Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201819637 nr. 2391

19 637 Vreemdelingenbeleid

33 042 Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)

Nr. 2391 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2018

De afgelopen periode was er op meerdere plaatsen sprake van incidenten en overlast op en rondom COA-locaties, waarbij vreemdelingen met een niet-kansrijke asielaanvraag zijn oververtegenwoordigd. Dit speelde onder meer in de gemeenten Westerwolde, Weert en Oisterwijk. We staan in nauw contact met de burgemeesters om er gezamenlijk voor te zorgen dat de overlast wordt aangepakt.

Tijdens het AO JBZ op 31 mei jl. stelde het lid Fritsma vragen over de overlast door asielzoekers. Met deze brief kom ik hier ook aan tegemoet.

Overlastgevend gedrag is volstrekt ontoelaatbaar en vraagt om een harde aanpak. Het kan immers niet zo zijn dat omwonenden van een AZC en medewerkers die werkzaam zijn op een COA-locatie zich onveilig voelen. Hetzelfde geldt voor de overige bewoners van een COA-locatie. Vanzelfsprekend houden we scherp in de gaten wanneer overlastgevend gedrag over gaat in crimineel gedrag. In die gevallen zal – net zoals voor iedereen in ons land – de aanpak primair via het strafrecht verlopen. Hiertoe bestaan er korte lijnen tussen de migratie- en strafrechtketen.

Naar aanleiding van incidenten tijdens de hoge asielinstroom zijn er verschillende maatregelen genomen om overlastgevers aan te pakken. Uw Kamer is hierover diverse malen geïnformeerd.1 Het gaat onder meer om de invoering van snellere procedures voor evident kansarme asielaanvragen, de opening van twee extra begeleiding- en toezichtlocaties (ebtl’s), het eerder in vreemdelingenbewaring stellen van overlastgevers. Ook heeft het COA het maatregelenbeleid aangescherpt waardoor er nadrukkelijker aandacht is voor het verbod op onaanvaardbaar gedrag, de sancties die hierop staan (zoals het inhouden van leefgelden of het beperken van opvang) en het doen van aangifte in geval van incidenten. Daarnaast is ingezet op de intensivering van lokaal casusoverleg tussen de migratieketen, politie, het openbaar ministerie en gemeenten. Hierin worden individuele overlastgevers en groepen besproken en kunnen gericht maatregelen worden genomen, zoals het uit elkaar halen van groepen, het opleggen van gebiedsgeboden en een dagelijkse meldplicht.

Enerzijds zijn deze maatregelen erop gericht om evident kansarme asielaanvragen – van bijvoorbeeld asielzoekers uit veilige landen of Dublinclaimanten – versneld af te doen en daarna in te zetten op (gedwongen) terugkeer naar het land van herkomst of overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Het zijn met name personen uit deze groepen die zich misdragen, en het is dan ook noodzakelijk om hen zo snel mogelijk uit ons asiel- en opvangstelsel te halen.

Anderzijds beogen de maatregelen om overlastgevers lik op stuk te geven. Hiertoe is een intensieve, casusgerichte samenwerking tussen de strafrechtketen, de migratieketen en het lokaal bestuur essentieel. Dit om al het instrumentarium dat strafrechtelijk, vreemdelingrechtelijk en bestuursrechtelijk voorhanden is ook zo effectief mogelijk in te kunnen zetten.

Daar waar het aantal incidenten en de overlast afnam na de hoge asielinstroom, is er in de afgelopen periode sprake van een toename van lokale signalen over overlast. Dit onderstreept voor mij het belang van het onverkort voortzetten van de reeds ingezette maatregelen. Maar het vraagt ook om een kritische blik of de maatregelen in de uitvoering nog effectiever kunnen worden ingezet en of verdere aanscherping noodzakelijk is. Relevant in dit kader is dat we in gesprek zijn met alle bij deze problematiek betrokken ketenpartners, zoals politie, OM, IND, COA, DT&V, stichting Nidos en DJI, om in een zo vroeg mogelijk stadium zo goed mogelijk zicht te krijgen op de groep overlastgevers. Daarbij is het van belang om te kijken naar de samenstelling van de huidige asielinstroom en ook de achtergrond van de vreemdelingen die verantwoordelijk zijn voor de overlast.

Het aandeel asielzoekers met een niet-kansrijke asielaanvraag (behandeld in de sporen voor personen afkomstig uit een veilig land van herkomst of met een Dublinindicatie) maakt een substantieel deel uit van onze asielinstroom, namelijk circa 50%. Zoals hierboven aangegeven wijst de praktijk uit dat overlastgevers vaak uit deze groepen komen.

Momenteel worden asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit veilige landen in veel gevallen binnen twee weken afgedaan waarna terugkeer aan de orde is. Een deel van deze zogenoemde veilige landers heeft echter ook een Dublinindicatie. Op dit moment duurt de afdoening van asielaanvragen met een Dublinclaim langer dan gewenst. Om de afdoening hiervan aan Nederlandse zijde te versnellen ben ik voornemens de capaciteit bij de IND te verhogen, en deze met voorrang in te zetten op de groep overlastgevers. Een kanttekening hierbij is dat na afdoening van de asielaanvraag het proces van overdracht volgt. Dit kost tijd omdat er meerdere procedurele handelingen moeten worden verricht waarbij er een reactietermijn geldt voor de advocatuur en de aangezochte lidstaat. We gaan in gesprek met onze Duitse en Belgische collega’s om te bekijken of we gezamenlijk kunnen optreden om het asielshoppen tussen onze landen – en daarmee dus het aantal Dublinclaimanten – te beperken.

Een andere maatregel die ik heb genomen om niet-kansrijke asielaanvragen sneller af te kunnen doen is het aanstellen van functionarissen die erop toezien dat vreemdelingen tijdig aanwezig zijn bij de gehoren van de IND. Omdat vreemdelingen uit veilige landen en Dublinclaimanten geen belang hebben bij een snelle afdoening van hun asielaanvraag, blijkt in de praktijk namelijk dat zij vaak niet komen opdagen bij afspraken met de IND, wat de processen onnodig vertraagt en dus onwenselijk is. Naast het aanspreken en aansporen van deze vreemdelingen wordt, binnen de kaders die het vreemdelingenrecht biedt, ook ingezet op het sanctioneren van het niet verschijnen bij een afspraak of het niet voldoen aan aanwijzingen. Bij het toepassen van sancties zal steeds worden gekozen voor de sanctie die het meest passend is met het oog voor de omgeving.

In geval van overlastgevende groepen wordt daarbij ook ingezet op overplaatsingen om de negatieve groepsdynamiek te doorbreken.

Verder worden overlastgevers sneller geplaatst in de ebtl, en wordt deze maatregel ook eerder ingezet dan het ontzeggen van de opvang. Zo zijn direct na de overlast in Weert en Westerwolde 7 vreemdelingen overgeplaatst naar de ebtl. Ook gaan we in individuele gevallen over tot plaatsing in de ebtl van alleenstaande minderjarige vreemdelingen die ouder zijn dan 16 jaar. We zien namelijk in toenemende mate dat overlast wordt veroorzaakt door een specifieke, beperkte groep (gestelde) amv’s, die vaak is betrokken bij strafrechtelijke vergrijpen. Een plaatsing van een minderjarige in de ebtl zal altijd gebeuren in nauwe betrokkenheid met Nidos.

Ik zal uw Kamer in de tweede helft van 2018 uitgebreider informeren over het functioneren van de ebtl en de intensievere inzet ervan.

Voor de specifieke groep overlastgevende amv’s geldt verder dat de bestaande methodiek om amv’s te begeleiden lastig toepaspaar is. Daarom zijn het COA, DJI en Nidos in gesprek om te bezien welke stappen we gezamenlijk nog meer kunnen zetten om amv’s die zich misdragen aan te pakken. Opvang in minder open opvanglocaties wordt bij die gesprekken niet uitgesloten. Maar ook hier blijft het uitgangspunt dat in geval van mogelijke strafrechtelijke vergrijpen politie en OM worden betrokken. Met het oog op het belang van het voorkomen van misbruik door vreemdelingen die zich voordoen als minderjarigen heb ik verder de ketenorganisaties verzocht om scherp te blijven op de inzet van schouw- en leeftijdsonderzoeken als instrumenten om te beoordelen of de (gestelde) minderjarigheid aannemelijk is.

Na een afwijzing van een asielaanvraag is het prioriteit dat de betreffende vreemdeling vertrekt, het liefst vrijwillig maar als daar geen gehoor aan wordt gegeven gedwongen. Om hiertoe vreemdelingenbewaring binnen de huidige kaders zo effectief mogelijk toe te passen is het essentieel dat de ketenpartners scherp zijn op een complete dossieropbouw van overlastgevend gedrag van een vreemdeling. Dit is noodzakelijk met het oog van op het goed kunnen motiveren van een besluit tot vrijheidsbeperking (art. 56 Vw) of inbewaringstelling (art. 59 Vw). Ik heb de ketenpartners verzocht om hier nog scherper op te zijn dan nu het geval is.

Ik vind het voorts van belang om te benadrukken dat ik mij in het kader van het intensiveren van gedwongen terugkeer, samen met collega’s in het kabinet, inzet om zowel in bilaterale relaties als op EU-niveau betere terugkeersamenwerking te realiseren.

Om het vertrek van asielzoekers die ernstige overlast veroorzaken te bespoedigen wil ik inzetten op de mogelijkheid dergelijke asielzaken met voorrang te laten behandelen door rechtbanken. In het recente verleden zijn rechtbanken bereid gebleken om op verzoek zaken van asielzoekers die ernstige overlast veroorzaken met voorrang te behandelen. Ik heb de IND gevraagd een meer structurele toepassing van die werkwijze met de rechtbanken te bespreken.

Vorenstaande maatregelen zullen de komende periode leidend zijn bij de aanpak van overlastgevende asielzoekers. Wanneer blijkt dat in de uitvoering behoefte bestaat aan het inzetten van andere, verdergaande maatregelen dan zal dat zeker niet geschuwd worden. Vanzelfsprekend houd ik uw Kamer hiervan op de hoogte.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, M.G.J. Harbers


X Noot
1

Kamerstukken 19 637 en 33 042, nr. 2179, Kamerstuk 19 637, nrs. 2254, 2257, 2268, 2315, 2329, en 2341.