Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201430950 nr. 68

30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 68 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 januari 2014

Hierbij bied ik u mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Veiligheid en Justitie, en de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het onderzoek naar ervaren discriminatie in Nederland aan1. Dit onderzoek is in mijn opdracht verricht en uitgevoerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Discriminatie in Nederland

Er is in Nederland te veel en te vaak sprake van discriminatie, racisme en ongelijke behandeling. Het kabinet wil er alles aan doen om deze ongewenste verschijnselen te bestrijden. Een belangrijke stap in het tegengaan van discriminatie is het inzichtelijk maken van de discriminatie en van ervaringen van discriminatie in de samenleving.

In de Voortgangsbrief Discriminatie 2013 die op 23 december jl. aan uw Kamer is verstuurd2, bent u geïnformeerd over de meldingen en aangiften van discriminatie bij antidiscriminatievoorzieningen, politie en OM. Het SCP-onderzoek vult dit beeld aan met gegevens over de ervaren discriminatie en biedt inzicht in de mate waarin mensen te maken krijgen met gebeurtenissen, die zij als discriminatoir ervaren en de negatieve gevolgen daarvan voor het handelen van mensen. Het perspectief van mensen op hun ervaringen en hetgeen zij zelf als discriminatie voelen en benoemen staat in dit onderzoek centraal. Het gaat bij ervaren discriminatie niet om feitelijk vastgestelde discriminatie. Hoewel niet in alle gevallen van ervaren discriminatie ook sprake hoeft te zijn van feitelijke discriminatie, laat het onderzoek zien wat de impact kan zijn op iemands persoonlijke leven, wanneer mensen zich afgewezen voelen op basis van hun etniciteit, seksuele gerichtheid of een handicap, hun leeftijd of geslacht. Alleen al het gevoel niet als volwaardig of als gelijke te worden gezien is bijzonder kwetsend. Het is onacceptabel als mensen door dit soort ervaringen afhaken in bijvoorbeeld het onderwijs of op de arbeidsmarkt. Daarom is van belang te achterhalen wat de oorzaken zijn van de ervaren discriminatie en degenen die zich (mogelijk) schuldig maken aan discriminatie erop aan te spreken, en mensen die zich gediscrimineerd voelen te stimuleren om te blijven participeren, hun opleiding af te maken, te blijven werken of om eventueel betere ontplooiings-mogelijkheden te zoeken.

Uitkomsten SCP-onderzoek

Het SCP-onderzoek kent een brede benadering en heeft betrekking op verschil-lende discriminatiegronden (leeftijd, religie, geslacht, etnische herkomst, ras, handicap en seksuele gerichtheid) en terreinen waar discriminatie is ervaren (de openbare ruimte, in het contact met instanties, op de arbeidsmarkt en in het onderwijs). Er is gevraagd naar verschillende uitingen: van negatieve bejegening (schelden, pesten en onvriendelijke behandeling) tot bedreiging en geweld. Het onderzoek is gebaseerd op een vragenlijst die door ruim 11.600 personen is ingevuld.3

Het beeld dat uit dit onderzoek naar voren komt, laat zich niet in een enkele conclusie samenvatten. Vooral de hoge ervaren discriminatie onder migrantengroepen en de ervaren leeftijdsdiscriminatie ten aanzien van 45-plussers springen in het oog. De bevindingen uit het SCP-onderzoek geven op hoofdlijnen het volgende beeld:

  • Uit het rapport blijkt dat een kwart van de Nederlandse bevolking in het jaar voorafgaand aan het onderzoek discriminatie heeft ervaren.

  • Leeftijdsdiscriminatie (10% van de bevolking) en discriminatie naar etnische herkomst (8%) zijn de meest ervaren discriminatiegronden.

  • Eén op de vijf autochtonen ervaart discriminatie vooral op grond van de leeftijd en de helft tot tweederde van migrantengroepen op grond van etniciteit, ras of religie.

  • Groepen die veel discriminatie ervaren zijn personen van 45 jaar en ouder, en personen van Antilliaanse, Marokkaanse, Surinaamse en Turkse afkomst.

  • Discriminatie wordt het meest ervaren bij het zoeken naar werk en in de openbare ruimte. Marokkaanse en Turkse Nederlanders ervaren drie tot vier keer zo vaak discriminatie bij het zoeken naar werk als autochtonen; bij Antillianen, Oost-Europeanen en Surinamers is dit twee tot drie keer zoveel ten opzichte van autochtonen.

  • De gevolgen van ervaren discriminatie op het terrein van arbeid laten zich vooral voelen in de werkbeleving en motivatie. Ook in het onderwijs zijn gevolgen te onderscheiden van ervaren discriminatie op motivatie, verzuim en welbevinden. Zowel op de arbeidsmarkt als in het onderwijs zijn er ook gevolgen aan te wijzen waar het de participatie betreft (afhaken, ander werk moeten zoeken of een andere opleiding moeten gaan volgen).

  • Vooral personen met een Marokkaanse en Turkse achtergrond melden discriminatie-ervaring in contacten met de politie.

  • Een aanzienlijk deel van de LHB-ers (lesbische, homoseksuele en biseksuele mensen) ervaart discriminatie op grond van hun seksuele gerichtheid in de publieke ruimte. (Het beleid ten aanzien van deze groepen is in de Hoofdlijnenbrief Emancipatie verwoord.4)

  • Het meldingspercentage van ervaren discriminatie varieert sterk per terrein, maar slechts een klein deel wordt gemeld; het minst bij het zoeken naar werk en het vaakst in het onderwijs.

  • Het onderzoek van het SCP geeft helaas geen beeld van de mate waarin Joden in Nederland discriminatie ervaren. Dat was wel uitdrukkelijk wel de bedoeling. Ik vind het te betreuren dat dit niet boven water is gekomen met dit onderzoek. Voor een uitleg hierover verwijs ik naar de Methodologische verantwoording van het SCP-rapport.

Aanpak kabinet

Iedereen heeft het recht om als individu beoordeeld te worden op grond van eigen keuzen, talenten en verantwoordelijkheden. Dat is een gezamenlijke verantwoor-delijkheid van de samenleving en een fundamenteel uitgangspunt van de Nederlandse rechtsstaat. Het is onacceptabel als mensen worden afgewezen voor een baan op discriminatoire gronden, niet in aanmerking komen voor een stageplek of vijandig worden bejegend op grond van hun etniciteit, ras, religie of herkomst.

Met de Voortgangsbrief Discriminatie 20135 is uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen van het kabinet ter versterking van de lokale en strafrechtelijke aanpak van discriminatie en de bestrijding van discriminatie op diverse terreinen en specifieke gronden. Over de maatregelen gericht op het terugdringen van antisemitisme bent u per brief geïnformeerd op 16 januari 2014. Om meer inzicht te krijgen op de context waarbinnen jongeren antisemitische opvattingen opdoen en de achterliggende factoren van antisemitisme, heb ik uw Kamer reeds toegezegd een onderzoek te laten uitvoeren naar de achterliggende oorzaken van antisemitisme. De aanpak van discriminatie in het onderwijs komt terug in verschillende beleidsbrieven en plannen, zoals het plan van aanpak tegen pesten en de visie op burgerschap in het onderwijs. De bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben de Stichting School en Veiligheid gevraagd een inventarisatie te maken van de manieren waarop lerarenopleidingen en pabo’s aandacht besteden aan sociale veiligheid (waaronder het omgaan met discriminatie). Daarnaast zal onderzoek worden uitgevoerd in het basis- en voortgezet onderwijs naar de aandacht voor de Holocaust en het bestrijden van discriminatie. Een grotere bewustwording ten aanzien van discriminatie is van cruciaal belang voor de bestrijding van discriminatie. Zoals ook in de Voortgangsbrief vermeld zal hieraan met een landelijke campagne invulling worden gegeven.

Het is van groot belang dat mensen blijven melden en aangifte doen van discriminatie-ervaringen, en dat die meldingen met zorg worden afgehandeld. Het monitoren van discriminatie is nodig om inzichtelijk te maken waar discriminatie zich voordoet, ook al kan niet altijd met zekerheid een verklaring geven worden voor de cijfers die hiermee worden gegenereerd. Ik zal met mijn collega’s van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Veiligheid en Justitie, en betrokken instanties zoals antidiscriminatiebureaus en het College voor de Rechten van de Mens, bezien hoe de kennis over het melden van discriminatie kan worden verbeterd, bijvoorbeeld in de vorm van een handreiking. Een dergelijke handreiking met informatie over het melden van discriminatie kan de meldingsbereidheid van mensen bevorderen.

De hoge ervaren discriminatie door migrantengroepen die blijkt uit het SCP-rapport is in lijn met eerder onderzoek en maatschappelijke trends, die duiden op een maatschappelijk klimaat waarin migranten zich minder geaccepteerd voelen in Nederland.6 Eens te meer wijst het SCP-rapport op het belang van aandacht voor de toegenomen diversiteit in de samenleving en het belang voor iedereen om daarmee te kunnen omgaan. In mei 2014 wordt het Diversiteitshandvest gelan-ceerd door het landelijk samenwerkingsverband van minderhedenorganisaties (LOM). Doel van het Diversiteitshandvest is aandacht te genereren voor gelijke behandeling en diversiteit op de arbeidsmarkt en door binding van werkgevers aan dit handvest. Dit is een belangwekkend initiatief dat reeds in een groot aantal landen navolging vindt, en dat ik van harte ondersteun.

Ik ben bezig met een verkenning naar mogelijke maatregelen gericht op het voorkomen en bestrijden van arbeidsdiscriminatie. Hierover ben ik in gesprek met verschillende partijen en ervaringsdeskundigen. Ik zal bij de ontwikkeling van een concrete aanpak gebruik maken van het advies dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad (SER) over het voorkomen en tegengaan van discriminatie op de arbeids-markt. Dit advies wordt in het voorjaar van 2014 verwacht. Over de uitkomsten van het advies en de reactie daarop wordt u zo spoedig mogelijk na het verschijnen van het advies geïnformeerd.

Op 14 november jl. heeft de Minister van Veiligheid en Justitie aan uw Kamer een brief gestuurd naar aanleiding van het rapport van Amnesty International over pro-actief politieoptreden en etnisch profileren7. In de brief is ook lopend onderzoek op dit terrein vermeld in de gemeente Den Haag. Over de resultaten van dat onderzoek en van nader overleg met betrokken partijen zal de Minister van Veiligheid en Justitie uw Kamer informeren met een brief in het voorjaar van 2014. In deze brief zal de Minister van Veiligheid en Justitie ook aangeven of hij aanvullend onderzoek nodig acht en welke (aanvullende) maatregelen hij zal treffen om etnisch profileren tegen te gaan.

De oplossingen om ervaren negatieve bejegening, discriminatie en racisme tegen te gaan zijn niet eenvoudig. Het gaat immers over iedereen, over ieders ideeën en over ieders eigen gevoelens. Ik verwacht van collega’s, van werkgevers, van buurtgenoten en van ieder een inzet in situaties waarin discriminatie mogelijk een rol speelt. Wegkijken, bagatelliseren of negeren maken het probleem eerder groter omdat slachtoffers zich na te zijn gediscrimineerd ook nog eens niet gesteund voelen. Het kabinet maakt zich hard voor de aanpak van discriminatie. De wijze waarop wij ons allen voor deze zaak willen blijven inzetten, bepaalt in hoge mate de kwaliteit van onze samenleving.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Kamerstuk 30 950, nr. 63.

X Noot
3

Het SCP wijst erop dat er mogelijk sprake is van enige selectiviteit in de respons. Dit is het geval wanneer mensen die zelf discriminatie hebben meegemaakt vaker hebben meegedaan dan mensen zonder ervaring met discriminatie. Dit zou kunnen leiden tot hogere percentages gerapporteerde discriminatie. Hoe groot dit effect is, is niet bekend.

X Noot
4

Kamerstuk 20 420, nr. 180.

X Noot
5

Kamerstuk 30 950, nr. 63.

X Noot
6

SCP, Dichterbij Elkaar?, SCP 2012.

X Noot
7

Kamerstuk 29 628, nr. 423.