28 973 Toekomst veehouderij

Nr. 191 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juni 2017

Op 7 juli 2016 stuurden wij u, mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de resultaten van de onderzoeken naar de relatie tussen veehouderij en gezondheid voor omwonenden (Kamerstuk 28 973, nr. 181). Zowel het rapport «Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» (VGO-onderzoek) (bijlage bij Kamerstuk 28 973, nr. 181) als het rapport «Emissies van endotoxinen uit de veehouderij» (bijlage bij Kamerstuk 28 973, nr. 163) laten zien dat er aanwijzingen zijn dat het wonen in de omgeving van veehouderijen effecten heeft op de gezondheid. Deze onderzoeken waren voor ons aanleiding om passende maatregelen te onderzoeken. In deze brief informeren we u, mede namens de Staatssecretaris van VWS, over het maatregelenpakket dat wij voor ogen hebben en mogelijke vervolgacties.

Aanleiding voor maatregelen

Genoemd VGO-onderzoek geeft sterke aanwijzingen dat componenten afkomstig uit de veehouderij, zoals fijnstof en endotoxinen, mensen die in de buurt wonen van veehouderijen gevoeliger maken voor infecties, waardoor longontstekingen vaker voorkomen of een verminderde longfunctie optreedt. Uit het VGO-onderzoek blijkt verder dat pluimveebedrijven meer fijnstof uitstoten dan andere typen veehouderijbedrijven. Over een recent wetenschappelijk artikel van IRAS en UMC over effecten van pluimveehouderijen op de gezondheid van omwonenden, dat op 25 februari 2017 gepubliceerd is in het wetenschappelijk tijdschrift Pneumonia, zijn door uw Kamer vragen gesteld, die separaat zullen worden beantwoord.

Daarnaast heeft Alterra in kaart gebracht hoe vaak mensen nabij veehouderijbedrijven wonen. Deze inventarisatie1 van Alterra geeft aan dat de vermenging van veehouderijbedrijven en burgerbewoning in Nederland aanzienlijk is. Uit dit onderzoek blijkt dat 87% van de veehouderijbedrijven in Nederland op minder dan 250 meter van een burgerwoning ligt. Circa 355.000 burgerwoningen liggen binnen 250 meter van een veehouderij.

Wij achten het daarom noodzakelijk om de uitstoot van fijnstof op pluimveebedrijven in tien jaar minimaal te halveren.

Die inzet is ook van belang om toe te werken naar streefwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), een bijdrage te leveren aan de doelstelling van de nieuwe National Emission Ceiling (NEC-)richtlijn en een bijdrage te leveren aan het oplossen van hardnekkige overschrijdingen van de EU-grenswaarden voor fijnstof.

Maatregelenpakket

De effecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden dienen onder andere te worden beperkt door de emissies van fijnstof uit pluimveestallen sterk terug te brengen.

Wij hebben sinds juni 2016 intensief overleg gevoerd met de pluimveesector om de problematiek te analyseren, technische maatregelen te beoordelen en een afgewogen pakket op te stellen met aanvullende maatregelen om de luchtkwaliteit rond pluimveebedrijven te verbeteren. Het maatregelenpakket wordt hieronder nader beschreven:

a) Het aanscherpen van de normen voor fijnstofemissie uit pluimveestallen

Sinds 1 augustus 2015 moeten nieuw te bouwen pluimveestallen voldoen aan een reductie-eis van de emissie van fijnstof met minimaal 30%. Een verdere aanscherping van de emissie-eisen voor fijnstof uit pluimveestallen is noodzakelijk om aan bovenstaande doelen te kunnen voldoen. De doelstelling voor de pluimveehouderij kan worden gerealiseerd met reductie-eisen voor de gehele pluimveesector voor fijnstof van 70% voor nieuwe stallen en 50% voor bestaande pluimveestallen. Om deze ambitie per 1 januari 2027 te realiseren is onze inzet dat overheid, het bedrijfsleven en de wetenschap gezamenlijk aan de slag gaan met een nadere uitwerking, waarbij per deelsector transitiepaden worden opgesteld. In 2019 werd een evaluatie voorzien, waaruit moest blijken of het, met de kennis van dat moment, reëel en waarschijnlijk was dat de ambities zouden worden gehaald, er rekening mee houdend dat nieuwe technieken en (management)maatregelen haalbaar en betaalbaar moeten zijn. Verder zou tegelijkertijd worden verkend hoe en wanneer vastlegging van reductie-eisen in regelgeving het beste kan plaatsvinden.

b) Sectoraal onderzoeks- en innovatieprogramma emissiearme pluimveehouderij

De pluimveesector heeft op zijn beurt behoefte aan meer goedkopere en eenvoudiger inpasbare maatregelen en wil het initiatief nemen om in samenwerking met de toeleverende industrie, provincies en de Ministeries van Economische Zaken (EZ) en Infrastructuur en Milieu (IenM) een onderzoeks- en innovatieprogramma op te zetten en uit te voeren. Dit programma is gericht op het ontwikkelen van bij voorkeur nieuwe brongerichte maatregelen in de stal en end-of-pipe-maatregelen die de emissies van onder andere fijnstof sterk terugbrengen. Het programma is erop gericht goedkopere en andersoortige maatregelen sneller marktrijp te laten worden. Het voornemen is aan te sluiten bij de activiteiten van de op initiatief van de sector opgerichte Denktank emissiearme pluimveehouderij en van de pilotregio FoodValley. Onderdelen van het programma zijn:

  • het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie over en het ontwikkelen van nieuwe meetsensoren waarmee individuele pluimveehouders het effect van stal- en managementmaatregelen op de emissies uit de stal kunnen meten;

  • het ontwikkelen van nieuwe emissiebeperkende technieken en managementmaatregelen, waaronder voor fijnstof;

  • het uitvoeren van een meetprogramma op basis waarvan nieuwe perspectiefvolle maatregelen erkend kunnen worden;

  • het integraal herontwerpen van stalsystemen.

Voor de private financiering van onderzoek en innovatie kunnen erkende producenten- en brancheorganisaties een verbindendverklaring aanvragen. De erkende brancheorganisaties OVONED en PLUIMNED hebben een dergelijke aanvraag in voorbereiding. Nadat deze aanvraag is ingediend, zal deze worden beoordeeld door de Minister van Economische Zaken.

c) Maatschappelijk Innovatieprogramma duurzame veehouderij

Vanuit het Ministerie van EZ is een bijdrage toegezegd voor herontwerptrajecten van stalsystemen, waarin de focus ligt op volksgezondheid en fijnstof. Er is voor vier jaar 400.000 euro per jaar gereserveerd in het Maatschappelijk Innovatie Programma (MIP) duurzame veehouderij van het Ministerie van EZ. Het MIP heeft als focus de implementatie van emissiereducerende maatregelen in zowel bestaande als nieuwe pluimveestallen.

d) Versnellen erkenning nieuwe fijnstofbeperkende maatregelen

Het bedrijfsleven ervaart knelpunten bij het erkend krijgen van perspectiefvolle nieuwe technieken. De Staatssecretaris van IenM heeft daarom in het overleg aangegeven bereid te zijn een aantal wijzigingen door te voeren in de erkenningsprocedure voor nieuwe technieken die voorafgaat aan de opname op de zogenoemde RAV-lijst en de fijnstoflijst. Het doel van de wijzigingen is het versnellen van de erkenning van nieuwe emissiebeperkende maatregelen voor onder andere fijnstof.

Aanpak fijnstof uit de pluimveehouderij op de korte termijn

Bovenstaand maatregelenpakket is samen met de sectororganisaties opgesteld. Tot onze teleurstelling is de pluimveesector, om hem moverende redenen, teruggekomen op het bovenstaande maatregelenpakket. Gezien het belang van de aanpak van de fijnstofproblematiek voor de volksgezondheid betreuren wij dit uiteraard ten zeerste. Wij zullen de uitwerking van het voorziene pakket, inclusief bepaling van de transitiepaden, in gang zetten, maar laten de besluitvorming over wettelijke maatregelen aan het volgende kabinet. In dat kader zijn wij ook in overleg met de biologische pluimveesector. Voor biologische pluimveebedrijven gelden momenteel geen emissie-eisen voor fijnstof.

De Staatssecretaris van EZ zal in ieder geval het MIP duurzame veehouderij starten en heeft zijn financiële bijdrage beschikbaar gesteld.

De Staatssecretaris van IenM zal de erkenningsprocedure voor nieuwe emissiebeperkende maatregelen voor onder andere fijnstof versnellen en uw Kamer hierover in een aparte brief informeren.

LTO/NOP en NVP hebben wel de ambitie om te komen tot een emissiearme pluimveehouderij en hebben kenbaar gemaakt door te werken aan het sectorale onderzoeks- en innovatieprogramma.

Met deze aanpak committeert de sector zich wel aan emissiereductie, maar niet aan een concrete reductiedoelstelling voor fijnstof in 2027, die naar onze mening wel minimaal noodzakelijk is om de eerder in deze brief genoemde doelen te realiseren en tegemoet te komen aan de maatschappelijke onrust in pluimveerijke gebieden.

Emissiereducerende maatregelen ammoniak

De in het VGO-rapport vermelde effecten van ammoniak, via secundair fijnstof, op de longfunctie onderstrepen de noodzaak van de verdergaande reductie van ammoniakemissie in de veehouderij. Ons huidige beleid, dat is vastgelegd in de regelgeving ter zake, is er reeds op gericht de uitstoot van ammoniak de komende jaren verder terug te brengen. In het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) worden reeds met het Besluit emissiearme huisvesting de reductie-eisen voor ammoniakemissie uit stallen de komende jaren gefaseerd aangescherpt voor de volgende diercategorieën:

  • bij nieuwbouw voor melkvee in 2018 en voor grote varkens- en pluimveehouderijen in 2020;

  • bij nieuwbouw voor vleeskalveren vanaf 2020.

Verder wordt via bijlage 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij gestimuleerd dat in de melkveehouderij de ammoniakemissie verder wordt verlaagd door het toepassen van voer- en managementmaatregelen en van weidegang. Ook kan de implementatie van het Actieplan Vitalisering varkenshouderij aan de emissiereductie van ammoniak bijdragen. Dit actieplan is op 23 juni 2016 naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 28 973, nr. 180).

Verder zullen wij verkennen of bovenstaand pakket aan maatregelen aanvulling behoeft. Daarbij zullen we ook het nog uit te brengen advies van de Gezondheidsraad betrekken over onder andere ammoniak en secundair fijnstof dat mede door ammoniakemissie wordt gevormd (zie verderop in deze brief). Verdere besluitvorming zal plaatsvinden door het volgende kabinet.

Gezamenlijke aanpak van verduurzaming

Wij vinden het van belang dat maatregelen ter vermindering van de emissies van fijnstof en andere stoffen die risico’s met zich meebrengen voor de volksgezondheid en het milieu integraal en in samenhang worden beoordeeld en genomen. Betaalbaarheid van emissiereducerende maatregelen en economie spelen daarbij uiteraard een rol. De Staatssecretaris van EZ heeft u op 21 november 2016 (Kamerstuk 28 973, nr. 184) geïnformeerd over het vervolgtraject naar aanleiding van het advies van de SER-commissie over de versnelling van de verduurzaming van de veehouderij. Elke veehouderijketen zal worden gevraagd daadkrachtige versnellingsagenda’s op te stellen met doelen, transitiepaden en de benodigde financiële middelen. Uw Kamer heeft gevraagd geen onomkeerbare stappen te zetten, daarom wordt verdere besluitvorming overgelaten aan een volgend kabinet.

Handreiking veehouderij en volksgezondheid

Sinds het verschijnen van het VGO-rapport en de onderliggende rapporten komen er vragen aan en van provincies, gemeenten en omgevingsdiensten. Daarbij gaat het onder andere om vragen wat deze rapporten betekenen voor de beoordeling van aanvragen van een omgevingsvergunning voor veehouderijen, voor nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande vergunningvrije veehouderijen en voor het ruimtelijk beleid van provincies en gemeenten. De Staatssecretaris van IenM laat daarom een «Handreiking veehouderij en volksgezondheid» voor andere overheden opstellen om hen op dit punt te ondersteunen. Uit een peiling onder het netwerk van agrarische gemeenten blijkt dat er grote behoefte aan deze handreiking is. Rijkswaterstaat (RWS) heeft reeds enkele belangrijke vragen en antwoorden die in deze handreiking aan de orde komen online gezet (www.infomil.nl).

Lopende onderzoeken

Endotoxinen

In de brief van 7 juli 2016 hebben wij u ook geïnformeerd over het rapport «emissies van endotoxinen uit de veehouderij». Dit in de zomer van 2016 gereed gekomen onderzoek was een tussenstap. De uitgevoerde metingen en berekeningen waren nog zeer oriënterend van aard. Meer metingen en betere berekeningen zijn nodig. De Staatssecretaris van IenM heeft reeds opdracht voor de volgende fase van dit onderzoek verleend. Dit moet uiteindelijk leiden tot een beoordelingsinstrumentarium. Te zijner tijd zal worden bezien op welke wijze dit beoordelingsinstrumentarium en de normstelling voor endotoxinen zullen worden verwerkt in de AmvB’s onder de Omgevingswet.

Uit het onderzoek naar endotoxinen is gebleken dat overschrijding van de adviesgrenswaarde in de omgeving van bepaalde stallen mogelijk is (zie de brief van 7 juli 2016 (Kamerstuk 28 973, nr. 181)). Toepassing van deze adviesgrenswaarde is in 2012 door de Gezondheidsraad geadviseerd. Bij die advisering waren er aanzienlijke onzekerheden in de onderbouwing. In vervolgonderzoek zal ook worden gekeken of die onderbouwing kan worden verbeterd. Dit programma wordt naar verwachting in 2018 afgerond. Dan wordt duidelijk of een norm voor endotoxinen voor de buitenlucht kan worden ingevoerd.

Het tot op heden uitgevoerde onderzoek naar endotoxinen heeft veel kennis opgeleverd over de relatie tussen veehouderij en volksgezondheid. Verwerking van die kennis in een modelleringsinstrument zal gemeenten informatie bieden over de gezondheidslast van een bedrijf waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Voor de verdere ontwikkeling van zo’n instrument hebben de provincie Noord-Brabant en de Staatssecretaris van IenM een opdracht gegeven.

Aanvullende studie VGO-onderzoek

De aanvullende studie die in het kader van het VGO-onderzoek is uitgevoerd, zit in de afrondende fase. Wij verwachten uw Kamer het rapport van deze studie voor het aankomende zomerreces te kunnen toezenden.

Adviesaanvraag Gezondheidsraad

Verder heeft de Staatssecretaris van EZ, mede namens de Minister van VWS en de Staatssecretaris van IenM, de Gezondheidsraad gevraagd te adviseren over effecten van secundair fijnstof op de volksgezondheid, ten gevolge van de emissie van ammoniak. Ook is gevraagd naar algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de rol van fijnstof uit veehouderijen in het optreden van hart- en vaatziekten en longkanker. De Gezondheidsraad zal dit advies naar verwachting eind 2017 opleveren.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Naar boven