Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132500-VI nr. 86

32 500 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2011

Nr. 86 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 maart 2011

Inleiding

Met deze brief informeer ik u over de voortgang van de aanpak van kinderpornografie. De vorige voortgangsbrief is op 16 juli 2010 aan uw Kamer gezonden.1 Over deze brief heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 2 december 2010 Algemeen Overleg (AO) met uw Kamer gevoerd.2 Tijdens dit overleg is uw Kamer meegedeeld dat, ten einde alle door de leden gestelde vragen te kunnen beantwoorden en de heroriëntatie op een aantal onderwerpen (onder andere het filteren en blokkeren), de eerst volgende voortgangsbrief in februari 2011 zal worden verstuurd. Tevens is uw Kamer toegezegd dat de frequentie van de voortgangsbrieven van twee keer per jaar zal worden gecontinueerd.

Algemeen

Onder verantwoordelijkheid van de toenmalige minister van Justitie is in overleg met en steun van de Tweede Kamer in de afgelopen jaren door politie en Openbaar Ministerie (OM) vanuit drie speerpunten gewerkt aan het verbeteren van de aanpak van kinderpornografie. Allereerst is ingezet op de verbetering van het werkproces bij de politie, vooral via innovatie in een zogenoemde proeftuin en de ontwikkeling van nieuwe technologie die het tactisch onderzoek ondersteunt en versnelt. Verder is erop ingezet de werkvoorraad van kinderpornozaken in Nederland inzichtelijk te krijgen en beter te beheersen, onder andere door de tijdelijke extra inzet van recherchecapaciteit uit Bovenregionale Rechercheteams (BR-en) en tijdelijke extra inzet van digitale expertise. Om meer en betere sturing van het OM op de bestrijding van kinderpornografie te krijgen is er een landelijk Officier van Justitie kinderpornografie aangesteld. Ten derde wordt door politie en OM gewerkt aan het verleggen van de focus in de aanpak van kijkers en bezitters van afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen (de downloaders) naar de slachtoffers en de vervolging en opsporing van vervaardigers en verspreiders.

De meest recente informatie, gelegd naast de eerdere voortgangsbrieven, brengen mij tot de conclusie dat de drie speerpunten voor het verbeteren van de aanpak van kinderporno juist zijn gekozen. Er is hard aan gewerkt, maar de geformuleerde ambities zijn nog onvoldoende waargemaakt. Extra inspanningen zullen daar de komende periode voor nodig zijn.

In Nederland vindt nagenoeg geen commerciële productie van kinderporno plaats. Hoewel hierover geen cijfers bekend zijn, is de afgelopen jaren met het ondere andere beschikbaar komen van goedkopere en betere foto- en filmapparatuur ook in Nederland een tendens te constateren dat er meer en meer «thuis» materiaal wordt geproduceerd. Dit materiaal wordt veelal uitgewisseld door middel van ruilhandel tussen pedofiele netwerken. In Nederland komt het merendeel van het slachtofferschap van seksueel misbruik voort uit dit materiaal. Dit probleem verdient dan ook de onverdeelde aandacht van politie en OM. Het aanpakken van downloaders werkt weliswaar als preventieve maatregel, maar het bestrijdt het probleem niet of nauwelijks. Vandaar dat dit kabinet er voor kiest het slachtoffer voorop te zetten en capaciteit vrij te maken om die te ontzetten en vervaardigers en verspreiders in Nederland te achterhalen. Door immers meer op de laatste twee dadergroepen te focussen kan er beter naar slachtoffers worden doorgerechercheerd.

Ontwikkelingen bij politie en OM

PVAKP

Eind 2008 is het Programma Verbeteren Aanpak Kinderporno (PVAKP) van de politie met een verbeterplan van start gegaan. Het PVAKP heeft eind 2010 een doorstartplan voor een tweede fase gepresenteerd.

In de eerste fase van het PVAKP zijn, zoals ook in eerdere voortgangsbrieven vermeld, diverse belangrijke maatregelen ter verbetering van de aanpak kinderpornografie in gang gezet. Het terugdringen van de werkvoorraad heeft daarbij de grootste prioriteit gekregen en er zijn diverse (tijdelijke) maatregelen in gang gezet om dat te bereiken. Desondanks blijft de werkvoorraad, mede door de niet te beïnvloeden instroom van zaken uit internationaal onderzoek, op een onacceptabel hoog niveau. Mede hierdoor is de gewenste focusverlegging in de opsporing van downloaders naar vervaardigers en het achterhalen van slachtoffers niet geheel van de grond gekomen en is de beschikbare recherchecapaciteit aangewend voor voornamelijk het wegwerken van de werkvoorraad. Voortzetting van het PVAKP acht ik noodzakelijk, maar om de gewenste focusverlegging daadwerkelijk te realiseren is meer nodig. De politie en het OM zijn daarom momenteel een voorstel aan het uitwerken voor een nationale (in)richting van de aanpak van kinderpornografie. Er worden keuzes gemaakt die leiden tot een meer nationale aanpak van de internetzaken op het gebied van kinderpornografie en een versterking van de regionale aanpak als het gaat om in Nederland plaatsvindend misbruik. Dit met het doel om meer dan nu Nederlandse kindermisbruikers, vervaardigers en verspreiders van kinderporno aan te pakken. De focus is daarbij gericht op het ontzetten van slachtoffers en het leveren van een aanvaardbare bijdrage aan de internationale aanpak van kinderporno en kindersekstoerisme. Ik steun deze aanpak. Hij past prima in de inzet van het kabinet voor de nationale politie. Ik verwacht in mei een voorstel van het Openbaar Ministerie en de politie hoe wijzigingen moeten worden doorgevoerd om de herinrichting van de bestrijding van kinderpornografie te kunnen implementeren voor de beide organisaties. Na de besluitvorming over de herinrichting en een gedegen voorbereiding moet het starten van de implementatie op 1 januari 2012 haalbaar zijn. Met steun vanuit de reeds bestaande projectorganisatie is het mogelijk om te veranderen en toch door te gaan met de afhandeling van lopende en nieuwe onderzoeken.

Werkvoorraad over de omvang van de werkvoorraad kinderpornografie aan het einde van het 3e kwartaal van 2010. Deze bevatte toen 991 zaken. Inmiddels is de werkvoorraad aan het einde van het 4e kwartaal 2010 beschikbaar, deze omvat 770 zaken. Een volledig overzicht, van de cijfers op de manier zoals zij sinds de eerste voortgangsbrief uit 2008 zijn gemeld, treft u hieronder aan. De onderstaande tabellen geven inzicht in de totale werkvoorraad per kwartaal en in de onderverdeling van de werkvoorraad naar uitvoerende organisatie. Bij de cijfers plaats ik drie opmerkingen. Allereerst is een terugloop in de werkvoorraad bij de regio’s zichtbaar. Ten tweede blijft het aantal internationale onderzoeken onvoorspelbaar. Zoals bekend bereidt het KLPD Nederlandse inspanningen op internationale dossiers voor, maar vindt uitvoering plaats bij de BR-en en de regio’s. Tot slot constateer ik dat de totale werkvoorraad, met twee uitschieters naar boven, rond de 750 zaken jaarlijks stabiliseert.

 

Okt ’08

Ma ’09

Jun ’09

Sep ’09

Dec ’09

Ma ’10

Jun ’10

Sep ’10

Dec ’10

Regio's

500

434

413

456

418

414

378

383

377

BR-en

208

208

208

208

376

209

202

224

214

KLPD

71

48

109

215

15

156

25

384

179

Totaal

779

690

730

879

809

779

605

991

770

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft uw Kamer tijdens het AO toegezegd om in de onderhavige voortgangsbrief informatie te geven over de verhouding tussen kinderpornozaken die voortvloeien uit nationaal onderzoek en kinderpornozaken die voortvloeien uit internationaal onderzoek. Uit de verslaglegging van de politie en het OM is dit niet zichtbaar te maken. De reden hiervoor is dat het ook niet relevant is voor de opsporing zelf om deze gegevens statistisch vast te leggen. Experts schatten de verhouding op 80%–20%, waarbij 80% voortkomt uit internationale zaken.

Tijdelijke inzet Bovenregionale Rechercheteams (BR-en)

Sinds 2009 worden Bovenregionale Rechercheteams ingezet voor het terugdringen van de werkvoorraad. Deze maatregel was tijdelijk van aard en voor de duur van twee jaar ingesteld. Inmiddels is besloten om de inzet van deze teams te continueren totdat de nationale (in)richting van de aanpak kinderpornografie gerealiseerd is en op andere wijze aan de beheersing van de werkvoorraad vormgegeven gaat worden.

Korpsmonitor

De afronding van de korpsmonitor 2009/2010 bevindt zich in de eindfase. Na interne besluitvorming daarover bij de politie zal de korpsmonitor mij voor de zomer van dit jaar worden aangeboden. In de eerst volgende voortgangsbrief zal ik u hierover nader informeren.

Filteren en blokkeren

De discussie over het filteren en blokkeren van websites kent een lange geschiedenis. In 2006 heeft de KLPD hiermee al op bescheiden schaal geëxperimenteerd. Dit experiment is uitgebreid beschreven in de WODC studie uitgevoerd in 2007 en 2008 naar het filteren en blokkeren, waarover uw Kamer is geïnformeerd.3 In het najaar van 2008 heeft de toenmalige minister van Justitie op basis van dit onderzoek gekozen voor een scenario waarbij de overheid actief zelfregulering door de private partijen bevordert. Een belangrijke overweging hierbij is het uitgangspunt dat de overheid vooral via de strafrechtelijke weg het seksueel misbruik van kinderen moet aanpakken en dat alle beschikbare capaciteit daarvoor benodigd is. Van de private partijen mag aanvullend hierop worden gevraagd om het verspreiden van afbeeldingen tegen te gaan. Verschillende grote Internet Service Providers (ISP’s) hebben vervolgens toegezegd met een zelfreguleringinitiatief te komen. Daartoe hebben zij samenwerking gezocht met het Meldpunt Kinderporno op internet (verder Meldpunt). Het bedachte systeem bestaat uit een zwarte lijst van websites met kinderpornografie die wordt opgesteld en onderhouden door het Meldpunt en waaraan uitvoering wordt gegeven door de ISP’s.

Op 22 november 2010 heeft het Platform Internetveiligheid (verder Platform), dat bestaat uit verschillende marktpartijen en de ministeries van EL&I en Veiligheid & Justitie, een brief aan mij gestuurd. Dit Platform begeleidt in nauwe samenwerking met het Meldpunt de ontwikkeling en implementatie van het filter. Het Platform heeft mij meegedeeld, dat onder invloed van allerlei recente ontwikkelingen, de opgestelde zwarte lijst echter dusdanig klein van omvang is dat dit tot de conclusie leidt dat het blokkeren van websites met kinderporno via een dergelijke lijst een voorziening is die thans niet meer als een probaat en effectief instrument kan dienen. Daarbij komt dat voor het filteren en blokkeren partijen inspanningen moeten verrichten en middelen ter beschikking dienen te stellen die niet in verhouding staan tot het te verwachten effect. De brief van het Platform stuur ik ter informatie als bijlage bij deze brief mee (bijlage 1).4

Uit internationaal overleg over de bestrijding van kinderporno blijkt dat het aanbieden van professionele kinderpornografie sterk is afgenomen op internet. Het aanbod is inmiddels verplaatst naar minder toegankelijke delen van het internet. Het oorspronkelijke doel, dat met het filteren en blokkeren werd beoogd, was het voorkomen van ongewilde confrontatie met kinderpornografie op het internet. Door de verplaatsing van het materiaal naar andere, meer besloten, delen van het internet en de toepassing van nieuwe technieken is dit momenteel nauwelijks meer aan de orde. Door de toepassing van het filteren en blokkeren worden personen die gericht zoeken naar kinderporno niet gehinderd. Een ander belangrijk uitgangspunt, voor zowel de toenmalige minister van Justitie als voor de ISP’s, was dat op de zwarte lijst alleen sites zouden worden vermeld die niet van het internet konden worden verwijderd. Het gaat hierbij om websites die worden gehost in landen die geen maatregelen nemen om deze websites uit de lucht te halen.

Ik heb besloten het advies van het Platform te volgen en respecteer dat het filteren en blokkeren van kinderpornografische sites op domein (DNS) niveau niet zal worden ingevoerd door de ISP’s.

De politie en de hostingprovider Leaseweb hebben inmiddels wel afspraken gemaakt om een pilot te initiëren waarin het zogenoemde uploaden van kinderpornografische foto’s naar het internet kan worden tegengehouden. Over de voortgang hiervan zal ik u in de volgende voortgangsbrief berichten.

Tijdens het AO heeft de staatssecretaris naar aanleiding van de vraag van het lid Gesthuizen (SP), over hoe aan gekeken wordt tegen het gebruik van Deep Packet Inspection (DPI) voor de opsporing van kinderporno, geantwoord dat deze technologie wordt onderzocht en dat daar in de voortgangsbrief op terug zal worden gekomen. In berichten uit de media die volgden op het AO werd ten onrechte gesteld dat de staatssecretaris zou hebben geantwoord het gebruik van DPI voor het blokkeren van kinderporno op het internet te overwegen. Dit heb ik ook aangegeven in de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Dibi (Groenlinks) van 23 december 2010 jongstleden.5

De tijdens het AO gestelde vraag over DPI interpreteer ik als volgt: Gaat u kinderpornografie opsporen op het internet met een applicatie waarin DPI technieken zijn ingebouwd?

De toepassing van DPI en de techniek hierachter bestaat al langer en ontwikkelt zich steeds verder. Zo wordt DPI toegepast in applicaties om bijvoorbeeld (bedrijfs)netwerken of het internet te beveiligen. DPI technieken worden dan gebruikt om de inhoud van de pakketgegevens die over een netwerk gaan, bijvoorbeeld het internet, te kunnen onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van bepaalde content. Dit is algemeen geaccepteerde praktijk. Ik acht het aanvaardbaar als overheden binnen hun wettelijke mogelijkheden hiervan gebruik maken. Ik heb geen plannen om DPI specifiek te gebruiken voor de bestrijding van kinderpornografie. Wel zal ik de ontwikkeling ten aanzien van deze techniek blijven volgen voor de opsporing in het algemeen.

Overige onderwerpen

Hulptrajecten misbruikte kinderen

Tijdens het AO op 2 december 2010 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie toegezegd om u nader te informeren over behandeltrajecten voor minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik, waarin aandacht is voor preventie ontwikkeling daderschap. Het ministerie van VWS heeft mij hierover geïnformeerd. Er zijn diverse behandeltrajecten voor zowel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik als minderjarigen die afwijkend seksueel gedrag tonen. Omdat het meer tijd vergt om uit te zoeken in hoeverre in deze trajecten ook expliciet de preventie van de ontwikkeling van daderschap aan bod komt zal ik uw Kamer hier afzonderlijk nog over berichten.

Online Meldknop

Tijdens het AO met uw Kamer heeft de staatssecretaris toegezegd de Kamer te informeren over de stand van zaken ten aanzien van een online meldknop. Het Meldpunt Kinderporno op internet (die de site www.helpwanted.nl beheert) is nauw betrokken bij de totstandkoming van deze meldknop. Ook het Meldpunt Discriminatie, Pestweb en De Kindertelefoon zijn inmiddels als partners aangeschoven.

Er wordt momenteel hard gewerkt aan twee versies van de online meldknop. De eerste variant betreft een meldknop als applicatie («app») voor de internetbrowser. Door deze «app» te downloaden wordt de meldknop toegevoegd aan de internetbrowser. De knop zal vervolgens voortdurend zichtbaar zijn en op het moment dat de internetgebruiker geconfronteerd wordt met seksueel misbruik of ongewenst gedrag kan deze gelijk melding doen. Van het Meldpunt heb ik begrepen dat Microsoft bereid is gevonden de technische ontwikkeling van deze meldknop voor zijn rekening te nemen. Het is de bedoeling dat deze meldknop met zoveel mogelijk verschillende soorten browsers (Internet Explorer, Chrome, Firefox) zal werken. De tweede variant betreft een meldknop die op een website zelf kan worden geplaatst. De verwachting is dat beide meldknoppen in de zomer gereed zullen zijn.

Trajecten om online in contact te komen met de hulpverlening

Het lid Arib (PvdA) heeft tijdens het laatste AO gerefereerd aan een project in Duitsland waarbij mensen die seksuele gevoelens hebben voor kinderen via het internet kunnen worden doorverwezen naar de hulpverlening. Zij suggereerde dat het Meldpunt wellicht een rol kan spelen bij implementatie hiervan in Nederland. Navraag bij het Meldpunt heeft uitgewezen dat er weinig bekend is over dit project genaamd «Dunkelfield», behalve dat het project in Duitsland inmiddels is gestopt.

In Nederland wordt op andere manieren gezocht naar preventieve maatregelen. Naar aanleiding van het succesvolle programma «Stop it Now!» uit het Verenigd Koninkrijk zijn het Meldpunt Kinderporno op internet en het ambulant forensisch centrum De Waag gestart met een onderzoek naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een Nederlandse versie van dit programma. «Stop it now!» probeert daders en potentiële daders ervan te overtuigen hulp te zoeken. Deze organisatie richt zich ook op familie, vrienden en bekenden uit de omgeving van deze (potentiële) daders. Daarnaast biedt de website (www.stopitnow.org.uk) informatie voor ouders om hun kinderen beter te beschermen tegen seksueel misbruik, en is er een hulplijn waarop mensen anoniem kunnen worden geholpen. Het Nederlandse initiatief wil zich in eerste instantie richten op mensen die bij zichzelf pedoseksuele neigingen of de interesse in het bekijken van kinderporno ontdekken en hen een plek bieden waar zij over hun gevoelens kunnen praten en begeleid kunnen worden naar professionele hulp. Ervaringen in Nederland met professionele hulp geven aan dat er in beginsel genoeg behandelmogelijkheden zijn, maar dat vanwege wantrouwen en schaamte mensen moeilijk deze stap zetten.

EFC

Ten aanzien van de stand van zaken met betrekking tot de European Financial Coalition (EFC) kan ik u het volgende mededelen. Op 15 en 16 september 2010 zijn de resultaten gepresenteerd van de eerste fase van de EFC. Zoals bekend is deze coalitie naar Amerikaans voorbeeld opgericht en heeft het de Europese Commissie als grootste sponsor. Het doel van de EFC is het ontwikkelen van een flexibele en dynamische coalitie van stakeholders die onder leiding van rechtshandhavende instanties samenwerken ten behoeve van het opsporen en helpen van slachtoffers van seksueel misbruik, evenals het opsporen en vervolgen van daders. Daarbij wordt ingezet op het opwerpen van barrières in de financiële dienstverlening.

Uit de rapportage over de eerste fase van het EFC blijkt dat de bereidheid onder private partijen – veelal financiële instellingen – om met de publieke organisaties samen te werken aanwezig is. In verschillende werkgroepen zijn «best practices» beschreven die moeten leiden tot concrete samenwerkingsvormen. De Payments Industry Working Group heeft bijvoorbeeld deze «best practices» uitgewerkt in een brochure met richtlijnen voor de financiële dienstverleners. Dit om hen te helpen het werkproces en de relaties met klanten «vrij» te houden van betrokkenheid bij het verspreiden van afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen. Ook heeft het EFC een strategische analyse over de verspreiding van kinderpornografie gepubliceerd. Een belangrijke trend die daarin wordt beschreven is de forse afname van het aantal commerciële websites met kinderporno in de afgelopen twee jaar. Datzelfde geldt voor het daadwerkelijke hoeveelheid geld dat met het exploiteren van dergelijke sites wordt verdiend. De EFC verklaart dat enerzijds door de opkomst van andere technologieën zoals Peer-to-Peer (P2P) en de toenemende internetvaardigheid van computergebruikers en anderzijds door de toegenomen rechtshandhaving en de effectiviteit daarvan. Tegelijkertijd kan niet worden uitgesloten dat commerciële websites er beter in slagen zich voor rechtshandhaving «onzichtbaar» te maken.

De Europese Commissie heeft nog geen besluit genomen over financiering van een tweede fase van de EFC. Wel zijn er recentelijk vanuit Europol contacten gelegd met Europese opsporingsinstanties, waaronder de Nederlandse politie, om concrete onderzoeken tegen commerciële websites op te zetten.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VI, nr. 220.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 500 VI, nr. 75.

X Noot
3

Invulling van de motie Van der Staaij-Rouvoet (TK 2005–2006, 30 300 VI, nr. 160).

X Noot
4

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

X Noot
5

TK vergaderjaar 2010–2011, Aanhangsel, nummer 938.