Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201828973 nr. 201

28 973 Toekomst veehouderij

Nr. 201 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 augustus 2018

Op 14 februari 2018 heeft de Gezondheidsraad zijn advies «Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies» gepresenteerd (Kamerstuk 28 973, nr. 197). Ik dank de Gezondheidsraad hartelijk voor het advies. Mede namens de Minister voor Medische Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat ga ik in deze brief in op de aanleiding van de adviesaanvraag, het advies van de Gezondheidsraad en de vervolgstappen waarmee de gezondheidsrisico’s rond veehouderijen verder moeten worden verminderd. Zoals toegezegd in het Algemeen Overleg over Dierziekten en Antibioticabeleid van 15 februari 2018 betrek ik hierbij ook het literatuuronderzoek van het Belgische onderzoeksinstituut ILVO naar intensieve veeteelt en gezondheid van omwonenden (Kamerstuk 29 683, nr. 242).

Aanleiding adviesaanvraag Gezondheidsraad

Op 26 januari 2017 is aan de Gezondheidsraad gevraagd het advies van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen uit 2012 te actualiseren in het licht van de resultaten van de onderzoeksrapporten Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) van 2016 en 2017 en andere nieuwe kennis. Verder zijn enkele specifieke vragen aan de Gezondheidsraad gesteld over de effecten van secundair fijnstof op de volksgezondheid als gevolg van de emissie van ammoniak en de rol van fijnstof uit veehouderijen in het optreden van hart- en vaatziekten en longkanker.

Advies Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad constateert dat er aanwijzingen zijn dat de veehouderij via de emissies van fijnstof en ammoniak specifieke gezondheidsrisico’s voor omwonenden met zich meebrengt. Deze aanwijzingen zijn door de resultaten van het VGO-onderzoek en andere nieuwe kennis duidelijker geworden. De Gezondheidsraad benadrukt dat de bewijskracht voor causaliteit tekort schiet. Hiervoor is nader onderzoek nodig.

De Gezondheidsraad geeft verder aan dat nadelige effecten op luchtwegen waarschijnlijk een oorzakelijk verband hebben met blootstelling aan fijnstof. De Gezondheidsraad verwacht meer effecten op de luchtwegen van omwonenden wanneer in de buurt van veehouderijen hoge fijnstofconcentraties aanwezig zijn. Hierbij wordt de kanttekening gemaakt dat het onduidelijk is in hoeverre andere componenten van veehouderijen van invloed kunnen zijn, zoals endotoxinen, micro-organismen en ammoniak.

Er is geen onderzoek gedaan naar het risico op hart- en vaatziekten en longkanker rondom veehouderijen. De Gezondheidsraad geeft aan dat in stedelijke omgevingen deze risico’s wel uitgebreid zijn onderzocht, waarbij deze gezondheidseffecten met zekerheid of grote waarschijnlijkheid ongeacht de bron het gevolg zijn van de blootstelling aan fijnstof.

De fijnstofdeken in Nederland is voor circa 6% afkomstig van de Nederlandse veehouderij. Fijnstof wordt onderscheiden in «primair fijnstof» en «secundair fijnstof». Primair fijnstof uit veehouderijen slaat dichtbij de bron neer en is vooral afkomstig van pluimveehouderijen. De uitstoot van ammoniak door de Nederlandse veehouderij draagt bij aan de vorming van secundair fijnstof en levert daarmee volgens de Gezondheidsraad een belangrijke bijdrage aan de totale concentratie fijnstof in Nederland en naburige landen. Omdat secundair fijnstof zich pas na enige tijd vormt en zich dan reeds over grotere afstanden heeft verspreid, is het niet te verwachten dat omwonenden van veehouderijen grotere gezondheidsrisico’s lopen als gevolg van secundair fijnstof. De gezondheidseffecten van secundair fijnstof doen zich over grotere afstanden van de bronnen voor.

De Gezondheidsraad beveelt een verdere reductie van de uitstoot van fijnstof en ammoniak aan om de gezondheidsrisico’s van de veehouderij te verminderen. De Gezondheidsraad doet geen voorstellen voor reductieniveaus. De raad beveelt aan de gezondheidswinst rondom veehouderijen te monitoren. Volgens de Gezondheidsraad moet het beleid zich daarnaast blijven richten op het terugdringen van geurhinder en op een betere naleving van de regelgeving. Er is blijvende aandacht nodig voor nieuwe vormen van bedrijfsvoering in de veehouderij en bedrijfshygiëne.

Onderzoek ILVO

Het Vlaamse instituut voor Landbouw-, visserij- en voedingsonderzoek (ILVO) heeft in opdracht van de provincie West-Vlaanderen het rapport «Intensieve veeteelt en de gezondheid van omwonenden – analyse van de problematiek op basis van een literatuurstudie» op 15 januari 2018 gepubliceerd. In het rapport wordt de kennis over gezondheidseffecten van blootstellingen aan stoffen en agentia uit veehouderijen weergegeven en beoordeeld. Verder wordt specifiek ingegaan op de Nederlandse veehouderij en het Nederlandse VGO-onderzoek en bespreekt het ILVO een aantal specifieke risico’s die samenhangen met de blootstelling aan emissies vanuit de veehouderij. Het ILVO geeft een aantal beperkingen in het uitgevoerde literatuuronderzoek aan. Zo geeft de studie geen alomvattend overzicht van alle beschikbare wetenschappelijke publicaties, is de studie bedoeld om inzicht te verschaffen in de gezondheidsrisico’s van veehouderijen voor omwonenden in Vlaanderen en lag de focus op het bestaan van een causaal verband tussen emissies uit veehouderijen en gezondheidseffecten.

Naar aanleiding van berichten in de media, die de indruk wekten dat volgens het ILVO-rapport veehouderijen geen gezondheidseffecten hebben voor omwonenden, heeft het Kennisplatform Veehouderij en Gezondheid1 op 1 februari 2018 een kennisbericht uitgebracht om het rapport van ILVO nader te duiden. Het kennisplatform geeft aan dat het rapport van ILVO wel degelijk gezondheidseffecten signaleert van veehouderijen als gevolg van emissies en/of hoge concentraties van ammoniak, fijnstof en endotoxinen. Over zoönosen en antibioticaresistentie zijn in het ILVO-rapport een aantal mogelijke risico’s geïdentificeerd die nader onderzoek vergen. In het rapport worden de in het VGO-onderzoek weergegeven gezondheidseffecten van veehouderijen voor omwonenden onderkend. Net als de onderzoekers van het VGO-onderzoek constateert ILVO dat nader onderzoek nodig is om causale verbanden te kunnen vaststellen en om na te gaan of vergelijkbare gezondheidseffecten in andere veehouderij regio’s kunnen worden vastgesteld. Door de focus op causaliteit en op de gezondheidseffecten van veehouderijen voor omwonenden zijn volgens het kennisplatform een aantal aspecten minder goed uitgewerkt in het ILVO-rapport en zijn veel wetenschappelijke studies niet meegenomen die de associaties beschrijven tussen veehouderijen en de humane gezondheid van luchtwegen.

Kabinetsreactie

Het kabinet zet zich in voor een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om zo te komen tot een verdere vermindering van de gezondheidsrisico’s als gevolg van luchtverontreiniging. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft het initiatief genomen voor het opstellen van het «Schone Lucht Akkoord» met de andere overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen dat in het voorjaar van 2019 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden (Kamerstuk 30 175, nr. 292).

Het kabinet neemt het advies van de Gezondheidsraad over. De inzet van het kabinet voor de emissies uit de veehouderij is gericht op het generiek verminderen van de emissies van fijnstof en ammoniak om zo gezondheidswinst in brede zin te boeken. De effecten van veehouderijen op de gezondheid en leefomgeving worden de komende jaren verder verbeterd door een integrale aanpak van schadelijke emissies (ammoniak, fijnstof, geur) uit stallen. Een aantal in gang gezette maatregelen geeft al perspectief op een verdere verbetering van de luchtkwaliteit.

VGO-3

Zoals eerder gemeld aan uw Kamer (Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 617) loopt er momenteel vervolgonderzoek op het eerder genoemde VGO-onderzoek. Eén van de deelonderzoeken richt zich op de vraag of de eerder gevonden verbanden ook in de jaren 2014–2016 zijn opgetreden in het VGO-gebied (deel van Noord-Brabant en het noorden van Limburg). Naar verwachting wordt dit onderzoek rond de zomer afgerond, waarna het conform mijn toezegging in het Algemeen Overleg dierziekten en antibioticabeleid van

15 februari jl. aan uw Kamer wordt gezonden.

Fijnstof

De uitvoering en aanpassing van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in volle gang om de laatste resterende fijnstofknelpunten rond veehouderijen op te lossen. Ik verwijs u voor de laatste stand van zaken naar de brief hierover van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 25 juni 2018 (Kamerstuk 30 175, nr. 299).

Vanwege de gezondheidsrisico’s van hoge fijnstofconcentraties rondom pluimveebedrijven en in lijn met de reactie op het onderzoek «Veehouderij en gezondheid omwonenden» (VGO) (Kamerstuk 28 973, nr. 191) maak ik, als onderdeel van de verdere verduurzaming van de pluimveeketen, samen met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat afspraken met de pluimveesector voor een realistische invulling van de ambitie van het kabinet. Inzet in het overleg is te komen tot reductie-eisen voor fijnstof van 70% voor nieuwe pluimveestallen en 50% voor bestaande stallen.

Ammoniak

Ook voor het realiseren van de Europese doelstellingen voor natuur, zoals is vastgelegd in de Vogel- en Habitat Richtlijnen en nationaal uitgewerkt in het Natura 2000-netwerk, is een verdere reductie van ammoniakemissie en -depositie noodzakelijk. De Programmatische Aanpak Stikstof is het programma waarin zowel op landelijk als op provinciaal niveau beleid gevoerd wordt om de stikstofemissies uit de landbouw en andere sectoren verder te reduceren teneinde depositiedalingen in natuurgebieden te realiseren. Landelijk is met de landbouwsector een overeenkomst gesloten welke leidt tot een extra vermindering van de ammoniakemissie in 20302. Op provinciaal niveau zijn het vooral de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de Verordening Natuurbescherming Noord Brabant 2017 die leiden tot extra emissiereducties van ammoniak.

Als vervolg op het onderzoek «Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen» van Wageningen UR worden in overleg met Wageningen UR vervolgacties verkend om meer zicht te krijgen op de ammoniakverwijdering en de eventuele verbetering van de goede werking van combi-luchtwassers voor ammoniak (Kamerstukken 29 383 en 28 973, nr. 295).

Het aflopen van de Stoppersregeling Actieplan ammoniak en veehouderij per 1 januari 2020 zal leiden tot een verder afname van de ammoniakemissie door het stoppen van de productie in oude varkens- en pluimveestallen. Tevens zal de voorgenomen uitwerking van het maatregelpakket voor de warme sanering van de varkenshouderij bijdragen aan een verdere vermindering van de ammoniakemissie in de varkenshouderij. Over de hoofdlijnen van de aanpak heb ik uw Kamer op 7 juli jl. geïnformeerd (Kamerstuk 28 973, nr. 200). Naast het saneren en beëindigen van varkensbedrijven, die geuroverlast veroorzaken voor omwonenden, wordt ingezet op innovaties en investeringen in integraal duurzame en emissiearme stal- en bedrijfssystemen voor de varkens-, pluimvee- en melkgeitenhouderij, waarin schadelijke emissies uit stallen (ammoniak, fijnstof, geur, methaan) brongericht en preventief worden voorkomen. Hiermee worden de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s van veehouderijen verminderd en wordt de luchtkwaliteit in de stallen verbeterd met een positief effect op diergezondheid en dierenwelzijn en op de gezondheid van de veehouders en hun werknemers.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Het Kennisplatform Volksgezondheid en veehouderij is een samenwerking tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM), Wageningen UR, Universiteit Utrecht, ZonMw, GGD GHOR Nederland, Omgevingsdienst NL en LTO Nederland.

X Noot
2

Overeenkomst generieke maatregelen in verband met het programma aanpak stikstof (25 maart 2014, nr. 8347), zie ook: Stcrt. 2014, nr. 8347.