Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201730196 nr. 541

30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid

Nr. 541 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 maart 2017

Op 23 februari 2017 heeft uw Kamer de moties 30 196, nrs. 523, 534 en 535 aangenomen (Handelingen II 2016/17, nr. 57, Stemmingen moties Duurzaamheid en milieu), die door het lid Dijkstra (VVD) zijn ingediend. Deze moties hangen direct samen met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer, ter implementatie van de Europese ILUC-richtlijn, die uiterlijk op 9 september 2017 afgerond moet zijn. Met deze brief wil ik uw Kamer informeren hoe ik met deze moties omga. De in deze brief voorgestelde lijn, zal ik verwerken in het wetsvoorstel tot implementatie van de ILUC-richtlijn dat ik op korte termijn bij uw Kamer zal indienen. Ook de onderliggende regelgeving bij het wetsvoorstel zal hierop worden aangepast.

Motie met Kamerstuk 30 196, nr. 523

De motie verzoekt de regering bij biobrandstoffen te sturen op de reductie van broeikasgassen en verzoekt de regering voorts daarbij in te zetten op biobrandstoffen die aantoonbaar ten minste 60% CO2-reductie opleveren ten opzichte van fossiele brandstoffen, inclusief rekening houdende met een wijziging in indirect landgebruik (ILUC).

Ik ben het met uw Kamer eens dat het wenselijk is om te sturen op de broeikasgasreductie bij biobrandstoffen en daarbij rekening te houden met het risico op ILUC. Deze motie vraagt het kabinet om het duurzaamheidscriterium in artikel 17 lid 2 van de Richtlijn hernieuwbare energie aan te scherpen. Volgens artikel 17 lid 8 van dezelfde richtlijn mag een lidstaat dit echter niet doen. Tijdens het VAO van 21 februari 2017 (Handelingen II 2016/17, nr. 55, item 37) heb ik reeds aangegeven dat ik deze motie niet kan uitvoeren vanwege Europees rechtelijke redenen.

Om zoveel mogelijk aan de achterliggende gedachte van de motie tegemoet te komen, stel ik een verplichte invoering van E10 (benzine met 10% bioethanol) voor. Onder andere Duitsland, België en Frankrijk hebben dit gedaan. Conventionele bioethanol reduceert gemiddeld meer CO2 dan conventionele biodiesel. Conventionele bioethanol heeft ook een lager ILUC-risico. Door deze maatregel wordt het mogelijk om meer dan nu het geval is te sturen op de CO2-reductie van biobrandstoffen.

Gezien de wetsystematiek zal deze verplichting op het niveau van een algemene maatregel van bestuur (AMvB) onder de wet worden opgenomen. De inpassing van deze verplichting zal ik in nauw overleg met betrokken stakeholders en consumentenorganisaties vormgeven aangezien zo’n 10% van de auto’s in het Nederlandse wagenpark nog niet op E10 kan rijden.

Motie met Kamerstuk 30 196, nr. 534

De motie verzoekt de regering de dubbeltelling tot 2020 in stand te houden om zo betere biobrandstoffen te belonen én daarbij de jaarverplichting zodanig aan te passen zodat ook de afspraken die volgen uit het Energieakkoord gestand kunnen worden gedaan.

Overeenkomstig de wens van uw Kamer zal ik de dubbeltelling in stand houden. Ik wil dat in afwijking van de motie tot 2021 doen. Ik heb daar verschillende redenen voor. De belangrijkste reden is dat de Europese doelstellingen en de afspraken uit het Energieakkoord in 2020 gehaald moeten worden. Afschaffing van dubbeltelling in 2020 vergroot het risico dat de 2020 doelen niet gehaald worden.

Door het in stand houden van de dubbeltelling tot 2021 ben ik om de afspraken uit het Energieakkoord te kunnen nakomen, genoodzaakt de jaarverplichting te verhogen tot 16,4%. Ik kom op deze jaarverplichting omdat het door de dubbeltellingsregeling onzeker is hoeveel conventionele biobrandstoffen marktpartijen gaan bijmengen. In theorie kan dit zelfs 0% zijn. Om zeker te stellen dat de afspraken in het Energieakkoord gehaald worden moet ik er van uitgaan dat de jaarverplichting in zijn geheel ingevuld wordt met dubbeltellende geavanceerde en meest geavanceerde biobrandstoffen.

Het in stand houden van de dubbeltelling betekent dat de dubbeltellingsverificatie gehandhaafd blijft, waardoor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven niet zoals in het eerdere voorstel met 50.000 euro per jaar omlaag gaan. Het in stand houden van de dubbeltelling brengt daarnaast ook meer uitvoering- en handhavingkosten voor het Rijk met zich. Deze extra kosten worden geschat op 600.000 euro voor de periode tot 2021. De verwachting is dat door de verhoogde jaarverplichting de prijs aan de pomp iets zal toenemen door mogelijke krapte op de biobrandstoffenmarkt. Een precieze prijsinschatting is echter gezien de marktonzekerheid vooralsnog moeilijk te maken

Gezien het bovenstaande handhaaf ik de dubbeltelling in de Wet milieubeheer. In de onderliggende AMvB zal ik de percentages ten gevolge hiervan aanpassen.

Motie met Kamerstuk 30 196, nr. 535

De motie verzoekt de regering dat als de dubbeltelling toch wordt afgeschaft, deze tot tenminste 2020 wel van toepassing blijft op grondstoffen die in het RED 2.0 voorstel annex IX deel A genoemd worden.

Met het uitvoeren van motie met Kamerstuk 30 196, nr. 534 voer ik ook deze motie uit.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma