Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201821501-31 nr. 457

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 457 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 oktober 2017

Op 23 oktober aanstaande vindt de Informele Raad WSBVC te Luxemburg plaats.

Bijgaand treft u de geannoteerde agenda voor deze Raad.

Conform de vastgestelde afspraken1 informeer ik uw Kamer middels de Geannoteerde Agenda tevens over de voortgang van de onderhandelingen inzake de herziening van de Detacheringsrichtlijn, de onderhandelingen over de herziening van de Coördinatie verordening Sociale Zekerheid en de onderhandelingen over het richtlijnvoorstel Evenwicht tussen Werk en Privéleven. Daarnaast informeer ik u middels deze Geannoteerde Agenda over de voortgang van het digitale meldingssysteem in het kader van de WagwEU.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

GEANNOTEERDE AGENDA RAAD WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID (WSBVC) 23 OKTOBER 2017

Voortgangsrapportage richtlijnvoorstel Evenwicht tussen Werk en Privéleven

Tijdens deze raad zal dit voorstel niet besproken worden. In september zijn in enkele Raadswerkgroepen alle artikelen van het richtlijnvoorstel behandeld. Namens het kabinet zijn het Nederlandse standpunt en tekstsuggesties ingebracht conform het BNC-fiche, de motie Wiersma c.s. en motie Van Weyenberg. De introductie van de wettelijke doorbetaling van ouderschapsverlof stuit op kritiek van meerdere lidstaten. Daarnaast is er kritiek op de uitbreiding van het niet-overdraagbaarheid van ouderschapsverlof van één naar vier maanden. Verschillende lidstaten zien dit als een beperking van de keuzevrijheid. Het voorstel van Nederland voor vervanging van de term vaderschapsverlof door partnerverlof en invulling hiervan die aansluit bij zowel mannelijke als vrouwelijk partners, kan op zowel steun als weerstand van andere lidstaten rekenen. Meerdere lidstaten hebben de Europese Commissie gevraagd om de duur van tien dagen vaderschapsverlof verder te onderbouwen.

Het voorzitterschap zal op basis van alle inbreng van de lidstaten een compromistekst van het voorstel opstellen welke in de komende maanden zal worden besproken.

Agendapunt: Herziening Detacheringsrichtlijn

Doel Raadsbehandeling/soort agendapunt/procesbeschrijving/verwijzing naar EU-extranetnummer

Algemene Oriëntatie, EU-extranetnummer document n.t.b, Interinstitutional file: 2016/0070 (COD)

Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen

De Raad zal streven naar een algemene oriëntatie inzake het voorstel tot wijziging van de Detacheringsrichtlijn.

Zoals ik uw Kamer in mei dit jaar gemeld2 heb, werd er gestreefd naar het behalen van een algemene oriëntatie onder het Maltese voorzitterschap tijdens de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 15 juni jl. Helaas is de Raad toen niet tot een akkoord gekomen, omdat er geen gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel bleek te zijn. De gekwalificeerde meerderheid bestond niet meer – onder andere – door de wens een paar lidstaten om de tekst van het voorstel verder aan te scherpen.

Sinds 1 juli jl. is Estland voorzitter van de Raad. Het Estse voorzitterschap heeft een aantal technische besprekingen aan het voorstel gewijd. Daarnaast heeft het voorzitterschap bepaald dat de politieke punten (de detacheringstermijn, transport, implementatietermijn en administratieve samenwerking tussen lidstaten) niet meer op technisch niveau besproken werden, maar dat deze pas op de vergadering van het Comité van de permanent vertegenwoordigers (Coreper) op 11 oktober besproken zullen worden. De geconsolideerde tekst van het onderhandelingsresultaat zal aan het Coreper op 11 oktober aanstaande worden voorgelegd. Deze tekst komt naar verwachting over 3 weken beschikbaar en is dan door uw Kamer in te zien via het «Delegates Portal» van de Raad.

Inhoud voorstel

De Europese Commissie heeft op 8 maart 2016 een gerichte herziening van de detacheringsrichtlijn voorgesteld. Het voorstel is er op gericht het vrij verkeer van diensten te bevorderen door onduidelijkheid over de toepasselijke arbeidsvoorwaarden weg te nemen, een gelijk speelveld te creëren en oneigenlijke verdringing van binnenlands arbeidsaanbod tegen te gaan. De Commissie vindt dat de oorspronkelijke detacheringsrichtlijn uit 1996 niet meer recht doet aan de huidige realiteit. Opeen competitieve interne markt moet volgens de Commissie voornamelijk geconcurreerd worden op basis vande kwaliteitvan dienstverlening, productiviteit en innovatie. Door concurrentie op loonkosten te beperken, wil de Commissie dit bevorderen.

Inzet Nederland

Nederland ziet arbeidsmobiliteit binnen Europa als een essentieel onderdeel van de Europese integratie en vindt het daarom van belang dat dit in goede banen wordt geleid. Daarnaast is Nederland voorstander van een diepere en eerlijker interne markt. Nederland heeft zijn welvaart voor een groot deel te danken aan de open economie die sterk internationaal georiënteerd is.

Nederland ondersteunt over het algemeen de initiatieven binnen Europa die tot doel hebben oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden te bestrijden en een gelijk speelveld voor bedrijven te bevorderen. Dit voorstel wordt als een gewenste aanvulling op het bestaande regelgevende kader beschouwd.

Nederland zet zich – in aanloop naar de vergadering van Coreper en de Raad – in om tot een algemene oriëntatie te komen.

Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement

Het EMPL comité van het Europees Parlement stemt op 16 oktober aanstaande over de amendementen op het rapport van de co-rapporteurs Agnes Jongerius (NL, S&D) en Elisabeth Morin-Chartier (FRA, EPP). Het stuk zou dan eind oktober als een hamerstuk op de agenda van de plenaire vergadering van het EP kunnen komen, tenzij 75 leden om bespreking verzoeken. Dan wordt het stuk geagendeerd en wordt er hoofdelijk gestemd.

Aanvullende informatie conform informatie afspraken

Conform de informatieafspraken die met uw Kamer gemaakt heb, ga ik in op specifieke punten van het voorstel. Op het punt van beloning bewerkstelligt de geconsolideerde tekst dat de gedetacheerde werknemer aanspraak kan maken op een uitgebreide harde kern van arbeidsvoorwaarden. Daar waar in Richtlijn 96/71/EC gesproken wordt van «minimum rates of pay», wordt er in de geconsolideerde tekst nu gesproken van «remuneration». Met deze tekst wordt verduidelijkt dat alle looncomponenten onder «remuneration» moeten worden verstaan en onder de harde kern van arbeidsvoorwaarden vallen. Men kan dan denken aan geldende periodeloon in de schaal, toeslagen voor overwerk, periodieken, eindejaarsuitkeringen etc. Hiermee wordt de interpretatie van de richtlijn 96/71/EC zoals door het Hof gevolgd in het arrest in de Finse vakbondszaak3 door de Uniewetgever expliciet vastgelegd en verhelderd.

Uitzendkrachten moeten gelijk behandeld worden als werknemers van de inlener. In deze passage wordt referentie gemaakt aan Artikel 5 van de Uitzendrichtlijn 2008/104/EC en het garanderen van de arbeidsvoorwaarden die hier gesteld worden. Onder de Richtlijn 96/71/EC kunnen lidstaten er voor kiezen uitzendkrachten hetzelfde te behandelen als werknemers van de inlener. Nederland heeft dit artikel niet geïmplementeerd. Het kabinet vindt het positief dat de arbeidsvoorwaarden voor gedetacheerde uitzendkrachten in het voorstel gelijk getrokken worden met de arbeidsvoorwaarden van de werknemers van inleners zoals geformuleerd in Artikel 5 van de Uitzendrichtlijn 2008/104/EC.

In het originele Commissievoorstel was een kan-bepaling voor onderaannemingen opgenomen. Deze bepaling gaf lidstaten de mogelijkheid om te bepalen dat onderaannemers dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten toekennen aan hun werknemers als de hoofdaannemer toekent aan zijn werknemers. Deze bepaling is geschrapt in de geconsolideerde tekst. De schrapping van deze passage vindt Nederland acceptabel in het kader van het vinden van een compromis temeer daar de onderaannemer in Nederland meestal al net als de hoofdaannemer onder de algemeen verbindend verklaarde cao vallen.

De uitgebreide harde kern wordt verplicht van toepassing op alle economische sectoren. Onder de huidige richtlijn geldt deze verplichting alleen voor de bouw sector (met mogelijkheid tot uitbreiden naar andere economische sectoren). In Nederland was deze mogelijkheid reeds gebruikt, maar de winst zit in het gelijk speelveld wat zal ontstaan in de EU.

In zowel het originele Commissievoorstel als de geconsolideerde versie van de tekst komt de tijdelijkheid van detachering tot uitdrukking. Op dit moment is nog niet duidelijk wat de precieze maximum termijn gaat worden. De termijn van 24 maanden staat geagendeerd voor een politieke discussie. In het compromisvoorstel wordt na 24 maanden een uitgebreidere harde kern van kracht met o.a. ontslagrecht uitgezonderd. Onder deze uitgebreide harde kern zouden – naast alle looncomponenten die onder «remuneration» vallen – bijvoorbeeld ook premies voor O&O-fondsen en verlofregelingen kunnen gaan vallen. Er is dus sprake van een aanzienlijke verbetering van de arbeidsvoorwaarden van gedetacheerde werknemers bij lange termijndetachering.

Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU)

In de nota aan aanleiding van het verslag van de WagwEU heb ik aangegeven dat het streven is het digitale meldingsysteem op 1 januari 2018 gereed te hebben (Kamerstuk 34 408, nr. 6). Hierbij wil ik u informeren dat het niet haalbaar is gebleken het meldingsysteem op 1 januari 2018 gereed te hebben. De SVB gaat de meldingsplicht uitvoeren. Het afgelopen jaar is de invoering van de meldingsplicht voorbereid in samenwerking met de SVB, Inspectie SZW en Belastingdienst. Op dit moment wordt het offertetraject voor de bouw van het systeem gestart. Het streven is nu het digitale meldingsysteem per 1 januari 2019 gereed te hebben. Op het moment dat de bouw is aanbesteed zal concreter duidelijk zijn of dit streven haalbaar is. Ik zal u hier aankomend voorjaar over informeren.

Agendapunt: Wijziging coördinatieverordening sociale zekerheidsstelsels

Doel Raadsbehandeling/soort agendapunt/procesbeschrijving/verwijzing naar EU-extranetnummer

Gedeeltelijke Algemene oriëntatie op de hoofdstukken Gelijke behandeling en Toepasselijke wetgeving, 2016/0397 (COD).

Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen

De Raad zal streven naar een gedeeltelijke algemene oriëntatie inzake het voorstel tot wijziging van de «Coördinatieverordening sociale zekerheid nr. 883/2004» met betrekking tot twee deelterreinen. Het eerste deelterrein gaat over gelijke behandeling en in hoeverre een lidstaat de sociale zekerheid voor niet actieve migrerende EU-burgers mag inperken. Het tweede deelterrein betreft de toepasselijke wetgeving en de samenwerking omtrent en de procedure voor A1 verklaringen. Het Estse voorzitterschap wil komen tot een afronding van deze twee deelterreinen.

Inhoud voorstel

Verordening (EG) nr. 883/2004 coördineert de sociale zekerheidsstelsels van de lidstaten. Op grond van deze Verordening is nooit meer dan één sociaal zekerheidsstelsel van een lidstaat van toepassing op personen die van hun recht op vrij verkeer gebruik maken. Zo is duidelijk in welk land zij verzekerd zijn voor de sociale zekerheid en onder welke voorwaarden zij een uitkering kunnen aanvragen of aanspraak hebben op zorg.

Het voorstel tot wijziging van Verordening 883/2004 is op 13 december 2016 door de Commissie gepubliceerd en is onderdeel van het Labour Mobility Package4 van de Europese Commissie. Het voorstel heeft tot doel verder te gaan met het proces van de modernisering van de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels door het vrij verkeer van personen verder te faciliteren en tegelijkertijd te zorgen voor duidelijkheid, een eerlijke en rechtvaardige verdeling van financiële lasten tussen de EU lidstaten en administratieve vereenvoudiging en handhaving van de regels. Concreet betreft het wijzigingen ter verduidelijking van omstandigheden waarin lidstaten de toegang van economisch niet-actieve migrerende EU-burgers tot sociale uitkeringen kunnen beperken, wijzigingen op het terrein van langdurige zorg, werkloosheidsuitkeringen, gezinsbijslagen, toepasselijke wetgeving/detachering/A1-verklaringen en enkele technische amendementen.

Inzet Nederland op de hoofdstukken Gelijke behandeling en Toepasselijke wetgeving

Nederland zal aangeven dat voor Nederland de verbeteringen in het hoofdstuk over detachering het belangrijkste zijn. De bepalingen over de toepasselijke wetgeving in de verordening moeten aangescherpt worden. Dit geldt ook voor de procedures rondom de afgifte van A1-verklaringen. Op een aantal punten zijn er door het huidige Estse voorzitterschap positieve stappen gezet, die door Nederland gesteund worden. Dit betreft ten aanzien van detachering de opname van het vereiste van een termijn van voorafgaande verzekering in het zendende land. Er is bij dit onderwerp discussie over het precieze aantal maanden van de voorafgaande verzekering. Ook stelt het voorzitterschap voor het vervangingsverbod bij detachering aan te scherpen door in de verordening een onderbrekingsperiode van een aantal maanden op te nemen. Pas nadat die onderbrekingsperiode is verlopen kan een nieuwe detacheringstermijn starten. Er is bij dit onderwerp discussie over het precieze aantal maanden van de onderbreking. De inzet van Nederland is gericht op een periode van drie maanden voor beide termijnen. Ook in de procedure met betrekking tot de A1-verklaringen zijn verbeteringen aangebracht. Wat betreft gelijke behandeling kan Nederland er zich erin vinden als er wordt afgezien van codificatie van de uitspraken van het Hof van Justitie over het beperken van de toegang van economisch niet-actieve burgers tot de sociale zekerheid. Hiermee kan de huidige praktijk in Nederland worden voortgezet.

Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement

De standpunten van de lidstaten over de bovengenoemde twee terreinen, beperking sociale zekerheid en samenwerking omtrent A1 verklaringen, lopen uiteen. Zo is er een uitgebreide discussie geweest over de wijze van codificatie in het voorstel van een aantal Hof-uitspraken over de toegang tot sociale zekerheid van niet-actieve migrerende EU-burgers. Hierover kon geen overeenstemming worden bereikt. De meerderheid van de lidstaten kan zich er echter in vinden als er wordt afgezien van codificatie. Verder zien sommige lidstaten problemen bij de aanscherping van de bepalingen over de toepasselijke wetgeving en de procedure met betrekking tot A1-verklaringen.

Verder is er geringe steun bij de Europese lidstaten voor de introductie van een woonlandfactor voor de gezinsbijslagen. De Zuid- en Oost-Europese landen vinden het discriminerend. Ook ontbreekt deze steun bij de Europese Commissie, die het initiatiefrecht heeft.

Het Europees Parlement heeft nog geen standpunt. Wel heeft het Europees Parlement in 2013 in zijn resolutie «social protection for all» de Commissie opgeroepen om de Verordeningen betreffende de coördinatie van sociale zekerheid te herzien. Het EP vindt dat de sociale zekerheidsaanspraken van migrerende EU-burgers moeten worden beschermd wanneer zij gebruik maken van het vrij verkeer. Als rapporteur is aangewezen Guillaume Balas van de fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten.

Aanvullende informatie conform de informatieafspraken

Voortgang op de terreinen langdurige zorg en kindregelingen

In de Raadswerkgroep Sociale Vraagstukken is meermaals gesproken over twee nieuwe terreinen, namelijk langdurige zorg en gezinsbijslagen. Onderwerpen van gesprek bij het thema langdurige zorg waren onder meer het vraagstuk welke prestaties onder de materiële werkingssfeer van de verordening vallen, de definitie van langdurige zorg en de vraag of de lijst met prestaties van de lidstaten die voldoen aan de Europeesrechtelijke definitie van langdurige zorg deel moet uitmaken van de Verordening zelf of kan worden vastgesteld door de «Administratieve Commissie», waarin experts van de lidstaten en Europese Commissie zitting hebben. Bij het thema gezinsbijslagen ging de discussie over hoe een helder onderscheid te maken tussen ouderschapsuitkeringen, die persoonsgebonden zijn, en de overige gezinsbijslagen. Verder is er door een beperkt aantal lidstaten gepleit voor de introductie van een woonlandfactor voor de gezinsbijslagen. Er is geringe steun voor dit voorstel. Het Estse voorzitterschap is voornemens de deelterreinen langdurige zorg en gezinsbijslagen tijdens haar termijn af te ronden.

Raming opbrengsten invoering woonlandbeginsel

De Tweede Kamer heeft verzocht om een raming van de opbrengsten voor het geval een woonlandfactor in de kindregelingen (gezinsbijslagen) zou worden geïntroduceerd binnen de EU. Dit betreft naast de kinderbijslag (AKW) ook het kindgebonden budget (WKB) en de kinderopvangtoeslag.

Als iemand recht heeft op gezinsbijslagen in een bepaalde EU-lidstaat, moet deze gezinsbijslag ook worden uitbetaald voor gezinsleden (kinderen) die in een andere EU-lidstaat wonen. Omdat gezinsbijslagen betaald worden voor derde personen, is het goed mogelijk dat voor één en hetzelfde kind zowel de vader als de moeder recht heeft op gezinsbijslagen. Om dubbele toekenning te voorkomen zijn er prioriteitsregels die bepalen welke lidstaat prioritair bevoegd is en welke lidstaat slechts hoeft aan te vullen wanneer er in deze lidstaat een hogere aanspraak is.

Wanneer de rechthebbende ouder en het kind niet in dezelfde lidstaat wonen spreken wij van export. Bij de export van gezinsbijslagen kan het zo zijn dat de hoogte van de uitkering niet in overeenstemming is met het kostenniveau in het woonland van het kind. Dit kan worden voorkomen door de gezinsbijslag aan te passen aan het prijspeil in het woonland van het kind. Dit wordt ook wel het toepassen van een woonlandfactor of indexatie genoemd.

Op dit moment bedraagt de jaarlijkse export van gezinsbeslagen circa € 57 miljoen. Het toepassen van een woonlandfactor voor EU-landen met een lagere levenstandaard dan in Nederland levert structureel circa € 10 miljoen per jaar op. De opbrengst wordt grotendeels veroorzaakt door het toepassen van een woonlandfactor voor Polen. Er wordt op dit moment voor circa € 23 miljoen aan AKW en WKB naar Polen geëxporteerd. De kinderopvangtoeslag wordt nauwelijks geëxporteerd.

De invoering van een woonlandfactor leidt tot beperkte incidentele kosten. Deze zullen naar verwachting eenmalig maximaal 1 tot 2 mln. euro bedragen.

Binnen de EU zijn er ook landen waarin het prijspeil hoger ligt dan in Nederland. Bij de berekening is ervan uitgegaan dat in dat geval de woonlandfactor 100% bedraagt en dus niet opgehoogd wordt. Ook wanneer Verordening (EG)nr.883/2004 de mogelijkheid biedt voor indexatie, kan de rechter de relevante nationale wetgeving nog steeds toetsen aan het primair EU-recht, meer specifiek de gelijke behandelingsbepaling in artikel 45 VWEU. Het hanteren van een woonlandfactor van slechts 100%, wanneer het woonland van het kind een hoger prijsniveau heeft dan Nederland, zou kunnen meewegen in het oordeel dat deze regelgeving in strijd is met de gelijke behandeling.

Agendapunt: Voorstel voor een interinstitutionele afkondiging over de Europese pijler van sociale rechten

Doel Raadsbehandeling/soort agendapunt/procesbeschrijving/verwijzing naar EU-extranetnummer

Akkoord op tekst en ondertekening door VZS namens Raad, EU-extranetnummer document n.t.b, Interinstitutional file: COM(2017)0250

Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen

Op 26 april jl. heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een Europese pijler van Sociale rechten. De pijler bestaat uit twintig fundamentele principes en rechten, die bij moeten dragen aan goed functionerende, eerlijke en toekomstbestendige arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels. Aangezien een groot deel van de principes betrekking heeft op terreinen die in de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen, is het voorstel voor de pijler gepresenteerd in twee juridisch niet-bindende vormen: een Commissieaanbeveling en een inhoudelijk identiek voorstel voor een inter-institutionele afkondiging door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De tekst van de interinstitutionele afkondiging ligt op deze Raad ter goedkeuring voor.

Inzet Nederland

Nederland kan instemmen met aanname van de tekst van interinstitutionele afkondiging in ondertekening van de afkondiging door het Estse voorzitterschap namens de Raad.

Nederland ondersteunt het borgen van gelijke kansen en toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt, rechtvaardige arbeidsomstandigheden en activerende en financieel houdbare sociale zekerheidsstelsels. Die zijn essentieel voor het creëren inclusieve groei in Europa. Nederland staat in beginsel positief tegenover het voorstel voor een Europese pijler van sociale rechten. De pijler kan een leidraad vormen voor effectief sociaal en arbeidsmarktbeleid en de uitwisseling van «best practices» tussen lidstaten bevorderen. Ten algemene kan NL instemmen met de beleidsterreinen waarop de pijler betrekking heeft en de geformuleerde rechten en principes op elk van deze terreinen. Hierbij acht Nederland het van belang dat wordt benadrukt dat de sociale pijler moet open blijven staan voor niet-eurozone lidstaten en dat sociale partners goed worden betrokken bij de verdere uitwerking van de pijler. Ook vindt Nederland dat rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen lidstaten en het feit dat sociaal en gezondheidsbeleid in de eerste plaats nationaal beleid is. De pijler moet voldoende ruimte bieden voor afstemming op de nationale of lokale situatie en geen verschuiving inhouden van competenties naar EU niveau.

Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement

Ten algemene zijn lidstaten positief over de afkondiging en zal deze naar verwachting met consensus door de Raad kunnen worden ondersteund. Het Europees Parlement heeft aangegeven het Commissievoorstel te ondersteunen.

Agendapunt: Europees Semester

Doel Raadsbehandeling/soort agendapunt/procesbeschrijving/verwijzing naar EU-extranetnummer

Akkoord met aanname van rapporten, EU-extranetnummer document n.t.b, Interinstitutional file: n.t.b.

Inhoud/achtergrond/tijdpad onderhandelingen

De Europese Commissie heeft enkele jaarlijks terugkerende rapporten opgesteld welke ter aanname door de Raad voorliggen.

Rapport over de belangrijkste uitdagingen voor de arbeidsmarkten («Key Employment Challenges», Employment Performance Monitor, EPM)

De EPM biedt een jaarlijks terugkerend overzicht van de situatie op de arbeidsmarkten in de lidstaten. Vanuit de EPM valt af te lezen dat voor Nederland de EU2020 werkgelegenheidsdoelstelling van 80% arbeidsparticipatie nog niet bereikt is (77,1% in 2016), maar wel haalbaar kan zijn. Daarnaast worden als positieve punten genoemd: de hoge werkgelegenheid onder jongeren; het lage aantal NEETs (jongeren zonder baan of opleiding); de lange duur van het werkzame leven; het lage risico op armoede onder werklozen; de relatief hoge netto vervangingsratio na 12 maanden werkloosheid en de hoge participatiegraad voor vrouwen.

Als uitdagingen (key employment challenges) in Nederland komen naar voren: de lage arbeidsparticipatie van derdelanders (niet-EU); het lage aantal gewerkte uren (vooral voor vrouwen); de toenemende segmentatie op de arbeidsmarkt, met een hoog aandeel tijdelijk werk (in toenemende mate onvrijwillig), weinig mobiliteit van flexwerk naar vaste baan en een sterke toename in het aantal zzp’ers; een hoge werkloosheidsval en marginale druk voor werknemers met een laag inkomen en een lichte toename van het aandeel langdurig werklozen als deel van de totale werkloosheid in combinatie met afnemende uitgaven en diensten t.b.v. de re-integratie.

Rapport over de belangrijkste sociale uitdagingen («Key Social Challenges», Social Protection Performance Monitor, SPPM)

Het stuk betreft een jaarlijks terugkerend rapport over de sociale situatie in Europa en de recent door de lidstaten doorgevoerde hervormingen op dit terrein. Het rapport geeft een analyse van de sociale ontwikkelingen, identificeert gemeenschappelijke trends en de belangrijkste uitdagingen.

In het rapport worden verschillende positieve sociale trends genoemd voor de EU als geheel. Zo zijn de huishoudelijk beschikbare inkomens gestegen, is er een vermindering van langdurige werkloosheid en is de arbeidsmarktparticipatie van ouderen verbeterd. Een aantal belangrijke uitdagingen blijft echter bestaan. Het rapport benadrukt in dit kader de voortdurende verslechtering van armoede in een aantal lidstaten en de groeiende ongelijkheid zowel tussen als in lidstaten.

Op het terrein van hervormingen benadrukt het rapport dat er veel gebeurd is de afgelopen jaren, maar dat er nog belangrijk onbenut potentieel bestaat in de lidstaten. Kernterreinen geïdentificeerd zijn het bevorderen van sociale inclusie, het aanpassen van sociale zekerheidssystemen aan de verschillende behoeften van zelfstandigen en atypische werknemers, het tegengaan van armoede in kwetsbare groepen zoals kinderen, het aanpassen van het beleid op het terrein van Werk-Privé balans om de ondervertegenwoordiging van vrouwen op de arbeidsmarkt tegen te gaan, het borgen van universele toegang tot zorgdiensten van hoge kwaliteit en duurzame pensioenstelsels.

Inzet Nederland

Nederland kan instemmen met aanname van de rapporten.

Indicatie krachtenveld Raad en Europees Parlement

Naar verwachting kunnen de rapporten op steun van alle lidstaten rekenen. Het Europees Parlement heeft geen rol in voorliggende rapporten.


X Noot
1

Kamerstuk 34 439, nr. 3, Kamerstuk 34 655, nr. 2 en de brief van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 mei 2017.

X Noot
2

Kamerstuk 34 439, nr. 5

X Noot
3

HvJEU van 12 februari 2015, zaak C-396/13

X Noot
4

Dit pakket omvat onder andere een mededeling over arbeidsmobiliteit, de eerder gepubliceerde gerichte herziening van de richtlijn terbeschikkingstelling werknemers, en de onderhavige herziening van verordeningen inzake coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.