30 950 Rassendiscriminatie

Nr. 69 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 maart 2014

Hierbij zend ik u mede namens de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de naar aanleiding van het dertigledendebat over het bericht «Noodklok om Jodenhaat» d.d. 16 januari 2014 toegezegde informatie (Handelingen II 2013/14, nr. 42, item 14, blz. 1–20). Dit betreft een toezegging over hoe Holocaustonderwijs is geborgd in het onderwijs, in de eindexamens en in het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs alsmede aanvullende informatie met betrekking tot het incident in de gemeente Arnhem.

Holocaustonderwijs

In het dertigledendebat over het bericht «Noodklok om Jodenhaat» d.d. 16 januari 2014 heb ik de Kamer toegezegd om na overleg met mijn collega van OCW terug te komen op de vraag hoe Holocaustonderwijs is geborgd in het onderwijs, in de eindexamens en in het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie).

De Holocaust komt expliciet aan de orde in kerndoel 52 voor het primair onderwijs en kerndoel 37 voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Leerlingen leren hierbij over kenmerkende aspecten van verschillende tijdvakken, waaronder de «tijd van Wereldoorlogen en holocaust». Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden, is één van de aspecten die in dit tijdvak aan de orde komen. Daarbij leren leerlingen in het voortgezet onderwijs ook de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de 20e eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust), en hedendaagse ontwikkelingen. De vensters van de canon van Nederland dienen als uitgangspunt ter illustratie van de tijdvakken; één van deze vensters is het onderwerp Anne Frank en de Jodenvervolging.1 Het tijdvak «tijd van Wereldoorlogen» is ook onderdeel van de examenprogramma’s geschiedenis voor havo en vwo. Voor het vmbo is de Tweede Wereldoorlog, inclusief het onderwerp Jodenvervolging, eveneens examenstof bij het vak geschiedenis.

Rol van de Inspectie van het Onderwijs

De inspectie ziet er op toe dat de aangeboden leerstof op scholen dekkend is voor de kerndoelen. Daarbij gaat de inspectie na of het aanbod voldoende is geborgd voor het tijdvak Wereldoorlogen en Holocaust, alsmede voor de verschillende aspecten van burgerschap zoals respect voor elkaars opvattingen en leefwijzen. Ook het veiligheidsbeleid van scholen wordt door de inspectie beoordeeld: zijn er afspraken, regels en protocollen, zijn die bekend en controleert de school of die worden nageleefd. Alertheid op discriminatie én snel en adequaat optreden is daarvan onderdeel. Wanneer er sprake is van ernstige signalen, zoals het uit de weg gaan van thema’s of het niet optreden door de school tegen uitingen die strijdig zijn met basiswaarden, dan voert de inspectie verdiepend onderzoek uit en wordt het toezicht zo nodig geïntensiveerd. Afhankelijk van de situatie zal de inspectie de school aanspreken, zo nodig nader onderzoek doen en erop toezien dat de school tekorten, zoals handelingsverlegenheid bij leraren, opheft. Leerlingen, ouders of personeelsleden kunnen in ernstige situaties zelf contact zoeken met een vertrouwensinspecteur.

Antisemitisme en de Holocaust, en andere vormen van discriminatie en racisme, hebben dus een duidelijke positie in zowel de kerndoelen, de examens en het toezicht van de inspectie. Zoals aangekondigd in de brief ronde tafels Antisemitisme d.d. 16 januari 2014 2, laat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarnaast onderzoek uitvoeren in het basis- en voortgezet onderwijs naar de aandacht voor de Holocaust en het bestrijden van discriminatie. Daarbij wordt in het bijzonder gekeken naar de vraag of het benodigde materiaal goed beschikbaar en vindbaar is. Handelingsverlegenheid van docenten bij de aanpak van antisemitisme zal worden meegenomen in het traject tegen pesten.

Incident in Arnhem

In reactie op de vraag gesteld tijdens het dertigledendebat naar de betrokkenheid van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) bij het incident in Arnhem, kan gemeld worden dat het CMO een persbericht heeft doen uitgaan waarin zij aangeeft het zeer betreurenswaardig te vinden dat de jongerenwerker na de uitzending heeft moeten onderduiken. Het CMO heeft ook duidelijk stelling genomen tegen antisemitisme en de noodzaak onderstreept om hier luid en duidelijk tegen op te treden en jongeren meer besef bij te brengen van de implicaties van antisemitische uitspraken. Het CMO heeft aangegeven veel contact te hebben gehad met zowel bestuursleden als moskeegangers van de drie moskeeën in Arnhem die aangesloten zijn bij het CMO, waaronder de Turkiyem Moskee, om over de gebeurtenissen van gedachten te wisselen. Ook het Inspraak Orgaan Turken (IOT) heeft met kracht afstand genomen van antisemitisme en de uitspraak van jongeren. De voorzitter en directeur van het IOT hebben in Arnhem contact gehad met het moskeebestuur van de Turkiyem Moskee en de jongerenwerker. Zoals gemeld in de eerder genoemde brief ronde tafels Antisemitisme onder jongeren, zal het IOT zich inzetten om binnen de eigen gemeenschap de dialoog over antisemitisme te stimuleren.

De gemeente Arnhem heeft een onderzoek laten verrichten naar tolerantie onder schoolgaande jongeren in de leeftijd van 12–19 jaar, waarin specifieke vragen zijn opgenomen met betrekking tot antisemitisme. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, welke in het voorjaar worden verwacht, zal de gemeente in gesprek met scholen bezien welke aanvullende maatregelen wenselijk zijn. Zoals tijdens het dertigledendebat d.d. 16 januari 2014 vermeld, beziet de gemeente ook hoe in het jongerenwerk en met de inzet van rolmodellen het probleem beter kan worden bestreden.

Ik verwacht u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over de bovengenoemde onderwerpen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Naar boven