25 422 Opwerking van radioactief materiaal

32 645 Kernenergie

Nr. 206 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 september 2017

Tijdens een aantal debatten heb ik toegezegd uw Kamer tenminste jaarlijks te informeren over de stand van zaken van verschillende onderwerpen betreffende nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hierbij stuur ik uw Kamer de toegezegde informatie en reageer tevens op een aantal moties.

a) Nederlandse nucleaire installaties

Kerncentrale Borssele – Voortgang veiligheidsverhogende maatregelen en verloop splijtstofwisselperiode 2017

De Elektriciteit Productiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ), eigenaar en vergunninghouder van de kerncentrale Borssele, heeft aan de hand van de in 2013 afgeronde tienjaarlijkse evaluatie (de 10EVA13) en de stresstest uit 2011 een pakket van verbetermaatregelen geïdentificeerd.

De maatregelen uit deze twee trajecten overlappen gedeeltelijk, daarom wordt de implementatie, waar mogelijk, gecombineerd. Zoals beschreven in mijn jaarlijkse brieven, zijn vele maatregelen reeds in de afgelopen jaren ingevoerd. Tijdens de laatste jaarlijkse stop (van 26 april tot 21 juli jl.) is de implementatie van de verbetermaatregelen nagenoeg afgerond. Het verbeteren van de bliksem- en aardingbeveiliging op het containment zal worden gerealiseerd in de jaarlijkse stop in 2018. Voor de afronding van de aanvullende robuustheidstudies door EPZ in verband met een aardbeving en een vliegtuigval is meer tijd nodig dan eerder gepland, onder andere in verband met verzoeken van de ANVS om aanvullingen van de eerste onderzoeksrapportages.

In verband met de complexiteit van de uitgevoerde werkzaamheden heeft de splijtstofwisselperiode 2017 ongeveer één maand langer geduurd dan gepland. Naast de hierboven genoemde maatregelen uit de 10EVA13 en de stresstest heeft EPZ een aantal systemen die de toestand van de reactor monitoren gedigitaliseerd.

De ANVS is gedurende de gehele splijtstofwissel aanwezig geweest in de kerncentrale en heeft er op toegezien dat de werkzaamheden veilig werden uitgevoerd en de nucleaire veiligheid niet in het geding kwam. De ANVS heeft ook samen met de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISWZ) een inspectie uitgevoerd op Arbo veiligheid.

Kerncentrale Borssele – IAEA follow-up OSART missie

In 2014 heeft het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) een zogenaamde OSART-(Operation Safety Review Team)-missie uitgevoerd bij de kerncentrale Borssele1. Zoals gebruikelijk, voert het IAEA na een paar jaar een vervolgmissie uit (follow-up missie).

In overleg met het IAEA is de follow-up van de OSART-missie in twee delen gesplitst. Samenhangend met de aard van de missie en de aanbevelingen uit 2014 is een deel van de follow-up na twee jaar uitgevoerd (december 2016), en zal het tweede deel na drie jaar worden uitgevoerd (november 2017), om EPZ meer tijd te geven de maatregelen uit te voeren die samenhangen met de aanbevelingen over leiderschap, organisatie en veiligheidscultuur. Aanpassingen op deze aspecten vergen doorgaans veel tijd. Tijdens de follow-up missie in december 2016 is op verzoek van de ANVS wel gekeken of EPZ met die aspecten op de goede weg is.

Hierbij bied ik u het IAEA rapport aan2, met de resultaten van het eerste deel van de follow-up missie. Het IAEA heeft vastgesteld dat drie kwart van de aanbevelingen en suggesties die betrekking hebben op deel 1 van de follow-up volledig zijn afgehandeld en dat voortgang op de overige naar tevredenheid is. Deze punten worden tijdens de volgende (deel 2) follow-up missie opnieuw meegenomen. Het IAEA geeft ook aan dat EPZ activiteiten ter verbetering van het leiderschap en de veiligheidscultuur heeft gestart die tot een positieve ontwikkeling hebben geleid en is ervan overtuigd dat voortzetting op de ingeslagen weg kan leiden tot het gewenste niveau.

De verwachting is dat ik uw Kamer in het voorjaar van 2018 kan berichten over de IAEA bevindingen naar aanleiding van deel 2 van de follow-up missie.

De ANVS volgt de acties die EPZ neemt ter implementatie van de aanbevelingen van het IAEA.

NRG Petten – IAEA missie veiligheidscultuur

Zoals ik begin 20173 heb gemeld, heeft het IAEA op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) van 12 tot 21 juni 2017 een Independent Safety Culture Assessment (ISCA) missie bij NRG in Petten uitgevoerd.

Hierbij informeer ik u over de hoofdbevindingen die het IAEA in haar concept-rapport heeft vermeld, en mondeling aan de ANVS heeft toegelicht.

Als het definitieve rapport beschikbaar is (naar verwachting binnen enkele weken) zal ik u daarover informeren.

De missie was een vervolg op de Integrated Safety Assessment for Research Reactors (INSARR) missie bij de HFR die in de periode van 4 tot 11 oktober 2016 werd uitgevoerd en waarover ik u in bovengenoemde brief van begin 2017 heb geïnformeerd. Een ISCA missie besteedt exclusief aandacht aan de veiligheidscultuur en voert daarop een veel omvattender en diepgaander analyse uit dan een INSARR-missie.

Deze ISCA missie omvatte ten opzichte van de INSARR missie een substantieel groter deel van NRG dan alleen de HFR organisatie: onder meer alle operationele onderdelen en het gehele management zijn beoordeeld. De missie heeft tot doel het verkrijgen van een goed beeld van de veiligheidscultuur, het identificeren van sterke en zwakke punten ten opzichte van wat volgens het IAEA nodig is voor een sterke veiligheidscultuur en het vaststellen van mogelijkheden ter verbetering.

Het IAEA heeft haar analyse uitgevoerd op basis van verzamelde gegevens uit vooraf gezonden en tijdens de missie opgevraagde documenten en beantwoorde vragenlijsten, vele interviews met medewerkers op alle niveaus in de NRG organisatie en met de ANVS, focusgroepen en rechtstreekse observaties in de dagelijkse praktijk.

Het IAEA is positief over de lopende NRG-initiatieven voor het verder ontwikkelen en verbeteren van de veiligheid en veiligheidscultuur. Het IAEA was onder meer positief over de mate van aanwezigheid van het midden-management van NRG op de werkvloer, hun open cultuur, de regelmatige herziening van HFR documenten en hoe wordt omgegaan met externe organisaties die werkzaamheden op het terrein van NRG uitvoeren.

Naast de bovengenoemde sterke punten heeft het IAEA adviezen gegeven om verdere verbeteringen door te voeren op het gebied van leiderschap en veiligheidscultuur. De rode draad van de adviezen betreft het versterken van het leiderschap door de hele organisatie heen, in het bijzonder bij het hogere management, de horizontale verbindingen tussen de NRG onderdelen en het alomvattend implementeren van het handelen en denken vanuit veiligheid.

Diverse bevindingen en aanbevelingen van het IAEA tonen gelijkenis met bevindingen en aanbevelingen die de ANVS heeft gedaan tijdens het toezicht op NRG. De ANVS heeft NRG aangegeven dat zij erop vertrouwt dat NRG voortvarend aan de slag gaat met de adviezen van het IAEA en heeft gevraagd jaarlijks over de voortgang van het verbeterproces te communiceren.

Het IAEA zal over twee tot drie jaar terugkomen om na te gaan in hoeverre de adviezen door NRG zijn opgevolgd (follow-up missie). Het follow-up rapport van het IAEA zal te zijner tijd aan uw Kamer worden toegezonden.

URENCO – levering van uranium (motie van Tongeren-Wassenberg4)

Bij het VAO van 16 mei 2017 hebben de leden van Tongeren en Wassenberg een motie ingediend over onderzoek naar de levering van uranium door URENCO voor de productie van tritium voor het Amerikaanse atoomwapenprogramma. Bij de motie wordt de regering verzocht om deze zaak uit te zoeken en hierover te rapporteren aan de Kamer. Ik heb toen toegezegd Uw Kamer schriftelijk nader te informeren en in afwachting van deze informatie heeft uw Kamer de motie aangehouden. Hierbij informeer ik u over deze kwestie.

Het Ministerie van Economische Zaken (vertegenwoordiger van de Nederlandse Staat in het Joint Committee onder het Verdrag van Almelo), ondersteund door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (verantwoordelijk voor het beleid op het vlak van non-proliferatie), herbevestigt de eerder gedane mededelingen dat er geen aanwijzingen zijn dat verrijkt uranium van Urenco wordt gebruikt voor het Amerikaanse kernwapenprogramma. De levering is geregeld door het Verdrag van Washington waarin is vastgelegd dat het verrijkt uranium alleen voor vreedzame doeleinden mag worden gebruikt. Hierop wordt toegezien door het IAEA.

b) Buitenlandse kerncentrales en (inter)nationale contacten

Samenwerking ANVS – FANC

In mijn brief van 18 april 2017 heb ik beschreven dat de samenwerking tussen het Federale Agentschap voor Nucleaire Veiligheid (FANC) en de ANVS de laatste jaren geïntensiveerd is.

Binnenkort zullen beide autoriteiten een samenwerkingsovereenkomst ondertekenen. Daarin wordt vastgelegd op welke onderwerpen informatie wordt uitgewisseld, worden afspraken gemaakt over wederzijdse deelname aan opleidingen, bijwonen van inspecties, samenwerking bij het verrichten van onderzoek en de erkenning van transportcontainers, en het afstemmen van publieke communicatie.

Samenwerking binnen de Benelux

Naast genoemde samenwerking tussen de autoriteiten ANVS en FANC, wordt ook in Beneluxverband verkend op welke terreinen intensivering van de samenwerking mogelijk is. Nederland is in 2017 voorzitter van zowel het Benelux Comité van Ministers, en van de Benelux Interparlementaire Assemblee (het zogenaamde Benelux-Parlement). In deze gremia bespreken de drie landen onder andere grensoverschrijdende problematiek. Nederland heeft het initiatief genomen nucleaire samenwerking op de agenda te zetten van het Comité van Ministers. Daarbij zal Nederland een aantal onderwerpen inbrengen voor mogelijke uitbreiding van samenwerking zoals informatie uitwisseling rond (wijzigingen in) wetgeving en organisatie, communicatie rond vergunningverleningsprocedures, risico- en crisiscommunicatie, oefeningen en afstemmen over maatregelen voor noodplanning, voorbereidingszones en jodiumverstrekking. In de eerste helft van 2017 hebben de nucleaire autoriteiten van de drie landen in het Benelux parlement een presentatie gegeven over nucleaire veiligheid in hun land.

Samenwerking grensregio’s

In mijn eerdere brieven van 17 oktober 20165 en van 18 april 20176 heb ik een overzicht gegeven van activiteiten die worden ondernomen ter verbetering van de informatievoorziening voor de bewoners en de samenwerking met de veiligheidsregio’s, onder andere in de grensstreek. Dit overzicht bevat zowel activiteiten die op dit moment al worden uitgevoerd als activiteiten die gepland zijn ter verdere versterking van de informatievoorziening en de samenwerking. Verder heb ik op 15 mei 2017 een gesprek gevoerd met de voorzitters van de veiligheidsregio’s in de grensstreek naar aanleiding van de gevoelens van onrust die in de regio zijn ontstaan. Dit gesprek heeft deze zomer opvolging gekregen in een aantal bijeenkomsten met de veiligheidsregio’s, zowel georganiseerd door de ANVS als door de veiligheidsregio’s. Met deze bijeenkomsten wordt verdere samenwerking beoogd, niet alleen met de grensregio’s maar ook met alle veiligheidsregio’s om hun informatiepositie te versterken.

Uitvoering motie Wassenberg

In mei jl. heeft uw Kamer een motie van het lid Wassenberg aangenomen7, waarmee de regering wordt verzocht zich aan te sluiten bij Duitsland en Luxemburg en de Belgische regering dringend te verzoeken de kerncentrale in Tihange te sluiten. Als overweging bij de motie wordt aangegeven dat Duitsland en Luxemburg de Belgische regering verzocht hebben om de kernreactoren in Tihange om veiligheidsredenen te sluiten.

Ter uitvoering van de motie is in de afgelopen maanden op hoogambtelijk niveau informatie ingewonnen over de stappen die de Duitse en de Luxemburgse regeringen hebben genomen richting de Belgische regering. Ook werd gevraagd of een verzoek door de respectievelijke regeringen is gedaan aan de Belgische regering en wat daarvan de precieze inhoud was, alsmede op welke (rechts)gronden het eventuele verzoek was gebaseerd. Voorts heb ik Minister Jambon van België geïnformeerd over het verzoek van uw Kamer. Zowel de reactie van Minister Jambon als de brieven die zijn verstuurd aan Duitsland en Luxemburg zijn als bijlagen bij deze brief opgenomen8.

Uit de beantwoording blijkt dat de Duitse federale Minister van milieu, mevr. Hendricks, bij monde van haar staatsecretaris Flasbarth aan Minister Jambon van België heeft gevraagd de reactoren Doel-3 en Tihange-2 tijdelijk te sluiten in afwachting van de resultaten van aanvullende technische analyses. Om deze aanvullende analyses was door Duitsland verzocht naar aanleiding van nadere vragen van het adviesorgaan van de Duitse federale regering inzake nucleaire veiligheid (Reaktor-Sicherheitskommission, RSK) over de in de reactoren aanwezige veiligheidsmarges. De RSK heeft in dit verband overigens zelf niet aangedrongen op tijdelijke sluiting.

In de brief wordt ook benadrukt dat op grond van een summiere juridisch analyse geen gronden zijn gevonden voor een formeel verzoek aan de Belgische regering tot sluiting van de kerncentrales. Naast deze juridische invalshoek, heeft de Duitse regering ook geconcludeerd dat de voorkeur moet worden gegeven aan samenwerking en diplomatiek contact. In dit kader is een Duits-Belgische commissie ingesteld waarbij nadere technische discussies kunnen plaatsvinden tussen de experts van beide landen.

De Luxemburgse regering heeft besloten zich aan te sluiten bij de Duitse positie. Er zijn vervolgens geen nadere stappen ondernomen, noch heeft Luxemburg een juridische analyse uitgevoerd naar de mogelijkheden daarvoor. Ook Luxemburg onderhoudt nauwe banden met België zowel op politiek niveau als op technisch gebied en er is samenwerking tussen de experts van beide landen.

Ik concludeer dat er dus geen sprake is van een verzoek of formele procedure vanuit Duitsland of Luxemburg tot sluiting van de gehele kerncentrale in Tihange, zoals de motie veronderstelt. De acties ondernomen door Duitsland en Luxemburg richten zich op de uit voorzorg tijdelijke stillegging van Tihange-2 en Doel-3. Ik heb uw Kamer al eerder geïnformeerd over de stand van zaken en de veiligheid van de Belgische kerncentrales en in het bijzonder, in mijn brief van 7 juli 20169, over de problematiek van de waterstofvlokken. Daarbij heb ik aangegeven dat het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) de afgelopen jaren een uitgebreid beoordelingstraject heeft doorlopen over de veiligheid van de reactorvaten van de kernreactoren Doel-3 en Tihange-2 en zich daarvoor ook heeft laten bijstaan door een panel van onafhankelijke internationale experts speciaal samengesteld voor deze beoordeling. De ANVS heeft geen inhoudelijke reden om te twijfelen aan het uitgebreide veiligheidsdossier en de conclusies hierover van het FANC, het Oak Ridge National Laboratory en de door het FANC samengestelde expertcommissie.

Ik wil benadrukken dat wanneer ik over informatie zou beschikken over de veiligheidssituatie van kerncentrales in de omliggende landen, die naar het oordeel van de ANVS zou moeten leiden tot al dan niet tijdelijke stillegging, ik geen moment zal aarzelen om daartoe op te roepen.

Echter op basis van de bestaande informatie over de veiligheidssituatie die ik al eerder met uw Kamer heb gedeeld, zowel met betrekking tot Doel-3 als Tihange-2, en er geen verzoek of formele procedure is gestart, geef ik de voorkeur aan intensivering van de samenwerking met België zoals ook Duitsland en Luxemburg hebben gedaan.

De komende tijd zal er, zowel op bestuurlijk als ambtelijk en deskundigenniveau onverminderd en waar mogelijk geïntensiveerd samengewerkt worden tussen de desbetreffende landen, teneinde voortdurend de veiligheidsgerelateerde grensoverschrijdende aspecten te delen en te duiden.

c) EURATOM en WAKO

Zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 10 mei jl. geef ik hieronder een toelichting over de internationale en nationale regelgeving rond de aansprakelijkheid van exploitanten van kerncentrales.

De aansprakelijkheid van exploitanten van kerninstallaties voor kernongevallen wordt geregeld in het Verdrag van Parijs. In aanvulling op het Verdrag van Parijs zorgt het Verdrag van Brussel voor het ter beschikking stellen van openbare middelen door de betrokken lidstaten, indien de schade groter is dan het bedrag waarvoor de exploitant ingevolge het Verdrag van Parijs aansprakelijk is. Beide Verdragen zijn voor Nederland uitgewerkt in de Wet aansprakelijkheid kernongevallen (Wako) die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën valt. Boven op de Verdragen van Parijs en Brussel kent Nederland nog een eigen nationale regeling in de vorm van een staatsgarantie, die ook in de Wako is neergelegd. Het Euratom-Verdrag speelt in het stelsel van de Wako en de Verdagen van Parijs en Brussel, anders dan verondersteld, geen rol.

Op grond van de Wako is de exploitant van Borssele aansprakelijk tot een bedrag van € 1,2 miljard. Dit bedrag is sinds 2013 van kracht en ligt hoger dan de 15 miljoen SDR (ongeveer € 16,5 miljoen) die volgens de geldende tekst van het verdrag van Parijs minimaal verplicht is en is ook hoger dan het bedrag van € 700 miljoen in het gewijzigde verdrag van Parijs, dat nog op inwerkingtreding wacht totdat alle verdragspartners, die ook EU-lid zijn, de wijzigingen in zowel het Verdrag van Parijs als van Brussel hebben geratificeerd. Het bedrag van € 1,2 miljard is gebaseerd op de dekkingsmogelijkheden die een aantal verzekeraars (verenigd in de Atoompool) tezamen als maximale dekking kunnen bieden.

Aangezien de Atoompool bepaalde schades uitsluit in de polis, bijvoorbeeld schades die ontstaan door natuurrampen van buitengewone aard, wordt voor die situaties door de exploitanten een aanvullende staatspolis afgesloten bij de Nederlandse staat. Hiervoor betaalt de exploitant jaarlijks een marktconforme premie aan de staat.

Indien de schade boven het verzekerde bedrag uitkomt, zijn de lidstaten op grond van het Verdrag van Brussel verplicht om volgens een vooraf vastgestelde verdeelsleutel bij te dragen aan de schadevergoeding tot een bedrag van maximaal € 143 mln. Nederland staat voor ongeveer 3% van die € 143 miljoen aan de lat in geval zich schade als gevolg van een kernongeval voordoet in een andere lidstaat. Dit komt neer op maximaal € 4,23 mln. Dit bedrag zal worden gefinancierd uit de openbare middelen. Keerzijde van het Verdrag van Brussel is dat Nederland bij een ongeval in Borssele aanspraak kan maken op € 143 miljoen van alle lidstaten tezamen.

Boven de bedragen op grond van de verzekering bij de Atoompool, de dekking door de Staatspolis én het bedrag dat op grond van het Verdrag van Brussel door alle lidstaten gezamenlijk zal worden bijgedragen, geldt in Nederland nog een Staatsgarantie voor het geval zich een ernstig ongeval in Nederland voordoet. Hiertoe hebben regering en parlement naar aanleiding van de ramp in Tsjernobyl gezamenlijk besloten. Dit betreft een zuiver nationale regeling. De hoogte van de staatsgarantie is thans € 2,3 miljard. De exploitant betaalt voor deze staatsgarantie een marktconforme vergoeding aan de staat. Het bedrag van de staatsgarantie zal op termijn worden verhoogd naar € 3,2 miljard. De wetgeving daartoe is reeds in 2008 in het Staatsblad verschenen, maar nog niet in werking getreden. Hiervoor wordt gewacht op de gelijktijdige ratificatie van wijzigingen van de Verdragen van Brussel en Parijs door alle verdragspartners, die ook EU-lid zijn. Uiteraard zal verhoging van het bedrag van de staatsgarantie naar € 3,2 miljard gepaard gaan met een nieuwe, hogere vergoeding aan de staat.

d) Financiële zekerheid

De vergunninghouders van kernreactoren zijn wettelijk verplicht tot het stellen van financiële zekerheid voor de dekking van de kosten van de buitengebruikstelling en ontmanteling van kernreactoren. De Minister van Financiën en ik beoordelen de wijze waarop deze financiële zekerheid wordt gesteld. Op dit moment beschikken alle vergunninghouders, met uitzondering van GKN, over een goedgekeurde financiële zekerheidstelling. Daarnaast is er in het kader van de vijf jaarlijkse actualisering van de financiële zekerheidstelling bij de Kerncentrale Borssele en de Hoger Onderwijs Reactor van de TU Delft sprake van een lopende goedkeuringsprocedure. Hierbij worden ook de aanbevelingen van de hoogambtelijke werkgroep Nucleair landschap over de aanscherping van de eisen tot goedkeuring van de financiële zekerheidstelling in acht genomen.

Kerncentrale Borssele (KCB)

Zoals in de Kernenergiewet opgenomen dient de Elektriciteits Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) vanaf 31 december 2033 over te gaan tot het buiten gebruik stellen en ontmantelen van de kerncentrale Borssele. EPZ heeft financiële zekerheid gesteld voor de ontmantelingskosten door het instellen van een fonds dat is ondergebracht in een stichting. Op de gelden in deze stichting rust een eerste pandrecht ten gunste van de Staat. Dit betekent dat in het geval van faillissement deze gelden beschikbaar blijven voor de ontmanteling. In het jaarverslag van EPZ over 2016 is aangeven dat de stand van het fonds per 31 december 2016 € 197 miljoen bedroeg. Dit is – ten opzichte van 31 december 2015 – een toename van afgerond € 24 miljoen. EPZ heeft een geactualiseerd ontmantelingsplan ingediend bij de ANVS dat op 13 december 2016 is goedgekeurd. Op basis hiervan zijn de kosten van buitengebruikstelling en ontmanteling van de kerncentrale geactualiseerd, en is een nieuwe aanvraag voor goedkeuring van de financiële zekerheidstelling bij de Minister van Financiën en mij ingediend. Deze aanvraag wordt momenteel beoordeeld.

Hoger Onderwijs Reactor (HOR)

De TU Delft heeft financiële zekerheid gesteld voor de kosten van buitengebruik stelling en ontmanteling van de Hoger Onderwijs Reactor (HOR) door het vestigen van een recht van hypotheek op enkele van haar panden. In maart 2016 heeft de TU-Delft een geactualiseerd ontmantelingsplan ingediend dat door de ANVS op 7 september 2016 is goedgekeurd. Op basis van dit plan dient de TU Delft een aanvraag in te dienen voor goedkeuring van een geactualiseerde financiële zekerheidstelling. Hierbij is vertraging ontstaan. Inmiddels is vooroverleg gestart en zal de TU-Delft volgens planning uiterlijk in het najaar 2017 een aanvraag indienen. Voor de beoordeling geldt een beslistermijn van zes maanden. In de tussentijd loopt de vorige financiële zekerheidstelling, het hypotheekrecht op de panden, door.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR is eigendom van de Europese Commissie/EURATOM (EC). Zij heeft zich verplicht de ontmantelingskosten te dekken uit haar algemene ontmantelingsbudget. NRG is de vergunninghouder en wordt als zodanig aangesproken voor de financiële zekerheidstelling. NRG had in 2016 een geactualiseerd ontmantelingsplan ter goedkeuring aan de ANVS moeten aanbieden, maar heeft daar niet aan voldaan. Hiertegen is handhavend opgetreden. NRG dient nu voor 1 januari 2018 een geactualiseerd ontmantelingsplan bij de ANVS in te dienen, anders moet NRG een dwangsom betalen. De EC is bezig met een ontmantelingsplan dat eind dit jaar klaar moet zijn. NRG informeert de ANVS elke drie maanden over de voortgang van het opstellen van het ontmantelingsplan. Na de actualisatie van het ontmantelingsplan zal ook de financiële zekerheidstelling geactualiseerd moeten worden.

Lage Flux Reactor (LFR)

Sinds december 2010 heeft NRG de LFR buiten bedrijf gesteld. In 2012 is de financiële zekerheidstelling goedgekeurd. In verband met het verlenen van de vergunning voor de ontmanteling heeft NRG in december 2015 een aanvraag ingediend om de wijze van financiële zekerheidstelling opnieuw goed te keuren. Die aanvraag is gebaseerd op een nieuwe berekening van de kosten, die uitkomt op ongeveer € 6 miljoen. Deze aanvraag is goedgekeurd en de ontmanteling is gestart en loopt volgens planning en binnen het budget. Naar verwachting is de reactor in februari 2018 ontmanteld en zal de LFR-hal vrijgegeven zijn voor sloop. Volgens planning is in 2019 de ontmanteling voltooid.

Kerncentrale Dodewaard (KCD)

De KCD is in 1997 buiten gebruik gesteld en sinds 2005 in «veilige insluiting». De ontmanteling is voorzien vanaf 2045. De N.V. Gemeenschappelijke Kerncentrale Dodewaard (GKN) is de vergunninghouder. GKN heeft tot op heden niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 15f van de Kernenergiewet om voldoende financiële zekerheid te stellen voor de ontmantelingskosten. In 2014 is de (eerste) aanvraag van GKN tot goedkeuring van de financiële zekerheidstelling afgewezen. De ontmantelingskosten waren toen door GKN geraamd op € 180 miljoen. Op 9 maart 2016 heeft de Raad van State het beroep van GKN tegen de afwijzing van de aanvraag tot goedkeuring financiële zekerheid ongegrond verklaard. Op 29 september 2016 is een nieuwe aanvraag tot goedkeuring van de financiële zekerheidsstelling ingediend op basis van een op 15 september 2016 goedgekeurd geactualiseerd ontmantelingsplan. De Minister van Financiën en ik hebben aan GKN laten weten voornemens te zijn ook deze aanvraag af te wijzen. In mijn brief van 21 november 201610 heb ik u geïnformeerd over een voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Gelderland van de betrokkenen rondom GKN. Vertegenwoordigers van de partijen – GKN, NEA, de elektriciteitsproductiebedrijven en de Staat – voeren momenteel gesprekken om te onderzoeken of een mogelijkheid bestaat voor een minnelijke regeling. Het voorlopig getuigenverhoor is daarom aangehouden. De procedure ligt op dit moment weliswaar stil, maar is niet ingetrokken. Over de inhoud van de gesprekken wordt niet gecommuniceerd. De procedure voor goedkeuring van de financiële zekerheidsstelling door GKN is in afwachting van de uitkomst van bovengenoemde procedure en gesprekken voorlopig stilgelegd.

e) Transport

In de motie Van Eijs11 wordt de regering verzocht lessen te trekken uit gevallen waarbij de (veiligheids)procedures in twijfel werden getrokken, en de Kamer over de stand van zaken te informeren.

Ik benadruk dat bij het verlenen van transportvergunningen, van welke type ook, de transportveiligheid altijd wordt gewaarborgd.

Over de afgegeven vervoersvergunning van 6 november 2015 aan DAHER NUCLEAR TECHNOLOGIES GmbH gevestigd te Hanau (Duitsland), inzake vervoer van verarmd uranium van Urenco NL naar de Russische Federatie is de Kamer al eerder geïnformeerd12.

Naar aanleiding hiervan heeft de ANVS sinds december 2015 de interne procedure voor vergunningverlening aangescherpt en worden alle vervoersvergunningen nauwkeuriger gecheckt op de juiste toepassing van het rechtvaardigingsbeginsel.

Naar aanleiding van vragen van de Kamer13 over de verleende vergunning voor het vervoer van twee hoogradioactieve bronnen van NRG naar COVRA heeft de ANVS aan de Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) gevraagd om in 2018 tijdens de IRRS follow up missie de praktijk van vergunningverlening voor transporten op grond van een speciale regeling te toetsen. Zoals eerder toegezegd zal de Kamer over de uitkomsten worden geïnformeerd.

f) radioactief Afval

In juni 2016 is het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen (verder: het nationale programma) vastgesteld en aan uw Kamer aangeboden14. In dit nationale programma is het beleid rond het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen beschreven. Hierin is ook de vorming van een klankbordgroep aangekondigd. Voorafgaand aan de instelling van deze klankbordgroep is een kwartiermaker aangesteld. De kwartiermaker heeft de opdracht gekregen een verkenning uit te voeren die moet resulteren in een werkplan voor de klankbordgroep en een voorstel voor de wijze waarop de klankbordgroep georganiseerd gaat worden in relatie tot de ANVS en de Minister van IenM. Op basis van de verkenning zal ook een profiel voor de samenstelling van de klankbordgroep worden geformuleerd. Het eindrapport van de verkenning wordt eind 2017 verwacht. In de eerste helft van 2018 verwacht ik u nader te kunnen informeren over de ontwikkelingen rond de vorming van de klankbordgroep.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstuk 25 422, nr. 121

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
3

Kamerstuk 25 422, nr. 184

X Noot
4

Kamerstuk 25 422, nr. 193

X Noot
5

Kamerstuk 25 422, nr. 157

X Noot
6

Kamerstuk 25 422, nr. 187

X Noot
7

Kamerstuk 25 422, nr. 189

X Noot
8

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
9

Kamerstuk 32 645, nr. 83

X Noot
10

Kamerstuk 25 422, nr. 162

X Noot
11

Kamerstuk 25 422, nr. 194

X Noot
12

Kamerstuk 25 422, nr. 139

X Noot
13

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 3374

X Noot
14

Kamerstuk 25 422, nr. 149

Naar boven