Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201421501-34 nr. 217

21 501-34 Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport

Nr. 217 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 november 2013

Hierbij zend ik u mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de geannoteerde agenda voor de Onderwijs-, Jeugd-, Cultuur- en Sportraad (OJCS-Raad) van 25 en 26 november aanstaande. In de bijlage bij deze brief worden de onderwerpen die betrekking hebben op de beleidsterreinen onderwijs en cultuur/media nader toegelicht en treft u per onderwerp de kabinetsinzet aan. Over de kabinetsinzet op de jeugd- en sportonderwerpen wordt u apart geïnformeerd door mijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Ik wijs u erop dat, zoals te doen gebruikelijk, over de definitieve standpuntbepaling van Nederland nog afstemming in de ministerraad zal plaatsvinden.

Daarnaast informeer ik u in deze brief over de stand van zaken van mijn toezeggingen met betrekking tot het Erasmus+ programma. In het Algemeen Overleg op 14 mei 2013 (Kamerstuk 21 501-34, nr. 208) over de OJCS-Raad op 16 en 17 mei 2013 heb ik toegezegd uw Kamer rond de zomer te informeren over de resultaten van de gesprekken om de administratieve lasten van het programma Erasmus+ te verlagen. Ik heb tevens toegezegd uw Kamer te informeren zodra bekend is wat de bekostiging zal zijn van de pilot voor de Erasmus Master Garantiefaciliteit, waarbij wordt gestreefd naar een beperking van het budget. Over beide onderwerpen kon ik uw Kamer niet eerder informeren, omdat de uitkomst van de besprekingen over de omvang en de verdeling van het budget voor het Erasmus+ programma nog niet definitief was. Ook nu is dat nog niet het geval.

De stand van zaken is dat de triloogbesprekingen tussen Raad, Europees Parlement (EP) en Commissie (eerste lezing) zijn afgerond met een compromis over de tekst van de Verordening voor het Erasmus+-programma, inclusief de procentuele verdeling van het budget. Het EP moet nog over de compromistekst stemmen. Op 5 november zal de CULT commissie, die deze zaak in het EP behandelt, over de tekst stemmen. De plenaire stemming is geagendeerd op 19 november. Daarna dient de Raad de tekst nog formeel te bekrachtigen. Naar verwachting van de Europese Commissie zal de verordening eind december worden gepubliceerd. Dit tijdpad is afhankelijk van het nog te bereiken akkoord met betrekking tot het Meerjarig Financieel Kader.

Wat betreft het aandeel van de administratieve uitgaven had de Commissie in haar oorspronkelijke voorstel 2,0% van het budget gereserveerd. Mede op initiatief van Nederland drong de Raad aan op een lager percentage. Uiteindelijk is een percentage van 1,9% overeengekomen. Voor de Erasmus Master Garantiefaciliteit had de Commissie 5 tot 6% voorgesteld. Uiteindelijk is overeenstemming over een percentage van 3,5% bereikt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Bijlage: Geannoteerde agenda OJCS-Raad 25 en 26 november 2013

Er is op dit moment nog geen definitieve agenda van deze OJCS-Raad beschikbaar. Naar verwachting zullen de volgende onderwerpen aan de orde komen voor wat betreft de beleidsterreinen van het Ministerie van OCW:

Onderwijs

  • Mondiale dimensie van hoger onderwijs (Aannemen van Raadsconclusies)

  • Raadsconclusies schoolleiderschap (Aannemen van Raadsconclusies)

  • Open leermiddelen en digitaal leren (Beleidsdebat)

Cultuur en Audiovisueel

  • Voorstel voor herschikking richtlijn betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (Algemene oriëntatie)

  • Groenboek Connected TV en richtlijn audiovisuele mediadiensten (Beleidsdebat)

  • Raadsconclusies mediavrijheid en -pluralisme (Aannemen van Raadsconclusies)

Mondiale dimensie van hoger onderwijs (Aannemen van Raadsconclusies)

De Raadsconclusies over de mondiale dimensie van hoger onderwijs zijn een vervolg op onder andere de Raadsconclusies van november 2011 over de modernisering van hoger onderwijs en een reactie op de mededeling van de Commissie over de internationalisering van hoger onderwijs van 11 juli 2013 (Kamerstuk 22 112, nr. 1693). In de eerdere Raadsconclusies werden lidstaten uitgenodigd om onder meer de mobiliteit te verbeteren, onder andere vanuit de gedachte dat internationale mobiliteit een positief effect heeft op kwaliteit.

De Raadsconclusies over de mondiale dimensie van hoger onderwijs gaan zowel in op mobiliteit van studenten en medewerkers als op het versterken van de internationale mogelijkheden voor studenten die niet mobiel zijn, bijvoorbeeld via online leren en het vergroten van taalvaardigheden. Lidstaten worden uitgenodigd om samen te werken met hoger onderwijsinstellingen om internationaliserings-strategieën te bevorderen die zijn gericht op mobiliteit, internationalisering van curricula en digitaal leren en op het realiseren van partnerschappen en capaciteitsopbouw, zowel binnen als buiten Europa. Ook moet deze samenwerking ertoe bijdragen dat er wederzijdse mobiliteit van studiepunten en graden wordt bevorderd en belemmeringen worden aangepakt voor de ontwikkeling en uitvoering van joint en double degree-programma’s. De toekomstige ondersteuning door de Commissie op basis van Erasmus+ en Horizon 2020 wordt verwelkomd, alsmede initiatieven tot meer transparantie van en vergelijkbaarheid tussen hoger onderwijsinstellingen (U-Multirank), het promoten van hoger onderwijsinstellingen op mondiaal niveau en de samenwerking tussen de EU en mondiale partners, mede op basis van onderwijsonderzoek en -statistieken.

Inzet Nederland

Nederland kan instemmen met de tekst van deze Raadsconclusies, en daarmee de mededeling verwelkomen, mede in het licht van de beoordeling van de mededeling (Kamerstuk 22 112, nr. 1693). Internationalisering van hoger onderwijs is nodig om de goede mondiale startpositie in een steeds internationaler wordende omgeving te behouden en te versterken en studenten beter voor te bereiden op een internationale arbeidsmarkt. Het is ook binnen het hoger onderwijs en onderzoek van belang om strategisch in te spelen op de opkomst van de BRIC-landen.

Nederland kan zich aansluiten bij het verwelkomen van de nieuwe mogelijkheden binnen de programma’s Erasmus+ en Horizon 2020 voor verdere verbetering van de internationalisering van hoger onderwijsinstellingen en voor samenwerking met Nederlandse instellingen.

De Raadsconclusies sluiten ook goed aan bij de kabinetsreactie op het SER-rapport «Make it in the Netherlands!» van 8 juli 2013 (Kamerstuk 22 452, nr. 34). Hierin wordt bevestigd dat werving en binding van talentvolle internationale studenten van groot belang is voor de Nederlandse kenniseconomie. Op initiatief van Nederland is een passage over de sociale integratie van studenten, onderzoekers en stafmedewerkers opgenomen in de Raadsconclusies.

Op initiatief van Nederland wordt in de conclusies tevens een relatie gelegd met de ontwikkeling van opener onderwijs, vanwege de grote belangstelling die Nederland heeft voor open en online onderwijs en de ontwikkeling naar bijvoorbeeld Open Educational Resources, Open Courseware en Massive Open Online Courses (MOOC’s).

Raadsconclusies Schoolleiderschap (Aannemen van Raadsconclusies)

In november 2009 heeft de OJCS-Raad conclusies aangenomen over de professionele ontwikkeling van leraren en schoolleiders. In deze Raadsconclusies werd erkend dat effectief schoolleiderschap een belangrijke factor is in de ontwikkeling van de leeromgeving, de bepaling van ambities en de ondersteuning van leerlingen, ouders en medewerkers en daarmee in het behalen van goede leerresultaten. Geconstateerd werd dat het daarom belangrijk is dat schoolleiders de capaciteiten hebben – of kunnen ontwikkelen – om hun toenemende taken goed uit te voeren. De mededeling over «een andere kijk op onderwijs» (Kamerstuk 22 112, nr. 1532) en de daarop volgende Raadsconclusies van februari 2013 riepen lidstaten op om te investeren in de kwaliteit van leraren en schoolleiders. De voorliggende Raadsconclusies over schoolleiderschap, die zijn geïnitieerd door het Litouws voorzitterschap, zijn een vervolg hierop.

In de Raadsconclusies over schoolleiderschap worden lidstaten uitgenodigd om ervoor zorg te dragen dat onderwijsinstellingen en schoolleiders hun verantwoordelijkheid voor pedagogische zaken en inzet van middelen waar kunnen maken. Een heldere rolverdeling, ontwikkeling van vaardigheden, goede informatievoorziening en kwaliteitsbewaking dragen hieraan bij. Door informatie te verzamelen over effectieve en succesvolle benaderingen van schoolleiderschap kan een optimale verhouding worden gezocht tussen flexibiliteit, autonomie en verantwoording. Lidstaten worden uitgenodigd om schoolleiderschap aantrekkelijker te maken, met name door een goede balans tussen pedagogische en administratieve taken en door ondersteuning van professionele ontwikkeling. Lidstaten worden ook uitgenodigd om, waar mogelijk, innovatieve benaderingen van schoolleiderschap te stimuleren, bijvoorbeeld door verantwoordelijkheden binnen het team te verdelen of door de inzet van ICT.

In de Raadsconclusies wordt aangegeven dat het Erasmus+-programma kan worden ingezet voor samenwerking en partnerschappen voor effectieve innovatie en voor professionele ontwikkeling van schoolleiders. Ook de uitwisseling van ervaringen en de ontwikkeling van innovatieve benaderingen van schoolleiderschap kunnen door het Erasmus+-programma worden ondersteund.

Inzet Nederland

Nederland kan instemmen met de tekst van deze Raadsconclusies, die aansluit bij de rol van de Unie om lidstaten aan te moedigen en de uitwisseling van informatie en ervaring omtrent gemeenschappelijke vraagstukken te bevorderen, en verwelkomt de aandacht voor goed schoolleiderschap. Toerusting, kwaliteit, aantrekkelijkheid, autonomie en verantwoordelijkheid zijn gedeelde uitgangspunten, ook voor ons beleid ten aanzien van schoolleiders. Voor Nederland betekent dit dat schoolleiders een verbetergerichte cultuur in hun schoolorganisatie(onderdeel) bevorderen en dat ze daarvoor toegerust zijn. Dit veronderstelt dat schoolleiders in staat zijn om financiën, HRM, organisatie en omgeving in te zetten voor pedagogische en didactische doelen. Uitwisseling van ervaringen en inzet van het Erasmus+-programma kunnen het nationale beleid goed ondersteunen.

Open leermiddelen en digitaal leren (Beleidsdebat)

De snelle ontwikkeling van digitalisering in het onderwijs, zoals tot uitdrukking komend in open leermiddelen (Open Educational Resources) en Massive Open Online Courses (MOOC’s), staat centraal in het beleidsdebat. Het gaat hierbij overigens om uiteenlopende ontwikkelingen. Bij Open Educational Resources gaat het om de ontwikkeling van digitale leermiddelen met een open licentie die gebruik, hergebruik en aanpassing van de leermiddelen toestaat. Bij MOOC’s gaat het om online cursussen die gratis zijn en toegankelijk voor iedereen met een internetverbinding. Maar er zijn ook andere vormen van open en online onderwijs, zoals bijvoorbeeld door de Open Universiteit al geruime tijd wordt aangeboden: afstandsonderwijs op HO-niveau voor iedereen, dus ook wie geen toelatingsrecht tot het reguliere hoger onderwijs heeft. Het voorzitterschap heeft voor dit debat een discussienotitie opgesteld, waarin wordt ingegaan op de kansen die deze nieuwe ontwikkelingen bieden voor het onderwijs en de vragen die deze ontwikkelingen oproepen voor nationaal en internationaal onderwijsbeleid, toegespitst op kwaliteitswaarborging en de erkenning van nieuwe vaardigheden en competenties. Ministers worden ook gevraagd om hun visie te geven over de rol van de EU op dit gebied.

Inzet Nederland

Dit debat volgt op de op 25 september 2013 gepubliceerde mededeling «Naar een opener onderwijs». Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op het BNC-fiche1, verwelkomt het kabinet deze mededeling over innovatief onderwijzen en leren voor iedereen met nieuwe technologie en open leermiddelen.

Nederland verwelkomt de aandacht voor modernisering van het onderwijs en de kansen die digitalisering en nieuwe technologie daarbij bieden. De op dit terrein in gang gezette acties zijn beschreven in het BNC-fiche. Met ICT kan meer maatwerk worden geleverd en dus beter worden aangesloten op de leerstijlen en behoeften van de lerenden.

De kwaliteitswaarborging is ook voor Nederland een aandachtspunt. Om bijvoorbeeld het gebruik van open leermaterialen te vergroten is het zichtbaar maken van de kwaliteit een kritieke succesfactor gebleken. Nederland steunt daarom de initiatieven van de Europese Commissie die gericht zijn op het ontwikkelen van een kwaliteitskader voor open leermaterialen. Nederland zal daarbij aandacht vragen voor de verschillen tussen open leermiddelen en MOOC’s en benadrukken dat verschillende onderwijssectoren om verschillende benaderingen zullen vragen. De recente Commissie-aanbeveling over de validering van non-formeel en informeel leren (Kamerstuk 22 112, nr. 1480) verwijst overigens reeds naar de erkenning van vaardigheden en competenties die zijn verworven via digitaal leren en via open leermiddelen.

Ook met betrekking tot de opkomst van de MOOC’s, vooral in het hoger onderwijs, is Nederland geïnteresseerd in het verkennen van de mogelijkheden om internationale afspraken te maken over certificering en accreditatie. De Commissie verwijst in de mededeling naar internationale voorbeelden, zoals de intentie van de American Council on Education om MOOC’s te accrediteren.

De in de mededeling geschetste ontwikkelingen hebben een grensoverschrijdend en zelfs mondiaal karakter, en Europa dreigt achter te gaan lopen op de VS en Azië. Nederland heeft in UNESCO-verband de ontwikkeling en belang van open leermiddelen onderschreven. Nederland zal uitspreken dat het belangrijk is om in Europees verband samen te werken in het verbeteren van de kennisbasis, in het doordenken van toekomstscenario’s en uitwisselen van beleidservaringen, en in het zo nodig aanpassen van juridische en beleidskaders om optimaal te kunnen profiteren van de positieve effecten en de negatieve te vermijden. Zo verwelkomt Nederland een Europese oplossing voor de heersende verschillen tussen digitale en gedrukte boeken met betrekking tot het btw-tarief. Innovatie in het onderwijs zou niet geremd mogen worden door een verschil in btw-tarief tussen een papieren leermiddel en een digitale variant.

De mededeling kan ook bijdragen aan een adequate nationale beleidsreactie op de ontwikkelingen die mogelijk grote gevolgen hebben voor het Nederlandse onderwijssysteem.

Ik zal uw Kamer nog dit jaar een brief sturen over mijn standpunt over de ontwikkeling richting open en online hoger onderwijs, waarbij de groeiende aandacht voor Open Educational Resources en MOOC’s aan bod komt.

Voorstel voor herschikking Richtlijn 93/7/EEG betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (algemene oriëntatie)

Fiche: Kamerstuk 22 112, nr. 1562

De herschikking van Richtlijn 93/7/EEG heeft als doel om het voor lidstaten gemakkelijker te maken cultuurgoederen terug te krijgen die onrechtmatig buiten hun grondgebied zijn gebracht en zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden. De herschikking beoogt vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie op dit gebied. De belangrijkste wijzigingen van Richtlijn 93/7/EEG betreffen:

  • i) De uitbreiding van het toepassingsgebied tot alle in de zin van artikel 36 van het Verdrag betreffende de werking van de EU als nationaal bezit aangemerkte cultuurgoederen; de huidige Bijlage bij de Richtlijn met drempels voor de ouderdom of de financiële waarde van cultuurgoederen verdwijnt.

  • ii) Het gebruik van het Informatiesysteem Interne Markt (IMI-systeem) voor de administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie tussen nationale overheden.

  • iii) Verlenging van de termijn om de autoriteiten van de verzoekende lidstaat in staat te stellen de aard van het in een andere lidstaat ontdekte cultuurgoed te verifiëren.

  • iv) Verlenging van de termijn voor de instelling van een vordering tot teruggave.

  • v) De verduidelijking dat de bezitter moet bewijzen dat hij bij de verwerving van het cultuurgoed de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, indien de bezitter meent dat hij ter goeder trouw heeft gehandeld en (daarom) financiële compensatie verlangt van de terugvragende lidstaat.

Inzet Nederland

Nederland staat positief tegenover het voorstel, evenals een grote meerderheid van de andere lidstaten. Voor Nederland heeft de herschikking van de Richtlijn geen grote consequenties, aangezien het aansluit bij de bestaande wetgeving, met name de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatig invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen (2009).

Het Voorzitterschap heeft de tekst op verschillende onderdelen aangepast naar aanleiding van de besprekingen in de voorbereidende werkgroep. Onder meer is een voorstel van Nederland overgenomen waardoor duidelijk is dat wetenschappelijke collecties (indien nationaal beschermd) onder de reikwijdte blijven vallen. Verder heeft de Europese Commissie mede op Nederlands verzoek toegezegd dat er een expertgroep blijft bestaan voor de uitwisseling van ervaringen met de richtlijn.

Wanneer dit voorstel wordt aangenomen, zal het als basis dienen voor de triloog met het Europees Parlement onder het Griekse voorzitterschap in de eerste helft van 2014.

Groenboek Connected TV en richtlijn audiovisuele mediadiensten (Beleidsdebat)

Het Litouwse Voorzitterschap agendeert een debat over het op 24 april 2013 uitgebrachte Groenboek over geconvergeerde audiovisuele wereld.2

Aangekondigd is dat het voorzitterschap twee sprekers zal uitnodigen om te spreken over de toekomst van het mediagebruik. Hierna zal een debat volgen waarbij het voorzitterschap de lidstaten vraagt om te reageren op de volgende vragen:

  • 1. Wat betekenen de veranderingen in de media- en de audiovisuele markt voor het Europese wetgevende kader voor audiovisuele diensten?

  • 2. Maken deze nieuwe diensten al een aanzienlijk deel uit van uw audiovisuele markt? En heeft het nut om verschillende regels te hebben voor lineaire en non lineaire diensten?

  • 3. Brengen de nieuwe ontwikkelingen in de markt gevaren met zich mee en vragen deze gevaren om specifieke regulering?

Inzet Nederland

Bij de inbreng in het debat zal de kabinetsreactie op het Groenboek leidend zijn. Deze reactie is op 8 juli 2013 naar de Kamer gezonden3 en eind augustus 2013 aan de Europese Commissie aangeboden.

Vanuit dit perspectief wordt in antwoord op de eerste vraag gewezen op het feit dat Nederland de veranderingen in de mediamarkten niet defensief tegemoet wil treden. Door convergentie tussen traditionele omroepdiensten en diensten die over het internet worden aangeboden, wijzigt het aanbod en het gebruik van audiovisuele mediadiensten en de verhoudingen tussen de verschillende marktspelers. Voor de mediasector ontstaan er hierdoor kansen. Om deze kansen te kunnen benutten, moeten omroepen en andere mediaspelers de ruimte krijgen om hierop in te kunnen spelen. Deze ruimte moet het wetgevende kader in elk geval bieden.

In antwoord op de tweede vraag zal Nederland wijzen op het feit dat de nieuwe diensten nu al een aanzienlijk deel uit maken van de Nederlandse markt, die volop in beweging is. Nederland erkent dat het onderscheid tussen lineair en non-lineair onhoudbaar begint te worden, maar wil daarmee zeker niet de conclusie trekken dat de regels moeten worden uitgebreid. Nederland ziet deze ontwikkeling juist als een kans om zorgvuldig na te denken over een samenhangend regelgevend kader en om de regels op lineaire diensten juist te verminderen. Gezien de ontwikkeling van het mediagebruik, zou Nederland liever alle aanbieders van audiovisuele inhoud gelijk behandelen. Vervolgens zouden we per onderwerp kunnen bepalen welke eisen we daaraan op EU-niveau stellen.

In antwoord op de derde vraag zal Nederland aangeven dat de bescherming van kwetsbare groepen een belangrijke prioriteit blijft van het Europese mediabeleid. Voor de bescherming van minderjarigen pleit Nederland voor een combinatie van educatie en zelfregulering.

Raadsconclusies mediavrijheid en -pluralisme (Aannemen van Raadsconclusies)

Het voorzitterschap heeft deze Raadsconclusies opgesteld in vervolg op de consultatie van de Europese Commissie over het rapport van de High Level Group on Media Freedom and Pluralism» en de informele discussie van mediaministers op 2 oktober in Vilnius.4

In de conclusies wordt gewezen op het belang van: mediavrijheid en -pluralisme, de transparantie van het media-eigendom en de bescherming van journalisten tegen oneigenlijke invloeden. Verder wordt gerefereerd aan het veranderende medialandschap als gevolg van de mogelijkheden die internet biedt. Gewezen wordt daarbij op de mogelijke gevaren van machtsconcentraties. Nadrukkelijk melden de Raadsconclusies dat de hoofdverantwoordelijkheid voor het behouden van mediavrijheid en -pluralisme ligt bij de lidstaten. Tevens wordt er gewezen op de rol van de Raad van Europa op dit terrein.

De Raadsconclusies nodigen lidstaten uit de onafhankelijkheid van het toezicht op de media te borgen, adequate maatregelen te nemen om de transparantie van mediaeigendom te garanderen en passende maatregelen te nemen ter bescherming van journalistieke bronnen.

Aan de Europese Commissie wordt gevraagd om binnen hun bevoegdheden steun te blijven verlenen aan projecten die de bescherming van journalisten ten goede komen. Verder wordt de Commissie verzocht door te gaan met de ondersteunen van de Monitor van het Mediapluralisme. Ook wordt de Commissie gevraagd om de samenwerking tussen toezichthouders in de lidstaten aan te moedigen. Zowel de Europese Commissie als de lidstaten worden tot slot uitgenodigd om binnen hun bevoegdheden de waarden van het EU-handvest voor de grondrechten te borgen, te bevorderen en toe te passen.

Inzet Nederland

Nederland heeft deze Raadsconclusies getoetst aan de eerder ingenomen positie naar aanleiding van de eerder gehouden consultatie over dit onderwerp.5 Op basis hiervan kan Nederland instemmen met de Raadsconclusies.


X Noot
1

Dit BNC-fiche wordt in de week van 4 november aan de Tweede Kamer verzonden, Kamerstuk 22 112, nr. 1731

X Noot
3

Kamerstuk 22 112, nr. 1659

X Noot
4

Het verslag van de Informele Raad is in de week van 28 oktober aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk 21 501-34, nr. 216).

X Noot
5

Kamerstuk 21 501-34, nr. 211.