28 385 Evaluatie Meststoffenwet

Nr. 189 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 september 2010

Hierbij bied ik u, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, een afschrift aan van de rapportage over de Nederlandse derogatie.

Rapportageverplichting

Met de derogatiebeschikking (2005/880/EG) heeft de Europese Commissie aan Nederland ruimte geboden om onder voorwaarden een ruimere norm voor stikstof uit dierlijke mest toe passen dan rechtstreeks volgt uit de Nitraatrichtlijn. Per besluit van 5 februari 2010 (2010/65/EU) heeft de Europese Commissie aan Nederland wederom een derogatie toegekend voor de periode van het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2010–2013).

De derogatiebeschikking bevat verplichtingen op het punt van monitoring van de effecten van de derogatie. Nederland is gehouden een monitoringsnetwerk in stand te houden van tenminste 300 bedrijven die gebruikmaken van een derogatie. Het gaat hierbij vrijwel uitsluitend om melkveehouderijbedrijven met een aandeel gras in het bouwplan van minimaal 70 procent, één van de voorwaarden om gebruik te mogen maken van een derogatie. De derogatiemonitoring is ondergebracht bij het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI).

Verder bevat de derogatiebeschikking de verplichting dat de mestproductie (uitgedrukt in kilogrammen stikstof en fosfaat) de omvang van de mestproductie in 2002 niet zal overschrijden. Monitoring van de mestproductie vindt plaats door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Nederland dient de Europese Commissie jaarlijks in juni (was onder het derde actieprogramma Nitraatrichtlijn jaarlijks in maart) te rapporteren over resultaten van de monitoring. De rapportages van maart 2007, 2008 en 2009 zijn per brief van 8 mei 2007 (Kamerstukken II, 28 385, nr. 83), 23 april 2008 (Kamerstukken II, 28 385, nr. 106) respectievelijk 15 april 2009 (Kamerstukken II, 28 385, nr. 136) aan uw Kamer verzonden. Onderhavige derogatierapportage bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Het RIVM-rapport «Landbouwpraktijken en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie; resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet» (RIVM rapport 680717014/2010). Dit rapport bevat gegevens over de monitoring bij derogatiebedrijven van bodemwater, waterlopen en ondiep grondwater alsmede de gegevens over bemesting en opbrengst per bodemtype en gewas.

  • Het rapport «Resultaten van controles op en kengetallen van landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie alsmede kengetallen van de Nederlandse veehouderij». Dit rapport is gebaseerd op gegevens van Dienst Regelingen en de Algemene Inspectiedienst (nu Nieuwe Voedsel- en Waren Autoriteit) en bevat de uitkomsten van controle en handhaving en verscheidene trends in de landbouw.

De rapporten zijn recent aan de Europese Commissie ter beschikking gesteld. Een afschrift van beide rapporten treft u als bijlage bij deze brief aan.1

Resultaten monitoring milieuresultaten en landbouwpraktijk

Uit de resultaten van de monitoring van bodemwater, waterlopen en ondiep grondwater op de 300 derogatiebedrijven kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Voor de jaren 2006 – 2008 zijn in de zand- en lössregio geen significante verschillen in het stikstofoverschot op de bodembalans gemeten.

  • De nitraatconcentraties in het water dat uit de wortelzone spoelt op de derogatiebedrijven lag in de zandregio in 2008 gemiddeld onder (43 mg/l) en in de lössregio gemiddeld boven (54 mg/l) de norm van 50 mg nitraat per liter. In de klei- en veenregio ligt deze concentratie gemiddeld beneden de norm van 50 mg/l.

  • Ondanks een nagenoeg gelijkblijvend stikstofoverschot op de bodembalans is de nitraatconcentratie in het water uitspoelend uit de wortelzone op de derogatiebedrijven in de zandregio in 2008 lager dan in 2007. Dit wordt deels of geheel veroorzaakt door een hoger neerslagoverschot in 2008.

  • De nitraatconcentratie in het slootwater blijft in 2008 duidelijk gemiddeld onder de norm van 50 mg/l (zand 39, klei 11, veen 4 mg/l).

Uit de resultaten van de monitoring blijkt dat de nitraatconcentraties in alle regio’s (zand, löss, klei en veen) op derogatiebedrijven dalen. Deze cijfers hebben uitsluitend betrekking op grasland en maïs op derogatiebedrijven. De cijfers hebben geen betekenis voor de nitraatconcentraties onder andere bedrijfstypen dan derogatiebedrijven. Voorlopige cijfers over 2009 laten een verdere daling van de nitraatconcentraties onder derogatiebedrijven zien. Hierbij dient opgemerkt te worden dat deze daling uitsluitend in de zandregio als significant aangemerkt kan worden.

De waargenomen daling in de onderscheiden regio’s wordt voornamelijk veroorzaakt door verschillen in neerslagoverschotten en verschillen in hydrologische omstandigheden in de onderzochte jaren, niet door een dalend gebruik aan stikstof uit meststoffen op derogatiebedrijven. Het gebruik van stikstof uit dierlijke mest is over de onderzochte jaren namelijk niet veranderd terwijl het gebruik van stikstofkunstmest slechts een zeer lichte daling laat zien.

Resultaten monitoring mestproductie

De mestproductie in 2008 overschrijdt voor fosfaat het in de derogatiebeschikking opgenomen mestplafond met 1,7% (circa 3 miljoen kilogram fosfaat), voor stikstof vindt geen overschrijding plaats. Ik heb uw Kamer hierover per brief van 23 maart 2010 (Kamerstukken II, 2009/10, 28 385, nr. 164) geïnformeerd. Per brief van 24 april 2010 is de Europese Commissie over de overschrijding geïnformeerd. De DG Milieu heeft hier onlangs op gereageerd. De Europese Commissie wijst erop dat Nederland met de overschrijding van het mestproductieplafond zich niet houdt aan een van de aan de derogatie verbonden voorwaarden. De Commissie verlangt van Nederland daarom binnen de periode 2010–2013 – de periode waarvoor derogatie is toegekend – concrete maatregelen die moeten garanderen dat de mestproductie weer daalt tot onder het niveau van 2002. Ik beraad mij thans over die maatregelen en zal u daarover zo spoedig mogelijk informeren.

Resultaten controle en handhaving

De belangrijkste conclusies die getrokken kunnen worden uit de rapportage over de controle en handhaving van derogatiebedrijven en over kengetallen in de veehouderij zijn de volgende:

  • Het aantal bedrijven dat gebruik maakt van een derogatie is tussen 2006 en 2009 gedaald van 25 415 naar 23 749 bedrijven. Een daling van 6,5%.

  • Het aantal te late aanmeldingen is gedaald van 130 in 2006 naar 31 in 2009.

  • Uit administratieve controles is gebleken dat 1,7% (397 bedrijven) van de derogatiebedrijven in 2009 niet voldeed aan de norm van minimaal 70% grasland. Dit is een forse toename ten opzichte van 2008 (125 bedrijven).

  • Bij 19 bedrijven is over 2008 een overtreding van één of meerdere gebruiksnormen geconstateerd. Dit is een daling ten opzichte van 2007 (31 bedrijven).

  • Bij fysieke controles door de Algemene Inspectiedienst worden voornamelijk overtredingen geconstateerd die betrekking hebben op de verplichte grondbemonstering en het bemestingsplan.

  • Het aantal stuks melk- en fokvee (+3,4%), varkens (+1,3%) en pluimvee (+0,5%) is tussen 2008 en 2009 toegenomen.

  • In 2009 lag de fosfaatproductie (op basis van voorlopige cijfers) 1,1% boven het met de Europese Commissie afgesproken mestproductieplafond van 2002. De stikstofproductie lag, volgens de voorlopige cijfers, 3,7% onder dit plafond.

Conform de derogatiebeschikking dient Nederland in juni 2011 de Europese Commissie te voorzien van een geactualiseerde derogatierapportage.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven