Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-31 nr. 462

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 462 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 november 2017

Hierbij bied ik u aan, mede namens de Minister-President, de Kamerbrief over de Sociale Top op 17 november 2017. Tevens zullen u twee stukken toekomen ter vertrouwelijke inzage1.

De Minister van Buitenlandse Zaken, H. Zijlstra

SOCIALE TOP GÖTEBORG VAN 17 NOVEMBER 2017

Op 17 november 2017 organiseert de Europese Commissie samen met de Zweedse regering een informele «sociale top voor eerlijke banen en groei» in Göteborg. De Minister-President is voornemens hieraan deel te nemen. Bij deze sociale top zullen naast staatshoofden en regeringsleiders uit de verschillende lidstaten ook sociale partners en andere stakeholders worden uitgenodigd om met elkaar van gedachten te wisselen. Tijdens een besloten informele lunch zal de reeds lopende discussie over de toekomst van de Unie worden voortgezet, met bijzondere aandacht voor de rol van onderwijs en cultuur.

Sociale top Göteborg

De agenda van de sociale top bestaat uit een plenaire sessie en drie parallelle panel sessies: «access to the labour market», «fair employment and working conditions» en «in between jobs: supporting transition». Nederland zal deelnemen aan de panelsessie «access to the labour market». De pijler van sociale rechten, die onlangs is geaccordeerd in de Raad voor Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (WSBVC) van 23 oktober, zal tevens worden ondertekend door de voorzitters van de Europese instellingen2.

De sociale top zal geen geschreven conclusies voortbrengen. De Europese Commissie zal wel, samen met de Zweedse regering, een samenvatting van de discussies over de sociale dimensie maken en na afloop beschikbaar stellen. Deze samenvatting kan bijdragen aan de verdere discussie over de toekomst van de sociale dimensie van de EU.

Deze discussie is opgestart met het door de Commissie gepresenteerde witboek van 1 maart 2017 over de toekomst van de EU en het daaropvolgende reflectiepaper over de toekomst van de sociale dimensie van de EU3. Voor de Nederlandse regering staat vast dat het lidmaatschap van de EU ons land veel heeft gebracht. Uitdagingen blijven echter bestaan, ook op het terrein van sociale zaken en werkgelegenheid. Hoe kan de EU bijdragen aan groei en banen in een snel veranderende arbeidsmarkt? En hoe zorgen we ervoor dat iedereen de vruchten plukt van Europese integratie?

Op de informele Europese top in Bratislava september vorig jaar (Kamerstuk 21 501-20, nrs. 1143 en 1150) is gesproken over deze toekomstige rol van Europa. Nederland heeft hier benadrukt dat de lidstaten en de EU moeten werken aan een EU die beter beschermt, presteert en handelt met inachtneming van de eigen principes en regels. Vervolmaking van de interne markt biedt de beste kansen voor een welvarend Nederland, met behoud van onze tradities en verworvenheden op het gebied van sociale bescherming en welvaartsverdeling. Het is aan lidstaten hun sociale model te kiezen, met inachtneming van gezamenlijke beginselen zoals non-discriminatie. Tegelijkertijd dient Europese samenwerking ons te beschermen tegen de grootste uitwassen van mondialisering, zoals oneerlijke concurrentie, sterk verslechterende arbeidsomstandigheden of belastingontwijking. In dit kader is het respecteren van sociale standaarden als gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats essentieel. Ook andere oneerlijke gevolgen van toegenomen concurrentie binnen de interne markt moeten worden geïdentificeerd en aangepakt.

Lidstaten moeten eigenstandig de ruimte hebben om hun sociale stelsel in eigen land en naar eigen inzicht optimaal te regelen. Het primaat van de lidstaten op het gebied van de sociale politiek neemt niet weg dat ook vanuit Europa hierbij ondersteuning kan worden verleend, zoals door de inzet van middelen uit het Globaliseringsfonds. Tevens moeten groepen in de samenleving die structureel minder delen in groei, zoals jongeren, in staat worden gesteld ook de vruchten van deze groei te plukken. Ook hier ligt de primaire verantwoordelijkheid bij individuele lidstaten om de eigen arbeidsmarkten te moderniseren. Daarbij kan verkend worden hoe de Unie, naast lopende initiatieven zoals de jongerengarantie, het Europees investeringsplan en de Europese Investeringsbank, meerwaarde kan bieden.

Het akkoord over de herziening van de detacheringsrichtlijn is een voorbeeld van een recent bereikt resultaat. In dit akkoord is vastgelegd dat Europese werknemers die tijdelijk in een andere EU lidstaat aan het werk gaan, het cao-loon krijgen dat in het gastland geldt. Detachering wordt daarnaast beperkt tot maximaal twaalf maanden, met mogelijkheid tot verlenging met zes maanden. Door middel van dit akkoord wordt sociale dumping tegengegaan en wordt voorkomen dat er «tweederangs werknemers» zijn in de EU. Met deze afspraken wordt oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengegaan. Hiermee is een belangrijke eerste stap gezet om te komen tot «gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats» waar Nederland zich voor inzet.

Het oprichten van een pijler van sociale rechten is een voorbeeld van de ondersteuning die Europa kan bieden op het gebied van sociale politiek. Nederland verwelkomt het akkoord dat is bereikt over de pijler 4. De principes in deze pijler kunnen een bijdrage leveren aan goed functionerende, eerlijke en toekomstbestendige arbeidsmarkten en sociale zekerheidsstelsels. Bovendien kan de pijler een leidraad vormen voor effectief sociaal en arbeidsmarktbeleid en de uitwisseling van «best practices» tussen lidstaten op dit terrein bevorderen. Zo kan de pijler bijdragen aan noodzakelijke hervormingen in de lidstaten en een proces van opwaartse convergentie op sociaal terrein stimuleren. Hierbij moet rekening worden gehouden met verschillen tussen de lidstaten en het feit dat sociaal beleid in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf is.

Waar nog veel winst te behalen valt is de handhaving van bestaande afspraken. De EU kent een uitgebreid scala aan wetgeving, akkoorden en afspraken op het terrein van sociaal en werkgelegenheidsbeleid. Ook de laatste jaren zijn belangrijke stappen gezet op het gebied van regelgeving: de handhavingsrichtlijn, de herziening van de detacheringsrichtlijn en de aanscherping van de procedures rond de A1- verklaringen. De aandacht moet nu uitgaan naar het versterken van de toepassing van deze regels. Zonder handhaving blijven wetgeving, afspraken en akkoorden alleen bestaan op papier. Nederland pleit daarom voor meer inzet van en meer samenwerking tussen lidstaten om grensoverschrijdend te kunnen handhaven en zal dit tijdens de sociale top benadrukken. Veel illegale praktijken spelen zich juist af in grensoverschrijdende situaties. Voor een socialer Europa ligt volgens Nederland op dat gebied een belangrijke uitdaging en kans. Grensoverschrijdende samenwerking loopt nog te vaak op tegen praktische belemmeringen, zoals verschillen tussen privacyregimes, gegevensuitwisseling en onduidelijkheden over de competenties van de verschillende diensten. Die problemen vergen vooral een praktische aanpak. Het platform tegen zwartwerk dat inspecties en handhavingsinstanties van de verschillende lidstaten samenbrengt heeft de potentie om een belangrijke rol te spelen in deze praktische aanpak. Nederland is voorstander van verbeterde administratieve samenwerking tussen lidstaten via dit platform.

Betere regelgeving heeft alleen zin, als die regels in de praktijk ook worden geëffectueerd, en als er tijd en geld ter beschikking wordt gesteld om veel voorkomende vormen van misbruik systematisch te bestrijden. Dat is in het belang van alle Europese lidstaten. Een effectief handhavingsbeleid in Europa vergroot zowel het financiële als het maatschappelijk draagvlak voor onze sociale regels en voor een eerlijker interne markt en zorgt ervoor dat iedereen de vruchten kan plukken van Europese integratie.

Informele lunchdiscussie regeringsleiders

In navolging van de Digitale top in Tallinn (29 september 2017, Kamerstuk 21 501-20, nr. 1249) en de Europese Raad (19 oktober 2017, Kamerstuk 21 501-20, nrs. 1250 en 1260), zal de Sociale top worden gebruikt als moment om het gesprek over de toekomst van de Europese Unie voort te zetten, met aandacht voor de rol van onderwijs en cultuur.

Het kabinet steunt de Leaders» Agenda zoals die overeengekomen is tijdens de laatste ER, omdat deze bij kan dragen aan een EU die concrete resultaten boekt. Het kabinet zal dit tijdens de top in Gotenburg herhalen en aangeven dat er in de komende weken ook conform de principes van de Leaders Agenda voortgang geboekt moet worden.

Ter voorbereiding op deze informele discussie verspreidt ER-voorzitter Tusk een notitie om de discussie te structureren. Een eerste concept van deze notitie wordt als bijlage bij deze brief vertrouwelijk met de Eerste en Tweede Kamer gedeeld5. De definitieve versie van de notitie zal vlak voorafgaand aan de top beschikbaar komen en zal worden nagestuurd.

Nederland zal langs onderstaande lijnen reageren op deze discussienotitie.

Mogelijk zal de lunchdiscussie over de rol van onderwijs en cultuur worden vervat in conclusies voor de komende Europese Raad van december. In dat geval wordt uw Kamer hierover in de aanloop naar deze ER langs de gebruikelijke weg over geïnformeerd.

Onderwijs

Er bestaat internationale consensus dat er momenteel sprake is van fundamentele veranderingen in de maatschappij en meer specifiek op de arbeidsmarkt als gevolg van digitale, technologische ontwikkelingen en globalisering. Daarmee samenhangend bestaat ook het politieke besef om burgers zodanig op te leiden via het onderwijs, en ook op latere leeftijd om te scholen, anticiperend op het feit dat de aard van het werk sterk zal veranderen en sommige typen banen zelfs geheel zullen verdwijnen. Nederland acht het van belang dat alle relevante partijen hierop inspelen, te weten burgers, het onderwijs, de werkgevers en sociale partners. Het opdoen van vaardigheden die burgers en de beroepsbevolking toerusten om te functioneren in een sterk veranderende maatschappij én op een veranderende arbeidsmarkt (scholing, bijscholing, leven lang leren) is noodzakelijk voor een toekomstbestendig en concurrerend Europa. Nederland onderschrijft dat investeren op Europees niveau in de ontwikkeling van menselijk kapitaal en kennis een belangrijke bijdrage kan leveren aan innovatie en aan een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en daarmee ook aan concurrentievermogen en economische groei.

Nederland zal in de discussie inzetten voor de rol van onderwijs en kennis als bron van economische groei. De toename van internationalisering in het onderwijs, merkbaar door meer wereldwijde samenwerking en strijd om talent, benchmarking, en uitwisselingen biedt Europa én Nederland kansen. Een Europese aanpak op dit gebied is noodzakelijk gezien de genoemde mondiale aspecten, de internationalisering van het onderwijs, de relatie tussen hoger onderwijs en beroepsonderwijs en innovatie (ook in regionaal verband) en mobiliteitsvraagstukken waaronder de toegankelijkheid voor buitenlandse kennis(werkers) van buiten de EU. Deze aanpak dient echter de nationale bevoegdheden m.n. op onderwijsgebied volledig te respecteren.

Rekening houdend met subsidiariteit en autonomie van onderwijsinstellingen, ligt volgens het kabinet de Europese toegevoegde waarde concreet vooral in de bevordering van kwaliteit en van mobiliteit op onderwijsgebied, onder anderen met de inzet van het Erasmus+ programma en Horizon 2020 programma. Kwaliteit en mobiliteit leveren een bijdrage aan slimme groei en innovatie. Daarnaast draagt mobiliteit van studenten en staf ook bij aan persoonlijke ontwikkeling en internationaal burgerschap, tolerantie, opdoen van een kritische geest en open blik, overdragen van fundamentele waarden, verminderen van kansenongelijkheid, etc.

Daarnaast staat het kabinet ook positief tegenover het op EU-niveau uitwisselen van goede praktijken tussen Lidstaten, het stimuleren van nationale (onderwijs-)hervormingen en het monitoren van bereikte resultaten. Deze aspecten zijn momenteel al aan de orde in de Europa 2020 strategie en het Europees Semester, en meer specifiek in de doelstellingen op Europees niveau op gebied van onderwijs en training (zoals afgestudeerden hoger onderwijs en voortijdig schoolverlaten) en het strategisch kader Onderwijs en Training 2020 (ET2020).

Cultuur

Er is groeiende aandacht in Europa voor de relatie tussen cultuur en andere maatschappelijke domeinen, en voor de verbindende rol die cultuur kan spelen bij het bevorderen van sociale cohesie en het versterken van culturele diversiteit. Nederland steunt deze inzet via uitwisseling van goede praktijken tussen Lidstaten en via beleidsleren (Open Methode van Coördinatie werkgroepen). Nederland is daarbij van mening dat verbindingen tussen cultuurparticipatie, volkscultuur en historisch besef in de zin van (immaterieel) erfgoed een positieve invloed uitoefenen op een gevoel van gemeenschapszin en verbondenheid in Europa. Globalisering en digitalisering hebben het culturele speelveld vergroot en veranderd. De manier waarop we cultuur beleven, verspreiden en bekijken is sterk in beweging. Het werkterrein van een substantieel deel van onze kunstenaars, ontwerpers en culturele instellingen is internationaal geworden, en vormt de basis voor creatieve industrieën en innovaties.

Nederland zal zich inspannen om in Europees verband een bijdrage te leveren aan de maatschappelijke en economische betekenis van cultuur. Nederland ziet internationale samenwerking en kennisuitwisseling als een noodzakelijke voorwaarde en steunt om die reden het Creative Europe programma waarin kunstenaars en cultuurmakers in Europa in staat worden gesteld nieuwe producties te maken, nieuwe doelgroepen te bereiken en inspireren, én hun speelveld te vergroten. Door binnen Europa kennis te maken met elkaars culturele verworvenheden en identiteiten draagt Creative Europe bij aan het versterken van de culturele diversiteit in Europa.

Nieuwe beleidsvoorstellen op zowel onderwijs en cultuur zullen worden bezien vanuit het kader van subsidiariteit en binnen de bestaande verdeling van bevoegdheden. Er kunnen vanzelfsprekend geen nieuwe verplichtingen voortvloeien uit deze informele lunchdiscussie.


X Noot
1

Ter vertrouwelijke inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Geannoteerde agenda Raad WSBVC 23 oktober 2017 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 457)

X Noot
3

Geannoteerde agenda Raad WSBVC 15 juni 2017 (Kamerstuk 21 501–31, nr. 439)

X Noot
4

Verslag Raad WSBVC 15 juni 2017 (Kamerstuk 21 501–31, nr. 452)

X Noot
5

Ter vertrouwelijke inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer