstuk 30 234, nr. 227.

X Noot
21

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
22

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
23

Kamerstuk 30 234, nr. 226.

X Noot
24

Kamerstuk 34 775 XVI, nr. 31.

X Noot
25

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
26

Kamerstuk 34 543, nr. 17.

X Noot
27

Kamerstuk 30 234, nr. 214.

X Noot
28

Kamerstuk 30 234, nr. 225.

X Noot
29

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
30

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
31

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
32

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
33

Kamerstuk 30 234, nr. 230.

X Noot
34

Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2849.