Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2018
Hierbij bied ik u het rapport «Verkenning aansluiting Zorgclustermodel GGZ op huidige
verzekerde aanspraken Zvw (deel 1)» van Zorginstituut Nederland aan1. Het zorginstituut heeft dit rapport op 21 december 2017 aan mij aangeboden.
Kernboodschap
Het zogenaamde «zorgclustermodel», waar dit rapport op ingaat, speelt een belangrijke
rol bij de nieuwe bekostiging die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en partijen
in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) momenteel aan het ontwikkelen zijn.2 In het zorgclustermodel wordt gewerkt met circa 20 zorgclusters die aansluiten bij
de zwaarte van de zorgvraag van de ggz-cliënt.
Het zorginstituut beschrijft in dit rapport in hoeverre een concept-versie van dit
model aansluit bij de huidige verzekerde aanspraken in de geneeskundige ggz. De aanbevelingen
uit het rapport zijn gericht op het verbeteren van deze aansluiting. Het rapport dient
daarmee als een handreiking aan ggz-partijen bij de verdere ontwikkeling van het model.
Ook doet het zorginstituut onder andere aanbevelingen voor de borging van een adequate
diagnostiek en assessment in relatie tot het model in de nieuwe ggz-bekostiging.
Ik zal dit rapport van het zorginstituut onder de aandacht brengen van de NZa en partijen
zodat dit wordt betrokken bij de doorontwikkeling van het zorgclustermodel en de ggz-bekostiging.
Toelichting
Op 15 december 2016 heeft de toenmalige Minister van VWS het zorginstituut een aantal
vragen over het zorgclustermodel gesteld. Ten eerste vroeg zij in hoeverre het zorgclustermodel
aansluit bij de huidige verzekerde aanspraken in de geneeskundige ggz (de verzekerde
aanspraken in de ggz zijn op dit moment afgebakend in termen van de zogenaamde DSM-5).3 Zij vroeg het zorginstituut hierbij ook om deze kennis in te brengen in het traject
van de NZa, zodat op grond hiervan kan worden bekeken welke aanpassingen in het model
(dat nog in ontwikkeling is) nodig zijn om aansluiting te verkrijgen op de verzekerde
aanspraken.
Ten tweede vroeg de Minister of het (medische model achter) het zorgclustermodel betere
aanknopingspunten biedt om de verzekerde aanspraken in de ggz uit te leggen dan de
DSM en zo ja, of de uitleg in termen van de DSM dan zou kunnen worden losgelaten.
Ook vroeg zij welke effecten (inhoudelijk en macrobudgettair) dat dan zou hebben.
De Minister stelde deze tweede set vragen, mede omdat het zorginstituut in diverse
eerdere adviezen had aangegeven dat het gebruik van de DSM voor de uitleg van de verzekerde
aanspraken ggz zijn beperkingen kent.4
Het zorginstituut schrijft de bovengenoemde adviesvragen in twee delen te zullen beantwoorden.
Het eerste deel treft u hierbij aan5. Dit eerste deel van het advies bevat de eerste bevindingen van het zorginstituut
aan de hand van de versie van het zorgclustermodel dat in februari 2017 was ontwikkeld.
In deel 2, dat later in 2018 wordt verwacht, zal het zorginstituut haar definitieve
oordeel uitspreken aan de hand van een aangescherpt zorgclustermodel.
Het zorginstituut concludeert dat het zorgclustermodel aan de ene kant goede kansen
biedt en aan de andere kant ook risico’s met zich meebrengt. Het gaat dan onder meer
om het risico dat lichte problematiek – die behandeld kan worden in de huisartsenpraktijk
– instroomt in de geneeskundige ggz. Om dit risico te beheersen doet het zorginstituut
een aantal aanbevelingen voor de doorontwikkeling van het zorgclustermodel. Daarnaast
benadrukt het zorginstituut onder andere het belang van een adequate diagnostiek/
assessment. Het zorginstituut schrijft dat het aanbeveling verdient om eisen te stellen
aan degene die de diagnostiek c.q. assessment in het kader van het zorgclustermodel
mag uitvoeren. Verder schrijft het zorginstituut dat bij een adequate diagnostiek/
assessment ook een adequate bekostiging hoort, ook wanneer er sprake is van terug-
of doorverwijzing en er dus geen behandeling door de zorgaanbieder plaatsvindt.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
P. Blokhuis