Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201625422 nr. 139

25 422 Opwerking van radioactief materiaal

Nr. 139 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 februari 2016

Tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 13 januari 2016 heeft het lid Sjoerdsma (D66) verzocht de antwoorden op eerdere Kamervragen nader toe te lichten. Mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voldoe ik hierbij aan dit verzoek.

Met de brief van 9 december 2015 stelden de leden Sjoerdsma, Hachchi en Van Veldhoven (allen D66) Kamervragen, naar aanleiding van de afgegeven vervoersvergunning van 6 november 2015 aan DAHER NUCLEAR TECHNOLOGIES GmbH gevestigd te Hanau (Duitsland), inzake vervoer van verarmd uranium van Urenco NL naar Russische Federatie. Ik heb mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, deze Kamervragen beantwoord met de brief van 18 december 2015 (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 965).

Naar aanleiding van deze brief stelden de leden Sjoerdsma, Hachchi en Van Veldhoven (D66) aanvullende Kamervragen op 23 december 2015. Ik heb deze, mede namens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beantwoord in de brief van 12 januari 2016 (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1128).

Als aanvulling op de reeds beantwoorde Kamervragen licht ik, als Minister verantwoordelijk voor het verlenen van de vervoersvergunningen, en licht de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, verantwoordelijk voor het verlenen van de uitvoervergunningen, het volgende toe.

De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) verleent namens mij vergunningen voor het vervoer van onder andere uraniumhexafluoride (UF6). De ANVS hanteert bij de vergunningverlening een proces dat is gebaseerd op het toetsingskader uit de Kernenergiewet, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en de Algemene wet bestuursrecht.

De Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU) verleent namens de Minister voor Buitenlandse Handel en ontwikkelingssamenwerking vergunningen voor de uitvoer van UF6. De uitvoer van UF6 valt namelijk onder de EU dual-use verordening (428/2009).

Vervoersvergunning

Urenco levert verrijkingsdiensten van UF6 en is een van de grootste spelers in de markt. Urenco maakt meestal gebruik van de eigen verrijkingsfabrieken in Almelo, Gronau (D) en Capenhurst (VK), maar koopt ook soms capaciteit in bij de Russische concurrent Tenex. Het vervoer van UF6 is een gerechtvaardigde handeling op grond van artikel III.A van de «Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende straling».

Urenco NL laat alleen natuurlijk UF6 vervoeren naar de Russische verrijkingsfabriek, waarmee Urenco NL een contract heeft. Sinds 2009 laat Urenco NL geen verarmd UF6 naar de Russische Federatie vervoeren.

Dit betekent dat het vervoer van verarmd UF6 van Urenco NL naar de Russische Federatie niet aangevraagd had moeten worden en op grond van het rechtvaardigingsbeginsel ook niet vergund had mogen worden. Dit is wel gebeurd. In overleg met Urenco NL en de vergunninghouders zullen deze vergunningen op dit punt worden gewijzigd, zodat alleen het vervoer van natuurlijk UF6van Urenco NL naar de Russische Federatie vergund is. Daarnaast controleert de ANVS nu alle vergunningen voor het vervoer van UF6 op een juiste toepassing van het rechtvaardigingsbeginsel.

Zoals aangegeven in antwoord 4 van de Kamervragen van 23 december 2015, bestaat er, indien aan alle eisen van rechtvaardiging is voldaan, in de vigerende wetgeving overigens geen belemmering voor het vervoeren van verarmd UF6, ook niet van Urenco NL naar de Russische Federatie.

Daarnaast zijn de vervoerseisen van verarmd en natuurlijk UF6dezelfde, omdat volgens de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (het ADR) de risico’s oftewel de gevaareigenschappen dezelfde zijn. Vervoer dat plaatsvindt conform de eisen van het ADR is veilig.

Verder wil ik in aanvulling op het antwoord op vraag 11 van de Kamervragen van 23 december 2015 (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1128) nog benadrukken dat geen sprake is van afval, maar van grondstof indien het verarmde UF6 dat tijdens verrijking ontstaat, wordt hergebruikt.

Uitvoervergunning

Wat betreft de zorgen die bestaan over eventuele militaire toepassingen wil de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het volgende benadrukken. Uranium heeft inderdaad zowel civiele als militaire toepassingen. Het is exact om deze reden dat het naar de Russische Federatie vervoerde materiaal uitsluitend verrijkt mag worden ten behoeve van civiele doeleinden en dat Nederland de export alleen heeft toegestaan nadat de Russische overheid voorafgaand aan het verstrekken van de uitvoervergunning formele overheidsgaranties heeft verstrekt omtrent dit civiele eindgebruik.

Deze overheidsgaranties zijn formeel bindend en staan gelijk aan een verdrag tussen Nederland en de Russische Federatie. Deze garanties gelden niet alleen voor het vervoerde materiaal, maar ook voor het tijdens het verrijkingsproces ontstane verarmd UF6dat in Russische Federatie achterblijft. Al het Nederlandse materiaal staat bovendien onder toezicht van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) en blijft ook altijd onder toezicht van het IAEA staan.

Deze werkwijze komt voort uit de richtlijnen van het exportcontroleregime van de Nuclear Suppliers Group (NSG), waar beide landen lid van zijn, en uit de EU dual-useverordening (EU Vo 428/2009). Zoals aangegeven golden er geen internationale sancties voor het vervoer van UF6 van en/of naar Russische Federatie voor civiele toepassingen. Deze situatie geldt nog steeds.

De Russische Federatie beschikt zelf over voldoende voorraden van natuurlijk uranium en over capaciteit om deze te verrijken en verder toe te passen. Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 1128) zijn er geen aanwijzingen dat de Russische Federatie zich niet houdt aan haar verplichtingen onder het non-proliferatieverdrag.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus