Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201829279 nr. 403

29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde

Nr. 403 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 januari 2018

Inleiding

Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, over de stand van zaken van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende, vrijheidsbeperkende en geldelijke sancties. Over het presteren van de gehele strafrechtketen bent u voor de zomer geïnformeerd via de kamerbrief van 28 juni 2017.1 Daarin is beperkt gerapporteerd over de tenuitvoerlegging van straffen. In deze brief ga ik daar uitgebreid op in.

De tenuitvoerlegging van de straffen vormt het sluitstuk van de strafrechtketen: na de opsporing, vervolging en berechting is de uitvoering van de straf de kroon op de eerdere inzet van het strafrecht. Uitgangspunt is vanzelfsprekend dat opgelegde straffen, ook feitelijk worden uitgevoerd. Die verplichting heeft de overheid naar slachtoffers en samenleving. Dit is de basis voor een geloofwaardig en legitiem strafrechtsysteem. Het is onwenselijk dat een deel van de veroordeelden (al dan niet bewust) zijn of haar straf ontloopt. Voor een succesvolle en effectieve tenuitvoerlegging is het van belang dat straffen zo snel mogelijk ten uitvoer worden gelegd. Daarom is dit ook een ambitie van dit kabinet.

Op basis van de strafrechtketenmonitor is bekend dat van 90 procent van alle straffen na twee jaar de tenuitvoerlegging is gestart dan wel afgerond. De startsnelheid van de meeste sanctiestromen neemt gestaag toe, wat inhoudt dat bij meer straffen eerder begonnen wordt met de tenuitvoerlegging.2 Toch zijn deze prestaties voor verbetering vatbaar. Voor 10 procent van de sancties geldt immers dat deze pas na veel langere tijd of uiteindelijk zelfs niet ten uitvoer worden gelegd.

De aanpak van openstaande vrijheidsstraffen blijft een belangrijke prioriteit. Hoewel hiervoor de afgelopen jaren verschillende maatregelen zijn ingezet, hebben die tot op heden nog onvoldoende effect gehad. Nog steeds zijn er teveel veroordeelden die hun straf niet hebben ondergaan. De problematiek van veroordeelden die zich moeilijk laten vinden, is weerbarstig en vraagt om een extra inspanning. Daarom introduceer ik het programma «Onvindbare Veroordeelden» waarmee ik een impuls wil geven om juist die doelgroep beter te kunnen achterhalen. Het programma omvat een stevig pakket aan maatregelen, gebaseerd op samenwerking met organisaties zowel binnen als buiten de strafrechtketen en gericht op het terugdringen van de openstaande straffen. Daarbij is het van belang te onderkennen dat er altijd situaties zullen zijn, waardoor het niet lukt een straf ten uitvoer te leggen. Bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van verblijfsgegevens of het ontbreken van uit- of overleveringsverdragen met specifieke landen.

Prestaties uitvoeringsketen sancties

Jaarlijks verwerken de uitvoeringsorganisaties een groot volume van ongeveer 150.000 door de rechter opgelegde straffen en 326.000 door het openbaar ministerie opgelegde strafbeschikkingen. Onderstaande tabel geeft een beeld van het volume aan opgelegde straffen in 2016, gedifferentieerd naar de verschillende sanctiesoorten.

Volume straffen 2016
 

2016

Strafrechtelijke beslissingen1

20.000 principale vrijheidsstraffen

20.500 toezichten

37.500 taakstraffen

57.500 geldboetevonnissen

13.500 schadevergoedingsmaatregelen

1.300 ontnemingsmaatregelen2

326.500 OM strafbeschikkingen

Administratiefrechtelijke beslissingen

9.440.000 Wahv boetes3

X Noot
1

Bron USB-monitor, opgelegde vonnissen (inclusief jeugd, exclusief hoger beroep).

X Noot
2

Bron CJIB: toezichten, taakstraffen, geldboetevonnissen, schadevergoedingsmaatregelen, Wahv-boetes, geldsomstrafbeschikkingen (inclusief jeugd).

X Noot
3

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

De strafrechtketenmonitor meet de startsnelheid en zekerheid van de tenuitvoerlegging van straffen door de tijd heen. Startpunt hierbij is het kwartaal waarin de sanctie is opgelegd. Per sanctiestroom is de norm bepaald voor de startsnelheid en doorlooptijd, waarbinnen de straf wordt uitgevoerd. In onderstaande tabellen zijn de resultaten per sanctiesoort verwerkt over de afgelopen jaren.

Vrijheidsbenemende sancties

Startsnelheid tenuitvoerlegging na vonnis

Startsnelheid tenuitvoerlegging na vonnis

% straffen gaande of afgerond

% straffen gaande of afgerond

De grafieken laten de trend van de afgelopen jaren zien en geven weer in hoeveel zaken de uitvoering van de straf binnen een periode van zes maanden na oplegging is gestart en in welke mate straffen ten uitvoer worden gelegd in een meetperiode van 24 maanden. Door de meetperiode van 24 maanden kunnen de resultaten inzichtelijk worden gemaakt van de straffen die tot en met 2014 zijn opgelegd. Voor alle in 2015 opgelegde straffen kunnen de resultaten pas eind 2017 worden gemeten.

Ongeveer 40 procent van de vrijheidsstraffen wordt aansluitend aan detentie, vanwege een eerdere straf of volgend op de voorlopige hechtenis, uitgevoerd. In andere gevallen kunnen verdachten de behandeling van hun rechtszaak in vrijheid afwachten. Dat betekent dat personen bij verstek veroordeeld kunnen worden en bij de betekening van het vonnis de problematiek van moeilijk vindbare personen ook opspeelt. Voor het ondergaan van hun vrijheidsstraf zijn in 2016 5.963 personen opgeroepen via de zogenaamde zelfmeldprocedure en is voor 3.721 personen een arrestatiebevel voor aanhouding door de politie uitgevaardigd. Indien iemand niet kan worden getraceerd en aangehouden, wordt hij/zij opgenomen in het opsporingsregister.

Indien van een gesignaleerde persoon in het opsporingsregister aanvullende of gewijzigde informatie ten aanzien van een mogelijke verblijfplaats in Nederland beschikbaar komt, wordt de persoon (opnieuw) voor «actieve opsporing» aangeboden aan de basisteams van de politie. De personen met straffen van meer dan 120 dagen blijven vanwege het lange strafrestant altijd aangemerkt staan voor «actieve opsporing». Per 1 mei 2017 betrof de totale voorraad «actieve opsporing» 2.863 zaken. In de periode mei 2016 tot mei 2017 zijn 520 (18,4 procent) veroordeelden uit deze categorie ingesloten. Doordat tegelijkertijd sprake is van instroom van nieuwe zaken is het totale volume van de voorraad in orde van grootte gelijk gebleven ten opzichte van de vorige meetperiode.

Het team «FAST» is bij de actieve opsporing van de groep met meer dan 120 dagen strafrestant betrokken, indien geen verblijfsgegevens bekend zijn óf er indicaties zijn voor verblijf in het buitenland.3 In het laatste geval zorgt FAST voor een internationale signalering van betreffende personen. Bij contact met de autoriteiten kan iemand dan worden aangehouden, bijvoorbeeld bij in- en uitreizen. De voornaamste taak van FAST is de opsporing van personen met strafrestanten van 300 dagen of meer, waarbij in geval van indicatie voor verblijf in het buitenland in internationaal verband wordt samengewerkt.

Aantal opgespoorde personen door FAST 4 juli 2016–4 juli 2017 (bron: LPFAST)

Opgespoord/ aangehouden

346

Gemiddeld strafrestant van aangehouden personen is 1 jaar

Opgespoord / in procedure

150

Procedures betreffen overbrengen veroordeelde naar NL of straf uitvoeren in land van verblijf

Opgespoord/ (tijdelijk) stopgezet

63

Geen verdragsrechtelijke grondslag voor uitlevering veroordeelde of overname straf.

Bovenstaande tabel laat zien dat FAST in een tijdsbestek van twaalf maanden 346 personen heeft aangehouden. Dat is een significant hoger aantal ten opzichte van voorgaande jaren. Zo werden in de periode van 1 januari 2015 tot 4 juli 2016 – een periode die anderhalf keer langer was – 202 personen opgespoord en aangehouden. De meest recente cijfers laten dus zien dat in een kortere tijd meer personen zijn opgespoord en aangehouden.

Vrijheidsbeperkende sancties

% tenuitvoerlegging na vonnis (*excl. dadelijk uitvoerbaar toezicht)

% tenuitvoerlegging na vonnis (*excl. dadelijk uitvoerbaar toezicht)

% straffen gaande of afgerond (*excl. dadelijk uitvoerbaar toezicht)

% straffen gaande of afgerond (*excl. dadelijk uitvoerbaar toezicht)

Zowel de startsnelheid van de tenuitvoerlegging als de zekerheid waarmee taakstraffen en toezichten worden uitgevoerd is in vergelijking met voorgaande jaren verbeterd. Zo is 95 procent van deze sancties binnen twee jaren afgerond of nog gaande en is het percentage door de rechter opgelegde taakstraffen, dat binnen zes maanden start, van 34 procent naar 54 procent gestegen.

Geldelijke sancties

Startsnelheid tenuitvoerlegging na vonnis (* geldboete ZM betreft meetperiode t/m september 2016)

Startsnelheid tenuitvoerlegging na vonnis (* geldboete ZM betreft meetperiode t/m september 2016)

% straffen gaande of afgerond

% straffen gaande of afgerond

Bij geldboetevonnissen wordt na verloop van 12 maanden gemeten of met de uitvoering van het vonnis is gestart door het moment van betaling van de eerste euro te meten. De startsnelheid van 50 procent van de geldboetevonnissen na 12 maanden vind ik te laag. Daarnaast vind ik het van belang dat ook de startsnelheid bij de strafbeschikking, ontnemingsmaatregel en boetes in het kader van de «wet administratieve handhaving» wordt gemeten. Als het gaat om het aantal afgeronde of nog lopende zaken constateer ik in vergelijking met vorig jaar een terugloop van 77 naar 71 procent bij de geldboetevonnissen. Ik laat momenteel nader analyseren wat hiervan de oorzaken zijn. Bij de schadevergoedingsmaatregelen is het aantal zaken waarvan de inning 9 maanden na de oplegging van de sanctie is gestart in de afgelopen jaren gestegen van 64 naar 71 procent. Deze positieve trend wil ik graag vasthouden.

Verbetermaatregelen

In de afgelopen jaren is een flink aantal verbetermaatregelen getroffen om tot betere tenuitvoerlegging van sancties te komen. Dat is naar mijn mening echter nog niet voldoende. Onderstaand geef ik aan hoe ik, naast de reeds getroffen maatregelen, een extra impuls wil geven aan de effectieve tenuitvoerlegging van straffen.

Vrijheidsbenemende sancties

Tien procent van de vrijheidsstraffen wordt niet of niet tijdig ten uitvoer gelegd. Een deel van deze personen kan niet worden gevonden of aangehouden omdat zij in het buitenland verblijven. Vanwege een relatief lage straf of het ontbreken van een uitleveringsverdrag, kunnen zij niet naar Nederland worden overgebracht voor het ondergaan van hun straf.

Daar staat tegenover dat voor de eerder genoemde groep van 2.863 personen opsporing kansrijk of noodzakelijk is. Het gaat hier om een groep waarvan het strafrestant hoger is dan 120 dagen, waardoor opsporing in het buitenland wel mogelijk is of er indicaties zijn dat betrokkene in Nederland verblijft. Mijn inspanningen richten zich op deze groep. Het kan niet zo zijn dat veroordeelde personen, die wel opgespoord kunnen worden, zich vrij in Nederland bewegen en soms zelfs bij andere overheden aankloppen voor dienstverlening. Daarom stel ik een stevige aanpak voor, waarbij intensief wordt samengewerkt met de partners binnen de strafrechtketen, maar ook met organisaties daarbuiten.

De actieve opsporing van deze groep wil ik versterken door in samenhang een aantal (nieuwe) maatregelen uit te laten voeren in een landelijk programma «Onvindbare Veroordeelden». Uitgangspunt van dit programma is om, naast intensivering van wat al eerder in gang is gezet, concreet de volgende maatregelen uit te voeren:

  • 1. Het investeren in betere samenwerking met andere (overheids)partners.

    Dat doen we onder meer door het uitrollen van een «één-overheid»-aanpak. De effectieve opsporing van veroordeelden is gebaat bij samenwerking met organisaties buiten de strafrechtsketen. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat veroordeelden ook voorkomen in andere administraties, zoals die van de belastingdienst of gemeenten.4 Zo start met de gemeente Amsterdam een pilot, die beoogt dat veroordeelden die gesignaleerd staan in het opsporingsregister vanwege een vrijheidsstraf en/of een openstaande boete, worden aangehouden als zij via het burgerloket aankloppen bij de gemeente, bijvoorbeeld voor het aanvragen van een uitkering, rijbewijs of paspoort. In deze pilot komt ook het aspect van de gegevensuitwisseling tussen organisaties prominent naar voren. De juridische gronden voor het koppelen van gegevens worden zorgvuldig onderzocht.

  • 2. Het gebruik maken van nieuwe technologische mogelijkheden.

    Het toepassen van nieuwe vormen van data-analyse is daarvan een onderdeel. Door het bij elkaar brengen van informatie uit verschillende bronnen kunnen patronen worden herkend in gedragingen van betrokkenen, bijvoorbeeld om zo indicaties van vermoedelijke verblijfplaatsen te achterhalen. De mogelijkheden hiertoe zijn de afgelopen tijd toegenomen door bijvoorbeeld de analyse van Big data.

  • 3. Het (door)ontwikkelen van een persoonsgerichte tenuitvoerlegging van openstaande straffen.5

    Mijn ambtsvoorganger heeft vier pilots in gang gezet die inmiddels zijn afgerond.6 De persoonsgerichte aanpak van een beperkt aantal (41) veroordeelden met meerdere openstaande straffen en een hoog recidiverisico is succesvol geweest en heeft geleid tot de opsporing van 30 personen. De werkzame elementen van deze aanpak worden meegenomen in het programma.

    Bij deze aanpak wordt scherper geprioriteerd ten aanzien van personen met langdurige vrijheidsstraffen (via zogenaamde «toplijsten») in combinatie met naderende verjaring van de uitvoeringstermijn of de verplichting nog DNA te moeten afstaan. Personen op deze lijsten krijgen prioriteit in de opsporing.

  • 4. Efficiëntere centrale coördinatie en regie op de feitelijke opsporing.

    Hiertoe is een centraal regie- en coördinatieteam ingericht, dat met het bestuurlijk commitment van betrokken organisaties gaat sturen op het terugdringen van de instroom en voorraad van de openstaande straffen.

    Het regieteam richt zich daarbij op de feitelijke opsporing, waaronder het bij elkaar brengen van alle benodigde informatie, inclusief informatie uit bronnen die tot op heden nog niet benut konden worden, en het zorgen voor optimale dossiers waarmee de politie effectief aan de slag kan ter verdere opsporing. Een voorbeeld hiervan is het vooraf controleren of de vonnisgegevens en strafrestanten kloppen.

    Belangrijk onderdeel van deze aanpak is ook de inrichting van een landelijk netwerk van zogeheten CET-teams (Coördinatie Executie Taken) in elke eenheid van de politie, die de uitvoering van de opsporing door de basisteams coördineren.

Deze combinatie van maatregelen maakt de aanpak sterker, gerichter en naar verwachting effectiever dan de aanpak die tot op heden is gevolgd. Daarbij komen elementen samen uit recent onderzoek7 en de onder punt 3 genoemde pilot.

Naast de uitrol van bovenstaand programma is ook de implementatie van het nieuwe informatiesysteem Executie & Signalering bij alle politie-eenheden een belangrijk instrument voor de succesvolle opsporing van veroordeelden. Uw Kamer is daarover eerder geïnformeerd. De registratie is in dit nieuwe systeem persoonsgebonden in plaats van zaaksgebonden. Alle openstaande executieopdrachten en signaleringen van een bepaald persoon zijn daarmee direct zichtbaar en raadpleegbaar, wat de opsporing ten goede komt. Het systeem zal in 2018 gefaseerd beschikbaar komen voor alle agenten op straat via «mobile devices».

Vrijheidsbeperkende sancties

Mijn ambitie, als ook die van de betrokken ketenpartners, is om de startsnelheid van zowel toezichten als taakstraffen verder te verbeteren. Het streven is het percentage reclasseringstoezichten dat binnen 45 dagen start te verhogen naar 80 procent. Dit geldt ook voor de door het OM en de rechter opgelegde taakstraffen. Ik laat onderzoeken met behulp van welke verbetermaatregelen deze streefnorm gehaald kan worden. De onderzoeksuitkomsten verwacht ik begin 2018, waarna zal worden gestart met de invoering van de gekozen maatregelen.

In de brief van 27 september 2016 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd de groep taakgestraften van wie de vervangende celstraf nog openstaat te analyseren.8 Op basis hiervan kan worden bepaald welke gerichte acties nodig zijn om deze groep van ongeveer 3.000 veroordeelden alsnog op te sporen en aan te houden. Bij ongeveer 20 procent van deze taakgestraften zijn indicaties voor verblijf in Nederland bekend. Ik verwacht echter dat meer dan 20 procent in Nederland verblijft omdat eerder onderzoek heeft uitgewezen dat personen met een relatief korte straf (in dit geval vervangende hechtenis) niet naar het buitenland uitwijken om zich aan hun straf te onttrekken. Voor de opsporing van deze taakgestraften wordt aangesloten bij de maatregelen en werkwijze van het programma «Onvindbare Veroordeelden».

Tot slot heeft mijn ambtsvoorganger onderzocht of het toepassen van de zelfmeldprocedure – in plaats van het standaard uitvaardigen van een arrestatiebevel aan de politie – ook succesvol kan zijn voor de doelgroep van personen van wie de taakstraf is omgezet in een vervangende hechtenis. Zoals aangekondigd in de vorige voortgangsbrief is daarvoor een pilot uitgevoerd. De uitkomst is dat een aanzienlijk lager percentage (31 procent) zich meldt dan bij de personen met een vrijheidsstraf (46 procent in 2016). Ook kost het meer tijd om personen in te sluiten in vergelijking met de reguliere werkwijze met een arrestatiebevel. Daarom handhaaft het OM voor deze doelgroep de (oude) werkwijze, waarbij na een arrestatiebevel de politie de persoon aanhoudt.

Geldelijke sancties

De tenuitvoerlegging van geldelijke sancties moet niet alleen zeker, snel en efficiënt zijn, maar ook maatschappelijk verantwoord plaatsvinden. De afweging moet worden gemaakt welk belang prevaleert. Dit betekent niet dat betrokkenen hun straf ontlopen, maar dat bijvoorbeeld door het treffen van een betalingsregeling meer ruimte wordt geboden. Aan de andere kant moet iemand die vermogen achterhoudt, actief worden gehouden aan zijn verplichting een financiële sanctie te voldoen, bijvoorbeeld door beslag te leggen op dat vermogen. De startsnelheid voor geldelijke sancties moet worden verbeterd. Ik streef ernaar vóór de zomer 2018 de analyses af te ronden die hiervoor nodig zijn en zicht te hebben op verbeteringen.

In 2017 is het project Direct Betalen afgerond. Doel van het project was om te komen tot een voorziening waarmee een efficiënte en snelle afhandeling van betalingen van onherroepelijke geldelijke sancties, zowel de strafrechtelijke sancties als de Wahv-boetes, mogelijk wordt. Dit doel is bereikt. Op de politiebureaus en bij de Koninklijke Marechaussee staan nu betaalvoorzieningen, waarop boetes onmiddellijk kunnen worden afgestort en worden geadministreerd bij het CJIB. Dit betekent een veel snellere doorlooptijd van de verwerking: van soms enkele maanden tot enkele dagen. Inmiddels is al circa 20 miljoen euro aan boetes en andere betalingen op deze manier verwerkt.

Inning van boetes voor in Nederland gepleegde overtredingen moet niet stoppen bij de landsgrenzen. Bij de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties is internationale samenwerking van belang. Doordat steeds meer EU-lidstaten op de geautomatiseerde verwerking van verkeersboetes zijn aangesloten en de digitale overdracht van dossiers van nog openstaande verkeersboetes aan andere lidstaten toeneemt, verbetert de inning van boetes bij overtreders uit het buitenland.9 Zoals gebruikelijk zullen in het jaarbericht verkeersboetes over het jaar 2017 ook de meest recente cijfers van verkeersboetes aan buitenlandse kentekenhouders worden gepresenteerd.

Het is sinds 2015 mogelijk om verkeersboetes in termijnen te betalen.10 Dit heeft ertoe geleid dat personen eerder betalen. Aan het maatschappelijk verantwoord innen is, onder meer in samenwerking met het OM, verder invulling gegeven met een verruiming van het betalingsregelingenbeleid bij strafrechtelijke geldelijke sancties, zoals geldboetes, ontnemingsmaatregelen en schadevergoedings- maatregelen. Daarnaast loopt nog een onderzoek naar de mogelijkheden om betalen in termijnen ook onder 225 euro in meer gevallen mogelijk te maken. Dit is ingezet naar aanleiding van een motie van de leden Kooiman (SP) en Recourt (PvdA) (Kamerstuk 34 086, nr. 34). Ik zal uw Kamer binnenkort berichten over de invulling die ik wil geven aan deze motie.

In het verlengde van het betalingsregelingenbeleid heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om uw Kamer te informeren over de kaders voor het, na een succesvol afgerond minnelijk schuldhulpverleningstraject, onder strenge voorwaarden beëindigen van de verdere inning van de restschuld van openstaande Wahv-sancties. Hieraan wordt per 1 januari 2018 invulling gegeven via de beleidsregel CJIB na inwerkingtreding van de wet «herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen» (Stb. 2017, nr. 82), voor het deel Wahv.

Tijdens het debat over het wetsvoorstel affectieschade (Handelingen II 2016/17, nr. 71, item 9) is een door de Kamerleden Van Oosten (VVD) en Van Toorenburg (CDA) ingediende gewijzigde motie (Kamerstuk 34 257, nr. 11) aangenomen. Deze roept de regering op om ervoor te zorgen dat affectieschade, waarvan de overheid de uitbetaling aan de slachtoffers voorschiet, onverwijld en zo lang en veel mogelijk wordt verhaald op de veroordeelde. Ik heb het CJIB opdracht gegeven te onderzoeken welke verbetermogelijkheden kunnen worden getroffen bij de inning van schadevergoedingsmaatregelen, ongeacht de schade waarop deze betrekking heeft. Een zo volledig mogelijke inning draagt bij aan het uitgangspunt dat de veroorzaker van de schade betaalt. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer van 2018 te kunnen informeren over de invulling die ik aan deze motie wil geven.

In de afgelopen jaren zijn verbeteringen getroffen om dwangmiddelen effectiever toe te passen. Zo is een pilot «Buitengebruikstelling» uitgevoerd.De pilot heeft kleine aanpassingen opgeleverd om het proces buitengebruikstelling te verbeteren.

Behalve de pilot is ook het rapport «Effectiviteit buitengebruikstelling voertuigen (BGS)» afgerond. Het rapport doet de suggestie om de effectiviteit van de dwangmiddelen fundamenteel te bezien. Deze aanbeveling wordt door de uitvoeringsketen onderschreven. Daarom laat ik nader onderzoek doen naar kenmerken en beweegredenen van personen die een geldelijke sanctie niet voldoen. Tegelijk zet ik in nauw overleg met de uitvoeringsketen, OM, CJIB en politie het komende jaar in op het gerichter gebruikmaken van dwangmiddelen om de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties daadwerkelijk te kunnen effectueren. Ik verwacht u aan het eind van 2018 over de uitkomsten te kunnen informeren.

Hierbij betrek ik ook het reeds gestarte initiatief van OM en CJIB om voor personen waar al meerdere onbetaalde boetes open staan, een andere afdoeningsvorm dan een boete (bijvoorbeeld een taakstraf) op te leggen in geval van een nieuwe overtreding. Een passendere straf vergroot de kans op een snelle en zekere tenuitvoerlegging. De effecten hiervan op de inning zullen de komende jaren zichtbaar moeten worden.

Verjaring

Ondanks inspanningen van de ketenpartners, lukt het bij een deel van de zaken niet om deze binnen de gestelde verjaringstermijnen uit te voeren. De afgelopen jaren ging het om de volgende aantallen:11

Tabel 9: uitstroom door overschrijden maximale tenuitvoerleggingstermijn
 

2014

2015

2016

Vrijheidsstraffen1

1.248

1.499

820

Omgezette taakstraffen

183

178

196

Geldboetevonnis2

15.301

14.389

11.760

Schadevergoeding

146

163

170

Ontnemingsmaatregelen

87

80

54

X Noot
1

Verjaringscijfers worden sterk beïnvloed door het moment waarop de straf is opgelegd en de verjaringstermijn per soort delict. Daardoor ontstaan per jaar soms grote verschillen.

X Noot
2

Instroom geldboetevonnissen is de laatste jaren aanzienlijk afgenomen door komst strafbeschikking. Zaken die nu verjaren zijn uit eerdere jaren waar de instroom veel hoger lag dan nu.

Zaken verjaren of kunnen niet ten uitvoer worden gelegd om verschillende redenen, zoals persoonlijke (medische) omstandigheden, vertrek naar het buitenland, structureel onvoldoende financiële middelen om een boete volledig te voldoen of omdat er geen verblijfplaats bekend is. Ik vind het onwenselijk dat veroordeelden, enkel door het verstrijken van de tijd, hun straf niet meer ondergaan. Ik ga aan de slag met de motie van het lid Van Oosten (VVD) c.s, die oproept de executieverjaring uit artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht af te schaffen.12 Voor de zomer 2018 breng ik een hiertoe strekkend wetsvoorstel in consultatie. Daarbij ga ik in op de consequenties voor de uitvoering en op de juridische randvoorwaarden.

Het beperken van de verjaring neemt niet de noodzaak weg om erop in te zetten dat straffen en maatregelen zo veel mogelijk direct uitgevoerd worden. Dit betekent ook dat inzet nodig is om te voorkomen dat personen onvindbaar worden voor de tenuitvoerlegging of zich hieraan anderszins kunnen onttrekken, door bijvoorbeeld vermogen weg te sluizen. Ook zal onverminderd moeten worden ingezet om in de keten voldoende capaciteit beschikbaar te stellen om de uitvoering af te dwingen.

Tot slot

De wet «herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen» (Stb. 2017, nr. 82) heeft onder meer tot doel strakker te kunnen sturen op de prestaties in de keten. Met de inwerkingtreding van deze wet verschuift de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het Openbaar Ministerie naar de Minister. Het Administratie- en Informatiecentrum van de Executieketen (het AICE, onderdeel van het CJIB) is in dit kader ingericht om namens de Minister operationele ketenregie te voeren op de feitelijke tenuitvoerlegging. Hierdoor ontstaat meer zicht en grip op de tenuitvoerlegging, wat de prestaties in de keten verder moet verbeteren.

Ik heb in deze brief aangegeven waar het goed gaat met de tenuitvoerlegging van straffen, maar ook mijn ambities uiteengezet ten aanzien van de onderdelen waar verbetering echt noodzakelijk is. Ik heb er vertrouwen in dat met de gepresenteerde maatregelen de prestaties verder kunnen verbeteren. Ik blijf de uitvoering van de maatregelen nauwgezet volgen en zal uw Kamer jaarlijks en waar nodig tussentijds informeren over de voortgang.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Kamerstuk 29 279, nr. 389.

X Noot
2

Bijvoorbeeld 1e dag straf uitgezeten of 1e euro van de boete betaald.

X Noot
3

FAST is een samenwerkingsverband van het OM en de politie op landelijk niveau, dat zich richt op de zwaardere zaken. Voor zaken met een strafrestant van 120 dagen of meer zorgt FAST voor internationale signalering. Daarnaast spoort zij veroordeelden gericht en actief op in zaken waar nog een straf van 300 dagen of meer openstaat.

X Noot
4

Schoenmakers, Y., Groot, I. de, Zanten, A. van, Baars, J., De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland, Politie & Wetenschap (2017).

X Noot
5

Persoonsgericht houdt in dat de beschikbare informatie van alle opgelegde straffen van één persoon in samenhang beschikbaar komt.

X Noot
6

Kamerstuk 29 279, nr. 345.

X Noot
7

Schoenmakers, Y., Groot, I. de, Zanten, A. van, Baars, J., De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland, Politie & Wetenschap (2017).

X Noot
8

Kamerstuk 29 270, nr. 113.

X Noot
9

Europese Richtlijn Cross Border Enforcement. Dit betreft acht specifieke types overtredingen: snelheid, roodlicht negatie, gordelplicht, verkeerde rijstrook, rijden onder invloed van drank, rijden onder invloed van drugs, helmplicht en gebruik van mobiele telefoon. Per 1 november 2017 zijn nog eens 10 landen aangesloten.

X Noot
10

Op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

X Noot
11

Bron: CJIB, peildatum 16 april 2017. De Wahv sanctie kent geen formele verjaringstermijn.

X Noot
12

Kamerstuk 34 775 VI, nr. 50.