Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201324077 nr. 307

24 077 Drugbeleid

Nr. 307 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 januari 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 13 december 2012 overleg gevoerd met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 27 april 2012 over actuele zaken inzake het Coffeeshopbeleid (24 077, nr. 286);

  • de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 5 juli 2012 in het kader van toezeggingen uit het drugsdebat en een nog openstaande toezegging uit het Algemeen Overleg over georganiseerde criminaliteit (24 077, nr. 288);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 1 juni 2012 met de effecten van de invoering van het verscherpt coffeeshopbeleid (24 077, nr. 287);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 1 oktober 2012 met een reactie op het verzoek van Kamerlid Berndsen om een debat met betrekking tot de weerstand die er bestaat ten aanzien van de algemene invoering van de «wietpas» (24 077, nr. 291);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 5 oktober 2012 met het rapport «Coffeeshops in Nederland; aantallen en gemeentelijk beleid 1999 – 2011» (24 077, nr. 292);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 19 november 2012 met een reactie op het verzoek van Kamerlid Berndsen over het coffeeshopbeleid en de toegenomen straatoverlast en drugshandel als gevolg van de invoering van de wietpas in de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland (24 077, nr. 293);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 22 november 2012 met een inventarisatie van drugshandel via internet (24 077, nr. 295);

  • de brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 27 november 2012 met een reactie op het verzoek van Kamerlid Berndsen met betrekking tot de monitor van de clubpas (24 077, nr. 296).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Nava

Voorzitter: Elias

Griffier: Nava

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Berndsen, Bontes, Elias, Hilkens, Kooiman, Oskam, Van der Staaij, Van der Steur, Van Tongeren en Voordewind,

en minister Opstelten van Veiligheid en Justitie.

Aanvang 15.00 uur

De voorzitter: Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie. Aan de orde is een algemeen overleg over de zogeheten clubpas, die ook een bijnaam heeft. Ik heet de minister en zijn gevolg van harte welkom. Ook degenen op de publieke tribune en degenen die ons anderszins op dit moment live volgen, en natuurlijk mijn collega-Kamerleden, wens ik van harte welkom. De tijd voor dit overleg is van 15.00 uur tot 18.00 uur vastgesteld. Dit mag korter maar niet langer. De indicatie voor de spreektijd is vijf minuten. Laten we proberen het binnen deze tijd te houden, hoewel ik niet zal zeuren bij de eerste seconde van overschrijding.

Mevrouw Berndsen (D66): Voorzitter. Eindelijk praten we dan over de uitgeklede wietpas. De straatoverlast en de illegale handel nemen toe. De illegale markten voor soft- en harddrugs vermengen zich. De straathandel heeft een aanzuigende werking op jongeren en minderjarigen. De kwaliteit van de cannabis in het illegale circuit neemt af en de gezondheidsrisico's nemen toe. Drugsdealers benaderen potentiële klanten actiever. En dit noemt minister Opstelten een succes. Als de doelstelling van het kabinet het uitlokken van crimineel gedrag is, dan is de wietpas inderdaad een succes. De doelstelling van het coffeeshopbeleid is nu echter juist drugsoverlast en drugscriminaliteit tegen te gaan. De minister kan succes claimen, maar iedereen ziet dat de wietpas heeft gefaald. De minister baalt van de negatieve publiciteit, maar in plaats van het falend beleid stop te zetten, steekt hij het onder druk van de PvdA in een nieuw jasje. Het besloten clubcriterium wordt een GBA-criterium: geen registratie, wel een identiteitsbewijs en een uittreksel van de gemeente. Natuurlijk blijft het ingezetenencriterium wel bestaan. D66 vindt dat beiden van tafel moeten. Het regeerakkoord brengt onduidelijkheid over het nieuwe coffeeshopbeleid en biedt een halve oplossing voor een niet in de meeste gemeenten bestaand probleem. Daarom ervaart het kabinet opnieuw weerstand tegen zijn plannen van de coffeeshopbezoekers, van de gemeenten en zelfs van eigen partijgenoten van de minister. Burgemeester Buijs van Oss neemt afstand van het verplichte papiertje uit de – ik weet dat de voorzitter niet van afkortingen houdt – Gemeentelijke Basisadministratie voor persoonsgegevens. De VVD in Venlo wil dat buitenlanders weer in Nederlandse coffeeshops terecht kunnen. Zij noemt het beleid van de minister desastreus. Ook partijgenoten van regeringspartij PvdA laten zich niet onbetuigd. Burgemeester Den Oudsten omarmt de Duitse drugstoerist in Enschede. Datzelfde doet burgemeester Van der Laan met toeristen in Amsterdam. Hij gaat zelfs nog een stapje verder. Hij is niet van plan om te laten handhaven. Het draagvlak voor de wietpas kon de minister niet eens bij zijn formatiecollega's Samsom en Rutte vinden. Hoe denkt de minister dan wel draagvlak van de lokale politiek en de maatschappij te bewerkstelligen? De ruimte voor lokaal maatwerk, waarover in het regeerakkoord wordt gesproken, zien wij niet terug in de praktijk. Zodra burgemeesters met eigen initiatieven komen, roept de minister hen op het matje. De gemeenten, waaronder Utrecht, Rotterdam, Den Bosch, Eindhoven, Tilburg en Leeuwarden hebben aangekondigd lokaal te willen experimenteren met gereguleerde wietteelt. Daar verzet de minister zich tegen. De D66-fractie vindt dat de minister ruimte moet geven om gereguleerde wietteelt mogelijk te maken. Gemeenten moeten niet vanuit Den Haag gedwongen worden tot beleid dat in de praktijk niet werkt. Een verstandig drugsbeleid vraagt om zorgvuldige, lokale afwegingen. Wil de minister toezeggen dat het kabinet experimenten van gemeenten om de achterdeur van de coffeeshops te regelen mogelijk zal maken, en niet bij voorbaat zal afwijzen? Niet de handhaving van gedoogcriteria moet de prioriteit van de gemeenten zijn, maar het aanpakken van illegale drugshandel en straatoverlast. Laat daarom gemeenten op basis van lokale afwegingen bepalen hoe zij invoering geven aan het drugsbeleid en dwing hen niet tot handhaving. Het kabinet legt elke keer de nadruk op het controleren van de voordeur van de coffeeshop, terwijl de achterdeur uit zicht blijft. De minister zorgt voor extra bureaucratie en extra werk voor de politie. De politie is geen inspectiedienst van het Rijk. Agenten hebben het al druk genoeg met het aanpakken van illegale soft- en harddrugshandel; niet alleen op straat, maar ook via internet. Zware georganiseerde criminaliteit wordt veroorzaakt doordat de achterdeur niet goed geregeld is. D66 vindt het daarom hoog tijd om teelt en verkoop van wiet goed te reguleren en te legaliseren. Wij zien dat landen die altijd conservatief waren op het gebied van drugs, nu het reguleren en legaliseren van wiet mogelijk maken. Ik wil geen excuus meer van de minister horen over internationale verdragen. Als het in de Verenigde Staten (VS) lukt, dan moet het hier ook kunnen. Als Nederland gedoogbeleid mag voeren voor de verkoop van wiet, moet het ook mogelijk zijn de wietteelt te gedogen.

De voorzitter: Mevrouw Berndsen, u bent ruim door de spreektijd heen. De heer Van der Steur zal nu interrumperen. Daarna kunt u afronden.

De heer Van der Steur (VVD): Als ik dat geweten had, zou ik niet hebben geïnterrumpeerd. Nu gebruikt mevrouw Berndsen mijn vraag vast om wat langer daarover door te praten. Ik vind het prima dat D66 op dit punt een ander beleid voorstaat dan de VVD. Het is echter ernstig als daarbij juridische onzin wordt uitgekraamd. Dat is D66 onwaardig. Er zijn internationale verdragen, waarover zelfs collega Van der Ham van D66 het met mij eens was, die legalisering of gedoogde achterdeurconstructies in de weg staan. De federale wetgeving in de VS is in strijd met de activiteiten die nu in die twee staten worden ondernomen. Ook daar gaat mevrouw Berndsen volledig aan voorbij. Dat is niet zoals ik van D66 gewend ben. Ik wil graag van mevrouw Berndsen weten of zij op geen enkele wijze respect heeft voor verdragen of voor, zoals in de VS, het verschil en het probleem dat er bestaat tussen de federale wetgeving en wat men in de afzonderlijke staten wil doen. Wij kunnen hier niet net doen of het niet bestaat.

De voorzitter: Wilt u de volgende interruptie korter houden?

Mevrouw Berndsen (D66): Het is natuurlijk eigenlijk een schijndiscussie die we hier voeren want het gedogen op zich is al niet volgens de verdragen. Daarmee zijn we al op een weg gekomen die, wat altijd gezegd is, internationaal gezien niet kan. We doen dit al jaren. Ik denk dat het heel goed mogelijk is om, op dezelfde wijze als wij het softdrugsbeleid gereguleerd hebben aan de voordeur, nu ook via een gedoogconstructie te reguleren aan de achterdeur. Het lijkt mij uitstekend dit door middel van experimenten te doen. Gemeenten zijn daaraan toe. Ik vind dat dat dan kan gebeuren via een accijnssysteem, zoals dat ook met alcohol gebeurt. Dan kunnen we altijd na evaluatie nog kijken of en hoe wij het wettelijk zullen regelen. De voordeur zal dan ook wettelijk geregeld moeten worden. Wat D66 betreft zou het dus via een gesloten en belastingplichtige coffeeshopketenaanpak moeten plaatsvinden.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Vandaag bespreken we het wietbeleid. Dat is enorm onduidelijk. Het is zelfs een groot mysterie en dat bedoel ik niet in de positieve zin van het woord. In het zuiden van het land kwam de wietpas. In plaats van Nederland veiliger te maken, creëerde de minister alleen maar boeven. Een opsomming van de problemen tot nu toe: in Roermond zijn er in enkele maanden 130 mensen aangehouden voor drugs dealen op straat. Eerder dit jaar waren dat er tien. Het aantal overlastmeldingen verdubbelde. In Venlo verdrievoudigde het aantal meldingen van overlast. In Geleen werd een jongetje van 9 jaar op de fiets aangehouden, omdat hij mensen aansprak of zij drugs wilden kopen. Uit de evaluatie van de gemeente Breda bleek dat het onveiligheidsgevoel is toegenomen met de invoering van de wietpas. De overlast heeft zich verspreid over de gehele stad. Er is een toename van het aantal drugsrunners. Een 15-jarige scholier uit Helmond zegt in de Nieuwe Revu dat hij dankzij de wietpas «vies veel geld verdient» en dat hij hoopt dat deze nooit wordt afgeschaft. De criminaliteit daalt misschien in Nederland, maar aan deze minister heeft het niet gelegen. De minister creëert op deze manier boeven en doet aan werkverschaffing voor de politie, terwijl de politie het al druk genoeg heeft. Uit mijn onderzoek onder agenten, dat ik meegenomen heb voor de minister als hij het nog niet heeft gelezen, bleek dat de meeste agenten tegen invoering van de wietpas waren. Een agent uit mijn onderzoek zei dat hij het een groot nadeel vond dat er een verschuiving te zien is van de gebruikersgroepen: jongeren die voorheen slechts wiet gebruikten, gebruiken nu ook harddrugs. Straatdealers verkopen, in tegenstelling tot coffeeshops, natuurlijk alles.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Voor de goede orde merk ik op dat dit voorbeelden zijn die het beleid van kabinet-Rutte I betreffen, toen de wietpas nog intact was. Het lijkt me voor de discussie prettig om vast te stellen dat de wietpas is afgeschaft.

Mevrouw Kooiman (SP): Daar kom ik straks nog op terug, want in tegenstelling tot wat mevrouw Hilkens zegt, is het alleen maar een schijnoplossing. Ik zie eerder een wietpas deluxe voor mij. Een citaat van een agent waar ik graag een reactie van de minister op krijg: «Het vervelende van de bijstand van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) is dat deze collega's om de drie weken vervangen worden door andere collega's. Zij kunnen niet in het systeem Basisvoorziening Handhaving (BVH), waar de politie mee werkt, en worden daardoor gezien als vulling voor de auto. Zij zijn geen echte verlichting. Het werk dat op straat gedaan wordt, komt namelijk op de schouders van de reguliere collega's terecht.» De wietpas had dus nooit ingevoerd moeten worden. Ik had ook hooggespannen verwachtingen van het regeerakkoord. De PvdA had namelijk campagne gevoerd met een heuse «wietwet», waardoor wiet legaal zou worden in Nederland, maar nee hoor, niets van dit alles.

De voorzitter: Mag ik de leden vragen de discussie te volgen, zeker als zij rechtstreeks worden aangesproken.

Mevrouw Kooiman (SP): Niets van dit alles, want het is meer «de wietpas is dood; hoera, we hebben een nieuwe wietpas, een wietpas 2.0, een wietpas deluxe». Was er eerst nog een kleine clubpas nodig, nu moet je je identiteitsbewijs en een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie tonen. Er staat ook nog iets over een gefaseerde invoering en lokaal maatwerk in het lokale coffeeshop- en veiligheidsbeleid. Wat hiermee bedoeld wordt, mag Joost weten. De minister weet het in ieder geval niet. Ik heb nog eens teruggelezen wat de minister hierover bij de begrotingsbehandeling heeft gezegd. Werkelijk, het kan echt niet vager. Het ene moment zegt de minister dat hij de regels bepaalt en dat hij ervoor zorgt dat het drugstoerisme wordt beëindigd. Twee zinnen later zegt de minister dat de steden de ruimte moeten krijgen en ook de tijd moeten nemen. Zij moeten ook kunnen zeggen dat zij niet zullen handhaven. De minister zal de niet-handhavende burgemeesters hier niet op aanspreken. Wat is het nu? Het wordt helemaal hilarisch als de minister over zichzelf zegt dat hij het helder beleid vindt. Ik vrees dat hij de enige is. Ik wil dus vandaag een duidelijk antwoord van de minister. Wanneer moet bijvoorbeeld Amsterdam buitenlandse consumenten gaan weren uit de coffeeshops? Is dat volgend jaar, is dat überhaupt nog deze kabinetsperiode of kunnen we net zo goed wachten tot de kabinetsperiode daarna? Om duidelijkheid te creëren, hebben mevrouw Berndsen en ik vorige week een motie ingediend, of in ieder geval ter stemming gebracht, waarin de regering wordt gevraagd de gemeenten de vrijheid te geven om lokaal beleid te maken. Lokaal maatwerk dus. Wat schetst mijn verbazing? De motie werd verworpen. Het afwijzen van mijn voorstel om beleidsvrijheid aan gemeenten te laten, is feitelijk een oorlogsverklaring aan de burgemeesters van de PvdA, Van der Laan van Amsterdam en Aboutaleb van Rotterdam. Zij hebben namelijk aangegeven niet te zullen controleren op drugstoeristen. Ik wens deze PvdA-burgemeesters veel succes met hun strijd met de minister en ik hoop dat zij op enige steun van hun eigen PvdA-collega's kunnen rekenen. Waar Den Haag het verstand is verloren, zien we dat gemeenten dat verstand nog wel hebben. Zij willen zelf wiet gaan kweken. Tilburg, Rotterdam, Eindhoven, Leeuwarden en, al weer een tijd geleden, Utrecht hebben daartoe besloten. Ik vraag de minister nogmaals: geef hen daarvoor toestemming. Of is de minister bang dat dit een enorm succes zal worden?

Het zou verstandig zijn om het drugsbeleid te reguleren. Zo heb je namelijk controle op de kwaliteit en kun je de wietteelt uit handen van criminelen houden. Het levert ook nog eens geld op, namelijk een half miljard. In plaats daarvan hoef je niet meer te investeren in nog meer politieprioriteiten. Dat is pas verstandig wietbeleid.

De heer Bontes (PVV): Voorzitter. Ik heb ook een stapel berichten voor mij liggen over Breda, Venlo en andere plaatsen, waaruit blijkt dat de criminaliteit en overlast zijn toegenomen. Toch noemt de minister de wietpas een groot succes. Dat valt niet te rijmen voor mijn fractie. Als het dan zo'n groot succes is, waarom zou de minister er dan mee stoppen? Graag een toelichting waarom de minister bij een succes stopt. Het is een wietpas light. Iedereen moet een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie overleggen, je moet je kunnen identificeren. De PVV-fractie kan hiermee leven, want wat is het uiteindelijke doel? Het doel is dat de drugsoverlast van buitenlandse drugstoeristen afneemt. Dat geldt met name voor de provincies Limburg en Brabant. We gaan er wel vanuit dat het dan minder aantrekkelijk is om toch drugs te kopen in Nederland en dat het toch bijdraagt aan een afname. Op zich kan de PVV-fractie daarmee leven. Waar we wel moeite mee hebben, is de situatie in bijvoorbeeld Maastricht. In Maastricht worden de coffeeshops verplaatst naar de rand van de stad, waardoor buitenlandse drugstoeristen weer welkom zijn. Dat kan de PVV-fractie niet rijmen. Wat vindt de minister daarvan? Het is lokaal maatwerk, maar is dat het lokale maatwerk dat je wilt? Datzelfde lokale maatwerk geldt voor het afstandscriterium. Gisteren werd in de media ruim aandacht besteed aan Amsterdam met het verbieden van blowen op schoolpleinen. De PVV-fractie kan zich daar alles bij voorstellen. Er wordt ook een afstandscriterium van 250 meter aan gekoppeld voor middelbare en mbo-scholen. Is dan een leerling in Amsterdam gemakkelijker te beïnvloeden dan een leerling in Venlo? Geldt dat daar dan niet? Waarschijnlijk niet, maar wat is daar de reden van en gaat het niet te ver met lokaal maatwerk? Hoe valt dat te rijmen? Waarom is er afgeweken van 350 meter en is dat 250 meter geworden? Is dat vanwege onderzoek of is het met het oog op praktische of financiële punten gewijzigd? Daar zou ik graag toelichting op krijgen. Is dichterbij ook toelaatbaar? Stel dat een gemeente 100 meter wil hanteren, want dat is ook een afstand. Is dat toelaatbaar? Ik heb uit de media begrepen dat de gemeenten Rotterdam en Eindhoven zelf wiet willen kweken. Graag zou ik een reactie van de minister daarop krijgen. Ik heb vernomen uit de media dat de minister zegt dat het niet kan in verband met Europese regels, maar ik kan me ook voorstellen dat er meer argumenten zijn om daar niet voor te zijn. Wellicht kan de minister dit kenbaar maken. De minister laat in zijn brief weten dat hij het THC-gehalte van cannabis wil doen afnemen tot maximaal 15%. Dat kan ik me voorstellen. Dat is de hallucinerende waarde, die alleen maar toeneemt naarmate het THC-gehalte hoger is. Hoe wordt dat in de praktijk gerealiseerd? Hoe wordt dat gehandhaafd? Wellicht kan de minister duidelijk maken hoe hij dat wil bereiken? Vervolgens geeft de minister aan dat drugsrunners en de illegale straathandel hard aangepakt worden. Dit uiteraard tot tevredenheid van mijn fractie. Daar wordt een volgsysteem aan gekoppeld. Ik zou graag de stand van zaken daarvan willen weten. Loopt de pilot al? Hoe is de tussentijdse evaluatie? Wordt dat een oplossing voor het probleem?

De heer Oskam (CDA): Voorzitter. Het gedoogbeleid heeft zijn achtergrond in de jaren zeventig. We dachten toen dat het slim was om onderscheid te maken, zo heette dat toen, tussen softe softdrugs en harde harddrugs. Softdrugs zouden we buiten de criminaliteit houden en harddrugs zouden we keihard bestrijden. We dachten dat de rest van Europa ons goede voorbeeld vanzelf zou volgen. Het is bekend dat de CDA-fractie vindt dat dit gedoogbeleid volledig door de feiten is ingehaald. Het is de zwaar georganiseerde criminaliteit die het in de softdrugswereld voor het zeggen heeft. Veel coffeeshops veroorzaken overlast of trekken harddrugshandel aan. Hier en daar woedt zelfs een heuse drugsoorlog. Schietpartijen, moorden, henneptelers die elkaar de tent uit vechten, bedreigde burgemeesters: softdrugs zijn hard crime. Daarom wil het CDA af van het gedoogbeleid. Niet vandaag, want we zijn ook realistisch en we zien ook wel dat je dat niet in een keer kunt doen, maar wel op termijn. Met deze minister konden we in het verleden goed zaken doen. Hij heeft zich onder het kabinet-Rutte I laten zien als een voorstander van een streng drugsbeleid.

De heer Van der Steur (VVD): Ik kan de heer Oskam in grote lijnen volgen ten aanzien van de criminaliteitsbestrijding, maar alle rapporten die ik heb gelezen, bevestigen niet het beeld dat, zoals de heer Oskam zei, coffeeshops harddrugs aantrekken. Ik zou graag weten hoe hij daarbij komt.

De heer Oskam (CDA): Omdat bij de coffeeshops geen harddrugs te verkrijgen zijn, is er in die omgeving toch vaak vraag naar harddrugs. Dat speelt zich daarom op straat af. Dat geeft een hoop gedoe.

De heer Van der Steur (VVD): De redenering begrijp ik, maar ik hoor niet in welk rapport dit wordt genoemd, want we hebben erg veel rapporten hierover en daar staat in dat het juist niet zo is. Ik zou graag weten op grond van welke feiten collega Oskam dit dan poneert.

De heer Oskam (CDA): Politie-informatie.

De voorzitter: Mijnheer Van der Steur, het is niet zo dat het in tweeën kan. Wilt u het kort houden?

De heer Van der Steur (VVD): Daar kan ik niet zoveel mee. Die rapporten worden ook opgesteld op basis van gesprekken met politie. Ik vind dat een beetje een vage omschrijving van een vrij harde bewering, die volgens mij feitelijk niet klopt.

De heer Oskam (CDA): Mijnheer Van der Steur weet dat iedereen over zijn eigen antwoord gaat.

Mevrouw Berndsen (D66): Als de heer Oskam consequent is en zegt dat de verkoop van harddrugs zich in de buurt van coffeeshops bevindt, waarom veronderstelt hij dan dat als de coffeeshops dichtgaan, de handel van de softdrugs niet naar de straat wordt verplaatst met nog meer overlast?

De heer Oskam (CDA): Dat begrijp ik heel goed, mevrouw Berndsen. Het standpunt van het CDA is dat alles wat je op softdrugs- en harddrugsgebied doet, te maken heeft met handhaving. Als er niet gehandhaafd wordt op softdrugsgebied, ook niet bij het gedoogbeleid, dan is het gedoemd te mislukken. Vandaar dat wij duidelijkheid creëren en zeggen «dan maar helemaal niet» als we het niet fatsoenlijk kunnen regelen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Als we toch een interruptierondje doen, doe ik ook even mee.

De voorzitter: Ik maak een fout. Ten eerste moet de heer Oskam zijn microfoon uitzetten. Ten tweede mag mevrouw Berndsen hem eerst aanzetten voor haar vervolgvraag.

Mevrouw Berndsen (D66): Dus als het gedoogbeleid afgeschaft wordt, dan denkt de heer Oskam dat er geen enkel probleem meer is.

De heer Oskam (CDA): Dat denk ik niet, maar ik vind dat wel dat de politie daar hard op moet inzetten.

Mevrouw Berndsen (D66): Dat vind ik een slecht antwoord, maar de heer Oskam gaat over zijn eigen antwoord. Je hebt dan toch een opvatting? We hebben een debatje gevoerd over het gebruik van alcohol. Als er één harddrug is, dan is het alcohol. Daar hoor ik de heer Oskam niets over zeggen. Ik vraag de heer Oskam consequent te zijn: softdrugs verbieden, maar dan ook gelijk alcohol verbieden en alle cafés dicht.

De heer Oskam (CDA): Daar zijn we geen voorstander van. Ik weet dat alcohol ook gevaarlijk is en verslavend kan werken, maar alcohol is internationaal toegestaan sinds jaar en dag. Bij drugs is dat net andersom. We zijn al 40 jaar bezig met dit gedoogbeleid en het komt op de een of andere manier maar niet van de grond. Vandaar dat het CDA heeft gezegd dat zij er een streep onder zet. Het CDA is ook zo realistisch om te zeggen dat als er een goed plan komt, zij daarover wil meedenken. Wat er echter tot nu toe ligt, vindt de CDA-fractie niet goed genoeg.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Nederland had een opiumfabriek tot en met de Eerste Wereldoorlog, van waaruit wij legaal opium aan de troepen verschaften. Dit is echter beside the point. Ik zou op een andere manier dezelfde vraag aan de heer Oskam willen stellen. Stel je loopt in een nauw steegje en aan de andere kant komen voetbalsupporters op je af. Groep 1 heeft zich helemaal klem gedronken, groep 2 heeft zich helemaal suf geblowd, groep 3 mag het stadion niet in vanwege een stadionverbod en omdat hun passen afgepakt zijn. Voor welke groep supporters is de heer Oskam het bangst?

De heer Oskam (CDA): Ik denk toch voor de softdrugs.

De heer Van der Steur (VVD): Gaat de heer Oskam ook over zijn eigen angsten?

De voorzitter: Ik geloof dat de heer Van der Steur zei dat de heer Oskam over zijn eigen angst gaat.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik zou de heer Oskam willen wijzen op alle wetenschappelijk onderzoek, ook het onderzoek van toxicologen en criminologen, dat een groep mannen met een flinke hoeveelheid testosteron in combinatie met alcohol of in combinatie met hoge stress echt levensgevaarlijk is. Zo'n zelfde groep die helemaal suf geblowd is, hangt giechelig tegen de gevel aan. Ik weet niet of u het wel eens meegemaakt hebt, maar ik zou u de groep die zich suf geblowd heeft, aanbevelen.

De heer Oskam (CDA): Het is geen vraag, dus wat mij betreft kunnen we doorgaan.

De voorzitter: We gaan door en ik wijs erop dat de klok ook doorgaat.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik werd getriggerd omdat de heer Oskam zei dat hij wil meedenken, als er een goed plan ligt. Hij had het ook over criminaliteit bij de wietteelt. Dat is inderdaad een groot probleem met erg veel criminaliteit. Juist de coffeeshophouders willen niet graag met criminelen werken. Daarom zou de achterdeur gereguleerd moeten worden en daarop zou toezicht gehouden moeten worden. Wat is de reactie van de heer Oskam daarop?

De heer Oskam (CDA): Wij zijn op voorhand niet voor regulering, maar stel dat je het zou reguleren en je zou goed handhaven, en het is binnen de proporties met een THC lager dan 15% en geen kinderen die drugs kunnen kopen, dan snappen wij wel dat dat de realiteit van Nederland is. Op dit moment zien wij echter dat de politie niet handhaaft. We hebben de wietpas gehad die gecontroleerd wordt in Zuid-Limburg, maar verder wordt er weinig gecontroleerd. De politie heeft er geen tijd voor, geen zin in en zij doet het niet. Daardoor trekken dingen aan. Kinderen worden getriggerd. Zij gebruiken softdrugs en gaan vervolgens harddrugs gebruiken, omdat dat spannender is. Er is rotzooi op straat. Er blijven henneptelers die op straat handelen, omdat buitenlanders niet in de coffeeshop mogen komen. Het is dus een heel gedoe. Vandaar dat de CDA-fractie duidelijk zegt dat er een streep onder moet komen; daarna gaan we weer verder in gesprek.

Mevrouw Kooiman (SP): Dan zie ik toch nog wel een mogelijkheid om het toezicht goed te regelen door de politie, om de achterdeur te reguleren, waardoor de criminaliteit uitgebannen kan worden en om het THC-gehalte goed te controleren. Biedt de heer Oskam dan een open mogelijkheid voor ons? Dan hebben wij namelijk een meerderheid om het goed te regelen.

De heer Oskam (CDA): Ik heb gezegd dat we openstaan voor een gesprek. Als dingen goed geregeld worden, kunnen we het gesprek aangaan. Wij zullen dan met de eigen achterban kijken of we ons daarin kunnen vinden. Het CDA wil zich realistisch opstellen, maar de CDA-fractie is tegen het fenomeen softdrugs zoals het nu in Nederland wordt getolereerd en wordt bedreven. Er gaat nog van alles mis. Daar willen we eerst een oplossing voor.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik ben blij om te horen dat de heer Oskam in ieder geval een mogelijkheid biedt tot oplossing van de grote problemen die wij allemaal zien. We moeten goed kijken naar de achterdeur. Ik ben erg blij dat die mogelijkheid er ook is bij het CDA.

De heer Oskam (CDA): Ik was in mijn betoog gebleven bij het kabinet-Rutte II. De CDA-fractie is erg teleurgesteld over de draai van de minister van Rutte I naar Rutte II. Coffeeshops blijven besloten clubs, maar handhaving heeft geen prioriteit. De handhaving mag worden gefaseerd in overleg met betrokken gemeenten. De minister schrijft ons dat dat lokaal maatwerk is. De CDA-fractie vindt dat ronduit bizar. Net nu de bestrijding van het drugstoerisme heel succesvol verliep, worden de sluizen gewoon opengezet. Vindt de minister het drugstoerisme ineens geen probleem meer? Stoort hij zich niet meer aan Belgen, Fransen en Duitsers, die alleen voor wiet naar Nederland komen en voor overlast zorgen? De handhaving vindt plaats in overleg met de betrokken gemeenten. Kan de minister duidelijk maken wie er meedoen aan dat overleg? Is dat de lokale driehoek of zit er ook iemand van het ministerie bij, of misschien de minister? Wijst de minister de gemeenten ook op het uitgangspunt van het regeerakkoord, namelijk dat coffeeshops besloten blijven? Of is de praktijk dat gemeenten het allemaal zelf mogen uitzoeken? Er zijn al heel wat gemeenten, onder andere Amsterdam, die hebben laten weten zich niets te zullen aantrekken van het beslotenheidscriterium. Wat gaat de minister daaraan doen? Gaat de minister met die gemeenten aan tafel of laat hij het gebeuren? Hoe wijst de minister de gemeenten erop dat het regeerakkoord wel degelijk beslotenheid als uitgangspunt heeft? Kan de minister duidelijk maken welk doel hij met zijn brief beoogt? Wil de minister aan het einde van de kabinetsperiode een serieuze stap zetten naar beslotenheid van de coffeeshops en heeft de minister dan ook een aantal in gedachten? Wat is er toegestaan in Nederland en welke markt is ervoor? De punten van het CDA zijn drugs en kinderen. De CDA-fractie vindt dat wij er alles aan moeten doen om drugs uit de buurt van kinderen te houden. Wietgebruik zorgt bij veel kinderen voor spijbelen en schooluitval. Het heeft negatieve effecten op het concentratievermogen en de leerprestaties. Langdurig gebruik kan psychoses veroorzaken. Het is een belangrijke risicofactor voor toekomstig harddrugsgebruik. Juist daarom hadden wij in de vorige periode met de minister en de PVV afgesproken dat er een minimale afstand van 350 meter tussen school en coffeeshop zou komen per 1 januari 2014. Een paar weken terug, voordat het nieuwe kabinet aantrad, zei de minister nog dat hij zich daaraan zou houden. Kennelijk is het afstandscriterium nu van de baan. Wat betekent dit nu? Vindt de minister het geen probleem meer dat er in de buurt van scholen coffeeshops zijn, of dat kinderen met drugs in aanraking komen? Vanochtend heeft het CDA een website geopend, www.voorkomhighschool.nl, waar mensen kunnen melden dat zij er een probleem mee hebben dat er in de buurt van scholen coffeeshops zijn. De CDA-fractie heeft kennisgenomen van het blowverbod dat burgemeester Van der Laan heeft afgekondigd bij scholen. Op zich lijkt dit erg positief, maar de vraag is of de minister het eens is met de burgemeester van Amsterdam dat scholen behoefte hebben aan een wettelijk kader als steuntje in de rug bij het hanteren van het drugsbeleid rond scholen, op het schoolplein en daaromheen. Kan de minister ingaan op de juridische houdbaarheid van het afgekondigde blowverbod? Ik herinner mij een uitspraak van de Raad van State van vorig jaar die een blowverbod strijdig achtte met de Opiumwet, omdat iets wat al wettelijk verboden is niet nog een keer in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verboden kan worden.

De heer Van der Steur (VVD): Los van het feit dat ik een beetje allergisch ben voor meldpunten, vraag ik me af wat collega Oskam daar nu mee voorheeft. Gemeenten hebben altijd al de bevoegdheid gehad om zelf door middel van het bestemmingsplan te bepalen waar je een coffeeshop wilt hebben. Elke gemeente kan nu al beleid voeren, en dat gebeurt ook, op de afstand van 250 of 350 meter. Wat mij betreft mag dat ook 500 meter zijn. Ik begrijp het concept van dat meldpunt niet. Kan de heer Oskam dat nogmaals uitleggen?

De heer Oskam (CDA): Dat meldpunt is er, omdat wij uit de CDA-achterban veel klachten krijgen van ouders die het een onzalig plan vinden. Wij willen echter verder kijken dan het CDA. Iedereen in Nederland mag daarop reageren. Wij zijn geïnteresseerd in wat de Nederlanders van dit idee vinden.

De heer Van der Steur (VVD): Ik ben ontzettend geïnteresseerd in wat Nederlanders vinden van veel ideeën, maar een politieke partij kan niet een meldpunt openen en vervolgens zeggen zo geïnteresseerd te zijn in wat mensen ervan vinden. Wat ga je er concreet mee doen? Wat gaat de heer Oskam doen met de resultaten die daaruit voortvloeien?

De heer Oskam (CDA): Dat staat in alle media, mijnheer Van der Steur. In ieder geval zal het CDA de gegevens inventariseren. Vervolgens kijken wij hoe de mensen in Nederland daarover denken en afhankelijk daarvan zullen we er wel of niet mee naar de minister gaan.

Wat vindt de minister van het idee dat sommige ministers ook al hebben, om de openingstijden van coffeeshops in de buurt van scholen af te stemmen op de schooltijden? Bijvoorbeeld dat de coffeeshops dichtbij scholen pas om 17.00 uur opengaan, als de scholen dicht zijn. Wil de minister daar zijn licht over laten schijnen? De CDA-fractie heeft al vaak aandacht gevraagd voor gemeenten die willen experimenteren met hennepteelt. Utrecht had daar plannen voor, maar is teruggefloten door de minister, destijds ook aangespoord door de CDA-fractie. Nu lezen wij dat Rotterdam, Leeuwarden, Tilburg en Eindhoven ook legale wietteelt willen. Wat gaat de minister daaraan doen? Zal de minister hen erop wijzen dat dat strafbaar is, conform de Opiumwet, of vindt de minister het oké dat het op die manier gebeurt?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Voorzitter. Het is voor de GroenLinks-fractie onbegrijpelijk hoe de minister zijn hakken in het zand zet als het om de strijd om drugs gaat. Wij hebben dit uit de VS gekopieerd. Richard Nixon is ermee begonnen in 1971 en een heleboel trends komen wat later naar Nederland, maar er is in de VS een grote trend gaande de andere kant op. Het wordt hoog tijd dat de minister die trend overneemt. Staatslieden als Kofi Annan, Bill Clinton, Jimmy Carter en anderen gingen minister Opstelten al voor om de war on drugs te beëindigen. President Barack Obama heeft bijvoorbeeld al toegezegd om niet in te grijpen als Amerikaanse staten voor een verregaande legalisering van softdrugs kiezen. We hebben van de collega's gehoord dat een aantal staten dit ook inderdaad gedaan heeft. Portugal, ook Europa, heeft een verregaande legalisering. Het effect dat je zou willen bereiken met de war on drugs, dus minder kinderverslaafden, minder criminaliteit en minder kosten, wordt juist bereikt door het zogenaamd keihard ingrijpen bij softdrugs door middel van een war on drugs. Het tegenovergestelde effect, dat wij in Nederland lang gehad hebben, is een goed gereguleerd gedoogbeleid. Dit heeft verreweg de beste effecten, de minste verslaafden en de minste mensen die mogelijkerwijs overstappen van softdrugs naar harddrugs waardoor ook de criminaliteit beheersbaar gehouden kan worden. Kijk nog eens goed naar de VS en volg die trend.

De wietpas zou er komen, maar toen viel het kabinet. Nu hebben we een soort gedoogde wietpas, waarbij steden zelf mogen bedenken hoe zij die handhaven. We weten allemaal dat de politie-inzet krap is, dus ik neem aan dat de meeste steden een verstandige keuze zullen maken. Ik heb het lijstje bijgehouden van de steden die aangegeven hebben dat zij aan de achterdeur van de coffeeshops ook iets verstandigs willen regelen. Dat is een aardig lijstje: Tilburg, Eindhoven, Rotterdam, Leiden, Nijmegen, Breda, Leeuwarden en Utrecht. Daar liggen moties of er zijn al moties aangenomen waarin wordt gevraagd of het niet gereguleerd mag worden, opdat de misdaad buiten de deur gehouden wordt en er eventueel op termijn accijnzen geheven kunnen worden. Bovendien zeggen de steden dat op die manier het gehalte van THC beheersbaar blijft. Het kabinet delegeert ongelooflijk veel aan de gemeenten op veel gebieden. Als het kabinet van mening is dat gemeenten dat aankunnen, zouden gemeenten het dan ook niet aankunnen om zelf een wietplantage neer te zetten of gereguleerde telers aan te stellen? Hiermee krijg je namelijk niet de schizofrene situatie dat een coffeeshop wel in beperkte mate aan mensen boven de 18 jaar mag verkopen, maar legaal zijn voorraad nergens vandaan kan halen. Er is al veel overlast genoemd, maar ik noem het feit dat de burgemeester van Helmond in 2010 moest onderduiken omdat hij een coffeeshop sloot. In Eindhoven schoten drugscriminelen mitrailleurs leeg op een woning. Minister Opstelten had steeds als antwoord de keiharde aanpak. Dat staat ook in «Bruggen slaan». We moeten weer met kracht en daadkrachtig de illegale straathandel aanpakken. Dat beleid werkt aantoonbaar niet. Wat wel werkt, is een gereguleerde markt, vergunde telers, toezicht op de verkoop en kwaliteitscriteria. Handhaving is dan goedkoper en effectiever. Er komt ook ruimte vrij in de justitiële keten om zwaardere misdaad aan te pakken. Je kunt de illegale markt op die manier indammen. Dat zouden allemaal dingen moeten zijn die de minister als muziek in de oren klinkt. Doe je dit niet, dan heb je een illegale drugscene met een aanzuigende werking en geen kwaliteitscontrole waardoor gebruikers niet weten wat er in het product zit. Er is dan een enorme handhavinginspanning noodzakelijk, terwijl er al een handhavingstekort is. Ik zal straks de heer Van der Steur bevragen op de internationale mogelijkheden, maar volgens de fractie van GroenLinks zijn er ruimschoots juridische mogelijkheden beschikbaar en is er geen enkel internationaal of Europees verdrag of richtlijn die ons stopt om gemeenten de mogelijkheid te geven zelf een wietplantage neer te zetten.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik zit met een klein probleem. Ik weet dat u als voorzitter erg hecht aan Nederlandse woorden en u vindt dat wij niet allerlei Engelse woorden moeten gebruiken. Daar begint het al direct: coffeeshop. Ik heb overwogen het koffiewinkel te noemen. Hebben we het dan wel over hetzelfde onderwerp?

De voorzitter: Vooralsnog ben ik begonnen met de allerergste uitwassen. Coffeeshop en clubpas zijn redelijk ingeburgerd, dus daar gaan we mee door.

De heer Van der Staaij (SGP): Het is geen helder Nederlands. Ik vind het een aansprekend punt dat wij ons toch zo veel mogelijk in helder Nederlands uitdrukken. We hebben het in feite niet over winkels waar koffie wordt verkocht, of plaatsen waar je zuivere koffie kunt drinken. We hebben het hier over openlijke verkooppunten voor drugs. Het zijn openlijke verkooppunten voor iets wat illegaal is, en wat ook nog enorm in trek is bij mensen uit buurlanden. Het zijn grootschalige voorzieningen en verkooppunten geworden. Dit geeft veel overlast, en het heeft veel verwevenheid met criminaliteit en dergelijke opgeleverd. Je moet je afvragen waarom we die dingen nog hebben. Het is iets uit de oude doos. Het is een uitvloeisel van de hippiejaren zestig. Het klopt dat veel mensen daar nog krampachtig aan vasthouden. Daar hebben we vandaag de dag mee te maken. De naam coffeeshop is erg onduidelijk en verhullend. Het hele beleid is verhullend en halfslachtig. Gedoogbeleid is ook achterhaald. Gedogen doen we niet meer. Daar hebben we in de Kamer ook debatten over gevoerd. Ofwel we maken iets legaal, ofwel we handhaven. Niet iets vaags er tussenin. Het mag nergens meer, maar op de een of andere onverklaarbare wijze gebeurt het nog steeds bij het coffeeshopbeleid. De inzet van de SGP-fractie blijft simpelweg: legaliseer of handhaaf de wet. Van legaliseren zijn we geen voorstander, maar we snappen wel de kritiek van andere fracties die zeggen dat er een verschillend beleid is voor de voordeur en de achterdeur. Dat is nog erger; het is niet helemaal gedogen, maar aan de voorkant is het een beetje toegestaan en aan de achterkant mag het weer niet. Daar kun je toch geen fatsoenlijk beleid op voeren? Ik ben, net als de CDA-fractie, van mening dat je niet direct vandaag een ideaal kan scheppen, maar «morgen» moet wel de inzet zijn. Je moet het niet al te ver vooruitschuiven. Wat je zou kunnen doen, is in ieder geval het drugtoerisme stevig aanpakken. Daar ligt een mooi rapport over van de commissie-Van de Donk: Geen deuren maar daden. Deze commissie raadde aan terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de coffeeshops, in ieder geval niet als grootschalige voorziening voor buurlanden. Dan doe je al iets. Let op de scholen. Houd jongeren zo veel mogelijk bij drugs vandaan en kom met een stevig afstandscriterium. Dat waren wel zaken die door het vorige kabinet in gang zijn gezet, waar de SGP-fractie positief over was. Het waren stapjes die gezet werden. Maar hoe gaat het nu verder? Als PvdA en VVD het samen eens proberen te worden, dan wordt het echt erg. Rookgordijnen, jojobeleid. De wietpas vervalt. Dat is een heldere tekst. Daar kunnen we wat mee. De toegang blijft voorbehouden aan ingezetenen. Dat is ook een heldere tekst, maar dan gaat het helemaal mis met de volgende passage over de handhaving van het ingezetenencriterium. Dat moet in overleg met de gemeenten gebeuren. In overleg, dus zij moeten het ermee eens zijn. Zo nodig gefaseerd, dus je mag het op de lange baan schuiven. Er dient, als derde criterium, te worden aangesloten bij lokaal beleid. Als je het lokaal niets vindt, dan mag je daar ook rekening mee houden. Dat is inderdaad het gedogen van het feit dat sommige gemeenten het ingezetenencriterium niet zullen handhaven. Dat is de ellende van het gedogen. Als je de smaak ervan te pakken hebt, blijf je ermee bezig. Er wordt nu weer gedogen op gedogen gestapeld. Daarom hebben we er weinig vertrouwen in dat hier wat van terecht kan komen. Loopt dit niet helemaal weg in totale vrijblijvendheid en in vooruitschuiven? Ik zou daarop graag een duidelijke reactie van de minister krijgen. Ook op de vraag wat er met het ingezetenencriterium gaat gebeuren, hoe het zit met het afstandscriterium en wat de lokale mogelijkheden zijn, gelet op de uitspraak van de Raad van State vorig jaar, waaraan ook de collega van het CDA refereerde.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Voorzitter. Laat ik in ieder geval in helder Nederlands vaststellen dat de PvdA campagne heeft gevoerd met de «wietwet». Geen misverstanden dat ons ideaal uiteindelijk regulering en legalisering is. Wij zitten echter in een coalitie en daar is het akkoord de uitkomst van. Ik zeg het simpel zoals het is, om vast te stellen dat als het aan de PvdA-fractie ligt, er ooit een dag komt, en wie weet kan dat onder de vlag van kabinet-Samsom I geschieden, waarop we alles legaliseren en reguleren voor deze drug. Dat wil ik hardop vastgesteld hebben, omdat ik niet vast wil komen te zitten in de uitleg van een compromis met meel in mijn mond. Iedereen kan zien wat hier aan de hand is. Ik ben blij met wat we wel bereikt hebben. Wat er onder kabinet-Rutte I bedacht was, was in ieder geval minder aangenaam dan wat er nu staat. Ik begrijp alle vragen die ik van de oppositie voorbij hoor komen met betrekking tot de maatwerkclausule. Tegelijkertijd merk ik op dat het akkoord er nog maar net ligt. Alle burgemeesters moeten nog maar eens bij de minister aanschuiven en laat de tijd uitwijzen welke mogelijkheden de maatwerkclausule biedt. Ik vind het veel te vroeg voor conclusies. Als ik er een zou trekken, dan kijk ik naar Amsterdam. Daar zie ik dat de eerste samenwerking voorspoedig van start gegaan lijkt te zijn. Vooralsnog houd ik hoop.

Mevrouw Kooiman (SP): Over dat lokaal maatwerk had ik eigenlijk gehoopt duidelijkheid te krijgen van de minister. Laat ik het in ieder geval de fractie van de PvdA vragen.

De voorzitter: Laten we het kort doen. Er zijn veel vragen van de vele deelnemers en de minister moet nog aan het woord komen. Kort en helder graag.

Mevrouw Kooiman (SP): Mevrouw Hilkens heeft mijn vraag aan de minister gehoord en ik stel die ook aan de PvdA-fractie. Wanneer zou Amsterdam dan wel toeristen moeten weren uit de coffeeshops? Is dat nog tijdens dit regeerakkoord, volgend jaar of over twee jaar?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik snap de vraag. Ik heb daarop een simpel antwoord: laten we maatwerk niet nu al beplakken met allerlei voornemens. Laten wij de gemeenten, die allemaal specifieke problemen hebben, de ruimte bieden om maatwerk ook maatwerk te laten zijn. Als mevrouw Kooiman mij probeert te verleiden om mee te gaan in het dichttimmeren van maatwerk, zal dat niet lukken.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik vind dit heel vaag. Zou dat dan nog in deze regeerperiode moeten plaatsvinden?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik begrijp dat het vaag is, maar het is mijn antwoord. Ik maak er niets anders van. Ik nodig alle burgemeesters uit om in gesprek te gaan met de minister en te kijken wat er binnen hun gemeente mogelijk is en wat niet.

De voorzitter: Ik heb in het begin gezegd dat we niet al te moeilijk zullen doen over interrupties, maar we houden wel de klok in de gaten. Daar zit ik hier voor.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik snap dat mevrouw Hilkens moeilijk zit. We kunnen het ook accepteren dat zij dat nu een keer zegt, maar ze kan niet blijven zeggen dat het haar beleid niet is, want de handtekening staat er wel onder. Mijn vraag spitst zich toe op het handhaven. Natuurlijk is maatwerk mogelijk, maar de minister heeft ook gezegd dat er daadwerkelijk gehandhaafd moet worden. Daar kan mevrouw Hilkens niet voor weglopen. Wanneer vindt mevrouw Hilkens dat er wel of niet gehandhaafd moet kunnen worden?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik snap het, maar ik ga hier niet over. In het regeerakkoord is vastgesteld dat het een zaak is van de driehoek en de minister. Daar leg ik dit vooralsnog neer. Dit kabinet is nog maar net van start gegaan, dus ik vind het te vroeg voor paniek en conclusies, maar ik kan wel zeggen dat ik in actie kom als gaandeweg de kabinetsperiode duidelijk wordt dat maatwerk dichtgetimmerd werk blijkt. Nu heb ik geen enkele aanleiding om dat te vermoeden.

Mevrouw Berndsen (D66): Dus toen de minister vorige week of twee weken geleden bij de begrotingsbehandeling zei dat er wel degelijk gehandhaafd moet worden, accepteerde mevrouw Hilkens dat?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Dan concludeer ik opnieuw dat er in het regeerakkoord sprake is van gefaseerd maatwerk in overleg met de driehoek. Daarbij wens ik de burgemeesters succes bij hun onderhandelingen met de minister.

De heer Van der Staaij (SGP): Wat is het verschil tussen lokaal maatwerk en volstrekte vrijheid van gemeenten?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Dat verschil zit daar en dat is onze minister. De minister gaat er uiteindelijk altijd over, of we dat nu leuk vinden of niet. Dat is precies het verschil tussen totale vrijheid en maatwerk: contact met minister Opstelten.

De heer Van der Staaij (SGP): Dat betekent dat de PvdA-fractie geen enkele invloed wenst uit te oefenen en vindt dat de minister het moet uitzoeken met de gemeenten.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Dan vraag ik de heer Van der Staaij goed te luisteren. Als ik het vermoeden heb dat het maatwerk alsnog dichtgetimmerd wordt door de coalitie, zal ik in actie komen. Vooralsnog echter heb ik daartoe geen enkele aanleiding.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik laat het maatwerk dat dichtgetimmerd wordt nog even op mij inwerken.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Dat was geen helder Nederlands, pardon. Wat ik wil zeggen, is dat als het erop lijkt dat de VVD te weinig ruimte biedt in het kader van de maatwerkclausule, de PvdA meteen in actie zal komen. Sorry, dat is duidelijker.

Ik zal mijn betoog afronden. Ik concludeer met de oppositiepartijen dat enkele gemeenten behoefte hebben aan een experiment met eigen wietteelt. Ook daar hoef ik hier niet over te liegen. Dat leek onder andere mijn partijvoorzitter nog zo niet lang geleden een goed idee. Maar dat is iets anders dan staand beleid landelijk beleid. Ik vind het erg ingewikkeld, en dat is geen prietpraat, om in een gedoogconstructie nog eens te experimenteren en, om aan te sluiten bij de heer Van der Staaij, te gedogen in de gedoogconstructie. Ik zou liever zien dat het dan meteen staand beleid werd. Daar zijn we echter nog niet. Wat ik wel opmerk, is dat ik de deur niet meteen dicht wens te slaan. Daarom de volgende vraag aan de minister, want ik heb dit nog niet kunnen uitvogelen: is hij bereid om bij de betreffende gemeente te inventariseren hoe zij dit denken vorm te geven? Mijn vragen zijn even plat als terecht. Hoeveel kilo wiet gaat Utrecht dan produceren? Zal het de coffeeshops aldaar verplichten om alleen bij de gemeente af te nemen? Denkt de gemeente Utrecht dat daarmee, en laat ik hem even in een karikatuur Sam K., A., B. of C. noemen, zich ook meteen op afstand laat zetten of vertrekt hij naar de volgende gemeente om daar zijn wiet af te zetten? Wat gaat de wiet kosten? Et cetera. Ik zou graag een inventarisatie ontvangen waarin we uitgewerkt zien hoe de gemeenten dit aan denken te pakken.

De heer Van der Steur (VVD): Ook de VVD-fractie onderschrijft het regeerakkoord. Dat heeft een fikse verandering ingezet ten opzichte van het kabinet-Rutte I. Zo zijn het ingezetenencriterium, het beslotenclubcriterium, het maximaal aantal leden van 2000 en ook de eis van 350 meter uit het oude regeerakkoord vervallen. Het is waar, zoals collega Hilkens al zei, dat dat niet zozeer de wens is van de VVD-fractie, maar het resultaat van de onderhandelingen die met de PvdA-fractie zijn gevoerd. Het belangrijkste echter staat overeind. Het drugstoerisme dat Nederland teisterde, en met name Zuid- en Oost-Nederland teisterde, wordt op basis van het huidige regeerakkoord nog steeds de pas afgesneden. Dat is belangrijk. Nederland is wat de VVD-fractie betreft, geen drugsland. Dat hoort het ook niet te zijn, te worden en te blijven. In de afgelopen periode hebben we veelvuldig met elkaar en met de minister gesproken over de handhaving en het weren van de drugstoeristen. Ook de discussie over straathandel duikt steeds weer op. Het is goed dat de minister in het kader van dit algemeen overleg zijn visie op die straathandel geeft. Is die er nu wel of niet? Is die toegenomen of niet? Zijn wij in staat om de straathandel adequaat te bestrijden? De VVD-fractie is anders dan sommige partijen denken voorstander van het gedoogbeleid zoals het ooit bedoeld was. Bedoeld was namelijk om kleinschalige mogelijkheden te creëren voor mensen die behoefte hebben aan coffeeshops, om op een relatief veilige manier en los van de harddrugsscene aan dat product te komen. We moeten ons goed realiseren dat het product uit de jaren zestig niet meer hetzelfde is als het product van vandaag. Dat blijkt ook uit de discussie die gevoerd wordt over het THC-gehalte. Was het in de jaren zestig nog rond 7%, inmiddels loopt het op, kijkend naar hasjolie, tot meer dan 30%. Wij praten dus over een totaal ander product met andere effecten. We weten allemaal dat softdrugs niet veilig zijn, dat zij wel verslavend zijn en dat zij ook een trigger kunnen zijn. Ik kan zo gauw de Nederlandse term niet bedenken, excuses. We weten ook dat een aantal psychiatrische aandoeningen niet door de softdrugs zelf veroorzaakt worden, maar wel ondanks of dankzij het gebruik van softdrugs naar boven kunnen komen. We praten dus over een product waarover de overheid zich zorgen moet maken, los van de criminaliteit ook over het product zelf. Dat vereist en rechtvaardigt dan ook dat het regeerakkoord daar duidelijke afspraken over bevat. Tegelijkertijd wijs ik erop dat er een groot onderling verschil is tussen de diverse coffeeshops. Er zijn coffeeshops die hoogst professioneel zijn, waar goede entreecontroles zijn en waar goed gecontroleerd wordt op de identiteit van de bezoekers, bijvoorbeeld in Maastricht en in de coffeeshops van de veelvuldig genoemde heer Josemans. Er zijn coffeeshops waar chillruimtes zijn en waar goede voorlichting wordt gegeven. Ik heb echter ook in de afgelopen tweeënhalf jaar langs de Nederlandse coffeeshops lopend, er een groot aantal gezien waar het ondernemerschap nog een beetje in de jaren zestig hangt, waar geen enkele toegangscontrole is, waar alcohol gebruikt wordt en waar gerookt wordt. Ik vind dan ook dat het aan de gemeenten is om daar een eind aan te maken. Die oproep doe ik bij deze aan de mensen die daarvoor rechtstreeks verantwoordelijk zijn. Het is goed dat bijvoorbeeld de stad Amsterdam de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gaat gebruiken om coffeeshopondernemers te screenen. Het is goed dat we een maximumgehalte aan THC in Nederland invoeren. Het is ook goed dat we lokaal maatwerk voeren, want je kunt wel overal in Nederland hetzelfde beleid voeren, maar het is niet te ontkennen dat de gemeente Amsterdam een totaal ander drugsprobleem heeft dan andere gemeenten. Het enthousiasme van de gemeente Amsterdam om geld te verdienen aan iets wat illegaal en gevaarlijk is, snap ik niet. Dat zeg ik in alle eerlijkheid. Het is echter wel begrijpelijk dat Amsterdam de gelegenheid krijgt om op grond van lokaal maatwerk, de afspraken uit het regeerakkoord gefaseerd in te voeren. Dat deze afspraken ingevoerd moeten worden, spreekt voor zich. Voor het tempo waarin dat gebeurt, is het logisch dat je een verstandige en pragmatische route kiest.

Mevrouw Kooiman (SP): Wat is dan een verstandige en pragmatische route volgens de heer Van der Steur? Moet Amsterdam in ieder geval nog tijdens deze kabinetsperiode toeristen weren uit de coffeeshops?

De heer Van der Steur (VVD): Ik kan het niet zo mooi verwoorden als mevrouw Hilkens zojuist heeft gedaan, maar ik begrijp de vraag en wat mij betreft zouden wij er morgen mee kunnen beginnen. Ik realiseer me ook dat de hoeveelheid toeristen die naar Amsterdam komt, onder andere voor de coffeeshops, een dusdanig extra probleem voor bijvoorbeeld de openbare orde zou kunnen betekenen dat je dat pragmatisch moet bekijken. Ik kan niet zeggen wanneer dat is, maar wat mij betreft nog binnen deze regeerperiode en die duurt vier jaar. Ik kan me ook voorstellen dat er omstandigheden zijn waarin je eerst moet beginnen met saneren van het coffeeshopbestand. Amsterdam heeft immers veel te veel coffeeshops die voor een groot deel slecht zijn. Na het saneren kun je dan blokkeren. Wanneer dat gereed zou moeten zijn, is met name aan de minister en aan de burgemeester van Amsterdam die daarvoor verantwoordelijk is.

Mevrouw Kooiman (SP): De fracties van de PvdA en VVD moeten samen daarover afspraken maken. Dat is ook geprobeerd, alleen blijft het nog een beetje vaag. De heer Van der Steur geeft zelf te kennen wat zijn wens is. Kan hij er ook mee leven dat bijvoorbeeld Amsterdam nooit toeristen zal weren uit coffeeshops?

De heer Van der Steur (VVD): Nee, dat zou gek zijn. Als Amsterdam het overigens niet zou doen en alle andere steden in Nederland wel, dan krijgt Amsterdam meteen een zodanig megaprobleem, dat de gemeente het wel moet doen. Dat moeten we ons goed realiseren. Amsterdam heeft wat dat betreft geen uitwijkmogelijkheid. Ook Amsterdam zit er niet op te wachten om, zoals Maastricht, twee miljoen bezoekers per jaar te hebben die in Amsterdam drugs komen kopen. Dat zou de stad Amsterdam niet eens aankunnen, zoals ook Maastricht dat niet aankon. Ik vind dus dat je pragmatisch moet zijn en dat je moet kijken wanneer het verstandig is om dat beleid te effectueren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik hoorde wat aangename, kleine mogelijkheden zoals kleinschalig gebruik, individueel of in een telersvereniging gereguleerde teelt, die volgens de VVD-fractie mogelijk zijn. Kent de heer Van der Steur ook de internationale juridische grondslagen, die dit mogelijk maken?

De heer Van der Steur (VVD): Er zijn geen juridische grondslagen die dat mogelijk maken. Er zijn experimenten in sommige Europese landen die in strijd zijn met hun eigen wetgeving en met de internationale verdragen in Europees en Verenigde Naties (VN)-verband. Er is geen sprake van, zoals blijkt uit het Asser-onderzoek in 2005, dat er ruimte of een mogelijkheid is in onze verdragsstructuur om te doen wat mevrouw Van Tongeren zo graag wil.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik hoopte al dat de heer Van der Steur dat zou zeggen, want hij houdt over het algemeen zijn literatuur goed bij. Ik vroeg mij af of de heer Van der Steur het artikel kent van de hoogleraren Brouwer en Schilder uit het Nederlands Juristenblad (Njb), waarin zij goed onderbouwen dat Nederland noch in het enkelvoudig Verdrag tegen de sluikhandel uit 1988, noch onder het Kaderbesluit uit 2004 van het Schengenverdrag of de EU-drugsstrategie verplicht wordt om kleinschalige, eigen teelt strafbaar te stellen.

De heer Van der Steur (VVD): Kleinschalige, eigen teelt is in Nederland strafbaar. Er is een aanwijzing aan het Openbaar Ministerie (OM) dat iemand die maximaal vijf planten teelt niet actief wordt opgespoord, maar dat is in strijd met de wet. Dat is een praktische keuze die het OM lang geleden gemaakt heeft om thuisteelt niet als een van de hoofddoelen te zien. Daarom zegt de minister ook altijd dat ingezet wordt op de georganiseerde, grootschalige hennepteelt. Ook mevrouw Van Tongeren kan niet ontkennen dat wij die in Nederland ruimschoots hebben. Helaas.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De heer Van der Steur glipt hier weg van het punt. Internationaal is er geen enkele verplichting op Nederland om dit strafbaar te stellen. Wij kunnen zelf bedenken of wij dit doen of niet. Het staat mooi beargumenteerd in het artikel dat morgen in het Njb staat.

De heer Van der Steur (VVD): Ik heb dat artikel gelezen en ik kan u simpelweg zeggen dat ik het er niet mee eens ben. Ik ben lang genoeg jurist om te weten dat waarschijnlijk in de volgende aflevering van het Njb twee andere hoogleraren van een andere universiteit zullen melden dat dit artikel natuurlijk op een aantal punten volstrekt onjuist is. Ik vermoed zelfs dat de minister dit ook zal zeggen, en die is van een uitstekende universiteit, namelijk dezelfde als die van mij. Mag ik vervolgen?

De voorzitter: Dat hangt sterk af van de tijd die u behoeft.

De heer Van der Steur (VVD): Ik heb nog 1 minuut nodig.

De voorzitter: Dat gaat niet lukken.

De heer Van der Steur (VVD): Dan maak ik daar een halve minuut van.

De voorzitter: Dat gaat net lukken.

De heer Van der Steur (VVD): Ik ondersteun de strijd die de minister al jaren voert tegen de drugscriminaliteit. Die strijd moet krachtig worden voortgezet. Ik vraag aan de minister of hij bereid is om onderzoek te doen naar wat er nu in Europa gebeurt op het gebied van wat mevrouw Van Tongeren de kleinschalige teelt noemt. We weten en horen dat er in Spanje van alles gebeurt. We horen dat er in Tsjechië van alles zou gebeuren. Is de minister bereid om dat objectief op een rijtje te zetten? Wat gebeurt er in Europa op dat gebied? De VVD-fractie ondersteunt de aanpak van de minister van harte.

De voorzitter: Ik maak een omissie goed. Ik ben aan het begin vergeten te melden dat de heer Voordewind van de ChristenUnie (CU) later zou zijn wegens verplichtingen elders. Zijn timing was buitengewoon goed en daarom krijgt hij nu het woord.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Het zijn drukke dagen voor het reces en we proberen als kleine fractie zo veel mogelijk bij te wonen en inbreng te geven. Vandaar mijn late komst. Ik zag dat collega Van der Staaij wat eerder was dan ik, dus dat maakt het allemaal wat relatief. Onlangs was ik weer op werkbezoek in Amsterdam en ben ik met een wijkagent meegelopen over de Haarlemmerdijk. Daar zit een coffeeshop waar wij zijn binnengegaan. Ik zag daar veel jongelui, die vrij stoned tegen de muur aan hingen. Ik vroeg aan de politieagent wat hij daarvan vond, waarop hij antwoordde dat Den Haag daar nu eenmaal voor gekozen heeft. Ik vroeg hem wat hij zou doen als zijn eigen zoon daartussen zou zitten. De politieagent antwoordde dat hij zijn zoon er meteen uit zou slepen en hem zou zeggen dat hij wat van zijn leven moest maken. Met die dubbelhartigheid hebben we te maken, want er is nu eenmaal gedoogbeleid. Daar is de ChristenUnie een uitgesproken tegenstander van. Juist omdat wij vinden dat jongeren zichzelf niet in slaap moeten suffen, maar aan het begin van hun leven iets moois van de rest van hun leven moeten maken en een aandeel aan de samenleving zouden kunnen leveren. Tegelijkertijd zegt die politieagent dat hij er alleen maar is om de wet uit te voeren en dat Den Haag over de wet gaat. Daar hebben we het vandaag over.

Het nieuwe kabinet heeft voor een pragmatische aanpak gekozen, heb ik begrepen. De fractie van de ChristenUnie is altijd van de pragmatische aanpakken. Hier hebben we het echter niet alleen over veiligheid, maar ook over gezondheid. Vandaar dat mijn fractie juist op dit dossier een vrij stevige en principiële lijn wil voeren, omwille van de gezondheid van de jongeren. We spreken onze teleurstelling uit over de pragmatische opstelling met betrekking tot de coffeeshops. De wietpas was ingezet. Daar zijn zelfs proeven mee gedaan in Zuid-Nederland. Die proeven waren succesvol. De drugstoeristen bleven daar voor een groot deel weg. Vervolgens zegt de minister, met de coalitie in koor, dat de wietpas niet meer nodig is, maar er komt wel iets anders voor in de plaats, namelijk het ingezetenencriterium. We zien dat er een aantal criteria aan wordt verbonden. Dat maakt het boterzacht. Het identiteitsbewijs moet er zijn, maar in overleg met de betrokken gemeente kan de handhaving ingezet worden. Het zal gefaseerd gebeuren en het kan via lokaal maatwerk. Dit is niet nieuw, maar tegelijkertijd is dat een relativering van de stevige taal die je zou verwachten van een VVD-minister. Over die fasering, zoals bij de begrotingsbehandeling besproken werd, meldde de minister dat het wel zes jaar zou kunnen duren. De minister gaf toen geen garantie dat hij ook eerder zou willen handhaven. Tijdens de begrotingsbehandeling is ook gesproken over het handhaven van de landelijke richtlijn. Het is niet helder wat de minister daarmee bedoelt, want van een landelijke richtlijn zou eventueel afgeweken kunnen worden. Ik hoop dat de minister zegt dat dat niet het geval is en dat hij echt een landelijke richtlijn wil hanteren, en niet alles wil decentraliseren naar de gemeenten wat betreft handhaving, fasering et cetera. De minister stelde in antwoord op vragen van collega Segers dat het ingezetenencriterium een succes is als het drugstoerisme een halt wordt toegeroepen. Het woordje «als» triggerde onze fractie wel, want als het drugstoerisme minder zou worden of zou zijn bestreden, zou dan het beleid of het ingezetenencriterium weer versoepeld worden? Het beleid van de minister geeft nu toch wat onrust. Burgemeester Bruls van Nijmegen heeft al gezegd dat hij in verwarring is. Hij wil het graag per 1 januari 2013 invoeren, maar zijn gemeenteraad weer niet om verschillende argumenten. De minister geeft daar aanleiding toe. De gemeenteraad van Maastricht wil toeristen weer toelaten en alleen naar een paspoort vragen, maar niet naar het uittreksel van het geboorteregister. Vindt de minister het acceptabel dat gemeenten weer stappen zetten om te stoppen met handhaving van drugstoerisme?

Het vorige kabinet heeft de afstand op 350 meter vastgesteld. Ik weet dat ons kabinet dat toen graag op 500 meter van scholen had willen vaststellen. Amsterdam komt nu met 250 meter. Dat klinkt stoer, maar het is wel weer 100 meter minder dan het vorige kabinet, met dezelfde minister. Hoe wordt dat criterium nu ingevuld? Laten we dit aan de gemeenten over of komt er toch een richtlijn voor?

Amsterdam gaat het blowverbod voor schoolpleinen organiseren. Is dat een beleid dat de minister zal stimuleren; beleid om tot blowverboden te komen in publieke ruimten, zoals speelpleinen, schoolpleinen et cetera.

Minister Opstelten: Dank aan de voorzitter en aan de geachte afgevaardigden voor hun bijdragen. Ik wil graag beginnen met een aantal algemene noties. Daarna zal ik de specifieke vragen beantwoorden, zodat ieder weet waar ik sta.

De doelstelling van het coffeeshopbeleid is om een einde te maken aan het open-deur-beleid van de coffeeshops en om overlast en criminaliteit die verband houden met de coffeeshops en de handel in verdovende middelen tegen te gaan. De aantrekkingskracht van het Nederlands drugsbeleid op gebruikers afkomstig uit het buitenland moet worden teruggedrongen. In Zuid-Nederland speelt dit sinds jaar en dag. De invoering van het ingezetenencriterium in de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland per 1 mei 2012 is een succes gebleken. Wel heb ik geconstateerd dat de uitvoering vereenvoudigd kan worden conform het regeerakkoord. Het coffeeshopbeleid wordt per 1 januari 2013 als volgt vormgegeven. Drugstoeristen worden geweerd. De landelijke invoering van het ingezetenencriterium, dat niet nieuw is, wordt per 1 januari 2013 doorgezet. Dit betekent dat slechts ingezetenen van Nederland toegang krijgen tot een coffeeshop. Bij handhaving en lokaal maatwerk is het uitgangspunt dat handhaving van het ingezetenencriterium op 1 januari 2013 start. Hierbij is sprake van lokaal maatwerk. De handhaving geschiedt in overleg met betrokken gemeenten en zo nodig gefaseerd, waarbij wordt aangesloten bij de het lokale coffeeshop en veiligheidsbeleid. Amsterdam is daar een voorbeeld van. De wietpas, die ik altijd de clubpas noemde, vervalt. Door het succes van het ingezetenencriterium is de toestroom van drugstoeristen afgenomen en zijn coffeeshops de facto kleiner en meer beheersbaar geworden. Door het besloten clubcriterium, door sommigen de wietpas genoemd, te schrappen wordt de drempel voor ingezetenen van Nederland weggenomen om cannabis in het illegale circuit in plaats van in de coffeeshop te kopen. Dat was namelijk de kern van de kritiek van een aantal burgemeesters. Zij waren het eens met het succes dat ik formuleerde. Onder regie van politie en OM wordt de bovenregionale aanpak op de drugsrunnersproblematiek met kracht doorgezet. Dit zijn een paar algemene noties voor het uitgangspunt van mijn beleid binnen het regeerakkoord, waar ik uiteraard met veel enthousiasme voor heb getekend.

Eerst zal ik een aantal vragen van de SP, CDA en SGP over het ingezetenencriterium beantwoorden. Hoe ziet maatwerk voor gemeenten eruit bij de invoering en toepassing van het beleid? Ik heb dat in mijn brief geschreven. Daar gaat het om de letterlijke tekst. Dit richt ik ook tot mevrouw Kooiman. Dit is iets heel anders dan haar motie die daarom is afgestemd. Het lokale bestuur stelt het coffeeshopbeleid vast binnen het landelijk kader, dat de Opiumwet en de Aanwijzing van het OM betreft, en voert de regie. De lokale driehoek, te weten de korpschef van politie, de burgemeester en het OM met verschillende verantwoordelijkheden, vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving. Zoals bekend, heb ik verantwoordelijkheid voor het OM. In mijn brief van 19 november 2012 heb ik aangegeven dat een handhavingsarrangement van het bestuur (burgemeester, politie en OM) onontbeerlijk is bij de handhaving. In de lokale driehoek vindt afstemming plaats over het handhavingsarrangement inclusief de handhavingen en de eventuele fasering van de handhaving van het ingezetenencriterium, en over de maatregelen die verder getroffen worden in het kader van het coffeeshopbeleid. Dat alles tezamen is het lokale maatwerk. Ik heb overigens in mijn brief aangegeven dat de pas vervalt. Het verplichte lidmaatschap en het besloten clubkarakter van de coffeeshops komen hiermee te vervallen. De toegang tot de coffeeshops blijft voorbehouden aan ingezetenen van Nederland.

Hoe houd ik de vinger aan de pols? Daarover hebben verschillende Kamerleden gesproken. Ik formuleer in mijn eigen woorden in welke gemeenten het ingezetenencriterium wordt toegepast. Ik ga ervan uit dat burgemeesters het nieuwe gedoogbeleid verwerken in hun coffeeshopbeleid en dat zij dit zullen handhaven. De handhaving van het ingezetenencriterium geschiedt in overleg met de gemeente, en zo nodig gefaseerd. Ik zal dat niet onnodig herhalen, want het regeerakkoord is genoegzaam bekend. Ik verwacht dat burgemeesters, politie en OM in de driehoeken de handhavingsarrangementen op het coffeeshopbeleid zullen afstemmen. Dit om te voorkomen dat er ongelukken gebeuren in lokale situaties. In die ruimte moeten wij allen in goed overleg opereren. Vanzelfsprekend ben ik met gemeenten in overleg. Ik heb ter uitvoering van het regeerakkoord, voordat ik maar een stap zette in de publiciteit, overleg gevoerd met de G-4 burgemeesters over de vraag hoe zij tegen de tekst van het regeerakkoord aankeken en of wij daarover samen een specifiek gesprek konden voeren langs de door mij aangegeven lijnen. Het antwoord daarop was een volmondig «ja». Ik ben bereid naar gemeenten te luisteren; dat is mijn gedragslijn. Als het past binnen het kabinetsbeleid laat ik gemeenten de ruimte voor lokaal maatwerk. Ik zorg ervoor dat ik de lokale handhavingsplannen onder ogen krijg. Het is niet iets wat ik alleen in de kranten (of de opvolgers daarvan) van Het Parool, het Rotterdams Dagblad, de Haagsche Courant of de Tubantia, om verder van huis te opereren, lees om te kijken wat men doet. Nee, ik wil het zien.

Het onderwerp «Amsterdam». Ik zit hier niet ideologisch in, ik ben niet gek, daarom is dit een kader waarbinnen je problemen die in een stad of in het land aanwezig zijn, kunt oplossen. Ik heb al langere tijd, ook toen ik minister was in het vorige kabinet, met Amsterdam overlegd over de vraag hoe dat beleid uitgevoerd moest worden. Waar lopen we tegenaan? Laat dat zien. Ik vind het goed om naar realistische problemen en andere prioriteiten te kijken. De handhaving van het ingezetenencriterium geschiedt in overleg met Amsterdam. Zo nodig geschiedt de handhaving gefaseerd. In de lokale driehoek zal dan afstemming plaatsvinden. Na afstemming wordt het beste moment voor handhaving van het ingezetenencriterium bepaald door de lokale omstandigheden. Voorts zullen overige maatregelen getroffen worden door de lokale driehoek om het coffeeshopbeleid vorm te geven. Dit is dus lokaal maatwerk. Ik kom concreet nog terug op de vragen, maar kijkend naar Amsterdam spreekt mij dat beleid aan.

Ik zie drie hoofdpunten. Het aanpakken van de straathandel, het aanpakken van de drugsrunners en de georganiseerde criminaliteit zitten volstrekt op dezelfde lijn. Ten tweede vind ik, samen met de burgemeester van Amsterdam, al een tijdlang dat er veel te veel coffeeshops zijn. Daarom vind ik het buitengewoon goed dat Amsterdam heeft ingezet om als eerste stad te beginnen met het sluiten van een derde van het coffeeshopbestand in de stad. Dat is niet gemakkelijk, zelfs ingewikkeld om te doen. Dit wordt door de gemeenteraad gesteund. Het is in Amsterdam niet zo dat de gemeenteraad uitspraken doet en dat we vervolgens niets horen van het bestuur, maar het is er net andersom. Een derde punt is het blowverbod dat krachtens de wet allang mogelijk was, namelijk op basis van de Aanwijzing Opiumwet van het OM. Daarom heeft de Raad van State destijds gezegd, dat het niet in de APV hoeft. Dit is een technisch juridisch punt. Het is goed dat Amsterdam nu de afspraak zal uitvoeren die in het vorige kabinet is gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om op vrijwillige basis de grens van 250 meter te hanteren. Amsterdam vraagt om tijd om dit eerst te kunnen uitvoeren. In de nieuwe situatie wil Amsterdam dit graag met alle betrokkenen doorspreken. Ik vind dit een voorbeeld van samenwerking waarin ik niet hoef in te grijpen. Natuurlijk zal ik alles goed bestuderen en zullen wij er een gesprek over aangaan. Later zullen we bekijken hoe, gefaseerd in tijd, een en ander staat. Dit vind ik een voorbeeld van hoe het moet. Voor mij was het niet verrassend dat het zo liep.

De voorzitter: Ik zie een vreeswekkend aantal mapjes bij u liggen. Ik wil dit graag gestructureerd laten verlopen en daarom doe ik een voorstel. Wil de minister een en ander per mapje, dus per onderwerp, behandelen? Dan stel ik aan de leden van de commissie voor om aan het eind van ieder mapje te bekijken wie vragen heeft. Nu hebben we het ingezetenencriterium in zijn algemeenheid gehad, waarbij Amsterdam een voorbeeld van maatwerk was. Helpt u allemaal een beetje mee met de klok?

Mevrouw Kooiman (SP): Moet Amsterdam tijdens deze regeringsperiode toeristen weren uit de coffeeshops? Ja of nee?

Minister Opstelten: Dit is een verkeerde vraag, maar hij is gesteld.

De voorzitter: Als voorzitter moet ik protesteren. Er bestaan geen verkeerde vragen van de Kamer.

Minister Opstelten: Ik schrok van mijn antwoord, maar ik ben toch blij dat ik het gegeven heb. Mevrouw Kooiman, haar kennende, neemt mij dat niet echt kwalijk. Het antwoord is dat ik dat niet zo kan beantwoorden. Het gaat niet om termijnen. Ik wil het coffeeshopbeleid van Amsterdam zien. Ik heb daaruit de krenten gehaald en ik ben daar tevreden over. De heer Van der Steur zei al dat de drugstoerist in Amsterdam anders is dan die in het zuiden van het land. Dat is een feit. Niet alles kan tegelijk. Dan wordt het een rotzooi en zullen we de problemen in Amsterdam niet oplossen. Ik vind dit kader verstandig en ik vind dat dit eerst bekeken moet worden. Als het geëffectueerd is, en ik zal er bovenop zitten, dan hebben we een nieuwe situatie.

Mevrouw Kooiman (SP): Zal ik de vraag anders formuleren? Weer een «ja of nee»-vraag. Mag Amsterdam deze regeringsperiode toeristen te allen tijde welkom heten in een coffeeshop. Ja of nee?

Minister Opstelten: Ik heb daar training in gehad. Op die vragen hoef je nooit antwoord te geven. Dat doe ik dus ook niet. Het is niet ja of nee; Amsterdam hoeft dit in dit akkoord of arrangement vanaf 1 januari 2013 niet te doen. Het beleid geldt voor het gehele land, dus ook voor Amsterdam.

Mevrouw Kooiman (SP): Dan kan ik alleen maar concluderen dat er geen beleid is. Dat het nu zo is dat Amsterdam mogelijk ooit lokaal maatwerk krijgt.

De voorzitter: Als het, in verband met de tijd, om conclusies gaat, dan trekt u die in tweede termijn. Vragen stelt u nu.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik wil alsnog een antwoord. Zullen we ooit nog lokaal maatwerk in Amsterdam of Rotterdam invoeren?

Minister Opstelten: Mevrouw Kooiman geeft zelf het antwoord op haar vraag: we gaan nu lokaal maatwerk invoeren. We gaan nu niet het ingezetenencriterium handhaven. Mevrouw Kooiman wil steeds een jaartal hebben, maar dat geef ik niet. We zullen nu eerst dit beleid uitvoeren. Ik vind het te prijzen dat Amsterdam een derde van het coffeeshopbestand zal sluiten. De andere elementen daarvan heb ik ook gegeven. Als je namelijk een coffeeshop sluit, hoef je ook niet meer te handhaven. Ik word voor een groot gedeelte daarmee bediend, in ieder geval voor een derde.

Mevrouw Berndsen (D66): Zo’n laatste opmerking vind ik nergens op slaan. Als je een derde van de coffeeshops sluit in Amsterdam, dan blijft er altijd nog twee derde over. Daar zal toch gehandhaafd moeten worden. Mevrouw Kooiman krijgt geen antwoord op haar vraag, ik dus ook niet en daarom gooi ik het over een andere boeg. Als een andere gemeente, die ook drugstoerisme kent zoals Enschede met Duitse drugstoeristen, via het lokale maatwerk hetzelfde standpunt inneemt als burgemeester Van der Laan, kan dat dan bij de minister?

Minister Opstelten: Ik antwoord niet in algemeenheden. Ik wil ook van Enschede een concreet handhavingsarrangement zien en dat zal worden beoordeeld. Dat arrangement moet door de driehoek lokaal worden vastgesteld. Ik heb het nog niet gekregen.

Mevrouw Berndsen (D66): Kennelijk moeten er lokale arrangementen opgesteld worden, die de minister zal beoordelen. Hij zal bekijken of hij al dan niet vindt dat er gehandhaafd moet worden. Is dat de richtlijn die vanuit het OM bijvoorbeeld naar de politie gaat?

Minister Opstelten: De richtlijn van het OM zal worden voorbereid. Deze richtlijn zal ook de tekst van het regeerakkoord bevatten. Daar ligt een spanningsveld tussen het lokaal bestuur en mij, dat komt ook in het debat naar voren. De Kamer kan mij ter verantwoording roepen over mijn stellingname ten aanzien van de lokale positie die gemeenten en de lokale driehoek hebben ingenomen.

Mevrouw Berndsen (D66): In feite zegt de minister dat hij erover gaat en niet de lokale driehoek. Naar wie moet de politie dan luisteren?

Minister Opstelten: Dat vind ik een goede vraag, maar dat is ook een vraag waar mevrouw Berndsen zelf het antwoord op weet. De politie luistert namelijk altijd naar het gezag. Het gezag bepaalt uiteindelijk wat de politie doet en niet ik. Ik heb wel een positie in het drugsbeleid. Dat is duidelijk. Ook heb ik een positie ten aanzien van het OM en verder ben ik erg duidelijk over de uitvoering van het regeerakkoord, waarin ruimte is voor lokaal maatwerk. Ik wil ook zien dat er lokaal maatwerk is. Het is niet vrijblijvend.

De heer Oskam (CDA): Ik had eigenlijk dezelfde vraag als mevrouw Kooiman, maar is er een moment denkbaar dat de minister ingrijpt in de beslissing van de lokale driehoek op dit gebied? Of zal de minister alles accepteren?

Minister Opstelten: Ik zou bijna willen zeggen dat u mij kent. Ik zal natuurlijk niet alles accepteren. Er is een spanningsveld. Er is een moment denkbaar dat er ingegrepen kan worden.

De heer Oskam (CDA): Waar ligt bij u de grens?

Minister Opstelten: Dat is de kwaliteit van het handhavingsarrangement. Ik vind het voorbeeld van Amsterdam, de gemeente heeft er ook lang aan gewerkt, een goed voorbeeld van een kwalitatief goed arrangement met duidelijke prioriteiten waarin men goed aangeeft waarom men dat nu niet kan en niet wil.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik heb goed begrepen dat per 1 januari 2013 de Aanwijzing wordt aangepast en dat formeel de norm is dat alleen aan ingezetenen softdrugs kunnen worden verstrekt. Betekent dat in feite dat hiermee nieuw gedoogbeleid wordt geïntroduceerd? Kennelijk worden er nieuwe normen gesteld, die niet overal gehandhaafd kunnen worden.

Minister Opstelten: Ik begrijp de vraag van de heer Van der Staaij heel goed. Daarom ben ik blij dat dergelijke passages in het regeerakkoord staan. Het is dus geen gedogen, maar het is «zo nodig gefaseerd handhaven». Dat kan een fase zijn die enige jaren duurt, omdat men daar niet aan toe kan komen of omdat het effect desastreus zou zijn voor de veiligheid op straat. Dat is het geval bij het concrete voorbeeld waar wij aan dachten.

De heer Van der Staaij (SGP): Betekent dit dat de minister zegt dat handhaving meteen op dag één moet beginnen, maar dat er nog een tijd overheen kan gaan voordat 100% bereikt is? Het lijkt me ook dat gemeentelijke plannen die ervan uitgaan dat sint-juttemis een goed tijdstip is om te gaan handhaven, het niet gaan halen.

Minister Opstelten: Dat is een term die ik zelf nooit zal hanteren, sterker nog ik zou hem ook niet begrijpen. Nog belangrijker is het dat ik die term niet zou accepteren. Als men alleen zegt, dat het niet gedaan wordt en een leeg velletje presenteert, dan ben ik er direct bij.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Nu de minister dit zo heeft uitgesproken over het Amsterdamse model, kan daarop al snel het Rotterdamse model volgen. Misschien ook Den Haag of andere grote steden. Wordt het adagium dan afstandscriterium richting scholen «ja», ingezetenencriterium «nee», mits de handhaving op orde is?

Minister Opstelten: Nee, ik begrijp de vraag goed. Tussen die G-4 steden ligt het ook verschillend. Misschien is het wel zo dat Amsterdam niet het snelst tot een erg duidelijk gericht lokaal coffeeshopbeleid is gekomen, maar dat nu wel doet. Door dit regeerakkoord wordt Amsterdam ook gedwongen dit te doen. Die spanningen zorgen daarvoor en wij geven lokaal de ruimte om dat in te voeren.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dan zit het in de tijdsspanne. Andere steden kunnen daarnaar toe groeien, maar daar wordt hetzelfde beleid ingevoerd. Anders krijg je natuurlijk willekeur. Amsterdam wordt wel gedoogd en Rotterdam misschien niet. Het zou echter kunnen zijn dat de minister mettertijd zegt dat het afstandscriterium van 250 meter voor de scholen goed gehanteerd wordt, maar dat het ingezetenencriterium voor de grote steden niet gehandhaafd of gedoogd zal worden.

Minister Opstelten: Dat zal ik per situatie bekijken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik hoor de minister zeggen dat hij er niet ideologisch in zit. Ik hoor hem zeggen dat hij praktische en pragmatische oplossingen wil. Ik hoor hem zeggen dat hij een gefaseerde invoer van het handhaven wil en dat er maatwerk in de driehoek van zijn. Kan dat dan ook wat betreft de kleinschalige gereguleerde teelt?

Minister Opstelten: Nee, daar kom ik straks nog op terug. Dat is een ander «blokje».

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De reden waarom ik dit vraag, is dat de argumenten die de minister hier geeft rechtstreeks toepasbaar zijn op kleinschalige gereguleerde teelt.

De voorzitter: Die vraag zal de minister bij het volgende blokje behandelen.

Minister Opstelten: Dan wil ik daar kort en bondig op antwoorden. Ik ben het niet eens met mevrouw Van Tongeren. Ik heb gezegd dat er binnen het wettelijk en landelijk kader ruimte is voor lokaal maatwerk.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Dus het kan?

Minister Opstelten: Dus het kan inderdaad niet. Ik zal dit mevrouw Van Tongeren straks uitleggen. In tegenstelling tot wat de hoogleraren zeggen in het nog te verschijnen artikel in het Njb kan het juridisch niet.

Om elk misverstand te voorkomen, het afstandscriterium is geen gedoogcriterium. Dat zit niet in de Aanwijzing opgenomen. Dat is vrijwillig. Ik kom nu bij het afstandscriterium. Het verkleinen van de zichtbaarheid van de coffeeshops voor scholieren wordt lokaal maatwerk. Hierdoor wordt het voorgenomen afstandscriterium van 350 meter nu niet opgelegd via landelijke regels en opname per 1 januari 2014 in de Aanwijzing Opiumwet. Een groot aantal gemeenten met coffeeshops heeft reeds een afstandscriterium. Dat kan ook 100 meter zijn, zoals gevraagd is. Het is aan de gemeenten om dat te bepalen. Ik denk dat dat veel effectiever is. Je kunt het kader bepalen, maar om rendement te hebben van het beleid heb je het lokaal bestuur, de lokale politie en de lokale officier van justitie (OvJ) nodig. Gemeenten kunnen ook aanvullende maatregelen nemen. Een aantal is door de Kamerleden genoemd. Bijvoorbeeld specifieke openings- en sluitingstijden die aangepast kunnen worden aan de scholen. Dit is een gangbaar criterium dat door veel steden al wordt genoemd. Geen coffeeshops in een woonwijk of bij een jongerenvoorziening is ook duidelijk hanteerbaar. Het staat het CDA vrij om een meldpunt op te richten, zoals de heer Oskam zei.

Wat betreft de illegale handel en drugsrunners is een belangrijk punt voor het OM en de politie dat deze fenomenen regiogrenzen overschrijden en internationaal zijn. Ik verwacht minder straathandel. Wij zitten daar bovenop. Mijn informatie, met dank voor het werk van de SP, is anders. Ik neem altijd de brochures van de SP serieus. Er is door de politie in het zuiden hard gewerkt om de straathandel te voorkomen. Dit is echter niets nieuws, men deed er alleen in het verleden veel minder aan. Men pakt het nu aan door de discussie die momenteel gevoerd wordt. Daardoor is het veel meer in beeld gekomen. We pakken de drugsrunners stevig aan. Ik verwacht door het nieuwe beleid, op basis van de pragmatisch ingezette adviezen van de burgemeesters, minder drugsrunners op straat. Limburg kent een Joint Hit Team. Informatie vanuit dit team wordt aan andere politiekorpsen verstrekt. Er wordt een landelijke topiclijst opgesteld van gevoelige subjecten. Dit systeem wordt momenteel ontwikkeld. Over de aanpak nog een aantal dingen. Er bestaat een integrale aanpak. Vervolgens is er de bovenregionale aanpak tussen Rotterdam, Den Haag Utrecht, en het Zuiden. De parketten zijn een zaak van het OM. Deze zijn redelijk succesvol. Dit kunt u vragen aan de andere landen. Voorts is er een grensoverschrijdende aanpak binnen de EUREGIO.

De SP heeft naar de politiecapaciteit gevraagd. Ik heb voortdurend, tot de evaluatie, aan de burgemeesters en politie gevraagd of zij voldoende capaciteit hadden. Hun antwoord was «ja». Op de vraag of zij behoefte hadden aan het doortrekken van extra capaciteit, was het antwoord «nee». Men kan dit binnen het nieuwe beleid met de bestaande politiecapaciteit doen. Dat is erg plezierig.

Een aantal leden heeft over de «achterdeur» gesproken. De kernvraag is door mevrouw Hilkens gesteld. Die vraag vond ik ook sympathiek. De vraag was of ik bereid ben over de gemeentelijke initiatieven te praten. De Kamerleden kennen mij, is mijn antwoord. Ik doe dat normaal gesproken al, maar ik wil dit ook gestructureerd doen in een bepaald verband, waarna ik zal rapporteren aan de Kamer. Op die wijze kan ik aangeven hoe de gemeentelijke initiatieven zich verhouden tot mijn standpunt dat de Kamerleden bekend is. Dat zou ik fair vinden. Ik zal niet de verwachting wekken dat alle initiatieven gehonoreerd worden als men goed in het pak zit, goede sheets meeneemt, en een hoogleraar nog eens «onafhankelijk» daarnaar laat kijken. Ik lees ook de krant, maar ik heb nog maar twee brieven ontvangen. Een brief, ter kennisneming, van de gemeenteraad van Rotterdam; ik heb de motie gelezen en teruggestuurd in de organisatie. Ik heb nog geen bestuurlijke poging ondervonden, waarbij iemand met mij wil spreken om mij iets voor te leggen. Ik vind wel dat ik geen rekening hoef te houden met uitspraken of vermeende voorbereidingen van uitspraken zoals dat in Maastricht speelt. Het bestuur moet zich bij mij melden. Ik zal dat zelf ook in de gaten houden, wij zullen dat concreet bekijken en toetsen aan mijn standpunt. Ik rapporteer aan de Kamer daarover. Daar ben ik gaarne toe bereid, want dat vind ik goed. Dat is een verbindende schakel met de heer Oskam. Ik vond het buitengewoon goed van de heer Oskam dat hij zei dat hij openstaat voor elk concreet initiatief uit de gemeente om te bekijken of dat kan of dat het meerwaarde heeft. Wij kunnen dat daarin meenemen, zodat er een brede steun in de Kamer is om de initiatieven te bekijken en te toetsen aan mijn beleid. Het is natuurlijk bekend dat ik geen voorstander ben van het reguleren van het cannabisbeleid. Nederland zou zich daar meer problemen mee op de hals halen. Ik kan het juridisch nog een keer langslopen.

Mevrouw Berndsen (D66): De minister zegt dat hij openstaat voor het bekijken van initiatieven van de gemeenten. Tegelijkertijd zal het worden getoetst aan zijn beleid, en in één adem zegt de minister dat wij zijn beleid kennen en dat hij niet voor regulering is. Wat voor nut heeft het dan dat gemeenten met hun vraag bij de minister komen?

Minister Opstelten: Omdat zij zelf hebben gezegd dat zij dat graag willen, en omdat dat een initiatief van de Kamer is. Voorts vind ik het goed om te inventariseren en voor iedereen zichtbaar te maken wat er leeft in het land, en wat het lokaal bestuur met welk politiek draagvlak, gelet op stellingnamen in de gemeenteraden, vindt. Het zou goed zijn dit te inventariseren en er gestructureerd naar te kijken om te bezien wat meerwaarde heeft en wat niet. Ik ben fair en open, en ik zeg wat mijn standpunt is. Dat moet men ook weten. Het zou raar gevonden worden als men dat niet van mij wist. Er is niet meer gevraagd dan dat. Met inventariseren en aan de Kamer rapporteren heb je een goed overzicht. Dan is er nog mijn toets daarvan.

Voorts neem ik meteen daarin het verzoek van de heer Van der Steur mee om ontwikkelingen in Europa te bekijken. Ook de ontwikkelingen in de VS zijn bekend. Dat is niet verrassend, omdat wij veel contact hebben met de collega's en instanties aldaar, zelfs met enkele congresleden. In twee staten is er bij referendum over besloten, dus zullen zij juridisch iets opzetten. Dan wordt in de loop van het komend en daaropvolgend jaar geprobeerd om dit in te voeren. De Verenigde Naties (VN) heeft de VS al een waarschuwing gegeven daarover. De Attorney General, het ministerie van Justitie, beraadt zich momenteel. Dat zou ik ook zeggen als je nog niet weet wat men gaat doen, dan moet je je altijd beraden. Verder blijft het officiële standpunt dat het in strijd met de verdragen is. Dat geldt niet alleen voor ons, maar ook voor de VS. Dat neem ik serieus en ik zal dat volgen. Ik zal de Kamer in datzelfde rapport hierover informeren.

Mevrouw Berndsen (D66): De minister zei dat hij er niet ideologisch in zit. Mijn vraag is dan of hij met een open geest naar de verzoeken zal kijken. Of zegt de minister bij voorbaat dat zijn lijn vastligt, maar dat hij graag met de gemeente wil overleggen, hoewel de gemeente nooit toestemming zal krijgen?

Minister Opstelten: Ik zal nooit nooit zeggen.

Mevrouw Berndsen (D66): Laat ik het dan afbakenen: binnen deze regeerperiode.

Minister Opstelten: Welke regeerperiode?

Mevrouw Berndsen (D66): Ik zei deze regeerperiode. Ik weet niet hoe lang die duurt, maar ik heb het over deze regeerperiode.

De voorzitter: Deze vraag is zeven keer gesteld. Op deze vraag heeft de minister zeven keer niet geantwoord, althans hij geeft steeds hetzelfde antwoord.

Minister Opstelten: Mijn antwoord is «ik zeg nooit nooit», maar ik vind het fair dat mijn standpunt aan iedereen bekend is. Dat kan ik nog een keer onderbouwen. Het is juridisch ingegeven, maar het is ook ingegeven op basis van de verdragen die iedereen kent. Wij zullen een en ander in een brief nog eens goed de revue laten passeren. Ook het juridisch kader waarop ik mede mijn standpunt baseer, zal daarin meegenomen worden. Er zijn echter ook twee andere, inhoudelijke argumenten, die ik belangrijk vind. Je moet duidelijk en consistent zijn, ook naar de politie en het OM. Ik moet dat in ieder geval zijn.

Ik ben van mening dat het in plaats van minder juist meer handhaving zal betekenen. Als er een constructie is waarin alles gereguleerd is, moet in alle ketens in de constructie goed gehandhaafd worden, anders overtreedt de overheid zelf de wet en is zij strafbaar. Verder zijn alle situaties prima als de hele wereld hetzelfde doet, maar in Nederland zullen we er niet als eerste mee beginnen, want dan worden wij het putje van Europa en van de wereld. Dat willen wij niet, denk ik. Zelfs Amsterdam wil dat niet.

De heer Oskam (CDA): Voordat iedereen zich rijk rekent vandaag, heb ik als antwoord op de vraag van mevrouw Kooiman bedoeld te zeggen dat de CDA-fractie niet wil nadenken over gereguleerde wietteelt, want dat is verboden. Verdragen verbieden het, de aanwijzing van het OM verbiedt het. Ik heb bedoeld te zeggen en met voorbeelden aangeduid, dat het THC-gehalte onder 15% moet zijn, en dat er geen reclame gemaakt mag worden zoals in het beleid van kabinet-Rutte I staat. Ik zou willen praten over goede voorbeelden, en daarbij gaat het de CDA-fractie om het gedoogbeleid aan de voorkant en niet aan de achterkant.

Minister Opstelten: Dat begrijp ik. Wat dat betreft verschillen wij niet van mening. Er zijn gemeenten die met dergelijke initiatieven komen. Misschien kan het toch iets zijn wat tegen die situatie aanligt, waarbij men vraagt om een experiment. Dat kunnen we zichtbaar maken. Zo had ik dat begrepen. Als ik het verkeerd heb begrepen, dan is dat nu duidelijk geworden. Ik wil daar in ieder geval op ingaan. Ik denk dat ik daarmee het punt van de achterdeur heb besproken.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik zou graag van de minister willen weten of hij de mening van collega Van der Steur deelt dat voor elke twee hoogleraren die zeggen dat het van de verdragen mag, je er ook twee kunt vinden die zeggen dat het van de verdragen niet mag. Of respecteert de minister de meningen van de hoogleraren Buruma, Brouwer of Schilder van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), en neemt hij hen serieus?

Minister Opstelten: Zeker, laat ik duidelijk zijn dat de interventie van de heer Van der Steur op uw bijdrage mij wel aansprak, maar niet vanwege de inhoud. Niet vanwege de inhoud van hun artikel, maar omdat het erg moeilijk is om in Nederland nog mensen te vinden, en dat meen ik, die een niet-vooringenomen standpunt hebben over dit onderwerp. Het is de kunst om die mensen te vinden. Ik ken die artikelen nog niet, maar natuurlijk lees ik alles en ik sta altijd open voor argumenten die deugdelijk zijn. Ik ben ze alleen nog niet tegengekomen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Hoor ik de minister nu zeggen dat een raadsheer van de Hoge Raad, namelijk de heer Buruma, wat betreft de minister een vooringenomen mening heeft?

Minister Opstelten: Nee, dat zeg ik niet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De minister zegt dat er haast niemand te vinden is die niet een vooringenomen mening heeft. Ik heb een artikel geciteerd, dat deze drie heren geschreven hebben.

Minister Opstelten: Ik ken dat artikel niet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): De minister zegt dus niet dat deze heren een vooringenomen mening hebben over dit onderwerp?

Minister Opstelten: Ik zal dat niet zeggen als ik dat artikel nog niet heb gezien. Waar iemand ook vandaan komt, of wat hij ook is, bepaalt niet bij voorbaat de kwaliteit van zijn inbreng. Dat is bij mevrouw Van Tongeren niet zo, en bij mij ook niet.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Een raadsheer van de Hoge Raad? En de minister twijfelt aan de onafhankelijkheid daarvan? Dat vind ik opmerkelijk.

Minister Opstelten: Ik twijfel daar niet aan, maar hij was niet in functie als raadsheer van de Hoge Raad bij het schrijven van dat artikel. Ik neem aan dat het artikel op persoonlijke titel geschreven is. Daar mogen de heren op aangevallen worden. Het siert hen dat zij een artikel schrijven en aan het debat meedoen. Dat apprecieer ik. Ik grijp morgen naar het Njb, maar ik ben blij dat dit overleg vandaag is.

De heer Van der Steur (VVD): Het citaat van mevrouw Van Tongeren uit het artikel is onjuist. De conclusie van beide hoogleraren is nu juist dat er misschien ruimte zou kunnen zijn, maar dat het nog steeds strafbaar en verboden is. Ook de teelt van cannabis is verboden en verplicht verboden. De teelt van cannabis is namelijk verboden in de internationale VN-verdragen; dit staat letterlijk in het artikel. Wat dat betreft kan ik de minister geruststellen. Ik ben voorts blij met de toezegging van de minister dat hij onderzoek wil doen naar de stand van zaken in Europa en de VS. Het zou prettig zijn als ik enige indicatie kreeg wanneer hij ongeveer verwacht dat dat beschikbaar komt.

Minister Opstelten: Het zal natuurlijk veel reizen betekenen. Dit onderwerp moet serieus aangepakt worden. Ik zou het graag willen combineren met het verzoek van mevrouw Hilkens. Ik kan mij voorstellen en vind het zinvol dat er Nederlandse en Europese initiatieven bij elkaar gebracht worden, en niet alleen die initiatieven maar ook mijn standpunt en het standpunt van het kabinet. Ik wil het gehele juridisch kader goed en scherp op een rijtje zetten, tezamen met mijn mening, nadat ik de verschillende artikelen van hoogleraren gelezen heb en de reacties op die artikelen, die ongetwijfeld zullen volgen.

Mevrouw Kooiman (SP): Voordat de minister naar de experimenten kijkt, zou ik graag willen weten wanneer we een eerste reactie kunnen verwachten. Ik zou de minister willen vragen ook de cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) mee te nemen en de berekening dat de handhaving capaciteit en geld oplevert.

Minister Opstelten: Ik denk daar anders over dan mevrouw Kooiman. Dat heb ik ook gezegd. Ik geloof dat er geen handhavingsvoordeel te behalen is. Ik zal daar wel een beschouwing aan wijden, omdat ik dat relevant vind. Ik zit een beetje met de tijdspanne. Ik moet de gemeenten de tijd geven om hun gedachten te formuleren. Als ik nu als tijdstip ruim na het zomerreces van 2013 of een jaar noem, dan is dat ambitieus. Zullen we afspreken dat wij er een jaar goed en gedegen voor nemen? Het is niet gering wat u vraagt. Het is niet zomaar iets bekijken; het is spreken met gemeenten.

De voorzitter: Vóór 1 januari 2014?

De heer Opstelten: Ja, daar ben ik toe bereid.

Mevrouw Kooiman (SP): Als de minister dat bekijkt, geef ik mee dat in de brede heroverwegingen destijds aangegeven is hoe en waar op bezuinigd kan worden. Daar staan die cijfers in en daar komen ook de bezuinigingen van een half miljard vandaan.

Minister Opstelten: Dat weet ik en ondanks dat het daarin vermeld stond, hoef ik het daar niet mee eens te zijn. Ik zal het wel meenemen en dan kunnen we het nog een keer uitleggen waarom wij het daar niet mee eens zijn. Ik zal dat namens het kabinet graag doen.

Dan komen we aan het volgende onderwerp en dat is het draagvlak van burgemeesters, waar mevrouw Berndsen aan refereerde. De Kamerleden kunnen ervan overtuigd zijn dat het draagvlak groot is. Wellicht verrast u dat. Wat ik bespeur, is dat het draagvlak erg groot is. Misschien ontmoeten de Kamerleden andere burgemeesters dan ik, dat kan natuurlijk, maar ik heb het hen gevraagd. Ik heb ook de G-4 gevraagd hoe hiermee omgegaan kan worden, en zij zijn ervoor. Zij zijn er ook voor dat dit stevig gebeurt. Ik heb dat met burgemeester Van der Laan goed doorgenomen. Ook burgemeester Van der Laan heeft dit goed gedaan. Dus uit verschillende verantwoordelijkheden is dit een goed en stevig beleid voeren, dat ergens toe leidt. Dit is mijn ervaring.

De heer Bontes heeft een relevante vraag gesteld over het verplaatsen van de coffeeshops naar de rand van de stad. Of dat lokaal maatwerk betreft. Dat is mogelijk, dat kon ook al in het oude beleid. Dat kan in dit beleid ook. Wat ik over Maastricht lees, hoewel er nog geen opvatting van de gemeenteraad is, is dat fracties van plan zijn dit in te brengen. Dat is iets anders dan dat de burgemeester dit vindt. Ik weet uit ervaring, dat het voor kan komen dat de gemeenteraad en de burgemeester het niet met elkaar eens zijn over het te voeren coffeeshopbeleid en dat de burgemeester dan toch als resultaat zijn gang kan gaan met steun van de gemeente. Ik denk dat dit verstandig is. Het andere punt is dat dit opties zijn die al veel eerder in Maastricht zijn getracht te bereiken en geen succes waren. Ik wacht af waar men mee komt.

De vraag van de heer Van der Steur over de internationale aspecten en initiatieven heb ik beantwoord.

De voorzitter: Zijn er nog restvragen en is er behoefte aan een tweede termijn? Die is er wel, zie ik. Graag kort. Zijn er nog vragen blijven hangen?

De heer Oskam (CDA): De suggestie van sommige burgemeesters om de openingstijden van coffeeshops aan te passen aan de openingstijden van scholen heb ik gemist.

Minister Opstelten: Dat heeft de heer Oskam gemist, want ik heb het kort genoemd. Dit gebeurt al en daar zijn wij erg voor. Het is erg goed dat gemeenten dat introduceren en doorzetten en in de voorwaarden van de vergunning opnemen.

De heer Bontes (PVV): Mijn vraag met betrekking tot Maastricht is niet zozeer of de coffeeshops naar de rand van de stad verplaatst mogen worden, maar of de gemeente de coffeeshops naar de rand van de stad mag verplaatsen met het doel deze voor buitenlanders open te stellen en dus niet te voldoen aan het ingezetenencriterium.

Minister Opstelten: Nee, ik begrijp de kern. Dat zou ik niet doen als ik de gemeente Maastricht was. Ik zou het beleid, dat succesvol is, doorzetten. Het verzoek van de gemeente Maastricht was ook om het besloten clubcriterium af te schaffen. Dat hebben we gedaan, maar het ingezetenencriterium wordt gehandhaafd. Dat is het beleid waarop ik Maastricht aanspreek.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik had nog een vraag gesteld over blowverboden in openbare ruimten. Amsterdam stelt dit nu voor op schoolpleinen; het Mercatorplein heeft overigens ook al een blowverbod. Er lopen ook proefprocessen, heb ik vernomen, omdat de rechter eerder zou hebben gezegd dat een plaatselijk blowverbod niet zou mogen, omdat er al een landelijk blowverbod bestaat. Ziet de minister daar nog juridische complicaties?

Minister Opstelten: Dit is een lopende zaak. Per 1 januari 2012 is de aanwijzing Opiumwet van het OM zodanig gewijzigd dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is bij het bezitten van een hoeveelheid tot en met vijf gram hennepproducten, waar voorheen sprake was van een politiesepot. Het civiele proces is mij bekend. Het OM heeft in Amsterdam en Rotterdam zelf een proefproces aangespannen nadat de Raad van State het gedeelte van de Amsterdamse APV waarin het blowverbod werd geregeld bij uitspraak van 13 juli 2011, onverbindend had verklaard. De Amsterdamse kantonrechter heeft anders dan de Raad van State in een aantal schriftelijke vonnissen aangegeven dat de gemeente Amsterdam wel iets in de APV strafbaar mag stellen wat ook strafbaar is in de Opiumwet, zolang dat maar met een ander doel is dan het doel van de Opiumwet, namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Dat is hier het geval. Overigens bevat de Aanwijzing Opiumwet aanknopingspunten om een blowverbod te hanteren. Wat er gebeurt, kan dus al. Elke civiele procedure is een risico, maar wij vrezen die niet. Amsterdam staat juridisch erg sterk.

De voorzitter: Ik geef het woord aan de Kamerleden in tweede termijn. Mijn dringende verzoek: kort en bondig.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik wil een verslag van een algemeen overleg (VAO) aanvragen. Dat betekent dat ik moties zal indienen.

De voorzitter: Wilt u dat nog vóór het reces?

Mevrouw Berndsen (D66): Het gaat per 1 januari 2013 in, maar de handhaving wordt op de lange termijn geschoven. Dus het mag van mij ook na het kerstreces.

De minister erkent zelf dat er een spanningsveld bestaat tussen lokale handhavingsarrangementen en de aanwijzing die via de minister door het College van procureurs-generaal wordt gegeven. Er kunnen dus lokale verschillen ontstaan. Ik denk dat dat een erg slechte maatregel is, vooral omdat het voor de politie lastig wordt om te handhaven. In gemeente A hoeft er nog niet gehandhaafd te worden, omdat dit pas over vier jaar aan de orde is bijvoorbeeld. In gemeente B moet er wel al onmiddellijk gehandhaafd worden. Het is maar net welke afspraken er met de minister zijn gemaakt. Ik denk dat de minister het erg lastig maakt voor de handhaving door de politie. Bij politiecapaciteit is de reactie van de minister dat straatoverlast er altijd al was, maar met de invoering van de wietpas werd daar extra op gelet. Dus toen werd het zichtbaarder. Ik kan uit eigen ervaring vertellen dat ik dat complete onzin vind. Die straatoverlast is ontstaan door de invoering van de wietpas. Daardoor is er veel ondergronds gegaan. De minister zegt dat dit niet het geval is, maar ik heb ook nog wat lijntjes bij de politie, en ik bestrijd dat dus ten volle. De minister zegt ook nog dat er bij het nieuwe beleid geen straatoverlast meer zal zijn. Dat staat haaks op zijn eerdere mededeling.

Ten aanzien van de regulering zullen we de resultaten van het beleid afwachten. De minister zal niet echt bewegen. Misschien doordat veel gemeenten experimenten willen invoeren, zal de minister invullen dat hij er niet ideologisch in zit. Overigens ben ik niet bang dat dat meer tijd zal kosten voor de handhaving door de politie, want je kunt goed een gesloten productieketen organiseren, zoals dat ook bij alcohol gebeurt. Daar is het ook niet de bedoeling dat alcohol de illegaliteit in verdwijnt en dat is een keurig gesloten keten via het accijnsstelsel waar de douane toezicht op houdt. Ik zou niet weten waarom dat niet voor de productie van cannabis kan gebeuren.

Mevrouw Kooiman (SP): Toen de minister sprak over overlast, verwees hij naar een brochure van de SP. Dat vind ik nogal minachtend. Er hebben 200 agenten meegewerkt aan mijn onderzoek. Zij geven in meerderheid aan dat de straathandel is toegenomen. Het zijn niet alleen mijn agenten, het zijn ook de agenten van de minister. Ik wil graag dat hij naar hen luistert.

Wat betreft het ingezetenencriterium is de mening van de minister dat Amsterdam er nu niet aan hoeft te voldoen, omdat er lokaal maatwerk is. Wanneer dat dan wel is, gaf de heer Van der Staaij al aan. Dat is mogelijk met sint-juttemis. Toch zou ik liefst niet met sint-juttemis horen wanneer dat dan wel gebeurt. Ook vraag ik of het zuiden van het land lokaal maatwerk mag bieden. Ik kan me voorstellen dat iedereen naar Amsterdam kijkt en bedenkt dat hij dat ook wil. Ik vind dat een logische gedachte. Graag zou ik een overzicht ontvangen over het lokaal maatwerk dat de verschillende gemeenten bieden. Voor mij is niet helemaal duidelijk waar de grens ligt, zoals de heer Oskam ook zei. Voorts zou ik willen weten wanneer we die brief kunnen ontvangen.

De heer Bontes (PVV): De PVV-fractie ziet het nieuwe beleid toch als een verslapping ten opzichte van het beleid van het kabinet-Rutte I. Liever waren wij daar dichterbij gebleven. Dit is echter de werkelijkheid. Het zal niet transparant zijn, want iedere gemeente zal er anders mee omgaan. Het voorbeeld van Maastricht toont dat al aan in vergelijking tot het voorbeeld van Amsterdam. Amsterdam heeft een blowverbod op schoolpleinen, maar dan in een convenant met de politie. Dat maakt het wezenlijk anders. Dus daar wordt politiecapaciteit geclaimd. Wat dat betreft is de PVV-fractie er niet gerust op dat het een verbetering is. Het doel moet zijn het tegengaan van de georganiseerde misdaad, georganiseerde hennepteelt, maar ook van drugsrunners en buitenlandse drugstoeristen die voor overlast zorgen in de dorpen en steden in Nederland. Dat moet het hoogste doel zijn. Wij denken niet dat dat beter wordt met dit beleid. Dit is nu wel waar we mee moeten leven en wij zullen het nauwgezet volgen. De PVV-fractie zal de minister aanspreken als het een verslechtering wordt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks): Ik wil de minister toch nog een vraag stellen over zijn eigen woorden. De minister zegt terecht dat hij er niet ideologisch in zit. De minister is een voorstander van praktisch en pragmatisch oplossen. De minister is voor maatwerk binnen de driehoek en hij zegt ook dat handhaven gefaseerd ingevoerd kan worden. Geldt dit bijvoorbeeld ook bij een groep mensen die vijf planten per persoon heeft, aangezien vijf planten per persoon toegestaan is? Is dat binnen de driehoek als maatwerk te bediscussiëren? Zou de handhaving daar gefaseerd ingevoerd kunnen worden? Je creëert immers zo een mogelijkheid voor mensen die een kwaliteit wiet willen hebben met niet al te veel THC en die op een gereguleerde manier de achterdeur van de coffeeshop willen bedienen. Zou de minister daarnaar willen kijken?

Voorts hebben we gehoord welke argumenten de minister niet overtuigen om een aantal experimenten toe te staan met gemeentelijke wietplantages. Zou de minister aan willen geven of er überhaupt argumenten bestaan die hem wel zouden overtuigen? Of is het heel erg ideologisch «njet» van de minister.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik wil de minister graag danken voor zijn beantwoording. Hoe langer ik erover nadenk, des te kritischer ik word over het beleid dat nu voorgesteld wordt. Het klinkt niet onredelijk om een beetje te letten op de lokale omstandigheden. Het strikt juridisch bekijkend, begrijp ik dat we straks een nieuwe VVD-norm in de gedoogcriteria krijgen. Een nieuw gedoogcriterium, namelijk de «i» van ingezetene, wordt eraan toegevoegd. Anders dan met andere gedoogcriteria, waar strikt de hand aan werd gehouden omdat het de voorwaarden waren waaronder je niet optrad tegen een bij de wet verboden situatie, zijnde een coffeeshop, wordt nu gezegd dat het een gedoogvoorwaarde is, maar aan die gedoogvoorwaarde hoeft niet overal gelijk te worden voldaan. Is dat niet een voorbode voor een verfloddering van het gehele gedoogbeleid, ook op de andere gebieden? Ik hoor ze al komen: met «die grammen» moet je ook wat kunnen rommelen in lokaal maatwerk. Waren die gedoogvoorwaarden niet ooit bedoeld als geen lokaal gedoe, maar duidelijke nationale normen die overal hetzelfde zijn? Is het dan niet wijzer om, als het niet gelijk kan, zo'n strenge norm overal te laten gelden, om dat gefaseerd in te voeren? Niet in de zin van overal op dezelfde datum, maar wel 100% te handhaven.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik zou willen reageren op de logica van mevrouw Berndsen. Waarom een inventarisatie maken als de minister aangeeft niet voornemens te zijn om de uitslag daarvan te gebruiken voor eventueel nieuw beleid? Ik ben woordvoerder van de PvdA in de Kamer op dit dossier. Wij zijn toevallig coalitiegenoot en daarom is het voor mij van belang. Ieder besluit dat de PvdA-fractie hierover al dan niet zal nemen, hangt voor mij en de PvdA-fractie in eerste instantie af van de uitkomst van de inventarisatie. Het begint ermee dat de gemeenten vorm moeten geven aan de manier waarop zij dit willen doen. Dan kan ik met mijn fractie bezien wat wij hier definitief mee willen. Dus vandaar mijn behoefte. Ik kauw nog wat verder door op de logica van mevrouw Berndsen. Hoe cynisch ook, en ik benadruk nogmaals dat D66 ons qua basisbeginselen in hun kamp weet, maar als mevrouw Berndsen de logica doortrekt dat iets zinloos is omdat er niets door zal veranderen, kunnen we het VAO beter schrappen. Het probleem op dit dossier is nu juist dat moties in de richting van progressief beleid per definitie sneuvelen, omdat wij geen meerderheid in het kabinet hebben. Dit wil ik geconstateerd hebben. Het is een cynische werkelijkheid, die zo is.

De voorzitter: Mevrouw Hilkens richt zich tot de minister?

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik wilde nu beginnen met te zeggen dat ik de minister hartelijk dank voor zijn antwoorden en zijn toezegging op het punt van de inventarisatie.

De voorzitter: Het is de gewoonte, mevrouw Hilkens, dat u zich richt tot de minister en u richt zich in dit geval tot mevrouw Berndsen. Die wordt daarmee aangesproken en dat heet uitlokking. Zij krijgt dus de kans iets terug te zeggen.

Mevrouw Berndsen (D66): Ik begrijp heel goed dat mevrouw Hilkens daar erg aan hecht. Tegelijkertijd constateer ik dat de minister niet met open vizier daarnaar zal kijken. Wellicht vinden wij elkaar over een jaar aan dezelfde zijde en zullen we alsnog proberen om met een meerderheid in de Kamer de experimenten wel voor elkaar te krijgen.

De voorzitter: Het verslag van deze vergadering zullen we goed bewaren. Mevrouw Hilkens richt zich nu tot de minister.

Mevrouw Hilkens (PvdA): Ik zou de minister hartelijk willen danken voor de toezegging van de inventarisatie. Ik zie uit naar de uitkomsten. Voorts wens ik hem succes in zijn overleggen met de burgemeesters.

De heer Van der Steur (VVD): Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen en met name voor de toezegging dat onderzoek te doen. Ik vind het belangrijk dat we ons in de Kamer baseren op feiten en niet op geruchten, suggesties of interpretaties van citaten die onvolledig en onjuist zijn. Ik denk dat het belangrijk is dat wij weten wat de exacte stand van zaken in Europa en de VS is; wat er wel en wat er niet gebeurt, en dat we zin en onzin op die manier kunnen scheiden. Ik ben vervolgens ook verheugd dat wij een duidelijke lijn hebben waarlangs we dit beleid zullen voortzetten. Aan de ene kant de pijler van het tegengaan van het drugstoerisme, aan de andere kant daar lokaal maatwerk op toepassen, zodat je te verwachten problemen in de praktijk kunt voorkomen. Ik denk dat dit een verstandig en pragmatisch beleid is. Ik vertrouw erop dat ook de overige partijen dit in de komende jaren zullen inzien. Mij viel nog op dat we 45.000 handtekeningen hebben ontvangen van de verzamelde consumenten die gebruik van cannabis toejuichen. Geen van de partijen heeft daar tot op heden het woord over gevoerd. Ik wilde in ieder geval de organisatie die daarachter zit, bijzonder hartelijk danken voor hun inzet om van een zo grote groep van mensen te laten weten hoe zij daarover denken. Ik realiseer mij ook dat de VVD-fractie niet kan voldoen aan alle wensen die op tafel worden gelegd. Daar ben ik ook duidelijk en eerlijk over. Ik vind het wel erg belangrijk dat ook deze organisatie zich heeft ingezet voor het eerder door mij gemaakte punt, namelijk de kwaliteit van de ondernemers in de coffeeshopwereld. Als je in de toekomst van het coffeeshopconcept en het gedoogbeleid een succes wilt maken, dan hebben we verantwoorde ondernemers nodig die op een professionele en moderne manier omgaan met dat ingewikkelde onderwerp van de softdrugs. Ik steun daarom die organisatie van harte in het certificeren van coffeeshops. Vooral als zij het zelf doen; dat is geen taak van de overheid. Op deze manier kun je zien wat de goede en wat de slechte ondernemers zijn. Dat zou een mooie leidraad zijn voor de gemeente Amsterdam, om de slechte ondernemers uit hun bestand te verwijderen. Dank voor de gelegenheid om wederom kort het woord te mogen voeren.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Mijn dank gaat uit naar de minister voor zijn antwoorden. Ik moet toch wel mijn verbazing uitspreken over het beleid dat we nu voeren. Het vorige kabinet koos nog voor een afstandscriterium van 350 meter. Nu zegt de minister dat hij nog moet bezien of deze maatregel uitvoerbaar is. Dat bevreemdt mij. Het was immers dezelfde minister die in het vorige regeerakkoord juist die 350 meter had afgesproken. Dat kan niet allemaal weggeschoven worden in de richting van de PvdA. Zelfs met de PvdA hebben de ChristenUnie en het CDA in de kabinetsperiode vóór de vorige periode nog een afstandscriterium van 500 meter afgesproken. De minister zegt nu dat hij wel bereid is om dit signaal aan de gemeenten ... Zou de voorzitter ook willen luisteren?

De voorzitter: Ik overleg met de minister of hij straks tijd nodig heeft om zich voor te bereiden.

De heer Voordewind (ChristenUnie): U hield de minister van mijn betoog af. Het is handig als de minister daarnaar luistert.

De minister is wel bereid om de 350 meter als signaal bij de gemeenten aan te geven om dit criterium serieus mee te nemen bij hun beleid, zonder dat hij zegt om dat in te stellen, zoals hij dat wel de vorige kabinetsperiode deed. Dat vind ik zeer betreurenswaardig. Ik hoop dat de minister uiteindelijk tot een landelijke norm van 350 meter komt. Concluderend, vraag ik de minister toch naar een eenduidige norm te kijken. Juist ook om het shoppen van de gemeenten met betrekking tot het ingezetenencriterium te voorkomen. De ene gemeente die minder dan 100.000 inwoners heeft, handhaaft misschien niet, een andere weer wel. Amsterdam mag dit negeren. Daar mag drugstoerisme doorgaan, maar Bussum, Amersfoort of Hilversum mogen dit weer niet. Ik geef het de minister mee.

Is de minister bereid om te bekijken of de leeftijd van 18 naar 21 jaar opgetrokken kan worden, als we dan helemaal geen stevig beleid meer hebben van de VVD en de minister de volksgezondheid in ogenschouw neemt? Het gaat immers om scholieren van 18 jaar oud. Ik zou de minister willen aanbevelen om ook naar de leeftijd van 21 jaar te kijken in relatie tot coffeeshops.

Minister Opstelten: Dank aan de leden voor hun inbreng in tweede termijn. Ik begin met de vraag van mevrouw Berndsen. Het beleid is moeilijk voor de politie. Dat denk ik niet. Wij zijn het met elkaar eens dat het gezag ook bij de nationale politie lokaal ligt. Dat gezag ligt immers bij de burgemeester. Dit kan dus per definitie verschillend zijn. Daar is dit een voorbeeld van. Het is een bevestiging van wat wij met elkaar hebben afgesproken, dat het gezag lokaal wordt ingevuld. Wat betreft de straatoverlast heb ik in de evaluatie niet ontkend dat er sprake is van straatoverlast. Ik heb wel gezegd dat de situatie naar mijn mening, die ik gevormd heb naar de gegevens die mij van buitenaf zijn aangereikt, beheersbaar is. Nu zeggen ook de gemeenten, de politie en het OM dat zij het voor elkaar moeten en kunnen krijgen om de straatoverlast binnen het beleid te verminderen. Dat zal ook moeten gebeuren. Mevrouw Kooiman, het spijt mij als het woord brochure badinerend overkwam. Dat was niet mijn bedoeling, integendeel. Ik heb ook gezegd dat ik die inzet waardeer. Aan een onderzoek onder 200 mensen van de politie zal altijd serieus aandacht geschonken worden.

Het regeerakkoord geldt voor heel Nederland. Als er soms iemand had gehoopt dat het niet voor het zuiden zou gelden, dan is dat niet zo. Het zuiden hecht er echter aan dat de aanpak van drugstoeristen wordt voortgezet. Die geldt echter voor het gehele land.

Ik zal de Kamer een overzicht toesturen. Dat zal een jaaroverzicht worden. We zullen het monitoren en bijhouden. Over een jaar kunnen we een overzicht geven van de manier waarop een en ander is uitgevoerd. Dan zijn we immers weer wat verder en vallen we elkaar niet steeds lastig met allerlei discussies die nog niet tot beleid hebben geleid en met de uitvoering daarvan.

Mevrouw Kooiman (SP): Dank voor de toezegging. Het regeerakkoord geldt voor iedereen, dus ook voor de steden in zuid Nederland. Kunnen zij dezelfde afspraken met de minister maken als bijvoorbeeld Amsterdam?

Minister Opstelten: Zeker. Wat ik nu zeg, geldt voor iedereen en niet alleen voor Amsterdam.

Ik dank de heer Bontes voor zijn constructieve benadering. Ik zal er rekening mee houden, maar ik ben ook gewend dat de heer Bontes mij op de voet zal volgen. Wat betreft de prioriteiten gaat het om de resultaten, dat ben ik met hem eens. De resultaten van het wegwerken van de overlast en de georganiseerde criminaliteit moeten zichtbaar zijn. Daarop ben ik aanspreekbaar.

In de casus van mevrouw Van Tongeren herken ik de Utrechtse casus. Daar heb ik al eerder van gezegd dat het een bekend concept is, dat al vele malen in andere steden is beproefd en nog nooit is gerealiseerd. Wat mij betreft, wordt dat ook niet gerealiseerd. Ik neem aan dat Utrecht zich nu formeel tot mij zal wenden. Dan zullen we daarover spreken. Het is goed dat mevrouw Van Tongeren nogmaals vraagt wat mijn standpunt daarin is. Ik heb mijn argumenten in dit dossier altijd duidelijk aangegeven. Daar hoef ik niet mee aan te geven dat ik te overtuigen ben als er van alles gebeurt. Laten we nu vanuit mijn ingenomen standpunt, dat ook het kabinetsstandpunt is, en vanuit wat gemeenten aanbieden, kijken waar we uit kunnen komen. Dat is pragmatisch opereren.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Van der Staaij merk ik op dat de andere criteria, de gedoogcriteria, gewoon worden gehandhaafd. Overal waar gehandhaafd wordt, vindt ook prioritering plaats. Dat zal de heer van der Staaij met mij eens zijn. Hier is wel duidelijk dat er een opening is voor een fasering van de handhaving. Dat is ook een prioriteitsstelling. Dat is wel anders dan de formulering van de andere AHOJ-G-criteria, maar het is niet anders dan dat het is. Ik heb daarin voldoende informatie uitgewisseld, maar ik respecteer het standpunt van de heer Van der Staaij. Wie ben ik?

Mevrouw Hilkens wenst mij succes met de burgemeesters. Ik wens hen ook succes en mezelf sterkte, maar ik kom over een jaar bij u terug. Daar kijk ik naar uit.

De 350 meter, aangehaald door de heer Voordewind, leidt tot praktische problematiek, namelijk dat je coffeeshops zult moeten verwijderen of de wacht moet aanzeggen. Daar zal de heer Voordewind geen bezwaar tegen hebben. Daarom hebben we op dit onderwerp de pragmatische keuze gemaakt voor een soort afspraak op vrijwillige basis tussen het vorige vorige kabinet en de VNG. Die afspraak wordt nu gevolgd en levert goede cijfers op. Laten we daar nu eerst eens op voortborduren en niet die normen weer aantrekken. Dan krijg je irritatie en de gemeenten zullen zeggen dat zij het niet zullen doen. Dit zullen zij wel doen. Amsterdam is daar het voorbeeld van. Wat dat betreft krijgen we meteen boter bij de vis. De heer Voordewind heeft om één norm gevraagd, die landelijk gehandhaafd wordt. Daar hebben we voortdurend met elkaar over gesproken. Wat ik tegen de heer Van der Staaij zeg, zeg ik ook tegen de heer Voordewind. Ik respecteer zijn standpunt.

De leeftijd van 18 jaar wil ik bij 18 jaar houden. Daar zal ik niet aan sleutelen. Ik zal daar dus niet op ingaan.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Nog een kleine verduidelijking van de woorden van de minister. Zegt hij nu dat het beleid van het kabinet-Rutte I doorgezet wordt? De 350 meter is als richtlijn afgesproken met de VNG?

Minister Opstelten: Ik moet duidelijker zijn. Wij hadden in het vorige regeerakkoord 350 meter voor alle scholen afgesproken. Dat hebben we toen in de brief aangegeven. Dat zou per 1 januari 2014 geëffectueerd worden. Alle gemeenten zouden zo de tijd krijgen om daar rekening mee te houden. In het kabinet daarvoor, de heer Voordewind niet onbekend, te weten Balkenende IV, was afgesproken met de VNG om 250 meter als richtlijn te hanteren. Ik heb gevraagd wat de resultaten zijn en wie wat doet. Dat loopt goed. Daarom heb ik bij de afweging gezegd dat het ook een tandje lager kan om iets te bereiken. Dat is beter dan dat we iets wat we later willen, niet kunnen realiseren en dat grote problemen met zich mee zal brengen bij de uitvoering. Dat loopt «als een tierelier». Daar wil ik ook over rapporteren, opdat de Kamerleden een overzicht krijgen van de gemeenten die eraan meedoen. Erg veel gemeenten zijn ermee bezig.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Zou de minister dan een brief met een overzicht willen sturen naar de Kamer met betrekking tot de 250 meter? Dat zou zeer behulpzaam zijn.

Minister Opstelten: Ik zal dat ook aan het eind van het volgend jaar doen. Dan hebben we een totaaloverzicht en krijgen we bovendien een overzicht van de manier waarop de gemeenten omgaan met het beleid dat per 1 januari 2013 ingaat. Geef de gemeenten de kans om hun werk te doen.

Toezeggingen

De voorzitter: Ik heb de volgende, onderstaande toezeggingen genoteerd.

De Kamer ontvangt vóór januari 2014 een brief van de minister, waarin zijn opgenomen:

een inventarisatie van initiatieven en experimenten van gemeenten;

resultaten van onderzoek naar (kleinschalige wietteelt) in Europa en de VS;

de reactie op een artikel van Schilder en Brouwer in het Njb van december 2012;

een overzicht van lokaal maatwerk;

een overzicht van het afstandscriterium in gemeenten.

Ik dank de minister voor de gegeven antwoorden. Ik dank de aanwezigen, de ambtenaren en de Kamerleden. Eigenlijk dank ik iedereen en ik sluit de vergadering.

Sluiting 17.45 uur.