Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201429544 nr. 548

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 548 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 30 juli 2014

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties hebben op 21 mei 2014 overleg gevoerd met Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over:

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 2013 met de kabinetsreactie op het rapport over Nederland van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie van de Raad van Europa (ECRI) (Kamerstuk 30 950, nr. 62);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 januari 2014 over de resultaten van de gesprekken over ronde tafels «Antisemitisme onder jongeren» (Kamerstuk 30 950, nr. 67);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 januari 2014 met de kabinetsreactie op het SCP-rapport «Ervaren discriminatie in Nederland» d.d. 24 januari 2014 (Kamerstuk 30 950, nr. 68);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2014 met de toegezegde informatie over antisemitisme(Kamerstuk 30 950, nr. 69);

  • de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 mei 2014 over het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie en de kabinetsreactie op het SER advies «Discriminatie werkt niet!» (Kamerstuk 29 544, nr. 523).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Burg

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Berndsen-Jansen

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Wolbert

De voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Recourt

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Post

Voorzitter: Van der Burg

Griffier: Post

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van der Burg, Pieter Heerma, Karabulut, Van Klaveren, Klein, Anne Mulder, Voortman, Van Weyenberg en Yücel,

en Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10:00 uur.

De voorzitter: Goedemorgen, dames en heren. Ik heet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zijn staf van harte welkom. Ook heet ik de Kamerleden en het publiek dat dit debat volgt van harte welkom. In de eerste termijn is de spreektijd vier minuten per fractie.

De heer Klein (50PLUS): Voorzitter. In vier minuten kan ik natuurlijk niet alle onderwerpen over discriminatie behandelen. Ik richt mij daarom specifiek op één onderwerp en logischerwijs is dat discriminatie op basis van leeftijd. Ik heb het dan met name over het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat ook 45-plussers leeftijdsdiscriminatie ervaren. Uit het rapport van de Sociaal-Economische Raad en zijn advies Discriminatie werkt niet! blijkt dat vooral 50-plussers niet aan de bak komen en door werkgevers kunnen worden gediscrimineerd op grond van zogenaamde «mind bugs». Dit zijn vooroordelen die je zou deze moeten tegengaan om daarmee ook de discriminatie tegen te gaan.

50PLUS heeft in verschillende debatten over de arbeidsmarkt aandacht gevraagd voor het bestrijden van vooroordelen bij werkgevers in de fase van werving en selectie. Dat zien wij ook terug in het actieplan bij de brief van de Minister met daarin de kabinetsreactie op het SER-rapport. In dit actieplan komt het bestrijden van vooroordelen heel nadrukkelijk naar voren. Wij vinden echter dat je dit onderwerp heel specifiek moet bekijken in het licht van de arbeidsmarktsituatie van 50-plussers en de daarbij behorende leeftijdsdiscriminatie. In de bijlage bij het actieplan wordt onder punt U expliciet gesproken over leeftijdsdiscriminatie in het kader van discriminatiebestrijding in het algemeen. Dat is mooi en ook heel belangrijk, maar je moet dit veel specifieker en explicieter doen om te voorkomen dat het onderwerp te veel wordt ondergesneeuwd. Wij hebben daarom in het actieplan van 50PLUS het idee geopperd om de arbeidsmarkt voor 50-plussers te verbeteren door veel meer inspiratiedagen voor werkgevers te organiseren waardoor de beeldvorming over de oudere werknemer wordt verbeterd. In aanbeveling 68 van het rapport van de ECRI staat ook expliciet vermeld dat actie moet worden ondernomen tegen leeftijdsdiscriminatie van zowel jong als oud. In dat licht bezien is de reactie van het kabinet dat dit de verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers een wat merkwaardige. Ja, werkgevers en werknemers hebben daadwerkelijkheid een verantwoordelijkheid, maar ook de overheid heeft expliciet een grote verantwoordelijkheid om op dit onderwerp actie te ondernemen. Juist om vooroordelen en leeftijdsdiscriminatie tegen te kunnen gaan, pleiten wij daarom in ons plan voor een ambassadeur ouderenwerkloosheid en wij blijven daarvoor pleiten.

Het is heel belangrijk om een duidelijker beeld te krijgen van het sanctioneringsbeleid. Ook in Europees verband zijn daar afspraken over gemaakt. Hoe wordt inhoud gegeven aan de Europese verplichtingen om discriminerende werkgevers te sanctioneren?

In het actieplan wordt onder andere naming-and-shaming genoemd. Wij zijn daar nogal terughoudend in. Het gaat niet alleen over bedrijven. Het zal ook over overheden gaan, als ik het goed lees. In dat geval moeten we met name de rijksoverheid gaan namen-ad-samen. Het College voor de Rechten van de Mens heeft immers geconstateerd dat het Ministerie van Defensie een slecht voorbeeld geeft op het punt van leeftijdsdiscriminatie van 50-plussers. Wij zouden het veel liever positief vertalen. Laat ons bedrijven die 50-plussers in dienst nemen, die niet aan leeftijdsdiscriminatie doen en die alle mensen kansen geven, juist prijzen. Geef deze bedrijven een schouderklopje en een prijs omdat zij discriminatie juist tegengaan.

De heer Van Weyenborg (D66): Voorzitter. Helaas moet ik deze vergadering om iets voor kwart voor elf verlaten vanwege een debat in de plenaire zaal. Ongelukkigerwijs vinden dat debat en deze vergadering tegelijkertijd plaats. Ik kan dat helaas niet veranderen, hoewel ik dat heb geprobeerd.

Ik ben er blij mee dat er nu een actieplan ligt voor het bestrijden van discriminatie mede als vervolg op het advies van de Sociaaleconomische Raad. Toen wij daar eerder over spraken, bijvoorbeeld tijdens de begrotingsbehandeling, vond ik het kabinet nog erg terughoudend. Het zei toen: we gaan even kijken of dat wel nodig is. Ik ben er heel blij mee dat het kabinet tot de conclusie is gekomen dat hier veel sterker op moet worden ingezet en dat dit actieplan er nu ligt.

De SER stelt dat het vaak toch gaat om vooroordelen en om stereotypering. De heer Klein noemde het ook al. Een heel groot deel van de oplossing moet daarom aan de voorkant worden gevonden, van «mind bugs» tot diversiteitshandvesten en heel veel andere zaken. Ik ben het daar erg mee eens, maar dat laat wel onverlet dat we ook aan de registratie- en handhavingskant extra stappen moeten zetten. In dat verband heb ik een aantal suggesties om het plan van het kabinet nog wat extra tanden te geven.

Mijn eerste suggestie gaat over het diversiteitscharter. Hoe zorgen we ervoor dat bedrijven hier in de praktijk ook echt aandacht aan besteden en dat er in al die bedrijven echt aandacht is voor het bestrijden van discriminatie? Ik doe daartoe een heel concrete suggestie. Uit onderzoek van het kabinet naar de cao's in 2011 blijkt dat minder dan de helft van de werknemers onder een cao valt waarin expliciet aandacht wordt gegeven aan het voorkomen of bestrijden van discriminatie op de werkvloer. Is de Minister bereid in overleg met de sociale partners te treden om ervoor te zorgen dat elke cao afspraken bevat om discriminatie te voorkomen, om ertegen op te treden wanneer die zich toch onverhoopt voordoet en om te werken aan diversiteit? In dat geval maken we de vertaalslag van mooie woorden naar daden.

Over daden gesproken: de Minister kondigde een tijdje geleden aan dat de rijksoverheid geen contracten meer zal afsluiten met bedrijven die discrimineren. Voor zover mogelijk zullen ook contracten beëindigd worden wanneer een bedrijf voor discriminatie is veroordeeld. Het aantal mitsen en maren rondom dat plan neemt wel bij elke kabinetsbrief toe. Inmiddels staat er de zin bij: als dat juridisch mogelijk is. Ook staat erbij: bij een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. Hoeveel handen en voeten krijgt dit nou? Is dit nu een symbool, of gaat dit ook echt tot iets leiden? Dat laatste moet toch de bedoeling zijn, zeker gelet op het feit dat de Minister van Veiligheid en Justitie recentelijk aan de Kamer heeft laten weten dat er in 2012 geen enkele vervolging of veroordeling voor discriminatie door bedrijven heeft plaatsgevonden. Dat roept wel een beetje de vraag op of dit geen papieren tijger is. Ik denk niet dat dit de insteek van de Minister is en het is zeker niet de insteek van D66. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de mooie woorden hierover ook echt in de praktijk worden gebracht?

Bij de begrotingsbehandeling is een motie aangenomen waarin het kabinet werd gevraagd om te bekijken hoe de Inspectie SZW een grotere rol hierbij kan spelen. Ik begrijp dat elk bedrijf in zijn PSA-beleid (psychosociale arbeidsbelasting) al moet ingaan op het tegengaan van discriminatie. Weet de Minister hoe vaak dit nu eigenlijk gebeurt? Zou het niet goed zijn als de Arbeidsinspectie bij elke inspectie kijkt of het tegengaan van discriminatie goed is geborgd? Dit is een heel concreet advies van de SER. Misschien heb ik eroverheen gelezen, maar in het actieplan heb ik daar eigenlijk geen antwoord op kunnen vinden. Is de Minister bereid om ervoor te zorgen dat dit een plek krijgt in elke inspectie die door de Inspectie SZW wordt gedaan?

Ik vind dat dit ook moet gelden voor het beloningsbeleid en bijvoorbeeld voor de verschillen in de beloning van mannen en vrouwen. Kan de Arbeidsinspectie daar bij elke inspectie op toezien en het openbaar maken als blijkt dat er op dit punt problemen zijn?

Tot slot ga ik in op twee andere punten. Volgens het rapport van de ECRI moet het Meldpunt Discriminatie Internet in stand blijven. Het kabinet zegt: het aanpakken van discriminatie op internet is inderdaad heel belangrijk, maar wij hebben daar inmiddels via Meld Misdaad Anoniem een andere portal voor. Hoe werkt dat nieuwe meldpunt nou eigenlijk? Ik heb namelijk cijfers gekregen waaruit blijkt dat het oude meldpunt veel vaker wordt gevonden en gebruikt dan het nieuwe. Hoe wordt de expertise van het Meldpunt Discriminatie Internet goed overgedragen? Hoe werkt dit nou? Ik vind het vrij onoverzichtelijk.

De Minister heeft een terugkoppeling gegeven van de rondetafelgesprekken over antisemitisme onder jongeren. Kan de Minister vertellen of de docenten het lesmateriaal dat hiervoor is ontwikkeld, ook echt gebruiken? In hoeverre heeft de handelingsverlegenheid van docenten bij het onderwerp «antisemitisme» een plek gekregen in het traject tegen pesten?

De heer Van Klaveren (Groep Bonte/Van Klaveren): Voorzitter. Er staan vandaag verschillende stukken op de agenda. Het eerste is het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) van de Raad van Europa. Dit is een onvrije en overbodige club. In het rapport verwijt men de Nederlandse media dat er wordt bericht over het feit dat niet-westerse allochtonen oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteit en uitkeringsafhankelijkheid. Ook is men van mening dat Geert Wilders veroordeeld had moeten worden en noemt men Nederland een racistisch land. Gelukkig hebben we hier nog steeds vrije pers en onafhankelijke rechtspraak en gelukkig durven sommige mensen hier wel feiten te benoemen. Dit zijn blijkbaar zaken waar de makers van dit rapport weinig tot niets mee hebben.

Opvallend is verder dat er in het rapport met geen letter wordt gerept van discriminatie van autochtonen. Dit is een nog altijd onderbelicht probleem. Onderzoek van de heer Ferwerda wees jaren geleden al uit dat sterke anti-Nederlandse gevoelens een oorzaak zijn van geweld door allochtonen tegen autochtonen. Mohammed Chippie, tegenwoordig een polderimam, stelde niet al te lang geleden dat negen van de tien jonge moslims Nederlanders haten vanwege hun Nederlander-zijn. De meeste slachtoffers van loverboys zijn autochtone meisjes, terwijl negen van de tien daders allochtoon zijn. Erkent deze Minister dat ook autochtonen gediscrimineerd worden door allochtonen?

Een ander agendapunt betreft antisemitisme. Dit is een groot probleem. Een op de vijf geschiedenisdocenten in de Randstad durft de Holocaust niet te bespreken omdat men bang is voor agressieve Turkse en Marokkaanse leerlingen. Daar heb ik in het verleden al meerdere keren op gewezen. In 2004 meldde de AIVD al dat het groeiend antisemitisme onder middelbare scholieren wordt veroorzaakt door de islamitische opvattingen van leerlingen. Niet al te lang geleden hebben we op mijn verzoek een debat gevoerd over Turkse jongeren die Adolf Hitler prezen en te kennen gaven moord op joden geen probleem te vinden. Dat zijn de zure vruchten van de mislukte integratie. Een gepland onderzoek naar triggerfactoren voor antisemitisme zonder specifieke aandacht voor de negatieve rol van de islam vindt mijn fractie incompleet. Professor Van der Horst stelde al dat de islamisering van het hedendaagse antisemitisme een huiveringwekkende ontwikkeling is. Meer onderzoek naar dit specifieke punt is dan ook noodzakelijk. Kan de Minister toezeggen dat er bij het onderzoek naar triggerfactoren van antisemitisme ook specifiek aandacht is voor de rol van de islam? Kan de Minister daarnaast garanderen dat er bij het zoeken naar een betere implementatie van beschikbaar lesmateriaal geen nieuwe mythe wordt opgetuigd, zoals het geval was bij het reeds lang ontkrachte verhaal van het zogenaamd meevechten van Marokkaanse soldaten in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog? Onze scholieren hebben recht op de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid, ook als dat ongemakkelijke feiten over de islam of de Multi kul betreft.

Het bevreemdt mijn fractie verder dat dit kabinet de mond vol heeft van het hard aanpakken van antisemitisme en discriminatie op dat terrein – dat is met 650.000 antisemieten in Nederland meer dan nodig – maar tegelijkertijd direct en indirect anti-Israëlische organisaties subsidieert die Jodenhaat en terrorismeverheerlijking bevorderen en toejuichen. Ik heb hier onlangs nog vragen over gesteld. Kan de Minister zeggen waarom dit kabinet nog steeds weigert om onderzoek te doen naar gesubsidieerde hulporganisaties die anti-Israëlpropaganda faciliteren?

We bespreken vandaag ook de brief van de regering over het rapport «Ervaren discriminatie in Nederland». Gelukkig leven we in een land waar het een ieder vrijstaat om, indien hij of zij het gevoel heeft te zijn gediscrimineerd, hiervan aangifte te doen bij de politie. Mocht een zaak uiteindelijk voorkomen bij een rechter, dan doet die een uitspraak over de vraag of er daadwerkelijk gediscrimineerd is. Dat is helder, onafhankelijk en eerlijk. Mijn fractie is van mening dat de vele gesubsidieerde antidiscriminatiebureaus dan ook een overbodige rol vervullen.

Ik sluit af. Ook naar de mening van mijn fractie moet discriminatie dus hard worden aangepakt, zeker als het gaat om antisemitisme. Dat betekent dat de negatieve gevolgen van de ongebreidelde immigratie moeten worden erkend en dat de Holocaust op iedere school onderwezen moet worden, ook en juist als leerlingen hier moeite mee hebben. Ook zwaarder straffen over de hele linie blijft natuurlijk een absolute must.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik wil nog even ingaan op het eerste deel van het betoog van de heer Van Klaveren. Hij heeft daarin gezegd dat allochtone jongeren vaker voorkomen in de criminaliteitscijfers. Dat is ook zo, maar als je tegelijkertijd kijkt naar andere aspecten dan de afkomst van mensen, dan zie je dat, bijvoorbeeld in achterstandswijken, evenveel allochtone jongeren als autochtone jongeren crimineel gedrag vertonen. Moeten we bij het aanpakken van criminaliteit dan niet vooral kijken naar de sociaaleconomische achtergrond van mensen? Zit daar niet de echte oorzaak?

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Een paar jaar geleden is in een onderzoek van Jennissen, Blom en Oosterwaal al specifiek op dit punt ingegaan. Ook als we die sociaaleconomische factoren erbij betrekken, blijkt dat dit niet zo is en dat allochtonen nog steeds oververtegenwoordigd zijn bij vormen van zware criminaliteit zoals mishandelingen, geweld en dat soort zaken. Gelet hierop zal cultuur eerder een rol spelen dan de sociaaleconomische achterstand.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Hierover verschillen we dan van mening. Wij denken dat je juist oorzaken moet aanpakken en dat je daarmee uiteindelijk ook wat kunt doen aan criminaliteitscijfers. Ik denk echter niet dat wij het daarover eens zullen worden.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Over het feit dat oorzaken aangepakt moeten worden, zijn wij het absoluut eens. Je moet alleen wel kijken naar de juiste oorzaken en dat zijn niet de sociaaleconomische achterstanden, zoals dat onderzoek uitwijst.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Wij spreken vandaag over discriminatieonderwerpen. Wrang genoeg is het ook de eerste gelegenheid voor de Kamer om eens goed te spreken over de discriminatie waartoe ook wij als politici aanzetten sinds Geert Wilders bij de gemeenteraadsverkiezingen opriep tot het verminderen van het aantal Marokkanen in ons land. Marokkaanse Nederlanders die elke dag hard werken en zich inzetten voor de samenleving worden daarmee categorisch weggezet als een groep mensen die het verdient om gedeporteerd te worden. GroenLinks wil graag nogmaals van de Minister de bevestiging horen dat hij de door de PVV aangewakkerde haat jegens Marokkaanse Nederlanders de komende periode zal bestrijden en in het bijzonder ook zal gaan monitoren.

In de reactie van het kabinet op het rapport van de ECRI wordt het bestaan van een vreemdelingvijandig sfeer enigszins vergoelijkt. Migranten worden daar duidelijk het slachtoffer van en dat schept het beeld dat vijandigheid normaal en geaccepteerd is. In tegenstelling tot wat het kabinet suggereert, veroordeelt de ECRI niet het voeren van een discussie over migratie, maar de vijandige toon van zowel media als politiek. Als dit kabinet, zoals het zelf zegt, inderdaad een regering voor heel het land wil zijn, moet het die gedachte actief uitdragen door stelling te nemen tegen de wijze waarop het debat wordt gevoerd. Op dit moment gebeurt dit onvoldoende. Sterker nog: de uitlatingen van Staatssecretaris Teeven, Minister-President Rutte en Minister Timmermans van de afgelopen week over de stroom van asielzoekers, die ontwrichtend zou zijn voor het land, zijn weer een triest voorbeeld van de manier waarop ook het kabinet de discussie en de beeldvorming over vreemdelingen een negatieve toon geven.

De Minister deed dit weekend in Trouw het voorstel om naming-and-shaming meer toe te passen bij bedrijven die discrimineren. GroenLinks is daar een voorstander van. Kan de Minister dit voorstel echter ook concreet maken? Gaat de regering zelf aan naming-and-shaming doen, of wordt dit overgelaten aan de sector?

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Mijn collega zei net dat zij het raar vindt dat het kabinet aangeeft dat de enorme toestroom van migranten naar Nederland ontwrichtend kan werken. Hoe duidt zij dan de extreme oververtegenwoordiging van immigranten in de criminaliteit, in de schooluitval, in de bijstandsafhankelijkheid en in al dat soort zaken? Ziet zij dan niet dat dit ontwrichtend werkt?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het ging hier om het feit dat de afgelopen twee, drie weken meer mensen in Nederland hebben aangeklopt voor een asielaanvraag. Verschillende leden van dit kabinet spraken vervolgens meteen over ontwrichting. Ik denk dat daar geen sprake van is. Als ik hier in Nederland om mij heen kijk, heb ik niet de indruk dat er sprake is van ontwrichting. Ja, er moet goede opvang zijn, en ja, we moeten ervoor zorgen dat mensen die hier blijven, goed geïntegreerd raken en zich welkom voelen. Door al meteen bij de aantallen mensen die nu aankloppen te roepen dat sprake is van ontwrichting, boezem je mensen angst in.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Het is toch een gegeven dat er in een hele hoop wijken in Nederland, in bepaalde steden en stadsdelen, al sprake is van ontwrichting? Het alleen maar hameren op die specifieke cijfertjes heeft hier niet zo heel veel vandoen. Het gaat natuurlijk om het totale aantal mensen dat hier de afgelopen decennia naartoe is gekomen. Dat heeft ontwrichtend gewerkt en dat werkt nog steeds ontwrichtend. Het getal van 65.000 is natuurlijk geëxtrapoleerd. Dit is ongeveer gelijk aan het aantal inwoners van Gouda. Als al die mensen erbij komen, worden de problemen die we hebben verergerd en ontwricht een en ander nog meer. In die zin begrijp ik de naïviteit van mevrouw Voortman niet zo goed.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dat komt omdat de heer Van Klaveren niet ingaat op de directe aanleiding. De directe aanleiding was dat er de afgelopen weken sprake was van iets meer instroom van mensen die een asielaanvraag doen. Daar ging het om en dat was voor verschillende leden van dit kabinet de aanleiding om het woord «ontwrichting» in de mond te nemen.

Ik had het over naming-and-shaming en ik was op dat punt positief over het kabinetsbeleid. Ik vroeg aan de Minister of het kabinet zelf aan naming-and-shaming gaat doen dan wel of dit wordt overgelaten aan de sector. Hoe denkt de Minister over het belonen van bedrijven die juist wel een goed diversiteitsbeleid voeren? Graag hoor ik hierop een reactie.

Daarnaast zou GroenLinks graag zien dat in lerarenopleidingen structureel aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van een veilig klimaat in de klas. Dit moet naar onze mening een vast onderdeel zijn van de eisen die worden gesteld aan de opleiding van leerkrachten. Deelt de Minister deze mening?

Verder ben ik benieuwd naar de reactie van de Minister op het beeld dat uit het SCP-rapport naar voren komt, namelijk dat Marokkaanse en Turkse Nederlanders in hoge mate ervaren anders behandeld te worden door de politie. Een derde van hen zegt zelfs discriminatie door de politie te hebben ervaren. Onder de Surinaamse Nederlanders is dit 25% en onder de Antilliaanse Nederlanders 20%. Kan de Minister hierop ingaan en zeggen wat hij van plan is te ondernemen tegen etnisch profileren binnen de politie? Iedereen verdient immers een gelijke behandeling, zeker door de politie.

Het is goed dat het kabinet overgaat tot naming-and-shaming en dat soort concrete maatregelen. Om discriminatie echt aan te pakken moeten wij als politiek heel goed nadenken over de rol die wij zelf spelen bij het creëren van een klimaat waarin discriminatie en intolerantie steeds gewoner lijken te zijn geworden. Ik hoor graag van Minister Asscher hoe hij zijn eigen rol daarin ziet.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Het Meldpunt Discriminatie Internet berichtte gisteren dat in de periode na negatieve uitlatingen over Marokkaanse Nederlanders het aantal negatieve tweets enorm is gestegen. Het meldpunt heeft 59.717 negatieve tweets geregistreerd, met als hoogtepunt het aantal meldingen op 22 maart. Het meldpunt constateert ook dat er een verruwing en verplatting is en dat via social media heel veel vuilspuiterij plaatsvindt. Volgens mij ervaren wij dat allemaal en kunnen wij dat allemaal zien. Dat moeten wij ons allemaal aantrekken. Ziet de Minister ruimte om ervoor te zorgen dat aan dit onderwerp – hoe gaan wij in social media met elkaar om en hoe moeten wij omgaan met dit soort negatieve reacties? – in het onderwijs meer aandacht wordt besteed? Is hij het daarover met mij eens?

Hoe staat het met het voortbestaan van het Meldpunt Discriminatie Internet? De heer Van Weyenberg sprak daar ook al over. De taken van het meldpunt zouden worden overgenomen door MiND. Daar komen de meldingen niet binnen, terwijl dit meldpunt succesvol is. Deelt de Minister mijn mening dat het meldpunt niet aan zijn succes ten onder mag gaan?

4 miljoen Nederlanders ervaren discriminatie: 20% van de autochtone bevolking en 50 tot wel 75% van de mensen met een migrantenachtergrond. Dat is 25% van de Nederlandse bevolking. Dat maakt het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau tegelijkertijd zo ontzettend waardevol. Daarin wordt immers geconstateerd dat de meldingen en aangiftes bij de instanties slechts het topje van de ijsberg zijn. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Mede naar aanleiding van de Kamerbreed ondersteunde motie van mij en de heer Van Weyenberg schrijft de Minister wel dat de registratie en de aangiftebereidheid moeten worden verbeterd en dat er een campagne moet komen, maar veel concreter wordt het niet. Ik maak mij zorgen over het feit dat het aantal registraties bij de politie, dat gigantisch is gestegen, zich niet direct vertaalt in aangiftes en al helemaal niet in een vervolging. Dat wil ik de Minister dan ook voorleggen. Ik krijg signalen die erop duiden dat de capaciteit bij het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD), dat gespecialiseerd is in discriminatiezaken en deze ook behandelt, bij de reorganisatie van de politie juist wordt verminderd. Deelt de Minister mijn mening dat dit niet het geval mag zijn? Hoe zit het met de werking van een aanwijzing door het Openbaar Ministerie?

Ik vraag mij af hoe het staat met het onderzoek bij de politie Haaglanden naar het etnisch profileren en het proactief optreden van de politie. Ook daar ervaren heel veel mensen dat ze worden gediscrimineerd. Dat staat ook in het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Wanneer is dit onderzoek afgerond?

Ik ben er ontzettend blij mee dat het SER-advies over arbeidsmarktdiscriminatie er eindelijk is. De afgelopen jaren was het iedere keer duwen en trekken. De Minister werd gevraagd om actie te ondernemen. Hij verwees daarop naar de reactie van de SER en meldde later met een reactie te komen. Overigens betrof dit destijds de Staatssecretaris. De Minister heeft dit dossier op zich genomen en een aantal voorstellen en ideeën die wij in de loop der jaren hebben geopperd, overgenomen. Ik noem de naming-and-shaming en het van overheidsopdrachten uitsluiten van bedrijven die aantoonbaar hebben gediscrimineerd. Ik heb daar nog wel een aantal vragen over. Waarom wordt bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie zo'n beperkte rol gegeven, terwijl zij ook individuele gevallen zou kunnen en zou moeten toetsen? Waarom wordt geen aparte grond voor discriminatie gemaakt en waarom laten wij de Arbeidsinspectie geen standaardinspecties verrichten? Waarom zouden wij bedrijven niet verplichten om in hun jaarverslagen duidelijk te maken wat zij tegen discriminatie en aan diversiteitsbeleid doen?

Tot slot ga ik in op het diversiteitscharter. Het idee van een inclusieve arbeidsmarkt en daar met z'n allen aan werken – werkgevers, werknemers en overheid – is ontzettend sympathiek, maar ik vind de uitwerking bijzonder vaag. Ziet de Minister kans om daarbij concreet te worden en te beginnen met aan te geven wat de plannen van de rijksoverheid zijn? Ziet hij kans of ziet hij iets in het idee om dit te concretiseren, zoals wij dat bijvoorbeeld hebben gedaan bij de aanpak gericht op het vergroten van het aantal vrouwen in de top van het bedrijfsleven?

Mevrouw Yücel (PvdA): Voorzitter. Na de vele rapportages en het maatschappelijk debat, maar ook na de incidenten in de media, vindt de PvdA dat het meer dan tijd is voor dit debat. Discriminatie is strafbaar, kwalijk en dom. Daar wil ik mee beginnen. Discriminatie betekent namelijk in essentie een ontkenning van de gelijke waarde van ieder mens en is daardoor een aantasting van de fundamenten van onze rechtsstaat.

In maart heb ik namens mijn fractie een actieplan ter bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt gepresenteerd. Nu hebben wij aansluitend daarop acties voor een steviger en bredere aanpak uitgewerkt. Inmiddels ligt er ook een SER-advies en heeft de Minister een actieplan opgesteld, waarvoor ik namens mijn fractie grote waardering wil uitspreken. Ik zou daarover graag een voortgangsbrief willen hebben. Een aantal punten waar wij op verschillende momenten ook voor hebben gepleit, zijn door de Minister overgenomen. Daar zijn wij blij mee. Zo juicht mijn fractie het uiteraard zeer toe dat de Minister het pleidooi van de PvdA en de SP voor naming-and-shaming heeft overgenomen. Mijn fractie ziet vooral de winst in de preventieve uitwerking van deze maatregelen. Hierdoor is er voor bedrijven een extra stimulans om aan de slag te gaan met het diversiteitsbeleid.

Ik vind het zeer wenselijk dat ondernemingsraden en de Arbeidsinspectie een belangrijkere rol gaan spelen bij het tegengaan van discriminatie bij arbeid. Ik ben daar een groot voorstander van. Daarom heb ik zelf de initiatiefwet over gelijke beloning ingediend. Door deze wet krijgt onder andere de ondernemingsraad een steviger positie. Ik wil graag van de Minister weten hoe hij dit bij het diversiteitsbeleid ziet.

Mijn volgende punt gaat over de rol van de politie en het OM. Het is heel goed dat de politie maatregelen neemt om de aangifteprocedures te verbeteren, maar ik moet daar een kritische kanttekening bij plaatsen. Het OM neemt volgens de ervaring van velen in discriminatiezaken een aarzelende en terughoudende houding aan. Het komt niet zo vaak tot vervolging. Op de buitenwereld komt dit over als «discriminatie is niet sexy genoeg en levert vooral gedoe op». Dit doet natuurlijk geen recht aan de complexiteit van de afwegingen van het OM, maar toch: hier wringt iets. Kan de Minister hierop reageren?

Het belang van de rechtsstatelijke kernwaarden en het daarmee samenhangende gelijkheidsbeginsel moet in de opvoeding, maar ook in het onderwijs worden benadrukt. Ik wil de Minister vragen om samen met zijn collega's de aangenomen motie-Yücel (32 824, nr. 16) over de versterking van de democratische burgerschapsvorming in het onderwijs met urgentie verder uit te voeren. De evaluatie ligt er; het versterken moet nog. Ook de Ministers Opstelten en Plasterk hebben toegezegd daaraan vanuit hun eigen verantwoordelijk bij te dragen. Ik zie daarbij heel concrete modules over discriminatie en antisemitisme voor me, maar ook over de hedendaagse uitingen van antisemitisme. Ik wil graag een voortgangsbrief ontvangen waaruit blijkt wanneer dit opnieuw wordt aangepakt.

Tot slot. Vaak spelen stereotyperingen en vooroordelen een rol bij discriminatie. Het Kamerlidmaatschap is een eervolle functie en brengt extra verantwoordelijkheden met zich. Het ambt biedt mogelijkheden, podia en een impact die andere burgers niet hebben. Op 19 maart zagen we dat de PVV er doelbewust voor koos om over een hele bevolkingsgroep «minder, minder» te laten scanderen. Veel mensen voelden in al hun vezels dat dat beeld een vrije samenleving als de onze onwaardig was. Politici en bestuurders dienen onze essentiële waarden te beschermen en verder te brengen. Politici dienen problemen op te lossen en niet te vergroten. Politici dienen problemen te benoemen en te zoeken naar oplossingen. Ik constateer dat de PVV haar rel weer heeft gehad, de samenleving in rep en roer heeft gebracht en bevolkingsgroepen tegenover elkaar heeft gezet. Wij hebben inmiddels ook onderzoeken gezien waaruit blijkt dat sindsdien de afkeer en de haat, in ieder geval in de social media, is toegenomen. Ik vind dit zeer kwalijk en verwerpelijk.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): De laatste alinea van mevrouw Yücel is mij uit het hart gegrepen. Wat ik wel van haar wil weten, is in welk licht wij bijvoorbeeld naar de volgende zaken moeten kijken: de strafbaarstelling van illegaliteit, geen Nederlands geen bijstand, roepen over ontwrichting als het aantal mensen dat aanklopt voor asiel toeneemt en de inperking van het migrantenkiesrecht. Dat zijn allemaal voorstellen en uitspraken waardoor mensen zich hier onwelkom voelen. Het zijn uitspraken die ook vaak worden gedaan door de partij van mevrouw Yücel. Ik zou graag van haar willen weten hoe zij dan de rol van de Partij van de Arbeid ziet in dat klimaat.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik vind dat mevrouw Voortman daarmee werkelijk op alle aspecten en op alle punten de plank helemaal misslaat. De maatregelen die de Partij van de Arbeid iedere keer heeft voorgesteld, ook bij de voorbeelden die mevrouw Voortman heeft genoemd, zijn concrete maatregelen die zich richten op het oplossen van zaken. Daarbij worden geen bevolkingsgroepen weggezet. Integendeel. Wij pleiten altijd voor gelijkwaardige maatschappelijke participatie en kansen in onze samenleving. Mevrouw Voortman kan de actie waar wij nu over spreken en waar wij kritisch over zijn, niet opsommen in het rijtje voorbeelden dat zij noemt. Ik vind het ook stuitend dat zij dat doet.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik constateer dat mevrouw Yücel niet ingaat op mijn vraag. Zij spreekt de PVV terecht aan. Het is inderdaad goed dat het kabinet nu een aantal concrete maatregelen neemt, maar er is ook wel sprake van een klimaat dat verandert. Deelt de Partij van de Arbeid de opvatting dat dit klimaat is veranderd en hoe ziet zij de rol daarin van politici die pleiten voor een inperking van het migrantenkiesrecht, waardoor mensen zich wel degelijk uitgesloten voelen? Door de strafbaarstelling van illegaliteit voelen mensen zich gecriminaliseerd. Geen Nederlands, geen bijstand is symboolwetgeving. De PvdA-Minister riep dat er sprake was van ontwrichting. Mevrouw Yücel, ga eens in op die specifieke voorbeelden en zeg dan eens dat dit helemaal niks te maken heeft met een bijdrage aan een vreemdelingenonvriendelijk klimaat.

Mevrouw Yücel (PvdA): Wij als politici nemen maatregelen die altijd burgers in de samenleving raken. Onze taak daarbij, onze inzet daarbij, maar ook ons sterke geloof en ons uitgangspunt is om dat nooit op basis van afkomst te doen. Dat is hier de essentie. Maatregelen nemen die specifieke bevolkingsgroepen raken omdat daar een argumentatie bij te bedenken is waardoor de samenleving er als geheel beter van wordt: daar kunnen wij over discussiëren. Wij willen hier niet gezegd hebben dat wij, omdat wij nu in de regering zitten, het hele verkiezingsprogramma van de PvdA uitvoeren. Wij doen het altijd samen met anderen, maar onze rode lijn is daarbij altijd dat de basis nooit de afkomst kan zijn. Dat is hier de essentie.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik had eigenlijk een soortgelijke vraag. Mevrouw Yücel heeft natuurlijk helemaal gelijk: de politiek, de volksvertegenwoordigers en bewindspersonen spelen een heel grote rol in dit geheel. Wat vindt mevrouw Yücel dan er dan bijvoorbeeld van dat Staatssecretaris Teeven flink bezig is met het op z'n minst problematiseren van de vluchtelingenstroom? Zijn de vluchtelingen volgens mevrouw Yücel het probleem in Nederland? Werkt dat ontwrichtend voor de samenleving? Of neemt zij daar afstand van?

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik constateer dat nu ook mijn collega van de SP allerlei maatregelen of uitlatingen van bewindspersonen naar voren brengt. Ik weiger om nu in te gaan op allerlei specifieke beleidsterreinen die buiten de agenda van dit AO vallen. In het algemeen merk ik op dat, als een toename van vluchtelingenstromen wordt geconstateerd waarbij mogelijk ook sprake is van mensenhandel, dit vraagt om alertheid, om onderzoek en een aanpak waarbij natuurlijk altijd het principe van een streng maar rechtvaardig asielbeleid zal gelden. Ik snap niet welk punt de SP hier wil maken.

Mevrouw Karabulut (SP): Dat is redelijk verdrietig, te meer omdat mevrouw Yücel natuurlijk in het laatste deel van haar betoog heel mooie en belangrijke woorden heeft gesproken. Dit is geen persoonlijk ding; ik wil alleen maar zeggen dat indien mevrouw Yücel als vertegenwoordiger van de Partij van de Arbeid dit soort oproepen doet, ook heeft na te denken over haar eigen rol en die van de samenwerkende partijen. Die zijn duidelijk aan het opbieden tegen extreem rechts, zoals de PVV. Dat heeft er allemaal mee te maken.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik dank de collega van de SP voor de suggesties die zij mij meegeeft. Daarom zijn wij al maandenlang, vanaf het begin van deze kabinetsperiode, heel hard bezig met humaniseren van het asielbeleid, en daar zullen wij ook stevig mee doorgaan.

De heer Van Weyenberg (D66): Ik zal de vragen over de concrete beleidsvoorstellen van de collega's Voortman en Karabulut niet nogmaals stellen, want ik denk dat wij het antwoord daarop ook bij een derde keer vragen, bijvoorbeeld naar het kiesrecht, niet krijgen. Overigens sluit ik mij graag aan bij de slotwoorden uit de inbreng van mevrouw Yücel over de uitlatingen van de PVV. Ik constateer overigens dat zij hier weer schittert door afwezigheid, zoals helaas altijd als ze aanspreekbaar kan zijn op sommige van haar opmerkingen.

Mijn vraag aan mevrouw Yücel gaat over een idee dat ik net lanceerde, namelijk of de Minister in overleg met sociale partners wil bewerkstelligen dat elke cao afspraken bevat over het tegengaan van discriminatie op de werkvloer, in werving et cetera en een gelijke behandeling en diversiteit wil bevorderen. Vind ik haar aan mijn zijde bij die oproep?

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik vertaal de vraag van de heer Van Weyenberg zo dat hij mij vraagt of de PvdA vindt dat al in cao-afspraken invulling moet worden gegeven aan een soort van diversiteitscharter. Voor mij is het belangrijk dat de diversiteitscharters er komen, dat zo veel mogelijk bedrijven en organisaties daaraan gaan meedoen, dat wij dat ook zichtbaar maken en dat het leidt tot concrete resultaten. Als het daarbij effectief is om dit in cao-afspraken op te nemen, dan wil ik daar zeker heel serieus naar kijken en dat stimuleren.

De heer Van Weyenberg (D66): Ik ben blij met dit antwoord. Het doel is natuurlijk ervoor zorgen dat wij van woorden naar daden gaan en van intenties naar praktijk. Het feit dat slechts 49% van de werknemers een cao heeft waarin hierover afspraken staan, maakt dit volgens mij tot een van de plekken waar nog een wereld te winnen is. Ik dank mevrouw Yücel voor haar ondersteunende antwoord.

De heer Pieter Heerma (CDA): Voorzitter. Ook in dit debat over discriminatie zijn diverse onderwerpen en een brief van het kabinet aan de orde. Net als de voorgaande sprekers zal ik een groot deel van mijn bijdrage besteden aan het SER-advies Discriminatie werkt niet! en het actieplan dat de Minister ons vorige week in navolging op dit SER-advies heeft doen toekomen.

Allereerst wil ik de Minister complimenteren voor het actieplan. Volgens mij zijn veel adviezen uit het SER-rapport overgenomen en ligt er een omvangrijk plan voor waarin op de diverse punten waarover de SER adviseert, is ingegaan. Ik heb een aantal vragen over het actieplan. Die zijn gefocust op de punten waarop het kabinet een andere lijn lijkt te kiezen dan de SER. Vorige week werd het actieplan door de SER in de Kamer gepresenteerd. De vertegenwoordigers van de SER uitten zich daarbij vrij kritisch over de eerder door de Minister in de media gelanceerde plannen om bedrijven die strafrechtelijk veroordeeld zijn, uit te sluiten van aanbestedingen en van zaken doen met de overheid. De SER was daar bij de presentatie kritisch over omdat de SER inzet wenst aan de voorkant van discriminatie. Daarbij gaat het dus om het bestrijden van, wat zij noemen, «mind bugs», onbewuste vooroordelen en stereotypering. Men zag op dit punt juist een focus op het puur strafrechtelijke.

Ik heb vooral over de reikwijdte van het voorstel van de Minister een aantal vragen. Hoewel ik de toch wat geïrriteerde reactie vanuit de SER wel begrijp, vind ik ook dat de Minister juist aan die voorkant, aan het aanpakken van die vooroordelen wel het nodige doet. Ik ben alleen wel benieuwd, gezien hetgeen in de brief staat, wat de reikwijdte daarvan is. Er wordt gesproken over een periode van vier jaar en over onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen. Maar hoeveel bedrijven zijn er in de afgelopen vier jaar dan onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld voor discriminatie en zouden dus geraakt worden door het voorstel dat de Minister nu in het actieplan heeft opgenomen?

Ten aanzien van naming-and-shaming geeft de Minister expliciet aan een andere lijn te kiezen dan de SER. Ik ben geen tegenstander van naming-and-shaming, maar we hebben de afgelopen jaren op verschillende momenten gezien hoe lastig het is voor een overheid om dat ook in praktijk om te zetten. Ik denk dat er diverse voorbeelden zijn van Ministers die zich na de aankondiging om dit te gaan doen, stuk gebeten hebben op de praktijk, omdat het daadwerkelijk namen en shamen soms met wat gebrek aan nuance gepaard gaat en zaken vaak complex zijn in hun context. Je kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan Rita Verdonk en de zaak Taida Pasic, waarbij het voornemen om eenzijdige beeldvorming te bestrijden eindigde in een zaak waar de Minister volgens mij niet erg goed uit kwam in het kader van naming-and-shaming. Ik ben benieuwd hoe de Minister het risico bij dit voornemen ziet en hoe hij gaat voorkomen dat het in dit soort zaken gaat gebeuren.

Diverse fracties hebben al vragen gesteld over de charter diversiteit. Als ik het actieplan lees, dan proef ik daarin een wat afwachtende houding van het kabinet. Daar waar het op heel veel punten concreet wordt, wordt hier juist gezegd: we gaan even kijken hoe we daar een bijdrage aan kunnen leveren. De SER heeft in zijn presentatie echter juist zeer expliciet op dit punt ingezet en daar ook ondersteuning vanuit het kabinet voor gezocht. Misschien kan de Minister in dit debat wat concreter aangeven hoe hij die charter diversiteit kansen en mogelijkheden biedt om gezamenlijk die vooroordelen, die stereotypering tegen te gaan en hoe het kabinet daar een actieve bijdrage aan kan leveren.

De SER wijst ook expliciet op het belang van onderzoek en van bewustwording en vroeg vorige week in de presentatie om een onderzoek naar de lage aangiftebereidheid. Dat lijkt niet terug te komen in de brief van het kabinet. Ik ben benieuwd of de Minister wil aangeven of hij daar alsnog aandacht aan wil besteden.

In de brief van het kabinet wordt ook aangegeven dat de Inspectie SZW in tegenstelling tot de wens van de SER geen bemiddelende rol zou kunnen gaan spelen en alleen maar een handhaver is. Dit riep bij mij vragen op. Als we naar de politie zouden gaan kijken als strikt een handhaver die nooit een bemiddelende rol heeft in een conflict, dan zouden we dat volgens mij niet willen. Dus waarom bij de Inspectie SZW in gevallen van klachten over discriminatie dan wel die lijn kiezen en zeggen: de inspectie is alleen maar een handhaver en heeft geen bemiddelende rol? Kan de Minister daarop ingaan?

In het slot van het actieplan komt de Minister met de term «het integratieakkoord werk». De Minister en ik hebben diverse keren in debatten met elkaar gesproken over mijn wensen en de noodzaak om te komen tot zo'n integratieakkoord. Eerder werd dat afgewezen. De Minister komt er nu heel expliciet op terug en koppelt het woordje «werk» eraan. Kan de Minister daar een nadere toelichting op geven?

Ook ik vond het zeer opvallend hoe na de «minder, minder»-uitspraken van de PVV er een explosie op het internet en op Twitter heeft plaatsgevonden van discriminatoire uitingen, vooral richting Marokkanen, bij het Meldpunt Discriminatie Internet. Ik ben benieuwd wat de Minister hier in het vervolg mee wil doen en hoe hij daarmee omgaat. Daarbij valt het mij in navolging van de heer Van Weyenberg ook op dat de PVV niet aanwezig is bij dit debat.

De heer Anne Mulder (VVD): Voorzitter. Ik wil beginnen met een heel grote open deur. Wij zijn tegen discriminatie. Ik denk dat alle partijen hier in deze zaal dat ook zijn. Wij vinden dat discriminatie moet worden aangepakt. Tegelijkertijd is discriminatie niet eenvoudig op te lossen. Het gebeurt vaak onbewust. We hebben dat de heer Grapperhaus vorige week ook namens de SER horen vertellen. Het zit vaak tussen de oren. Het zijn vooroordelen en daarom is het lastig aan te pakken. Maar het gevoel dat mensen ervaren als ze menen dat ze gediscrimineerd worden, is reëel. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van het Sociaal- en Cultureel Planbureau. Ik wil daar wel bij zeggen dat we op moeten passen dat mensen zich niet te snel slachtoffer voelen van discriminatie. Als je een niet-Westerse achtergrond hebt en je wilt bijvoorbeeld kapster worden en je komt al kauwgum kauwend een kapperszaak binnen en je vraagt om een baan, dan komt het niet door je achtergrond dat je die baan niet krijgt, maar omdat je kauwgum kauwt. We moeten dus oppassen dat mensen niet te snel in een slachtofferrol gaan. Dat geldt ook voor 55-plussers. Vaak zijn die wat duurder op de arbeidsmarkt en dat kan de reden zijn dat ze niet worden aangenomen.

Mevrouw Karabulut (SP): Volgens mij is de heer Mulder op dit onderwerp nieuw in deze commissie, maar misschien heb ik iets gemist.

De heer Anne Mulder (VVD): Dat klopt, ik ben nieuw in deze commissie.

Mevrouw Karabulut (SP): Welkom.

Ik vind het wel een beetje gekke opmerking. Natuurlijk is niet alles wat er gebeurt discriminatie en wordt niet iedereen die buiten de boot valt, gediscrimineerd. Maar zou ik dan een reactie van de heer Mulder kunnen krijgen op het gegeven, zoals blijkt uit het SCP-rapport, dat 50% tot 75% van mensen met een migrantenachtergrond zich gediscrimineerd voelt? Wat denkt de VVD daaraan te gaan doen?

De heer Anne Mulder (VVD): Ik maakte die opmerking en wilde die afsluiten met: gevoelens zijn wel degelijk feit. Ik merk dat ook in mijn privérelatie. Als ik een discussie heb met mijn vrouw en zij voelt iets, dan kan ik wel discussiëren, maar dan zegt zij: ik voel het, dus het is zo. Ik denk dat dat ook voor discriminatie geldt. Ik zie allerlei blikken van herkenning als het gaat om relaties, maar dat terzijde. Het is dus wel degelijk een probleem. Als mensen discriminatie ervaren, moet je er wat mee doen. Daarom zijn wij ook blij met dit actieplan van de Minister. Daar geen misverstand over.

De voorzitter: Bent u tevreden, mevrouw Karabulut?

Mevrouw Karabulut (SP): Ik ben blij met dit antwoord en die erkenning. En, inderdaad, relaties zijn gecompliceerd, maar vaak ook weer niet. Welke voorstellen zou de VVD dan willen doen? Maar misschien komt dat in de rest van het verhaal van de heer Mulder en dan wacht ik dat rustig af.

De heer Anne Mulder (VVD): Zal ik eerst aangeven wat wij steunen in het plan van de Minister?

De voorzitter: De heer Klein heeft eerst nog een vraag aan u.

De heer Klein (50PLUS): De heer Mulder geeft terecht aan dat de heer Grapperhaus heeft aangegeven dat we vooroordelen moeten bestrijden, maar vervolgens komt hij zelf met een vooroordeel door aan te geven dat 55-plussers te duur kunnen zijn. Dat is nou net het vooroordeel dat we moeten bestrijden. Uit alle cijfers blijkt namelijk dat de betaling niet zozeer het probleem is, maar veel meer het vooroordeel dat die mensen veel ziek of minder productief zijn. Dat vooroordeel moeten we nu juist bestrijden. Kan de heer Mulder aangeven dat de stelling die hij naar voren brengt, namelijk dat 55-plussers niet zouden worden aangenomen vanwege hun hogere loon, helemaal niet klopt en dat het juist in tegenstelling is tot datgene wat in het SER-rapport staat?

De heer Anne Mulder (VVD): Ik denk dat de heer Klein en ik het er met elkaar over eens zijn dat je mensen niet moet uitsluiten omdat je denkt dat er iets is. Ik zeg wel dat je op moet passen dat je niet te snel denkt dat er sprake is van discriminatie. Dat is het enige dat ik betoog. Maar we treffen elkaar op het punt dat er geen sprake zou moeten zijn van vooroordelen. Maar als 55-plussers jaar op jaar een salarisverhoging krijgen, moet je ook nadenken over bijvoorbeeld demotie bij oudere mensen, omdat de arbeidsproductiviteit wat daalt en niet sneller stijgt dan het salaris. Dat kan ook een reden zijn, los van de leeftijd. Dat is het punt dat ik maak. Maar geen misverstand erover: 55-plussers of wie dan ook uitsluiten omdat je iets denkt, maar niet zeker weet, is verkeerd.

De heer Klein (50PLUS): Als het gaat over mensen die een baan hebben en op een gegeven moment te maken krijgen met demotie en dat soort zaken, dan is dat iets heel anders. Daar hebben we het nu niet over. We hebben het nu over discriminatie van mensen die juist aan de bak proberen te komen, die een baan proberen te krijgen en waarbij de leeftijd leidt tot discriminatie. Dat leidt tot het niet aannemen van mensen vanwege hun leeftijd en niet zozeer vanwege de betaling. Dat is een vooroordeel dat u nu eigenlijk bevestigt en dat is niet logisch. Wilt u dat bevestigen?

De heer Anne Mulder (VVD): Dat is nu juist niet mijn bedoeling. Je moet niet iets denken, maar het zeker weten als je iemand niet aanneemt. Ik denk dan ook dat we op een lijn zitten. Ik bevestig het dus niet, maar ontken juist dat ik dat wil, als u begrijpt wat ik bedoel.

De voorzitter: Het wordt nu wat cryptisch. U vervolgt uw betoog, maar pas nadat eerst mevrouw Voortman nog een vraag heeft gesteld.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): De heer Mulder gaf net aan dat je salaris wat lager zou moeten worden, omdat je arbeidsproductiviteit wat daalt als je ouder bent. Maar is dat niet precies waar het om gaat bij vooroordelen en discriminatie, namelijk dat het vaak heel sluipend gaat? Hoezo gaat de heer Mulder ervan uit dat als iemand ouder is, de arbeidsproductiviteit wat lager zou zijn?

De heer Anne Mulder (VVD): Dat hoeft niet per definitie zo te zijn, maar dat zou kunnen. Ik zal hier straks nog iets meer over zeggen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Je zou net zo goed kunnen zeggen dat er voor iemand die jonger is, allerlei redenen zouden kunnen zijn waarom die iets lager zou kunnen zijn. Het gaat erom dat je niet moet generaliseren. Dat is waar het volgens mij om gaat als we debatten voeren over discriminatieonderwerpen.

De voorzitter: Mevrouw Karabulut, u bent al geweest in deze ronde.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik begrijp dat het niet de bedoeling is van de heer Mulder, maar ik zou hem toch dringend willen verzoeken om deze uitspraak in dit verband terug te nemen. Hiermee heeft hij namelijk toch dat vooroordeel bevestigd en haalt hij, onbedoeld, zaken door elkaar. Die discussie over demotie wil ik ook voeren, want dat vind ik ook een absurd standpunt van de VVD, maar dat is een andere discussie. Door het hier zo te brengen, lijkt het alsof dat een rechtvaardiging voor werkgevers zou zijn om ouderen te discrimineren.

De voorzitter: Ik heb u de gelegenheid gegeven om een vraag te stellen, maar het is niet de bedoeling dat u een heel betoog gaat houden.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik zou de heer Mulder willen verzoeken om dit terug te nemen, dan zijn we hier klaar mee.

De heer Anne Mulder (VVD): Ik heb precies gezegd wat ik heb gezegd. Discriminatie moeten we niet doen en we moeten oppassen dat we ons er ook niet te snel achter verschuilen. Maar uiteindelijk moeten we gewoon niet discrimineren. Ik zal zo ook zeggen waarom niet. Ik blijf dus bij mijn woorden en vind het jammer dat men probeert mij in een hoek te duwen, maar dat zal dan wel de wijze zijn waarop we hier het debat voeren.

De voorzitter: Mevrouw Yücel heeft hier ook nog een vraag over.

Mevrouw Yücel (PvdA): Het enige wat ik wil zeggen, is dat ik mij aansluit bij wat mevrouw Voortman heeft gezegd over de indruk die wordt gewekt. Ik vraag daarom aan mijn collega van de VVD om zijn uitspraak toch even iets verder te verduidelijken, want de boodschap is nu volgens mij niet zo als hij bedoeld had.

De heer Anne Mulder (VVD): Ik begin gewoon opnieuw. We zijn tegen discriminatie. We hebben het SCP-rapport gezien. Een gevoel is een feit, want het wordt zo ervaren. Pas op dat je niet te snel zegt: ik word gediscrimineerd. Dat is het enige dat ik wil zeggen: pas op dat je dat niet te snel zegt. Als je kapster wilt worden en je komt kauwgum kauwend binnen en je zegt dan dat je die baan niet krijgt vanwege je niet-Westerse achtergrond, dan klopt dat niet. Pas daarvoor op. Dat is het enige wat ik zeg. Dat heb ik afgesloten met te zeggen dat een gevoel ook ervaren wordt als reëel. Mensen ervaren discriminatie aan den lijve, worden onzeker en voelen zich machteloos. Daarom zijn wij zeer tegen discriminatie. Ik heb het nu nog een keer gezegd en ik hoop dat de misverstanden weg zijn.

Ik kom nu bij de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (Wga). Die wet beoogt een eenduidige aanpak van de rapportage over discriminatie. De Minister doet voorstellen om dat wat te stroomlijnen. Ligt het echter niet voor de hand om de antidiscriminatievoorzieningen (ADV's) te organiseren op het niveau van de politieregio? Dan kun je het ook gelijk strafrechtelijk aanpakken, in plaats van dat versnipperd te doen. Kan de Minister daar een reactie op geven?

We zijn niet tegen de voorstellen van de Minister om bedrijven die discrimineren uit te sluiten van aanbestedingen en om discriminatie door naming-and-shaming aan te pakken, maar we vragen ons wel af wat het effect van die maatregelen is. Gaan ze ook echt werken? Collega Heerma zei het ook al: hoeveel zaken komen er nu eigenlijk voor de rechter? Je kunt ook zeggen: misschien zijn het er weinig, maar de signaalwerking voor mensen die zich gediscrimineerd voelen, is er wel degelijk. Ik krijg hier graag een reactie op.

De vraag is wel wie bepaalt en hoe wordt bepaald of er sprake is van discriminatie. Dat moet eenduidig vaststaan en daar moet geen twijfel over zijn, want als je bedrijven gaat namen en shamen en het klopt niet, dan is de weg terug ontzettend lang. Minister Ploumen deed dat bijvoorbeeld bij Coolcat en zij moest toen zeggen: het klopt helemaal niet wat ik heb gezegd. Die terugtocht is dan lang. Als je dat doet, moet je het dus ook zeker weten.

Wij zijn positief over de adviezen van de SER. Neem als sector je eigen verantwoordelijkheid en ga die stereotypering tegen.

Discriminatie is niet alleen moreel verwerpelijk, het is economisch ook gewoon dom. Dom van bedrijven en organisatie die het doen, want daardoor komen de beste mensen niet op de juiste plaats. Je blokkeert de instroom van geschikte mensen en hele groepen mensen worden op de arbeidsmarkt weggezet. Dat is niet alleen moreel verwerpelijk, maar het leidt ook tot economisch verlies. Het is dan ook belangrijk dat we blijven hameren op een mentaliteitsverandering bij werkgevers en bedrijven. Daarom tot slot mijn vraag of de Minister in beeld kan brengen wat de negatieve economische effecten zijn van discriminatie. Ik zei het al, bedrijven nemen niet de beste mensen in dienst. Vaak zijn bedrijven die divers zijn samengesteld productiever. Ook voor het vestigingsklimaat helpt het als je een diverse beroepsbevolking hebt. Kan de Minister in beeld brengen wat de negatieve economische effecten zijn van discriminatie?

De vergadering wordt van 10.58 uur tot 11.10 uur geschorst.

Minister Asscher: Mevrouw de voorzitter. Dank aan de verschillende Kamerleden voor hun inbreng. Je proeft grote overeenstemming bij alle Kamerleden als het gaat om hoe er wordt gedacht over discriminatie en dat is een goede zaak. Dit is namelijk een onderwerp dat mij ook zeer aan het hart gaat. Alle vormen van discriminatie, of het nu gaat om afkomst, geslacht, geaardheid, leeftijd enzovoort, zijn verwerpelijk. Het hoort ook bij de kern van onze rechtsstaat dat we garanderen dat mensen als individu behandeld worden en niet worden aangesproken op het lidmaatschap van een groep.

Ik heb heel goed gehoord dat er veel steun is voor een stevige aanpak van discriminatie. We spreken natuurlijk in het bijzonder over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie, omdat we daarover een SER-rapport hebben gekregen, waarover wij een reactie hebben gestuurd aan de Kamer. Ik zeg de Kamer dank voor de steun die ik op hoofdlijnen proef voor die aanpak. Ik denk dat het een belangrijk signaal is.

Ik zal ingaan op de verschillende vragen en op de andere discriminatieonderwerpen. Ik begin bij de heer Klein, die namens 50PLUS vroeg of ik van plan ben om een specifieke boete in te voeren bij leeftijdsdiscriminatie om op die manier aan Europese regels te voldoen. De Nederlandse regels zijn in overeenstemming met de vereisten van het Europese Hof. Daarvoor is een aparte boete niet noodzakelijk. De Nederlandse regelgeving biedt een daadwerkelijke en doeltreffende rechtsbescherming en heeft ten aanzien van de werkgever voldoende afschrikkende werking. Ontslag dat in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling is vernietigbaar. Daarnaast kan handelen in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving een onrechtmatige daad opleveren. Verder is er bij aangetoonde discriminatie recht op schadevergoeding, zonder vereiste van schuld aan de zijde van de werkgever.

De heer Van Weyenberg vroeg naar de bereidheid om te bevorderen dat in iedere cao bepalingen tegen discriminatie worden opgenomen. Op grond van de Arbowet moet ieder bedrijf beleid vormen ten aanzien van psychosociale arbeidsbelasting en discriminatie, werkstress daaronder begrepen, evenals de wijze waarop mensen met elkaar omgaan. Het is buitengewoon belangrijk en ook zeer positief dat de sociale partners, de vakbonden en de werkgevers in dat SER-advies zulke vergaande uitspraken hebben gedaan. Ik moet bekennen dat ik daar wel wat aan heb getwijfeld. De wordingsgeschiedenis van het SER-advies was er niet alleen maar een van groot enthousiasme. Het is heel belangrijk dat de werkgevers en de werknemers zich nu zo uitspreken. Zij nemen het voortouw, en dat is terecht, en hebben gekozen voor een diversiteitscharter. De SER heeft ook opgeroepen om die cao-afspraken te maken. Ik sluit mij daar van harte bij aan. Ik denk dat het goed is om eerst de sociale partners de kans te geven om werk te maken van hun afspraken, maar ik sluit mij daarbij aan. Dat betekent dat ik het goed vind als het leidt tot afspraken in de cao's, dat ik het goed vind dat sociale partners kiezen voor zo'n charter en dat we over een jaar kunnen kijken naar de stand van zaken. Ik heb echter ook van de sociale partners begrepen dat ze hier snel werk van willen maken. De heer Grapperhaus heeft het SER-advies ook aan mij toegelicht. Het enthousiasme waarmee hij dat deed, vond ik mooi om te zien. Ik denk dat dat de gerechtvaardigde verwachting geeft dat ze er ook echt mee aan de slag gaan.

D66 en de SP hebben gevraagd naar de rol van de inspectie bij het onderzoeken van discriminatie, meer in het bijzonder die rond het beloningsbeleid. De inspectie heeft tot taak toezicht te houden op de Arbeidsomstandighedenwet en de regelgeving. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te inventariseren welke risico's specifiek relevant zijn en welke maatregelen daarbij passen. De inspectie kan dan ook onderzoeken of de werkgever ten aanzien van discriminatie beleid voert, dan wel tekortschiet. Discriminatie is naast werkdruk en agressie onderdeel van het risico op psychosociale arbeidsbelasting. U hebt misschien gezien dat we daar meer aandacht voor vragen, want dat is een enorm gestegen risicofactor. Het is eigenlijk het grootste beroepsrisico van dit moment. Een derde van het verzuim is te wijten aan werkstress, agressie op het werk, maar ook aan discriminatie. Dat betekent dat we daar de komende tijd meer aandacht aan zullen besteden. De inspectie maakt een programma om juist dat risico aan te pakken. Daar worden dit jaar verkenningen voor uitgevoerd. Op basis van die verkenningen worden dan meer specifieke interventies geprogrammeerd.

Het College voor de Rechten van de Mens heeft door zijn oordelen inzicht in bedrijven en sectoren waar meer discriminatie voorkomt. We hebben afgesproken dat de inspectie nader in gesprek gaat met het college en de daar beschikbare informatie zal bekijken om na te gaan of daar binnen de bevoegdheden van de inspectie en op grond van de Arbowet meer uit te halen is. We verbeteren dus de samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen het College voor de Rechten van de Mens en de inspectie om binnen de taken van de inspectie te kijken of je daar meer werk van kunt maken.

Daarbuiten ligt een grotere rol voor de inspectie in mijn ogen minder voor de hand. Ik heb daar al eerder met mevrouw Karabulut over gedebatteerd. Ik denk dat het niet goed zou zijn voor de inspectie om meer aan individuele klachtbehandelingen te doen of een opsporingstaak te krijgen. Ik denk dat die algemene bevoegdheid belangrijk is en dat we daar meer uit kunnen halen. Daarnaast is die laagdrempelige toegang tot het college functioneel. Meldingen van discriminatie worden overigens wel meegenomen in de risicoanalyses van de inspectie. Die dragen dus wel bij aan het beeld van sectoren en bedrijven waar meer risico's zijn. Daar gaat men dan uitgebreider naar kijken.

Mevrouw Karabulut (SP): Wanneer komt dat programma dat de SER-partners aan het voorbereiden zijn in het kader van de Arbowetgeving? Pas vanaf 2016, zo lees ik in de brief van de Minister, ligt het accent op discriminatie. Dat lijkt mij rijkelijk laat. Verder heb ik nog een vraag over de bevoegdheid van de arbeidsinspectie. Is het bij discriminatiegevallen nu juist niet zo dat die specifieke individuele gevallen de misstanden aan het licht en aan het rollen brengen, getuige alle ervaringen en incidenten die wij de afgelopen periode hebben gezien? Waarom komt de Minister in die zin niet tegemoet aan de wens van de SER?

Minister Asscher: Ik wil met het tweede beginnen. Zeker, die individuele misstanden brengen veel aan het licht. Het is dan ook belangrijk hoe de politie met aangiftes omgaat, dat de aangiftebereidheid toeneemt, dat we zien dat dat gevolgen heeft en dat veroordelingen gevolgen hebben. Dat hele spectrum laat zien dat ook individuele klachten en incidenten het waard zijn om werk van te maken. De vraag is nu wat de rol van de inspectie zou moeten zijn en hoe je de kracht en de werking van de inspectie voldoende overeind houdt. Daarover verschil ik van mening met mevrouw Karabulut. Ik vind het niet verstandig om te zeggen: die individuele gevallen zijn zo belangrijk dat je niet meer hoeft te kijken of het goed werkt voor de inspectie als je ze die taak geeft. Daar heb je andere gremia voor, daar heb je andere rollen voor.

De eerste vraag was hoe het nu zit met de planning. We gaan wat mij betreft geen enkel risico uit de weg en bij geconstateerde overtredingen moet de inspectie optreden. We maken echter een vierjarige planning om zo veel mogelijk rond psychosociale arbeidsbelasting te kunnen doen. Daarin staat dit gepland voor 2016. Daarmee zeggen we niet dat we er in 2014 en 2015 niets aan doen, maar als je programmatisch werkt, geef je steeds accenten. Dat betekent echter niet dat je andere dingen niet doet. Het kan ook andersom, want het is allemaal belangrijk. Het gaat er hier echter om dat je de informatiepositie van de inspectie verbetert, dat de uitwisseling met het college groter wordt en dat je risicogestuurd kijkt naar sectoren en bedrijven waar discriminatie meer voorkomt, zodat je effectief kunt optreden.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vind het antwoord van de Minister wat betreft de rol en de beperking die hij ziet tot de huidige situatie van de Arbeidsinspectie absoluut niet overtuigend. Waarom zou de Arbeidsinspectie niet de mogelijkheid en de bevoegdheid kunnen en moeten krijgen om discriminatiegronden zelfstandig te onderzoeken als versteviging en ter uitbreiding van het bestaande instrumentarium? Dit temeer omdat we wel degelijk problemen hebben met de aangiftebereidheid en de vervolgstappen en de Minister geen gelegenheid voorbij laat gaan, en terecht, om te zeggen: mensen, meldt het.

Minister Asscher: Mevrouw Karabulut en ik zijn het voor 90% met elkaar eens en voor 10% niet en die 10% betreft nu net de vraag of de inspectie de meest geschikte instantie is om discriminatie bij te melden. Ik denk van niet. Daarover verschillen we dus van mening. Ik houd me vast aan die 90% waar we het wel over eens zijn, namelijk: meldt het, laat het er niet bij zitten en zorg dat de inspectie haar werk goed doet. Nogmaals, ik ga er meer aandacht aan besteden en er wordt ook al aan gewerkt. We wachten daar ook niet mee tot 2016. We verschillen echter van mening over de rol van de inspectie. Ik ben bang dat het de inspectie op andere punten zwakker zou kunnen maken.

De heer Van Weyenberg heeft gevraagd hoe we contractuele bepalingen en uitsluiting van bedrijven die veroordeeld zijn wegens discriminatie, moeten duiden. De heer Mulder vroeg daar ook naar. Die vraag is terecht. Eerst een praktisch antwoord. We gaan vanaf volgend jaar de aanbestedingsregels en de individuele contracten zo aanpassen dat veroordeelde bedrijven niet meer in aanmerking komen. De heer Mulder en anderen hebben gelijk dat het niet gaat om grote aantallen. Gelukkig maar, zou je kunnen zeggen, want zo veel komt dat soort ernstige discriminatie ook weer niet voor dat je hele reeksen onherroepelijk veroordeelde bedrijven hebt. Er zit echter ook een andere kant aan. Het OM heeft niet voor niets de aanwijzing gekregen om er een strafrechtelijk gevolg aan te geven als er sprake is van strafbare discriminatie. Dat zal ongetwijfeld op enig moment wel leiden tot veroordeling. Ik heb geen beschikking over de informatie over de jaren voor 2012. De cijfers over 2012 kent u.

Waarom is dit in mijn ogen dan toch een belangrijke en dus nuttige maatregel? De heer Mulder raakte het eigenlijk al aan. Er zit in dit soort maatregelen altijd een repressieve kant. Je deelt een tik uit aan die bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan discriminatie. Die tik komt soms harder aan dan een boete of een procedure. Maar het strafrecht heeft ook een algemene preventieve functie. Het is belangrijk dat je laat zien dat bedrijven die zich op die manier hebben misdragen, er niet meer in komen. Het Rijk vervult als klant een voorbeeldfunctie, door te zeggen: daar werken we niet meer mee. Dat heeft ook een preventief effect. Ik ben het eens met die sprekers die zeggen dat dit niet de economische stroom vanaf moment x totaal zal ombuigen. Het is dan ook niet de oplossing voor alle problemen, maar ik vind het wel een onderdeel van een sluitende aanpak, waarbij ik het van harte met iedereen eens ben dat je moet beginnen met het bestrijden van vooroordelen en dat je moet voorkomen dat er gediscrimineerd wordt. Maar het hoort ook bij een strenge aanpak dat je, als het dan zover komt dat bedrijven veroordeeld worden, je daar consequenties aan verbindt in de contracten. Ik ben zeer verheugd dat ik eigenlijk bij alle sprekers steun voel voor dat principe. Ik ben het er ook zeer mee eens dat we dat heel secuur moeten doen. Die waarschuwing neem ik zeer ter harte. Het moet secuur en zorgvuldig. Die opdracht ligt er en zo gaan we daar ook mee om.

Dan naming-and-shaming, het andere onderdeel waar terecht van is opgemerkt dat ik daar iets verder in ga dan het SER-advies. Ik heb zeer veel waardering voor het SER-advies. Naming-and-shaming vinden wij daar een logisch en verstandig onderdeel van. Ook hier de waarschuwing van Mulder en anderen dat je als overheid wel moet weten wat je doet en wat je zegt. Overigens dacht ik, om misverstanden te voorkomen, dat Coolcat niet was beschuldigd van discriminatie. Die eventuele problemen kunnen we hiermee voorkomen. Maar op het moment dat je gaat namen en shamen moet je, juist als overheid, heel precies zijn. Toch denk ik dat het van belang is, en overigens niet alleen bij discriminatie, maar ook bij uitbuiting en schijnconstructies.

Dat is ook de reden dat ik in het wetsvoorstel inzake aanpak schijnconstructies kom met voorstellen om de inspectie in staat te stellen om meer openheid en meer transparantie te bieden over de misstanden die men aantreft. Dat biedt de Kamer ook de gelegenheid om uitgebreid en fundamenteel te kijken naar de manier waarop wij naming-and-shaming willen vormgeven. Er is een wetswijziging voor nodig om de inspectie daartoe in staat te stellen. Die Wet aanpak schijnconstructies gaat natuurlijk een reeks aan maatregelen bevatten om misstanden op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Ook daar wil ik het – niet als de oplossing van het probleem, maar als onderdeel van de aanpak – mogelijk maken dat we zien om welke bedrijven het gaat. Die wettelijke basis komt er hopelijk als de Kamer met die wet kan instemmen.

Het is nu al zo dat het College voor de Rechten van de Mens oordelen bekendmaakt. Dat heeft ook al wel degelijk effect, maar ik zou het heel mooi vinden als de inspectie, want daar heb ik het nu over, meer transparant kan zijn over individuele bedrijven die een boete hebben gekregen.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik ben hier al heel erg blij mee, want we hebben dit al verschillende keren voorgesteld. De Minister heeft het echter ook diverse malen afgewezen, ook met het argument dat het College voor de Rechten van de Mens dat al doet. Kan de Minister mij uitleggen wat hem heeft doen besluiten om deze voorstellen uiteindelijk toch op te nemen in zijn acties, waar ik, nogmaals, heel blij mee ben?

Minister Asscher: Als ik tekortschiet in bronvermelding voor goede ideeën, dan mijn oprechte verontschuldigingen. Dat doe ik nooit bewust, want ik vind dat je iedereen met goede ideeën moet waarderen, ook als dat de SP is. Ik wou bijna zeggen «juist», maar dat zou weer niet eerlijk zijn ten opzichte van de andere Kamerleden. Ik ben mij er echter niet van bewust dat wij hier een langlopend conflict over hebben en dat dit nu in uw voordeel beslecht is. Als dat wel zo is: proficiat. Ik was mij daar echter niet zo van bewust.

De heer Klein (50PLUS): De Minister gaat er in het actieplan van uit dat het namen en shamen is gekoppeld aan de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens. Maar het College voor de Rechten van de Mens is ook heel expliciet over de rijksoverheid. De rijksoverheid is met name voor leeftijdsdiscriminatie behoorlijk op de vingers getikt door het college. Gaat de Minister nu ook de rijksoverheid namen en shamen?

Minister Asscher: Ik zou niet weten waarom niet. De rijksoverheid is een grote werkgever en moet zich ook aan de wet houden. Ik deel met de Arbeidsinspectie regelmatig boetes uit aan collega's als er niet goed wordt omgegaan met de arbeidsomstandigheden. Het lijkt me niet dat je, als je bij het Rijk werkt, slechter af zou moeten zijn dan bij andere werkgevers.

Mevrouw Voortman heeft gezegd dat je bedrijven die het goed doen, zou moeten belonen. Daar ben ik het zeer mee eens. Terecht wordt opgemerkt dat discriminatie vaak voortkomt uit vooroordelen, uit soms onbewuste denkbeelden die we over elkaar hebben. Die neem je niet weg met een wet of met een straf. Die neem je weg doordat je elkaar leert kennen, doordat je in de praktijk merkt dat de samenwerking goed is. Het is, met alle zorgen die er zijn, positief om te zien dat als mensen eenmaal binnen zijn – dat staat ook in het SCP-rapport – en toegang hebben tot de arbeidsmarkt en een dienstbetrekking, ze daarna in gelijke mate promotie maken en carrière maken in een bedrijf. Ik denk dat dat ermee te maken heeft dat de vooroordelen dan weg zijn en dat de economische potenties van werknemers benut worden en de mensen gewoon doorgroeien. Dat onderstreept dus nog eens dat het belangrijk is om vooroordelen weg te nemen. Het SER-advies gaat daar ook zeer op in. Juist die positieve kant, zoals de diversiteitscharter, hoort daar heel erg bij. Dat betekent dat ik ook graag de bedrijven die het goed doen in het zonnetje wil zetten. Daar gaan we ook actief naar op zoek. Dat hoort, vind ik, bij een aanpak waar beide elementen in zitten.

Er is gevraagd naar de rol van de rijksoverheid bij de diversiteitscharter en of we daar niet wat te afwachtend of te schuchter in zijn. Het goede nieuws is dat de sociale partners hebben gezegd dat zij hierin het voortouw nemen en dat zij die charter gaan maken. Ik vind dat de rijksoverheid als grote werkgever dan mee moet gaan doen en aan tafel moet gaan zitten, maar niet meteen het initiatief moet overnemen. Ik vind het krachtig dat dat vanuit de bedrijven, vanuit de werkgevers en werknemers gaat komen. Natuurlijk moeten we zorgen dat het Rijk daar bij is, maar niet als haantje de voorste. Laten we blij zijn dat nu niet meer de discussie is of dit een belangrijk onderwerp is of niet en of we ons hier nu wel mee bezig moeten houden, maar dat de werkgevers en werknemers zeggen: wij willen. Het Rijk kan daar dan gewoon aan meedoen. We streven tenslotte ook naar een divers personeelsbeleid bij het Rijk. Ik zie dan ook geen problemen om bij de uitwerking van de charter mee te praten en mee te doen.

Hoe gaan we stereotypering aanpakken, zo vroeg de heer Heerma, en wat is de rol van minderhedenorganisaties daarin? Daar is al veel nuttig voorwerk voor verricht en er ligt al heel veel klaar om goed gebruikt te worden. De sociale partners gaan er nu mee aan de slag. Ze hebben me laten weten dat ook snel te willen gaan doen. Binnen de charter zullen bedrijven ook zelf doelstellingen kunnen formuleren ten aanzien van de manier waarop zij die diversiteit willen vormgeven. Ik denk dat dat krachtiger is dan wanneer ik ze die doelstellingen zou meegeven. Ik denk ook dat als zij het op die manier doen, zij elkaar daar ook op zullen aanspreken en zichtbaar zullen maken hoe succesvol ze daarin zijn. Die doelstellingen worden uiteraard gemonitord en er wordt gekeken of die gehaald worden.

Daarnaast zijn er allerlei cursussen en instrumenten om stereotyperingen en vooroordelen tegen te gaan. Die kan ik onder de aandacht brengen en die kunnen daar een rol bij spelen. Maar ook hier is het krachtiger als een bedrijf er zelf voor kiest om dit soort instrumenten in te zetten. Ik zal bedrijven daar ook nadrukkelijk op wijzen. Ik zal ook de kennis verspreiden die bij ons beschikbaar is over wat er inmiddels ligt en voor gemaakt is.

De heer Heerma vroeg ook waarom er geen bemiddelende rol voor de inspectie is. Hij zei verder dat de politie de boel toch ook weleens mag sussen. Dat klopt, maar ik denk dat de politie wel een bredere taak heeft dan de inspectie. Die metafoor heeft charme en gaat voor een deel op, maar kent ook weer zijn begrenzingen. Een van die begrenzingen is dat het antwoord op de vraag of in individuele gevallen sprake is van discriminatie, toch echt is voorbehouden aan de rechter, dan wel aan het college. Dat betekent dat bemiddelen ingewikkeld is, want het vergt eigenlijk een uitspraak of het wel of geen discriminatie is. Het is wel zo dat de inspectie in haar oordelen vanzelfsprekend ook opvattingen weergeeft over hoe het wel zou moeten, over hoe je een bedrijf moet inrichten en over hoe een sector zich moet gedragen. De grotere sectorrapportages die vanuit de inspectie komen en die ook op onze site verschijnen, hebben natuurlijk ook altijd wenken in zich over hoe men het zou moeten doen. Dat is geen individuele bemiddeling, maar er gaan wel opvattingen achter schuil over hoe je gezond werken organiseert en over hoe je met de Arbowet om zou moeten gaan. Op dat punt zie ik dus wel degelijk een rol, maar een bemiddelingsrol – maar het kan zijn dat ik de heer Heerma niet helemaal goed heb begrepen – ligt in mijn ogen minder voor de hand, omdat die rol ten opzichte van het individu beperkter is dan die van de politie en het College voor de Rechten van de Mens en de toegang tot de rechter.

De heer Pieter Heerma (CDA): De vergelijking met de politie gaat natuurlijk wel op, want als je van de politie zou gaan zeggen: die heeft een handhavende taak en die moet alleen kijken of er sprake is van een strafbaar feit of niet, dan zouden we dat allemaal niet logisch vinden. Er zit echter al een haakje tot een opening in de beantwoording van de Minister en volgens mij eerder ook al in het interruptiedebat met mevrouw Karabulut. Dat aangeven hoe het dan wel kan, gaat namelijk al richting die bemiddelende rol, die ik overigens niet bedacht heb, maar waar de SER expliciet naar vraagt, ook in de presentatie van vorige week. Hoe kan de inspectie zonder dat ze direct een oordeel geeft over wel of geen discriminatie, die «hoe het zou moeten»-rol spelen in samenwerking met het college?

Minister Asscher: Ik had, denk ik, een iets kortere presentatie van de heer Grapperhaus, want daar zat dit onderdeel niet in. Maar ik heb net in het interruptiedebatje met mevrouw Karabulut inderdaad al aangegeven dat de inspectie nog nader in gesprek is met het college. Daarbij wordt gekeken hoe men elkaars positie kan versterken, zonder die positie ingrijpend te veranderen. Daar kan inderdaad iets dergelijks uit voort komen. Daar ben ik dan positiever over dan ik net dacht te zijn.

De heer Pieter Heerma (CDA): Daar zou iets moois uit kunnen komen en dat is heel goed. Krijgen wij daar nadere informatie over als die gesprekken verder gaan?

Minister Asscher: Wat mij betreft wel. Ik zal even kijken wat een goede termijn is om daarop terug te komen.

Dan de vraag over het verbeteren van de aangiftebereidheid. Dat is zeker een doel. Wat mij betreft, moet het meegenomen worden in de bredere campagne voor melden en aangifte doen. Het verbeteren van de aangiftebereidheid is daar een logisch onderdeel van.

De heer Pieter Heerma (CDA): Wellicht komt dit voort uit het feit dat de Minister een kortere presentatie heeft gehad, maar de presentatie die wij als Kamer hebben gekregen, ging niet alleen over de aangiftebereidheid, maar ook expliciet over de vraag waarom de aangiftebereidheid zo laag is. Mijn vraag was dan ook of de Minister bereid is om in het onderzoek dat hij heeft aangekondigd, ook in navolging van de diverse moties die zijn ingediend bij de begrotingsbehandeling door onder andere mevrouw Karabulut en mij, ook te onderzoeken waarom die aangiftebereidheid zo laag is.

Minister Asscher: Ik doe nu toch een poging om het in mijn eerdere antwoord te vatten. Voor een effectieve campagne moet je kijken waarom iets wel of niet effectief is en moet je dus ook kijken waarom er niet wordt gemeld en geen aangifte wordt gedaan. Dat vind ik daar een logisch onderdeel van.

Ik heb al iets gezegd over de veroordelingen in het afgelopen jaar. De cijfers van de jaren daarvoor heb ik niet beschikbaar. Ik heb in de richting van de heer Mulder en de heer Van Weyenberg al aangegeven waarom ik het een logische maatregel vind, zonder het groter te maken, maar ook zonder het kleiner te maken. Het hoort, vind ik, bij het streng reageren op dit soort misstanden.

De rechtsgrond en naming-and-shaming worden, zoals ik al heb aangegeven, vormgegeven in de Wet aanpak schrijnconstructies. Dat zal leiden tot wijziging van de Arbowetgeving. Dat kan ik dan netjes toegelicht en voorzien van het advies van de Raad van State, met de Kamer gaan bespreken. Ik ben het met de heer Mulder eens dat je wel een rechtsgrond moet hebben. Dat is niet iets om lichtvaardig mee om te gaan. Het gaat om het openbaar maken van inspectiegegevens. Ik denk echter dat het bijdraagt aan algehele preventie en specifieke repressie, zonder dat het dubbel straffen is. Het ne bis in idem-beginsel staat niet in de weg van het openbaar maken van dit soort gegevens.

Dat is wat mij betreft de beantwoording van de vragen over arbeidsmarktdiscriminatie en de discussie over het actieplan.

Er is nog een groot aantal andere onderwerpen waartoe ik nu overga, maar ik heb eerst nog één ding, namelijk de interessante vraag van de heer Mulder. Er wordt heel vaak gepraat over de positieve aspecten van diversiteit. Zou je nu ook niet eens moeten kijken naar de kosten van discriminatie? Wij zouden het gewoon eens economisch moeten bekijken. Wij zijn het allemaal zeer eens over de rechtstatelijke en morele aspecten, maar sommige mensen overtuig je meer met economische argumenten. Ik zal hierop terugkomen. Ik zal bezien of ik daar samen met mijn collega van EZ iets mee kan doen. Dat is een aardige manier van kijken hiernaar.

Antisemitisme is een buitengewoon belangrijk onderwerp. Wij hebben daar al een aantal keren goed over gedebatteerd. Ik ben een aantal organisaties heel erkentelijk voor het feit dat zij in de setting van een ronde tafel in gesprek zijn gegaan met mij en met elkaar om te bezien wat je daar nog meer aan kunt doen. De heer Van Klaveren heeft aandacht gevraagd voor de rol van de islam en het islamitisch geloof bij het aangekondigde onderzoek naar de triggerfactoren; dat laatste is een lelijk woord. Waarom zetten mensen de vooroordelen die zij over joden hebben, om in antisemitisch gedrag en antisemitische incidenten? Wij doen daar onderzoek naar en de uitkomst daarvan komt begin volgend jaar. Ik heb in mijn brief van januari al toegezegd dat er ook gekeken wordt naar de persoons- en omgevingsfactoren die daar een rol bij spelen. Dat kan dus ook iemands godsdienst zijn. Juist de vraag of de religie hierin specifiek een rol speelt, wordt meegenomen in dat onderzoek.

Mevrouw Yücel (PvdA): Worden in het onderzoek ook de vooroordelen over moslims, vrouwen en andere groepen in de samenleving meegenomen? Gaat het alleen over antisemitisme? Ik geef de suggestie mee om het model van het Vlaamse onderzoek te gebruiken. De vooroordelen onder jongeren worden daardoor op een heel duidelijke manier inzichtelijk gemaakt.

Minister Asscher: Dit is een vervolgonderzoek. Er wordt onderzoek gedaan naar allerlei vormen van uitsluiting en discriminatie. Er wordt onderzoek gedaan naar antisemitisme. Wij hebben het er eerder over gehad dat dit leidt tot een vervolgonderzoek over antisemitisme. Die vorm van discriminatie c.q. racisme – hoe je het ook noemen wilt – wordt hier nader onderzocht, met als hangende vraag wat de triggerfactoren zijn. Waardoor leiden vooroordelen, die helaas breed bestaan, in bepaalde gevallen tot antisemitische incidenten? Wij hebben het gehad over middelbare scholieren. Wij hebben het ook gehad over voetbalsupporters en schelden en over de Turkse jongen die in een uitzending van meer dan een jaar geleden sprak over Anne Frank. Dit onderzoek gaat over antisemitisme en niet over andere onderwerpen. In dit onderzoek wordt gekeken naar omgevingsfactoren. Dat kan godsdienst zijn en dus ook islam. Die vraag werd mij gesteld en terecht. Het is interessant om dit te weten. Je wilt je uiteindelijk niet alleen maar steeds afkeurend uitspreken over antisemitisme, maar er daadwerkelijk iets aan doen. Hier geldt opnieuw dat je antisemitisme wilt voorkomen. Daarvoor moet je vooroordelen wegnemen, effectief zijn op school, zorgen dat er geen verlegenheid bestaat om les te geven over de holocaust en repressief zijn.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik ben het zeer eens met de Minister. Hij zegt dat het heel nuttig is om die triggerfactoren te achterhalen en te bekijken hoe die vooroordelen zich ontwikkelen en waar die vandaan komen. Ik heb zelf eerder gepleit om daar meer zicht op te krijgen en daarom is dit onderzoek er. Is de Minister bereid om ook de vooroordelen over ouderen, vrouwen en moslims onder jongeren naar het model van het Vlaams onderzoek in beeld te brengen?

Minister Asscher: Dit onderzoek loopt en ik wil er geen vier of vijf dingen aan toevoegen. Ik hecht eraan dat het er begin volgend jaar is. Dan kunnen wij bekijken wat wij daarmee kunnen doen. Er is gelukkig veel bekend over vooroordelen. Een van de vaststellingen naar aanleiding van het debat tot nu toe is dat partijen het erover eens zijn dat alle vormen van discriminatie moeten worden bestreden. Om die effectief te bestrijden, kan het interessant zijn om een bepaalde vorm, in dit geval antisemitisme, nader onder de loep te nemen. Dat is hier aan de orde. Ik wil de vragen van het lopende onderzoek eigenlijk niet verbreden.

Dat brengt mij meteen op de volgende vraag. Waarom weigert de Minister onderzoek naar organisaties die antisemitisme propageren, aldus de heer Van Klaveren? Het propageren van antisemitisme is strafbaar. Als daar signalen voor zijn, zal het Openbaar Ministerie een onderzoek instellen. Ik weet dus niet precies wat voor onderzoek ik geweigerd heb te doen. En ik ben al helemaal geen voorstander van subsidie aan discriminerende organisaties.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Ik vroeg waarom het kabinet dit geweigerd heeft. Het had dus niet betrekking op deze Minister. Bij een collega van deze Minister hebben wij aangegeven dat er vanuit organisaties zoals Oxfam Novib, Cordaid en ICCO gelden gaan naar organisaties die zich direct inzetten tegen de staat Israël. Enkele developmentcenters die zich richten op de omverwerping van de staat Israël krijgen geld van Cordaid en Oxfam Novib. In het verleden gaven die ook al geld aan organisaties die tegen Israël waren. ICCO gaf bijvoorbeeld geld aan Electronic Intifada. Dat is een radicale Palestijnse organisatie waarvan de directeur een veroordeelde Hamasterrorist is en die ook nog eens als doelstelling het bestrijden van de staat Israël heeft. In die zin stelde ik die vraag. Oxfam Novib, Cordaid en ICCO krijgen geld van de Nederlandse Staat en daarmee geeft de Staat dus indirect steun aan anti-Israël organisaties. Ik heb daar in het verleden al verschillende keren op gewezen. Waarom wordt daar geen onderzoek naar gedaan? Waarom wordt – en dat het liefst – de subsidie aan deze organisaties niet stopgezet vanwege deze reden?

Minister Asscher: Als ik het goed begrijp gaat het dus niet over organisaties in Nederland die antisemitisme propageren. De vraag gaat dus over de subsidie aan bepaalde organisaties die weer andere organisaties financieren die mogelijk het oogmerk hebben om antisemitisme wel te propageren. Ik blijf even weg bij de discussie over die subsidiestromen en organisaties. Dat lijkt mij inderdaad een vraag om te bespreken met de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel. Op haar ministerie wordt namelijk een besluit genomen over de subsidierelaties. Dit doet echter niets af aan het feit dat het kabinet geen subsidie zal verlenen aan organisaties die antisemitisme propageren. Dat is het uitgangspunt van het kabinetsbeleid en blijft het ook. Ik heb nu het gevoel dat ik een steeg inloop waar de heer Van Klaveren blijkbaar al met collega Ploumen aan een bepaald gevecht bezig is. Ik kom daar nu even niet tussen.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Ik wil de Minister niet in een steeg lokken. Wij hebben het vandaag over antisemitisme. Dit soort organisaties is antisemitisch, maar krijgt wel geld van de Nederlandse Staat, zij het op een indirecte wijze. Aangezien wij vandaag antisemitisme bespreken en het misschien ook wel goed is om dit in de internationale context te doen, al helemaal omdat de Nederlandse Staat dus indirect geld geeft aan deze organisaties, stel ik deze vraag ook aan Minister Asscher.

Minister Asscher: Ik begrijp heel goed dat de heer Van Klaveren deze vraag stelt. Ik wil antisemitisme bestrijden waar het maar voor mijn voeten komt. De heer Van Klaveren had mij op het verkeerde been gezet door te zeggen dat de organisaties antisemitisch zijn. Ik meende toen dat hij het over Cordaid had of andere ontwikkelingsorganisaties. Nu stel ik vast dat hij dat niet zegt. Het stelt vragen bij de besluiten die deze organisaties nemen over de financiering die zij doen. Ik heb hier te weinig zicht op, omdat het hoort tot het domein van mijn collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Haar uitgangspunt is dat wij tegen discriminatie zijn van welke aard dan ook en dus ook tegen antisemitisme. Dat betekent dat de discussie over de vraag of deze organisaties daar voldoende tegen doen en of de ontwikkelingshulporganisaties zich daar voldoende tegen teweerstellen in het debat met haar aan de orde moet komen. De vraag van de heer Van Klaveren is legitiem, maar ik kan die nu niet beantwoorden tot op het niveau waar hij naar vraagt.

De heer Van Weyenberg is gelukkig weer aangeschoven. De andere Kamerleden kunnen getuigen dat ik uitgebreid ben ingegaan op al zijn vragen over arbeidsmarktdiscriminatie. Hij vroeg ook naar de rol van het Ministerie van OCW in het kader van antisemitisme en of de beschikbaarheid in het gebruikte lesmateriaal nu inderdaad toeneemt. Mijn collega van Onderwijs doet samen met VWS onderzoek naar de aandacht voor de holocaust en het bestrijden van antisemitisme op school. Daarbij wordt specifiek bekeken of het benodigde materiaal voldoende beschikbaar en vindbaar is en of de scholen het ook gebruiken. Wij weten dat er heel veel is. Wij hebben grote waardering voor de organisaties die het materiaal hebben geordend en beschikbaar stellen. Uiteindelijk hebben wij echter niets aan geweldig lesmateriaal op een website. Het gaat erom dat het gevonden en gebruikt wordt en dat het effectief is in de klas. Daar kijken mijn collega's van Onderwijs nu naar. Met die bevindingen kunnen wij verder. Het is dus niet de vraag of dat materiaal er is, want dat is er en het is prachtig. Maar het gaat om de vraag of het lesmateriaal werkt in de praktijk.

De heer Van Weyenberg stelde ook een vraag over handelingsverlegenheid. Ik heb toegezegd dat wij die aanpakken. Je ziet namelijk te vaak dat docenten het er niet over durven te hebben. Vorig jaar heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Sander Dekker, mede namens de Kinderombudsman een plan van aanpak over pesten aan de Kamer gestuurd. Dat is een integraal plan. Alle maatregelen zijn erop gericht om alle betrokkenen in staat te stellen om te zorgen voor een veilige school en veilig leren. Tijdens het rondetafelgesprek heb ik toegezegd om daarin de handelingsverlegenheid bij docenten mee te nemen. Daar heb ik met de Staatssecretaris over gesproken. Hij was gaarne bereid om dat onderwerp mee te nemen, omdat het past bij een veilige school dat een docent ook over dit soort cruciale en belangrijke onderwerpen lesgeeft. Hij zal de Kamer begin juni informeren over de voortgang van de uitvoering van het plan tegen pesten. Ik ga ervan uit dat hij dan ook in zal gaan op dit punt. Ik weet verder niet hoe dat nu in de praktijk op die scholen loopt. Hij kijkt daarnaar, want hij is verantwoordelijk voor veilige scholen. Wij hebben dat onderwerp en ook de specifieke verlegenheid om het over de oorlog, over antisemitisme of over de holocaust te hebben, aan hem meegegeven.

Mevrouw Voortman vraagt naar mijn opvatting over etnisch profileren. Wat vindt het kabinet daarvan? Wat gaat het op dat vlak doen?

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik ga er nu even vanuit dat de Minister het blokje educatie en onderwijs heeft afgerond. Ik had daar ook een aantal vragen over. Die stel ik nu. De Kamer is op de hoogte gesteld van de evaluatie van de democratische burgerschapsvorming in het onderwijs, dat al onderdeel is van het curriculum.

Minister Asscher: Ik had het blokje antisemitisme afgesloten. Op educatie en burgerschap kom ik later nog terug.

Ik was bezig met de vraag van mevrouw Voortman over etnisch profileren. Net als de politie en de Minister van Veiligheid en Justitie wijs ik etnisch profileren nadrukkelijk af. In de kabinetsreactie op het rapport van ECRI heb ik dat ook bevestigd. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft op 14 november zijn reactie gestuurd op het rapport van Amnesty International. Daarin heeft hij geschreven dat hij de Kamer dit voorjaar een vervolgbrief stuurt over eventueel benodigd nader onderzoek en verdere maatregelen. Het SCP-onderzoek geeft een aanvullend beeld op het rapport van Amnesty. Het gaat bij discriminatie door de politie om het gevoel extra in de gaten te worden gehouden dan wel meer te worden bekeurd. Met name Marokkaanse en Turkse Nederlanders melden discriminatie-ervaringen in contacten met de politie. Nogmaals, de collega die gaat over de politie, de Minister van Veiligheid en Justitie, heeft aangegeven dat hij dit voorjaar terugkomt op het rapport van Amnesty International. Hij zal dan aangeven wat hij daarvan vindt en wat hij nodig acht. Ik ga er dus vanuit dat het dit voorjaar bij de Kamer komt. Gelukkig duurt dit voorjaar nog wel even.

Hoe staat het met het onderzoek van de politie Haaglanden over etnisch profileren, vraagt mevrouw Karabulut. De regioburgemeesters verwachten dat onderzoek begin juni. De Minister van Veiligheid en Justitie zal nog voor het zomerreces met een reactie op dat onderzoek komen. Zo staat het dus daarmee.

Hoe zit het met de werking van de aanwijzing discriminatie van het Openbaar Ministerie, vraagt mevrouw Karabulut. Die aanwijzing bevat het kader voor de handhaving van discriminatiebestrijding door politie en OM. Van de collega van Justitie heb ik begrepen dat die aanwijzing recentelijk is geëvalueerd. De uitkomst is dat de inhoud actueel is en goed toepasbaar in de praktijk. Dat betekent dat de politie en het OM conform die aanwijzing kunnen werken.

Hoe kijk ik aan tegen de vermindering van capaciteit van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD)? Die afbouw kan toch niet de bedoeling zijn, zegt mevrouw Karabulut namens de SP. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft mij verzekerd dat hij daar volle aandacht voor heeft en dat de taken worden voortgezet.

Mevrouw Karabulut (SP): De Minister zegt: volle aandacht; de taken worden voortgezet. Dat is nogal wiedes. De Minister zegt bij iedere gelegenheid: doe aangifte, dat is belangrijk. Zodra bij dat expertisecentrum, waar de experts voor bestrijding van discriminatie vanuit de politie werken, de capaciteit verminderd zou worden, zou dat toch betekenen dat er nog minder aandacht voor zou komen? Het staat sowieso al onder druk. Dus dit staat toch haaks op elkaar? Wil de Minister bij zijn collega ervoor pleiten dat dit niet zal gebeuren en ons daarover informeren?

Minister Asscher: Collega Opstelten is heel serieus over het aanpakken van hate crimes en discriminatie. De manier waarop hij zijn werk doet en de politie taken laat uitvoeren, is echt aan hem. Als hij mij zegt dat dit zijn volle aandacht heeft, dat hij net nog heeft gekeken naar de manier waarop die aanwijzing functioneert en dat hij er de komende tijd voor zorgt dat die taken worden voortgezet, is dat de mededeling die hier nodig is. Het gaat erom dat er iets wordt gedaan met de aangifte, dat het Openbaar Ministerie goed geïnstrueerd is en dat wij voldoende expertise in huis hebben om dat te beoordelen. Hoe je die expertise organiseert en waar je het neerlegt, is aan de Minister en liever nog aan de uitvoeringsorganisatie van de Minister, te weten de politie. Ik ken Minister Opstelten goed genoeg hiervoor. Hij is heel serieus over het bestrijden van discriminatie. Dat zal ook merkbaar zijn bij de politie.

Mevrouw Karabulut (SP): Het is goed dat de Minister zo veel waardering heeft voor zijn collega. Ik had hem niet gevraagd om per se die waardering uit te spreken, maar dat mag. Het is ook goed om te horen dat Minister Asscher vertrouwen heeft in de aanpak van discriminatie. Laat ik mijn vraag nog concreter maken om op die manier hopelijk wel een antwoord te krijgen. Wordt de capaciteit bij het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie van de politie verminderd, ja of nee?

Minister Asscher: Dat weet ik niet. Dat moet mevrouw Karabulut aan Minister Opstelten vragen, want hij gaat over de landelijke politie. Ik vind dit een belangrijk onderwerp en daarom heb ik hem gevraagd om daar genoeg aandacht en expertise aan te besteden. Ik heb hem gevraagd om ervoor te zorgen dat de politie weet hoe ze met discriminatie en de aanwijzing daarvoor moet omgaan. Het antwoord van Minister Opstelten is: ja. Dat is het antwoord dat hier relevant is.

Mevrouw Yücel vroeg naar het aantal gebrekkige vervolgingen. De hoofdregel is dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen altijd een strafrechtelijke reactie moet volgen – hetzij dagvaarding, hetzij transactie – als de zaak zich daar redelijkerwijs technisch voor leent. In beginsel wordt gedagvaard. Alleen in lichtere zaken kan eventueel eerst een transactie worden aangeboden. Zo is het ook neergelegd in de aanwijzing discriminatie. De toets of het zich er redelijkerwijs technisch voor leent, is natuurlijk wel lastig. Want «zich ergens redelijkerwijs technisch voor lenen» betekent dat je het moet kunnen bewijzen of in ieder geval de kans moet hebben om het te kunnen bewijzen. Als het daaraan voldoet, volgt er een boete bij lichte gevallen en een dagvaarding bij alle andere gevallen. Volgens mij is dit helder. Het is belangrijk dat dit opnieuw is bevestigd.

De woordvoerders van D66 en de SP vroegen hoe het zit met het Meldpunt Discriminatie Internet (MDI). Tot 1 januari heeft het MDI subsidie ontvangen van het Rijk om meldingen op het internet verwijderd te krijgen en waar mogelijk aangifte en vervolging te instigeren. Met ingang van 1 januari vorig jaar is die subsidierelatie beëindigd en heeft de overheid verschillende meldpunten gebundeld en centraal belegd bij één instantie. Sindsdien is het door de overheid gefinancierde internetmeldpunt in Nederland onder de naam MiND! bekend. Daarmee is op een efficiëntere manier de continuïteit geborgd van het punt waar burgers discriminerende uitingen kunnen melden. Het MDI gaat door met zijn werk met zelfstandig verworven financiering. Dat mag. Het staat iedereen vrij om een meldpunt op te richten dan wel in stand te houden. De reden voor het nu nog lage aantal meldingen is in de relatieve onbekendheid gelegen. Een van de dingen bij zo'n campagne is: weet het goede meldpunt te vinden, doe daar melding. Daar wordt nu op ingezet. Dat zal bovendien onderdeel zijn van de campagne.

Hoe waarborgen wij dan de expertise? Met de oprichting van MiND is de continuering van de expertise gewaarborgd en de directe link met het expertisecentrum van het Openbaar Ministerie aangebracht.

Hoe gaan wij om met de discriminatie die plaatsvindt op social media en de explosie van negatieve uitingen na de uitspraken van de leider van de PVV? Sinds 2008 hebben de overheid, het bedrijfsleven en de belangenvereniging de gedragscode Notice-and-Take-Down opgesteld. Die beschrijft op welke wijze particulieren en bedrijven online kunnen omgaan met klachten over onrechtmatige dan wel strafbare inhoud op het internet, zoals kinderporno, plagiaat, discriminatie en het aanbod van illegale goederen. Internetserviceproviders en webhosts zijn aansprakelijk voor de informatie die ze aan hun klanten aanbieden als ze die informatie na een terechte klacht niet weghalen. Daarnaast biedt de gedragscode meer duidelijkheid bij het bepalen van de antwoorden op de vragen of een klacht terecht is en welke stappen bij de afhandeling gevolgd dienen te worden. Wij hebben op zichzelf een goed werkend systeem van meldpunten daarvoor. Dat is ook bij MiND neergelegd.

Het is cruciaal dat discriminerende uitingen online gemeld en verwijderd kunnen worden. Ook hiervoor geldt altijd een afweging. Wij moeten oppassen met het te snel en te veel aan banden leggen van de vrijheid op internet. In die zin vind ik het systeem dat sinds 2008 bestaat, een behoorlijk goed systeem. Je bent aansprakelijk als je de spullen na een terechte klacht niet verwijdert.

Dit doet nog niets af aan de explosie van uitingen die ontstond na de show in het café in Den Haag. Ik denk niet dat wij zo'n explosie van uitingen kunnen voorkomen. Dat is echt de verantwoordelijkheid van degene die de show heeft georkestreerd en opgevoerd. Het kabinet heeft daar vrij duidelijk op gereageerd, evenals de samenleving en de Kamer.

De heer Van Klaveren vroeg of erkend wordt dat ook autochtone Nederlanders gediscrimineerd worden. Zeker! Indien zij gediscrimineerd worden omdat zij autochtoon zijn, is er sprake van discriminatie op grond van afkomst. Je ziet dat veel autochtone Nederlanders te maken hebben met discriminatie op grond van leeftijd of geslacht. Er zijn geen vastomlijnde groepen slachtoffers te definiëren. Dat hangt samen met het feit dat iedereen recht heeft op beoordeling op grond van het individu in plaats van een lidmaatschap van een groep, welke groep dan ook. Je ziet dit terug in het SCP-onderzoek. Slachtofferschap, zij het van ervaren of van bewezen discriminatie, is niet eenduidig te definiëren. Racistische vooroordelen onder jongeren zijn voorwerp van onderzoek. Wij hebben het al gehad over antisemitisme. Andere vooroordelen dienen ook bekeken en bestreden te worden.

Nu kom ik bij de vraag of er bij de lerarenopleidingen expliciet aandacht moet zijn voor veiligheid in de klas. Zeker moet dat zo zijn. Het lijkt mij een cruciaal onderdeel van het traject van veilige scholen dat je ook in de lerarenopleiding aandacht besteedt aan de wijze waarop je daar zorg voor draagt. Je moet docenten in staat stellen om dat te doen. Daarvoor geldt ook weer dat het makkelijk roepen is vanuit onze positie. Je moet leraren vooral de instrumenten meegeven om in de klas toe te passen. Scholen moeten er bovendien voor zorgen dat de directies achter de leraren staan die te maken krijgen met verkeerde reacties in klassen. Ik heb daar een aantal prachtige voorbeelden van gezien, ook van de manieren waarop daar in klassen invulling aan wordt gegeven. Het belangrijkste voor dit debat is dat dit deel uitmaakt van de pestaanpak van Staatssecretaris Dekker. De onderwijsinspectie speelt hierin ook een belangrijke rol. De inspectie bekijkt namelijk ook of scholen doen wat ze geacht worden te doen.

Mevrouw Voortman stelde in het algemeen de vraag of ik doorga met het bestrijden van de haat die gezaaid wordt.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik ben heel blij met wat de Minister zegt over het belang van aandacht voor een veilig klimaat in de klas. Mijn vraag was ook of hij vindt dat dit een vast onderdeel moet zijn van de opleidingseisen aan leerkrachten. Kan hij daar nog even op ingaan?

Minister Asscher: In mijn ogen maakt dit al deel uit van de opleidingseisen. Als daar verdere specificering in gewenst zou zijn, blijf ik daar even van weg. Dat is namelijk het domein van Staatssecretaris Dekker. Het gaat mij erom dat daar op een goede manier aandacht aan wordt besteed.

Wordt er gewerkt aan een veilige klas, waarin vooroordelen bestreden worden en antisemitisme voorkomen wordt en waarin leraren zich veilig voelen om ingewikkelde onderwerpen te bespreken? Het antwoord op die vraag is ja. De Kamer wordt daarover in juli geïnformeerd door de Staatssecretaris. Als de Kamer van oordeel zou zijn dat naar aanleiding van de rapportage een nadere aanscherping van de beroepsvoorwaarden in de lerarenopleiding nodig zou zijn, vind ik dat het moment en de plek om dat te bespreken. Het is niet aan mij om dat nu even te doen.

Gaan wij door met het bestrijden van uitspraken die hele bevolkingsgroepen criminaliseren en angst aanjagen? Ja, uiteraard. De regering stelt de rechtsstaat voorop en de aanspraak die iedere Nederlander heeft op bescherming van die rechtsstaat. Dit is ook leidend in de reactie van de Minister-President hierop, die ik als vicepremier namens het kabinet heb gegeven. Daar gaan wij mee door. Ik denk dat dit belangrijk is.

Mevrouw Yücel vraagt naar de uitvoering van de aangenomen motie over het invullen van burgerschap. Mijn collega's van Onderwijs zijn voortvarend aan de slag gegaan met de uitvoering van die motie. Ik heb samen met Staatssecretaris Dekker rondetafelgesprekken daarover gevoerd met verschillende betrokkenen uit het onderwijs. Het gaat hier om ondersteuning van scholen en leraren bij de ontwikkeling en de vormgeving van deze vorm van onderwijs. Daar wordt nu handen en voeten aan gegeven, onder andere door het beschikbaar stellen van een overzichtelijk lesaanbod. ProDemos werkt bovendien aan een informatieve waardenmodule, waarin de fundamentele waarden worden vertaald naar de dagelijkse praktijk. Je kunt dit zien als een gedeeltelijke bijvangst bij onze discussie over het participatiecontract. Dit heeft geleid tot een participatieverklaring met een heldere formulering van de waarden die wij willen overbrengen op mensen die zich hier vestigen. Terecht werd toen gezegd dat het niet alleen gaat om mensen die zich hier vestigen, maar ook om de kinderen op school. Die zijn minstens even belangrijk. Dat loopt nu. Ik vind dat het Ministerie van Onderwijs daar enthousiast aan werkt. Op die manier geven wij meer handen en voeten aan de burgerschapsdoelstelling die al een poosje door de Staat wordt erkend. Daar kan de leraar in de klas iets mee en op deze wijze leren de kinderen daar iets van.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik ben zeer blij met het antwoord van de Minister. Ik proef dat de Minister inderdaad op een actieve manier bezig is om de burgerschapsvorming, die een onderdeel is van het curriculum in het onderwijs, concreet en steviger handen en voeten te geven. Er wordt juist ingegaan op de thema's waarvoor ik altijd heb gepleit, namelijk de essentiële waarden. Er wordt heel specifiek ingegaan op de vrije meningsuiting en het kwalijke van discriminatie en antisemitisme. Wil de Minister deze voortvarende aanpak doorzetten? Kan hij de Kamer vrij snel informeren over de concrete resultaten hiervan? De termijn hiervoor laat ik aan de Minister. Verder vraag ik mij af of het veld hierin inderdaad nog steeds meegenomen wordt. Ik doel daarbij op het College voor de Rechten van de Mens, de Anne Frank Stichting en het onderwijs. Uit de evaluatie bleek namelijk dat men heel graag invulling wil geven aan die taak binnen het onderwijs, maar dat het moeilijk is om dit handen en voeten te geven. Is het veld nog steeds goed betrokken bij de uitwerking van de juiste instrumenten?

Minister Asscher: Ik heb twee varianten in de aanbieding. Ik zou na de zomer een tussenstand kunnen aanbieden. Daar staat dan in waar wij staan met het onderwijs op het punt van burgerschap. Wij kunnen dit echter ook laten meelopen met de resultaten van de experimenten met de participatieverklaring die ik begin 2015 met de Kamer zal delen. Het is mij allebei wel.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik zou heel graag zien dat rond de zomer een tussenstand naar de Kamer komt. Dan kunnen wij daarna met elkaar de volgende stappen zetten.

Minister Asscher: Ik heb geleerd dat je feiten onmiddellijk moet weerspreken, omdat ze anders een rol gaan spelen in een rechtszaak. Ik zei «na de zomer». Mevrouw Yücel maakte daarvan «rond de zomer». Ik beloof dus dat het rond de zomer zal zijn, maar met name aan de achterkant van de zomer.

De heer Heerma vroeg wat wij doen met al die strafklachten jegens Wilders. Het is aan het OM om dit te beoordelen. Wij doen daar verder niets mee en dat hoort ook zo. Wel gaan wij door met ons helder uit te spreken over die uitspraken en mogelijk toekomstige uitspraken.

Mevrouw Yücel vroeg om te toe te zeggen, het SCP-onderzoek naar ervaren discriminatie periodiek te herhalen. Dat onderzoek kent een heel brede benadering, zoals leeftijd, herkomst, handicap, gerichtheid en wordt gedaan op allerlei terreinen, zoals openbare ruimte, contact met instanties, arbeidsmarkt en onderwijs. Daarnaast heeft het SCP de afgelopen jaren verschillende onderzoeken gedaan naar het feitelijk voorkomen van discriminatie, specifiek op de arbeidsmarkt. Ik ben van zins om de ontwikkeling van de ervaren discriminatie te blijven monitoren. Dat moet ook op periodieke basis gebeuren. Het lijkt mij logisch om eerst de resultaten van het actieplan af te wachten, waarover ik de Kamer volgend jaar wil rapporteren, alsmede de resultaten van het aanvullende onderzoek naar arbeidsmarktdiscriminatie. Het op heel korte termijn herhalen van zo'n breed onderzoek lijkt mij niet zinvol. Ik ben het echter met mevrouw Yücel eens dat je het periodiek moet blijven doen. Het ligt echter voor de hand om dit in 2016 te doen in plaats van volgend jaar alweer.

Ik kom nu op de organisatie van de antidiscriminatievoorzieningen (ADV's) op het niveau van de politieregio's. Dit is zeer van belang. Op regionaal niveau is er sprake van antidiscriminatieoverleg. Dat overleg vindt plaats op het niveau van de politieregio's. De deelnemers zijn de discriminatieofficier van justitie, de politie en de ADV. Het overleg heeft zowel een zaakbevorderende taak als een beleidsvormende, adviserende en signalerende taak. Juist om dit te versterken, voeren wij een experiment uit om op een nieuwe, regionale manier te gaan rapporteren. De voorganger van de heer Mulder, mevrouw van Nieuwenhuizen, heeft al op die mogelijkheid gewezen. Op haar verzoek voeren wij daar een experiment mee uit. Ze zei: zorg nu dat er regionaal op het niveau van de politieregio gerapporteerd wordt over discriminatie, zodat je het logische vervolg in zaakbehandeling, preventie et cetera kan vormgeven. In de wet is nadrukkelijk gekozen voor een laagdrempelige voorziening op lokaal niveau. Dit betekent dat die ADV's op gemeentelijk niveau functioneren. Dit doet er echter niets aan af dat het nuttig kan zijn om vorm te geven aan een aansluiting met de politieregio's. De gemeenten spelen uiteraard een belangrijke rol in het voorkomen van discriminatie in hun beleid.

De voorzitter: Nu gaan wij naar de tweede termijn van de Kamer. Ik stel per fractie een spreektijd van één tot maximaal twee minuten voor.

De heer Klein (50PLUS): Voorzitter. De Minister geeft uitgebreid antwoord op een heleboel vragen en hij reageert op concrete mogelijkheden wat betreft diverse vormen van discriminatie. De beantwoording van de vragen over leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, met name van 50-plussers, is echter wat mager. De Minister spreekt mooie woorden. Hij zegt: wij pakken dit wel mee, wij zetten het wel om en ja, natuurlijk willen wij vooroordelen vermijden. Ik heb echter concrete zaken aangegeven in mijn eerste termijn, zoals inspiratiedagen voor werkgevers om ervoor te zorgen dat zij 50-plussers aannemen en de inzet van een ambassadeur ouderwerkloosheid, net zoals bij de jeugdwerkloosheid. Daar gaat de Minister helaas niet op in. Wellicht is het een vooroordeel om daar juist niet op in te gaan, maar de Minister heeft de kans om dit te herstellen in de tweede termijn.

De heer Van Weyenberg (D66): Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn antwoorden. Ik heb niet alles kunnen volgen, maar ik heb mij kort laten informeren. Misschien mis ik iets. Het is altijd onhandig als je een deel van het AO moet missen.

Om te beginnen betreur ik het nog steeds buitengewoon dat de PVV hier schittert door afwezigheid. De PVV heeft de discriminatie namelijk met een aantal uitspraken ondersteund. Wij kunnen nu niet met de PVV in debat gaan over haar opmerkingen. Het is duidelijk dat de PVV een dag voor de Europese verkiezingen onder de tafel vlucht om maar niet te worden aangesproken op haar samenwerking met haar racistische en antisemitische vrienden in Europa. De heer Le Pen heeft weer een aantal stuitende opmerkingen gemaakt over «mijnheer Ebola» die het immigratieprobleem weleens zou kunnen oplossen. Ik begrijp dat de PVV geen verantwoording wil afleggen voor deze buitengewone samenwerking, waarvoor zij zich diep, diep moet schamen.

Ik dank de Minister voor zijn antwoorden. De antwoorden over het Meldpunt Discriminatie Internet vind ik wel wat onbevredigend, want dat is iets wat goed werkt. Helaas worden er op het internet – zoals nu weer blijkt – heel veel uitingen gevonden waarvan je heel treurig wordt. Nu is er een nieuw instituut dat nog niemand weet te vinden. Een gevoel van ongemak bekruipt mij daarbij.

Ik begrijp dat de Minister mijn oproep om in alle cao's afspraken te maken over het tegengaan van discriminatie mooi vindt. Is hij bereid om hierover met de sociale partners in gesprek te gaan en hen op te roepen om dat te doen en die afspraken te maken? Wil de Minister het onderzoek dat in 2010 is gedaan, herhalen? Wil hij bijvoorbeeld in de loop van volgend jaar bekijken hoe het nu eigenlijk staat met de discriminatie in cao's? In hoeverre bevatten de cao's bepalingen daarover?

Tot slot kom ik op de Arbeidsinspectie. Kan de Minister specifiek ingaan op het voorstel dat er bij elke reguliere inspectie, zoals de SER voorstelt, ook bijvoorbeeld wordt gekeken naar loonverschillen? Als ik goed ben geïnformeerd, heb ik nog geen antwoord gekregen op de vraag hoeveel bedrijven nu afspraken hebben gemaakt over de psychosociale arbeidsbelasting, zoals discriminatie. Dat is immers volgens de huidige wet gewoon de norm.

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): Voorzitter. Ik dank de Minister allereerst voor de beantwoording van de vragen. Ik kan het kort houden. Wij zijn blij dat in het onderzoek naar triggerfactoren ook de islamitische levensbeschouwelijke achtergrond wordt meegenomen. Uit verschillende onderzoeken blijkt immers dat die een grote rol speelt bij antisemitisme. Wij wachten dat onderzoek in spanning af.

De heer Pieter Heerma (CDA): De heer Van Klaveren heeft het zowel in de eerste als in de tweede termijn over antisemitisme gehad. Hij heeft ook verwezen naar een eerder debat dat hij aangevraagd heeft toen hij nog lid was van de PVV-fractie. In mijn herinnering is de heer Van Klaveren in die debatten ook veelvuldig aangesproken op de samenwerking met onder andere het Front National en het antisemitisme dat daar welig tiert. Hij heeft die samenwerking in zijn rol als PVV'er moeten verdedigen. Hij zei destijds dat het allemaal wel mee zou vallen. Ik zeg dit in het licht van de uitspraken van de heer Le Pen, waar de heer Van Weyenberg zojuist al naar verwees, namelijk dat het ebolavirus de immigratie uit Afrika zou oplossen. Le Monde maakte daar melding van. Is de heer Van Klaveren op dit moment opgelucht dat hij het antisemitisme en het racisme van die samenwerkingspartner van de PVV niet meer hoeft te verdedigen?

De heer Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren): De samenwerking met het Front National, de FPÖ et cetera is er formeel nog niet. Dat heb ik toen ook al aangegeven. Er is een samenwerkingsverband aanstaande. Ik heb destijds intern samen met enkele anderen ook al aangegeven dat dit wellicht niet de beste optie is voor de PVV. Voor de rest maak ik geen deel meer uit van de fractie van de PVV. In dat opzicht ben ik inderdaad blij dat ik niet mede verantwoordelijk ben voor de samenwerking met antisemitische groepen als bijvoorbeeld de FPÖ.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Ik ben blij met de nadere toelichting die de Minister heeft gegeven over het belang van naming-and-shaming van werkgevers die discrimineren. Ik ben er ook blij mee dat hij heeft toegezegd dat bedrijven die positief bezig zijn, extra in het zonnetje gezet moeten worden. Ik dank hem daarvoor.

De Minister heeft daarnaast aangegeven dat hij het voor een veilig klimaat heel belangrijk vindt dat leraren ondersteund worden en dat dit ook een rol speelt in de lerarenopleiding. Hij geeft daarnaast wel aan dat de nadere invulling daarvan bij zijn collega van Onderwijs komt te liggen. Ditzelfde doet hij bij ethnic profiling. Dat hoort bij zijn collega van het Ministerie van Veiligheid en Justitie thuis. Aan de ene kant kan ik dit wel begrijpen, want je kunt als Minister van Sociale Zaken niet alles doen. Aan de andere kant ben ik ook wel bang dat het dan weer net van de kaart af kan vallen, zeker als ik hoor dat er juist bezuinigd dreigt te worden op expertise bij de politie. Ik wil graag van de Minister horen hoe hij denkt daarmee om te gaan.

Verder heb ik in mijn betoog aandacht besteed aan de rol van politici op het vlak van discriminatie. De Minister gaf aan dat het ontstaan van vooroordelen en van discriminatie vaak een sluipend en onbewust proces is. Ik denk dat uitspraken van bewindslieden daar ook een grote rol bij spelen. Kijk maar naar de uitspraken over ontwrichting. Ten tijde van de Balkanoorlog, toen de aantallen asielzoekers veel hoger waren, zou niemand het in zijn hoofd gehaald hebben om te spreken over ontwrichting. Maar nu gebruiken bewindspersonen van VVD- en PvdA-huize dat soort woorden wel. Ik heb een heel rijtje wetsvoorstellen genoemd die volgens mij ook bijdragen aan een klimaat dat niet vriendelijk is voor mensen van een andere afkomst. Ik zou daar graag nog een reactie op willen hebben, want anders krijg ik de indruk dat de Minister heel goed is in het vooral bespreekbaar maken van problemen, maar dat hij van dit probleem nu juist wegkijkt.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter. Om op dit punt in te haken zonder de woorden van mevrouw Voortman te herhalen: deelt de Minister mijn mening dat een aantal wetten en regels die de regering in de maak heeft of reeds met de Kamer heeft besproken, discriminatoir zijn? Wij hebben het vandaag over discriminatie, een belangrijk onderwerp. Ik ben blij met de acties die de Minister onderneemt. Een aantal daarvan liggen op het terrein van de arbeidsmarktdiscriminatie. Excuses aanvaard, zou ik zeggen. «Zelfs van de SP», zegt de Minister erbij. Ik zou hem willen adviseren om dat vaker te doen. Echt waar, het zou hem op punten verder brengen. Het kan ook best leuk zijn om met de SP samen te werken, maar dat terzijde.

Over de rol van de Arbeidsinspectie zei de Minister na lang duwen en trekken dat individuele onderzoeken de Arbeidsinspectie op andere punten zwakker zouden maken. Betekent dit dat er simpelweg een capaciteitsprobleem is? Zo versta ik dat namelijk.

Kan de Minister mij vertellen wanneer de sociale partners met een concreet voorstel komen voor een diversiteitscharter? Is dat vergelijkbaar met Charter Talent naar de Top en alle initiatieven die daaromtrent worden ontplooid? Klopt het dat ik de Minister hoorde zeggen dat het Rijk een diversiteitsbeleid voert? Zo ja, wat houdt het diversiteitsbeleid dan in? Wat betekent dit in concreto?

De Minister heeft een vraag over de cijfers met betrekking tot registratie, aangifte en vervolging eigenlijk niet echt beantwoord. Kan de Minister ons een analyse toezeggen van de beschikbare cijfers, waarbij naar elke schakel en naar de verbanden tussen de schakels wordt gekeken? Ik zie een aantal heel gekke zaken, maar ik heb nu niet de ruimte om die te bespreken.

Ik ben bang dat ik de Minister heb betrapt op een «mind bug», namelijk ten aanzien van het Meldpunt Discriminatie Internet. Er is een fantastisch werkend meldpunt. Het kabinet hevelt de financiën over naar een nieuwe instantie. In plaats van te zeggen «het is wel raar, want het meldpunt functioneert uitstekend», gaan wij de mensen erop wijzen dat zij hun meldingen bij een ander punt moeten doen. Dat kan volgens mij nooit de bedoeling zijn. Daarop krijg ik graag een reactie van de Minister.

Mevrouw Yücel (PvdA): Voorzitter. Ik dank de Minister hartelijk voor de antwoorden en vooral voor de toezeggingen, bijvoorbeeld die in het kader van de burgerschapsvorming, over de tussenstand waarvan de Kamer een brief zal ontvangen. Verder noem ik de toezegging dat de Minister volgend jaar nadrukkelijk een voortgangsbrief naar de Kamer stuurt over het hele actieplan discriminatie. De Minister heeft ook aangegeven dat het kabinet de feitelijke discriminatie wil blijven monitoren, maar ook de ervaren discriminatie. Ik geef hem nogmaals de suggestie mee om te kijken naar de methode van onderzoek volgens het Vlaamse model als het gaat om vooroordelen onder jongeren. Het betreft antisemitische gedachten, maar ook vooroordelen jegens moslims, vrouwen en ouderen; verschillende doelgroepen dus. Zo'n onderzoek geeft veel inzicht.

Ik heb een aanvullende vraag over de algemene antidiscriminatievoorzieningen, regionaal en lokaal, in aansluiting op de vragen van de heer Mulder. Op dit moment zijn die ADV's te versnipperd en te divers. Ik krijg heel veel signalen en zie ook zelf dat heel veel gemeenten de afgelopen jaren als gevolg van de forse bezuinigingen geconfronteerd zijn met besluiten waardoor zij die taken aan vrijwilligers overlaten of niet meer uitvoeren. Dit terwijl er een motie van ons en de VVD ligt om vooral de regionale aanpak verder uit te breiden. Ik constateer dat de Minister hier inhoudelijk zelf iets aan wil doen door het ontwikkelen van kwaliteitsrichtlijnen, zodat er een meer uniforme en effectieve aanpak komt. Als de Minister hierover met de VNG in gesprek gaat, kan hij dan ook aan de orde stellen hoe het beleid effectiever zichtbaar wordt en dekkend voor andere regio's? Kan hij hierover rapporteren in de voortgangsbrief?

De heer Pieter Heerma (CDA): Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording in eerste termijn. Hij heeft op diverse punten een helder antwoord gegeven. Hij heeft uiteengezet wat de beperkingen en de reikwijdte van de aanpak van discriminatie zijn, in het kader van alleen het strafrecht. Hij heeft daarbij aangegeven waarom hij dat toch wil doen. Ik wacht met spanning af hoe de naming-and-shaming en de ketenaansprakelijkheid worden vormgegeven, want dat is volgens mij nog best een lastige klus.

Ik ben benieuwd hoe en wanneer de Kamer geïnformeerd wordt over de bemiddelende rol van de inspectie, zoals die in de presentatie van de SER aan de Kamer zat, en het contact daarover met het college. De Minister heeft gezegd dat hij daar in tweede termijn op zal terugkomen.

Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd naar het Integratieakkoord Werk dat in het actieplan is benoemd. Volgens mij heeft de Minister daarover in de eerste termijn heel kort iets gezegd, maar mede in het licht van de discussie die wij daarover hadden na de eerdere afwijzing in het integratie-AO, waarin de Minister aangaf dat hij er toch verder mee wil, ben ik benieuwd of de Minister in dit debat in zijn tweede termijn nader kan ingaan op de vraag wat het Integratieakkoord Werk precies inhoudt en hoe dit vorm gaat krijgen.

De heer Anne Mulder (VVD): Voorzitter. Ik heb nog twee opmerkingen. Om te beginnen wil ik mij graag aansluiten bij de vragen van collega Yücel over het zichtbaar maken van de effecten van de regionale aanpak in de voortgangsrapportages.

In de tweede plaats dank ik de Minister voor zijn toezegging om terug te komen op mijn vraag om onderzoek te doen naar de economische nadelen van discriminatie. Als Kamerlid leer je dat je, als de Minister een toezegging doet, hem meteen moet vastpinnen op een datum. Mijn vraag is dus: wanneer gaat de Minister hierop terugkomen? Ik neem aan dat hij in positieve zin hierop terugkomt. Als ik een suggestie mag doen: wellicht kan dit in de begrotingsstukken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Minister Asscher: Voorzitter. Over dat laatste moet ik overleggen met mijn collega van Economische Zaken. Ik zal binnen vier weken schriftelijk laten weten wanneer ik deze toezegging gestand kan doen.

Discriminatie van ouderen komt voort uit stereotypering. De voorlichtingscampagne is daarvoor bedoeld. Daarnaast kunnen er binnen het charter specifieke afspraken worden gemaakt over de arbeidsmarktpositie van ouderen. Dat is de reden waarom ik verder niet op allerlei concrete aanvullende suggesties ben ingegaan. De Kamer kan er echter van overtuigd zijn dat deze discriminatie, die door een kwart van de Nederlanders wordt ervaren, ons net zozeer een doorn in het oog is als alle andere vormen van discriminatie. Juist op dit punt valt veel te verwachten van het wegnemen van vooroordelen.

Wij organiseren al inspiratiedagen voor werkgevers. Er wordt matching georganiseerd. Het gaat beter als werkgevers en potentiële werknemers elkaar ontmoeten. Je ziet dat vooroordelen dan wegsmelten, die misschien nog wel in de weg staan bij het schrijven van de sollicitatiebrief. Ik ben het dus gewoon eens met de heer Klein. Dat wij niet kiezen voor een ambassadeur ouderenwerkloosheid heeft juist te maken met het feit dat ik bang ben dat dit vooroordelen zou bevestigen. Bij jongeren is er een vergelijkbaar probleem, maar met andere oorzaken. Tegen hen bestaat niet het voordeel dat zij te duur zijn, want zij moeten nog aan de bak komen. Er is wel degelijk aandacht voor. Ik hoop dat ik daarmee iets explicieter ben ingegaan op de vragen van de heer Klein, maar als dat niet zo is, komt het wel een keer.

De heer Heerma en mevrouw Karabulut vroegen wanneer de Kamer meer hoort over het vervolg op het SER-advies, de analyse en het programma inzake de samenwerking tussen het College voor de Rechten van de Mens en de inspectie. Het college en de inspectie zijn nu in overleg. Daarna komt er een analyse van wat dit oplevert en van de informatie die zij daaruit krijgen. Die analyse is begin volgend jaar klaar, maar ik zal proberen om in de voortgangsbrief discriminatie, die aan het einde van dit jaar komt, een tussenstand te geven op dat punt. De analyse is een grondig werkstuk, maar de tussenstand in de voortgangsbrief van wat de nadere samenwerking, die osmotische relatie tussen het College voor de Rechten van de Mens en de inspectie, kan opleveren, hoort bij dit algemeen overleg.

De fractie van D66 vroeg hoeveel bedrijven er zijn aangemeld in het kader van psychosociale arbeidsbelasting (PSA). Het afgelopen jaar zijn er elf PSA-klachten in behandeling genomen op het gebied van discriminatie. Zoals aangegeven, gaat het college met de inspectie in overleg over handhaving en het verkrijgen van de juiste informatie. Dat gebeurt risicogestuurd.

De heer Van Weyenberg vroeg hoe wij dan verder gaan in het gesprek met de sociale partners rond de cao-bepalingen op het gebied van het tegengaan van discriminatie.

De heer Van Weyenberg (D66): Ik heb nog een vraag over het vorige punt. Over die elf klachten heb ik ergens in de brief kunnen lezen. Als ik het goed begrijp, hoort elk bedrijf nu al daarover afspraken te maken. Zo luiden de arboregels. Mijn vraag was, of de Minister een indicatie kan geven van het aantal bedrijven dat dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Het is een net iets andere vraag dan die naar het aantal klachten. Er bestaan gewoon regels op het gebied van PSA, die gewoon dingen van bedrijven vragen. Ik dank hem voor het antwoord op de vraag hoe vaak er meldingen zijn gedaan, maar mijn vraag was net iets anders: heeft hij er een beeld van hoeveel bedrijven in de praktijk beleid voeren op deze regels? Als ik het goed begrijp, hoort dat beleid er gewoon al te zijn.

Minister Asscher: Dat hoort zo te zijn. In algemene zin kan ik er niet een antwoord op geven. De wet geldt voor alle bedrijven. Zij moeten zich daar aan houden. Soms kom je er door klachten of algemene inspectie achter dat een bedrijf zich er niet aan houdt. Dan treden wij op. Ik heb echter geen meer algemeen beeld van de naleving van artikel 8 van de Arbowet.

D66 en de SP vroegen naar de rol van de inspectie rond loonverschillen. Ik had een debat met mevrouw Karabulut over individuele gevallen. Daarover heb ik het nodige gezegd. Het capaciteitsvraagstuk is aan de orde gesteld. Welnu, bij arbo en PSA komt er meer inzet van de inspectie. Bij iedere inspectie kijken naar specifieke loonverschillen en het beleid, zoals de heer Van Weyenberg suggereerde, is op dit moment niet haalbaar. Het is ook maar de vraag of je dat zou moeten willen. Dit veronderstelt namelijk dat het bij alle inspecties nuttig zou zijn om hiernaar te kijken. De Arbeidsinspectie moet roeien met de riemen die men heeft. Er is weer meer capaciteit bij de inspectie, maar er is nooit genoeg capaciteit om alles te doen wat je eventueel zou willen. Wij proberen de inspectie steeds slimmer te maken en te laten samenwerken met de Belastingdienst, UWV en overheden, zodat men risicogestuurd werkt en de pakkans vergroot wordt. In dat licht is het niet verstandig om de inspectie op te dragen om bij alle inspecties bij alle bedrijven alle onderdelen op de lijst te laten afvinken. Het is effectiever om de inspectie risicogestuurd in te zetten. Om dat beter te kunnen doen, vindt de nadere analyse plaats, ook van de informatie van het College voor de Rechten van de Mens.

Wij gaan zeker in gesprek met de sociale partners over de cao-bepalingen. De sociale partners zijn nu aan zet en hebben aangegeven dat zij daar nu snel mee zullen komen. De SER heeft een oproep gedaan om tot cao-afspraken te komen. Ik ben bereid daar onderzoek naar te doen en volgend jaar het onderzoek uit 2010 te herhalen. Dat was een concreet verzoek van de heer Van Weyenberg.

Dan kom ik op de rol van politici rond uitlatingen en op de rol en de verantwoordelijkheid van politici bij het beïnvloeden van de beeldvorming en het ontstaan van vooroordelen. Er is een grote verantwoordelijkheid voor iedereen die meedoet aan het maatschappelijke debat, zeker ook voor politici. Ik neem die verantwoordelijkheid zeer serieus voor zover het mijzelf betreft. Dat betreft ook het reageren op uitspraken van anderen. Ik kan echter die verantwoordelijkheid nooit van andere politici overnemen. Kamerleden hebben gelukkig een heel ruime uitingsvrijheid. Als zij daarvan gebruikmaken, kun je daarop reageren door helder stelling te nemen. Dat doet de regering ook. Maar je kunt ze die vrijheid niet ontnemen en dat moet je ook niet willen.

Het is ook belangrijk om altijd scherp onderscheid te blijven maken tussen het benoemen van problemen, in de hoop die problemen op te lossen, ook als dat onaangename waarheden bevat, en het bijdragen aan haat en discriminatie. Dat onderscheid moeten wij maken, want anders krijg je dat mensen bang zijn om aan het debat deel te nemen. Die tijd hebben wij ook achter ons gelaten. Als je kijkt naar het integratiedebat van de afgelopen jaren, dan zie je dat het eerst moeilijk was om problemen te benoemen. Men volstond met het benoemen van de problemen en klopte zich daarvoor op de eigen borst of schouder. Nu moeten wij wat mij betreft toe naar een fase waarin we problemen blijven benoemen en elkaar ook aanspreken op haat zaaien en discrimineren, maar waarin we vooral overgaan tot de vraag hoe wij problemen effectief kunnen oplossen. Een van de problemen in onze samenleving is discriminatie en racisme. Daarover spreken wij vandaag. Het actieplan voor de arbeidsmarkt is ervoor bedoeld om het probleem ook vanuit de overheid op te lossen. Is het daarmee morgen weg? Nee, want vooroordelen blijven bestaan. Ze verdwijnen doordat je elkaar ontmoet en doordat je ervaringen deelt.

Het is van groot belang dat de overheid zich daarvoor inzet, maar ik heb niet de neiging om mee te gaan in de vraag van GroenLinks, namelijk of het op zichzelf al niet discriminerend of haat zaaiend is als je wilt dat mensen de taal leren. Dat ben ik gewoon niet met mevrouw Voortman eens. Ik vind dat daarin een suggestie zit die eigenlijk niet verstandig is. Je kunt erover van mening verschillen, en zeggen: het gaat te ver of het kabinet is te veeleisend. Prima, in een normaal debat kun je dat doen. Ik zou echter niet de uitspraak voor mijn rekening willen nemen dat het kabinet daarmee haat zaait en discriminatie bevordert. Dat vind ik een heel vergaande aantijging. Ik verwacht dan ook dat mevrouw Voortman die aantijging ook niet wil doen. Om die reden zeg ik: laten wij alsjeblieft de problemen blijven benoemen en laten wij, ieder vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid, ons ervoor inzetten dat wij dit zorgvuldig doen, met inachtneming van het feit dat elk individu recht heeft op individuele behandeling, in plaats van behandeling op grond van zijn of haar groepslidmaatschap. Laten wij haatzaaiende meningen niet verbieden, maar bestrijden in het publieke debat. Ik vind het een heel mooie constatering uit twee termijnen dat er zeer brede steun is vanuit de Kamer voor de aanpak van de discriminatie op de arbeidsmarkt en voor het actieplan. Daardoor, en met de vragen die zijn gesteld, voel ik mij zeer gesteund door de Kamer om er met volle kracht mee door te gaan.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik heb niet gezegd dat mensen geen Nederlands zouden moeten leren. Integendeel, daar is GroenLinks altijd een groot voorstander van geweest. Overheden hebben middelen om dat te bewerkstelligen. Daarom is het wettelijk regelen van «geen Nederlands, geen bijstand» symboolwetgeving. Dat is waar ik bezwaar tegen maak: dat het klimaat geleidelijk aan is veranderd. Van een klimaat waarin wij het vanzelfsprekend vonden om mensen die voor oorlog en geweld vluchtten op te vangen – tot en met de VVD vonden wij dat logisch – in een klimaat waarin wij miezemuizen over 250 Syrische vluchtelingen. Die verandering van het klimaat is er wel degelijk geweest. Ik zou willen dat deze Minister zich daarover een oordeel vormt. Dat zou volgens mij echt werken, want die verandering, die door politici is bewerkstelligd, maakt dat er een klimaat is ontstaan waarin vooroordelen ontstaan. Dan kun je heel mooie voorstellen doen om discriminatie aan te pakken – en dat is terecht – maar je moet ook werken aan de vooroordelen. Dat is volgens mij de wortel van het probleem en daarin spelen politici ook een rol.

Minister Asscher: Ik ben ingegaan op de rol van politici. Voor de goede orde: dit kabinet is er voorstander van om vluchtelingen op te vangen. Het is er voorstander van dat Nederland zijn rol speelt in het internationale verkeer. Dan kan het de opvatting van de ene partij zijn over de andere partij dat die andere partij miezemuist over aantallen vluchtelingen. Dat is allemaal prima, maar wij hebben het over racisme en discriminatie. Ik vind dat je elkaar daarvan niet te snel moet beschuldigen. In feite beschuldigt mevrouw Voorman nu andere partijen in de Kamer ervan dat zij, omdat zij het debat willen voeren over het aantal vluchtelingen dat Nederland wil opnemen, bijdragen aan een discriminerend klimaat. Dat laat ik graag voor haar rekening. Ik voel mij daar helemaal niet prettig bij. Wij weten dat mensen meer kansen op de arbeidsmarkt hebben als zij Nederlands spreken. Als je ze dan wilt helpen om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt, vraag je ze om zich ervoor in te zetten om Nederlands te leren. Om dat nu op één lijn te zetten met het bijdragen aan een klimaat van discriminatie vind ik – opnieuw – een vergezochte constructie, die ik graag voor rekening van mevrouw Voortman laat.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Ik weet niet of de Minister mij niet begrijpt of dat hij mij niet wil begrijpen. Ik geef aan dat «geen Nederlands, geen bijstand» een voorbeeld is van symboolwetgeving. In een interruptie met mevrouw Yücel heb ik zojuist een reeks wetsvoorstellen genoemd die bijdragen aan een verandering van het klimaat. Ik zeg niet dat dit kabinet racistisch is, maar ik denk wel dat het kabinet door deze zogenaamd flinke voorstellen bijdraagt aan een klimaat waarin het gewoner wordt om vooroordelen te ventileren. Dat vind ik heel erg jammer. Ik vind het ook heel jammer dat de Minister daaraan voorbijgaat en dat hij er niet op ingaat.

Minister Asscher: Er wordt veel gesproken over framing en over etiketten plakken. Ik ben er ook dol op en het hoort bij het politieke handwerk. Mevrouw Voortman noem er drie in één zin: symboolwetgeving, stoer en bijdragen aan een negatief klimaat. Dat zijn er drie voor de prijs van één. Dat vind ik allemaal prima en dat moeten partijen doen. De vraag die mij werd gesteld, is wat de rol van politici is. Daar ben ik op ingegaan. Ziet het kabinet erop toe dat het zich in de voorstellen die het doet houdt aan zijn eigen beginselen, in de trant van «practice what you preach»? Zeker! Wij toetsen onze voorstellen vanzelfsprekend aan onze beginselen. Wij hebbend de Raad van State die daarover adviseert. Voor de rest is alles toegestaan in het debat, waarbij de partijen elkaar kunnen bestrijden over de vraag of zij een wetsvoorstel wel of niet goed vinden. Mijn betoog ging er niet over of ik mevrouw Voortman had begrepen of niet. Discriminatie en racisme zijn ernstige feiten. Het is een ernstig maatschappelijk probleem, waar heel veel mensen last van hebben. Zij voelen zich daardoor tot in hun ziel gekwetst. Ik deed de oproep om dit even los te zien van de etikettenplakkerij met betrekking tot wetsvoorstel X of Y.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik heb niet voor niets aan de Minister gevraagd of hij mijn mening deelt dat een aantal regels en wetten die zijn voorgesteld of in voorbereiding zijn, discriminatoir zijn.

Minister Asscher: Het antwoord is nee.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik begrijp wel dat de Minister zich hier ongemakkelijk bij voelt en mevrouw Voortman op haar toon of haar vraag aanspreekt, maar de realiteit is wel dat dit kabinet met bepaalde wetten en regels komt. De Minister zou als politicus zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen en kritisch durven kijken naar zijn eigen beleid en naar het kabinetsbeleid, waar ook hij voor staat. Dat is vervelend, maar als de Minister zegt dat het kabinet het geen probleem vindt om vluchtelingen op te nemen, zou ik hem willen verzoeken om eens wat vaker naar Staatssecretaris Teeven te luisteren, die vluchtelingen an sich en de stroom vluchtelingen problematiseert. Op het moment dat je dat doet, ben je bezig met het scheppen van een bepaald klimaat en inderdaad met het voeden van vooroordelen. Dat draagt ook bij aan het geheel. Wij hoeven het niet alleen te hebben over de PVV, maar ook over onszelf.

Minister Asscher: Het antwoord op de vraag van mevrouw Karabulut is nee.

Ik ga door met de vraag van mevrouw Voortman.

Mevrouw Yücel (PvdA): De Minister is duidelijk in zijn beantwoording op de vraag van GroenLinks. Het is belangrijk om problemen te benoemen, met oplossingen te komen en niet te discrimineren. Daar is de Minister helder in. Dat is ook voor de Partij van de Arbeid het uitgangspunt. De suggestie die GroenLinks wekt, neigt naar een soort betuttelracisme, waar wij ook tegen moeten waken, zeg ik tegen mevrouw Voortman, als het gaat om het benoemen van problemen.

De voorzitter: Mevrouw Yücel, wij zijn bezig met de beantwoording door de Minister in tweede termijn. Vragen kunnen worden gesteld aan de Minister. Een onderling debat had u in de vorige termijn moeten voeren.

Mevrouw Yücel (PvdA): Ik weet het, maar dit is nu even essentieel: is de Minister het met mij eens dat wij maatschappelijke problemen altijd, ongeacht kleur, afkomst, sekse of geaardheid, in een ontspannen sfeer moeten kunnen benoemen, waarbij wij naar oplossingen zoeken? Is hij het met mij eens dat wij bevolkingsgroepen of bepaalde specifieke groepen in onze samenleving niet als bij voorbaat zielig moeten aanmerken en de problemen niet moeten negeren en ervan wegkijken?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter ...

De voorzitter: Volgens mij is de vraag aan de Minister gesteld. Als u een persoonlijk feit wilt stellen, kunt dat doen. Maar wij gaan niet een uitgebreid onderling debat voeren.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dan wil ik een persoonlijk feit stellen. Ik vind de manier waarop mevrouw Yücel mijn kritiek op het kabinetsbeleid samenvat te bizar voor woorden. Er klopt geen biet van en het bewijst dat ook mevrouw Yücel absoluut niet heeft begrepen wat nu de portee was van de opmerking die ik heb gemaakt.

De voorzitter: U hebt uw persoonlijk feit gesteld en dat is uw goed recht. Ik heb u daarvoor de gelegenheid gegeven. Het woord is nu aan de Minister om antwoord te geven op de vraag.

Minister Asscher: Nogmaals: ik ben het met mevrouw Voortman en mevrouw Yücel eens dat er een enorme taak ligt, ook voor politici, om racisme en discriminatie te bestrijden. Ik houd mij daar ook mee bezig. De Kamer heeft dat kunnen zien en wij gaan daar ook mee door. Ik had de vraag van mevrouw Voortman wel begrepen, maar wil er niet aan meewerken om de wetgeving te bestempelen als bijdragend aan een racistisch klimaat. Daar wens ik niet aan mee te werken en daar heb ik zojuist het debat met haar over gevoerd. Ik heb ook aangegeven dat ik het belangrijk vind om heel fel en scherp te zijn tegen racisme en discriminatie, maar dat dit er niet toe moet leiden dat wij bestaande problemen onbenoemd laten. Dat is niet in het belang van wie dan ook.

Mevrouw Karabulut wil nu interrumperen, maar dit is een prettig moment in mijn betoog waarop ik over mijn eigen tekst ga.

Mevrouw Karabulut (SP): Ik vraag om een concreet voorbeeld. Wie van de partijen hier laat problemen onbenoemd? Daar ben ik nieuwsgierig naar.

De voorzitter: Ik had u niet het woord gegeven, dus de Minister vervolgt zijn betoog. Hij is aan het antwoorden op de vraag van mevrouw Yücel. Ik zou het op prijs stellen als u daar niet doorheen praat.

Minister Asscher: Ik zie aan de nieuwsgierige gezichten van mevrouw Karabulut en mevrouw Voorman dat zij er behoefte aan hebben om dit debat nog verder voort te zetten. Ik geloof dat ik die kans maar laat lopen. Ik heb gezegd wat ik te zeggen heb over de rol van politici, over het belang van het onderwerp en over onze gezamenlijke opdracht om zuiver onderscheid te blijven maken tussen racisme en discriminatie en het benoemen van problemen, met het oog op de oplossing daarvan.

Mevrouw Voortman vroeg ook of ik de fractie van GroenLinks kan geruststellen over de vraag of de collega's vanuit hun verantwoordelijkheid voldoende blijven bijdragen aan de strijd tegen discriminatie. Ik spreek hen aan op die gezamenlijke onderwerpen. Of het nu gaat om Opstelten, Dekker of andere collega's: zij hebben hun eigen verantwoordelijkheid voor hun werkveld, maar het is een gemeenschappelijke missie van het kabinet om hieraan iets te doen. Ik zal daarmee doorgaan en ik zal het in de gaten houden.

Er is gevraagd of ik bereid ben tot een analyse van de gegevens en de cijfers met betrekking tot aangifte, registratie en vervolging. Het antwoord is ja. Ik zal daarnaar kijken in overleg met Veiligheid en Justitie.

Mevrouw Karabulut vroeg of de overgang van het MDI naar het MiND wel verstandig is. Daarover hebben wij het een en ander gezegd. Het besluit is genomen. Mevrouw Karabulut vindt van niet, maar ik denk dat het prima kan werken. De keuze is destijds gemaakt uit efficiencyoverwegingen en ik heb er alle vertrouwen in dat ook MiND goed zal gaan werken. Het meldpunt verkeert nog in de opbouwfase, dat is waar.

Mevrouw Karabulut (SP): Kan de Minister mij de logica hiervan uitleggen? Op ministerieel niveau of door ambtenaren zijn er een aantal besluiten genomen qua potjes en weet ik veel wat, maar de praktijk is nu dat de klachten ruimschoots binnenkomen bij het MDI. Dit wordt internationaal geroemd en Nederland wordt als land om die reden geroemd. De Minister zegt: er is nu eenmaal een financieel besluit genomen, ik ga het geld aan een ander meldpunt geven en de mensen moeten zich daar maar melden. Dat is toch niet logisch? Is de Minister bereid daar nog eens naar te kijken?

Minister Asscher: Destijds is een aantal meldpunten samengevoegd in MiND, niet alleen het Meldpunt Discriminatie Internet. Ik ben niet bereid om er nog eens naar te kijken. Ik wil er nu juist een succes van maken. Daar is de campagne op gericht.

Er is een vraag gesteld over etnisch profileren. Ik heb niet alleen gezegd dat dit bij Opstelten ligt; ik heb ook gezegd dat het kabinet dit afkeurt. Dat heeft Opstelten zelf al in november gezegd. Het is een kabinetsstandpunt en hij komt daar dit voorjaar op terug. Ja, ik heb er vertrouwen in dat hij waar nodig maatregelen zal nemen, omdat het kabinet dit afkeurt. Hij heeft mij verzekerd dat de taken van het expertisecentrum worden geborgd. Dat zijn denk ik de belangrijke zaken voor deze commissie.

Uit de evaluatie van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen uit 2012 bleek dat de uitvoering van de twee wettelijke taken, te weten registratie en bijstand, gebeurt conform de middelen die gemeenten per inwoner uit het Gemeentefonds krijgen. Zij doen dat dus netjes. Wel is het zo dat sommige gemeenten er veel meer werk van maken dan andere. Dat hebben wij hier ook weleens besproken in het kader van de evaluatie uit 2012. In het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie heb ik toegezegd de actieve aanpak hiervan onder gemeenten te bevorderen. Dit betekent dat je gemeenten wijst op het goede voorbeeld van de buren. De komende jaren gaan gemeenten op allerlei punten nauwer met elkaar samenwerken. Dit ligt hierbij zeer voor de hand. Ik zeg toe dat ik in de voortgangsbrief zal rapporteren over de kwaliteitsrichtlijnen voor de antidiscriminatievoorzieningen. Ik zal daarop terugkomen in de voortgangsbrief die voorzien is voor het einde van dit jaar.

Is het diversiteitscharter vergelijkbaar met «Talent to the top»? Zeker, maar het is breder, want het moet alle mogelijke vormen van inclusiviteit bevatten: cultureel, vrouwen, ouderen en wat dies meer zij. De sociale partners hebben aangegeven, dit te zullen oppakken. Zij lijken van plan te zijn dit te doen en willen het voortvarend doen. Het Rijk zal daar als werkgever aan meedoen.

Dan kom ik op de regionale aanpak. Dat punt werd opgebracht door mevrouw Yücel en de heer Mulder. Ik zal aandacht besteden aan de uniformiteit. Er zal zeker uitwisseling zijn tussen de ADV's. Ik zei al dat er een regionaal overleg is. Ik zal dat ook laten terugkomen in de rapportage.

De heer Heerma vroeg naar het Integratieakkoord Werk. Ik heb het nooit afgewezen. Ik heb het stiefmoederlijk bedeeld in eerdere reacties, maar nooit afgewezen, want ik ben er niet tegen. Het was meer vanuit het idee dat je moet onderbeloven en overpresteren dat ik er zo terughoudend op heb gereageerd. Je moet niet te snel een akkoord aankondigen dat er nog niet is. Ik ben er echter niet op tegen, integendeel. Op 12 maart hebben wij in het AO Integratie gesproken over de intentie om zo'n akkoord te sluiten, ook naar aanleiding van het eerder hier besproken SCP-rapport. Er wordt op dit moment aan gewerkt, met betrekking tot taal en werk. Dat zijn de twee onderwerpen die de heer Heerma eerder heeft genoemd. De inzet is: eerst afspraken maken met de kopgroep van bedrijven, die uit eigen beweging bereid zijn om wat te betekenen in het slechten van barrières voor de toegang tot de arbeidsmarkt. Er moet worden gekeken naar uitbreiding van initiatieven die aantoonbaar succes hebben op dat punt. Vervolgens is aansluiting van sociale partners, gemeenten en brancheorganisaties gewenst. Dus ja, op die manier wil ik graag doorgaan met het Integratieakkoord Werk. Naar aanleiding van onze eerdere debatten daarover richt ik mij nu op taal en op werk om te komen tot dat soort akkoorden. Ik probeer nog steeds bescheiden te zijn in de verwachtingen die ik wek. Maar dat doet niets af aan de waardering die ik heb voor het idee en voor de energie die in het initiatief wordt gestoken.

De heer Pieter Heerma (CDA): De start van de Minister is inderdaad terecht. Ik had mij niet zorgvuldig genoeg uitgelaten; hij had het niet afgewezen, maar was er in een eerdere schriftelijke reactie wel heel summier over. Dat is in het debat van 12 maart rechtgezet. Ik ben blij dat het nu op de aangegeven manier wordt opgepikt en ik ben ook blij met de toelichting van de Minister. Op welke termijn zal er, met «underpromise and overachieve» meer over te melden zijn?

Minister Asscher: Ik zal er na de zomer, in september, een tussenstand van geven.

De voorzitter: Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van de tweede termijn. Speciaal tegen de heer Mulder, die hier kennelijk voor het eerst bij een debat is, zeg ik dat wij hier de gewoonte hebben om alle toezeggingen nog even met elkaar door te nemen, plus de data, zodat ze voor alle leden duidelijk zijn.

Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter...

De voorzitter: Heel kort, mevrouw Karabulut. Alleen een vraag en niet een heel betoog. U hebt al heel veel interrupties gehad.

Mevrouw Karabulut (SP): U kent mij voorzitter.

De voorzitter: Ik ken u inderdaad. Ga uw gang.

Mevrouw Karabulut (SP): De Minister zei in zijn eerste termijn dat het Rijk een diversiteitsbeleid voert. Ik vroeg wat dit inhoudt. Kan de Minister die vraag nog beantwoorden?

Het actieplan bevat enorm veel acties. Is de Minister voornemens, de Kamer een planning van de uitwerking van al deze acties te doen toekomen?

De voorzitter: Volgens mij zijn dat twee vragen. Kan de Minister deze nu beantwoorden?

Minister Asscher: In de bijlage zit een planning voor de acties.

Het diversiteitsbeleid van het Rijk ressorteert onder Minister Blok, de Minister voor Wonen en Rijksdienst. Het algemene uitgangspunt is dat wij diversiteit willen in het personeelsbeleid. Je ziet dat in sommige concrete dingen ook terug, denk aan het percentage vrouwen aan de top. Wij gaan meepraten over de totstandkoming van dit charter. Daar kan het Rijk dan ook aan meedoen. Ook op dit punt kunnen wij onze ambities dan nader invullen.

De voorzitter: De Minister heeft de volgende toezeggingen gedaan.

In de voortgangsbrief discriminatie van eind 2014 komt de Minister terug op het overleg tussen de Inspectie SZW en het College voor de Rechten van de Mens over de vraag hoe zij elkaar kunnen versterken, en op antidiscriminatiemaatregelen van de gemeenten. In dit overleg is expliciet toegezegd dat dit in die brief zal zitten.

Minister Asscher: Ik zal in de voortgangsbrief een tussenstand geven van de gesprekken, de onderhandelingen, tussen de inspectie en het college. De analyse zelf komt begin 2015. De voortgangsbrief komt eind 2014.

De voorzitter: Binnen vier weken informeert de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, samen met de collega van Economische Zaken, de Kamer over hoe hij terugkomt op de vraag wat de negatieve economische effecten van discriminatie zijn. Dit is een toezegging naar aanleiding van het verzoek van de heer Mulder aan de Minister om hiernaar onderzoek te doen.

Na de zomer, voor 15 oktober 2014, stuurt de Minister de Kamer een tussenstand over de invulling burgerschap en onderwijs.

De Minister zal voor 2016 de monitor over antidiscriminatiebepalingen in cao's hernieuwen en de Kamer daarover informeren.

In samenwerking met zijn collega van Veiligheid en Justitie komt de Minister terug op de cijfers over aangiftes. Dit zal gebeuren in de voortgangsbrief discriminatie die voor eind 2014 is toegezegd.

Voor 1 oktober 2014 komt de Minister terug op de voortgang van de uitwerking van een integratieakkoord werk.

Voor de mensen die dit debat volgen: toezeggingen zijn schriftelijke terugkoppelingen aan de Kamer, geen zaken die hier in het debat zijn toegezegd.

Mevrouw Karabulut, hebt u een toezegging gemist?

Mevrouw Karabulut (SP): Nee, maar ik wil u wel verzoeken om een VAO aan te vragen.

De voorzitter: Mevrouw Karabulut vraagt alsnog een VAO aan, aldus besloten.

Ik dank de Minister en zijn staf, de Kamerleden en alle belangstellenden.

Sluiting 12:53 uur.