Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202028760 nr. 102

28 760 Meerjarenplan Alfabetisering

Nr. 102 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 juli 2020

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief inzake voortgang uitwerking vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024 (Kamerstuk 28 760, nr. 99) en de brief met de reactie op het verzoek van de commissie over de brief van een aantal taalambassadeurs over de vervolgaanpak van laaggeletterdheid (Kamerstuk 28 760, nr. 100).

De vragen en opmerkingen zijn op 8 juni 2020 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 8 juli zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

Adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic

Inhoud

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

     

II

Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

9

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van de lees- reken- en digitale vaardigheden van inwoners van Nederland en maken zich zorgen over de afnemende vaardigheden van zowel jongeren als volwassenen. De leden hebben kennisgenomen van de brief en de bijbehorende OESO1-rapporten.

De OESO stelt vast dat de gemeenten in Nederland slechts fragmentarisch kwaliteitsbeleid over volwasseneneducatie voeren, en dat er grote verschillen zijn tussen grote en kleine gemeenten. Bovendien is er geen landelijk kwaliteitskader voor het non-formele aanbod, waar vrijwilligers vaak een rol spelen. Daarom raadt de OESO aan om ook een landelijk kwaliteitssysteem in te richten met twee typen kwaliteitslabels: een basislabel voor vrijwilligersorganisaties en andere non-formele aanbieders, en een pluslabel voor organisaties die vooral met professionals werken. De leden onderschrijven het belang van kwaliteitsbeleid, maar lezen in de brief wel heel veel bureaucratie. Hoe voorkomt de Minister dat nieuwe of grotere bureaucratie de effectiviteit van de vervolgaanpak in de weg gaat staan? Op welke manier gaat de Minister ervoor zorgen dat er meer inzicht komt in het kwaliteitsbeleid, voornamelijk bij het non-formele aanbod, zonder dat een nieuw kwaliteitslabel opgezet hoeft te worden?

Voorts lezen de leden dat de Minister met gemeenten heeft afgesproken dat de regionale plannen die zij medio 2020 opleveren tot uiterlijk eind 2020 kunnen aanvullen met de onderdelen monitoring en kwaliteit en dat de OESO-aanbevelingen hierbij de leidraad vormen. Op welke manier zal de Minister de bestuurlijke plannen toetsen op de OESO-aanbevelingen? Wordt deze leidraad een harde eis, zo vragen de leden. Wat is de consequentie als deze eis niet wordt behaald?

De leden lezen ook dat gemeenten de regionale plannen eind 2020 gereed moeten maken. De leden vragen op welke manier wordt voorkomen dat allerlei verschillende «potjes» worden opgezet, en dat er werk wordt gemaakt van het ontschotten van de verschillende geldstromen. De leden willen graag dat geld beschikbaar komt voor structurele maatregelen die de gemeentegrenzen overstijgen. Hoe gaat de Minister dat waarborgen?

Ook vragen de leden in hoeverre de Minister met haar collega van SZW2 in overleg is om ervoor te zorgen dat in de regionale aanpakken ook ruimte is om de Nederlandse taalvaardigheid van in Nederland werkende EU-arbeidsmigranten te verbeteren. Juist in de (arbeidsmarkt)regio’s moet daarvoor aandacht zijn met de programma’s Tel mee met Taal.

De vragen ook welke rol digitalisering en het ontwikkelen van digitale vaardigheden binnen de nieuwe regionale plannen spelen. Tevens vragen zij welke rol de openbare bibliotheken kunnen spelen in het vergroten van de digitale vaardigheden van Nederlanders, een onderwerp waar de leden al eerder aandacht voor hebben gevraagd onder andere tijdens het schriftelijk overleg 29 mei 2020 over het stelsel van de openbare bibliotheken.

Voorkomen van laaggeletterdheid is beter dan genezen. Daarom vragen de leden om meer aandacht voor laaggeletterdheid bij kinderen en jongeren. De resultaten van de PISA3 2018 laten opnieuw een daling zien van de kennis en vaardigheden op het gebied van taal bij Nederlandse vijftienjarigen. Zestig procent van de ondervraagde leerlingen geeft aan dat zij enkel lezen «als het moet». Hoe verklaart de Minister de grote verschillen tussen Nederland en andere landen? Hoe laat de Minister de relatie tussen «vroege» laaggeletterdheid (vijftienjarigen) en laaggeletterdheid bij volwassenen meewegen in haar beleidskeuzes? In hoeverre heeft deze Minister een aanpak tegen laaggeletterdheid bij kinderen en hoe staat die in verband met haar aanpak bij volwassenen?

Deze leden zijn op de hoogte van het traject Curriculum.nu, waarbij ook het vak Nederlandse taal en letterkunde onderwerp is van hervorming. De leden vragen of de Minister bereid is om al eerder dan bij de uitvoering van Curriculum.nu met effectieve maatregelen te komen om laaggeletterdheid op scholen tegen te gaan en op welke manier de Minister dit aan wil pakken.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brieven inzake meerjarenplan alfabetisering van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De leden willen hun complimenten uitspreken voor de inzet van alle partijen bij het programma «Samen aan de slag voor een vaardig Nederland». Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden vragen net als voorgaande keren dat we spraken over laaggeletterdheid aandacht voor de doelgroep laaggeletterden met Nederlands als eerste taal. In het document «Samen aan de slag voor een vaardig Nederland» staat dat ruim twee derde van de laaggeletterden bestaat uit de NT14 doelgroep. Helaas bestaat minder dan 20 procent van het aantal deelnemers binnen het lesaanbod uit de NT1 doelgroep. Welke concrete doelstelling is er om deze groep beter te bereiken en gebruik te laten maken van het lesaanbod?

De leden hebben kennisgenomen van de vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024, waarin de Minister het doel stelt dat elke gemeente binnen vijf jaar mee moet doen. Hoe staat het met deze doelstelling? Tegen welke problemen lopen de gemeenten tegenaan? Wat zou de rijksoverheid daaraan kunnen doen? Ook zijn voornoemde leden benieuwd naar de resultaten van de bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid. Wanneer verwacht de Minister de Kamer inzicht te kunnen geven in de verzamelde informatie en gegevens?

De leden zijn benieuwd wat de stand van zaken is rondom de ICT-tool die ontwikkeld zou worden om monitoringsgegevens te kunnen verzamelen. Wanneer kan de Kamer de eerste monitoring verwachten? Deze leden willen ook graag van de Minister weten wat er tot nu toe gebeurd is met het aangenomen voorstel om met werkgevers in sectoren waar laaggeletterdheid veel voorkomt in te zetten om werknemers te helpen. Welke invloed heeft de coronacrisis op deze afspraken?

De leden vragen de Minister wat de invloed van de coronacrisis op de aanpak van laaggeletterdheid is. Heeft er een omslag plaatsgevonden naar meer digitale methodes? Zo ja, hoe is dat gegaan? Is er ook gekeken naar eerder door deze leden geopperde inzet op leesvaardigheid via een gratis app? Ook is er een vrees dat laaggeletterden in een meer digitaal tijdperk voor nog meer ongelijkheid gaat zorgen. Bijvoorbeeld doordat een groep mensen beperkt toegang heeft tot een goede computer en/of tablet? Ziet de Minister dit risico ook? Zo ja, wat gaat zij daar tegen doen? Zo nee, waarom niet?

Het aantal getrainde vrijwilligers neemt vanaf 2017 af, zo is te lezen op de website die de resultaten bijhoudt van de aanpak van laaggeletterdheid. Wat is de reden hiervoor, zo willen deze leden weten. Kan de Minister in beeld brengen wat vrijwilligers ervan weerhoudt om zich in te zetten voor laaggeletterden? Hoe kunnen de rijksoverheid, gemeenten en maatschappelijk partners deze belemmeringen wegnemen?

De leden lazen een voorstel van 250 academici, schrijvers en theatermakers in de Volkskrant van 1 juni 2020 om professionele verhalenvertellers die noodgedwongen thuis zitten door de coronacrisis in te zetten bij het aanmoedigen van laaggeletterde jongeren.5 Wat vindt de Minister van dit plan? Is helder wat hiervoor nodig zou zijn? Ziet de Minister een rol voor haar ministerie weggelegd als het gaat om het samenbrengen van bepaalde organisaties, zoals de Leescoalitie, de Schoolschrijver, de Akademie van Kunsten, de universitaire wereld, de Schrijverscentrale, de Auteursbond en anderen?

Tot slot vinden de leden dat preventie van laaggeletterdheid de basis moet zijn van het beleid. De groeiende groep jongeren die laaggeletterd school verlaat, is een grote zorg en zal ook door de leden worden ingebracht bij het debat rondom Curriculum.nu. Deelt de Minister deze zorgen, zo vragen zij.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken op de agenda van het schriftelijk overleg over laaggeletterdheid. Deze leden willen de Minister nog enkele vragen en opmerkingen voorleggen.

De leden constateren dat de vervolgaanpak laaggeletterdheid inzet op een vaardiger Nederland. Deze leden constateren dat ondertussen de instroom van de groep laaggeletterden blijft toenemen. De Staat van het Onderwijs constateert dat in 2019 24 procent van de 15-jarigen dusdanig laaggeletterd is dat zij niet goed kan meekomen in de maatschappij, terwijl dit in 2003 nog 11 procent is6. Kan de Minister aangeven wat het beleid is om de toename van laaggeletterden uit het funderend onderwijs te remmen?

De leden zijn positief gestemd over de bestuurlijke afspraken tussen het Rijk en de VNG7 over de aanpak van laaggeletterdheid, die ongelijkheid tussen de gemeentes het hoofd biedt. Elke laaggeletterde burger moet kunnen rekenen op adequate ondersteuning en scholing ongeacht zijn of haar woonplaats. In de afspraken is onder andere het volgende overeengekomen: «In elke arbeidsmarktregio is uiterlijk medio 2020 in een regionaal programma laaggeletterdheid beschreven hoe bovenstaande gezamenlijke doelstellingen worden behaald. Hierbij is een aanpak geformuleerd met herkenbare mijlpalen en meetbare subdoelstellingen [...] op basis waarvan monitoring in de periode 2021–2024 mogelijk is».8 Kan de Minister aangeven of inmiddels elke arbeidsregio hieraan heeft voldaan? Zijn de subdoelstellingen volgens de Minister van een afdoende niveau? Zo nee, kan de Minister aangeven welke stappen er worden ondernomen om het ambitieniveau van de betreffende arbeidsmarktregio te verhogen? De bestuurlijke afspraken zijn vooral gericht op het monitoren en bevorderen van het lesaanbod voor de huidige generatie laaggeletterden. Kan de Minister toelichten hoe de bestuurlijke afspraken bijdragen aan de preventie van toekomstige generaties laaggeletterden?

De leden zijn positief gestemd over het besluit om het non-formele aanbod van volwassenenonderwijs landelijk te monitoren. Beter inzicht in de effectiviteit van het huidige beleid is een belangrijke stap in het verminderen van laaggeletterdheid. De OESO concludeert dat met name kleine gemeentes ondersteuning behoeven bij het monitoren van volwasseneneducatie. Kan de Minister toelichten hoe zij erop toeziet dat gemeenten de benodigde ondersteuning ontvangen bij monitoring, wanneer de assistentie van de OESO in 2021 ophoudt? Ziet de Minister hier een rol weggelegd voor het beoogde expertisecentrum?

De leden vragen de Minister of zij een beeld heeft van het aandeel non-formeel volwasseneneducatie dat niet zal voldoen aan het basislabel van de toekomstige kwaliteitslabels. Kan de Minister toelichten of aanbieders van ondermaats non-formeel volwassenenonderwijs ondersteuning zullen ontvangen om hun aanbod te verbeteren, zo vragen deze leden. Zo ja, op welke wijze?

De leden vragen de Minister welke onderzoeksthema’s prioriteit hebben bij de komst van de nieuwe onderzoeksagenda van het expertisecentrum basisvaardigheden.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de Minister inzake de voortgang van de uitwerking van de vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024 van 6 januari jl.9 Deze leden waarderen de inzet van het kabinet voor de 2,5 miljoen mensen in Nederland die moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden lezen dat het interdepartementale Tel mee met Taal programmateam is begonnen met het uitwerken van de indicatoren van een landelijk registratiesysteem en monitor.10 De OESO beveelt aan in haar rapport om gebruik te maken van een minimumaantal verplichte indicatoren voor gegevensverzameling. Hierbij draagt de OESO een reeks variabelen aan.11

Gelet op de bijkomende administratieve lasten hiervan en de huidige disbalans in het basisonderwijs die grote werkdruk veroorzaakt, vragen de leden of de Minister kan aangeven of aanvullende indicatoren voor gegevensverzameling worden opgenomen. Zo ja, welke?

Voorts vragen de leden of de Minister bekend is met de resultaten van het meest recente Pisa-onderzoek12 waaruit blijkt dat onder andere de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren fors gedaald is. Hoe verklaart de Minister de daling van deze specifieke vaardigheid? En wat betekent deze uitkomst voor het aantal laaggeletterden in Nederland?

Tevens vragen de leden of de Minister het met deze leden eens is dat als blijkt dat het onderwijsniveau in goede economische tijden al daalde, te verwachten valt dat dit in mindere economische tijden zoals de huidige, nog meer zal dalen. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zet de Minister in op de aanpak van laaggeletterdheid in economisch mindere tijden?

Deze leden vragen voorts op welke manier bij de aanpak van laaggeletterdheid wordt gelet op de extra kwetsbare groepen binnen deze doelgroep. Constateert de Minister, samen met deze leden, ook dat kansenongelijkheid al bestaat in de periode voordat kinderen naar school gaan? Zo nee, waarom niet?

Tot slot vragen de leden of de Minister het met deze leden eens dat een aantal dagdelen per week gratis kinderopvang een oplossingsrichting biedt om die kansenongelijkheid op te heffen. Zo nee, waarom niet, zo vragen zij.

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de nieuwe aanpak van laaggeletterdheid. In de Staat van het Onderwijs is te lezen dat de groep leerlingen die moeite heeft met lezen groeit. Volgens de OESO is 24 procent van de Nederlandse 15-jarigen dermate laaggeletterd dat zij niet voldoende kunnen meekomen in de maatschappij. De leden zijn hier zeer bezorgd over. De leden hebben daarom gemengde gevoelens bij deze aanpak en zijn van mening dat het taalonderwijs niet aan de markt moet worden overgelaten, maar dat de overheid de regie in handen moeten nemen. Taalonderwijs zou, net als de overige onderwijssectoren, in publieke handen moeten zijn.

De beste manier om taalachterstanden te voorkomen is goed taal- en rekenonderwijs op de basisschool en middelbare school. De aanpak van laaggeletterdheid begint daarom al voor de basisschool. Kinderen van ouders die moeite hebben met lezen en schrijven, lopen extra risico om met een taalachterstand aan de basisschool te beginnen. Volgens de SER13 gaan kinderen uit een omgeving met een groot risico minder vaak naar de voorschool, wat de kansenongelijkheid vergroot.14 De leden zijn benieuwd of de Minister in kaart heeft gebracht welk percentage kinderen een doorverwijzing naar de voorschool krijgt en welk percentage daarvan daadwerkelijk naar de voorschool gaat.

Tegelijkertijd werken taalachterstanden door de coronacrisis nu door in het thuisonderwijs. De leden zijn benieuwd hoe de Minister ervoor zorg gaat dragen dat juist deze kinderen geen verdere taalachterstand gaan oplopen.

De leden zijn van mening dat landelijke regie binnen de aanpak van laaggeletterdheid en volwasseneducatie ontbreekt. Het beleid verschilt per gemeente en soms is er nauwelijks beleid. In elke gemeente zou er een laagdrempelige plek moeten zijn waar mensen terecht kunnen voor een taalcursus of opleiding. De laden vragen de Minister of zij bereid is om er voor zorg te dragen dat er in iedere gemeente een dergelijke plek is. Daarnaast menen de leden dat er veel verschillende potjes voor de aanpak van laaggeletterdheid en volwasseneducatie zijn, en dat deze slimmer ingezet kunnen worden met landelijke regie en structurele middelen. De leden vragen of de Minister van plan is om de regie te nemen en een duidelijke structuur op te zetten, en waar mogelijk het ontschotten van middelen.

De leden maken zich zorgen over mensen die moeite hebben met lezen en schrijven in een samenleving die op dit moment gedomineerd wordt door het coronavirus. De maatregelen die nu genomen worden in verband met het coronavirus zijn niet altijd even gemakkelijk voor mensen die moeite hebben met lezen en schrijven. Volgens de Stichting Lezen en Schrijven waren veel laaggeletterden kritisch over de begrijpelijkheid en de toegankelijkheid van de overheidscommunicatie. Op welke manier komt de Minister laaggeletterden tegemoet en zorgt zij ervoor dat deze mensen de juiste informatie krijgen, zo vragen de leden.

De leden zien een verantwoordelijkheid voor werkgevers in de aanpak van laaggeletterdheid. Basisvaardigheden zouden onderdeel moeten worden van beroepsmatige bijscholing, met name in sectoren waar laaggeletterden oververtegenwoordigd zijn. Werkgevers hebben belang bij werknemers die de basisvaardigheden beheersen. Onvoldoende beheersing belemmert mogelijk de mogelijkheid om ergens anders aan de slag te gaan. Flexwerkers en zzp’ers worden hard geraakt in deze coronacrisis, waardoor het voor hen zeker van belang is om hun basisvaardigheden bij te houden. De leden vragen op welke wijze werkgevers nu verantwoordelijk zijn voor de basisvaardigheden van hun werknemers en op welke wijze de subsidies voor werkgevers hieromtrent beter benut kunnen worden.

Daarnaast zijn de leden ervan overtuigd dat de marktwerking het taalonderwijs in Nederland geen goed heeft gedaan. In het huidige systeem kan iedereen een taalschool oprichten en het moet allemaal zo goedkoop mogelijk. In hoeverre wordt de kwaliteit van het onderwijs gegarandeerd, zo vragen de leden. Zij vragen daarnaast of de Inspectie van het Onderwijs niet beter de kwaliteit van het onderwijs kan controleren dan Blik op Werk. De leden vragen of de Minister het met de leden eens is dat de marktwerking in het taalonderwijs gesloopt moeten worden en dat het taalonderwijs moet worden ondergebracht bij roc’s15, waar de kwaliteit van het onderwijs gecontroleerd kan worden.

Inbreng van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nadere informatie die de Minister in haar brief heeft verstrekt over het nieuwe kwaliteitskader voor het non-formele aanbod van volwasseneneducatie, de nieuwe landelijke monitor en registratie van deelnemers en de oprichting van een expertisecentrum basisvaardigheden. Het valt deze leden echter op dat zij nergens verwijst naar het waardevolle advies Samen werken aan taal dat de SER in april 2019 heeft uitgebracht over de aanpak van laaggeletterdheid. Vorig jaar meldde de Minister naar aanleiding daarvan nog dat zij samen met de SER en de partners in de SER zeer gemotiveerd was om de aanpak de komende jaren niet alleen voort te zetten maar er ook een tandje bij te zetten16. Kan de Minister systematisch uiteenzetten in hoeverre zij inmiddels vervolg heeft gegeven aan dit advies?

Vorig jaar signaleerde de Inspectie van het Onderwijs in de Staat van het Onderwijs dat het aandeel leerlingen dat onvoldoende taalvaardig het basisonderwijs verlaat weer was gestegen en dat circa 18 procent van de 15-jarigen beschikte over onvoldoende basistaalvaardigheden. In de Staat van het Onderwijs dat dit jaar verscheen, is het beeld op dit punt niet bijster gunstiger: een kwart van de 15-jarigen in Nederland beschikt over onvoldoende leesvaardigheden om mee te kunnen doen in de maatschappij. Eigenlijk is het heel pijnlijk dat laaggeletterdheid ook in sterke mate een verschijnsel is dat van onderop groeit. Hoe denkt de Minister over het pleidooi van de Stichting Lezen en Schrijven17 dat geen kind meer laaggeletterd van school gaat. Deelt zij de visie dat het voorkomen dat iemand met te lage taalvaardigheden van school gaat, de beste en goedkoopste manier is om laaggeletterdheid op de lange termijn aan te pakken? Zo ja, welke consequenties verbindt zij daaraan? Is zij bereid om in het bijzonder aandacht te schenken aan de hulp aan laagtaalvaardige gezinnen, zoals de Stichting Lezen en Schrijven bepleit?

Op 2 juli 2019 heeft de Kamer met het aannemen van de motie van het lid Van den Hul c.s.18 de regering verzocht in kaart te brengen hoe de verhouding tussen informeel en formeel aanbod voor laaggeletterden er momenteel uitziet, en daarbij inzichtelijk te maken bij hoeveel roc’s laaggeletterden nog terechtkunnen. Hoe staat het nu precies met de uitvoering van deze motie? Kan de Minister melden bij hoeveel roc’s laaggeletterden nog terechtkunnen? De Minister meldt dat gemeenten zich inmiddels hebben gecommitteerd aan een kwaliteitsimpuls voor het non-formele aanbod. De OESO constateert echter dat gemeenten slechts fragmentarisch kwaliteitsbeleid voeren19. Tegelijkertijd signaleert de Stichting Lezen en Schrijven: «Waar in alle onderwijssectoren het Rijk de regie neemt en leermogelijkheden goed georganiseerd zijn, ontbreekt binnen de volwasseneneducatie een structurele aanpak.» De leden vragen of de Minister kan reageren op de gedachte dat een plek in elke gemeente waar je terecht kunt voor een taalcursus, een opleiding of baanbegeleiding een effectieve inzet betekent van middelen op lokaal niveau voor taalverbetering en aanpak laaggeletterdheid binnen het sociaal domein en het geld dat nu daarvoor beschikbaar is, zo slimmer kan worden ingezet.

Beleid om laaggeletterdheid tegen te gaan, kan niet volkomen los staan van het beleid voor een leven lang ontwikkelen. De leden hebben herhaaldelijk aandacht gevraagd voor laaggeletterdheid bij mensen die zich op afstand van de arbeidsmarkt bevinden, zoals uitkeringsgerechtigden, maar ook de zogenoemde NUG’ers20, die te vaak buiten beeld blijven. Door de coronacrisis ontstaan daarnaast nieuwe categorieën kwetsbaren, waaronder flexwerkers en zzp’ers. Door hun beperkte financiële reserves worden zij hard getroffen door de crisismaatregelen. Onvoldoende beheersing van de basisvaardigheden belemmert hen in de mogelijkheid om ergens anders aan het werk te gaan. Wat gaat de Minister doen om ook voor deze groepen beroepsmatige (om)scholing te faciliteren?

Robotisering, digitalisering en structurele veranderingen op de arbeidsmarkt maken voldoende beheersing van digitale vaardigheden tot een voorwaarde voor zelfredzaamheid, maar een groeiende groep heeft steeds meer moeite om zich met digitale vaardigheden te redden. Hoe denkt de Minister over een samenhangende aanpak voor digitale inclusie, ook voor laaggeletterden? Ziet zij wat dit betreft nog kansen in een koppeling van het programma digitale inclusie van het Ministerie van BZK21 aan het programma Tel mee met Taal, zo vragen de leden.

Inbreng van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat het aantal laaggeletterden groeit. Van de jongeren is 24 procent dermate laaggeletterd dat zij niet voldoende kunnen meekomen in de maatschappij. Ongeveer 60 procent van de leerlingen leest alleen als het moet of om informatie op te zoeken en 40 procent vindt lezen tijdverspilling. Van de 15-jarigen vindt één op de drie zichzelf geen goede lezer. Hoe kan dit aantal zo groot zijn? Wat zijn de achterliggende oorzaken?

De leden maken zich erg zorgen en schrikken van het bovenstaande cijfers. Zeker de reden dat 40 procent van de jongeren zeggen dat zij lezen tijdverspilling vinden. Er zijn namelijk veel ouderen die nooit de kans hebben gekregen om regelmatig te kunnen lezen. Het aantal laaggeletterden ouderen is namelijk erg groot. Deze ouderen kunnen hier echter vaak niks aan doen. Veel ouderen moesten al op jonge leeftijd beginnen met werken waardoor school vaak door de ouders als minder belangrijk werd gezien. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de huidige jongeren inzien dat lezen erg belangrijk is en dat zij hierdoor door intrinsieke motivatie gaan lezen?

In het de Staat van het Onderwijs staat aangegeven dat mensen die laaggeletterd zijn een cursus kunnen volgen. De leden zijn erg blij dat deze cursussen worden aangeboden. Een groep mensen zal hier zeker baat bij hebben. Er is echter ook een grote groep die geen cursus zal kunnen volgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan oudere mensen. Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze mensen meekomen in de maatschappij?

Ook willen deze leden aandacht besteden aan de ontwikkelingen omtrent corona en laaggeletterdheid. Veel laaggeletterden gaven aan dat de persconferentie vaak te ingewikkeld is om te volgen. Hoe kunnen we er in de toekomst voor zorgen dat mensen dit makkelijker kunnen volgen?

Veel mensen die laaggeletterd zijn schamen zich. Dit zorgt er mede voor dat het voor hun een hele grote stap is om überhaupt toe te geven dat zij laaggeletterd zijn. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de drempel voor deze groep om hulp te zoeken lager wordt?

Tot slot vinden de leden het belangrijk dat het Rijk meer de regie neemt. Elke gemeente moet een plek hebben waar een taalcursus wordt gegeven. Kleinschalige initiatieven en projecten zijn een goed middel. We moeten hier echter niet afhankelijk van zijn. Elke inwoner in elke gemeente moet binnen hun eigen gemeente een cursus kunnen doen. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat er landelijke regie genomen gaat worden, zo vragen de leden.

II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, CDA, D66, GroenLinks, SP, PvdA en 50PLUS. Ik dank de leden voor hun inbreng. Hieronder beantwoord ik u vragen. In mijn beantwoording houd ik de volgorde van de inbreng aan.

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen hoe ik ga voorkomen dat nieuwe of grotere bureaucreatie de effectiviteit van de vervolgaanpak rond het kwaliteitsbeleid in de weg staat.

In de brief van 6 januari jl. aan uw Kamer over de voortgang van de uitwerking van de vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024, heb ik benadrukt dat ik bij de uitwerking van het kwaliteitslabel zoveel mogelijk aansluiting zoek bij bestaande kwaliteitskaders en -aanpakken.22 Ik breng hierbij in herinnering dat de VVD fractie in het AO van 13 juni 2019 over de aanpak van laaggeletterdheid zelf pleitte voor «een centraal toezichtskader met duidelijke, landelijk geaccrediteerde kwaliteitsafspraken.»23 Het OESO-advies is toegesneden op deze wens.

Inmiddels heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de inhoud van elf verschillende kwaliteitskaders en -aanpakken die momenteel in gebruik zijn bij aanbieders van cursussen basisvaardigheden. Deze kwaliteitskaders en -aanpakken vertonen een grote diversiteit qua opzet en invulling. Het gaat bijvoorbeeld om laagdrempelige zelf-evaluaties en checklists, maar ook om kwaliteitskaders die zijn toegesneden op bijvoorbeeld inburgeringsonderwijs. De meeste van deze kaders en aanpakken zijn niet specifiek toegespitst op non-formeel onderwijs aan laaggeletterde volwassenen. Een nieuw kwaliteitslabel, specifiek voor aanbieders van deze cursussen in basisvaardigheden, voorziet in deze lacune. Het nieuwe kwaliteitslabel zal stapsgewijs ingevoerd worden en gemeenten en aanbieders zullen op verschillende manieren ondersteund worden in de transitiefase.

De leden vragen voorts op welke manier de regionale plannen worden getoetst, en welke eisen hierbij gelden.

Ik heb met gemeenten afspraken gemaakt over de inhoud van de regionale programma’s voor de aanpak van laaggeletterdheid. Zo verwacht ik dat gemeenten binnen hun regio’s werken aan betere monitoring, bevordering van kwaliteit en aan het vergroten van het bereik van de doelgroep. Daarvoor is samenwerking met het sociale domein en met werkgevers van groot belang. De precieze invulling van de regionale programma’s zal verschillen, op basis van de lokale situatie en specifieke prioriteiten. Er gelden dus geen harde, landelijke eisen voor wat betreft de inhoud van de regionale programma’s. Zowel de inhoud, als de voortgang bij de uitvoering van deze programma’s, zullen wel door een onafhankelijk onderzoeksbureau worden geanalyseerd. Mocht de analyse hier aanleiding toe geven, dan zal ik het gesprek met de betreffende gemeenten aan gaan. Verder betrek ik de kwaliteit en het ambitieniveau van de regionale programma’s, en de voortgang die gemeenten boeken bij de uitvoering, bij mijn besluitvorming over een eventueel verdere versoepeling van de bestedingsregeling van de uitkering voor volwasseneneducatie.

De leden van de VVD-fractie vragen verder hoe wordt voorkomen dat gemeenten hun aanpak van laaggeletterdheid uit allerlei verschillende potjes bekostigen en hoe ik kan waarborgen dat er geld beschikbaar komt voor structurele maatregelen die de gemeentegrenzen overschrijden.

Ik ben het met deze leden eens dat het onwenselijk zou zijn als het beleid, en de financiering hiervan, versnipperd of verkokerd zouden zijn. Daarom zijn gemeenten bij wet verplicht om bij de besteding van hun middelen samen te werken op regionaal niveau. Gemeenten kopen op het niveau van de arbeidsmarktregio gezamenlijk cursusaanbod in en stellen een gezamenlijk regionaal programma op. In de bestuurlijke afspraken met de VNG heb ik bovendien afgesproken dat gemeenten bij de invulling van hun regionale programma streven naar het ontschotten van geldstromen tussen educatie en het sociaal domein. De Stichting Lezen en Schrijven ondersteunt gemeenten hier inhoudelijk en organisatorisch bij.

Daarnaast vragen de leden in hoeverre er overleg is met de Minister en Staatssecretaris van SZW om ervoor te zorgen dat ook aandacht wordt besteed aan de taalvaardigheid van in Nederland werkende EU-arbeidsmigranten.

Ik werk nauw samen met mijn collega’s van SZW bij de aanpak van laaggeletterdheid en taalachterstanden. Arbeidsmigranten vormen een belangrijke doelgroep van de verschillende maatregelen en worden over het algemeen ook goed bereikt, zowel via het cursusaanbod van gemeenten als via de subsidies voor taalcursussen op de werkvloer. 80% van deze taalcursussen bereikt arbeidsmigranten, waarvan het merendeel uit de EU afkomstig is.24 De uitdaging is daarmee eerder om ook andere groepen dan arbeidsmigranten te bereiken. Gemeenten herkennen deze uitdaging ook en besteden hier in hun regionale programma’s aandacht aan.

De leden van de VVD-fractie vragen ook welke rol digitalisering en het ontwikkelen van digitale vaardigheden binnen de nieuwe regionale plannen spelen. Daarnaast vragen zij welke rol de openbare bibliotheken kunnen spelen in het vergroten van digitale vaardigheden.

In de bestuurlijke afspraken met de VNG heb ik afgesproken dat gemeenten in hun regionale programma’s aandacht besteden aan alle basisvaardigheden, inclusief digitale vaardigheden. Ik zal laten monitoren in hoeverre dit daadwerkelijk gebeurt. Afhankelijk van de regionale uitdagingen en behoeften van doelgroepen, kunnen gemeenten beleid maken op digitalisering en het verbeteren van digitale vaardigheden en hun regionale plannen daarop toespitsen.

De openbare bibliotheken spelen via de Informatiepunten Digitale Overheid en de taalhuizen een rol bij het signaleren van digitale laaggeletterdheid. Bibliotheken hebben basistrainingen ontwikkeld en ondersteunen bewoners die moeite hebben met het gebruikmaken van digitale overheidsdiensten. Vrijwel alle bibliotheken bieden ondersteuning bij het doen van de digitale belastingaangifte en vijftien bibliotheken doen een proef met de ondersteuning bij andere overheidsdiensten. Deze proef wordt uitgevoerd in het kader van het BZK-programma digitale inclusie.

De leden vragen verder hoe ik de verschillen tussen Nederland en andere landen in het PISA-rapport kan verklaren. Daarnaast vragen de leden hoe de aanpak van laaggeletterdheid bij kinderen in relatie staat tot de aanpak van laaggeletterdheid bij volwassenen, en hoe ik dit laat meewegen in mijn beleidskeuzes.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media heeft uw Kamer op 3 december 2019 geïnformeerd over de PISA-resultaten.25 Daarin heeft hij aangekondigd dat hij nog verdiepend onderzoek wil laten doen naar toetsgedrag, motivatie en adaptief toetsen. Ook wil hij onderzoek laten doen naar het effect van digitaal lezen in de Nederlandse context van PISA en de relatie tussen leesvaardigheid en leesplezier naar geslacht, opleidingstype, opleidingsniveau van de ouders en thuistaal. Deze factoren verklaren mogelijk het lage leesplezier in Nederland. Uit het internationale PIAAC-onderzoek blijkt dat het percentage laaggeletterde jongvolwassenen in de beroepsbevolking (18–24 jaar) relatief lager is, ongeveer 5%.26

Met het programma Tel mee met Taal heb ik er bewust voor gekozen om de aanpak van laaggeletterdheid en het bevorderen van leesplezier en een educatieve thuisomgeving met elkaar te verbinden. Uit onderzoek blijkt namelijk dat het effectief is om laaggeletterdheid binnen in de context van het gezin aan te pakken, waarbij ouders, samen met, en in het belang van, hun kind werken aan taalvaardigheid. Dat kan bijvoorbeeld door voorlezen of het spelen van taalspelletjes op een tablet. In het programma Tel mee met Taal zijn jaarlijks middelen beschikbaar voor innovatieve projecten op dit gebied. Ook heb ik de Stichting Lezen en de Stichting Lezen en Schrijven verzocht om hun kennis over leesplezier, preventie bij kinderen en de aanpak bij volwassenen nog meer te delen, en aan gemeenten ter beschikking te stellen.

De leden van de VVD-fractie vragen tot slot of ik bereid ben om al eerder dan bij de uitvoering van Curriculum.nu met maatregelen te komen laaggeletterdheid op scholen tegen te gaan en zo ja, hoe ik dit aan wil pakken.

Ik heb in mijn reactie op het advies LEES! van de Onderwijsraad en Raad voor Cultuur van eind 2019 aangekondigd dat ik samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media een Leesoffensief start.27 In het kader van dit Leesoffensief zullen ook verschillende acties in het basis- en voortgezet onderwijs plaatsvinden. Daarnaast zet ik de komende jaren extra in op de uitbreiding van het succesvolle programma De Bibliotheek op School naar het voortgezet onderwijs. Na het zomerreces stuur ik u een brief over de stand van zaken bij de uitwerking van het Leesoffensief

Vragen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete doelstelling er is om de NT1-doelgroep beter te bereiken en gebruik te laten maken van het lesaanbod.

Ik heb met gemeenten afgesproken dat zij concrete doelstellingen formuleren als onderdeel van hun regionale programma’s. Hierbij zullen de ambities en mogelijkheden per regio verschillen, mede op basis van verschillen in de samenstelling van de doelgroep. Ter ondersteuning van de inzet van gemeenten werk ik aan een landelijke campagne die specifiek gericht zal zijn op taboedoorbreking en het stimuleren van een positieve leerhouding onder de NT1-doelgroep (de doelgroep met Nederlands als eerste taal).

De leden vragen verder wat de stand van zaken van zaken is van de doelstelling dat elke gemeenten binnen vijf jaar mee doet aan de vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024.

Ik verwacht dat alle regio’s eind dit jaar een meerjarenprogramma voor de aanpak van laaggeletterdheid gereed hebben en dat in het overgrote deel van de gemeenten een voorziening beschikbaar is in de vorm van een taalpunt, taalhuis of cursusaanbod. Gemeenten zullen bij de uitvoering van de regionale programma’s gebruik kunnen maken van praktische ondersteuning en expertise van de Stichting Lezen en Schrijven en het nieuwe expertisecentrum basisvaardigheden. Denk hierbij aan advies om bepaalde doelgroepen te bereiken, het opzetten van een regionale campagne of het trainen van baliemedewerkers bij de sociale dienst. Ik laat de uitvoering van de regionale programma’s de komende jaren bovendien nauwgezet monitoren en zal uw Kamer hier periodiek over rapporteren.

De leden vragen daarnaast wanneer ik verwacht de Kamer inzicht te kunnen geven in de resultaten van de bestuurlijke afspraken over laaggeletterdheid.

Op dit moment leggen de meeste regio’s de laatste hand aan hun regionale programma’s. Eind dit jaar verwacht ik over alle programma’s en plannen te beschikken. Ik ben voornemens uw Kamer voor de zomer van 2021 nader te informeren over de inhoud van de programma’s en zal, zoals ik op in mijn antwoord op de voorgaande vraag al aangaf, in de komende jaren periodiek rapporteren over de voortgang bij de uitvoering.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken rondom de ICT-tool die ontwikkeld zou worden om monitoringsgegevens te kunnen verzamelen.

Ik ben met het CBS in gesprek over het verzamelen van de monitorgegevens bij cursusaanbieders en heb aan ICTU de opdracht gegeven om een registratietool voor aanbieders te ontwikkelen. Deze zal later dit jaar beschikbaar komen. De bedoeling is om begin 2021 een pilot uit te voeren, waarbij het CBS bij een eerste groep van aanbieders registratiegegevens uitvraagt. Dit betreft gegevens over het bereik van de cursussen basisvaardigheden in 2020.

Ook willen de leden graag weten wat er tot nu toe is gebeurd met het aangenomen voorstel om met werkgevers in sectoren waar laaggeletterdheid veel voorkomt in te zetten om werknemers te helpen. De leden vragen welke invloed de coronacrisis heeft gehad op de afspraken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft u op 4 mei jl. geïnformeerd over de uitvoering van verschillende acties om werknemers in sectoren waar laaggeletterdheid veel voorkomt te ondersteunen.28 Ter uitvoering van de motie van de leden Segers en Jasper van Dijk (Kamerstuk 35 000 XV, nr. 24) is – samen met het UWV als uitvoerder van het Taalakkoord – met sociale partners geïnventariseerd of het huidige instrumentarium toereikend is en welke eventuele aanvullende acties mogelijk zijn. Daarbij zijn specifiek de sectoren betrokken waarin relatief veel laaggeletterden werkzaam zijn. Het UWV heeft de uitvoering van het Taalakkoord geïntegreerd in de werkzaamheden van de regionale leerwerkloketten voor werkgevers, werkenden en werkzoekenden, waarmee er duurzaam aandacht is voor het belang van het bevorderen van taalvaardigheid. Tevens is eind 2019 de subsidieregeling voor taalscholing van laaggeletterde werknemers via het actieprogramma Tel mee met Taal geëvalueerd. De tevredenheid over de aangeboden trajecten onder cursisten en werkgevers is over het algemeen hoog. Circa 80% van de trajecten is succesvol afgerond. Uit eerder onderzoek, dat in maart 2019 aan uw Kamer is toegezonden als onderdeel van de eindevaluatie van het actieprogramma Tel mee met Taal, bleek al dat circa 74% van de deelnemers aan een taaltraject merkbaar beter in staat is om vaardigheden toe te passen op het werk. Hoewel het aantal deelnemers aan de subsidieregeling al groot is, blijf ik de Tel mee met Taal subsidieregeling onder de aandacht brengen van werkgevers. Hiernaast ben ik momenteel in gesprek met de sociale partners en brancheorganisaties om te inventariseren welke verdere verbeterpunten en eventueel aanvullende activiteiten vanaf 2021 kunnen worden meegenomen in een geplande herziening van de subsidieregeling. Ter ondersteuning van mensen die door de coronacrisis hun werk dreigen te verliezen of al verloren hebben, komt deze zomer het crisispakket NL Leert Door, met ontwikkeladviezen en online scholing. Aan werkgevers die in aanmerking komen voor NOW-2 is een inspanningsverplichting gevraagd om medewerkers te stimuleren tot scholing.

De leden van de CDA-fractie vragen of de coronacrisis invloed heeft gehad op de aanpak van laaggeletterdheid en of er een omslag heeft plaatsgevonden naar meer digitale methodes. Daarnaast vragen de leden of ik deel dat er in een digitaal tijdperk risico is op meer ongelijkheid voor laaggeletterden of mensen met beperkt toegang tot een goede computer en/of tablet en zo ja, wat ik hier aan ga doen.

Waar mogelijk zijn cursussen op afstand doorgegaan. Bij anderstaligen ging dat beter dan bij mensen met Nederlands als eerste taal (NT1). Een deel van deze groep heeft namelijk geen computerfaciliteiten of is onvoldoende digitaal vaardig. Voor deze groep zijn online oefeningen en taalapps geen geschikt alternatief voor fysieke bijeenkomsten. De non-formele activiteiten in bibliotheken (koffie-uurtjes, leesactiviteiten) zijn in veel gevallen stopgezet omdat bibliotheken tot voor kort dicht waren en samenkomsten niet mogelijk waren. Deze activiteiten worden nu langzaam weer opgestart, maar het is nog niet duidelijk of alle deelnemers weer willen komen. Sommige aanbieders geven aan dat een deel van de doelgroep terughoudend is om deel te nemen aan bijeenkomsten.

Ik ben het met voornoemde leden eens dat het digitale tijdperk specifieke uitdagingen oplevert voor mensen die moeite hebben met het gebruiken van digitale technologie. Dit risico heeft de volle aandacht van het kabinet. In de afgelopen maanden hebben duizenden kinderen in het basis,- en voortgezet onderwijs de beschikking gekregen over een laptop of tablet voor hun schoolwerk. Ook hebben sommige aanbieders van cursussen voor laaggeletterden hun deelnemers aan leermiddelen geholpen. Branchevereniging NLdigital, de Alliantie Digitaal Samenleven, de Ministeries van BZK, OCW, EZK en VWS, SIVON, de PO-Raad, VO-raad, MBO Raad en NL2025 werken verder samen aan het initiatief Allemaal Digitaal. Dit betreft een grote inzamelingsactie van gebruikte laptops, om deze te verdelen onder de mensen die ze het hardst nodig hebben. Ook is gezorgd voor de juiste software, instructies en zo nodig een internetverbinding. Op de website www.allemaal-digitaal.nl kunnen donateurs terecht met hun digitale apparaten.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het aantal getrainde vrijwilligers vanaf 2017 afneemt en vragen of ik in beeld kan brengen wat vrijwilligers ervan weerhoudt om zich in te zetten voor laaggeletterden.

Ik heb geen signalen ontvangen dat vrijwilligers belemmeringen ervaren om zich in te zetten voor laaggeletterden. Er is ook geen tekort aan vrijwilligers. De belangrijkste reden voor de beperkte afname van het aantal nieuw getrainde vrijwilligers is dat er in de eerste jaren van het programma Tel mee met Taal nog weinig getrainde vrijwilligers waren en een grote potentiële groep dus nog bereikt kon worden. Ook zorgde de relatief hoge instroom van vluchtelingen in die jaren voor een grotere vraag naar taalmaatjes. In totaal zijn er nog altijd 29.656 getrainde vrijwilligers in Nederland die zich inzetten voor laaggeletterden, een aanzienlijk aantal.

Daarnaast vragen de leden wat ik vind van het plan om professionele verhalenvertellers in te zetten bij het aanmoedigen van laaggeletterde jongeren in het kader van de coronacrisis.

Ik vind dit een zeer sympathiek plan, dat goed past binnen het Leesoffensief. Het is positief dat deze partijen elkaar weten te vinden in deze tijd en dat zij samen met positieve energie aan de slag willen om ook in de coronatijd een bijdrage te leveren aan het vergroten van leesplezier. Ik ben dan ook met de initiatiefnemers in gesprek over hoe ik dit plan kan steunen, en hoop dat ik u in de brief over de stand van zaken van het Leesoffensief meer informatie kan geven hierover.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of ik hun zorgen deel over de groep jongeren die laaggeletterd de school verlaat.

Ik deel deze zorgen zeker en verwijs voor de maatregelen die ik samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media neem naar mijn antwoord op een vraag van dezelfde strekking van de leden van de VVD-fractie.

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie vragen naar het beleid om de toename van laaggeletterden uit het funderend onderwijs af te remmen.

Ik ben in mijn reactie op het advies LEES! van de Onderwijsraad en Raad voor Cultuur van eind 2019 samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media ingegaan op de verschillende acties die in het funderend onderwijs, en via aanvullende programma’s zoals Boekstart, de Bibliotheek op School en de Schoolschrijver, worden genomen. Ik deel de zorgen van voornoemde leden: er is de komende jaren een extra inspanning nodig. Daarom heb ik een Leesoffensief aangekondigd. Na het zomerreces kom ik terug op de voortgang voor wat betreft de uitwerking van dit Leesoffensief.

De leden vragen voorts naar de regionale programma’s voor de aanpak van laaggeletterdheid, die onder regie van gemeenten worden opgeleverd.

Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord dat ik gegeven heb aan de leden van de CDA-fractie, namelijk dat ik voornemens ben u voor de zomer van 2021 nader te informeren over de inhoud van de programma’s.

De leden van de D66-fractie vragen naar de plek die de preventie van laaggeletterdheid heeft binnen de bestuurlijke afspraken.

Als het gaat om preventie zijn gemeenten verantwoordelijk voor de voor- en vroegschoolse educatie, onderwijsachterstanden en jeugd- en bibliotheekbeleid. Veel gemeenten werken met een Lokale Educatieve Agenda, waarin hun inzet op deze gebieden is uitgewerkt. Daarbij wordt veelal ook aandacht besteed aan gelijke kansen en voortijdig schoolverlaten. Ik heb met de VNG afgesproken dat gemeenten bij de uitwerking van hun regionale programma’s voor de aanpak van laaggeletterdheid de verbinding leggen met hun Lokale Educatieve Agenda’s en het bibliotheekbeleid. Zo kunnen bijvoorbeeld ouders van kinderen met een onderwijsachterstand beter worden bereikt met activiteiten om aan hun taalvaardigheid te werken.

De leden van de D66-fractie vragen mij tevens om toe te lichten of (met name kleinere) gemeenten de benodigde ondersteuning ontvangen bij monitoring, wanneer de assistentie van de OESO in 2021 ophoudt en of hier een rol ligt voor het beoogde expertisecentrum.

De cursusaanbieders zullen verantwoordelijk zijn voor het aanleveren van monitoringsgegevens aan het CBS ten behoeve van de landelijke monitor. Cursusaanbieders kunnen hierbij desgewenst ondersteuning ontvangen van het expertisecentrum basisvaardigheden en de Stichting Lezen en Schrijven. Ook gemeenten kunnen ondersteuning krijgen van de Stichting Lezen en Schrijven, bijvoorbeeld bij het inkopen van cursussen.

De leden van de D66-fractie vragen of ik een beeld heb van het aandeel non-formeel volwasseneneducatie dat niet zal voldoen aan het basislabel van de toekomstige kwaliteitslabels. Daarnaast vragen de leden of ik kan toelichten of aanbieders van ondermaats non-formeel volwassenenonderwijs ondersteuning zullen ontvangen om hun aanbod te verbeteren en zo ja, op welke wijze.

Op dit moment is nog niet duidelijk in hoeverre er aanbieders zijn van non-formele educatie die niet voldoen aan het kwaliteitslabel basisvaardigheden op het basisniveau. Alle aanbieders zullen de komende jaren worden ondersteund om de kwaliteit van hun aanbod te verbeteren. Het expertisecentrum basisvaardigheden krijgt hierbij een belangrijke rol. Het doel van het kwaliteitslabel is niet om zoveel mogelijk aanbieders uit te sluiten, maar om zoveel mogelijk aanbieders te motiveren om te werken aan een kwaliteitscultuur. Daarnaast is het doel om de kwaliteit van aanbieders beter onderling vergelijkbaar te maken, zodat gemeenten meer houvast hebben bij het inkopen of subsidiëren van cursusaanbod.

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie welke onderzoeksthema’s prioriteit hebben bij de komst van de nieuwe onderzoeksagenda van het expertisecentrum bassivaardigheden.

Het expertisecentrum doet hier later dit jaar een voorstel voor. Het expertisecentrum draagt er zorg voor dat de onderzoeksthema’s aansluiten op vragen en behoeften die leven in het veld. De onderzoeksagenda wordt daarom in nauwe samenwerking met betrokkenen zoals gemeenten, cursusaanbieders en de doelgroep zelf vastgesteld.

Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of naar aanleiding van het OESO rapport aanvullende indicatoren voor gegevensverzameling worden opgenomen in de monitor en zo ja, welke.

Bij de inrichting van de monitor wordt maximaal aangesloten bij de gegevens die aanbieders reeds verzamelen in het kader van hun opdracht om passend cursusaanbod te realiseren. Dit beperkt de administratieve lasten en waarborgt ook de privacy van deelnemers het best. Er is dus geen voornemen om (bovenop de variabelen die de OESO aanraadt) andere of aanvullende gegevens te verzamelen.

De leden vragen voorts hoe de daling van de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren in het meest recente PISA-onderzoek verklaard kan worden en wat deze uitkomst betekent voor het aantal laaggeletterden in Nederland.

Het is niet duidelijk waarom de leesvaardigheid van 15-jarige leerlingen in PISA 2018 zo fors gedaald is. Die daling zien we met name bij de jongens. En alhoewel de daling voor alle subdomeinen geldt, zien we vooral een sterke daling op het onderdeel reflecteren en evalueren. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media laat dit onderzoeken. Hij verwacht binnenkort een onderzoeksvoorstel en een aantal nadere analyses. Overigens laten de eindexamenresultaten een ander beeld zien. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media heeft naar aanleiding van een motie van de heer Van Meenen (Kamerstuk 31 289, nr. 359) laten onderzoeken waar dat verschil vandaan komt. Hij heeft u daarover geïnformeerd in april 2019.29

Deze leden vragen voorts of ik verwacht dat het onderwijsniveau in economisch mindere tijden verder zal dalen.

Ik heb die verwachting niet. Het beleid van het kabinet is er juist op gericht om de kwaliteit en resultaten van ons onderwijs te verbeteren. Daarom investeert het kabinet onder andere in gelijke kansen, kwetsbare jongeren en zijn er bijvoorbeeld extra middelen uitgetrokken om leerlingen en studenten die door de coronacrisis op achterstand zijn geraakt, extra te ondersteunen. Specifiek op het punt van leesvaardigheid kom ik zoals gezegd samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media met een Leesoffensief.

Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-fractie op welke manier bij de aanpak van laaggeletterdheid wordt gelet op de extra kwetsbare groepen binnen deze doelgroep en of ik net als de leden constateer dat kansenongelijkheid al bestaat in de periode voordat kinderen naar school gaan.

Er zijn inderdaad al grote verschillen tussen kinderen voordat zij starten op de basisschool. Om deze verschillen zoveel mogelijk te beperken, wordt er voorschoolse educatie geboden aan kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Kinderopvangorganisaties die voorschoolse educatie aanbieden, zetten spelenderwijs in op de (taal)ontwikkeling van de kinderen. Het kabinet vindt een gerichte en vroege inzet op het voorkomen van (taal)achterstanden van groot belang. Daarom heeft het kabinet € 170 miljoen extra geïnvesteerd in het versterken van de voorschoolse educatie. Voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid is daarmee nu € 492 miljoen per jaar beschikbaar. Voor basisscholen is daarnaast structureel € 260 miljoen beschikbaar als onderdeel van de lumpsum.30

Vanuit het landelijk ondersteuningsprogramma voor de aanpak van laaggeletterdheid wordt bovendien nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het belang van het bereiken van specifieke kwetsbare doelgroepen, zoals vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Voor maatschappelijke organisaties en gemeenten die zich bezighouden met educatie, participatie en empowerment is de Toolkit Empowerment ontwikkeld. Deze toolkit biedt onder meer handvatten om lokale taalnetwerken te ondersteunen met het vinden van deelnemers met een empowermentvraag of met het organiseren van voldoende, passend aanbod.

Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-fractie of ik het met hen eens ben dat een aantal dagdelen per week gratis kinderopvang een oplossingsrichting biedt om kansenongelijkheid op te heffen.

Dit kabinet heeft gekozen voor een gerichte inzet op het voorkomen van (taal)achterstanden door extra te investeren in het versterken van de voorschoolse educatie. Voorschoolse educatie wordt aangeboden aan peuters met een risico op een (taal)achterstand. Gemeenten bieden voorschoolse educatie zo financieel toegankelijk mogelijk aan (gratis of met een kleine eigen bijdrage). Een andere manier is om voorschoolse educatie of kinderopvang aan alle kinderen gratis aan te bieden. Het gevolg is dan wel dat er ook meer geld wordt geïnvesteerd in kinderen die geen of minder risico hebben op (taal)achterstand. Het kabinet heeft hier niet voor gekozen. Zoals aangekondigd in de reactie op de Interdepartementale Beleidsonderzoeken Deeltijdwerk en Toeslagen, werkt het Kabinet scenario’s uit voor een alternatieve inrichting van het stelsel van kindvoorzieningen. Dit kan voor een volgend kabinet als basis dienen om een beslissing te nemen over een mogelijke stelselherziening. Hierbij wordt ook gekeken naar scenario’s zoals gratis kinderopvang voor alle kinderen en de consequenties daarvan.

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie geven aan dat kinderen uit een omgeving met een groot risico op achterstanden volgens de SER minder vaak naar de voorschool gaan, en vraagt welk percentage kinderen een doorverwijzing naar de voorschool krijgt en welk percentage daarvan daadwerkelijk naar de voorschool gaat.

Het gebruik van kinderopvang heeft een relatie met de sociaaleconomische achtergrond van ouders: kinderen van laagopgeleide ouders en kinderen van ouders met een migratieachtergrond gaan minder vaak naar de opvang.31 Het gemeentelijk aanbod, waaronder voorschoolse educatie, is in het onderliggende onderzoek echter niet meegenomen. Voorschoolse educatie is juist gericht op kinderen met een risico op een onderwijsachterstand. Circa 53.000 kinderen worden door de gemeenten geïndiceerd voor voorschoolse educatie. Op basis van cijfers van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat het percentage kinderen dat daadwerkelijk naar voorschoolse educatie gaat al jaren stabiel is en tussen de 80 en 86 procent ligt.32 Van de kinderen die geen gebruik maken van het aanbod voor voorschoolse educatie gaat een deel wel naar de reguliere kinderopvang (bijvoorbeeld omdat ouders kiezen voor een kinderdagverblijf waar geen ve wordt aangeboden). Hoeveel kinderen dit betreft is niet bekend.

Daarnaast vragen de leden hoe ik ervoor ga zorgen dat kinderen met taalachterstanden geen verdere achterstand gaan oplopen door het thuisonderwijs.

Voor leerlingen en studenten die als gevolg van de coronacrisis achterstanden hebben opgelopen, heeft het kabinet € 244 miljoen extra uitgetrokken.33 Scholen kunnen subsidie aanvragen om in de zomervakantie en gedurende het volgende schooljaar inhaalprogramma’s aan te bieden aan leerlingen die op achterstand zijn geraakt, bijvoorbeeld omdat ze niet goed zijn bereikt met thuisonderwijs. Uit peilingsonderzoek van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) is gebleken dat op de meeste basisscholen de voortgang van de leerlingen redelijk constant is gebleven tijdens de coronamaatregelen.34

De leden van de SP-fractie vragen voorts of ik er zorg voor wil dragen dat er in elke gemeente een plek is waar mensen terecht kunnen voor een taalcursus of opleiding.

. Op dit moment is het netwerk van taalhuizen al nagenoeg landelijk dekkend. Er waren eind 2019 in totaal 445 taalhuizen. In alle 35 arbeidsmarktregio’s was er minstens één. Als onderdeel van de nieuwe landelijke monitor laaggeletterdheid laat ik bovendien in beeld brengen hoe het cursusaanbod over Nederland is verdeeld.

De leden van de SP-fractie vragen ook of ik van plan ben landelijk regie te voeren en structurele middelen in te zetten voor de aanpak van laaggeletterdheid. Daarnaast vragen zij naar het waar mogelijk ontschotten van middelen.

De middelen voor cursussen voor laaggeletterden zijn reeds structureel. Het gaat om ruim € 60 miljoen per jaar. De besteding van dit budget ligt bij gemeenten omdat zij het aanbod het beste kunnen afstemmen op de behoeften van de lokale doelgroepen. In aanvulling op het structurele budget voor gemeenten heeft het Rijk het initiatief genomen voor het programma Tel mee met Taal. Hierin werken de departementen van OCW, SZW, VWS en BZK samen met gemeenten, sociale partners en tal van maatschappelijke organisaties aan het coördineren van de aanpak van laaggeletterdheid. Tussen 2020 en 2024 is in totaal bijna € 125 miljoen beschikbaar voor landelijk geïnitieerde en gecoördineerde activiteiten op het gebied van kwaliteitsbevordering, monitoring, het ondersteunen van cursusaanbieders en gemeenten, innovatie, onderzoek en subsidieregelingen. Voor wat betreft het ontschotten van middelen, verwijs ik u naar het antwoord dat ik gegeven heb op de een vraag van gelijke strekking van de leden van de VVD-fractie.

De leden van de SP-fractie vragen naar de begrijpelijkheid en de toegankelijkheid van overheidscommunicatie rond het coronavirus. Ook vragen zij hoe ik laaggeletterden tegemoet kom en ervoor zorg dat zij de juiste informatie krijgen.

Ik wijs graag op diverse acties die zijn ondernomen om de overheidscommunicatie toegankelijk en begrijpelijk te maken, specifiek rondom de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus af te remmen. Zo staan er uitgebreide Q&A’s over allerlei zaken rond het coronavirus op rijksoverheid.nl. Deze teksten worden zoveel mogelijk op taalniveau B1 geschreven. Bovendien zijn er brochures in begrijpelijke taal op rijksoverheid.nl geplaatst. Mensen die er niet uitkomen kunnen ook bellen naar 0800–1351. Via dit nummer krijgen zij antwoord op hun vragen over het coronavirus. Daarnaast is er een module ontwikkeld op Steffie.nl. In deze module worden de gevolgen van het coronavirus op een begrijpelijke manier uitgelegd. Verder dragen diverse maatschappelijke organisaties bij aan het aanbieden van begrijpelijke informatie. Zo hebben Stichting Lezen en Schrijven en Pharos video’s en informatiemateriaal ontwikkeld om de inhoud van de landelijke persconferenties voor mensen met minder basisvaardigheden begrijpelijker te maken. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en het Nederlands Jeugdinstituut hebben voorts overzichtspagina’s met begrijpelijke informatie ingericht. De sociale media kanalen van de rijksoverheid zijn benut om dit materiaal breed onder de aandacht te brengen van laaggeletterden.

De leden vragen verder naar de verantwoordelijkheid van werkgevers voor het verbeteren van de basisvaardigheden van hun medewerkers en op welke wijze de subsidies hieromtrent beter benut kunnen worden.

De rol van werkgevers is inderdaad ontzettend belangrijk, vooral als het gaat om bij- en omscholing. Veel mensen die nu moeite hebben met basisvaardigheden hebben deze achterstand gedurende hun werkzame leven geleidelijk opgebouwd. Een tekort aan taal-, reken- of digitale vaardigheden kan leiden tot gevaarlijke situaties op de werkvloer. In de ARBO-wet is daarom vastgelegd dat werkgevers moeten zorgen voor een veilige werkomgeving en begrijpelijke werkinstructies. Ook in de meeste cao’s is vastgelegd dat werkgevers door middel van scholing bijdragen aan de ontwikkeling van hun personeel. Met de SLIM-regeling voor het stimuleren van leven lang ontwikkelen in het MKB en het actieprogramma Leven Lang Ontwikkelen investeert het kabinet in een positieve leercultuur en scholing. Vanaf 2022 zal voor iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt het STAP-budget beschikbaar komen. Verder wordt de subsidieregeling voor cursussen basisvaardigheden uit het programma Tel mee met Taal zeer goed gebruikt. Dit jaar vroegen bijna 450 werkgevers subsidie aan: het grootste aantal in één aanvraagronde sinds de start van de regeling in 2017.

Tot slot vragen deze leden van de SP-fractie in hoeverre de kwaliteit van het onderwijs gegarandeerd wordt, of de Inspectie van het Onderwijs niet het beste in staat is om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen, en of de marktwerking moet worden gestopt.

Ik ben het met deze leden eens dat het waarborgen van de kwaliteit van het cursusaanbod van groot belang is. Het verbeteren van (zicht op) de kwaliteit is daarom één van de prioriteiten van het kabinet bij de aanpak van laaggeletterdheid. Met gemeenten heb ik afgesproken dat ook zij zich hier de komende jaren extra voor inzetten. Daarom ontwikkel ik, in nauwe samenwerking met gemeenten, een landelijk kwaliteitslabel voor aanbieders van non-formele cursussen basisvaardigheden. Dat zorgt voor betere vergelijkbaarheid tussen aanbieders en een heldere minimumstandaard waar elke aanbieder aan moet voldoen.

De Onderwijsinspectie houdt reeds toezicht op het formele cursusaanbod, dat vaak door roc’s wordt verzorgd. Dit blijft zo. Het aantal aanbieders van formele trajecten is de afgelopen jaren toegenomen en dat vind ik een goede ontwikkeling. Zo krijgen cursisten in elke regio de keuze tussen een formeel traject dat voorbereidt op een diploma of (staats)examen en een non-formeel traject dat in eerste instantie is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en sociale inclusie van deelnemers.

Ik deel de mening van voornoemde leden niet dat de marktwerking in het onderwijs voor laaggeletterden teruggedraaid zou moeten worden. Juist vanwege het beëindigen van de bestedingsverplichting voor gemeenten bij roc’s in 2015 is de diversiteit van het aanbod flink toegenomen en worden nieuwe doelgroepen bereikt. Non-formeel aanbod, zoals dat bijvoorbeeld wordt aangeboden in bibliotheken, door vrijwilligersorganisaties en welzijnsorganisaties, is laagdrempelig en is vooral voor cursisten met een grotere afstand tot formele scholing een goede eerste stap op weg naar een vervolgtraject. Daarom kies ik ervoor om de aanbieders van non-formele cursussen te ondersteunen bij het verbeteren van hun kwaliteit en introduceer ik een onafhankelijk kwaliteitslabel.

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de opvolging van de aanbevelingen die de SER vorig jaar heeft gedaan in haar advies Samen Werken aan Taal.

De SER benadrukt in haar advies terecht dat de aanpak van laaggeletterdheid niet alleen een zaak van lange adem is, maar ook een vraagstuk waar tal van partijen een rol bij spelen: gemeenten, sociale partners, scholen en maatschappelijke organisaties. Daarom is het bevorderen van de samenwerking tussen deze partijen een belangrijke doelstelling van het landelijke programma Tel mee met Taal. De aanbevelingen die de SER heeft gedaan, sluiten goed aan bij de doelstellingen van het programma Tel mee met Taal. Zo adviseert de SER om een landelijk kenniscentrum op te richten en om meer in te zetten op de kwaliteit van het cursusaanbod. Met de start van een landelijk expertisecentrum basisvaardigheden en ontwikkeling van een nieuw kwaliteitslabel voor cursusaanbieders geef ik hier invulling aan. Ook benadrukt de SER het belang van een goede preventieve aanpak. Zoals ik in mijn beantwoording van vragen van de VVD-, CDA-, D66 en GroenLinks-fracties heb aangegeven, heeft het voorkomen van achterstanden en bevorderen van leesplezier mijn volle aandacht en werk ik momenteel samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan een Leesoffensief. Verder heeft de SER geadviseerd om nader onderzoek te doen naar de verschillende doelgroepen laaggeletterden per regio en gemeente. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en als dashboard voor gemeenten gepubliceerd op www.geletterdheidinzicht.nl. Tot slot ziet een deel van de aanbevelingen van de SER toe op de diversiteit van het cursusaanbod, de toeleiding en signalering van deelnemers. De taalhuizen spelen hierbij een belangrijke rol omdat zij voor veel cursisten fungeren als eerste informatiepunt. Inmiddels zijn er in Nederland meer dan 450 taalhuizen. De komende jaren worden deze gecertificeerd om de kwaliteit van hun dienstverlening verder te verbeteren.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts hoe ik denk over het pleidooi van de Stichting Lezen en Schrijven dat geen kind meer laaggeletterdheid van school gaat en of ik bereid ben in het bijzonder aandacht te schenken aan de hulp van laagtaalvaardige gezinnen.

Ik deel de visie dat het belangrijk is om te voorkomen dat kinderen met lage taalvaardigheden van school gaan. Gelukkig lukt dat ook. Hoewel de PISA-cijfers stellen dat een deel van de leerlingen op 15-jarige leeftijd nog onvoldoende taalvaardig zijn, laten de eindexamencijfers zien dat verreweg de meeste jongeren in het vmbo tijdens hun eindexamen niveau 2F behaald hebben. Voor havisten en vwo-leerlingen gelden hogere niveaus, respectievelijk 3F en 4F. Binnen het programma Tel mee met Taal zetten we de komende jaren in op laagtaalvaardige gezinnen. Onder andere via de aanpak van het programma Kunst van Lezen, met de BoekStartCoach en BoekStart op de kinderopvang. En via de subsidieregeling laagtaalvaardige gezinnen, waar we initiatieven steunen die een bijdrage leveren aan het doorbreken van de cyclus van laaggeletterdheid. Ook hebben wij Stichting Lezen en Stichting Lezen en Stichting gevraagd om gezamenlijk een toolkit te ontwikkelen om de aanpak voor laagtaalvaardige gezinnen te verbeteren. Zodat preventie van laaggeletterdheid en de aanpak bij volwassenen beter op elkaar aansluiten.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie van het lid Van den Hul c.s. (Kamerstuk 28 760, nr. 93) en of ik kan melden bij hoeveel roc’s laaggeletterden nog terecht kunnen. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitwerking van een nieuw landelijk registratiesysteem voor deelnemers aan cursussen basisvaardigheden. Daarin worden ook de aanbieders en type trajecten geregistreerd. Het streven is om begin 2021 te beginnen met de verzameling van data. Uit de Staat van het Onderwijs (2020) bleek al dat 23 roc’s beschikken over diploma-erkenning voor hun opleidingen basisvaardigheden en daarmee onder toezicht van de Inspectie van het Onderwijs staan.35 Een aantal andere roc’s biedt non-formele opleidingen aan.

De leden van de PvdA-fractie vragen verder naar een appreciatie van de gedachte dat er in elke gemeente een plek zou moeten zijn waar een laaggeletterde terecht kan voor een taalcursus, opleiding of baanbegeleiding, en of het geld dat hiervoor beschikbaar is slimmer kan worden ingezet.

Ik onderschrijf de gedachte van deze leden dat de aanpak van laaggeletterdheid vooral op lokaal niveau zijn beslag moet krijgen. Daarom is de afgelopen jaren hard gewerkt aan het opzetten van een fijnmazig netwerk van taalhuizen en taalpunten, vaak in bibliotheken of welzijnsvoorzieningen. Zo is voor laaggeletterden een laagdrempelige voorziening in de buurt beschikbaar waar zij informatie kunnen krijgen, kunnen oefenen met computers, taalles kunnen volgen of een intake kunnen doen. Het Rijk stelt aan gemeenten middelen ter beschikking voor het aanbieden van deze voorzieningen, alsmede voor het realiseren van een divers, kwalitatief goed cursusaanbod. Deze middelen hebben een structureel karakter.

Voornoemde leden vragen verder wat ik ga doen om mensen die door de coronacrisis in een kwetsbare positie zijn gebracht te ondersteunen bij het verbeteren van hun basisvaardigheden.

Juist in de huidige tijd is het belangrijk om te blijven investeren in ons menselijk kapitaal. Zo komen we sneller en sterker uit de economisch moeilijke periode die is ontstaan door de verspreiding van het coronavirus. Daarom investeert het kabinet in verschillende scholingsmogelijkheden voor werknemers die kwetsbaar zijn voor de huidige ontwikkelingen, of hun baan hebben verloren. Ter ondersteuning van mensen die door de crisis hun werk dreigen te verliezen of al verloren hebben, trekt het kabinet bijvoorbeeld 50 miljoen euro uit via het crisisprogramma NL Leert Door. Hiermee kunnen mensen vanaf juli kosteloos online scholing en ontwikkeladviezen volgen om zich aan te passen aan de nieuwe economische situatie. Mensen die hun baan hebben verloren, kunnen bovendien worden geholpen door gemeenten en het UWV. Gemeenten kunnen de kosten voor een cursus basisvaardigheden vergoeden vanuit de gemeentelijke re-integratiemiddelen, maar ook het WEB-budget. Ook zijn er verschillende scholingsmogelijkheden via het UWV.

Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie hoe ik denk over een samenhangende aanpak voor digitale inclusie en of ik nog kansen zie in een koppeling tussen het programma Digitale inclusie van het Ministerie van BZK en het programma Tel mee met Taal.

Die koppeling hebben Staatssecretaris Knops van het Ministerie van BZK en ik reeds gemaakt. Digitale vaardigheden zijn een basisvaardigheid. Tel mee met Taal richt zich daarom ook op de aanpak van digitale laaggeletterdheid. Het Ministerie van BZK draagt vanuit het programma Digitale inclusie daarom van 2020–2024 inhoudelijk en financieel (2 miljoen euro per jaar) bij aan Tel mee met Taal.

Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie vragen wat de achterliggende oorzaken zijn van het aantal jongeren dat dermate laaggeletterd is dat zij niet kan meekomen in de maatschappij.

Uit de resultaten van het PISA-onderzoek uit 2018 blijkt inderdaad dat 24 procent van de jongeren op 15 jarige leeftijd onvoldoende geletterd is om mee te doen in de maatschappij. Bij het verlaten van de school is dat percentage een stuk lager, zo blijkt uit de examencijfers voor Nederlands. De maatschappij verandert ook. Het opzoeken van informatie op de telefoon, waar Nederlandse leerlingen nog steeds boven het OESO- en EU-gemiddelde scoren, heeft bijvoorbeeld een grote vlucht genomen. De noodzaak om een boek te pakken om dingen op te zoeken is minder groot. We zien dat het leesplezier van leerlingen in heel de wereld terugloopt, en vooral in Europese landen gaat die trend snel. Dit is dus niet een uniek Nederlands probleem. Het is wel zo dat Nederlandse kinderen en jongeren ook in vergelijking met andere landen zeer weinig plezier hebben in lezen. Dat baart mij zorgen. Daarom heb ik ook in december medegedeeld dat ik mij samen met de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media wil inzetten voor het lezen middels een Leesoffensief.36

De leden vragen voorts hoe ik ervoor ga zorgen dat jongeren inzien dat lezen erg belangrijk is en dat zij hierdoor door intrinsieke motivatie gaan lezen.

De komende jaren werken we op drie manieren aan het vergroten van de intrinsieke motivatie voor lezen. Ten eerste door leesmotivatie en leesplezier een plek te geven in het curriculum in het primair en voortgezet onderwijs. Ten tweede door in te zetten op leesplezier via het programma Kunst van Lezen (onderdeel van het programma Tel mee met Taal). En ten derde via het Leesoffensief, waarover ik uw Kamer in december 2019 heb geïnformeerd. Het is de bedoeling om samen met alle partijen die een rol spelen bij leesplezier te kijken hoe we het beleid effectiever en meer gestructureerd kunnen maken.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen daarnaast hoe ik ervoor zorg dat ook mensen die geen cursus kunnen volgen, zoals ouderen, meekomen in de maatschappij.

Ik vind het belangrijk dat het aanbod aan cursussen basisvaardigheden (taal, rekenen en digitale vaardigheden) voor iedereen toegankelijk is. Daarom is het cursusaanbod voor laaggeletterden erg divers: van 1-op-1 taalles met een taalmaatje bij de cursist thuis, tot klassikaal en diplomagericht rekenonderwijs op een roc. Ook oudere mensen kunnen cursussen volgen. Zo zijn er bijvoorbeeld cursussen op het gebied van digitale vaardigheden die speciaal zijn afgestemd op deze doelgroep.

De leden vragen voorts aandacht voor de ontwikkelingen omtrent corona en laaggeletterdheid en vragen hoe we ervoor kunnen zorgen dat laaggeletterden de persconferentie makkelijker kunnen volgen.

In antwoord op deze vraag geef ik graag aan dat op rijksoverheid.nl een begrijpelijke uitleg terug is te vinden bij de persconferenties van 21 april, 6 mei, 19 juni en 3 juni. Bij toekomstige persconferenties over het coronavirus wordt wederom een begrijpelijke uitleg op rijksoverheid.nl geplaatst. Daarnaast verwijs ik naar het antwoord dat ik gegeven heb op vragen van de leden van de SP-fractie over de begrijpelijkheid en de toegankelijkheid van overheidscommunicatie.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe ik ervoor ga zorgen dat het taboe rondom laaggeletterdheid verminderd wordt, zodat de drempel om hulp te zoeken lager wordt.

Ik herken dat schaamte nog te vaak een drempel is voor mensen om hulp te zoeken bij het verbeteren van hun basisvaardigheden. Met het programma Tel mee met Taal investeer ik op verschillende manieren in het doorbreken van het taboe rondom laaggeletterdheid en het bereiken van groepen die een grote afstand tot (formele) scholing hebben. Zo zorg ik ervoor dat er extra ervaringsdeskundigen (taalambassadeurs) worden opgeleid die in hun omgeving anderen kunnen enthousiasmeren. Ook kom ik met landelijke campagnes die specifiek gericht zijn op moeilijk te bereiken doelgroepen. Tot slot komt er een nieuw landelijk aanmeldpunt dat zowel telefonisch is te bereiken als online voor mensen die hulp kunnen gebruiken bij het vinden van de juiste cursus of ondersteuning.

Tot slot vragen de leden hoe ik ervoor ga zorgen dat er landelijke regie wordt genomen zodat er in iedere gemeente een plek is waar een taalcursus wordt gegeven.

Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik naar mijn antwoord op soortgelijke vragen van de PvdA-fractie en de SP-fractie, namelijk dat ik met gemeenten heb afgesproken dat er in elke gemeente een plek is waar mensen terecht kunnen voor een taalcursus of opleiding.


X Noot
1

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

X Noot
2

SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid

X Noot
3

PISA: Programme for International Student Assessment

X Noot
4

NT1: Nederlands als eerste taal

X Noot
5

de Volkskrant, d.d. 1 juni 2020, Zet acteurs zonder podia in voor covid-leesoffensief

X Noot
6

Inspectie van het Onderwijs (2020) De Staat van het Onderwijs 2020

X Noot
7

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

X Noot
8

Bestuurlijke afspraken Laaggeletterdheid Samen aan de slag voor een vaardig Nederland 2020 tot en met 2024, https://vng.nl/files/vng/bestuurlijke_afspraken_aanpak_laaggeletterdheid_2020–2024_rijk-vng_presentatie_9-9-2019.pdf

X Noot
9

Kamerstuk 28 760, nr. 99

X Noot
10

Kamerstuk 28 760, nr. 99, blz. 2

X Noot
11

Bijlage bij Kamerstuk 28 760, nr. 99, blz. 4–5

X Noot
13

SER: sociaaleconomische Raad

X Noot
14

SER (2020) De contouren van een intelligent herstelbeleid

X Noot
15

Roc: regionaal opleidingencentrum

X Noot
16

Kamerstuk 28 760, nr. 97, blz. 20

X Noot
17

Brief Aandachtspunten Stichting Lezen en Schrijven van 2 juni jl.

X Noot
18

Kamerstuk 28 760, nr. 93

X Noot
19

Mapping quality approaches and monitoring systems in the Netherlands

X Noot
20

NUG’er: niet-uitkeringsgerechtigden

X Noot
21

BZK: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

X Noot
22

Kamerstuk 28 760, nr. 99.

X Noot
23

Kamerstuk 28 760, nr. 97

X Noot
24

CINOP (2019) Evaluatie Subsidieregeling laagtaalvaardige werknemers.

X Noot
25

Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 135.

X Noot
26

PIAAC 2016.

X Noot
27

Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 136.

X Noot
28

Kamerstuk 35 359, nr. 3.

X Noot
29

Kamerstuk 31 289 nr. 395.

X Noot
30

Kamerstuk 27 020, nr. 78.

X Noot
31

In 2016 ontving iets meer dan 17% van de ouders van 0–3 jarigen uit de laagste inkomensgroep kinderopvangtoeslag, tegenover 68% van de ouders in de hoogste inkomensgroep. Voor 4–12 jarigen was dit respectievelijk 7% en 34%. Bron: SCP (2018).

X Noot
32

Staat van het Onderwijs 2020.

X Noot
33

Kamerstuk 35 300 VIII, nr.184.

X Noot
35

Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 160

X Noot
36

Kamerstuk 35 300 VIII, nr. 136.