Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201226643 nr. 243

26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)

Nr. 243 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 juli 2012

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie hebben enkele fracties de behoefte om enige vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de brief van 13 december 2011 inzake de Digitale Implementatie Agenda en derde voortgangsrapportage Nederland Open in Verbinding (NOiV) (Kamerstuk 26 643, nr. 217)

De minister deze vragen beantwoord bij brief van 2 juli 2012.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag)

De voorzitter van de commissie, Van der Ham

Adjunct-griffier van de commissie, Blacquiere

Vragen en antwoorden

Vragen van de leden van de VVD-fractie

De Digitale agenda (DA) en de implementatie daarvan zijn belangrijk. Met ICT kunnen we randvoorwaarden scheppen voor het vergroten van de productiviteit van het bedrijfsleven en de regeldruk verminderen. Helaas is er in de Kamer met name veel aandacht voor ICT wanneer het gaat om problemen zoals bijvoorbeeld bij Diginotar, hacken en andere zaken. Daar willen de leden van de VVD-fractie deze keer juist geen aandacht aan besteden. Voor de leden van de VVD-fractie staat de DIA namelijk symbool voor de kansen die ICT biedt en de manier waarop ICT bij kan dragen aan de oplossingen van huidige maatschappelijke problemen.

In de Digitale Implementatie Agenda (DIA) staan prachtige dingen zoals het stimuleren van open data, cloudcomputing voor het Midden- en Kleinbedrijf (MKB), enzovoort. De DIA staat of valt echter met de manier waarop praktisch invulling gegeven gaat worden aan al deze ideeën en concepten. Daarom horen de leden van de VVD-fractie graag van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie hoe hij voldoende kan waarborgen dat de positieve effecten van de DA gerealiseerd kunnen worden? Kan de minister toelichten hoe in de praktijk invulling gegeven gaat worden aan deze concepten? Worden bestaande mogelijkheden, zoals de middelen in het kader van het Programma Implementatie Agenda ICT-beleid (PRIMA), daarvoor ingezet? Welke andere middelen zijn beschikbaar?

Antwoord

Om de positieve effecten van de Digitale Implementatie Agenda te realiseren is naar mijn mening een aantal punten van belang. Ten eerste moet duidelijk zijn welke acties er ondernomen gaan worden en wie hiervoor aan zet is. De Digitale Implementatie Agenda doet hier concrete voorstellen voor. Ten tweede is budget nodig om de acties uit te voeren. De PRIMA-middelen zullen worden direct ingezet om prioriteiten uit de Digitale Implementatie Agenda en de Roadmap ICT, zoals het Ondernemingsdossier, Standard Business Reporting (SBR) en eHerkenning te realiseren. Verder zullen middelen van de EL&I-begroting en andere departmentale begrotingen per project worden ingezet. Over het algemeen geldt daarbij wel dat na recente taakstellingen geprioriteerd moet worden en in de toekomst ook aan PPS-constructies te denken valt. Als laatste wil ik onderstrepen dat er een breed (bestuurlijk) draagvlak nodig is om de uitvoering van de Digitale Implementatie Agenda.nl te laten slagen. De implementatie van de Digitale Agenda.nl is een gezamenlijke actie van de overheid en diverse publieke en private partners. Daarom is, op verzoek van diverse partners, het High Level Overleg Digitale Agenda.nl opgericht, dat recent voor de eerste maal bij elkaar is gekomen.

De leden van de VVD-fractie willen kort aandacht vragen voor misschien wel het mooiste voorstel uit de DIA, namelijk het invoeren van het «recht op elektronisch zaken doen». Met dit voorstel kunnen we de regeldruk enorm verlagen voor het bedrijfsleven. Dat is in tijden van crisis heel belangrijk. Het is juist daarom dat de leden van de VVD-fractie verbijsterd zijn dat de termijn waarop de overheidsdiensten dit elektronische zakendoen op orde moeten hebben, is vastgesteld op 2017–2018. Deze termijn haalt naar de mening van de leden van de VVD-fractie alle ambitie van dit goede voornemen onderuit. De digitale wereld is overal, maar voor het elektronisch kunnen afhandelen van communicatie met bedrijven hebben we zes jaar nodig? Naar de mening van de leden van de VVD-fractie kan de implementatie parallel lopen met het traject rond het bijbehorende wetsvoorstel dat in 2015 gereed zal zijn. De leden van de VVD-fractie vragen de minister de implementatie van het recht op elektronisch zakendoen dan ook te realiseren per 2015 op zijn laatst.

Antwoord

Het recht op elektronisch zakendoen gaat niet alleen over het maken van een wet die regelt dat de dienstverlening aan bedrijven voortaan langs digitale weg afgehandeld kan worden. Om dit recht inhoud te geven, moeten ICT-voorzieningen worden geïmplementeerd en dienstverleningsprocessen gedigitaliseerd. De ICT-projecten die daarvoor nodig zijn, laten zich niet makkelijk versnellen, zeker als we de kwaliteit in het oog willen houden. Bovendien zijn er ook organisatieveranderingstrajecten die nodig zijn. Die kosten tijd en wil ik zorgvuldig doorlopen. Ook wanneer we alles op alles zetten om de wet zo snel mogelijk gereed te hebben, wil ik niet te gemakkelijk denken over de tijd en de energie die het zal kosten om volledige digitale dienstverlening voor ondernemers te realiseren. Het recht op elektronisch zakendoen en de genoemde termijn van 2017–2018 is als het ware het dwingende sluitstuk van bestaande en nieuwe inspanningen om de digitalisering van de overheidsdienstverlening te realiseren. Bestaande agenda’s op het gebied van overheidsdienstverlening beogen ook eerder dan 2017 al een verbetering van de digitale dienstverlening aan ondernemers te realiseren.

Verder hebben de leden van de VVD-fractie middels de motie van de leden Schaart en Verburg (Kamerstuk 32 637, nr. 10) eerder al aandacht gevraagd voor het belang van ICT voor innovatie in alle topsectoren . Het is goed om te lezen dat ook de digitale vaardigheden van de beroepsbevolking aandacht krijgen in de topsectoren. Uit recent onderzoek van de stichting Digivaardig en Digibewust blijkt namelijk dat de gemiddelde werknemer 7,6 procent van zijn tijd verliest vanwege een gebrek aan digitale vaardigheden. De leden van de VVD-fractie zijn dan ook groot voorstander van het programma Digitale Vaardigheden Beroepsbevolking. Kan de minister aangeven of, en zo ja, hoe dit programma verbonden is met de «Human Capital Agenda’s» die in de topsectoren tot stand komen?

Antwoord

De Nederlandse economie heeft een enorm tekort aan goed opgeleide werknemers in de ICT sector. Zij dragen in belangrijke mate bij aan het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie. Dit heb ik al uiteengezet in de Bedrijfslevenbrief. Voor het programma Digitale Vaardigheden Beroepsbevolking geldt dat ik mij richt op het verhogen van het innovatief vermogen en productiviteit van de Nederlandse beroepsbevolking in het algemeen. Het spreekt voor zich dat hierbij speciale aandacht uitgaat naar die sectoren die voor de Nederlandse economie het meest van belang zijn, namelijk de Topsectoren. Ik kan u melden dat inmiddels al met twee topsectoren, namelijk de creatieve industrie en de tuinbouwsector, gesprekken zijn gevoerd over een intensieve rol voor het programma Digitale Vaardigheden Beroepsbevolking. Dit betreft onder meer een project ten behoeve van medewerkers in de Grafimedia. Indien dit leidt tot positieve resultaten zal ik bezien of er ruimte is om in tweede helft van dit jaar in nog twee tot drie topsectoren vergelijkbare projecten op te starten. Naast de ICT vaardigheid van de Nederlandse beroepsbevolking is het ook zaak om meer instroom te bewerkstellingen vanuit het voortgezet onderwijs naar de verschillende ICT beroepsopleidingen. Om te zorgen voor voldoende goed opgeleid technisch personeel hebben de topsectoren op basis van de Human Capital Agenda's een gezamenlijk Masterplan Beta en Technologie opgesteld. Dit Masterplan en het programma Digitale Vaardigheden hebben duidelijke raakvlakken en worden daarom in nauwe samenhang uitgevoerd.

Tot slot, zoals u van de de leden van de VVD-fractie gewend bent, aandacht voor snel internet in buitengebieden. Hoe staat het met de ontwikkelingen op dit punt in Nederland? De leden van de VVD-fractie ontvangen wekelijks mailtjes van wethouders en burgemeesters uit het hele land die zich afvragen hoe ze zo spoedig mogelijk snel internet in hun gemeente kunnen realiseren en of ze daarvoor geld uit Europese structuurfondsen kunnen krijgen. Wat voor antwoord heeft de minister voor al deze mensen?

Antwoord

Nederland staat er in algemene zin goed voor op breedbandgebied. 98% van de bevolking heeft toegang tot netwerken met een snelheid van minimaal 30 Mbps en ruim 90% kan een snelheid van 100 Mbps afnemen via kabel of glasinfrastructuur. Wat het buitengebied betreft, gaat het om naar schatting 100 000 – 150 000 huishoudens in Nederland die geen toegang hebben tot een vaste breedbandinfrastructuur. Zij hebben wel toegang tot (steeds snellere) alternatieven als satelliet en mobiele technologie. Voor gemeentes (en provincies) die streven naar (vast) breedband in het buitengebied, beschrijft de onlangs door EL&I vernieuwde «handreiking «goed op weg met breedband» voor gemeentes en provincies"1 een aantal best practices en opties om de uitrol van breedband te stimuleren. In aanvulling daarop onderzoeken marktpartijen waar kostenbesparingen mogelijk zijn bij de aanleg van breedband. Tevens wordt gekeken naar mogelijke financieringsvormen voor het onrendabele deel van investeringen in het buitengebied. Daar valt ook onder een mogelijke bijdrage uit de door de Europese Commissie voorgestelde «Connecting Europe Facility». Over deze verschillende zaken is EL&I in gesprek met decentrale overheden, marktpartijen en de Europese Commissie. Zodra concrete vormen van kostenbesparingen en/of financieringsvormen zijn uitgewerkt, zal dit breed bekend worden gemaakt aan gemeenten en provincies. Zo wordt actief kennis bij elkaar gebracht en wordt voorkomen dat elke gemeente voor zich het wiel moet uitvinden.

Vragen van de leden van de CDA-fractie

Digitale implementatie agenda

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat er in de Digitale implementatie agenda veel zaken opgepakt worden die met name ook voor het bedrijfsleven van belang zijn. Maar juist ook in de minder harde sector, op sociaal maatschappelijk gebied, kan een digitale agenda ook veel betekenen. Met name in dun bevolkte en krimpregio’s en in het kader van de leefbaarheid van het platteland, kunnen met behulp van slimme inzet van ICT veel voorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en openbaar vervoer in stand gehouden worden. De leden van de CDA-fractie vragen de minister of hij bereid is om ook deze sociaal maatschappelijke digitalisering deel te laten uitmaken van de Digitale Agenda. In Friesland is men hier al heel concreet mee aan de slag. Is de minister bereid om te kijken of in samenwerking met Friesland een pilot gestart kan worden rond sociaal maatschappelijke digitalisering?

Antwoord

Bij de opzet van de Digitale Implementatie Agenda is er voor gekozen om de focus te leggen op het bedrijfsleven en de beroepsbevolking. Daarnaast heb ik aangegeven de samenwerking met gemeenten op het gebied van maatschappelijke thema's aan te gaan middels de Digitale Steden Agenda. Deze samenwerking heeft geleid tot een convenant waarvan de tekst nu ter besluitvorming ligt bij de Colleges van B&W van in ieder geval de G32. De inhoud van het convenant spitst zich toe op een zevental thema's waaronder Zorg, Onderwijs en Veiligheid maar ook Ondernemerschap en Regeldrukvermindering. Ook enkele provincies hebben interesse om bij dit initiatief aan te sluiten. Bovendien heb ik begrepen dat naast de stad Leeuwarden inmiddels drie andere steden in Friesland hebben aangegeven te willen participeren in de Digitale Steden Agenda. Hiermee zijn er voor de Provincie Friesland voldoende mogelijkheden zijn om hun maatschappelijke ambities met behulp van ICT op te pakken. Voor specifieke acties ten aanzien van de krimpregio's heeft het Ministerie van BZK de samenwerking gezocht met een aantal provincies. Daar waar het gaat om de inzet van ICT zal het Ministerie van EL&I bezien welke eventuele samenwerkingsmogelijkheden hiervoor passend zijn.

Derde voortgangsrapportage Nederland Open in Verbinding

De leden van de CDA-fractie lezen dat het programmabureau steekproefsgewijs ICT-aanbestedingen kritisch heeft gevolgd en dat er volgens het onderzoeksbureau Lysias Consulting Group sprake is van een toegenomen bewustzijn van het belang van open standaarden en open source software. Maar ook dat in 2010 maar iets meer dan 50% van de overheden het «pas toe of leg uit»-principe hebben ingevoerd. Waarbij de heersende gedachte is dat toepassing van dit principe nog erg vrijblijvend is. De leden van de CDA-fractie vinden het daarom een goede zaak dat het kabinet de toepassing van dit principe door overheden minder vrijblijvend maakt, maar wat zijn nu de echte harde resultaten die geboekt worden binnen de overheid in het toepassen van meer open standaarden en opensourcesoftware?

Antwoord

Over het belang van open standaarden bestaat geen misverstand meer bij overheden en marktpartijen. Voorlichtingsacties hebben hun werk goed gedaan. Overheden en marktpartijen hebben duidelijkheid gekregen over welke open standaarden moeten worden toegepast door een gedegen proces van het Forum en College Standaardisatie. Het «pas toe» op open standaarden werd begin 2010, na twee jaar in werking te zijn, bij ongeveer 40% van de aanbestedingen nageleefd. Uit onderzoek blijkt dat overheden steeds meer open standaarden en open source software toepassen. Ook blijkt dat zonder extra gecoördineerde inzet van overheden het gebruik van open standaarden en open source software zal doorzetten. Dit is een onomkeerbaar proces. We hebben ook geleerd dat het een proces van de lange adem is. Daarom loopt het beleid ook na 2012 door. Resultaten worden wederom gemonitord, de gegevens daarvan verwacht ik voor het einde van dit jaar. Die informatie zal het kabinet u dan doen toekomen.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister of hij bij benadering kan aangeven welk percentage van de ICT-overheidsaanbestedingen in 2009 nog resulteerde in ICT-aankopen die zijn gebaseerd op open standaarden en open source en hoe dit percentage sindsdien gegroeid is in 2011.

Antwoord

Ik heb onderzoek gedaan of overheden in hun aanbestedingen om open standaarden vroegen, conform het «Pas Toe of Leg Uit» beleid. Dat resulteerde voor 2010 in een redelijk goede score van 40%, na twee jaar actieplan. Welke software werkelijk verworven is heb ik daarbij niet onderzocht. Mijn collega van Binnenlandse Zaken monitort de voortang van het implementatieagenda dienstverlening e-overheid (iNUP). Daar valt ook het gebruik van open source software onder. Momenteel voer ik een uitgebreide monitor uit op open standaarden. Daarbij kijk ik wederom naar aanbestedingen en uitleg daarop in jaarverslagen. Onderdeel van de bovengenoemde monitor is ook het werkelijke gebruik van de open standaarden op de lijst.

De leveranciersafhankelijkheid die gesloten systemen en software met zich meebrengen hebben een sterk kostenverhogend effect op de jaarlijkse ICT-uitgaven van overheden. Dat kunnen we ons in deze tijd van economische crisis en noodzakelijke bezuinigingen niet langer permitteren. De leden van de CDA-fractie vragen de minister of hij een indicatie kan geven van de kosten die bespaard zouden kunnen worden als overheden meer gaan werken met open standaarden en open source.

Antwoord

Onderzoek naar mogelijke kostenbesparingen met Open Standaarden en Open Source Software is vorig jaar door de Algemene Rekenkamer uitgevoerd. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat eventuele besparingen op software alleen in concrete situaties kunnen worden bepaald door per situatie een kosten-batenanalyse te maken. Ik heb geen redenen om tot andere conclusies te komen. In het AO ICT met mijn collega Spies op 1 maart gaven enkele partijen aan dat zij het een goed idee vonden om deze vragen mee te nemen in het parlementaire onderzoek naar ICT-problemen bij de overheid, dat Uw Kamer van plan is uit te voeren. Ik kijk met belangstelling uit naar de bevindingen.

Tenslotte lezen de leden van de CDA-fractie in deze rapportage dat uit de gegevens van de onderzochte aanbestedingen blijkt dat het Rijk gemiddeld twee keer zo goed het principe van open standaarden en open source naleeft als de overige organisaties. Er wordt gepleit voor meer Shared Service Centra bij het Rijk en gemeenten en bundeling van krachten, wat in de praktijk zou leiden tot meer kennis, kracht en macht van overheidsinkopers. Kan de minister aangeven hoe hij de komende tijd deze krachtenbundeling binnen de overheid verder gaat realiseren? Dat zal namelijk niet vanzelf gaan en de huidige versnippering leidt tot onnodige geldverspilling. In dat kader zien de leden van de CDA-fractie Stedenlink, het initiatief van de G32, als zeer positief. Wel stellen deze leden de vraag of dit ook gaat leiden tot een meer gezamenlijk inkoopbeleid met de daarbij behorende besparingen.

Antwoord

Krachtenbundeling op ICT-gebied vergroot inderdaad de kans dat medeoverheden meer gebruik gaan maken van open standaarden en open source software. Wat ik van belang acht, is dat die samenwerking gedreven wordt door de partijen zelf. Ik geloof niet in de aanpak om partijen daartoe te dwingen. De keuze voor gemeenten om meer te gaan samenwerken op het gebied van hun ICT-huishouding valt onder de autonomie van gemeenten zelf. Ik zie wel dat gemeenten steeds meer gaan samenwerken. Daar ben ik verheugd om, omdat ik er van uit ga dat dit open ICT ook verder brengt. Ook waardeer ik het goede werk dat Stedenlink via de Digitale Steden Agenda verzet voor die gemeenten die aan de slag zijn met het gezamenlijk oppakken van maatschappelijke en economische vraagstukken met behulp van ICT-toepassingen. De samenwerking binnen de Digitale Steden Agenda maakt het mogelijk dat steden meer, bijvoorbeeld op regionaal niveau, gemeenschappelijk tot aanbesteden zullen overgaan, ook op het gebied van ICT. Dit is niet alleen goed voor de steden zelf. Ik verwacht ook dat die samenwerking de kansen voor open ICT verbetert.

Rapport BEREC

Uit het rapport van de Body of European Regulators of Electronic Communications (BEREC) kwam naar voren dat het blokkeren of afknijpen van peer-to-peerverkeer met name bij de mobiele netwerken veel voorkomt. Ruim 21% van de eindgebruikers van vaste netwerken hebben hier in Europa last van dat is meer dan één op de vijf consumenten. Bij mobiele aanbieders kan dit zelfs op 42% liggen. Dat is bijna de helft van de mensen, dat vinden de leden van de CDA-fractie absurd hoog. Te lezen valt dat dit sterk verschilt per lidstaat in Europa. Goed dat de minister de Europese Commissie dan ook het principe van netneutraliteit aanbeveelt, zodat de verschillen tussen landen kleiner worden en uiteindelijk verdwijnen. De leden van de CDA-fractie vragen de minister of hij weet hoe Eurocommissaris Kroes dit verder zal gaan oppakken en verzoeken om de laatste stand van zaken op dat gebied.

Antwoord

Eurocommissaris Kroes heeft te kennen gegeven dat het BEREC-rapport haar bevestigt dat netneutraliteit een belangrijk thema is op de Europese agenda. Zij heeft aangekondigd met nadere Europese aanbevelingen op netneutraliteit te komen. Ik verwacht dat deze aanbevelingen in het eerste of tweede kwartaal van 2013 verschijnen en met name gericht zijn op het transparanter maken van het aanbod zodat consumenten weten welke beperkingen er eventueel gelden ten aanzien van hun internetabonnement. Met de Nederlandse wetgeving op netneutraliteit zijn we een stap verder en verbieden we ongewenste belemmering van internetverkeer. Ik zorg dat we richting Commissie onze wetgeving en de gedachtegang daarachter uitdragen. Het zou goed zijn als u dat doet in uw contacten met het Europees Parlement.

Vragen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geagendeerde punten voor het schriftelijk overleg inzake de Digitale Implementatie Agenda. Graag stellen zij hier een aantal vragen over.

De leden van de SP-fractie zijn over het algemeen positief over het pakket aan maatregelen dat in de Digitale Implementatie Agenda is opgenomen. Deze leden vragen zich echter af of er voldoende kennis en kunde binnen de overheidsinstanties aanwezig is om deze agenda op een voorspoedige en veilige manier uit te voeren. Beschikt de overheid op zowel lokaal als nationaal niveau over voldoende goed gekwalificeerde ICT’ers? De voorgenomen acties om te investeren in kennis zullen pas over een aantal jaren de vruchten afwerpen. Op welke wijze wordt het noodzakelijke kennisniveau in de tussenperiode ingevuld?

Antwoord

Het is bekend dat er een tekort is aan ICT-medewerkers, zowel vanuit een kwalitatief als kwantitatief perspectief. Dit is een probleem binnen zowel de private als de publieke sector. Het Ministerie van BZK heeft eind vorig jaar de I-Strategie voor het Rijk naar uw Kamer gestuurd. In deze brief wordt onder meer uiteengezet op welke wijze het rijk wil omgaan met het interne en externe arbeidsmarktbeleid en personeelsplanning. Daarnaast is in 2010 een Kwaliteitsraamwerk Informatievoorziening ontwikkeld, in lijn met de principes van het Functiegebouw Rijk en in aansluiting op het EU-programma e-Skills. Vanuit dit perspectief participeert het Ministerie van BZK ook in het programma Digivaardigheid voor de Beroepsbevolking.

Het verbaast de leden van de SP-fractie dat in de rapportage staat vermeld dat uit de analyse naar de veiligheid van ICT-voorzieningen bij het elektronisch zakendoen tussen de overheid en bedrijven er geen blokkerende tekortkomingen zijn geïdentificeerd. Kan de minister een nadere toelichting geven op dit onderzoek?

Antwoord

Naar aanleiding van het DigiNotar-incident hebben op mijn initiatief twee onafhankelijke onderzoeksbureaus, Collis en HEC, onderzoek gedaan naar de veiligheid van de diensten uit de Digitale Agenda. Van een negental voorzieningen is onderzocht of het ontwerp en de feitelijke werking van de in de Digitale Agenda genoemde voorzieningen veilig zijn. De conclusie van dit onderzoek luidt dat de diensten als voldoende veilig kunnen worden beschouwd. Er worden risicoanalyses gemaakt en er worden maatregelen genomen om de onderkende risico’s te beheersen. Er worden audits en penetratietesten uitgevoerd. Wel wordt aanbevolen om voor een aantal diensten de veiligheid op termijn beter te borgen, met name de diensten die zich (nog) bevinden op het grensvlak van ontwikkeling en beheer. De aanbevelingen ben ik momenteel aan het uitvoeren. Het onderzoeksrapport is in maart naar de Tweede Kamer gestuurd.

Graag zouden de leden van de SP-fractie een duidelijk overzicht ontvangen waarin de groei van het gebruik van open standaarden en open source inzichtelijk wordt gemaakt. Ook vragen deze leden wat de gevolgen zijn van het stopzetten van het programmabureau Nederland Open in Verbinding (NOiV). Hoe verloopt het gebruik van open standaarden en open source software sinds het stopzetten van dit programmabureau?

Antwoord

Het programmabureau NOiV heeft gedurende haar looptijd de voortgang op open standaarden en open source software gemeten. Op basis van zelfrapportage van overheden is gemeten in hoeverre overheden «pas toe of leg uit» naleefden. Tevens is gemeten in hoeverre overheden open standaarden toepassen en open source software gebruiken. De laatste NOiV-monitor2 is uitgekomen begin 2011 en geeft een beeld over de stand van zaken eind 2010 en de ontwikkelingen van 2008, 2009 naar 2010.

Het beleid loopt echter door. Als onderdeel daarvan heb ik de monitoring op open standaarden verdiept en heb ik het mandaat voor het Bureau Forum Standaardisatie verlengd. Ik onderzoek of er om open standaarden wordt gevraagd in aanbestedingen en waar dat niet gebeurd of daar (conform «Pas Toe of Leg uit») verantwoording over wordt afgelegd. Daarnaast onderzoek ik het werkelijke gebruik van open standaarden bij overheden.

Binnen het programma iNUP is de resultaatafspraak gemaakt dat gemeenten gebruik maken van open standaarden volgens het principe van «pas toe of leg uit» en dat bij aanbesteding van software open source software, bij gelijke geschiktheid, de voorkeur krijgt. Het programma Operatie NUP van het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten monitort de voortgang hierop.

In de derde voortgangsrapportage NOiV wordt geconcludeerd dat het actieplan doeltreffend is geweest omdat blijkt dat het toepassen van open standaarden en open source software bij overheden een onomkeerbaar proces is geworden. De leden van de SP-fractie vragen of de conclusie dat wanneer het toepassen tot een onomkeerbaar proces is geworden, dit vanzelfsprekend gezien kan worden als doeltreffend of als een succes en verzoeken om een reactie van de minister op dit punt.

Antwoord

Ik zie belangrijke ontwikkelingen waaruit ik concludeer dat het actieplan doeltreffend is geweest. Over het belang van open standaarden bestaat geen misverstand meer bij overheden en marktpartijen. Voorlichtingsacties hebben hun werk goed gedaan. Overheden en marktpartijen hebben duidelijkheid gekregen over welke open standaarden moeten worden toegepast door een gedegen proces van het Forum en College Standaardisatie. Het «pas toe» op open standaarden werd begin 2010, na twee jaar in werking te zijn, bij ongeveer 40% van de aanbestedingen nageleefd. Uit onderzoek blijkt dat overheden steeds meer open standaarden en open source software toepassen. Ook zonder extra gecoördineerde inzet van overheden zal het gebruik van open standaarden en open source software doorzetten. Dit is een onomkeerbaar proces. Daarom vind het kabinet dat het actieplan doeltreffend is geweest.

In dezelfde rapportage staat dat het belang van open standaarden als instrument voor verbetering van interoperabiliteit langzaam doordringt op het niveau van beslissers en bestuurders, maar dat dit in de organisatie voornamelijk leeft bij de ICT-specialisten. De leden van de SP-fractie zouden graag weten hoe het kan dat dit, na vier jaar, nog altijd niet is doorgedrongen bij de beslissers en bestuurders van de Rijksoverheid. Wat gaat de minister ondernemen om dit proces te doen versnellen?

Antwoord

Ik ben blij dat onderzoek aangeeft dat het belang van met name open standaarden als instrument voor verbetering van de interoperabiliteit binnen de meeste organisaties leeft binnen het domein van ICT specialisten en inkopers. Omdat daarnaast kennis bij bestuurders en beslissers belangrijk is heeft het programmabureau NOiV bestuurstafels georganiseerd. Die hebben mooie resultaten opgeleverd.3 Wel ben ik mij er van bewust dat het belang van open standaarden voor verbetering van interoperabiliteit slechts langzaam op het niveau van beslissers en bestuurders doordringt. Om die redenen zet het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeente de bestuurstafels dan ook voort.

De leden van de SP-fractie zouden graag meer informatie ontvangen over de uitkomsten van de monitor NOiV 2010. Uit de resultaten van de monitor blijkt dat 67% van de uitvoeringsorganisaties aangeeft ODF (Open Document Format) te ondersteunen. Vervolgens zegt 83% van de uitvoeringsorganisaties dat ODF een optie is voor alle medewerkers. Hoe kan het dat een deel van de uitvoeringsorganisaties ODF niet ondersteunt maar dit wel als een optie zien voor hun medewerkers? Ook bij de gemeenten ondersteunt 62% ODF terwijl 64% aangeeft dat het een optie is voor alle medewerkers. Kan de minister hier een toelichting op geven?

Antwoord

Inderdaad gaf 67% van de uitvoeringsorganisaties (en 62% van de gemeenten) eind 2010 aan ODF te ondersteunen. Alleen aan de organisaties die ODF ondersteunen (de genoemde 67% resp. 62%) is de vervolgvraag gesteld hoeveel van de medewerkers ODF kunnen gebruiken. Daaruit blijkt, dat bij 83% van de uitvoeringsorganisaties die ODF ondersteunen alle medewerkers van ODF gebruik kunnen maken en bij 17% slechts een deel van de medewerkers. Het gaat dus om een percentage van een percentage: bij de uitvoeringsorganisaties om 83% (alle) plus 17% (een deel) van de medewerkers bij 67% van de uitvoeringsorganisaties.

Uiteraard vinden de leden van de SP-fractie het positief dat er een oplossing gevonden is voor de problemen met de provider van teksttelefonie AnnieS. Is de minister het met de leden eens dat deze oplossing wel erg lang op zich heeft laten wachten? Is de minister van mening dat een dergelijke service niet voor zo’n lange periode buiten gebruik mag zijn en hoe gaat de minister er zorg voor dragen dat dit in de toekomst niet opnieuw kan gebeuren?

Antwoord

De oplossing heeft enige tijd in beslag genomen en daar is een aantal redenen voor. Het ging hier om een dienst die werd aangeboden door een private onderneming die in moeilijkheden is gekomen. De mogelijkheid voor een doorstart van AnnieS viel af vanwege de achterstallige betalingen aan schuldeisers die de overheid niet wil en kan financieren. Daarnaast was het vrij snel duidelijk dat de organisaties van doven en slechthorenden begrijpelijkerwijs verder zouden willen gaan op basis van Total Conversation, de standaard waarmee de toekomstige bemiddelingsdienst gaat werken De teksttelefonie software van AnnieS voldoet niet aan de Total Conversation standaard voor teksttelefonie. Er hebben zich vervolgens twee partijen met offertes gemeld die de teksttelefonie dienst wilden continueren, waarbij een financiële bijdrage van het rijk noodzakelijk was. In het belang van de klanten heeft EL&I twee eisen gesteld. Ten eerste dat de teksttelefoniedienst op basis van de Total Conversation standaarden moet werken. Ten tweede dat aansluiting op de huidige Teleplusdienst van KPN noodzakelijk is, zodat doven en slechthorenden ook kunnen bellen met horende personen en 112. Daarvoor is overleg nodig geweest tussen betrokken partijen en KPN en er is overleg geweest met de Ministeries van VWS en V&J. Vervolgens is een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van prijs, ervaring en zekerheid op continuïteit van de dienstverlening. Dit alles heeft noodzakelijkerwijs enige tijd in beslag genomen. Zoals gezegd was een relatief eenvoudige doorstart niet mogelijk. In de toekomst zal een bemiddelingsdienst zorgen voor communicatie voor doven en slechthorenden via tekst, beeld en spraak. De aanbieder van deze dienst zal via een open selectie door de minister van EL&I worden aangewezen.

De leden van de SP-fractie zijn verder benieuwd hoe het staat met de ontwikkeling van het Nationaal Cyber Security Centrum. Is het centrum in staat voldoende goed gekwalificeerde ICT-ers aan te trekken? Wanneer verwacht de minister dat het centrum op volle kracht operationeel is?

Antwoord

Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is sinds 12 januari jongstleden operationeel. Voor bemensing van het NCSC is hoogwaardig opgeleid personeel op het gebied van cybersecurity nodig. Ook voor het NCSC zorgt het tekort aan ICT'ers voor een uitdaging om de juiste mensen aan te trekken; de invulling van de vacatures verloopt volgens planning. Via interne opleidingstrajecten binnen de overheid worden specialisten getraind en geworven. Binnen het NCSC gebeurt dit middels samenwerking met TNO en Het Expertise Centrum (HEC). Het NCSC valt overigens onder de verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie, als coördinerend bewindspersoon voor cybersecurity.

Kan de minister ten slotte aangeven wanneer de visie van het kabinet over e-privacy aan de Kamer toegezonden zal worden?

Antwoord

Gezien de huidige demissionaire status van het kabinet en de voor de deur staande verkiezingen in september zal deze visie door het nieuwe kabinet worden opgesteld en toegezonden aan de Kamer.

Vragen van de leden van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de stukken op de agenda van het schriftelijk overleg inzake de Digitale Implementatie Agenda. Zij willen achtereenvolgens ingaan op de Digitale Implementatie Agenda zelf, de handhaving van de cookie-wet door de Onafhankelijke Post en Telecommunicatieautoriteit (OPTA) en netneutraliteit.

Allereerst de Digitale Implementatie Agenda. De leden van de fractie van D66 vinden het document een teleurstelling. De centrale vraag in het stuk lijkt te zijn: hoe kan het bedrijfsleven zo min mogelijk last hebben van de overheid. Dat is een goede vraag, maar meer is nodig. Naast problemen voorkomen, moeten ook groeikansen benut worden. De overheid heeft ook een rol als aanjager. Adviesbureau Roland Berger voorziet in haar rapport «Van een fysieke naar een intelligente Digitale Gateway to Europe» 25% extra groei van het bruto binnenlands produkt (bbp) als de arbeidsproductiviteit in ICT omhoog gaat. Maar nergens in de Digitale Implementatie Agenda is aangegeven hoe Nederland ICT beter kan benutten in de Topsectoren. Boston Consultancy Group (BCG) berekent in haar InterNed-rapport van december 2011 hoe de interneteconomie kan zorgen voor procenten bbp-groei. Maar dat vereist wel een Digitale Groeistrategie. Middels de motie van het lid Verhoeven (Kamerstuk 24 095, nr. 293) hebben de leden van de fractie van D66 nog geprobeerd de minister te helpen, om in ieder geval iets voor de MKB-ers te doen. Maar het enige dat op dit punt terugkomt in de Digitale Implementatie Agenda is een verwijzing naar Nederland Verdient Online. De minister zit nog een paar maanden op zijn post. De leden van de fractie van D66 roepen hem op om die tijd goed te gebruiken en alsnog een plan op te stellen om Nederland met ICT-groei vooruit te helpen. Deze leden ontvangen graag een uitgebreide reactie op zowel de redenatie als het verzoek.

Antwoord

Ik ben het volledig eens met de analyse dat ICT een belangrijke motor voor innovatie en economische groei is. Dit wordt ondersteund door diverse analyses en onderzoeken. U noemt in dit verband terecht twee belangrijke onderzoeken van respectievelijk Roland Berger en de Boston Consultancy Group. Om groei door middel van ICT verder te ondersteunen is in de Digitale Implementatie Agenda aangekondigd dat, in het kader van de Topsectorenaanpak, een Roadmap ICT wordt opgesteld. In deze Roadmap, die inmiddels is verzonden aan de Kamer (17 januari dit jaar), wordt aangegeven wat voor de komende jaren de lijn is om te profiteren van ICT als motor van innovatie en economische groei. De Roadmap ICT geeft allereerst een overzicht van de doorbraakpotentie van ICT voor nieuwe toepassingen in alle topsectoren. Het gaat dan om door ICT gedreven technologische, organisatorische en sociale innovaties. Voorbeelden hiervan zijn het stroomlijnen van logistieke stromen door mainports met ICT, zelfdenkende auto’s voor een grotere verkeersveiligheid en nieuwe diagnose en behandeltechnieken door exploratie van medische gegevens in biobanken. De kern van de Roadmap ICT is echter vooral een onderzoeksprogramma dat de lijnen uitzet voor fundamenteel en toegepast onderzoek gericht op het bevorderen van ICT-gedreven innovaties voor de topsectoren. Belangrijke onderzoeksthema’s in de Roadmap ICT zijn «Data, data, data» en «ICT om op te vertrouwen».

Wat betreft het mkb onderschrijf ik dat deze een belangrijke rol speelt als het gaat om de verbinding van innovaties en economische groei. Ik hecht er dan ook groot belang aan dat het mkb die rol ook kan vervullen. Daarom komt er voor elke topsector een apart mkb-loket, bedoeld als eenvoudige entree in de topsectoren. En verder profiteert het mkb uiteraard van het brede innovatiebeleid. Dat blijkt ook uit cijfers. Zo ging vorig jaar maar liefst 97% van de tegemoetkoming in loonkosten rond innovatie (WBSO) naar mkb’ers.

Dan de cookies-richtlijn. De leden van de fractie van D66 zijn blij maar ook enigszins verrast dat de Wijziging van de Telecommunicatiewet ter implementatie van de herziene Telecommunicatierichtlijnen (Kamerdossiers 32 549 en 32 403) zo snel in werking is getreden. Alleen maken zij zich zorgen over de handhaving door de OPTA. Er bereiken de leden van de fractie van D66 geluiden dat de OPTA een signaal wil afgeven en zich in de handhaving enkel gaat richten op een paar grote Nederlandse spelers. Kleinere en alle buitenlandse partijen zouden voorlopig gevrijwaard blijven van enige handhaving. De leden van de fractie van D66 vragen de minister of hij dit signaal kan bevestigen, en of hij de mening deelt dat zo’n handhaving Nederlandse partijen zou kunnen schaden, omdat er een ongelijk speelveld ontstaat ten opzichte van bijvoorbeeld buitenlandse partijen. Zou de minister het wenselijker vinden om de grootste overtreders eerst aan te pakken ongeacht hun thuisbasis of grootte? Ziet de minister mogelijkheden dit aan de OPTA mee te geven via een algemene beleidsregel? De minister kan immers (op basis van artikel 21 van de Kaderwet zbo's) algemene beleidsregels stellen met betrekking tot de taakuitoefening van OPTA of de nog in te stellen Autoriteit Consument en Markt (ACM) .

Antwoord

OPTA reflecteert hoe het toezicht op en de handhaving van de nieuwe regels het best kan worden vormgegeven. Daarbij betrekt OPTA ook de sector. OPTA wijst er wel op dat het bij de nieuwe regels met betrekking tot het plaatsen en lezen van informatie op de computer van de eindgebruiker gaat om de bescherming van de belangen van de eindgebruiker. Het ligt dan ook voor hand dat de per definitie beperkte handhavingscapaciteit primair zal worden ingezet om die gevallen aan te pakken die het meest schadelijk zijn voor de Nederlandse gebruiker. Dit betekent onder meer dat OPTA zal kijken  naar websites die zich op het Nederlandse publiek richten en die relatief veel bezoekers trekken. Dat is niet hetzelfde als het enkel richten op een paar grote Nederlandse spelers. Het maakt bijvoorbeeld niet uit of het om een website van een Nederlandse speler gaat of een van een buitenlandse speler. De angst op een vanuit dit perspectief ontstaan van een ongelijk speelveld is dus ongegrond. Ik zie dan ook geen reden voor het stellen van algemene beleidsregels op dit punt.

Het laatste punt gaat over netneutraliteit. Er zijn bemoedigende berichten van de minister binnengekomen over missiewerk in Europa om de Nederlandse regelgeving over te nemen. Toch hebben de leden van de fractie van D66 zorgen. Via andere wetgeving wordt de netneutraliteit de laatste maanden steeds vaker met voeten getreden. Op basis van het auteursrecht worden sites gefilterd, geblokkeerd of verboden. Het amendement bood deze ruimte. Daarom willen de leden de minister voorleggen om de netneutraliteit verder aan te scherpen door de uitzondering in lid d van het artikel dat gaat over netneutraliteit te beperken tot «zware criminaliteit». De leden vragen de minister om met een wetsvoorstel komen om dit te regelen.

Antwoord

Met artikel 7.4a is het beginsel van netneutraliteit in de Telecommunicatiewet verankerd. Het artikel is geformuleerd als algemeen verbod waarop alleen in de gevallen genoemd in dat artikel een uitzondering mag worden gemaakt. In de uitzonderingen in onderdelen a tot en met c is aangeduid in welke situaties belemmering of vertraging van verkeer door de aanbieder geen bezwaar oplevert gezien de belangen die netneutraliteit beoogt te beschermen. In onderdeel d is een uitzondering geformuleerd voor situaties waarin de formele wetgever of de rechter andere belangen zwaarder vindt wegen dan de belangen die netneutraliteit beoogt te beschermen. Er is momenteel geen wettelijke bepaling die een aanbieder van internettoegangsdiensten direct, zonder tussenkomst van een rechter, verplicht tot het blokkeren van verkeer. Op dit moment is artikel 7.4a, eerste lid, onderdeel d, dan ook alleen van belang als een aanbieder op grond van een rechterlijke uitspraak wordt verplicht om bepaald verkeer te blokkeren. In een voorkomend geval zal de rechter gelet op artikel 7.4a alle belangen zorgvuldig moeten afwegen en een aanbieder van internettoegang niet lichtvaardig een verplichting op mogen leggen om verkeer te blokkeren. Ik zie daarom geen aanleiding om met een nieuw wetsvoorstel te komen op het gebied van netneutraliteit.

Vragen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie zijn teleurgesteld in de ogenschijnlijke voortgang die is geboekt op het gebied van open standaarden en open source. Tien jaar nadat de Kamer de motie van het lid Vendrik c.s. (Kamerstuk 28 600-XIII, nr. 30) aannam, moeten we blij wezen met een congres en zes nieuwe standaarden. Waar het actieplan Nederland Open in Verbinding aanvankelijk uitging van de publieke sector, bleek in de praktijk de focus te liggen bij de Rijksoverheid. Daarbij moeten de genoemde leden constateren dat de rapportages van het programmabureau niet geheel een accurate beschrijving van de voortgang van het beleid rond open standaarden en open source geven. Uit de voortgangsrapportage maken de leden van de GroenLinks-fractie niet op in hoeverre het programmabureau nu echt heeft gefunctioneerd. Al eerder hebben zij aangegeven dat een evaluatie van het beleid voor open standaarden en open source software aan een grondige evaluatie toe is. Tien jaar na de motie van het lid Vendrik c.s. is het hoog tijd voor een grondige onafhankelijke evaluatie van dit beleid. De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken een reactie van de minister op dit punt.

Antwoord

Aan de hand van onderzoeken van twee onafhankelijke partijen: Lysias Consulting Groep en de Rijksuniversiteit Groningen en aan de hand van de monitor van het programmabureau heb ik het beleid geëvalueerd en ook aangepast. De belangrijkste uitkomsten waren dat het gebruik van open standaarden en open source software een onomkeerbaar proces is geworden, maar wel een proces van de lange adem. Een andere belangrijke uitkomst betrof de naleving van «Pas Toe of Leg Uit». Naar aanleiding van de bevindingen heb ik bijvoorbeeld het «Pas Toe of Leg Uit» regime versterkt. Daar over heb ik u in de derde voortgangsrapportage gerapporteerd. Eind 2012 komen er gegevens over de verdere voortgang aan de hand van onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen, College Forum Standaardisatie en in het kader van het iNUP. Die informatie zal het kabinet u dan doen toekomen. Mocht aan de hand van de resultaten nader onderzoek gewenst blijken over versterking van het beleid dan ben ik daar graag toe bereid.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het actieplan uitging van de semi-publieke sector maar dat het er nu op lijkt alsof dat gaandeweg beperkt is gebleven tot de Rijksoverheid. Er zijn veel problemen met open standaarden in het onderwijs maar ook bij de publieke omroep. Graag zien deze leden een overzicht tegemoet van alle semi-publieke instellingen en zouden zij graag willen zien hoe deze voldoen aan het beleid voor open standaarden en open source. Kan de minister zo een overzicht bieden, en zo ja, op welke termijn?

Antwoord

Een overzicht van alle semi-publieke instellingen (onder andere alle scholen, zorginstellingen en publieke omroepen) en hoe zij per stuk uitvoering geven aan het open standaarden beleid is extreem bewerkelijk. Overigens zijn deze instellingen zelf verantwoordelijk voor de correcte toepassing van open standaarden. Voor wat betreft het onderwijs heeft de minister van OCW in de beantwoording van vragen van de GroenLinks-leden El Fassed en Klaver (2012Z02788 en 2011Z19427) aangegeven wat de stand van zaken in het onderwijs is en wat daar specifiek op het gebied van open standaarden gebeurd. Wel ben ik bereid de betreffende ministeries te verzoeken om te bezien of het mogelijk is op een bewerkbare wijze inzicht te geven van de voortgang van het gebruik van open standaarden bij de betreffende semipublieke instellingen. Daarover zal ik u in het najaar rapporteren.

De leden van de GroenLinks-fractie menen dat bij de overheid informatie op zo een 800 intranetten staat waar niemand anders bij kan. Daar wordt 800 keer betaalt voor dezelfde software en beheersorganisaties omdat er geen uitwisseling plaats kan vinden en er geen verbindingen gemaakt kunnen worden met systemen elders. En dat terwijl daar wel software voor is die dat kan en heel veel geld kan besparen. De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken een reactie van de minister op dit punt. De leden van de GroenLinks-fractie menen dat niemand belang heeft bij de huidige versnippering. De werking van de overheid wordt belemmerd en de kosten worden opgejaagd, en toch is dit de realiteit. Deze leden vragen wat de minister daar aan gaat doen. Open standaarden en open source zijn randvoorwaarden voor een moderne overheid maar krijgen geen voet aan de grond?

Antwoord

Intranetten zijn bedoeld om mensen die werkzaam zijn binnen een organisatie op interne ontwikkelingen en procedures te wijzen en van interne informatie te voorzien. Het is logisch dat daar niemand anders bij kan. Ik zie binnen de rijksoverheid geen versnippering maar juist een convergentie. Binnen het Rijk wordt sinds kort namelijk gebruik gemaakt van Rijksportaal, een centraal intranet voor de departementen. Ik steun die huidige convergentie.

Gezien de rol die ICT-leveranciers spelen bij de invulling van het ICT-beleid van de overheid en de vrijheid die zij krijgen om al dan niet te voldoen aan het open standaardenbeleid van de overheid, zijn de leden van de GroenLinks-fractie tot de conclusie gekomen dat de overheid haar rol als opdrachtgever serieus moet gaan nemen en zich onafhankelijk moet gaan opstellen van leveranciers. Ondanks de instelling van Chief Information Officiers (CIO's), IT-governance en actieplannen werkt de rijksoverheid nog steeds bijna uitsluitend met gesloten software. Nieuwe leveranciers krijgen geen voet aan de grond. Dat kan zelfs gebeuren wanneer open source software goedkoper en beter is dan ingeburgerde gesloten software.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat in een tijd van bezuinigingen en grootschalige ICT-problemen de bewindslieden inzichtelijk zullen moeten maken wat er wordt uitgegeven aan ICT en wat erop bespaard kan worden. De bewindslieden zijn nog steeds niet in staat ICT-bestedingen duidelijk en transparant te verantwoorden. Het besparingspotentieel van mogelijk vele miljoenen wordt hierdoor misgelopen. Eerder onderzoek van de Algemene Rekenkamer was te beperkt en het is echt zorgelijk dat de overheid geen goed beeld heeft van de mogelijkheden op dit gebied. Hierdoor is de ware omvang van een mogelijke kostenreductie op ICT-bestedingen niet duidelijk. Ook is er niet gekeken naar toekomstige ontwikkelingen op dit gebied of een vergelijking gemaakt met ontwikkelingen bij overheden in vergelijkbare landen. De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken een reactie van de minister op dit punt.

Antwoord

Onderzoek naar mogelijke kostenbesparingen met Open Standaarden en Open Source Software is vorig jaar op verzoek van de Tweede Kamer door de Algemene Rekenkamer uitgevoerd. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat eventuele besparingen op software alleen in concrete situaties kunnen worden bepaald door per situatie een kosten-batenanalyses te maken. Ik heb geen redenen om aan te nemen dat een nieuw onderzoek tot andere conclusies dan die van de Rekenkamer zou leiden. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft, mede namens mij, op de conclusies en aanbevelingen gereageerd.4 In die reactie leest u terug dat het kabinetsbeleid van overstappen naar open standaarden en/of open source software niet alleen toeziet op naar de inspanning die een overstap kost, maar vooral naar lange termijn voordelen en economisch-maatschappelijke baten van betere samenwerking en efficiëntere gegevensuitwisseling binnen en tussen organisaties. Dat is een van de redenen dat het kabinet het beleid voortzet.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat is aangetoond dat open source aantoonbaar kwalitatief beter is dan gesloten software en dat het bijdraagt aan ICT-veiligheid. Bijkomende voordelen zijn de vrijheid van hergebruik van data zonder beperkingen opgelegd door fabrikanten, geen zorgen over de toegankelijkheid in de toekomst en het zelf kunnen beslissen wanneer software vernieuwd moet worden. Graag horen deze leden waarom dit kabinet niet zo snel mogelijk het laaghangend fruit aan besparingen oogst, door gebruik van open source te oogsten en bovenaan de besparingslijstjes te zetten.

Antwoord

Ik ken het onderzoek waar uitkomt dat open source software gemiddeld minder fouten bevat. Er zijn natuurlijk meer afwegingen bij de aanschaf van software dan het aantal fouten in de code en de precieze beveiliging. Bovendien betekent het onderzoek niet dat elk open source software programma altijd beter is dan zijn closed source concurrent(en). De uitkomsten geven wel aan dat open source software goede concurrenten kunnen zijn als de gehele afweging gemaakt wordt tussen concurrerende software. Dat is goed nieuws. Open standaarden als norm bij aanschaf en gebruik van ICT-producten en diensten zal worden voortgezet. Open standaarden verminderen de complexiteit en verwevenheid van ICT omgevingen. Daardoor krijgt ook open source software een grotere kans. Ondertussen blijft het beleid dat open source software bij gelijke geschiktheid de voorkeur geniet gehandhaafd. Een zakelijke afweging blijft daarbij een uitgangspunt.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben begrepen dat er veel Nederlandse ondernemingen zijn die zich hebben gespecialiseerd in open source maar geen voet aan de grond krijgen doordat grote vaak buitenlandse IT-giganten met de opdrachten weglopen. Graag vernemen zij een appreciatie van de stelling dat het goed zou zijn voor onze economie om deze groep ondernemers een kans te geven.

Antwoord

Het is zeker goed voor onze economie als Nederlandse open source specialisten een eerlijke kans hebben. Het aanbestedingsrecht is bedoeld om deze eerlijke kans te geven. Wel hecht ik eraan om duidelijk te maken dat het kabinet geen voorkeur heeft voor Nederlandse of buitenlandse aanbieders, wij streven juist naar een vrije internationale markt, ook op het gebied van software. Tegelijkertijd blijft het beleid dat open source software bij gelijke geschiktheid de voorkeur geniet gehandhaafd. Daarnaast heb ik middels het iNUP nieuwe afspraken met de medeoverheden gemaakt over de toepassing van open standaarden en open source software.

Vragen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag naar aanleiding van de Digitale Implementatie Agenda. Zij missen in de Digitale Implementatie Agenda de aandacht voor enkele schaduwzijden van internet en internetgebruik. Deze leden noemen met name de verspreiding van kinderpornografie en verwijzen daarbij naar de eerste rapportage van Nationaal Rapporteur Mensenhandel over kinderpornografie (2011). De Nationaal Rapporteur wijst er op dat Nederland een belangrijke positie inneemt voor de infrastructuur van internet. De Amsterdam Internet Exchange (AMS-IX) vormt een van de grote knooppunten voor internetverkeer in Europa. De Nationaal Rapporteur schrijft: «Zoals de infrastructuur van de haven van Rotterdam de aankomst van illegale waar (bijvoorbeeld drugs) ongewild faciliteert, kan ook pornografisch materiaal vanuit de «datahavens» (servers) in de buurt van Amsterdam worden gehost.» Hoewel overheid en providers niet stil hebben gezeten, verdient het thema blijvende aandacht en een blijvende aanpak. Is het kabinet bereid de bestrijding van de verspreiding van kinderpornografie op te nemen in de Digitale Implementatie Agenda? Worden er concrete initiatieven ontplooid om te komen tot de stimulering van publiek-private samenwerking inzake bestrijding van de kinderpornografie, zoals de Nationaal Rapporteur voorstelt?

Antwoord

De aanpak van (de verspreiding van) kinderpornografie valt onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van V&J en niet binnen de scope van de Digitale Implementatie Agenda. Over de nationale aanpak van kinderporno en voorgenomen acties ter bestrijding hiervan wordt verwezen naar eerdere brieven van V&J hierover5.

De leden van de SGP-fractie wijzen er op dat het lid Dijkgraaf (SGP) op 19 juni 2012 schriftelijke vragen gesteld heeft over netneutraliteit. Is het kabinet bereid de beantwoording van de schriftelijke vragen inzake netneutraliteit separaat maar tegelijkertijd met de beantwoording van dit schriftelijke overleg aan de Kamer te doen toekomen?

Antwoord

Die bereidheid is er zeker en er zal naar worden gestreefd beiden tegelijkertijd toe te sturen.

III. Volledige agenda

  • 1. Digitale Implementatie Agenda en derde voortgangsrapportage Nederland Open in Verbinding (NOiV) (Kamerstuk 26 643, nr. 217). Brief regering d.d. 13-12-2011, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen.

  • 2. Aanbieding van het rapport van BEREC, «A view of traffic management and other practices resulting in restrictions to the open Internet in Europa- Findings from BEREC’s and the European Commission’s joint investigation» (Kamerstuk 21 501-33, nr. 375). Brief regering d.d. 30-05-2012, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen.

  • 3. Reactie op het rapport van BEREC over netneutraliteit (Kamerstuk 32 549, nr. 48). Brief regering d.d. 18-06-2012, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen.

  • 4. Reactie op verzoek van het lid Wiegman-van Meppelen Schepping inzake de AnnieS dienst (telecommunicatie dienstverlening voor doven en slechthorenden) (Kamerstuk 31 412, nr. 45). Brief regering d.d. 14-06-2012, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen.

  • 5. Continuering van de dienst van AnnieS (Kamerstuk 31 412, nr. 46). Brief regering d.d. 21-06-2012, minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M.J.M. Verhagen.